Romeinen 7
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
25 verzen, 23 met wijzigingen
SV1 Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerscht over den mens, zo langen tijd als hij leeft?
Grieks κυριεύω (kyrieuō) = heersen, heer zijn over — dezelfde term als in Rom 6:9,14; de wet heerst over de levende mens
1 Of weet u niet, broeders — want ik spreek tot hen die de wet kennen — dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?
SV2 Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.
Grieks ὕπανδρος (hypandros) = onder een man, gehuwd — letterlijk: onder het gezag van een man; κατήργηται (katērgētai) = ontslagen, vrijgemaakt — perfectum passief van καταργέω
1 Kor 7:39
2 Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden zolang hij leeft; maar als de man gestorven is, is zij ontslagen van de wet van de man.
SV3 Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.
Grieks μοιχαλίς (moichalis) = overspelige vrouw — van μοιχεύω (moicheuō) = overspel plegen; "overspelersse" is verouderd
3 Daarom dan, als zij bij een andere man is terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden; maar als de man gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij bij een andere man is.
SV4 Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.
Grieks ἐθανατώθητε (ethanatōthēte) = u bent gedood — passief: niet wij hebben onszelf gedood, maar wij zijn gedood door Christus' dood; καρποφορέω (karpophoreō) = vrucht dragen
Gal 2:19; 5:22-23; Ef 2:15-16
4 Zo bent ook u, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij voor God vrucht zouden dragen.
SV5 Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.
Grieks πάθημα (pathēma) = hartstocht, lijden — hier de zondige hartstochten; ἐνεργέω (energeō) = werken, actief zijn — de hartstochten waren actief werkzaam in de leden
Rom 6:21; Gal 5:19-21
5 Want toen wij in het vlees waren, werkten de hartstochten van de zonden, die door de wet gewekt werden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen.
SV6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.
Grieks καινότης πνεύματος (kainotēs pneumatos) = nieuwheid van de Geest; παλαιότης γράμματος (palaiotēs grammatos) = oudheid van de letter — contrast tussen het nieuwe leven door de Geest en het oude bestaan onder de letter van de wet
Rom 6:4; 2 Kor 3:6
6 Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij gebonden waren, zodat wij dienen in nieuwheid van de Geest, en niet in oudheid van de letter.
SV7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.
Grieks ἐπιθυμία (epithymia) = begeerte, verlangen — kan neutraal zijn maar hier de zondige begeerte; οὐκ ἐπιθυμήσεις (ouk epithymēseis) = u zult niet begeren — citaat uit het tiende gebod
Rom 3:20; Ex 20:17; Deut 5:21
7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Maar ik heb de zonde niet gekend dan door de wet; want ook de begeerte had ik niet gekend, als de wet niet gezegd had: U zult niet begeren.
SV8 Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.
Grieks ἀφορμή (aphormē) = aanleiding, uitgangspunt, aanknopingspunt — militaire term: een uitvalsbasis; de zonde gebruikt het gebod als uitvalsbasis
Rom 5:20; Jak 1:14-15
8 Maar de zonde heeft door het gebod aanleiding genomen en in mij allerlei begeerte gewekt; want zonder de wet is de zonde dood.
SV9 En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.
9 En ik leefde eertijds zonder de wet; maar toen het gebod kwam, leefde de zonde op, en ik stierf.
SV10 En het gebod, dat ten leven was, datzelve is mij ten dood bevonden.
10 En het gebod dat tot leven was, dat bleek mij tot de dood te zijn.
SV11 Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood.
Grieks ἐξαπατάω (exapataō) = verleiden, misleiden — met prefix ἐξ- dat de intensiteit versterkt; echo van de verleiding van Eva in Gen 3
Gen 3:13; 2 Kor 11:3
11 Want de zonde heeft door het gebod aanleiding genomen, en heeft mij verleid en daardoor gedood.
SV12 Zo dan, de wet is heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
Ps 19:8-9; 1 Tim 1:8
12 Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.
SV13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is het, opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.
Grieks καθ᾽ ὑπερβολήν (kath' hyperbolēn) = buitengewoon, bovenmate — de zonde wordt in haar ware karakter onthuld door het gebod
13 Is dan het goede mij tot de dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde, opdat zij als zonde openbaar zou worden, heeft door het goede mij de dood bewerkt; opdat de zonde buitengewoon zondig zou worden door het gebod.
SV14 Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.
Grieks σαρκικός/σάρκινος (sarkikos/sarkinos) = vleselijk, van vlees — niet slechts "beïnvloed door vlees" maar "bestaande uit vlees"; πεπραμένος (pepramenos) = verkocht — perfectum passief: als slaaf verkocht onder de zonde
Ps 51:7; Joh 3:6
14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.
SV15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik hate, dat doe ik.
Grieks κατεργάζομαι (katergazomai) = uitwerken, tot stand brengen; γινώσκω (ginōskō) = kennen, begrijpen — Paulus begrijpt zijn eigen handelen niet; de innerlijke tweespalt
15 Want wat ik doe, dat begrijp ik niet; want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.
SV16 En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is.
16 En als ik doe wat ik niet wil, dan stem ik de wet toe dat zij goed is.
SV17 Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
17 Nu doe ik het dan niet meer, maar de zonde die in mij woont.
SV18 Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.
Grieks παράκειται (parakeitai) = erbij liggen, voorhanden zijn — het willen is er wel, maar het vermogen om het goede te doen ontbreekt
18 Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont; want het willen is er wel bij mij, maar het goede doen, dat vind ik niet.
SV19 Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.
19 Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.
SV20 Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
20 Als ik nu doe wat ik niet wil, dan doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont.
SV21 Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.
21 Ik ontdek dus deze wet in mij: als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij.
SV22 Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens.
Grieks ἔσω ἄνθρωπος (esō anthrōpos) = innerlijke mens — de vernieuwde mens die in Gods wet een vermaak vindt; συνήδομαι (synēdomai) = medeverheugen, vermaak scheppen in
Ps 1:2; 119:16
22 Want naar de innerlijke mens heb ik een vermaak in de wet van God.
SV23 Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.
Grieks ἀντιστρατεύομαι (antistrateuomai) = strijd voeren tegen — militaire term: een tegenoffensief voeren; αἰχμαλωτίζω (aichmalōtizō) = krijgsgevangene maken — als oorlogsbuit meevoeren
Gal 5:17; 1 Petr 2:11
23 Maar ik zie een andere wet in mijn leden, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand, en mij krijgsgevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.
SV24 Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
Grieks ταλαίπωρος (talaipōros) = ellendig, beklagenswaardig — een diepe uitroep van wanhoop; ῥύομαι (rhyomai) = verlossen, redden, bevrijden — actief uit gevaar trekken
Rom 8:2; 1 Kor 15:57
24 Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?
SV25 Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.
Grieks νοῦς (nous) = verstand, gemoed, gezindheid — het vernieuwde denkvermogen dat Gods wet erkent; σάρξ (sarx) = vlees — de nog niet verloste menselijke natuur
Rom 8:1-2; 1 Kor 15:57
25 Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heer. Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.