Romeinen 6

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
23 verzen, 23 met wijzigingen

Gestorven aan de zonde met Christus

SV1 Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?
Grieks ἐπιμένω (epimenō) = blijven bij, volharden in — opzettelijk blijven in de zonde; πλεονάζω (pleonazō) = toenemen, vermeerderen
1 Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?
SV2 Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?
Grieks μὴ γένοιτο (mē genoito) = volstrekt niet, dat zij verre — de sterkste ontkenning in het Grieks; "dat zij verre" is verouderd
2 Volstrekt niet! Wij die aan de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog daarin leven?
SV3 Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
Grieks βαπτίζω (baptizō) = dopen, onderdompelen — de doop als eenwording met Christus' dood
3 Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?
SV4 Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.
Grieks καινότης (kainotēs) = nieuwheid, vernieuwing — van καινός (kainos) = nieuw in kwaliteit (niet νέος = nieuw in tijd)
4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.
SV5 Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding;
Grieks σύμφυτοι (symphytoi) = samengegroeid, verenigd — letterlijk: samen geplant; duidt op organische verbondenheid met Christus
5 Want als wij met Hem samengegroeid zijn in gelijkvormigheid aan Zijn dood, dan zullen wij het zeker ook zijn aan Zijn opstanding.
SV6 Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.
Grieks καταργέω (katargeō) = tenietdoen, buiten werking stellen; σῶμα τῆς ἁμαρτίας (sōma tēs hamartias) = lichaam van de zonde — het lichaam als instrument van de zonde; δουλεύω (douleuō) = dienen als slaaf
6 Dit wetend, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden, zodat wij niet meer de zonde dienen.
SV7 Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.
Grieks δεδικαίωται (dedikaiōtai) = is gerechtvaardigd, is vrijgesproken — perfectum passief van δικαιόω; hier juridisch: vrijspraak van de macht van de zonde door de dood
7 Want wie gestorven is, is vrijgesproken van de zonde.
SV8 Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;
8 Als wij nu met Christus gestorven zijn, dan geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven;
SV9 Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over Hem.
Grieks κυριεύω (kyrieuō) = heersen, heer zijn over — van κύριος (kyrios) = heer; de dood is niet meer heer over de opgestane Christus
9 Wetend dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
SV10 Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.
10 Want wat Hij gestorven is, dat is Hij aan de zonde eenmaal gestorven; en wat Hij leeft, dat leeft Hij voor God.
SV11 Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.
Grieks λογίζεσθε (logizesthe) = reken, houd ervoor — imperativus: een bewuste daad van het geloof, niet slechts een gevoel
11 Zo moet ook u uzelf rekenen dood te zijn voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heer.

Leven in de dienst van God

SV12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven.
12 Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, om aan zijn begeerten te gehoorzamen.
SV13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
Grieks παρίστημι (paristēmi) = ter beschikking stellen, aanbieden, presenteren — "begeven" is verouderd; ὅπλα (hopla) = werktuigen, wapens — kan zowel gereedschappen als wapens betekenen
13 En stel uw leden niet ter beschikking van de zonde als wapens van ongerechtigheid; maar stel uzelf ter beschikking van God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn, en stel uw leden ter beschikking van God als wapens van gerechtigheid.
SV14 Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
Grieks κυριεύσει (kyrieusei) = zal heersen — toekomstige tijd als belofte: de zonde zal niet langer heer zijn over de gelovige
14 Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade.

Slaven van de gerechtigheid

SV15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.
15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet zijn maar onder de genade? Volstrekt niet!
SV16 Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt: hetzij der zonde tot den dood, hetzij der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
Grieks παρίστημι (paristēmi) = ter beschikking stellen — herhaling van vers 13; het beeld van slavernij: aan wie je je overgeeft, die dien je
16 Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaven ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaven bent van hem die u gehoorzaamt: hetzij van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
SV17 Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt;
Grieks τύπος διδαχῆς (typos didachēs) = voorbeeld/vorm van de leer — het patroon van het evangelie waaraan zij zich hebben onderworpen
17 Maar God zij dank dat u wel slaven van de zonde geweest bent, maar van harte gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.
SV18 En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.
Joh 8:32; 1 Kor 7:22
18 En vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.
SV19 Ik spreek op menselijke wijze, om der zwakheid uws vleses wil; want gelijk gij uwe leden gesteld hebt, dienstbaar der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uwe leden, dienstbaar der gerechtigheid tot heiligmaking.
Grieks ἀνθρώπινον (anthrōpinon) = menselijk, op menselijke wijze — Paulus past zijn beeldspraak aan vanwege hun beperkt begrip; ἀνομία (anomia) = wetteloosheid — letterlijk: zonder wet; ἁγιασμός (hagiasmos) = heiliging — het proces van heilig worden
19 Ik spreek op menselijke wijze, vanwege de zwakheid van uw vlees; want zoals u uw leden ter beschikking gesteld hebt van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, stel zo nu uw leden ter beschikking van de gerechtigheid tot heiliging.

Het loon van zonde en de gave van God

SV20 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zo waart gij vrij van de gerechtigheid.
20 Want toen u slaven van de zonde was, was u vrij van de gerechtigheid.
SV21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelve is de dood.
21 Wat voor vrucht had u dan toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood.
SV22 Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.
Grieks ἁγιασμός (hagiasmos) = heiliging — de vrucht van het dienen van God is heiliging die uitmondt in eeuwig leven
22 Maar nu, vrijgemaakt van de zonde en dienstbaar gemaakt aan God, hebt u uw vrucht tot heiliging, en het einde het eeuwige leven.
SV23 Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.
Grieks ὀψώνια (opsōnia) = loon, soldij — oorspronkelijk het rantsoen/de soldij van soldaten; χάρισμα (charisma) = genadegave — contrast: de zonde betaalt loon (dood), God geeft een gave (leven)
23 Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is het eeuwige leven, in Christus Jezus, onze Heer.