Romeinen 4
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
25 verzen, 23 met wijzigingen
Abraham gerechtvaardigd door geloof
SV1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?
Grieks προπάτορα (propatora) = voorvader, stamvader — specifieker dan alleen "vader"
1 Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?
SV2 Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God.
2 Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.
SV3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
Grieks λογίζομαι (logizomai) = toerekenen, aanrekenen — een boekhoudterm die centraal staat in dit hoofdstuk (11× gebruikt)
3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
SV4 Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
Grieks ὀφείλημα (opheilēma) = verplichting, iets verschuldigd — niet "schuld" in de zin van zonde, maar als iets dat men verplicht is te betalen
4 Wie werkt, wordt het loon niet toegerekend als genade, maar als verplichting.
SV5 Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
5 Maar wie niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
SV6 Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
Grieks μακαρισμός (makarismos) = gelukspraak, gelukzaligspreking — verwant aan μακάριος (gelukkig); "zalig spreken" is verouderd
6 Zoals ook David de mens gelukkig prijst aan wie God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken:
SV7 Zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn;
Ps 32:1-2
7 Gelukkig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie de zonden bedekt zijn;
SV8 Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.
8 Gelukkig is de man aan wie de Heer de zonden niet toerekent.
Geloof voorafgaand aan de besnijdenis
SV9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.
9 Is deze gelukspraak dan alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.
SV10 Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.
10 Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was, of toen hij onbesneden was? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.
SV11 En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;
Grieks σφραγίς (sphragis) = zegel — teken van echtheid en bevestiging; de besnijdenis bevestigde wat God al had toegerekend vóór de besnijdenis
11 En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven terwijl zij onbesneden zijn, zodat ook hun de rechtvaardigheid toegerekend wordt;
SV12 En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was.
12 En een vader van de besnijdenis, namelijk hen die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat hij had toen hij nog onbesneden was.
De belofte door het geloof
SV13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.
Grieks σπέρμα (sperma) = zaad, nageslacht — "zaad" is letterlijk maar "nageslacht" verduidelijkt de betekenis
13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn nageslacht geschied, namelijk dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof.
SV14 Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.
Grieks κενόω (kenoō) = leegmaken, zinloos maken; καταργέω (katargeō) = buiten werking stellen, krachteloos maken
14 Want als degenen die uit de wet zijn erfgenamen zijn, dan is het geloof zinloos geworden en de belofte krachteloos gemaakt.
SV15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.
Grieks κατεργάζομαι (katergazomai) = teweegbrengen, bewerken — de wet veroorzaakt bewustzijn van zonde en daarmee toorn
15 Want de wet brengt toorn teweeg; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.
SV16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;
16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade is; zodat de belofte vaststaat voor heel het nageslacht, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen;
SV17 (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
Grieks ζῳοποιέω (zōopoieō) = levend maken — God roept in het bestaan wat niet bestaat; dit slaat zowel op Izaks geboorte als op de opstanding
17 (Zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren;
Het geloof van Abraham
SV18 Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.
Gen 15:5
18 Hij heeft tegen alle hoop in op hoop geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.
SV19 En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
Grieks νεκρόω (nekroō) = doden, dood maken — over Abrahams lichaam op ~100-jarige leeftijd; νέκρωσις (nekrōsis) = afgestorvenheid, doodheid — van de moederschoot van Sara
19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangezien, dat reeds afgestorven was — daar hij ongeveer honderd jaar oud was — noch de afgestorvenheid van de moederschoot van Sara.
SV20 En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;
Grieks ἐνδυναμόω (endynamoō) = innerlijk kracht geven, sterken — passief: kracht ontvangen door het geloof
20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt in het geloof, en gaf God de eer;
SV21 En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.
Grieks πληροφορέω (plērophoreō) = ten volle overtuigen, volkomen zeker zijn
21 En was er ten volle van overtuigd dat wat Hij beloofd had, Hij ook machtig was te doen.
SV22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.
22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid toegerekend.
SV23 Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is;
23 Het is echter niet alleen om hem geschreven dat het hem toegerekend is;
SV24 Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft;
24 Maar ook om ons, aan wie het zal toegerekend worden, namelijk hen die geloven in Hem Die Jezus, onze Heer, uit de doden heeft opgewekt;
SV25 Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Grieks παράπτωμα (paraptōma) = overtreding, misstap — letterlijk "vallen naast"; δικαίωσις (dikaiōsis) = rechtvaardiging — het actieve proces van rechtvaardig verklaren, niet het verouderde "rechtvaardigmaking"
25 Hij Die overgeleverd is om onze overtredingen, en opgewekt om onze rechtvaardiging.