Romeinen 1

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
32 verzen, 31 met wijzigingen

Groet aan de gemeente van Rome

SV1 Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,
1 Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,
SV2 (Hetwelk Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften)
2 (Dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften)
SV3 Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees;
Grieks σπέρματος = nageslacht/nakomelingen — “zaad” is in deze context verouderd
3 Over Zijn Zoon (Die geworden is uit het nageslacht van David, naar het vlees,
SV4 Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden) namelijk Jezus Christus, onzen Heere:
4 Die krachtig bewezen is de Zoon van God te zijn, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden), namelijk Jezus Christus, onze Heer:
SV5 (Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen, voor Zijn Naam;
5 (Door Wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben, tot gehoorzaamheid van het geloof onder alle heidenen, voor Zijn Naam;
SV6 Onder welken gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus!)
6 Onder wie ook u bent, geroepenen van Jezus Christus!)
SV7 Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
7 Aan allen die in Rome zijn, geliefden van God en geroepen heiligen: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.

Paulus' verlangen de Romeinen te bezoeken

SV8 Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld.
8 Allereerst dank ik mijn God door Jezus Christus voor u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de hele wereld.
SV9 Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenke;
9 Want God is mijn Getuige, Die ik dien in mijn geest in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder ophouden aan u denk,
SV10 Allen tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd, door den wil van God, om tot ulieden te komen.
10 terwijl ik altijd in mijn gebeden bid of mij mogelijk ooit door de wil van God de gelegenheid gegeven wordt om naar u toe te komen.
SV11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, ten einde gij versterkt zoudt worden;
11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave zou meedelen, zodat u versterkt zou worden;
SV12 Dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zo het uwe als het mijne.
Grieks συμπαρακληθῆναι = samen bemoedigd worden — sterker dan alleen “vertroost”
12 Dat wil zeggen, om samen bemoedigd te worden onder u, door het onderlinge geloof, zowel dat van u als dat van mij.
SV13 Doch ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen.
13 Maar ik wil niet dat het u onbekend is, broeders, dat ik vaak voorgenomen heb naar u te komen (en tot nu toe verhinderd ben geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen.
SV14 Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar.
14 Zowel bij Grieken als bij barbaren, zowel bij wijzen als bij onwijzen sta ik in de schuld.
SV15 Alzo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om u ook, die te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen.
Grieks πρόθυμον = bereidwillig, gretig — “volvaardig” is verouderd
15 Zo is er wat mij betreft bereidwilligheid om ook aan u die in Rome bent het Evangelie te verkondigen.

De kracht van het Evangelie

SV16 Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.
Grieks σωτηρίαν = redding, behoud — niet “zaligheid” (zie hertaalregels)
16 Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot redding voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood en ook voor de Griek.
SV17 Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
17 Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard, uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

Gods toorn over de goddeloosheid

SV18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
Grieks κατεχόντων = onderdrukken, tegenhouden — “ten onder houden” is verouderd
18 Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken.
SV19 Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
19 Omdat wat van God kenbaar is, onder hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
SV20 Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
20 Want Zijn onzichtbare dingen worden sinds de schepping van de wereld uit de schepselen begrepen en doorzien, namelijk zowel Zijn eeuwige kracht als Zijn goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.
SV21 Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
21 Omdat zij, hoewel zij God kenden, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar nutteloos zijn geworden in hun overwegingen, en hun onverstandig hart is verduisterd;
SV22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
22 Terwijl zij beweerden wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden;
SV23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
23 en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een vergankelijk mens, en van vogels, en van viervoetige en kruipende dieren.

Overgegeven aan schandelijke hartstochten

SV24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;
24 Daarom heeft God hen ook overgegeven aan de begeerten van hun harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;
SV25 Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.
25 zij die de waarheid van God veranderd hebben in de leugen, en het schepsel vereerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.
SV26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
Grieks πάθη ἀτιμίας = schandelijke hartstochten — “oneerlijke bewegingen” is verouderd
26 Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke hartstochten; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijke gebruik veranderd in het gebruik tegen de natuur;
SV27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
27 En evenzo ook de mannen: zij hebben het natuurlijke gebruik van de vrouw nagelaten en zijn ontbrand in hun lust voor elkaar, mannen die met mannen schandelijkheid bedreven en de vergelding van hun dwaling, die daarbij paste, in zichzelf ontvingen.
SV28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
Grieks ἀδόκιμον νοῦν = verwerpelijk/verdorven denken — woordspel met οὐκ ἐδοκίμασαν (niet goeddachten)
28 En omdat zij het niet goeddachten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verdorven denken, om dingen te doen die niet gepast zijn;
SV29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
29 vervuld met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, hebzucht, slechtheid; vol afgunst, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
SV30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
Grieks ψιθυριστάς = fluisteraars; καταλάλους = kwaadsprekers; ὑβριστάς = overmoedigen; ἀλαζόνας = opscheppers/verwaanden
30 influisteraars, kwaadsprekers, haters van God, overmoedigen, hoogmoedigen, verwaanden, bedenkers van kwade dingen, ongehoorzaam aan hun ouders;
SV31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
31 onverstandigen, trouwelozen, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig;
SV32 Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.
32 Zij die, hoewel zij het recht van God kennen (namelijk dat degenen die zulke dingen doen, de dood waardig zijn), niet alleen deze dingen doen, maar ook instemmen met hen die ze doen.