Psalm 139

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
24 verzen, 23 met wijzigingen

God kent mij volkomen

SV1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
Hebreeuws למנצח (lamenatseach) = voor de koorleider/muziekmeester. Hebreeuws חקר (chaqar) = doorzoeken, doorvorsen.
1 Een psalm van David, voor de koorleider. Jahweh! U doorgrondt en kent mij.
SV2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Ps 56:7; Ps 94:11; Ps 147:5
2 U weet mijn zitten en mijn opstaan, U begrijpt van verre mijn gedachten.
SV3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
Hebreeuws זרית (zerita) van זרה (zarah) = wannen, ziften, nauwkeurig onderzoeken — de SV vertaalt interpreterend met “omringen”.
3 U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, en U bent met al mijn wegen vertrouwd.
SV4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.
4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Jahweh! U weet het alles.
SV5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
Hebreeuws צרתני (tsartani) van צור (tsur) = insluiten, omringen, belegeren. כפכה (kappekha) = Uw handpalm.
5 U sluit mij in van achteren en van voren, en U legt Uw hand op mij.
SV6 De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
Hebreeuws פלאיה (peli'ah) = te wonderlijk, te verheven. נשגבה (nisgavah) = onbereikbaar hoog.
6 De kennis is mij te wonderlijk, zij is hoog, ik kan er niet bij.

Gods alomtegenwoordigheid

SV7 Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
Jer 23:24; Am 9:2-4; Jona 1:3
7 Waar zou ik heengaan voor Uw Geest, en waar zou ik vluchten voor Uw aangezicht?
SV8 Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
Hebreeuws שאול (sje'ol) = dodenrijk, niet “hel” in de christelijke zin — het is de verblijfplaats van alle gestorvenen.
8 Als ik opsteeg naar de hemel, U bent daar; of spreidde ik mijn bed uit in het dodenrijk, zie, U bent daar.
SV9 Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
9 Nam ik vleugels van de dageraad, woonde ik aan het uiterste van de zee,
SV10 Ook dáár zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
10 Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
SV11 Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
Hebreeuws ישופני (jesjufeni) van שוף (sjuf) = vermorzelen, of: bedekken, overvallen — de exacte betekenis is onzeker.
11 Als ik zei: De duisternis zal mij immers bedekken dan is de nacht een licht om mij.
SV12 Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
Dan 2:22; 1 Joh 1:5; Jak 1:17
12 Ook verduistert de duisternis voor U niet, maar de nacht is licht als de dag; de duisternis is als het licht.

Wonderlijk gevormd in de moederschoot

SV13 Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
Hebreeuws קנה (qanah) = verwerven, maar ook: vormen, scheppen (vgl. Gen 14:19; Deut 32:6). כליות (kelayot) = nieren — in Hebreeuws een beeld voor het diepste innerlijk en de zetel van het geweten. סכך (sakak) = weven, bedekken, omhullen.
13 Want U vormde mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik bedekt.
SV14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, ook weet het mijn ziel zeer wel.
Hebreeuws נוראות (noraot) = ontzagwekkend, eerbiedwekkend — niet “vreselijk” in de moderne negatieve zin. נפלאים (nifla'im) = wonderlijk, bovenmenselijk.
14 Ik loof U, omdat ik op een ontzagwekkende wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, en mijn ziel weet dat zeer wel.
SV15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
Hebreeuws רקם (ruqqam) = geweven met kleuren, geborduurd. “Gewrocht” is verouderd — vervangen door “geweven”. De “nederste delen van de aarde” is een poëtisch beeld voor de moederschoot.
15 Mijn gebeente was voor U niet verborgen, toen ik in het verborgene gemaakt werd, en als een borduursel geweven werd, in de diepste delen van de aarde.
SV16 Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Hebreeuws גלם (golem) = ongevormde massa, embryo — dit is het enige voorkomen van dit woord in de Bijbel.
16 Uw ogen hebben mijn ongevormde embryo gezien, en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen toen zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die er was.
SV17 Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
Ps 40:6; Ps 92:6; Jes 55:8-9
17 Daarom, hoe kostbaar zijn mij, o God, Uw gedachten! Hoe machtig veel zijn hun sommen!
SV18 Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
Ps 40:13; Ps 104:34
18 Zou ik ze tellen? Ze zijn meer dan het zand; word ik wakker, dan ben ik nog bij U.

Gebed tegen de goddelozen

SV19 O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
Hebreeuws אנשי דמים (ansje damim) = mannen van bloedvergieten, d.w.z. bloeddorstige mannen.
19 O God, dat U de goddeloze ombracht! En u, mannen van bloed, ga weg van mij!
SV20 Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
Hebreeuws נשא לשוא (nasa lasjav) = verheffen tot ijdelheid/zinloosheid. Het woord עריך is moeilijk — mogelijk “Uw tegenstanders” of een verbastering van “Uw naam”.
20 Die schandelijk van U spreken en Uw vijanden tevergeefs verheffen.
SV21 Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
Hebreeuws אתקוטט ('etqotat) van קוט (qut) = walgen, een diepe afkeer voelen — sterker dan het SV-woord “verdriet hebben in”.
21 Zou ik niet haten, Jahweh, wie U haten? En walgen van wie tegen U opstaan?
SV22 Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
Hebreeuws תכלית שנאה (taklit sin'ah) = volmaakte/uiterste haat — een haat die niets uitsluit.
22 Ik haat hen met volkomen haat, zij zijn mij tot vijanden.

Doorgrond mij, o God

SV23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
Hebreeuws שרעפי (sar'appai) = mijn onrustige/angstige gedachten — specifieker dan het algemene “gedachten”.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
SV24 En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.
Hebreeuws דרך עצב (derekh otsev) = weg van smart/afgodij — עצב kan zowel “pijn” als “afgod” betekenen. דרך עולם (derekh olam) = eeuwige weg, de weg van het eeuwige leven.
24 En zie of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg.