Psalm 73

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
28 verzen, 28 met wijzigingen

Het voorspoed van de goddelozen

SV1 Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn.
Hebreeuws מזמור לאסף (mizmor le'asaf) = een psalm van Asaf — Asaf was een Levitische zanger (1 Kron 6:39). אך (akh) = zeker, waarlijk — sterker dan "immers". ברי לבב (barei levav) = reinen van hart.
1 Een psalm van Asaf. Zeker, God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn.
SV2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
Hebreeuws נטוי (natui) = uitgegleden, afgeweken — beeld van voeten die bijna van het pad glijden. כאין (ke'ayin) = als niets, bijna — versterkt het bijna-karakter.
2 Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden; mijn schreden waren haast uitgeschoten.
SV3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
Hebreeuws קנאתי (qin'ati) = ik was jaloers/nijdig — van קנא (qana) = jaloers zijn. שלום רשעים (shalom resha'im) = vrede/welzijn van de goddelozen.
3 Want ik was jaloers op de dwazen, toen ik de vrede van de goddelozen zag.
SV4 Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
Hebreeuws חרצבות (chartsubboth) = boeien, banden — het woord duidt op ketenen of kwellingen. בריא אולם (bari' ulam) = fris/gezond en sterk.
4 Want er zijn geen boeien tot aan hun dood, en hun kracht is fris.
SV5 Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
Hebreeuws עמל אנוש (amal enosh) = moeite van de sterveling — אנוש (enosh) benadrukt de zwakheid van de mens.
5 Zij delen niet in de moeite van stervelingen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
SV6 Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
Hebreeuws גאוה (ga'avah) = hoogmoed, trots — "hovaardij" is verouderd. ענקתמו (anaqtamo) = hun halsketen — van ענק (anaq) = halsketen.
6 Daarom omringt de hoogmoed hen als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
SV7 Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
Hebreeuws יצא מחלב עינמו (yatsa mechelev enemo) = hun oog treedt uit van vet — beeld van welvaart en overvloed. משכיות לבב (maskiyyoth levav) = verbeeldingen/plannen van het hart.
7 Hun ogen puilen uit van vet; zij overtreffen de verbeeldingen van het hart.
SV8 Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
Hebreeuws ימיקו (yamiku) = zij spotten/honen — van מוק (muq) = spotten. עשק (osheq) = onderdrukking, afpersing — "verdrukking" is verouderd in deze context.
8 Zij spotten en spreken boosaardig over onderdrukking; zij spreken vanuit de hoogte.
SV9 Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
9 Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt over de aarde.
SV10 Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
10 Daarom keert Zijn volk zich hierheen, en water van een volle beker wordt door hen uitgedronken,
SV11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
Hebreeuws דעה (de'ah) = kennis, wetenschap — "wetenschap" hier vervangen door het algemenere "kennis". עליון (elyon) = de Allerhoogste — behouden als titel van God.
11 En zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er kennis zijn bij de Allerhoogste?
SV12 Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
Hebreeuws שלוי עולם (shalvei olam) = rust in de wereld, ongestoord welzijn. השגו חיל (hisgu chayil) = zij vermeerderen vermogen/rijkdom.
12 Zie, dit zijn goddelozen; toch hebben zij rust in de wereld, zij vermeerderen hun vermogen.
SV13 Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
13 Zeker, tevergeefs heb ik mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
SV14 Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
Hebreeuws כל היום (kol hayyom) = de hele dag. לבקרים (labbeqarim) = elke morgen, morgen aan morgen — "alle morgens" wordt "elke morgen".
14 Want ik werd de hele dag geplaagd, en mijn bestraffing was er elke morgen.

Inzicht in Gods heiligdom

SV15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
15 Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken — zie, dan zou ik ontrouw zijn aan het geslacht van Uw kinderen.
SV16 Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
Hebreeuws ואחשבה לדעת (va'achashvah lada'ath) = ik dacht na om te begrijpen — "verstaan" vervangen door "begrijpen".
16 Toch heb ik nagedacht om dit te begrijpen; maar het was moeite in mijn ogen,
SV17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
Hebreeuws מקדשי אל (miqdeshei el) = heiligdommen van God. אחריתם (acharitam) = hun einde, hun lot — van אחרית (acharith) = einde, toekomst.
17 Totdat ik in Gods heiligdommen binnenging en op hun einde lette.
SV18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
18 Zeker, U zet hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen.
SV19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
19 Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting! Zij komen om, zij vergaan van verschrikkingen!
SV20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
Hebreeuws אדני (adonai) = Heer — hier staat אדני, niet יהוה, daarom "Heer" en niet "Jahweh". כחלום מהקיץ (kachalom mehaqits) = als een droom bij het ontwaken.
20 Als een droom na het ontwaken! Heer, als U ontwaakt, dan zult U hun beeld verachten.
SV21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
21 Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
SV22 Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
Hebreeuws בער (ba'ar) = onverstandig, dom als een beest — "onvernuftig" is verouderd. בהמות (behemoth) = groot dier, beest — als zelfstandig naamwoord. הייתי עמך (hayiti immakh) = ik was bij U.
22 Toen was ik onverstandig en wist niets; ik was als een redeloos dier bij U.

God als eeuwig deel

SV23 Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
Ps 16:8; Ps 63:9
23 Maar ik zal voortdurend bij U zijn; U hebt mijn rechterhand gegrepen.
SV24 Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
Ps 48:15; Ps 49:16
24 U zult mij leiden door Uw raad, en daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.
SV25 Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Hebreeuws מי לי בשמים (mi li bashamayim) = wie heb ik in de hemel — retorische vraag. חפצתי (chafatsti) = ik verlang — van חפץ (chafats) = verlangen, behagen.
25 Wie heb ik naast U in de hemel? Naast U verlang ik niets op de aarde!
SV26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
Hebreeuws צור לבבי (tsur levavi) = rots van mijn hart — "Rotssteen" vervangen door "rots". חלקי (chelqi) = mijn deel, mijn erfdeel.
26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, dan is God de rots van mijn hart en mijn deel voor eeuwig.
SV27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
Hebreeuws זונה (zoneh) = hoererend, ontrouw — beeld van geestelijke ontrouw aan God. הצמתה (hitsmattah) = U verdelgt, U roeit uit.
27 Want zie, wie ver van U zijn, zullen vergaan; U verdelgt allen die van U afhoereren.
SV28 Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
Hebreeuws קרבת אלהים (qirvath elohim) = nabijheid van God — "nabij" vervangen door "dichtbij". אדני יהוה (adonai YHWH) = Heer Jahweh — combinatie van beide Godsnamen. מחסי (machasi) = mijn toevlucht — van חסה (chasah) = schuilen. "betrouwen" vervangen door "vertrouwen".
28 Maar wat mij betreft, het is mij goed dichtbij God te zijn; ik stel mijn vertrouwen op de Heer Jahweh, om al Uw werken te vertellen.