Psalm 5
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
13 verzen, 13 met wijzigingen
SV1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechilôth.
Hebreeuws נחילות (nechiloth) = blaasinstrumenten, fluiten — vandaar 'bij fluitspel' (vgl. de Neginôth/snaren in Psalm 4); למנצח (lamenatseach) = voor de koorleider
1 Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.
SV2 O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
Hebreeuws אמרי (amaray) = mijn woorden, uitspraken — niet 'redenen' in de zin van argumenten; הגיג (hagig) = stil overpeinzen, binnensmonds prevelen; בינה (binah) = sla acht op, doorgrond
2 O Jahweh, neem mijn woorden ter ore; sla acht op mijn overpeinzing.
SV3 Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
Hebreeuws שועי (shav'i) = mijn hulpgeroep, noodkreet; הקשיבה (haqshivah) = luister aandachtig
Ps 84:4
3 Luister naar de stem van mijn hulpgeroep, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik.
SV4 Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
Hebreeuws ערך ('arach) = ordenen, klaarleggen — zoals het offer op het altaar wordt klaargelegd, zo legt David zijn gebed voor God klaar; צפה (tsafah) = uitzien als een wachter, verwachtingsvol uitkijken
Ps 59:17; 88:14; 130:6
4 's Morgens, Jahweh, zult U mijn stem horen; 's morgens leg ik mijn gebed voor U klaar en zie ik verwachtingsvol uit.
SV5 Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
Hebreeuws חפץ (chafets) = behagen scheppen in, genoegen hebben in; רע (ra) = het kwaad, de boze — die bij U niet als gast mag verblijven (יגרך, van גור = als vreemdeling verblijven)
Ps 11:5; Hab 1:13
5 Want U bent geen God die behagen schept in goddeloosheid; de boze zal bij U niet verblijven.
SV6 De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
Hebreeuws הוללים (holelim) = pochers, overmoedigen, verdwaasden — niet 'onzinnigen'; יתיצבו (jitjatsvu) = standhouden, blijven staan; פעלי און (po'alei awen) = wie onrecht bedrijven
Ps 1:5; 11:5
6 De hoogmoedigen zullen voor Uw ogen niet standhouden; U haat allen die onrecht bedrijven.
SV7 Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
Hebreeuws איש דמים (iesh damim) = man van bloed(vergieten); מרמה (mirmah) = bedrog, list; תעב (ta'av) = verafschuwen, walgen van
Ps 55:24; 101:7
7 U zult de leugensprekers ombrengen; van de man van bloedvergieten en bedrog heeft Jahweh een afschuw.
SV8 Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
Hebreeuws חסד (chesed) = goedertierenheid, verbondstrouw; היכל קדשך (heichal qodshecha) = Uw heilige tempel; יראה (jir'ah) = ontzag, eerbiedige vrees
Ps 138:2; 26:8
8 Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid Uw huis binnengaan; ik buig mij neer naar Uw heilige tempel, in ontzag voor U.
SV9 HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
Hebreeuws שוררי (shorerai) = wie mij begluren, mijn belagers — vijanden die op de loer liggen; הישר (hajshar) = maak recht, effen
Ps 27:11; 25:5
9 Jahweh, leid mij in Uw gerechtigheid vanwege mijn belagers; maak Uw weg recht voor mijn aangezicht.
SV10 Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
Hebreeuws נכונה (nechonah) = wat betrouwbaar en vast is; הוות (hawwot) = verderf, onheil; de regel 'hun keel is een open graf' wordt door Paulus aangehaald in Romeinen 3:13
Rom 3:13; Ps 12:3
10 Want in hun mond is niets betrouwbaars, hun binnenste is enkel verderf; hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
SV11 Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.
Hebreeuws הדיחמו (hadichemo) = verstoot hen, drijf hen weg; פשע (pesha) = overtreding, opstandige daad; מרה (marah) = opstandig zijn, zich verzetten
Ps 7:16; Hos 11:6
11 Verklaar hen schuldig, o God; laat hen ten val komen door hun eigen plannen; verstoot hen vanwege hun vele overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U.
SV12 Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
Hebreeuws חסה (chasah) = schuilen, toevlucht zoeken — 'op U vertrouwen'; סכך (sachach) = beschutten, overdekken, als een beschermend dak boven iemand
Ps 2:12; 34:23
12 Maar laat allen die op U vertrouwen, zich verblijden; laat hen tot in eeuwigheid jubelen, omdat U hen beschut; en laat wie Uw Naam liefhebben, in U van vreugde opspringen.
SV13 Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.
Hebreeuws צנה (tsinnah) = groot, lichaamsdekkend schild — vandaar 'als met een schild' (de SV heeft 'rondas'); רצון (ratson) = welbehagen, gunst, welgevallen
Ps 84:12; Deut 33:29
13 Want U, Jahweh, zult de rechtvaardige zegenen; U zult hem met welbehagen kronen als met een schild.