Markus 14

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
72 verzen, 72 met wijzigingen

De zalving te Bethanië

SV1 En het pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
Grieks ἄζυμα = ongezuurd (niet "ongeheveld")
1 En het Paschaah en het feest van de ongezuurde broden was na twee dagen. En de overpriestersx en de schriftgeleerdenn zochten hoe zij Hem met list konden grijpen en doden.
Het Pascha was het Joodse feest wat Joden herinnerde aan de manier waarop God hen bevrijdde uit slavernij in Egypte. God oordeelde de Egyptenaren en ging de huizen van de Israelieten die gemarkeerd waren met het bloed van een lammetje voorbij. Zo was het ook een afschaduwing van de Messias die als een Lam geslacht werd zodat God iedereen die in Hem gelooft voorbij zal gaan bij het laatste oordeel.
↗ x — Uitleg bij 8:31
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV2 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.
2 Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, opdat er geen oproer onder het volk ontstaat.
SV3 En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.
Grieks πιστικῆς νάρδου = zuivere/echte nardus; πολυτελοῦς = van grote waarde
3 En toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, terwijl Hij aan tafel aanlag, kwam een vrouw met een albasten fles met zalf van zuivere nardus, van grote waarde; en zij brak de albasten fles en goot die uit over Zijn hoofd.
SV4 En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?
Grieks ἀπώλεια = verspilling
4 En er waren sommigen die bij zichzelf zeer verontwaardigd waren en zeiden: Waarom is deze zalf verspild?
SV5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.
Grieks δηναρίων = denariën (Romeinse munten)
5 Want deze zalf had voor meer dan driehonderd denariën verkocht kunnen worden en aan de armen gegeven; en zij vielen tegen haar uit.
SV6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
6 Maar Jezus zei: Laat haar met rust; waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.
SV7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
7 Want de armen hebt u altijd bij u, en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; maar Mij hebt u niet altijd.
SV8 Zij heeft gedaan, hetgeen zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
8 Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd als voorbereiding op de begrafenis.
SV9 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.
9 Werkelijk, Ik zeg u: overal waar dit Evangeliea gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook ter herinnering aan haar gesproken worden van wat zij gedaan heeft.
↗ a — Uitleg bij 1:1

Het verraad van Judas

SV10 En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.
10 En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de overpriestersx om Hem aan hen over te leveren.
↗ x — Uitleg bij 8:31
SV11 En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.
Grieks εὐκαίρως = op een geschikt moment
11 En toen zij dat hoorden, waren zij verblijd en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij Hem op een geschikt moment zou overleveren.

De voorbereiding van het Pascha

SV12 En op den eersten dag der ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?
12 En op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer zij het Paschaah slachtten, zeiden Zijn discipelenv tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en bereiden, zodat U het Pascha kunt eten?
↗ ah — Uitleg bij vers 1
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt dien;
13 En Hij zond twee van Zijn discipelenv uit en zei tegen hen: Ga de stad in, en u zal een mens ontmoeten die een kruik water draagt; volg hem;
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV14 En zo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
14 en waar hij ook binnengaat, zeg tegen de heer van het huis: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Paschaah met Mijn discipelenv eten zal?
↗ v — Uitleg bij 3:7
↗ ah — Uitleg bij vers 1
SV15 En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.
Grieks ἀνάγαιον = bovenzaal/bovenkamer
15 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, ingericht en gereed; bereid het daar voor ons.
SV16 En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
16 En Zijn discipelenv gingen weg en kwamen in de stad, en vonden het zoals Hij hun gezegd had, en bereidden het Paschaah.
↗ v — Uitleg bij 3:7
↗ ah — Uitleg bij vers 1
SV17 En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.
17 En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf.
SV18 En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.
18 En terwijl zij aanlagen en aten, zei Jezus: Werkelijk, Ik zeg u dat een van u die met Mij eet, Mij zal verraden.
SV19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na den ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?
19 En zij begonnen bedroefd te worden en een voor een tegen Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?
SV20 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het is een uit de twaalven, die met Mij in den schotel indoopt.
20 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
SV21 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.
21 De Mensenzoonz gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar wee die mens door wie de Mensenzoon verraden wordt! Het zou beter voor hem geweest zijn als die mens niet geboren was.
↗ z — Uitleg bij 8:38

De instelling van het avondmaal

SV22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
22 En terwijl zij aten, nam Jezus brood, en nadat Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.
SV23 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven.
23 En Hij nam de drinkbeker, en nadat Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen; en zij dronken er allemaal uit.
SV24 En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.
Grieks διαθήκης = verbond (niet "testament")
24 En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Verbondai, dat voor velen vergoten wordt.
Het Nieuwe Verbond was Gods beloofde nieuwe afspraak waarop Hij met de mensen om zou gaan. Onder het Oude Verbond, de wet, was het de afspraak: "Doe dit en je zult leven." Dit kon niemand in werkelijkheid en was enkel om te laten zien dat we iets beters nodig hadden. In dat Nieuwe Verbond was de afspraak: "Terwijl jouw bloed moet vloeien vanwege je zonde, zal het bloed van Jezus Christus, die niet gezondigd had, vloeien in jouw plaats zodat jij kunt leven."
SV25 Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.
25 Werkelijk, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok, tot op die dag wanneer Ik die opnieuw zal drinken in het Koninkrijk van Godk.
↗ k — Uitleg bij 1:14

De voorzegging van Petrus' verloochening

SV26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
26 En nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg.
SV27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
Citaat Zacharia 13:7 — Grieks σκανδαλισθήσεσθε = ten val komen/struikelen
27 En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allemaal over Mij ten val komen; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
SV28 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.
28 Maar nadat Ik opgestaan zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
SV29 En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geërgerd worden, zo zal ik toch niet geërgerd worden.
29 En Petrus zei tegen Hem: Al zullen ze ook allemaal ten val komen, ik zeker niet.
SV30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
30 En Jezus zei tegen hem: Werkelijk, Ik zeg u dat u heden, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij drie keer zult verloochenen.
SV31 Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.
31 Maar hij zei nog nadrukkelijker: Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen. En evenzo zeiden zij ook allemaal.

Jezus in Gethsemane

SV32 En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.
32 En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsemane was, en Hij zei tegen Zijn discipelenv: Ga hier zitten, totdat Ik gebeden heb.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV33 En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;
Grieks ἐκθαμβεῖσθαι = hevig geschokt/ontsteld; ἀδημονεῖν = diep angstig/radeloos
33 En Hij nam Petrus en Jakobus en Johannes met Zich mee, en Hij werd hevig geschokt en door angst overvallen;
SV34 En zeide tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier, en waakt.
34 en zei tegen hen: Mijn ziely is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.
↗ y — Uitleg bij 8:36
SV35 En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat die ure van Hem voorbijginge.
35 En toen Hij een stukje verder was gegaan, viel Hij op de grond en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.
SV36 En Hij zeide: Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
36 En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn voor U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg; maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.
SV37 En Hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon! slaapt gij? Kunt gij niet een uur waken?
37 En Hij kwam en vond hen slapend, en zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Kon u niet één uur waken?
SV38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
38 Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
SV39 En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden.
39 En weer ging Hij weg en bad, en sprak dezelfde woorden.
SV40 En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.
40 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen weer slapend, want hun ogen waren zwaar; en zij wisten niet wat zij Hem zouden antwoorden.
SV41 En Hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
41 En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoonz wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
↗ z — Uitleg bij 8:38
SV42 Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt, is nabij.
42 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

De gevangenneming van Jezus

SV43 En terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.
43 En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, een van de twaalf, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gezonden door de overpriestersx en de schriftgeleerdenn en de ouderlingen.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ x — Uitleg bij 8:31
SV44 En die Hem verried, had hun een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zekerlijk henen.
Grieks σύσσημον = afgesproken teken; ἀσφαλῶς = veilig/zeker
44 En hij die Hem verried, had hun een afgesproken teken gegeven en gezegd: Wie ik kussen zal, Die is het; grijp Hem en leid Hem beveiligt weg.
SV45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste Hem.
45 En toen hij gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi! En hij kuste Hem.
SV46 En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem.
46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.
SV47 En een dergenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn oor af.
47 En een van hen die daarbij stonden, trok het zwaard, sloeg de knecht van de hogepriester en sloeg hem zijn oor af.
SV48 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?
Grieks λῃστήν = rover/misdadiger (niet "moordenaar")
48 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u uitgegaan met zwaarden en stokken, als tegen een rover, om Mij te grijpen?
SV49 Dagelijks was Ik bij ulieden in den tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar dit geschiedt, opdat de Schriften vervuld zouden worden.
49 Dagelijks was Ik bij u in de tempelad en onderwees, en u hebt Mij niet gegrepen; maar dit gebeurt opdat de Schriftenae vervuld zouden worden.
↗ ad — Uitleg bij 11:11
↗ ae — Uitleg bij 12:10
SV50 En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.
50 En zij lieten Hem allemaal achter en vluchtten.
SV51 En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.
Grieks σινδόνα = linnen kleed/doek
51 En een zekere jongeman volgde Hem, met een linnen kleed om zijn naakte lichaam geslagen, en zij grepen hem.
SV52 En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.
52 En hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.

Jezus voor de Hoge Raad

SV53 En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de schriftgeleerden.
53 En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriestersx en de ouderlingen en de schriftgeleerdenn samen.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ x — Uitleg bij 8:31
SV54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.
Grieks αὐλήν = binnenplaats/voorhof (niet "zaal")
54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen op de binnenplaats van de hogepriesteraj, en hij zat bij de raadsdienaren en warmde zich bij het vuur.
SV55 En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.
55 En de overpriestersx en de hele raad zochten een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te brengen, maar vonden die niet.
↗ x — Uitleg bij 8:31
SV56 Want velen getuigden valselijk tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.
56 Want velen getuigden vals tegen Hem, maar de getuigenissen waren niet eenstemmig.
SV57 En enigen, opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:
57 En sommigen stonden op en getuigden vals tegen Hem en zeiden:
SV58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempelad, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een andere, zonder handen gemaakt, bouwen.
↗ ad — Uitleg bij 11:11
SV59 En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.
59 En ook zo was hun getuigenis niet eenstemmig.
SV60 En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
60 En de hogepriesteraj stond op in het midden en vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?
↗ aj — Uitleg bij vers 54
SV61 Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
Grieks τοῦ εὐλογητοῦ = de Gezegende — Joodse eerbiedige omschrijving voor God
61 Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Opnieuw vroeg de hogepriesteraj Hem en zei tegen Hem: Bent U de Christusb, de Zoon van de Gezegende?
↗ b — Uitleg bij 1:1
↗ aj — Uitleg bij vers 54
SV62 En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter hand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.
62 En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Mensenzoonz zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel.
↗ z — Uitleg bij 8:38
SV63 En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?
63 En de hogepriesteraj scheurde zijn kleren en zei: Hebben wij nog getuigen nodig?
↗ aj — Uitleg bij vers 54
SV64 Gij hebt de godslastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.
64 U hebt de godslastering gehoord; wat oordeelt u? En zij allen veroordeelden Hem en achtten Hem de dood schuldig.
SV65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.
Grieks ῥαπίσμασιν = slagen in het gezicht
65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de raadsdienaren gaven Hem slagen in het gezicht.

De verloochening door Petrus

SV66 En als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des hogepriesters;
66 En toen Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriesteraj;
↗ aj — Uitleg bij vers 54
SV67 En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener.
67 en toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: Ook u was bij Jezus de Nazarener.
SV68 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet, wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.
Grieks προαύλιον = voorhof/portiek
68 Maar hij ontkende het en zei: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en de haan kraaide.
SV69 En de dienstmaagd, hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen, die daarbij stonden: Deze is een van die.
69 En het dienstmeisje zag hem opnieuw en begon te zeggen tegen hen die daarbij stonden: Hij is een van hen.
SV70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galileëer, en uw spraak gelijkt.
70 Maar hij ontkende het opnieuw. En kort daarna zeiden zij die daarbij stonden opnieuw tegen Petrus: U bent werkelijk een van hen, want u bent ook een Galileëer.
SV71 En hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen Mens niet, Dien gij zegt.
71 En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet van Wie u spreekt.
SV72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende.
Grieks ἐπιβαλών ἔκλαιεν — de betekenis van ἐπιβαλών is omstreden; mogelijk "hij barstte uit in tranen" of "hij bedekte zijn hoofd en weende"
72 En de haan kraaide voor de tweede keer; en Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus tegen hem gezegd had: Voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En hij barstte uit in tranen.