Markus 13
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
37 verzen, 36 met wijzigingen
De aankondiging van de verwoesting van de tempel
SV1 En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester! zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!
1 En toen Hij uit de tempelad ging, zei een van Zijn discipelenv tegen Hem: Meester, kijk, wat voor stenen en wat voor gebouwen!
↗ v — Uitleg bij 3:7
↗ ad — Uitleg bij 11:11
SV2 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
2 En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere gelaten worden die niet afgebroken zal worden.
Het begin van de weeën
SV3 En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen:
Grieks κατ΄ ἰδίαν = afzonderlijk/onder vier ogen
3 En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempelad, vroegen Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas Hem afzonderlijk:
↗ ad — Uitleg bij 11:11
SV4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden?
Grieks συντελεῖσθαι = volbracht/tot een einde gebracht worden
4 Vertel ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken wanneer al deze dingen volbracht zullen worden?
SV5 En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
5 En Jezus begon tegen hen te zeggen: Pas op dat niemand u misleidt.
SV6 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden.
Grieks Ἐγώ εἰμι = "Ik ben het" (niet "Ik ben de Christus" — de SV voegt "de Christus" toe)
6 Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben het; en zij zullen velen misleiden.
SV7 En wanneer gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet.
7 En wanneer u zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt; want dit moet geschieden, maar het is nog niet het einde.
SV8 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten.
Grieks ὠδίνων = barensweeën/geboorteweeën; "beroerten" ontbreekt in de oudste Griekse handschriften
8 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn op verschillende plaatsen, en er zullen hongersnoden zijn. Dit is het begin van de weeën.
SV9 Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.
9 Maar let op uzelf; want zij zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in synagogen zult u geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult u gesteld worden omwille van Mij, hun tot een getuigenis.
SV10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.
10 En het Evangeliea moet eerst gepredikt worden aan alle volken.
↗ a — Uitleg bij 1:1
SV11 Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.
11 Maar wanneer zij u wegleiden om u over te leveren, wees dan van tevoren niet bezorgd over wat u spreken zult, en bedenk het niet; maar wat u in dat uur gegeven zal worden, spreek dat; want u bent het niet die spreekt, maar de Heilige Geesti.
↗ i — Uitleg bij 1:8
SV12 En de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.
12 En de ene broer zal de andere broer overleveren tot de dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen doden.
SV13 En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Grieks σωθήσεται = gered/behouden worden
13 En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam; maar wie volharden zal tot het einde, die zal gered worden.
De grote verdrukking
SV14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vlieden op de bergen.
Grieks βδέλυγμα τῆς ἐρημώσεως = gruwel van de verwoesting (verwijzing naar Daniël 9:27, 11:31, 12:11)
14 Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting zult zien — waarvan door de profeet Daniël gesproken is — staan waar het niet behoort (wie het leest, laat hij het begrijpen! ) laten dan zij die in Judea zijn vluchten naar de bergen.
SV15 En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.
15 En wie op het dak is, moet niet naar beneden komen en niet binnengaan om iets uit zijn huis weg te nemen.
SV16 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.
Grieks ἱμάτιον = bovenkleed/mantel
16 En wie op de akker is, moet niet terugkeren om zijn mantel te nemen.
SV17 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!
17 Wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!
SV18 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.
18 Bid dat uw vlucht niet in de winter zal zijn.
SV19 Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.
Grieks κτίσεως = schepping (niet "schepselen")
19 Want die dagen zullen zo'n verdrukking brengen zoals er niet geweest is vanaf het begin van de schepping die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.
SV20 En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.
20 En als de Heer de dagen niet verkort had, zou geen vlees behouden worden; maar omwille van de uitverkorenenag, die Hij heeft uitgekozen, heeft Hij de dagen verkort.
Uitverkorenen zijn zei die, hoewel het terecht is dat alle mensen vanwege hun zonde veroordeeld worden, door God genadig uitgekozen zijn om gered te worden door het geloof in Jezus Christus.
SV21 En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.
21 En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christusb; of: Zie, Hij is daar; geloof het niet.
↗ b — Uitleg bij 1:1
SV22 Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.
22 Want er zullen valse christussenb en valse profetenc opstaan, en zij zullen tekenen en wonderen doen om te misleiden, als het mogelijk was, ook de uitverkorenenag.
↗ b — Uitleg bij 1:1
↗ c — Uitleg bij 1:2
↗ ag — Uitleg bij vers 20
SV23 Maar gijlieden ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!
23 Maar u, let op; zie, Ik heb u alles voorzegd!
De komst van de Mensenzoon
SV24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven.
SV25 En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.
25 En de sterren zullen uit de hemel vallen, en de krachten die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.
SV26 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.
26 En dan zullen zij de Mensenzoonz zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.
↗ z — Uitleg bij 8:38
SV27 En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.
27 En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenenag bijeenvergaderen uit de vier windstreken, van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel.
↗ ag — Uitleg bij vers 20
De les van de vijgenboom
SV28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
28 En leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer dichtbij is.
SV29 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het nabij, voor de deur is.
29 Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het dichtbij is, voor de deur.
SV30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
30 Werkelijk, Ik zeg u dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen geschied zullen zijn.
SV31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.
De oproep tot waakzaamheid
SV32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.
32 Maar van die dag en dat uur weet niemand, ook de engelen niet die in de hemel zijn, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader.
SV33 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.
33 Let op, waak en bid; want u weet niet wanneer de tijd is.
SV34 Gelijk een mens, buiten 's lands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood, dat hij zou waken;
Grieks ἐξουσίαν = volmacht/gezag
34 Zoals een mens die naar het buitenland reisde, zijn huis verliet en zijn knechten het gezag toevertrouwde, ieder zijn eigen werk, en de deurwachter gebood dat hij zou waken;
SV35 Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond);
35 waak dan, want u weet niet wanneer de heer van het huis komen zal: 's avonds laat, of te middernacht, of bij het hanengekraai, of in de vroege morgen;
SV36 Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
36 opdat hij niet onverwacht komt en u slapend vindt.
SV37 En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt.
37 En wat Ik tegen u zeg, dat zeg Ik tegen allen: Waak!