Markus 12
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
44 verzen, 44 met wijzigingen
De gelijkenis van de onrechtvaardige wijnbouwers
SV1 En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buiten 's lands.
Grieks φραγμόν = omheining (niet "tuin"); γεωργοῖς = pachters/landbouwers
1 En Hij begon door gelijkenissenw tegen hen te spreken: Een mens plantte een wijngaard en zette er een omheining omheen, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de wijnbouwers, en vertrok naar het buitenland.
↗ w — Uitleg bij 3:23
SV2 En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.
2 En toen het de tijd was, zond hij een knecht naar de wijnbouwers, om van de wijnbouwers een deel van de vrucht van de wijngaard te ontvangen.
SV3 Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
Grieks κενόν = met lege handen
3 Maar zij grepen hem, sloegen hem en stuurden hem met lege handen weg.
SV4 En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.
Grieks ἐκεφαλίωσαν = sloegen op het hoofd; ἠτίμασαν = oneerden/vernederden
4 En weer zond hij een andere knecht naar hen; die verwondden zij aan het hoofd en stuurden hem smadelijk behandeld weg.
SV5 En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.
5 En weer zond hij een andere, en die doodden zij; en vele anderen: sommigen sloegen zij en sommigen doodden zij.
SV6 Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
6 Toen hij nog een zoon had, die hem lief was, zond hij ook die als laatste naar hen toe en zei: Zij zullen toch mijn zoon ontzien.
SV7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.
7 Maar die wijnbouwers zeiden tegen elkaar: Dit is de erfgenaam; kom, laten wij hem doden, en de erfenis zal van ons zijn.
SV8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.
8 En zij grepen hem en doodden hem, en wierpen hem buiten de wijngaard.
SV9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.
Grieks ἀπολέσει = vernietigen/ombrengen (sterker dan "verderven")
9 Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen en de wijnbouwers ombrengen, en de wijngaard aan anderen geven.
SV10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;
Grieks κεφαλὴν γωνίας = hoeksteen (letterlijk: hoofd van de hoek)
10 Hebt u ook deze Schriftae niet gelezen: De steen die de bouwers verworpen hebben, die is tot een hoeksteen geworden;
De Schriften zijn het geschreven onderwijs en getuigenis wat God geinspireerd had en wat wij kennen als het eerste deel van de Bijbel.
SV11 Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
Citaat Psalm 118:22-23 — Hebreeuws יהוה (YHWH) → Jahweh
11 Dit is van Jahwehe uitgegaan, en het is wonderlijk in onze ogen?
↗ e — Uitleg bij 1:3
SV12 En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
12 En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij vreesden de menigte; want zij begrepen dat Hij die gelijkenis over hen uitsprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
De belasting aan de keizer
SV13 En zij zonden tot Hem enigen der farizeeën en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
13 En zij zondenh naar Hem toe enigen van de Farizeeënq en van de Herodianenu, om Hem in Zijn woorden te vangen.
↗ q — Uitleg bij 2:16
↗ h — Uitleg bij 1:4
↗ u — Uitleg bij 3:6
SV14 Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
Grieks κῆνσον = census/belasting (Latijns leenwoord)
14 Die kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van mensen niet aan, maar U leert de weg van God in waarheid; is het geoorloofd de keizer belasting te geven, of niet? Moeten wij betalen, of niet betalen?
SV15 En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
Grieks ὑπόκρισιν = huichelarij; δηνάριον = denarius (Romeinse munt)
15 En Hij, Die hun huichelarij kende, zei tegen hen: Waarom stelt u Mij op de proef? Breng Mij een denarius, zodat Ik die kan zien.
SV16 En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? en zij zeiden tot Hem: Des keizers.
16 En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer.
SV17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.
17 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.
De vraag over de opstanding
SV18 En de sadduceëen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:
18 En de sadduceëenaf kwamen naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en vroegen Hem:
Anders dan de farizeeën waren sadduceëen belangrijke Joodse leiders die alleen in de geschreven Torah geloofden en niet in engelen of de opstanding.
SV19 Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.
Grieks σπέρμα = zaad/nageslacht
19 Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat zijn broer diens vrouw zal nemen en voor zijn broer nageslacht verwekken.
SV20 Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.
20 Er waren nu zeven broers, en de eerste nam een vrouw, en toen hij stierf liet hij geen nageslacht na.
SV21 De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.
21 En de tweede nam haar en stierf, en ook hij liet geen nageslacht na; en de derde evenzo.
SV22 En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.
22 En alle zeven namen haar en lieten geen nageslacht na; als laatste van allen stierf ook de vrouw.
SV23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opstaan, van wie van hen zal zij de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar als vrouw gehad.
SV24 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?
24 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Dwaalt u niet juist hierom, dat u de Schriftenae niet kent, noch de kracht van God?
↗ ae — Uitleg bij vers 10
SV25 Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.
25 Want wanneer zij uit de doden zullen opstaan, trouwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven; maar zij zijn als engelen die in de hemelen zijn.
SV26 Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?
Grieks βάτου = doornstruik (verwijzing naar Exodus 3)
26 Maar wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God bij de doornstruik tot hem sprak: Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob?
SV27 God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
27 Hij is niet een God van de doden, maar een God van de levenden. U dwaalt dan zeer.
Het grootste gebod
SV28 En een der schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle?
Grieks συζητούντων = met elkaar in discussie waren
28 En een van de schriftgeleerdenn, die gehoord had dat zij een woordenstrijd hadden, en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden?
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere.
Citaat Deuteronomium 6:4 — Hebreeuws יהוה (YHWH) → Jahweh
29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is: Hoor, Israël! Jahwehe, onze God, Jahweh is één!
↗ e — Uitleg bij 1:3
SV30 En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
Vervolg citaat Deuteronomium 6:5 — Hebreeuws יהוה (YHWH) → Jahweh
30 En u zult Jahwehe, uw God, liefhebben met heel uw hart, en met heel uw ziely, en met heel uw verstand, en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
↗ e — Uitleg bij 1:3
↗ y — Uitleg bij 8:36
SV31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.
31 En het tweede, hieraan gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.
SV32 En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij:
32 En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Goed, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat er één God is, en er is geen ander dan Hij;
SV33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.
Grieks ὁλοκαυτωμάτων = brandoffers; θυσιῶν = slachtoffers
33 en Hem lief te hebben met heel het hart, en met heel het verstand, en met heel de ziely, en met heel de kracht; en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.
↗ y — Uitleg bij 8:36
SV34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
Grieks νουνεχῶς = verstandig/wijs
34 En Jezus, Die zag dat hij verstandig geantwoord had, zei tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van Godk. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.
↗ k — Uitleg bij 1:14
De Christus, Zoon van David
SV35 En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?
35 En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwees in de tempelad: Hoe zeggen de schriftgeleerdenn dat de Christusb een Zoon van David is?
↗ b — Uitleg bij 1:1
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ ad — Uitleg bij 11:11
SV36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Citaat Psalm 110:1 — eerste κύριος = Jahweh (Hebreeuws יהוה, YHWH), tweede κυρίῳ μου = mijn Heer (Hebreeuws אדני, Adonai)
36 Want David zelf heeft door de Heilige Geesti gezegd: De Heer heeft gezegd tegen mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten gelegd heb.
↗ i — Uitleg bij 1:8
SV37 David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.
37 David zelf noemt Hem dan zijn Heer; hoe is Hij dan zijn Zoon? En de grote menigte hoorde Hem graag.
Waarschuwing tegen de schriftgeleerden
SV38 En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;
Grieks στολαῖς = lange gewaden (niet gewone kleding)
38 En Hij zei tegen hen in Zijn onderwijs: Pas op voor de schriftgeleerdenn, die graag in lange gewaden willen rondlopen en begroet willen worden op de markten;
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV39 En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
Grieks πρωτοκαθεδρίας = voornaamste zetels; πρωτοκλισίας = ereplaatsen bij het aanliggen
39 en de voornaamste zitplaatsen willen hebben in de synagogen, en de beste aanligplaatsen bij de maaltijden;
SV40 Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
Grieks κατεσθίοντες = verslinden (sterker dan "opeten")
40 Zij die de huizen van de weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden uitspreken. Zij zullen een zwaarder oordeel ontvangen.
De weduwe die alles gaf
SV41 En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
Grieks γαζοφυλακίου = offerkist (kist in de tempel voor gaven)
41 En Jezus ging tegenover de schatkist zitten en zag hoe de menigte geld wierp in de schatkist; en veel rijken wierpen er veel in.
SV42 En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
Grieks λεπτά = lepta (kleinste koperen munten); κοδράντης = quadrans (kleinste Romeinse munt, ter waarde van twee lepta)
42 En er kwam een arme weduwe, die er twee kleine munten in wierp, dat is een quadrans.
SV43 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.
43 En Jezus riep Zijn discipelenv bij Zich en zei tegen hen: Werkelijk, Ik zeg u dat deze arme weduwe er meer in geworpen heeft dan iedereen die in de schatkist geworpen heeft.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV44 Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht.
Grieks βίον = levensonderhoud/bestaansmiddelen
44 Want zij hebben allemaal van hun overvloed erin geworpen; maar zij heeft van haar gebrek alles wat zij had erin geworpen, haar hele levensonderhoud.