Markus 11
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
33 verzen, 33 met wijzigingen
De intocht in Jeruzalem
SV1 En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fagé en Bethanië, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,
1 En toen zij Jeruzalem naderden, bij Bethfagé en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelenv uit,
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV2 En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.
2 En zei tegen hen: Ga naar het dorp dat tegenover u ligt; en meteen wanneer u er binnenkomt, zult u een veulen vinden dat vastgebonden is, waarop geen mens heeft gezeten; maak het los en breng het.
SV3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden.
3 En als iemand tegen u zegt: Waarom doet u dat? zeg dan dat de Heer het nodig heeft; en hij zal het meteen hierheen sturen.
SV4 En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve.
Grieks ἀμφόδου = kruispunt/straat — "wegscheiding" is verouderd
4 En zij gingen heen en vonden het veulen vastgebonden bij de deur, buiten aan de straat, en zij maakten het los.
SV5 En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?
5 En sommigen van hen die daar stonden, zeiden tegen hen: Wat doet u? Waarom maakt u het veulen los?
SV6 Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan.
6 Maar zij zeiden tegen hen zoals Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan.
SV7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve.
7 En zij brachten het veulen bij Jezus en wierpen hun kleren erop; en Hij ging erop zitten.
SV8 En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg.
Grieks στιβάδας = takken/bladeren — "meien" (groene takken) is verouderd
8 En velen spreidden hun kleren op de weg, en anderen hakten takken van de bomen en spreidden die op de weg.
SV9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna! gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!
9 En zij die voorgingen en zij die volgden, riepen: Hosannaac! Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heer!
Hosanna, is net als Hallelujah een bekende Joodse uitroep die betekent: "Wij bidden U, verlos ons!" (Zie ook Psalm 118:25).
SV10 Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!
10 Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heer! Hosannaac in de hoogste hemelen!
↗ ac — Uitleg bij vers 9
SV11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanië met de twaalven.
11 En Jezus kwam Jeruzalem binnen en ging de tempelad in; en toen Hij alles bekeken had en het al avond was, ging Hij naar Bethanië met de twaalf.
De tempel was net als de hof van Eden en de tabernakel de plek waar God de mens wilde ontmoeten. Het was een afschaduwing van de hemel en een voorproefje van de manier waarop God de mensen door een offer zou redden zodat we weer in Zijn liefdevolle aanwezigheid kunnen leven.
De vervloeking van de vijgenboom
SV12 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde Hem.
12 En de volgende dag, toen zij uit Bethanië vertrokken, kreeg Hij honger.
SV13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.
13 En toen Hij van ver een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij erheen om te zien of Hij er iets aan zou vinden; en toen Hij erbij gekomen was, vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd van de vijgen.
SV14 En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.
14 En Jezus antwoordde en zei tegen de boom: Laat niemand meer enige vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelenv hoorden het.
↗ v — Uitleg bij 3:7
De reiniging van de tempel
SV15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;
Grieks κολλυβιστῶν = geldwisselaars — zij wisselden Romeins geld tegen tempelvaluta
15 En zij kwamen in Jeruzalem; en toen Jezus de tempelad was binnengegaan, begon Hij hen die in de tempel verkochten en kochten uit te drijven; en de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde Hij om;
↗ ad — Uitleg bij vers 11
SV16 En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.
16 En Hij liet niet toe dat iemand ook maar een vat door de tempelad droeg.
↗ ad — Uitleg bij vers 11
SV17 En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.
Grieks σπήλαιον λῃστῶν = rovershol — λῃστῶν = rovers/bandieten, niet "moordenaars"
17 En Hij onderwees hen en zei: Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken? Maar u hebt het tot een rovershol gemaakt.
SV18 En de schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.
18 En de schriftgeleerdenn en de overpriestersx hoorden dat, en zochten hoe zij Hem zouden doden; want zij vreesden Hem, omdat de hele menigte verbaasd was over Zijn onderwijs.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ x — Uitleg bij 8:31
SV19 En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.
19 En toen het laat geworden was, gingen zij de stad uit.
De verdorde vijgenboom en het geloof
SV20 En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.
20 En toen zij 's morgens vroeg voorbijkwamen, zagen zij dat de vijgenboom verdord was, vanaf de wortels.
SV21 En Petrus, zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot Hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.
21 En Petrus herinnerde het zich en zei tegen Hem: Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.
SV22 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.
22 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God.
SV23 Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.
23 Want werkelijk, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt zal geschieden, het zal hem gebeuren, wat hij ook zegt.
SV24 Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.
24 Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend vraagt, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen.
SV25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.
25 En wanneer u staat om te bidden, vergeef als u iets hebt tegen iemand, zodat ook uw Vader Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.
SV26 Maar indien gij niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.
Dit vers ontbreekt in de oudste Griekse handschriften; het is waarschijnlijk ontleend aan Matteüs 6:15
26 Maar als u niet vergeeft, zal ook uw Vader Die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven.
De vraag naar Jezus' bevoegdheid
SV27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als Hij in den tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.
27 En zij kwamen weer in Jeruzalem. En toen Hij in de tempelad rondliep, kwamen de overpriestersx en de schriftgeleerdenn en de ouderlingen naar Hem toe.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ x — Uitleg bij 8:31
↗ ad — Uitleg bij vers 11
SV28 En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?
28 En zij zeiden tegen Hem: Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?
SV29 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:
29 Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één vraag stellen; antwoord Mij, en dan zal Ik u zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe:
SV30 De doop van Johannes, was die uit den hemel, of uit de mensen? Antwoordt Mij.
30 De doopf van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoord Mij.
↗ f — Uitleg bij 1:4
SV31 En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
31 En zij overlegden onder elkaar en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?
SV32 Maar indien wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was.
32 Maar als wij zeggen: Uit de mensen — dan vrezen wij het volk, want zij hielden het er allemaal voor dat Johannes werkelijk een profeet was.
SV33 En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.
33 En zij antwoordden en zeiden tegen Jezus: Wij weten het niet. En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.