Markus 10
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
52 verzen, 52 met wijzigingen
Over huwelijk en echtscheiding
SV1 En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judéa, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.
1 En vandaar vertrok Hij naar het gebied van Judea, aan de overzijde van de Jordaan; en de menigten kwamen weer samen bij Hem, en zoals Hij gewend was, onderwees Hij hen weer.
SV2 En de farizeëen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.
2 En de farizeëenq kwamen bij Hem en vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verlaten, om Hem te verzoeken.
↗ q — Uitleg bij 2:16
SV3 Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden?
3 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Wat heeft Mozes u geboden?
SV4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.
4 En zij zeiden: Mozes heeft toegestaan een scheidbrief te schrijven en haar te verlaten.
SV5 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.
5 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Vanwege de hardheid van uw hart heeft hij u dat gebod geschreven.
SV6 Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.
6 Maar van het begin van de schepping heeft God hen als man en vrouw gemaakt.
SV7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten;
SV8 En die twee zullen tot één vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.
8 En die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.
SV9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
9 Wat dan God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.
SV10 En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.
10 En in het huis vroegen Zijn discipelenv Hem weer over hetzelfde.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
11 En Hij zei tegen hen: Wie zijn vrouw verlaat en een andere trouwt, die pleegt overspel tegen haar.
SV12 En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.
12 En als een vrouw haar man verlaat en met een ander trouwt, pleegt zij overspel.
Jezus zegent de kinderen
SV13 En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
13 En zij brachten kinderen bij Hem, zodat Hij ze zou aanraken; en de discipelenv bestraften hen die ze bij Hem brachten.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.
Grieks ἠγανάκτησεν = Hij werd verontwaardigd — een sterk woord dat Jezus' diepe emotie aangeeft
14 Maar toen Jezus dat zag, werd Hij verontwaardigd en zei tegen hen: Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet, want voor zulken is het Koninkrijk van Godk.
↗ k — Uitleg bij 1:14
SV15 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.
15 Werkelijk, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van Godk niet ontvangt zoals een kind, die zal het beslist niet binnengaan.
↗ k — Uitleg bij 1:14
SV16 En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.
16 En Hij omarmde hen, legde de handen op hen en zegende hen.
De rijke jongeling
SV17 En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?
17 En toen Hij op weg ging, kwam er iemand naar Hem toe rennen, viel voor Hem op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige levenab te beërven?
Zoals de dood de beloning is op zonde, zo is eeuwig leven de beloning op een goed leven. Eeuwig leven is niet alleen, oneindig, maar ook een bovennatuurlijk gelukkig leven, in Gods liefdevolle aanwezigheid, de Bron van het leven.
SV18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Eén, namelijk God.
18 En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God.
SV19 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.
19 U kent de geboden: U zult geen overspel plegen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis geven; u zult niemand tekortdoen; eer uw vader en uw moeder.
SV20 Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.
20 Maar hij antwoordde en zei tegen Hem: Meester, al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af.
SV21 En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Eén ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.
21 En Jezus keek hem aan, had hem lief en zei tegen hem: Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom, neem het kruis op en volg Mij.
SV22 Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.
22 Maar hij werd bedroefd over dat woord en ging verdrietig weg, want hij had veel bezittingen.
SV23 En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!
23 En Jezus keek rond en zei tegen Zijn discipelenv: Hoe moeilijk zullen zij die rijkdom bezitten het Koninkrijk van Godk binnengaan!
↗ k — Uitleg bij 1:14
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV24 En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!
24 En de discipelenv waren verbaasd over Zijn woorden. Maar Jezus antwoordde weer en zei tegen hen: Kinderen, hoe moeilijk is het voor hen die op rijkdom vertrouwen om het Koninkrijk van Godk binnen te gaan!
↗ k — Uitleg bij 1:14
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV25 Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.
25 Het is makkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van Godk binnengaat.
↗ k — Uitleg bij 1:14
SV26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?
26 En zij waren nog meer verbaasd en zeiden tegen elkaar: Wie kan dan gered worden?
SV27 Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.
27 Maar Jezus keek hen aan en zei: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.
SV28 En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
28 En Petrus begon tegen Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.
SV29 En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil,
29 En Jezus antwoordde en zei: Werkelijk, Ik zeg u: er is niemand die huis, of broers, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers verlaten heeft omwille van Mij en het Evangeliea,
↗ a — Uitleg bij 1:1
SV30 Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
30 of hij ontvangt honderdvoudig, nu in deze tijd, huizen en broers en zusters en moeders en kinderen en akkers, met de vervolgingen, en in de komende eeuw het eeuwige levenab.
↗ ab — Uitleg bij vers 17
SV31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten.
31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.
De derde aankondiging van het lijden
SV32 En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;
32 En zij waren onderweg naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen uit, en zij waren verbaasd, en zij die Hem volgden waren bevreesd. En Hij nam de twaalf weer bij Zich en begon hun te zeggen wat Hem zou overkomen:
SV33 Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;
33 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoonz zal aan de overpriestersx en de schriftgeleerdenn overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren;
↗ z — Uitleg bij 8:38
↗ x — Uitleg bij 8:31
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV34 En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
34 En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan.
De vraag van Jakobus en Johannes
SV35 En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
35 En Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen bij Hem en zeiden: Meester, wij willen graag dat U voor ons doet wat wij U vragen.
SV36 En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
36 En Hij zei tegen hen: Wat wilt u dat Ik voor u doe?
SV37 En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter-, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid.
37 En zij zeiden tegen Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechterhand en de ander aan Uw linkerhand, in Uw heerlijkheid.
SV38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word?
38 Maar Jezus zei tegen hen: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, en met de doopf gedoopt worden waarmee Ik gedoopt word?
↗ f — Uitleg bij 1:4
SV39 En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;
39 En zij zeiden tegen Hem: Wij kunnen het. Maar Jezus zei tegen hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u wel drinken, en met de doopf waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden;
↗ f — Uitleg bij 1:4
SV40 Maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is.
40 Maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand, dat staat niet aan Mij om te geven; maar het zal gegeven worden aan hen voor wie het bereid is.
SV41 En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.
41 En toen de andere tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.
SV42 Maar Jezus, hen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hun groten gebruiken macht over hen.
42 Maar Jezus riep hen bij Zich en zei tegen hen: U weet dat zij die geacht worden leiders van de volken te zijn, heersen over hen, en dat hun machthebbers gezag over hen uitoefenen.
SV43 Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.
43 Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn.
SV44 En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.
44 En wie van u de eerste wil worden, die moet een dienaar zijn van allen.
SV45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
Grieks λύτρον = losprijs — ψυχήν kan "ziel" of "leven" betekenen; hier in de zin van Zijn leven als losprijs geven
45 Want ook de Mensenzoonz is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn leven te geven als losprijs voor velen.
↗ z — Uitleg bij 8:38
De genezing van de blinde Bartimeüs
SV46 En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timéüs, Bar-timéüs, de blinde, aan den weg, bedelende.
46 En zij kwamen in Jericho. En toen Hij met Zijn discipelenv en een grote menigte uit Jericho vertrok, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, de blinde, langs de weg te bedelen.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV47 En horende, dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
47 En toen hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!
SV48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
48 En velen bestraften hem, opdat hij zou zwijgen; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!
SV49 En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.
49 En Jezus bleef staan en zei dat men hem zou roepen; en zij riepen de blinde en zeiden tegen hem: Heb moed, sta op, Hij roept u.
SV50 En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.
50 En hij wierp zijn mantel af, sprong op en kwam bij Jezus.
SV51 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.
51 En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En de blinde zei tegen Hem: Rabboni, dat ik weer kan zien!
SV52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.
52 En Jezus zei tegen hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En meteen kon hij weer zien en volgde Jezus op de weg.