Markus 9
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
50 verzen, 50 met wijzigingen
SV1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.
1 En Hij zei tegen hen: Werkelijk, Ik zeg u dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood niet zullen smaken totdat zij gezien zullen hebben dat het Koninkrijk van Godk met kracht gekomen is.
↗ k — Uitleg bij 1:14
De verheerlijking op de berg
SV2 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hogen berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.
2 En na zes dagen nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes met Zich mee en bracht hen apart op een hoge berg, alleen; en Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.
SV3 En Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zo wit maken kan.
Grieks γναφεὺς = volder/bleker — iemand die stoffen bleekt en reinigt
3 En Zijn klederen werden blinkend, zeer wit, zo wit als geen bleker op aarde ze kan maken.
SV4 En van hen werd gezien Elías met Mozes, en zij spraken met Jezus.
4 En aan hen verscheen Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus.
SV5 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elías een.
Grieks σκηνάς = tenten/hutten — "tabernakelen" is verouderd; het gaat om eenvoudige loofhutten
5 En Petrus antwoordde en zei tegen Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten wij drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.
SV6 Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.
6 Want hij wist niet wat hij zei, want zij waren zeer bevreesd.
SV7 En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!
7 En er kwam een wolk die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk en zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!
SV8 En haastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich.
8 En plotseling, toen zij rondkeken, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bij zich.
SV9 En als zij van den berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn.
9 En toen zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun dat zij niemand zouden vertellen wat zij gezien hadden, dan wanneer de Mensenzoonz uit de doden zou zijn opgestaan.
↗ z — Uitleg bij 8:38
SV10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan.
10 En zij hielden dit woord bij zichzelf en vroegen zich onder elkaar af wat het betekende, uit de doden opstaan.
SV11 En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de schriftgeleerden, dat Elías eerst komen moet?
11 En zij vroegen Hem en zeiden: Waarom zeggen de schriftgeleerdenn dat Elia eerst moet komen?
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV12 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Elías zal wel eerst komen, en alles wederoprichten; en het zal geschieden, gelijk geschreven is van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.
12 En Hij antwoordde en zei tegen hen: Elia zal wel eerst komen en alles herstellen; en wat staat er geschreven over de Mensenzoonz? Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden.
↗ z — Uitleg bij 8:38
SV13 Maar Ik zeg u, dat ook Elías gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is.
13 Maar Ik zeg u dat ook Elia gekomen is, en zij hebben met hem gedaan alles wat zij wilden, zoals over hem geschreven is.
De genezing van de maanzieke jongen
SV14 En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote schare rondom hen, en enige schriftgeleerden met hen twistende.
14 En toen Hij bij de discipelenv gekomen was, zag Hij een grote menigte rondom hen, en enige schriftgeleerdenn die met hen in een woordenstrijd verwikkeld waren.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV15 En terstond de gehele schare Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem.
15 En meteen toen de hele menigte Hem zag, stonden zij verbaasd, en zij liepen op Hem toe en begroetten Hem.
SV16 En Hij vraagde den schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen?
16 En Hij vroeg de schriftgeleerdenn: Waarover hebben jullie een woordenstrijd met hen?
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV17 En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft.
17 En een uit de menigte antwoordde en zei: Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht, die een geest heeft waardoor hij niet kan spreken.
SV18 En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.
Grieks ξηραίνεται = hij verstijft/droogt uit — "verdort" beschrijft het verstijven van het lichaam
18 En waar de geest hem ook aangrijpt, scheurt hij hem, en hij schuimt en knarst met zijn tanden en verstijft; en ik heb Uw discipelenv gezegd dat zij hem zouden uitdrijven, maar zij konden het niet.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV19 En Hij antwoordde hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij.
19 En Hij antwoordde en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem bij Mij.
SV20 En zij brachten denzelven tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.
20 En zij brachten hem bij Hem; en toen hij Hem zag, deed de geest hem meteen stuiptrekken, en hij viel op de grond en wentelde zich terwijl hij schuimde.
SV21 En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijn kindsheid af.
21 En Hij vroeg zijn vader: Hoe lang is het al dat hem dit overkomt? En hij zei: Vanaf zijn kindertijd.
SV22 En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.
22 En vaak heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem te vernietigen; maar als U iets kunt, wees met ontferming over ons bewogen en help ons.
SV23 En Jezus zeide tot hem: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft.
Grieks Τὸ Εἰ δύνῃ = "Wat betreft het 'als U kunt'" — Jezus neemt de woorden van de vader over en keert de vraag om
23 En Jezus zei tegen hem: Als u kunt geloven — alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.
SV24 En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
24 En meteen riep de vader van het kind onder tranen: Ik geloof, Heer! Kom mijn ongeloof te hulp.
SV25 En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem.
25 En toen Jezus zag dat de menigte samen toeliep, bestrafte Hij de onreine geesto en zei tegen hem: Stomme en dove geest, ik beveel u: ga uit van hem en kom niet meer in hem.
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV26 En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzo dat velen zeiden, dat het gestorven was.
26 En de geest schreeuwde, schudde hem hevig heen en weer en ging uit; en het kind werd als dood, zodat velen zeiden dat het gestorven was.
SV27 En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op.
27 Maar Jezus pakte hem bij de hand, richtte hem op, en hij stond op.
SV28 En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
28 En toen Hij in huis gegaan was, vroegen Zijn discipelenv Hem zonder anderen erbij: Waarom konden wij hem niet uitdrijven?
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV29 En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.
Grieks ἐν προσευχῇ = door gebed — "en vasten" ontbreekt in de oudste en beste Griekse handschriften; het is waarschijnlijk een latere toevoeging
29 En Hij zei tegen hen: Dit soort kan door niets uitgaan dan door gebed en vastens.
↗ s — Uitleg bij 2:18
De tweede aankondiging van het lijden
SV30 En van daar weggaande, reisden zij door Galiléa; en Hij wilde niet, dat het iemand wist.
30 En vandaar vertrokken zij en reisden door Galilea; en Hij wilde niet dat iemand het wist.
SV31 Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan.
31 Want Hij onderwees Zijn discipelenv en zei tegen hen: De Mensenzoonz zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij op de derde dag weer opstaan.
↗ v — Uitleg bij 3:7
↗ z — Uitleg bij 8:38
SV32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.
32 Maar zij begrepen dat woord niet, en zij waren bang Hem ernaar te vragen.
Wie is de belangrijkste
SV33 En Hij kwam te Kapérnaüm, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg?
33 En Hij kwam in Kapernaüm, en toen Hij in het huis gekomen was, vroeg Hij hun: Waarover hadden jullie het onderling op de weg?
SV34 Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zou zijn.
34 Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg met elkaar een woordenstrijd gehad over wie de belangrijkste zou zijn.
SV35 En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar.
35 En toen Hij was gaan zitten, riep Hij de twaalf en zei tegen hen: Als iemand de eerste wil zijn, die moet de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.
SV36 En nemende een kindeken, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zeide tot hen:
36 En Hij nam een kind, zette het in hun midden, omarmde het en zei tegen hen:
SV37 Zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Dien, Die Mij gezonden heeft.
37 Wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt niet Mij, maar Hem Die Mij gezonden heeft.
Wie niet tegen ons is
SV38 En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.
38 En Johannes antwoordde Hem en zei: Meester, wij hebben iemand gezien die de demoneno uitdreef in Uw Naam, en die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV39 Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastelijk van Mij zal kunnen kwalijk spreken.
39 Maar Jezus zei: Verbied hem niet, want er is niemand die een kracht zal doen in Mijn Naam en kort daarna kwaad van Mij zal kunnen spreken.
SV40 Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.
40 Want wie niet tegen ons is, die is voor ons.
SV41 Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
41 Want wie u een beker water te drinken zal geven in Mijn Naam, omdat u van Christusb bent, werkelijk, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen.
↗ b — Uitleg bij 1:1
Waarschuwing tegen struikelblokken
SV42 En zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware.
Grieks σκανδαλίσῃ = tot struikelen/zonde brengt — μύλος ὀνικός = een grote molensteen, gedraaid door een ezel
42 En wie een van deze kleinen die in Mij geloven ten val brengt, het zou beter voor hem zijn dat er een molensteen om zijn hals gedaan werd en hij in de zee geworpen werd.
SV43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
43 En als uw hand u ten val brengt, hak haar af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan, dan met twee handen heen te gaan in de helaa, in het onuitblusbare vuur;
De hel, anders dan het dodenrijk, is de plek van oordeel en straf buiten Gods liefdevolle aanwezigheid.
SV44 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
Dit vers ontbreekt in de oudste Griekse handschriften; het is waarschijnlijk een herhaling van vers 48, later door kopiïsten toegevoegd
44 Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.
SV45 En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
45 En als uw voet u ten val brengt, hak hem af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan, dan met twee voeten geworpen te worden in de helaa, in het onuitblusbare vuur;
↗ aa — Uitleg bij vers 43
SV46 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
Ook dit vers ontbreekt in de oudste Griekse handschriften; waarschijnlijk een latere toevoeging als herhaling van vers 48
46 Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.
SV47 En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar één oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden;
47 En als uw oog u ten val brengt, ruk het uit; het is beter voor u met één oog het Koninkrijk van Godk in te gaan, dan met twee ogen in het vuur van de helaa geworpen te worden;
↗ k — Uitleg bij 1:14
↗ aa — Uitleg bij vers 43
SV48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
48 Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.
SV49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden.
49 Want ieder zal met vuur gezouten worden, en ieder offer zal met zout gezouten worden.
SV50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.
50 Het zout is goed; maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zult u het smakelijk maken? Heb zout in uzelf en bewaar vrede onder elkaar.