Markus 8

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
38 verzen, 38 met wijzigingen

De maaltijd voor de vierduizend

SV1 In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen:
1 In die dagen, toen er een zeer grote menigte was en zij niets te eten hadden, riep Jezus Zijn discipelenv bij Zich en zei tegen hen:
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.
Grieks Σπλαγχνίζομαι = Ik ben diep in Mijn binnenste bewogen — σπλάγχνα verwijst naar de ingewanden als zetel van diepe emotie
2 Ik ben diep bewogen over de menigte, want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten.
SV3 En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.
3 En als Ik hen nuchter naar hun huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, want sommigen van hen komen van ver.
SV4 En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?
4 En Zijn discipelenv antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand deze mensen hier in de woestijn met brood kunnen verzadigen?
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV5 En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.
5 En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven.
SV6 En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze der schare voor.
6 En Hij gebood de menigte te gaan zitten op de grond; en Hij nam de zeven broden, en nadat Hij gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelenv om ze voor te leggen; en zij legden ze de menigte voor.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV7 En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.
7 En zij hadden weinige visjes; en nadat Hij gezegend had, zei Hij dat zij ook die zouden voorleggen.
SV8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.
8 En zij aten en werden verzadigd; en zij namen het overschot van de brokken op: zeven manden.
SV9 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.
9 Zij die gegeten hadden, waren ongeveer vierduizend; en Hij liet hen gaan.
SV10 En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanûtha.
10 En meteen ging Hij met Zijn discipelenv in het schip en kwam in de streek van Dalmanutha.
↗ v — Uitleg bij 3:7

Het teken dat geweigerd wordt

SV11 En de farizeëen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende.
11 En de farizeëenq kwamen naar buiten en begonnen een woordenstrijd met Hem te voeren, terwijl zij van Hem een teken uit de hemel verlangden om Hem te verzoeken.
↗ q — Uitleg bij 2:16
SV12 En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!
12 En Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken? Werkelijk, Ik zeg u: er zal aan dit geslacht geen teken gegeven worden!
SV13 En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.
13 En Hij verliet hen, ging weer in het schip en voer weg naar de andere zijde.

De zuurdesem van de Farizeeën

SV14 En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan één brood met zich in het schip.
14 En Zijn discipelenv hadden vergeten brood mee te nemen, en hadden niet meer dan één brood bij zich in het schip.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV15 En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der farizeëen, en van den zuurdesem van Heródes.
15 En Hij gebood hun en zei: Let op, pas op voor de zuurdesem van de farizeëenq en voor de zuurdesem van Herodes.
↗ q — Uitleg bij 2:16
SV16 En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben.
16 En zij overlegden onder elkaar en zeiden: Het is omdat wij geen brood hebben.
SV17 En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet? en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart?
17 En toen Jezus dit merkte, zei Hij tegen hen: Wat overlegt u dat u geen brood hebt? Begrijpt u het nog niet en verstaat u het niet? Hebt u nog uw verharde hart?
SV18 Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?
18 U hebt ogen ziet u niet? En u hebt oren hoort u niet?
SV19 En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen Hem: Twaalf.
19 Herinnert u zich niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijfduizend, hoeveel volle korven met brokken u opnam? Zij zeiden tegen Hem: Twaalf.
SV20 En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.
20 En toen Ik de zeven brak onder de vierduizend, hoeveel volle manden met brokken nam u op? En zij zeiden: Zeven.
SV21 En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?
21 En Hij zei tegen hen: Hoe begrijpt u het niet?

De genezing van de blinde te Bethsaïda

SV22 En Hij kwam te Bethsáïda; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.
22 En Hij kwam in Bethsaïda; en zij brachten een blinde bij Hem en smeekten Hem dat Hij hem zou aanraken.
SV23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.
23 En nadat Hij de blinde bij de hand genomen had, leidde Hij hem buiten het dorp, en spuwde in zijn ogen, legde de handen op hem en vroeg hem of hij iets zag.
SV24 En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.
24 En toen hij opkeek, zei hij: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen rondlopen.
SV25 Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.
25 Daarna legde Hij de handen weer op zijn ogen en liet hem opkijken. En hij was hersteld en zag alles helder en duidelijk.
SV26 En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.
26 En Hij zond hem naar zijn huis en zei: Ga niet het dorp in en zeg het niemand in het dorp.

De belijdenis van Petrus

SV27 En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesaréa Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
27 En Jezus vertrok met Zijn discipelenv naar de dorpen van Cesarea Filippi. En onderweg vroeg Hij Zijn discipelen en zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV28 En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elías; en anderen: Eén van de profeten.
28 En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Een van de profetenc.
↗ c — Uitleg bij 1:2
SV29 En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus.
29 En Hij zei tegen hen: Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem: U bent de Christusb.
↗ b — Uitleg bij 1:1
SV30 En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.
30 En Hij gebood hun streng dat zij het niemand zouden zeggen over Hem.

De eerste aankondiging van het lijden

SV31 En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesteren, en schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.
31 En Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel moest lijden en verworpen worden door de ouderlingen en overpriestersx en schriftgeleerdenn, en gedood worden, en na drie dagen weer opstaan.
De overpriesters waren Joden uit de priesterlijke stam van Aäron die niet alleen godsdienstige maar ook grote politieke invloed hadden via het Sanhedrin, de hoogste Joodse raad.
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV32 En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen;
32 En dit woord sprak Hij openlijk; en Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen;
SV33 Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mij, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
Grieks Σατανᾶ = satan/tegenstander — Jezus gebruikt dit als scherpe berisping, niet als identificatie met de duivel
33 Maar Hij keerde Zich om, en terwijl Hij Zijn discipelenv aankeek, bestrafte Hij Petrus en zei: Ga weg, achter Mij, satanj! Want u bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.
↗ j — Uitleg bij 1:13
↗ v — Uitleg bij 3:7

De voorwaarden voor het volgen van Jezus

SV34 En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
34 En nadat Hij de menigte met Zijn discipelenv bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Als iemand achter Mij aan wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV35 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en om des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden.
35 Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangeliea, die zal het behouden.
↗ a — Uitleg bij 1:1
SV36 Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?
36 Want wat zou het de mens baten als hij de hele wereld won, maar schade leed aan zijn ziely?
De ziel de geestelijke essentie van wie je bent.
SV37 Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?
37 Of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziely?
↗ y — Uitleg bij vers 36
SV38 Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.
38 Want wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor die zal ook de Mensenzoonz Zich schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.
De uitdrukking "Mensenzoon" benadrukt Zijn menselijkheid, maar zet Hem ook apart van alle andere mensen omdat Hij in ongestoorde relatie met God als Zijn Vader leefde, in tegenstelling tot andere mensen. Het was voor de Joden een verwijzing naar de komende Messias (Daniel 7:13–14).