Markus 7

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
37 verzen, 37 met wijzigingen

De overlevering van de ouden

SV1 En tot Hem vergaderden de farizeëen, en sommigen der schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;
1 En bij Hem verzamelden zich de farizeëenq en sommigen van de schriftgeleerdenn, die van Jeruzalem gekomen waren;
↗ q — Uitleg bij 2:16
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.
2 En toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelenv met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV3 Want de farizeëen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzetting der ouden.
Grieks πυγμῇ = met de vuist / grondig — "dikmaals" (vaak) is een vrije SV-vertaling; het Grieks duidt op een grondige wasmethode
3 Want de farizeëenq en al de Joden eten niet, tenzij zij eerst grondig de handen wassen, omdat zij vasthouden aan de overlevering van de ouden.
↗ q — Uitleg bij 2:16
SV4 En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.
4 En wanneer zij van de markt komen, eten zij niet tenzij zij zich eerst gewassen hebben. En vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te onderhouden, zoals de wassingen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden.
SV5 Daarna vraagden Hem de farizeëen en de schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?
Grieks περιπατοῦσιν = wandelen / leven — "wandelen naar" = "leven volgens"
5 Toen vroegen de farizeëenq en de schriftgeleerdenn Hem: Waarom leven Uw discipelenv niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten zij het brood met ongewassen handen?
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ q — Uitleg bij 2:16
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
Grieks ὑποκριτῶν = huichelaars / toneelspelers — "geveinsden" is verouderd
6 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Terecht heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van Mij.
SV7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;
7 Maar tevergeefs eren zij Mij, door leringen te onderwijzen die geboden van mensen zijn;
SV8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.
8 Want terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u vast aan de instellingen van mensen, zoals de wassingen van kannen en drinkbekers; en vele andere dergelijke dingen doet u.
SV9 En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.
9 En Hij zei tegen hen: U stelt Gods gebod mooi terzijde om uw eigen instellingen te onderhouden.
SV10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
SV11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.
11 Maar jullie zeggen: Als een mens tegen vader of moeder zegt: Het is korban (dat wil zeggen: een gave aan God), alles waarmee ik u van dienst had kunnen zijn;
SV12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;
12 dan staat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen;
SV13 Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.
13 En zo maakt u Gods woord krachteloos door uw overlevering die u hebt doorgegeven; en vele dergelijke dingen doet u.

Wat een mens werkelijk ontreinigt

SV14 En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.
14 En nadat Hij de hele menigte bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Luister allen naar Mij en begrijp het.
SV15 Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.
15 Er is niets dat van buiten de mens in hem binnengaat, dat hem kan ontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens ontreinigen.
SV16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
Dit vers ontbreekt in Nestle-Aland (NA28) — het komt niet voor in de oudste Griekse handschriften en is waarschijnlijk een latere toevoeging uit parallelle passages (Mk 4:9, 4:23). De SV volgt hier de Textus Receptus.
16 Als iemand oren heeft om te horen, die hore.
SV17 En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
17 En toen Hij weg van de menigte het huis binnengegaan was, vroegen Zijn discipelenv Hem naar de gelijkenis.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
18 En Hij zei tegen hen: Bent ook u zo onverstandig? Begrijpt u niet dat alles wat van buiten in de mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
SV19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.
Grieks ἀφεδρῶνα = latrine — "heimelijkheid" is een SV-eufemisme. De slotzin καθαρίζων πάντα τὰ βρώματα wordt doorgaans gelezen als Markus' commentaar: "zo verklaarde Hij alle voedsel rein"
19 Want het gaat niet in zijn hart maar in de buik, en verlaat het lichaam weer — en zo verklaarde Hij alle voedsel rein.
SV20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.
20 En Hij zei: Wat uitgaat uit de mens, dat ontreinigt de mens.
SV21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,
21 Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen voort kwade gedachten, overspel, hoererij, moord,
SV22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.
Grieks ὀφθαλμὸς πονηρός = boos oog — in Joods idioom een aanduiding voor afgunst of hebzucht
22 Diefstal, hebzucht, slechtheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid.
SV23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.
23 Al deze slechte dingen komen voort van binnenuit en ontreinigen de mens.

De Syrofenicische vrouw

SV24 En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.
24 En vandaar vertrok Hij naar het grensgebied van Tyrus en Sidon; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist, maar Hij kon toch niet verborgen blijven.
SV25 Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.
25 Want een vrouw van wie het dochtertje een onreine geesto had, kwam toen zij van Hem gehoord had en viel neer aan Zijn voeten.
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV26 Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicië; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.
26 Deze vrouw was een Griekse, van afkomst uit Syro-Fenicië; en zij smeekte Hem dat Hij de demon zou uitdrijven uit haar dochter.
SV27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe.
27 Maar Jezus zei tegen haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet gepast dat men het brood van de kinderen neemt en het voor de hondjes werpt.
SV28 Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.
28 Maar zij antwoordde en zei tegen Hem: Ja, Heer, maar ook de hondjes eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen.
SV29 En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
29 En Hij zei tegen haar: Om dit woord, ga heen; de demon is uit uw dochter uitgevaren.
SV30 En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.
30 En toen zij in haar huis kwam, vond zij dat de demon uitgevaren was, en haar dochter liggend op het bed.

De genezing van een dove

SV31 En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Dékapolis.
31 En toen Hij weer weggegaan was uit het grensgebied van Tyrus en Sidon, kwam Hij bij de zee van Galilea, midden door het gebied van Dekapolis.
SV32 En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.
32 En zij brachten bij Hem een dove die moeilijk sprak, en smeekten Hem dat Hij de hand op hem zou leggen.
SV33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;
33 En nadat Hij hem apart van de menigte genomen had, stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en nadat Hij gespuugd had, raakte Hij zijn tong aan;
SV34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!
Grieks Εφφαθα = Aramees voor "word geopend" — Markus geeft de oorspronkelijke woorden van Jezus in het Aramees
34 En Hij keek omhoog naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: Effatha! Dat is: word geopend!
SV35 En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.
35 En meteen werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los, en hij sprak goed.
SV36 En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.
36 En Hij gebood hun dat zij het niemand zouden zeggen; maar hoe meer Hij het hun gebood, des te meer verkondigden zij het.
SV37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.
37 En zij waren buitengewoon verbaasd en zeiden: Hij heeft alles goed gedaan; Hij maakt dat de doven horen en de stommen spreken.