Markus 6

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
56 verzen, 56 met wijzigingen

Jezus verworpen in Nazareth

SV1 En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.
1 En Hij ging vandaar weg en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelenv volgden Hem.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?
2 En toen het sabbatl geworden was, begon Hij in de synagogem te leren; en velen die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: Vanwaar heeft Hij deze dingen? En wat voor wijsheid is dit die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?
↗ l — Uitleg bij 1:21
↗ m — Uitleg bij 1:21
SV3 Is Deze niet de timmerman, de Zoon van Maria, en de Broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd.
Grieks ἐσκανδαλίζοντο = zij namen aanstoot — "geërgerd worden aan" is verouderd
3 Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en van Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.
SV4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.
Grieks συγγενεῦσιν = verwanten — "magen" is verouderd voor familieleden
4 En Jezus zei tegen hen: Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderland en onder zijn familieleden en in zijn huis.
SV5 En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.
5 En Hij kon daar geen kracht doen, maar Hij legde weinige zieken de handen op en genas hen.
SV6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende.
6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof en ging de dorpen in de omgeving rond, terwijl Hij onderwees.

De uitzending van de twaalf

SV7 En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
7 En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen uit te zenden, twee aan twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
SV8 En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;
Grieks πήραν = reistas — "male" is verouderd
8 En Hij gebood hun dat zij niets zouden meenemen voor onderweg dan alleen een staf; geen reistas, geen brood, geen geld in de gordel;
SV9 Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.
9 Maar dat zij sandalen zouden aanbinden en niet met twee onderkleden gekleed zijn.
SV10 En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.
10 En Hij zei tegen hen: Waar u ook in een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u vandaar vertrekt.
SV11 En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sódom en Gomórra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.
11 En wie u niet zullen ontvangen noch naar u luisteren, schud wanneer u vandaar vertrekt het stof af dat onder uw voeten is, hun tot een getuigenis. Werkelijk, Ik zeg u: het zal voor Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.
SV12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.
12 En toen zij uitgegaan waren, predikten zij dat men zich zou bekereng.
↗ g — Uitleg bij 1:4
SV13 En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.
13 En zij wierpen vele demoneno uit en zalfden vele zieken met olie en maakten hen gezond.
↗ o — Uitleg bij 1:23

De dood van Johannes de Doper

SV14 En de koning Heródes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.
14 En koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was bekend geworden) en zei: Johannes de Doper is uit de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.
SV15 Anderen zeiden: Hij is Elías; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten.
15 Anderen zeiden: Hij is Elia; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een van de profetenc.
↗ c — Uitleg bij 1:2
SV16 Maar als het Heródes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.
16 Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: Het is Johannes, die ik onthoofd heb; die is uit de doden opgewekt.
SV17 Want dezelve Heródes, enigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.
17 Want Herodes zelf had, nadat hij mannen uitgezonden had, Johannes gevangen genomen en hem in de gevangenis gebonden, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had.
SV18 Want Johannes zeide tot Heródes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.
18 Want Johannes zei tegen Herodes: Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.
SV19 En Heródias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet;
19 En Herodias had het op hem gemunt en wilde hem doden, maar kon het niet;
SV20 Want Heródes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.
Grieks ἠπόρει = was in verlegenheid — sommige handschriften lezen ἐποίει (deed veel dingen); de beste handschriften hebben "raakte in verlegenheid"
20 Want Herodes vreesde Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en wanneer hij hem hoorde, raakte hij in grote verlegenheid, en hij hoorde hem graag.
SV21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes, op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galiléa;
21 En toen er een geschikte dag gekomen was, waarop Herodes op zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn voorname gasten, de legeroversten en de voornaamsten van Galilea;
SV22 En als de dochter van dezelve Heródias inkwam, en danste, en Heródes en dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.
22 En toen de dochter van Herodias binnenkwam en danste, en zij Herodes en hen die mee aanlagen behaagde, zei de koning tegen het meisje: Vraag mij wat u ook wilt, en ik zal het u geven.
SV23 En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks!
23 En hij zwoer haar: Wat u ook van mij zult vragen, zal ik u geven, tot zelfs de helft van mijn koninkrijk!
SV24 En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.
24 En toen zij naar buiten gegaan was, zei zij tegen haar moeder: Wat zal ik vragen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper.
SV25 En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geëist, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Doper.
25 En zij ging meteen met haast naar de koning en vroeg: Ik wil dat u mij nu meteen op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.
SV26 En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.
26 En hoewel de koning zeer bedroefd werd, wilde hij haar vanwege de eden en hen die mee aanlagen het niet weigeren.
SV27 En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;
27 En de koning zond meteen een beul en gebood zijn hoofd te brengen. Deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis;
SV28 En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.
28 En bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder.
SV29 En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf.
29 En toen zijn discipelenv dit hoorden, kwamen zij en namen zijn lichaam weg en legden het in een graf.
↗ v — Uitleg bij 3:7

De maaltijd voor de vijfduizend

SV30 En de apostelen kwamen weder te zamen tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.
30 En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden als wat zij geleerd hadden.
SV31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.
31 En Hij zei tegen hen: Kom met Mij naar een eenzame plaats, alleen, en rust een weinig; want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.
SV32 En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.
32 En zij vertrokken per schip naar een eenzame plaats, alleen.
SV33 En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem.
33 En de menigten zagen hen wegvaren, en velen herkenden Hem en liepen gezamenlijk te voet van alle steden daarheen, en kwamen hen voor en gingen samen naar Hem toe.
SV34 En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.
Grieks ἐσπλαγχνίσθη = diep in Zijn binnenste bewogen — σπλάγχνα verwijst naar de ingewanden als zetel van diepe emotie
34 En toen Jezus uitging, zag Hij een grote menigte en werd diep in Zijn binnenste bewogen over hen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.
SV35 En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;
35 En toen het al laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelenv naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat op de dag;
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV36 Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen.
36 Stuur hen weg, zodat zij naar de omliggende gehuchten en dorpen gaan en brood voor zichzelf kunnen kopen, want zij hebben niets te eten.
SV37 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?
37 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tegen Hem: Moeten wij voor tweehonderd penningen brood gaan kopen en hun te eten geven?
SV38 En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.
38 En Hij zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Ga en kijk. En toen zij het nagezien hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.
SV39 En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras.
Grieks συμπόσια συμπόσια = groep bij groep — "waardschappen" (tafelgezelschappen) is verouderd
39 En Hij gebood hun dat zij allen in groepen zouden gaan zitten op het groene gras.
SV40 En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.
40 En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.
SV41 En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op naar den hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.
41 En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, keek Hij op naar de hemel, zegende en brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelenv, zodat zij ze hun zouden voorleggen; en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.
42 En zij aten allen en werden verzadigd.
SV43 En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.
43 En zij namen twaalf volle korven met brokken op, en ook van de vissen.
SV44 En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen.
44 En zij die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen.

Jezus wandelt op de zee

SV45 En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegen over Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.
45 En meteen dwong Hij Zijn discipelenv in het schip te gaan en vooruit te varen naar de overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hij de menigte zou wegsturen.
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV46 En als Hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.
46 En nadat Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij de berg op om te bidden.
SV47 En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.
47 En toen het avond geworden was, was het schip midden op de zee, en Hij was alleen op het land.
SV48 En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake des nachts, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.
48 En Hij zag dat zij zich erg inspanden om het schip vooruit te krijgen, want de wind was tegen hen; en omstreeks de vierde nachtwake kwam Hij naar hen toe, lopend over de zee, en wilde hen voorbijgaan.
SV49 En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;
49 En toen zij Hem over de zee zagen lopen, meenden zij dat het een spook was, en zij schreeuwden luid;
SV50 Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het; vreest niet.
50 Want zij zagen Hem allen en schrokken hevig; en meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: Heb moed, Ik ben het; vrees niet.
SV51 En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd.
51 En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen; en zij waren buitengewoon verbaasd en verwonderd.
SV52 Want zij hadden niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was verhard.
52 Want zij hadden niet gelet op het wonder van de broden, want hun hart was verhard.

Genezingen in Gennesareth

SV53 En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennésareth, en havenden aldaar.
Grieks προσωρμίσθησαν = zij legden aan — "havenden" is verouderd
53 En toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth en legden daar aan.
SV54 En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.
54 En toen zij uit het schip gegaan waren, herkenden zij Hem meteen.
SV55 En het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat Hij was.
Grieks κραβάττοις = draagbedden/matten — "beddekens" is misleidend in modern Nederlands
55 En zij liepen het hele omliggende land door en begonnen de zieken op draagbedden rond te dragen naar de plaats waar zij hoorden dat Hij was.
SV56 En zo waar Hij kwam, in vlekken, of steden, of dorpen, daar legden zij de kranken op de markten, en baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond.
56 En overal waar Hij kwam, in dorpen of steden of gehuchten, legden zij de zieken op de markten en smeekten Hem dat zij maar de zoom van Zijn kleed mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten, werden gezond.