Markus 5
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
43 verzen, 43 met wijzigingen
De bezetene van Gadara
SV1 En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarénen.
Grieks Γερασηνῶν = Gerasenen — de SV leest "Gadarenen" (tekstuele variant)
1 En zij kwamen aan de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen.
SV2 En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;
2 En toen Hij uit het schip gegaan was, kwam Hem meteen uit de graven een mens met een onreine geesto tegemoet;
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV3 Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.
3 Die zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, zelfs niet met ketenen.
SV4 Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.
4 Want hij was vaak met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren door hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was bij machte om hem te bedwingen.
SV5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.
5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, terwijl hij schreeuwde en zichzelf met stenen sloeg.
SV6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.
Grieks προσεκύνησεν = hij viel neer / boog zich neer — niet noodzakelijk "aanbidding" in de liturgische zin
6 Toen hij Jezus van ver zag, liep hij naar Hem toe en boog voor Hem neer.
SV7 En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!
7 En met luide stem riep hij: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat U mij niet pijnigt!
SV8 (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)
8 (Want Hij zei tegen hem: Onreine geesto, ga uit de mens!)
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV9 En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.
9 En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde en zei: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen.
SV10 En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
10 En hij smeekte Hem dringend dat Hij hen niet buiten het land zou wegzenden.
SV11 En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.
11 En daar bij de bergen was een grote kudde zwijnen die aan het grazen was.
SV12 En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.
12 En al de demoneno smeekten Hem en zeiden: Zend ons in die zwijnen, zodat wij daarin mogen gaan.
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.
13 En Jezus stond het hun meteen toe. En de onreine geesten gingen uit en gingen in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (het waren er ongeveer tweeduizend) en verdronk in de zee.
SV14 En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.
14 En de zwijnenhoeders vluchtten en berichtten het in de stad en op het land. En zij gingen eropuit om te zien wat er geschied was.
SV15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.
15 En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, namelijk hem die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd.
SV16 En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.
16 En zij die het gezien hadden, vertelden hun wat de bezetene geschied was, en ook over de zwijnen.
SV17 En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.
17 En zij begonnen Hem te smeken dat Hij uit hun gebied zou weggaan.
SV18 En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.
18 En toen Hij in het schip ging, smeekte de man die bezeten was geweest Hem, dat hij met Hem mocht zijn.
SV19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.
Grieks κύριος = Heer — hier verwijzend naar God/Jezus (niet YHWH)
19 Maar Jezus stond hem dat niet toe, maar zei tegen hem: Ga naar uw huis, naar de uwen, en vertel hun welke grote dingen de Heer voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.
SV20 En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekápolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
20 En hij ging weg en begon te verkondigen in Dekapolis welke grote dingen Jezus voor hem gedaan had; en allen verwonderden zich.
De dochter van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw
SV21 En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.
21 En toen Jezus weer in het schip naar de andere zijde overgevaren was, verzamelde zich een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee.
SV22 En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
22 En zie, er kwam een van de oversten van de synagogem, genaamd Jaïrus; en toen hij Hem zag, viel hij aan Zijn voeten,
↗ m — Uitleg bij 1:21
SV23 En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.
23 En smeekte Hem dringend en zei: Mijn dochtertje ligt op sterven; ik bid U, kom en leg de handen op haar, zodat zij behouden wordt en zal leven.
SV24 En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.
24 En Hij ging met hem; en een grote menigte volgde Hem en zij verdrongen Hem.
SV25 En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,
25 En een vrouw die twaalf jaar aan bloedvloeiing geleden had,
SV26 En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;
26 En veel geleden had van vele dokters, en al het hare daaraan ten koste gelegd had en geen baat gevonden had, maar bij wie het veeleer erger geworden was;
SV27 Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan;
27 Toen zij van Jezus hoorde, kwam zij van achteren in de menigte en raakte Zijn kleed aan;
SV28 Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.
28 Want zij zei: Als ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.
SV29 En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.
Grieks πηγή = bron — "fontein" is verouderd voor deze context
29 En meteen droogde de bron van haar bloed op, en zij voelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was.
SV30 En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?
30 En meteen merkte Jezus in Zichzelf dat er kracht van Hem was uitgegaan, en Hij keerde Zich om in de menigte en zei: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?
SV31 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?
31 En Zijn discipelenv zeiden tegen Hem: U ziet dat de menigte U verdringt, en U zegt: Wie heeft Mij aangeraakt?
↗ v — Uitleg bij 3:7
SV32 En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.
32 En Hij keek rondom om haar te zien die dat gedaan had.
SV33 En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.
33 En de vrouw, vrezend en bevend, omdat zij wist wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neer en vertelde Hem de hele waarheid.
SV34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.
34 En Hij zei tegen haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.
SV35 Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?
35 Terwijl Hij nog sprak, kwamen er mensen van het huis van de overste van de synagogem en zeiden: Uw dochter is gestorven; waarom valt u de Meester nog lastig?
↗ m — Uitleg bij 1:21
SV36 En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.
36 En toen Jezus het woord hoorde dat gesproken werd, zei Hij tegen de overste van de synagogem: Vrees niet, geloof alleen.
↗ m — Uitleg bij 1:21
SV37 En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;
37 En Hij liet niemand toe Hem te volgen, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus;
SV38 En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.
38 En Hij kwam in het huis van de overste van de synagogem en zag de opschudding en hen die luid weenden en huilden.
↗ m — Uitleg bij 1:21
SV39 En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
39 En toen Hij binnengegaan was, zei Hij tegen hen: Waarom maakt u ophef en weent u? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
SV40 En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.
40 En zij lachten Hem uit; maar Hij dreef hen allen naar buiten, nam de vader en de moeder van het kind bij Zich, en hen die met Hem waren, en ging naar binnen waar het kind lag.
SV41 En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talítha kûmi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.
Grieks Ταλιθα κουμ = Aramees voor "meisje, sta op"
41 En Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: Talitha kumi! Dat is, vertaald: Meisje (Ik zeg u), sta op.
SV42 En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.
42 En meteen stond het meisje op en liep rond, want het was twaalf jaar oud; en zij waren buiten zichzelf van grote verbazing.
SV43 En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.
43 En Hij gebood hun streng dat niemand dit zou weten; en Hij zei dat men haar te eten zou geven.