Markus 4

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
41 verzen, 41 met wijzigingen

De gelijkenis van de zaaier

SV1 En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
1 En Hij begon weer te onderwijzen bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in het schip ging en op de zee ging zitten; en de hele menigte was op het land aan de zee.
SV2 En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
2 En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissenw, en Hij zei in Zijn onderwijs tot hen:
↗ w — Uitleg bij 3:23
SV3 Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
3 Luister: zie, een zaaier ging uit om te zaaien.
SV4 En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
4 En het gebeurde bij het zaaien dat het ene deel van het zaad langs de weg viel; en de vogels kwamen en aten het op.
SV5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het kwam meteen op, omdat het geen diepte van aarde had.
SV6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
6 Maar toen de zon opkwam, werd het verschroeid, en omdat het geen wortel had, verdorde het.
SV7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
7 En het andere viel in de doornen, en de doornen groeiden op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.
SV8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderd voud.
8 En het andere viel in de goede aarde en gaf vrucht die opkwam en groeide; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud.
SV9 En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
9 En Hij zei tegen hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.

Het doel van de gelijkenissen

SV10 En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
10 En toen Hij alleen was, vroegen zij die bij Hem waren, samen met de twaalf, Hem naar de gelijkenis.
SV11 En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;
Grieks μυστήριον = geheimenis/mysterie — "verborgenheid" is verouderd
11 En Hij zei tegen hen: Het is u gegeven het geheimenis van het Koninkrijk van Godk te verstaan; maar voor hen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissenw;
↗ k — Uitleg bij 1:14
↗ w — Uitleg bij 3:23
SV12 Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd bekeren en hun de zonden vergeven worden.
12 Opdat zij ziende zien en niet opmerken, en horende horen en niet begrijpen; opdat zij zich niet bekereng en hun de zondenh vergeven worden.
↗ g — Uitleg bij 1:4
↗ h — Uitleg bij 1:4
SV13 En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
13 En Hij zei tegen hen: Begrijpt u deze gelijkenis niet? En hoe zult u dan al de gelijkenissenw begrijpen?
↗ w — Uitleg bij 3:23

Uitleg van de gelijkenis van de zaaier

SV14 De zaaier is, die het Woord zaait.
14 De zaaier zaait het Woord.
SV15 En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
15 En dit zijn zij die langs de weg bezaaid worden, waar het Woord gezaaid wordt; en wanneer zij het gehoord hebben, komt de satanj meteen en neemt het Woord weg dat in hun harten gezaaid was.
↗ j — Uitleg bij 1:13
SV16 En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;
16 En evenzo zijn dit zij die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; wanneer zij het Woord gehoord hebben, ontvangen zij het meteen met vreugde;
SV17 En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geërgerd.
Grieks σκανδαλίζονται = zij struikelen / vallen af — "geërgerd" is een verouderde weergave
17 En zij hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn er voor een tijd; wanneer daarna verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, worden zij meteen ten val gebracht.
SV18 En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden; namelijk degenen, die het Woord horen;
18 En dit zijn zij die in de doornen bezaaid worden, namelijk zij die het Woord horen;
SV19 En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
Grieks μέριμναι τοῦ αἰῶνος = zorgen van de wereld; ἀπάτη τοῦ πλούτου = bedrieglijkheid van de rijkdom
19 Maar de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom, en de begeerten naar de andere dingen komen binnen en verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
SV20 En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderd voud.
20 En dit zijn zij die in de goede aarde bezaaid zijn, die het Woord horen en aannemen en vrucht dragen: het ene dertig-, het andere zestig-, en het andere honderdvoud.

De lamp en de maat

SV21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Grieks λύχνος = olielamp (niet kaars); λυχνίαν = lampstandaard
21 En Hij zei tegen hen: Komt de lamp soms om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden?
SV22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
22 Want er is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen.
SV23 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
23 Als iemand oren heeft om te horen, die hore.
SV24 En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat mate gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
24 En Hij zei tegen hen: Let op wat u hoort. Met de maat waarmee u meet, zal u gemeten worden, en u die hoort, zal meer toegelegd worden.
SV25 Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
25 Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, van hem zal genomen worden ook wat hij heeft.

Het zaad dat onzichtbaar groeit

SV26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
26 En Hij zei: Zo is het Koninkrijk van Godk, alsof een mens het zaad in de aarde wierp;
↗ k — Uitleg bij 1:14
SV27 En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.
27 En hij ging slapen en stond op, nacht en dag; en het zaad sproot uit en groeide, zonder dat hij zelf wist hoe.
SV28 Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
28 Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
SV29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.
29 En wanneer de vrucht zich voordoet, zendt hij meteen de sikkel erin, omdat de oogst daar is.

De gelijkenis van het mosterdzaad

SV30 En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?
30 En Hij zei: Waarmee zullen wij het Koninkrijk van Godk vergelijken, of met welke gelijkenis zullen wij het vergelijken?
↗ k — Uitleg bij 1:14
SV31 Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.
31 Het is als een mosterdzaad, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden die op de aarde zijn.
SV32 En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
32 En wanneer het gezaaid is, komt het op en wordt het grootste van alle tuingewassen, en maakt grote takken, zodat de vogels van de hemel onder zijn schaduw kunnen nestelen.
SV33 En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.
33 En door veel van zulke gelijkenissenw sprak Hij het Woord tot hen, naarmate zij het horen konden.
↗ w — Uitleg bij 3:23
SV34 En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.
34 En zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen; maar in het bijzonder verklaarde Hij alles aan Zijn discipelenv.
↗ v — Uitleg bij 3:7

Jezus stilt de storm

SV35 En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
35 En op diezelfde dag, toen het avond geworden was, zei Hij tegen hen: Laat ons overvaren naar de andere zijde.
SV36 En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
36 En zij lieten de menigte achter en namen Hem mee, zoals Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes bij Hem.
SV37 En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
37 En er ontstond een grote windstorm, en de golven sloegen over in het schip, zodat het al vol werd.
SV38 En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
38 En Hij was in het achterschip en sliep op een kussen; en zij wekten Hem en zeiden tegen Hem: Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?
SV39 En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
39 En toen Hij wakker geworden was, bestrafte Hij de wind en zei tegen de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er kwam een grote stilte.
SV40 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hebt gij geen geloof?
40 En Hij zei tegen hen: Waarom bent u zo vreesachtig? Hebt u geen geloof?
SV41 En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
41 En zij vreesden met grote vrees, en zeiden tegen elkaar: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?