Markus 3

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
35 verzen, 35 met wijzigingen

De man met de verdorde hand

SV1 En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.
1 En Hij ging weer in de synagogem; en daar was een mens die een verdorde hand had.
↗ m — Uitleg bij 1:21
SV2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
2 En zij namen Hem waar, of Hij op de sabbatl hem genezen zou, zodat zij Hem konden beschuldigen.
↗ l — Uitleg bij 1:21
SV3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
3 En Hij zei tegen de mens die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
SV4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
4 En Hij zei tegen hen: Is het geoorloofd op de sabbatl goed te doen of kwaad te doen, een mens te behouden of te doden? En zij zwegen stil.
↗ l — Uitleg bij 1:21
SV5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Grieks συλλυπούμενος = diep bedroefd, medelijdend — een sterk werkwoord dat diepe emotie uitdrukt
5 En toen Hij hen met toorn rondom had aangekeken, en tegelijk bedroefd was over de verharding van hun hart, zei Hij tegen de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte die uit; en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere.
SV6 En de farizeeën, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.
6 En toen de Farizeeënq naar buiten gegaan waren, hielden zij meteen samen met de Herodianenu raad tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.
↗ q — Uitleg bij 2:16
Herodianen waren een politiek stroming die pro-Rome was. Samen met de Farizeeën die tegen Rome waren, wilden beide groepen Jezus uitschakelen.

De menigte bij de zee

SV7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galiléa, en van Judéa,
7 En Jezus vertrok met Zijn discipelenv naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea en van Judea,
Discipelen zijn leerlingen die niet alleen theoretisch les krijgen maar hun meester ook in het dagelijkse leven volgen om zijn manier van leven in de praktijk te leren.
SV8 En van Jeruzalem, en van Iduméa, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
8 En van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en zij van rond Tyrus en Sidon, een grote menigte, die gehoord had welke grote dingen Hij deed, kwamen naar Hem toe.
SV9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
9 En Hij zei tegen Zijn discipelenv dat een scheepje steeds bij Hem zou blijven, omwille van de menigte, zodat zij Hem niet zouden verdringen.
↗ v — Uitleg bij vers 7
SV10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
Grieks μάστιγας = geselslagen, hier figuurlijk: kwalen/aandoeningen
10 Want Hij had er velen genezen, zodat allen die kwalen hadden zich op Hem wierpen om Hem aan te raken.
SV11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!
11 En de onreine geesten, wanneer zij Hem zagen, vielen voor Hem neer en riepen en zeiden: U bent de Zoon van God!
SV12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.
12 En Hij gebood hun streng dat zij Hem niet openbaar zouden maken.

De aanstelling van de twaalf

SV13 En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.
13 En Hij klom op de berg en riep tot Zich wie Hij wilde; en zij kwamen naar Hem toe.
SV14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
Grieks καὶ ἀποστόλους ὠνόμασεν = en noemde hen apostelen — sommige handschriften vermelden dit, de SV laat het weg
14 En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken;
SV15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.
15 En om macht te hebben de ziekten te genezen en de demoneno uit te werpen.
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV16 En Simon gaf Hij den toe naam Petrus;
16 En Simon gaf Hij de bijnaam Petrus;
SV17 En Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanérges, hetwelk is, zonen des donders;
17 En Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus; en gaf hun de bijnaam Boanerges, dat is: zonen van de donder;
SV18 En Andréas, en Filippus, en Bartholoméüs, en Matthéüs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alféüs, en Thaddéüs, en Simon Kananítes,
18 En Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs, en Simon Kananites,
SV19 En Judas Iskáriot, die Hem ook verraden heeft.
19 En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

Jezus en Beëlzebul

SV20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.
20 En zij kwamen in huis; en daar kwam weer een menigte samen, zodat zij zelfs geen brood konden eten.
SV21 En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
Grieks οἱ παρ’ αὐτοῦ = de Zijnen, Zijn verwanten — niet "die Hem bestonden" (verouderd)
21 En toen Zijn verwanten dit hoorden, gingen zij eropuit om Hem vast te grijpen; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
SV22 En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.
22 En de schriftgeleerdenn die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de demoneno werpt Hij de demonen uit.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ o — Uitleg bij 1:23
SV23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?
23 En toen Hij hen tot Zich geroepen had, zei Hij tegen hen in gelijkenissenw: Hoe kan de satanj de satan uitwerpen?
Gelijkenissen zijn voorbeelden uit het dagelijkse leven die een geestelijke werkelijkheid verduidelijken.
↗ j — Uitleg bij 1:13
SV24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
24 En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, dan kan dat koninkrijk niet bestaan.
SV25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
25 En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, dan kan dat huis niet bestaan.
SV26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
26 En als de satanj tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, dan kan hij niet bestaan, maar heeft hij een einde.
↗ j — Uitleg bij 1:13
SV27 Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.
Grieks σκεύη = bezittingen/goederen, niet "vaten"
27 Niemand kan het huis van een sterke binnengaan en zijn bezittingen roven, als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven.
SV28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;
28 Werkelijk, Ik zeg u dat alle zondenh de mensenkinderen vergeven zullen worden, en alle lasteringen waarmee zij zullen gelasterd hebben;
↗ h — Uitleg bij 1:4
SV29 Maar zo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
Grieks αἰωνίου ἁμαρτήματος = eeuwige zonde — sommige handschriften lezen κρίσεως (oordeel); de SV volgt de variant "oordeel"
29 Maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geesti, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig aan het eeuwig oordeel.
↗ i — Uitleg bij 1:8
SV30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.
30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geesto.
↗ o — Uitleg bij 1:23

De ware familie van Jezus

SV31 Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.
31 Toen kwamen Zijn broers en Zijn moeder; en terwijl zij buiten stonden, stuurden zij iemand naar Hem toe om Hem te roepen.
SV32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.
32 En de menigte zat rondom Hem; en zij zeiden tegen Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers staan buiten en zoeken U.
SV33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
33 En Hij antwoordde hun en zei: Wie is Mijn moeder, of Mijn broers?
SV34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
34 En toen Hij had rondgekeken naar hen die om Hem heen zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broers.
SV35 Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.
35 Want wie de wil van God doet, die is Mijn broer en Mijn zuster en moeder.