Markus 2
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks
28 verzen, 28 met wijzigingen
De genezing van de verlamde
SV1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapérnaüm gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
1 En na enkele dagen kwam Hij weer in Kapernaüm; en het werd gehoord dat Hij in huis was.
SV2 En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.
2 En meteen kwamen daar velen samen, zodat ook zelfs de ruimte bij de deur hen niet meer kon bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.
SV3 En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.
Grieks παραλυτικόν = verlamde (niet "geraakte" — dat is verouderd)
3 En er kwamen mensen naar Hem toe die een verlamde brachten, die door vier gedragen werd.
SV4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.
4 En omdat zij vanwege de menigte niet bij Hem konden komen, braken zij het dak open waar Hij was; en toen zij een opening gemaakt hadden, lieten zij het draagbed neer waarop de verlamde lag.
SV5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.
5 En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: Zoon, uw zondenh zijn u vergeven.
↗ h — Uitleg bij 1:4
SV6 En sommigen van de schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:
6 En sommigen van de schriftgeleerdenn zaten daar en overdachten in hun harten:
↗ n — Uitleg bij 1:22
SV7 Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?
7 Wat spreekt Deze zo godslasterlijk? Wie kan de zondenh vergeven dan alleen God?
↗ h — Uitleg bij 1:4
SV8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?
8 En Jezus, Die meteen in Zijn geest doorzag dat zij zo bij zichzelf overdachten, zei tegen hen: Waarom overdenkt u deze dingen in uw harten?
SV9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?
9 Wat is makkelijker, tegen de verlamde te zeggen: De zondenh zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, neem uw draagbed op en loop?
↗ h — Uitleg bij 1:4
SV10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
Grieks υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου = Mensenzoon (titel voor Jezus)
10 Maar opdat u weet dat de Mensenzoon macht heeft om de zondenh op de aarde te vergeven (zei Hij tegen de verlamde):
↗ h — Uitleg bij 1:4
SV11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
11 Ik zeg u: Sta op, neem uw draagbed op en ga naar uw huis.
SV12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten, en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!
12 En meteen stond hij op, nam het draagbed op en ging naar buiten voor het oog van allen; zodat zij allemaal verbaasd waren en God verheerlijkten en zeiden: Zoiets hebben wij nog nooit gezien!
De roeping van Levi
SV13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
13 En Hij ging weer naar buiten, naar de zee; en de hele menigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen.
SV14 En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alféüs, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
14 En toen Hij voorbijging, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, in het tolhuis zitten, en zei tegen hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.
SV15 En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
15 En het gebeurde toen Hij in zijn huis aan tafel aanlag, dat ook vele tollenaarsp en zondaars met Jezus en Zijn discipelen aanlagen; want er waren er velen, en zij waren Hem gevolgd.
Tollenaars waren vaak Joden die voor de Romeinse bezetter belasting inden. Daarom werden ze door velen gezien als verraders.
SV16 En de schriftgeleerden en de farizeeën, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?
16 En toen de schriftgeleerdenn en de Farizeeënq zagen dat Hij met de tollenaarsp en zondaars at, zeiden zij tegen Zijn discipelen: Waarom eet en drinkt Hij met de tollenaars en zondaars?
Farizeeën geloofden in mondelinge overleveringen naast de geschreven Thora (Joodse wet) en hielden zich aan de striktste wetten. Ook geloofden zij, in tegenstelling tot de Sadduceeën in de opstanding, engelen en Gods voorzienigheid.
↗ n — Uitleg bij 1:22
↗ p — Uitleg bij vers 15
SV17 En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
Grieks ἰατρός = arts/dokter
17 En toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigenr te roepen, maar zondaars tot bekeringg.
↗ g — Uitleg bij 1:4
Een rechtvaardige is iemand die oprecht het goede doet.
De vraag over het vasten
SV18 En de discipelen van Johannes en der farizeeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der farizeeën, en Uw discipelen vasten niet!
18 En de discipelen van Johannes en van de Farizeeënq vastten; en zij kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom vastens de discipelen van Johannes en van de Farizeeën, maar Uw discipelen vasten niet?
↗ q — Uitleg bij vers 16
Vasten is het voor een dag of periode onthouden van eten en/of drinken om het gebed te onderstrepen en versterken.
SV19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
Grieks υἱοὶ τοῦ νυμφῶνος = bruiloftsgasten (lett. "zonen van de bruidskamer")
19 En Jezus zei tegen hen: Kunnen de bruiloftsgasten soms vastens terwijl de Bruidegom bij hen is? Zolang zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
↗ s — Uitleg bij vers 18
SV20 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelve dagen.
20 Maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen zal worden weggenomen, en dan zullen zij vastens in die dagen.
↗ s — Uitleg bij vers 18
SV21 En niemand naait een lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt een ergere scheur.
Grieks ῥάκους ἀγνάφου = ongekrimpte/ongewassen stof
21 En niemand naait een lap ongekrimpte stof op een oud kleed; anders trekt de nieuwe lap iets af van het oude kleed, en de scheur wordt erger.
SV22 En niemand doet nieuwen wijn in oude leder zakken; anders doet de nieuwe wijn de leder zakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de leder zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe leder zakken doen.
22 En niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken; anders doet de nieuwe wijn de leren zakken barsten, en de wijn wordt uitgestort en de leren zakken gaan verloren; maar nieuwe wijn moet men in nieuwe leren zakken doen.
De Heer over de sabbat
SV23 En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.
23 En het gebeurde dat Hij op een sabbatl door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen al lopend aren te plukken.
↗ l — Uitleg bij 1:21
SV24 En de farizeeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd is?
24 En de Farizeeënq zeiden tegen Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbatl wat niet geoorloofd is?
↗ l — Uitleg bij 1:21
↗ q — Uitleg bij vers 16
SV25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
25 En Hij zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen wat David gedaan heeft toen hij in nood was en honger had, hij en zij die bij hem waren?
SV26 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?
26 Hoe hij het huis van God is binnengegaan in de tijd van Abjathar, de hogepriester, en de toonbrodent heeft gegeten, die niemand mag eten dan alleen de priesters, en ze ook heeft gegeven aan hen die bij hem waren?
De toonbroden waren broden die in de tempel aan God geofferd werden en na zeven dagen door de priesters werd gegeten. Het was een voorafschaduwing van Jezus, het Levensbrood, die door Zijn offer Zijn leerlingen werkelijk in leven kan houden.
SV27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.
27 En Hij zei tegen hen: De sabbatl is gemaakt om de mens, niet de mens om de sabbat.
↗ l — Uitleg bij 1:21
SV28 Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat.
Grieks κύριός — hier verwijzend naar Jezus als Heer (niet de Godsnaam YHWH)
28 Dus is de Mensenzoon ook Heer over de sabbatl.
↗ l — Uitleg bij 1:21