Lukas 6
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
49 verzen, 49 met wijzigingen
∥ Mt 12:1-8; Mk 2:23-28
SV1 En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
Deut 23:25
1 En het gebeurde op de tweede eerste sabbat dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren en aten ze, terwijl zij die met de handen wreven.
SV2 En sommigen der farizeëen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
2 En sommigen van de farizeëen zeiden tegen hen: Waarom doet u wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat?
SV3 En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
1 Sam 21:6
3 En Jezus antwoordde hun en zei: Hebt u ook dat niet gelezen wat David deed toen hij honger had, en zij die met hem waren?
SV4 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.
Lev 24:5-9
4 hoe hij het huis van God is binnengegaan, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ze ook gegeven heeft aan hen die met hem waren, die niet geoorloofd zijn te eten dan alleen de priesters.
SV5 En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
5 En Hij zei tegen hen: De Mensenzoon is Heer ook over de sabbat.
∥ Mt 12:9-14; Mk 3:1-6
SV6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
Grieks ξηρα (xēra) = verdord, verschrompeld — de hand was verstijfd en onbruikbaar
6 En het gebeurde ook op een andere sabbat dat Hij in de synagoge ging en onderwees. En daar was een mens, en zijn rechterhand was verschrompeld.
SV7 En de schriftgeleerden en de farizeëen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
7 En de schriftgeleerden en de farizeëen hielden Hem in de gaten, of Hij op de sabbat zou genezen, zodat zij een beschuldiging tegen Hem konden vinden.
SV8 Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond over einde.
8 Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen de mens die de verschrompelde hand had: Sta op en ga in het midden staan. En hij stond op en ging staan.
SV9 Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
Grieks σωσαι (sοsai) = redden — sterker dan “behouden”; απολεσαι = te gronde richten
9 Toen zei Jezus tegen hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbat, goed te doen of kwaad te doen, een mens te redden of te verderven?
SV10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
10 En nadat Hij hen allen rondom had aangezien, zei Hij tegen de mens: Strek uw hand uit. En hij deed zo, en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.
SV11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
Grieks ανοιας (anoias) = waanzin, razernij — sterker dan “uitzinnigheid”
11 En zij werden vervuld met razernij en bespraken met elkaar wat zij Jezus zouden doen.
∥ Mt 10:1-4; Mk 3:13-19
SV12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.
12 En het gebeurde in die dagen dat Hij naar de berg ging om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God.
SV13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
13 En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
SV14 Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andréas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholoméüs;
14 namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde, en Andreas zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholoméüs;
SV15 Matthéüs en Thomas, Jakobus, den zoon van Alféüs, en Simon genaamd Zelótes;
15 Matthéüs en Thomas, Jakobus de zoon van Alféüs, en Simon genaamd de Zeloot;
SV16 Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskáriot, die ook de verrader geworden is.
16 Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
SV17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;
Mt 4:24-25
17 En toen Hij met hen was afgedaald, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de menigte van Zijn discipelen en een grote menigte van het volk uit heel Judea en Jeruzalem, en van de zeekant van Tyrus en Sidon;
SV18 Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
18 die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden; en die door onreine geesten gekweld waren, werden genezen.
SV19 En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
Mk 5:30
19 En de hele menigte zocht Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas hen allen.
∥ Mt 5:1-12
SV20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
Grieks Μακαριοι (Makarioi) = gelukkig, gelukzalig — duidt op een diep, door God geschonken geluk; niet “zalig” in de verouderde zin
20 En Hij sloeg Zijn ogen op over Zijn discipelen en zei: Gelukkig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.
SV21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
21 Gelukkig bent u die nu hongert, want u zult verzadigd worden. Gelukkig bent u die nu weent, want u zult lachen.
SV22 Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
22 Gelukkig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitsluiten en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, omwille van de Mensenzoon.
SV23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.
23 Verblijd u op die dag en wees vrolijk, want, zie, uw loon is groot in de hemel; want hun vaders deden evenzo met de profeten.
SV24 Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.
Grieks απεχετε (apechete) = u hebt al ten volle ontvangen — technische term voor het ontvangen van betaling
24 Maar wee u, rijken, want u hebt uw troost al ontvangen.
SV25 Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
25 Wee u die verzadigd bent, want u zult hongeren. Wee u die nu lacht, want u zult treuren en wenen.
SV26 Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
26 Wee u, wanneer alle mensen goed over u spreken, want hun vaders deden evenzo met de valse profeten.
∥ Mt 5:38-48
SV27 Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
27 Maar Ik zeg u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.
SV28 Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
Rom 12:14
28 Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u kwaad doen.
SV29 Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
Grieks χιτωνα (chitοna) = onderkleed, tuniek — verschilt van ιματιον (himation) = bovenkleed/mantel
Mt 5:39-40
29 Bied hem die u op de wang slaat, ook de andere; en verhinder hem die u de mantel neemt, ook het onderkleed niet te nemen.
SV30 Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
30 Maar geef aan ieder die van u vraagt; en eis van hem die het uwe neemt, het niet terug.
SV31 En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
Mt 7:12
31 En zoals u wilt dat de mensen u doen zullen, doe hun ook evenzo.
SV32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
32 En als u liefhebt die u liefhebben, wat voor dank hebt u? Want ook de zondaars hebben hen lief die hen liefhebben.
SV33 En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
33 En als u goed doet aan hen die u goed doen, wat voor dank hebt u? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
SV34 En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
34 En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank hebt u? Want ook de zondaars lenen aan zondaars, om evenveel terug te ontvangen.
SV35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
35 Maar heb uw vijanden lief, en doe goed, en leen, zonder iets terug te verwachten; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.
SV36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
36 Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.
∥ Mt 7:1-5
SV37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
Mt 7:1-2; Rom 2:1
37 En oordeel niet, en u zult niet geoordeeld worden; verdoem niet, en u zult niet verdoemd worden; laat los, en u zult losgelaten worden.
SV38 Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
38 Geef, en u zal gegeven worden: een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat waarmee u meet, zal u teruggemeten worden.
SV39 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
Grieks βοθυνον (bothynon) = kuil, groeve — niet “gracht”
Mt 15:14
39 En Hij zei hun een gelijkenis: Kan een blinde een blinde leiden? Zullen zij niet beiden in de kuil vallen?
SV40 De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
Mt 10:24-25; Joh 13:16
40 De leerling staat niet boven zijn meester; maar iedere volmaakte leerling zal zijn als zijn meester.
SV41 En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
Mt 7:3
41 En waarom ziet u de splinter die in het oog van uw broer is, maar merkt u de balk niet op die in uw eigen oog is?
SV42 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
Grieks υποκριτα (hypokrita) = huichelaar — niet “geveinsde”
42 Of hoe kunt u tegen uw broer zeggen: Broer, laat toe dat ik de splinter die in uw oog is, eruit haal; terwijl u zelf de balk die in uw oog is, niet ziet? Huichelaar! Haal eerst de balk uit uw oog, en dan zult u scherp genoeg zien om de splinter die in het oog van uw broer is, eruit te halen.
∥ Mt 7:16-20; Mt 12:33-35
SV43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
43 Want er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, en geen slechte boom die goede vrucht voortbrengt;
SV44 Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
44 want iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend; want men plukt geen vijgen van doornen, en men oogst geen druiven van bramen.
SV45 De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
45 De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; en de slechte mens brengt het slechte voort uit de slechte schat van zijn hart; want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond.
SV46 En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
Mt 7:21; Mal 1:6
46 En waarom noemt u Mij Heer, Heer! en doet niet wat Ik zeg?
∥ Mt 7:24-27
SV47 Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.
47 Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is.
SV48 Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en legde het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
Mt 7:24-25
48 Hij is als een mens die een huis bouwde, en groef en verdiepte, en het fundament op een rots legde; toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen, want het was op de rots gegrondvest.
SV49 Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
Mt 7:26-27
49 Maar wie ze gehoord en niet gedaan heeft, is als een mens die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; waartegen de waterstroom aansloeg, en het viel meteen, en de val van dat huis was groot.