Lukas 5

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
39 verzen, 38 met wijzigingen
Mt 4:18-22; Mk 1:16-20; Joh 21:1-11

De wonderbare visvangst

SV1 En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennésareth.
1 En het gebeurde, toen de menigte op Hem aandrong om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.
SV2 En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.
2 En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggen, en de vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten.
SV3 En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.
Grieks εδιδασκεν (edidasken) = onderwees — bij religieus onderwijzen: onderwijs i.p.v. leer
3 En Hij ging in een van die schepen, dat van Simon was, en vroeg hem wat van het land af te steken; en toen Hij was gaan zitten, onderwees Hij de menigte vanuit het schip.
SV4 En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.
4 En toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.
SV5 En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.
Grieks επιστατα (epistata) = Meester — Lukas gebruikt dit woord i.p.v. ραββι (rabbi)
5 En Simon antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wij hebben de hele nacht gewerkt en niets gevangen; maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.
SV6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
Joh 21:6
6 En toen zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
SV7 En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.
7 En zij wenkten hun metgezellen die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen en vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken.
SV8 En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.
Jes 6:5
8 En toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer aan de knieën van Jezus en zei: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.
SV9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;
Grieks θαμβος (thambos) = verbijstering, diepe verbazing — sterker dan gewone verbazing
9 Want verbijstering had hem bevangen, en allen die met hem waren, over de vangst van de vissen die zij gevangen hadden;
SV10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.
Grieks ζωγρων (zοgrοn) = levend vangen — oorspronkelijk een militaire term; hier figuurlijk: mensen “vangen” voor het Koninkrijk
10 En evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Vrees niet, van nu aan zult u mensen vangen.
SV11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
Mt 19:27; Mk 10:28
11 En toen zij de schepen aan land gebracht hadden, verlieten zij alles en volgden Hem.
Mt 8:2-4; Mk 1:40-45

Een melaatse gereinigd

SV12 En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
12 En het gebeurde, toen Hij in een van die steden was, zie, er was een man vol melaatsheid; en toen hij Jezus zag, viel hij op zijn aangezicht en smeekte Hem en zei: Heer, als U wilt, U kunt mij reinigen.
SV13 En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.
13 En Hij strekte de hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd! En meteen ging de melaatsheid van hem.
SV14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
Lev 14:1-32
14 En Hij gebood hem dat hij het niemand zou zeggen; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelf aan de priester, en offer voor uw reiniging, zoals Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
SV15 Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden.
Mk 1:45
15 Maar het gerucht over Hem verspreidde zich des te meer; en vele menigten kwamen samen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.
SV16 Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar.
Mk 1:35
16 Maar Hij trok Zich terug in de woestijnen en bad daar.
Mt 9:2-8; Mk 2:1-12

De genezing van de verlamde

SV17 En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten farizeëen en leraars der wet, die van alle vlekken van Galiléa, en Judéa, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen.
Grieks νομοδιδασκαλοι (nomodidaskaloi) = wetgeleerden, leraren van de wet — komt alleen hier en in Hand 5:34 en 1 Tim 1:7 voor
17 En het gebeurde op een van die dagen dat Hij onderwees, en er zaten farizeëen en wetgeleerden die uit alle dorpen van Galilea, Judea en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht van de Heer was er om hen te genezen.
SV18 En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen.
18 En zie, enige mannen brachten op een bed een mens die verlamd was, en zij probeerden hem binnen te brengen en voor Hem neer te leggen.
SV19 En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken, in het midden, voor Jezus.
Grieks κεραμων (keramοn) = dakpannen — verschilt van Mk 2:4 waar het dak opengebroken wordt; Lukas beschrijft een Grieks-Romeins dak met pannen
19 En omdat zij vanwege de menigte niet konden vinden waardoor zij hem naar binnen konden brengen, klommen zij op het dak en lieten hem door de dakpannen naar beneden met het draagbed, in het midden, voor Jezus.
SV20 En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
Jes 43:25
20 En toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
SV21 En de schriftgeleerden en de farizeëen begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die gods lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen?
21 En de schriftgeleerden en de farizeëen begonnen te overleggen en zeiden: Wie is Deze, Die godslastering spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?
SV22 Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten?
22 Maar Jezus, Die hun overwegingen kende, antwoordde en zei tegen hen: Wat overdenkt u in uw harten?
SV23 Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
23 Wat is makkelijker te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
SV24 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
Dan 7:13-14
24 Maar opdat u mag weten dat de Mensenzoon macht heeft op de aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw draagbed op en ga naar uw huis.
SV25 En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.
25 En hij stond meteen voor hen op, nam op waarop hij gelegen had, en ging naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte.
SV26 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.
Grieks παραδοξα (paradoxa) = paradoxale, ongelooflijke dingen — oorsprong van het woord “paradox”
26 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God en werden vervuld met ontzag en zeiden: Wij hebben vandaag buitengewone dingen gezien.
Mt 9:9-13; Mk 2:14-17

De roeping van Levi

SV27 En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.
27 En hierna ging Hij naar buiten en zag een tollenaar, genaamd Levi, zitten in het tolhuis, en zei tegen hem: Volg Mij.
SV28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.
28 En hij verliet alles, stond op en volgde Hem.
SV29 En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.
Lk 15:1-2
29 En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan in zijn huis; en er was een grote menigte van tollenaars en van anderen die met hen aanzaten.
SV30 En hun schriftgeleerden en de farizeëen murmureerden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?
30 En hun schriftgeleerden en de farizeëen klaagden tegen Zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?
SV31 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.
31 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar wie ziek zijn.
SV32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
1 Tim 1:15
32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.
Mt 9:14-17; Mk 2:18-22

De vraag over het vasten

SV33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der farizeëen, maar de Uwe eten en drinken?
33 En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes vaak en doen zij gebeden, evenzo ook de discipelen van de farizeëen, maar de Uwe eten en drinken?
SV34 Doch Hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?
Grieks υιους του νυμφωνος (huious tou numphοnos) = bruiloftsgasten (letterlijk: zonen van de bruidskamer)
34 Maar Hij zei tegen hen: Kunt u de bruiloftsgasten, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?
SV35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.
35 Maar de dagen zullen komen wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn; dan zullen zij vasten in die dagen.
SV36 En Hij zeide ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.
36 En Hij zei ook een gelijkenis tegen hen: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook het nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.
SV37 En niemand doet nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de leder zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de leder zakken zullen verderven.
37 En niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zal de nieuwe wijn de leren zakken doen barsten, en de wijn zal uitgestort worden en de leren zakken zullen verloren gaan.
SV38 Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe leder zakken doen, en zij worden beide te zamen behouden.
38 Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe leren zakken doen, en zij worden beide samen behouden.
SV39 En niemand, die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter.
Dit vers is uniek voor Lukas — een waarschuwing dat het oude comfortabel voelt, maar het nieuwe (het evangelie) de voorkeur verdient
39 En niemand die oude wijn drinkt, wil meteen nieuwe; want hij zegt: De oude is beter.