Lukas 3

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
38 verzen, 38 met wijzigingen
Mt 3:1-12; Mk 1:1-8

De prediking van Johannes de Doper

SV1 En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tibérius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judéa, en Heródes een viervorst over Galiléa, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Ituréa en over het land Trachónitis, en Lysánias een viervorst over Abiléne;
1 En in het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broeder, viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene,
SV2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharías, in de woestijn.
2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, kwam het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
SV3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
3 En hij kwam in heel het omliggende land van de Jordaan en predikte de doop van bekering tot vergeving van zonden,
SV4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Jes 40:3-5
4 Zoals geschreven is in het boek van de woorden van de profeet Jesaja: De stem van een roepende in de woestijn: Bereid de weg van de Heer, maak Zijn paden recht!
SV5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten weg worden, en de oneffen tot effen wegen.
5 Elk dal zal gevuld worden, en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en de kromme wegen zullen recht worden, en de oneffen wegen effen.
SV6 En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
Grieks σωτήριον τοῦ θεοῦ = de redding van God — σωτήριον is het reddende werk van God; "zaligheid" is verouderd
6 En alle vlees zal de redding van God zien.
SV7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?
Grieks γεννήματα ἐχιδνῶν = broedsel van adders — een scherpe aanklacht tegen schijnheiligheid
7 Hij zei dan tegen de menigten die uitkwamen om door hem gedoopt te worden: Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?
SV8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
Joh 8:33,39
8 Breng dan vruchten voort die de bekering waardig zijn, en begin niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.
SV9 En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.
Mt 7:19
9 En de bijl ligt ook al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.
SV10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?
10 En de menigten vroegen hem: Wat zullen wij dan doen?
SV11 En hij, antwoordende, zeide tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks.
11 En hij antwoordde en zei tegen hen: Wie twee onderkleren heeft, dele mee aan hem die er geen heeft; en wie voedsel heeft, doe evenzo.
SV12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?
12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zij zeiden tegen hem: Meester, wat moeten wij doen?
SV13 En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.
13 En hij zei tegen hen: Eis niet meer dan wat u opgelegd is.
SV14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.
Grieks ὀψωνίοις = soldij/bezoldiging — de soldaten moesten tevreden zijn met hun loon en niet plunderen
14 En ook de soldaten vroegen hem: En wij, wat moeten wij doen? En hij zei tegen hen: Doe niemand geweld aan, en pers niemand af met valse beschuldigingen, en wees tevreden met uw soldij.

De aankondiging van de Messias

SV15 En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overlegden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware;
15 En toen het volk in verwachting was en allen in hun hart overlegden over Johannes, of hij misschien de Christus zou zijn,
SV16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;
16 Antwoordde Johannes aan allen en zei: Ik doop u wel met water, maar Hij komt Die sterker is dan ik, van Wie ik niet waardig ben de riem van Zijn sandalen los te maken; Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.
SV17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden.
Grieks πτύον = wan/werpschop — werktuig om graan van kaf te scheiden door het in de lucht te werpen
17 Zijn wan is in Zijn hand, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en de tarwe in Zijn schuur samenbrengen, maar het kaf zal Hij met onuitblusbaar vuur verbranden.
SV18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie.
Grieks παρακαλῶν = vermanend/bemoedigend — παρακαλέω kan zowel vermanen als bemoedigen betekenen
18 Hij dan wees hen ook met nog vele andere woorden terecht en verkondigde het volk het Evangelie.

Johannes gevangengenomen

SV19 Maar als Heródes, de viervorst van hem bestraft werd, om Heródias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze stukken, die Heródes deed,
19 Maar toen Herodes, de viervorst, door hem bestraft werd vanwege Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus, en vanwege alle slechte dingen die Herodes deed,
SV20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft.
20 Heeft hij ook dit nog boven alles daaraan toegevoegd, dat hij Johannes in de gevangenis opgesloten heeft.
Mt 3:13-17; Mk 1:9-11

De doop van Jezus

SV21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd;
21 En het gebeurde, toen al het volk gedoopt werd en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd;
SV22 En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!
Ps 2:7; Jes 42:1
22 En dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante, als een duif; en dat er een stem klonk uit de hemel: U bent Mijn geliefde Zoon, U ben ik goedgezind!
Mt 1:1-17

Het geslachtsregister van Jezus

SV23 En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzo men meende) de zoon van Jozef, den zoon van Heli,
23 En Hij, Jezus, was ongeveer dertig jaar toen Hij begon, en was (naar men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli,
SV24 Den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Janna, den zoon van Jozef,
24 De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef,
SV25 Den zoon van Mattathías, den zoon van Amos, den zoon van Naüm, den zoon van Esli, den zoon van Naggai,
25 De zoon van Mattathias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Esli, de zoon van Naggai,
SV26 Den zoon van Maáth, den zoon van Mattathías, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Juda,
26 De zoon van Maath, de zoon van Mattathias, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda,
SV27 Den zoon van Johannes, den zoon van Rhesa, den zoon van Zorobábel, den zoon van Saláthiël, den zoon van Neri,
27 De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri,
SV28 Den zoon van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmódam, den zoon van Er,
28 De zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodam, de zoon van Er,
SV29 Den zoon van Joses, den zoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi,
29 De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi,
SV30 Den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim,
30 De zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim,
SV31 Den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David,
31 De zoon van Meleas, de zoon van Maïnan, de zoon van Mattatha, de zoon van Nathan, de zoon van David,
SV32 Den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Boöz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson,
32 De zoon van Jesse, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahasson,
SV33 Den zoon van Aminádab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda,
33 De zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Fares, de zoon van Juda,
SV34 Den zoon van Jakob, den zoon van Izak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor,
34 De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Thara, de zoon van Nachor,
SV35 Den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala,
35 De zoon van Saruch, de zoon van Ragau, de zoon van Falek, de zoon van Heber, de zoon van Sala,
SV36 Den zoon van Kaïnan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noë, den zoon van Lamech,
36 De zoon van Kaïnan, de zoon van Arfaxad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech,
SV37 Den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Maláleël, den zoon van Kaïnan,
37 De zoon van Methusalach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalaleël, de zoon van Kaïnan,
SV38 Den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.
38 De zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.