Lukas 1
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
80 verzen, 79 met wijzigingen
Opdracht aan Theofilus
SV1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;
1 Aangezien velen het ter hand hebben genomen om een verhaal op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben;
SV2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;
2 Zoals zij die van het begin af aan ooggetuigen en dienaren van het Woord geweest zijn, ze ons hebben overgeleverd;
SV3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theófilus!
3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, nadat ik alles van voren af aan zorgvuldig onderzocht heb, het vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!
SV4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.
Grieks κατηχήθης = onderwezen bent — hier gaat het om mondelinge onderwijzing in het geloof
4 Opdat u de zekerheid mag kennen van de dingen waarvan u onderwezen bent.
De aankondiging van Johannes' geboorte
SV5 In de dagen van Heródes, den koning van Judéa, was een zeker priester, met name Zacharías, van de dagorde van Abía; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aäron, en haar naam Elizabet.
1 Kron 24:10
5 In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was er een zeker priester, met de naam Zacharias, van de afdeling van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam was Elizabet.
SV6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.
Grieks δικαιώμασιν = bepalingen/verordeningen — "rechten" is verouderd voor deze juridische/ceremoniële voorschriften
6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God en wandelden in al de geboden en bepalingen van de Heer, onberispelijk.
SV7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.
7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden ver op hun dagen gekomen waren.
SV8 En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.
8 En het gebeurde, toen hij het priesterambt bediende voor God, toen zijn afdeling aan de beurt was,
SV9 Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.
9 dat het hem naar de gewoonte van de priesterlijke dienst door het lot was toegevallen om in te gaan in de tempel van de Heer om het reukoffer te brengen.
SV10 En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.
10 En heel de menigte van het volk was buiten aan het bidden op het uur van het reukoffer.
SV11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.
11 En hem verscheen een engel van de Heer, staande aan de rechterkant van het reukofferaltaar.
SV12 En Zacharías, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.
12 En toen Zacharias hem zag, werd hij ontsteld, en vrees overviel hem.
SV13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharías! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.
13 Maar de engel zei tegen hem: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en u zult hem de naam Johannes geven.
SV14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
14 En u zal blijdschap en vreugde ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
SV15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.
Num 6:3; Richt 13:4
15 Want hij zal groot zijn voor de Heer; geen wijn en geen sterke drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, al van de moederschoot af.
SV16 En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot den Heere, hun God.
16 En hij zal veel van de kinderen van Israël bekeren tot de Heer, hun God.
SV17 En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elías, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.
Grieks φρονήσει δικαίων = wijsheid/verstandigheid van de rechtvaardigen — "voorzichtigheid" is hier misleidend in modern Nederlands
17 En hij zal voor Hem uitgaan, in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaderen te bekeren tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de wijsheid van de rechtvaardigen, om voor de Heer een toegerust volk te bereiden.
SV18 En Zacharías zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.
18 En Zacharias zei tegen de engel: Waaraan zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.
SV19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.
19 En de engel antwoordde en zei tegen hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen.
SV20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.
20 En zie, u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag dat deze dingen gebeurd zullen zijn, omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd.
SV21 En het volk was wachtende op Zacharías, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.
21 En het volk stond te wachten op Zacharias, en zij waren verwonderd dat hij zo lang in de tempel bleef.
SV22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.
Grieks ὀπτασίαν = visioen — "gezicht" in de SV betekent hier "visioen", niet het gelaat
22 En toen hij naar buiten kwam, kon hij niet tegen hen spreken; en zij begrepen dat hij een visioen in de tempel had gezien. En hij wenkte hun toe en bleef stom.
SV23 En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.
23 En het gebeurde, toen de dagen van zijn dienst vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.
SV24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:
24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, zwanger; en zij verborg zich vijf maanden en zei:
SV25 Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.
25 Zo heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen waarin Hij naar mij heeft omgezien, om mijn smaad onder de mensen weg te nemen.
De aankondiging van Jezus' geboorte
SV26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Názareth;
26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;
SV27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.
27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man wiens naam Jozef was, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria.
SV28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.
Grieks κεχαριτωμένη = begenadigde — voltooid deelwoord van χαριτόω, "met genade begiftigen"
28 En toen de engel bij haar binnengekomen was, zei hij: Wees gegroet, begenadigde! De Heer is met u; u bent gezegend onder de vrouwen.
SV29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn.
29 En toen zij hem zag, werd zij zeer ontsteld over dit woord, en zij overlegde wat deze begroeting zou betekenen.
SV30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
30 En de engel zei tegen haar: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden.
SV31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
Jes 7:14; Mt 1:21
31 En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven.
SV32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.
2 Sam 7:12-16; Jes 9:6-7
32 Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.
SV33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
Dan 7:14
33 En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
SV34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?
34 En Maria zei tegen de engel: Hoe zal dat gaan, nu ik geen man heb gekend?
SV35 En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
Mt 1:20
35 En de engel antwoordde en zei tegen haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden.
SV36 En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
36 En zie, Elizabet, uw familielid, is ook zelf zwanger van een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is de zesde voor haar die onvruchtbaar genoemd werd.
SV37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
Gen 18:14
37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
SV38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.
38 En Maria zei: Zie, de dienares van de Heer; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging van haar weg.
Maria bezoekt Elizabet
SV39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;
39 En Maria stond op in die dagen en reisde met haast naar het bergland, naar een stad van Juda;
SV40 En kwam in het huis van Zacharías, en groette Elizabet.
40 En zij kwam in het huis van Zacharias en begroette Elizabet.
SV41 En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;
41 En het gebeurde, toen Elizabet de begroeting van Maria hoorde, dat het kindje opsprong in haar buik; en Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest;
SV42 En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
42 En zij riep uit met luide stem en zei: Gezegend bent u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw buik!
SV43 En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?
43 En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?
SV44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.
44 Want zie, toen het geluid van uw begroeting in mijn oren klonk, sprong het kindje van vreugde op in mijn buik.
SV45 En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.
Grieks μακαρία = gelukkig/zalig — μακάριος duidt op een diep geluk, door God geschonken
45 En gelukkig is zij die geloofd heeft, want de dingen die haar van de Heer gezegd zijn, zullen volbracht worden.
De lofzang van Maria
SV46 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;
1 Sam 2:1-10
46 En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heer groot;
SV47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;
Grieks σωτῆρί = Redder — σωτήρ (sōtēr) = hij die redt/verlost; "Zaligmaker" is verouderd
47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Redder;
SV48 Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
Grieks μακαριοῦσίν = gelukkig prijzen — van μακαρίζω, "gelukkig noemen"
48 Omdat Hij de nederigheid van Zijn dienares heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij gelukkig prijzen.
SV49 Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.
49 Want grote dingen heeft Hij Die machtig is, aan mij gedaan, en heilig is Zijn Naam.
SV50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.
50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen die Hem vrezen.
SV51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.
51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft hoogmoedigen met de gedachten van hun hart verstrooid.
SV52 Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.
52 Hij heeft machtigen van de tronen neergehaald, en nederigen heeft Hij verhoogd.
SV53 Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
53 Hongerigen heeft Hij met goede gaven vervuld, en rijken heeft Hij leeg weggezonden.
SV54 Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.
54 Hij heeft Israël, Zijn knecht, aangenomen, door aan Zijn barmhartigheid te denken,
SV55 (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.
55 Zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.
SV56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.
56 En Maria bleef bij haar ongeveer drie maanden en keerde terug naar haar huis.
De geboorte van Johannes
SV57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon.
57 En de tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zou, en zij baarde een zoon.
SV58 En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.
Grieks συγγενεῖς = verwanten/familieleden — "magen" is verouderd voor bloedverwanten
58 En de omwonenden en haar familieleden hoorden dat de Heer Zijn barmhartigheid aan haar had grootgemaakt, en zij waren met haar verblijd.
SV59 En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharías, naar den naam zijns vaders.
59 En het gebeurde op de achtste dag dat zij kwamen om het kindje te besnijden, en zij noemden het Zacharias, naar de naam van zijn vader.
SV60 En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten.
60 En zijn moeder antwoordde en zei: Nee, maar hij zal Johannes heten.
SV61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam genaamd wordt.
Grieks συγγενείας = verwantschap — "maagschap" is verouderd voor familiekring
61 En zij zeiden tegen haar: Er is niemand in uw familie die met die naam genoemd wordt.
SV62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.
62 En zij wenkten zijn vader hoe hij wilde dat hij genoemd zou worden.
SV63 En als hij een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.
63 En toen hij een schrijftafeltje gevraagd had, schreef hij: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.
SV64 En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.
64 En meteen werd zijn mond geopend en zijn tong losgemaakt; en hij sprak en loofde God.
SV65 En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judéa werd veel gesproken van al deze dingen.
65 En er kwam vrees over allen die rondom hen woonden; en in heel het bergland van Judea werd veel gesproken over al deze dingen.
SV66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem.
66 En allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: Wat zal toch dit kindje worden? En de hand van de Heer was met hem.
De lofzang van Zacharias
SV67 En Zacharías, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende:
67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde en zei:
SV68 Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;
Grieks λύτρωσιν = verlossing — van λυτρόω (lutroō) = loskopen, bevrijden; behouden als "verlossing"
68 Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en het verlossing gebracht;
SV69 En heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
Grieks κέρας σωτηρίας = hoorn van redding — σωτηρία (sōtēria) = redding, behoud; "zaligheid" is verouderd
69 En heeft een hoorn van redding voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht;
SV70 Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;
70 Zoals Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die er van oudsher geweest zijn;
SV71 Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten;
Grieks σωτηρίαν = redding — hier is σωτηρία de verlossing/redding uit de hand van vijanden
71 Namelijk redding van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten;
SV72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond;
72 Om barmhartigheid te doen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond;
SV73 En aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven.
73 En aan de eed die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven
SV74 Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.
74 Dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees,
SV75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.
75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven.
SV76 En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;
Jes 40:3; Mal 3:1
76 En u, kindje, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden; want u zult voor het aangezicht van de Heer uitgaan om Zijn wegen te bereiden,
SV77 Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden,
Grieks γνῶσιν σωτηρίας = kennis van redding — σωτηρία (sōtēria) = redding
77 Om Zijn volk kennis van redding te geven, in de vergeving van hun zonden,
SV78 Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;
Grieks σπλάγχνα ἐλέους = diep innerlijk medelijden/ontferming — σπλάγχνα verwijst letterlijk naar de ingewanden als zetel van diepe emotie; ἀνατολή = Opgang, de Messias als het opgaande licht
78 Door de diepe bewogenheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons heeft omgezien,
SV79 Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.
Jes 9:1; Jes 42:7
79 Om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, om onze voeten te richten op de weg van de vrede.
SV80 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israël.
80 En het kindje groeide op en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen tot de dag van zijn verschijnen voor Israël.