Jesaja 2

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
22 verzen, 21 met wijzigingen
SV1 Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft, over Juda en Jeruzalem.
Hebreeuws דבר (dabar) = woord — maar ook: zaak, gebeurtenis; חזה (chazah) = zien, schouwen — profetisch zien, niet gewoon kijken
1 Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
SV2 En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen; en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.
Hebreeuws באחרית הימים (be'acharit hajamim) = in het laatste/einde der dagen — eschatologische term; נהרו (naharu) = toestromen — als een rivier die naar een punt stroomt; "heidenen" vervangen door "heidenvolken" (Hebr. גוים gojim)
Micha 4:1-3; Dan 2:28; Hos 3:5
2 En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis van Jahweh vaststaan zal op de top van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels; en alle heidenvolken zullen ernaartoe stromen.
SV3 En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord des HEEREN uit Jeruzalem.
Hebreeuws יורנו (jorenu) = Hij zal ons onderwijzen, leren — van ירה (jarah) = onderwijzen; תורה (torah) = wet, onderwijzing — dezelfde wortel
Micha 4:2; Zach 8:20-23
3 En vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van Jahweh, naar het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons onderwijst in Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Jahweh uit Jeruzalem.
SV4 En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.
Hebreeuws שפט (shafat) = rechtspreken, oordelen; הוכיח (hochiach) = terechtwijzen, bestraffen; אתותיהם (ittotehem) = hun ploegscharen — niet "spaden"; חניתותיהם (chanitotehem) = hun speren — niet "spiesen" (verouderd); מזמרות (mazmerot) = snoeimessen — niet "sikkelen"
Micha 4:3; Joël 3:10; Ps 46:10
4 En Hij zal rechtspreken onder de heidenvolken, en vele volken terechtwijzen; en zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen, en hun speren tot snoeimessen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.
SV5 Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.
Hebreeuws אור (or) = licht — Gods openbaring en leiding als licht om in te wandelen
Ef 5:8; 1 Joh 1:7
5 Kom, huis van Jakob, en laten wij wandelen in het licht van Jahweh.
SV6 Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld geworden meer dan het oosten, en zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen.
Hebreeuws מקדם (miqqedem) = van het oosten — oosterse waarzeggerij en bijgeloof; עננים (onenim) = waarzeggers, wolkenduidrrs — "guichelaars" is verouderd; ישפיקו (jaspiku) = zij slaan de handen ineen met — zij verbinden zich met vreemden
Deut 18:10-12; 2 Kon 21:6
6 Maar U hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vol geworden van het oosten, en zij bedrijven waarzeggerij zoals de Filistijnen, en met de kinderen van vreemden geven zij zich af.
SV7 En hun land is vervuld met zilver en goud, en er is geen einde aan hun schatten; hun land is ook vervuld met paarden, en er is geen einde aan hun wagens.
7 En hun land is vol zilver en goud, en er is geen einde aan hun schatten; hun land is ook vol paarden, en er is geen einde aan hun wagens.
SV8 Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.
Hebreeuws אלילים (elilim) = afgoden, nietigheden — woordspel: klinkt als אלהים (elohim/God) maar betekent "nietsjes"
Deut 4:28; Ps 115:4-8
8 Ook is hun land vol afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor wat hun vingers gemaakt hebben.
SV9 Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke vernedert zich; daarom zal het hun niet vergeven worden.
Hebreeuws אדם (adam) = mens, gewone man; איש (ish) = man, aanzienlijke — het contrast benadrukt dat niemand wordt uitgezonderd; אל תשא להם (al tissa lahem) = vergeef het hun niet — een bevel, geen beschrijving
9 Zo bukt de gewone mens zich, en de aanzienlijke vernedert zich; vergeef het hun niet!
SV10 Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.
Hebreeuws פחד יהוה (pachad YHWH) = verschrikking/ontzag van Jahweh — "schrik" vervangen door "verschrikking"; הדר גאונו (hadar ge'ono) = glans/heerlijkheid van Zijn majesteit/verhevenheid
Openb 6:15-16; Hos 10:8
10 Ga de rots in, en verberg u in het stof, vanwege de verschrikking van Jahweh, en vanwege de glans van Zijn majesteit.
SV11 De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.
Hebreeuws עיני גבהות (ene gabhut) = ogen van hoogheid/trots — "hoge ogen" vervangen door "trotse ogen"; שפל (shafal) = vernederen, verlagen
Jes 5:15-16; Fil 2:10-11
11 De trotse ogen van de mensen zullen vernederd worden, en de hoogmoed van de mannen zal neergebogen worden; en Jahweh alleen zal in die dag verheven zijn.
SV12 Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
Hebreeuws יהוה צבאות (YHWH tsebaoth) = Jahweh van de legermachten — niet "heirscharen" (verouderd); גאה (ge'eh) = trots, hoogmoedig; רם (ram) = hoog, verheven
Jes 13:6; Joël 1:15; Zef 1:14-18
12 Want de dag van Jahweh van de legermachten zal zijn tegen al wie trots en hoogmoedig is, en tegen al wie verheven is, opdat hij vernederd wordt;
SV13 En tegen alle hoge en verhevene cederen van den Libanon, en tegen alle eiken van Basan;
13 En tegen alle hoge en verheven ceders van de Libanon, en tegen alle eiken van Basan;
SV14 En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;
14 En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verheven heuvels;
SV15 En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur;
15 En tegen elke hoge toren, en tegen elke versterkte muur;
SV16 En tegen alle schepen van Tharsis, en tegen alle gewenste schilderijen.
Hebreeuws אניות תרשיש (onijot Tarshish) = schepen van Tarsis — grote zeeschepen; שכיות החמדה (sekijot hacbemdah) = kostbare kunstwerken, begeerlijke schilderijen — "gewenste schilderijen" is onduidelijk
16 En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle kostbare kunstwerken.
SV17 En de hoogheid des mensen zal gebogen worden, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.
Jes 5:15-16
17 En de hoogmoed van de mensen zal gebogen worden, en de trots van de mannen zal vernederd worden; en Jahweh alleen zal in die dag verheven zijn.
SV18 En de afgoden zullen ganselijk vergaan.
18 En de afgoden zullen geheel en al vergaan.
SV19 Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
Hebreeuws מערות (me'arot) = grotten, spelonken; מחלות (mechillot) = holen, gangen — schuilplaatsen in de rotsen
Openb 6:15; Luk 23:30
19 Dan zullen zij de grotten van de rotsen ingaan, en de holen van de aarde, vanwege de verschrikking van Jahweh en vanwege de glans van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
SV20 In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen;
Hebreeuws חפרפרות (chafarperot) = mollen — gravende dieren; עטלפים (atalefim) = vleermuizen — beide symboliseren duisternis en onreinheid
Jes 30:22; 31:7
20 Op die dag zal de mens zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, die hij voor zichzelf gemaakt had om zich ervoor neer te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen;
SV21 Gaande in de reten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
21 Om in de spleten van de rotsen te gaan en in de kloven van de steenrotsen, vanwege de verschrikking van Jahweh en vanwege de glans van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te verschrikken.
SV22 Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
Hebreeuws חדלו (chidlu) = laat af, houd op — imperativus; נשמה (neshamah) = adem, levensadem — de mens is broos en vergankelijk; במה נחשב הוא (bammeh nechshab hu) = waarin is hij te achten? — retorische vraag: de mens is niets vergeleken bij God
Ps 146:3-4; Jer 17:5
22 Laat toch af van de mens, wiens adem in zijn neus is; want waarin is hij te achten?