Jesaja 1

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
31 verzen, 31 met wijzigingen

Opschrift en aanklacht tegen Israël

SV1 Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkía, de koningen van Juda.
Hebreeuws חזון (chazon) = visioen, profetisch gezicht — niet “gezicht” in de moderne betekenis van gelaat
1 Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
SV2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
Hebreeuws פשעו (pash’u) = in opstand komen, rebelleren — sterker dan “overtreden”
2 Hoor, hemelen! En luister, aarde! Want Jahweh spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en verhoogd, maar zij zijn tegen Mij in opstand gekomen.
SV3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
Hebreeuws לא התבונן (lo hitbonen) = begrijpt niet, heeft geen inzicht — “verstaat” hier in de zin van begrijpen
3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de voederbak van zijn heer; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk begrijpt het niet.
SV4 Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.
Hebreeuws נאצו (na’atsu) = verachten, versmaden — sterker dan “lasteren”; משחיתים (mashchitim) = verderfelijke, die verderf brengen
4 Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het nageslacht van kwaaddoeners, de verderfelijke kinderen! Zij hebben Jahweh verlaten, zij hebben de Heilige van Israël veracht, zij zijn vervreemd en van Hem afgeweken.
SV5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.
Hebreeuws לחלי (lacholi) = ziek; דוי (dawwai) = zwak, lijdend
5 Waarom zou u nog meer geslagen worden? U zou de afvalligheid alleen maar vermeerderen. Het hele hoofd is ziek, en het hele hart is zwak.
SV6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.
Hebreeuws מכה טריה (makkah teriyyah) = verse, open wond; פצע (petsa) = wond; חבורה (chabburah) = striem
6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets heel aan; alleen wonden, striemen en zweren, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en niet met olie verzacht.
SV7 Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden.
Deut 28:51-52
7 Uw land is een woestenij, uw steden zijn met vuur verbrand; uw akkerland — vreemden verteren het voor uw ogen, en het is een verwoesting, als omvergeworpen door vreemden.
SV8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad.
Job 27:18; Klaagl 2:6
8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommertuin, als een belegerde stad.
SV9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sódom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden.
Hebreeuws יהוה צבאות (YHWH tsebaoth) = Jahweh van de legermachten; שריד (sarid) = overblijfsel, rest
9 Als Jahweh van de legermachten ons niet een klein overblijfsel had gelaten, waren wij als Sodom geworden; wij zouden aan Gomorra gelijk zijn geworden.

Tegen holle eredienst

SV10 Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sódom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomórra!
Deut 32:32; Ez 16:46
10 Hoor het woord van Jahweh, leiders van Sodom! Luister naar de wet van onze God, volk van Gomorra!
SV11 Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken.
Hebreeuws שבעתי (sabba’ti) = ik ben verzadigd, ik heb er genoeg van; פרים (parim) = stieren; חלב (cheleb) = vet
11 Wat heb Ik aan de veelheid van uw slachtoffers? zegt Jahweh. Ik ben verzadigd van de brandoffers van rammen en het vet van mestbeesten, en heb geen behagen in het bloed van stieren, lammeren of bokken.
SV12 Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt?
Ex 23:17; Deut 16:16
12 Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen, wie heeft dit van uw hand geëist, dat u Mijn voorhoven zou betreden?
SV13 Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.
Hebreeuws מנחת שוא (minchat shaw) = nutteloos/ijdel offer; עצרה (atsarah) = feestelijke bijeenkomst, plechtige samenkomst — niet “verbodsdag”
13 Breng niet langer nutteloze offers; reukwerk is Mij een gruwel. Nieuwemaansdagen en sabbatten, het bijeenroepen van samenkomsten — Ik verdraag het niet: onrecht samen met de heilige samenkomsten.
SV14 Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.
Hebreeuws מועדים (mo’adim) = vastgestelde feesten, aangewezen tijden
14 Uw nieuwemaansdagen en uw vastgestelde feesten haat Mijn ziel; zij zijn Mij tot een last, het dragen ervan heeft Mij uitgeput.
SV15 En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.
Ps 66:18; Spr 1:28; Jer 14:12
15 En wanneer u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u veel bidt, hoor Ik niet, want uw handen zijn vol bloed.

Oproep tot bekering

SV16 Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
Ps 34:15; Jer 4:14
16 Was u, reinig u, doe de slechtheid van uw daden weg van voor Mijn ogen, houd op met kwaad doen.
SV17 Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.
Hebreeuws אשרו חמוץ (ashsheru chamots) = help de verdrukte; ריבו אלמנה (ribu almanah) = verdedig de zaak van de weduwe
17 Leer goed te doen, zoek het recht, help de verdrukte, doe de wees recht, verdedig de zaak van de weduwe.
SV18 Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
Hebreeuws נוכחה (nokh’chah) = laten wij samen redeneren, laten wij de zaak bespreken — een juridische term
18 Kom dan, en laten wij de zaak samen uitspreken, zegt Jahweh; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
SV19 Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten;
Deut 28:1-2
19 Als u gewillig bent en gehoorzaamt, zult u het goede van het land eten;
SV20 Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.
Hebreeuws חרב תאכלו (chereb to’khelu) = het zwaard zal u verteren — woordspel met “eten” uit vers 19
20 Maar als u weigert en opstandig bent, zult u door het zwaard verteerd worden, want de mond van Jahweh heeft het gesproken.

De ontrouwe stad en haar loutering

SV21 Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.
Hebreeuws קריה נאמנה (qirjah ne’emanah) = getrouwe, betrouwbare stad; מרצחים (meratstsechim) = moordenaars
21 Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid woonde daarin, maar nu moordenaars.
SV22 Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.
22 Uw zilver is tot schuim geworden; uw wijn is vermengd met water.
SV23 Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwe komt voor hen niet.
Hebreeuws סוררים (sorerim) = opstandelingen, weerspannigen — niet simpelweg “afvalligen”; שלמנים (shalmonim) = beloningen, steekpenningen
23 Uw vorsten zijn opstandelingen en metgezellen van dieven; ieder van hen houdt van geschenken en jaagt beloningen na. De wees doen zij geen recht, en de zaak van de weduwe komt niet voor hen.
SV24 Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israëls: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.
Hebreeuws אדון (Adon) = Heer; יהוה צבאות (YHWH tsebaoth) = Jahweh van de legermachten; אביר ישראל (Abir Yisra’el) = de Machtige van Israël; אנחם (enachem) = Ik zal Mij verlichting verschaffen — troost door vergelding
24 Daarom spreekt de Heer, Jahweh van de legermachten, de Machtige van Israël: Wee! Ik zal Mij troosten over Mijn tegenstanders en Mij wreken op Mijn vijanden.
SV25 En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen.
Hebreeuws כבר (kabor) = als met loog — een zuiveringsmiddel; בדיל (bedil) = tin, onzuiver metaal dat verwijderd moet worden
25 En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en uw schuim grondig uitzuiveren, en al uw tin verwijderen.
SV26 En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.
Jer 33:7; Zach 8:3
26 En Ik zal u uw rechters teruggeven als voorheen, en uw raadslieden als in het begin; daarna zult u een stad van gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.
SV27 Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.
Hebreeuws שביה (shaveha) = haar terugkerenden, bekeerlingen — zij die zich bekeren tot God
27 Sion zal door recht verlost worden, en haar terugkerenden door gerechtigheid.

Het oordeel over de afvalligen

SV28 Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen.
Ps 1:6; Ps 37:20
28 Maar overtreders en zondaars zullen samen verbroken worden; en wie Jahweh verlaten, zullen omkomen.
SV29 Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wil, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, om der hoven wil, die gij verkoren hebt.
Hebreeuws אילים (elim) = eiken, terebinten — heilige bomen bij afgodendienst; גנות (gannot) = tuinen — afgodische offertuinen
29 Want zij zullen beschaamd worden om de eiken die u begeerd hebt, en u zult blozen van schaamte om de tuinen die u gekozen hebt.
SV30 Want gij zult zijn als een eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.
Jer 17:5-6
30 Want u zult zijn als een eik waarvan de bladeren afvallen, en als een tuin die geen water heeft.
SV31 En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.
Hebreeuws נערת (ne’oret) = werk, vlasvezels — brandbaar materiaal; פעלו (po’alo) = zijn werk/daad — niet “werkmeester” (geen persoon)
31 En de sterke zal tot werk worden, en zijn daad tot een vonk, en zij zullen beiden samen branden, en er zal niemand zijn die blust.