Handelingen 5
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
42 verzen, 42 met wijzigingen
SV1 En een zeker man, met name Ananías, met Saffíra, zijn vrouw, verkocht een have;
Grieks κτῆμα (ktēma) = bezitting, eigendom — van κτάομαι (ktaomai) = verwerven; "have" is verouderd voor "bezitting"
1 En een zekere man, genaamd Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een bezitting;
SV2 En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.
Grieks νοσφίζω (nosphizō) = achterhouden, verduisteren — hetzelfde woord als in LXX van Joz 7:1 (Achan); τιμή (timē) = prijs, opbrengst
Joz 7:1; Tit 2:10
2 En hield van de opbrengst achter, ook met medeweten van zijn vrouw; en bracht een bepaald deel, en legde dat aan de voeten van de apostelen.
SV3 En Petrus zeide: Ananías! waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands?
Grieks ψεύδομαι (pseudomai) = liegen — liegen tegen de Heilige Geest wordt hier gelijkgesteld met liegen tegen God (vers 4), wat de goddelijkheid van de Geest bevestigt
Joh 13:2; Hand 5:4,9
3 En Petrus zei: Ananias! Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat u tegen de Heilige Geest zou liegen, en van de opbrengst van het land zou achterhouden?
SV4 Zo het gebleven ware, bleef het niet uw; en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.
Grieks ἐξουσία (exousia) = macht, bevoegdheid — het bezit en de opbrengst waren vrijwillig, de zonde was het bedrog
Hand 4:34-37
4 Als het onverkocht was gebleven, bleef het niet van u? En toen het verkocht was, was het niet in uw macht? Waarom hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.
SV5 En Ananías, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.
Grieks ἐξέψυξεν (exepsyxen) = hij gaf de geest, hij blies de laatste adem uit — alleen in Handelingen gebruikt (5:5, 5:10, 12:23)
Hand 5:10-11; Num 16:31-35
5 En Ananias, toen hij deze woorden hoorde, viel neer en gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen die dit hoorden.
SV6 En de jongelingen, opstaande, legden hem samen, en droegen hem uit, en begroeven hem.
6 En de jonge mannen stonden op, wikkelden hem in, en droegen hem naar buiten, en begroeven hem.
SV7 En het was omtrent drie uren daarna, dat zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was.
7 En het gebeurde ongeveer drie uur later, dat zijn vrouw binnenkwam, niet wetend wat er gebeurd was.
SV8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.
8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel.
SV9 En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd, den Geest des Heeren te verzoeken? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.
Grieks συμφωνέω (symphōneō) = overeenstemmen, afspreken — ons woord "symfonie"; πειράζω (peirazō) = verzoeken, op de proef stellen — de Geest van de Heer uitdagen
Deut 6:16; Mat 4:7
9 En Petrus zei tegen haar: Waarom bent u overeengekomen om de Geest van de Heer te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man begraven hebben, zijn bij de deur, en zullen u naar buiten dragen.
SV10 En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen, ingekomen zijnde, vonden haar dood, en droegen haar uit, en begroeven haar bij haar man.
10 En zij viel onmiddellijk neer aan zijn voeten, en gaf de geest. En de jonge mannen kwamen binnen, vonden haar dood, en droegen haar naar buiten, en begroeven haar bij haar man.
SV11 En er kwam grote vrees over de gehele gemeente, en over allen, die dit hoorden.
Grieks ἐκκλησία (ekklēsia) = gemeente, vergadering — eerste gebruik van dit woord in Handelingen; hier de hele christelijke gemeenschap in Jeruzalem
Hand 2:43; 19:17
11 En er kwam grote vrees over de hele gemeente, en over allen die dit hoorden.
SV12 En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Sálomo.
Grieks στοὰ Σολομῶντος (stoa Solomōntos) = zuilengang van Salomo — een overdekte galerij aan de oostkant van de tempel; "voorhof" is onnauwkeurig
Hand 2:43; 3:11; Joh 10:23
12 En er geschiedden door de handen van de apostelen vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eensgezind in de zuilengang van Salomo.
SV13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen te voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
SV14 En er werden meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen.
Hand 2:47; 6:7; 11:24
14 En er werden steeds meer toegevoegd die in de Heer geloofden, menigten van zowel mannen als vrouwen.
SV15 Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen zou beschaduwen.
Grieks κλινάριον (klinarion) = bedje, draagbaar; κράβαττος (krabattos) = ligbed, draagbaar — twee woorden voor draagbare bedden; "beddekens" is verouderd
Hand 19:11-12; Mar 6:56
15 Zodat zij de zieken naar buiten droegen op de straten, en op bedden en draagbaren legden, opdat, wanneer Petrus kwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen.
SV16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.
16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam samen naar Jeruzalem, en bracht zieken en mensen die door onreine geesten gekweld werden; en zij werden allen genezen.
SV17 En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte der Sadduceën), en werden vervuld met nijdigheid;
Grieks ζῆλος (zēlos) = jaloezie, naijver — niet "nijdigheid" maar jaloezie op het succes van de apostelen; αἵρεσις (hairesis) = partij, sekte — niet per se negatief
Hand 4:1-3
17 En de hogepriester stond op, en allen die met hem waren (namelijk de partij van de Sadduceeën), en zij werden vervuld met jaloezie;
SV18 En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemene gevangenis.
Grieks δημοσία (dēmosia) = openbaar, publiek — de openbare gevangenis, niet een privécel; "gemene" in de zin van "algemene" is verouderd
18 En zij sloegen de handen aan de apostelen, en zetten hen in de openbare gevangenis.
SV19 Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde hen uit, en zeide:
Hand 12:7-10; 16:26
19 Maar een engel van de Heer opende 's nachts de deuren van de gevangenis, en leidde hen naar buiten, en zei:
SV20 Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.
Grieks ῥήματα τῆς ζωῆς ταύτης (rhēmata tēs zōēs tautēs) = woorden van dit leven — het evangelie als boodschap van leven
Joh 6:63,68
20 Ga heen, en sta, en spreek in de tempel tot het volk al de woorden van dit leven.
SV21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij des morgens vroeg in den tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den raad tezamen, en al de oudsten der kinderen Israëls, en zonden naar den kerker, om hen te halen.
Grieks γερουσία (gerousia) = raad van ouderen, senaat — naast het Sanhedrin ook de ouderlingen van Israël; benadrukt de volle vergadering
21 Toen zij dat gehoord hadden, gingen zij 's morgens vroeg de tempel in, en onderwezen. Maar de hogepriester en zij die met hem waren, kwamen bijeen en riepen de Raad samen, en al de ouderlingen van de kinderen van Israël, en zonden dienaars naar de gevangenis om hen te halen.
SV22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet; en keerden weder, en boodschapten,
22 Maar toen de dienaars daar kwamen, vonden zij hen niet in de gevangenis; en zij keerden terug en berichtten:
SV23 Zeggende: Wij vonden den kerker wel met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.
Grieks ἀσφάλεια (asphaleia) = zekerheid, veiligheid — "verzekerdheid" vervangen door "zorgvuldigheid"
23 En zeiden: Wij vonden de gevangenis wel met alle zorgvuldigheid afgesloten, en de bewakers buiten voor de deuren staan; maar toen wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.
SV24 Toen nu de overste des tempels, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat dit toch worden zou.
24 Toen de hoofdman van de tempel en de overpriesters deze woorden hoorden, waren zij in verlegenheid over hen, wat dit toch zou worden.
SV25 En er kwam iemand, en boodschapte hun, zeggende: Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel, en leren het volk.
25 En er kwam iemand die hun berichtte: Zie, de mannen die u in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel en onderwijzen het volk.
SV26 Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld; want zij vreesden het volk, dat zij niet gestenigd zouden worden.
26 Toen ging de hoofdman erheen met de dienaren, en bracht hen mee, maar niet met geweld; want zij waren bevreesd voor het volk, dat zij gestenigd zouden worden.
SV27 En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor den raad; en de hogepriester vraagde hun,
27 En toen zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de Raad; en de hogepriester ondervroeg hen,
SV28 Zeggende: Hebben wij u niet ernstig aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen.
Grieks παραγγελίᾳ παρηγγείλαμεν (parangelia parēngeilamen) = met een bevel hebben wij bevolen — Hebraïsme voor nadruk; "ernstig aangezegd" vervangen door "nadrukkelijk bevolen"
Mat 27:25; Hand 4:18
28 En zei: Hebben wij u niet nadrukkelijk bevolen dat u in deze Naam niet zou onderwijzen? En zie, u hebt Jeruzalem vervuld met uw leer, en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen.
SV29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.
Grieks πειθαρχέω (peitharcheō) = gehoorzamen — van πείθω (peithō) = overtuigen + ἀρχή (archē) = gezag; gehoorzamen aan het hoogste gezag
Hand 4:19; Dan 3:18
29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzaam zijn dan de mensen.
SV30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.
Grieks ξύλον (xylon) = hout, boom — verwijzing naar Deut 21:22-23; het kruis als vervloekt hout
Deut 21:22-23; Gal 3:13; 1 Petr 2:24
30 De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt door Hem aan het hout te hangen.
SV31 Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Grieks ἀρχηγός (archēgos) = Vorst, Leidsman, Grondlegger — Christus als aanvoerder; σωτήρ (sōtēr) = Heiland, Redder — "Zaligmaker" vervangen door "Heiland"
Hand 2:33; 3:15; Heb 2:10; 12:2
31 Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Heiland, om Israël bekering te geven en vergeving van zonden.
SV32 En wij zijn Zijn getuigen van deze dingen; en ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn.
Joh 15:26-27; Hand 1:8
32 En wij zijn Zijn getuigen van deze dingen; en ook de Heilige Geest, Die God gegeven heeft aan hen die Hem gehoorzaam zijn.
SV33 Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden.
Grieks διαπρίω (diapriō) = doormidden zagen, verscheuren — figuurlijk: woedend worden, het hart verscheurd; "barstte hun het hart" vervangen door "werden zij woedend"
33 Toen zij dit hoorden, werden zij woedend, en zij overlegden om hen te doden.
SV34 Maar een zeker Farizeeër stond op in den raad, met name Gamaliël, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou buiten stellen.
Grieks νομοδιδάσκαλος (nomodidaskalos) = leraar van de wet — Gamaliël I, kleinzoon van Hillel, een van de meest gerespecteerde rabbijnen
Hand 22:3
34 Maar er stond iemand op in de Raad, een Farizeeër, genaamd Gamaliël, een leraar van de wet, geëerd bij heel het volk, en hij beval dat men de apostelen even buiten zou zetten.
SV35 En hij zeide tot hen: Gij Israëlitische mannen! ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen.
35 En hij zei tegen hen: Mannen van Israël! Let op wat u doen zult met deze mensen.
SV36 Want vóór deze dagen stond Theúdas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.
Grieks διελύθησαν (dielythēsan) = uiteengedreven, ontbonden — het volledige uiteenvallen van de beweging
36 Want vóór deze dagen stond Theudas op, die beweerde dat hij iemand was, bij wie een aantal van ongeveer vierhonderd mannen zich aansloot; hij is gedood, en allen die hem volgden, zijn uiteengedreven en tot niets geworden.
SV37 Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen der beschrijving, en maakte veel volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid.
Grieks ἀπογραφή (apographē) = inschrijving, volkstelling — de volkstelling van Quirinius in 6 n.Chr.; "beschrijving" vervangen door "volkstelling"
37 Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen van de volkstelling, en maakte veel volk afvallig achter zich; en ook hij is omgekomen, en allen die hem volgden, zijn verstrooid.
SV38 En nu zeg ik u: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.
Grieks βουλή (boulē) = voornemen, raadsbesluit; ἔργον (ergon) = werk — Gamaliëls wijze raad: laat God oordelen
Jes 8:10; Spr 21:30
38 En nu zeg ik u: Houd u afzijdig van deze mensen, en laat hen gaan; want als dit voornemen of dit werk uit mensen is, dan zal het afgebroken worden.
SV39 Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.
Hand 23:9; 2 Kron 13:12
39 Maar als het uit God is, dan kunt u het niet afbreken; opdat u niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.
SV40 En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelve, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in den Naam van Jezus; en lieten hen gaan.
40 En zij lieten zich door hem overtuigen; en nadat zij de apostelen bij zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan.
SV41 Zij dan gingen heen van het aangezicht des raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geworden, om Zijns Naams wil smaadheid te lijden.
Grieks κατηξιώθησαν ἀτιμασθῆναι (katēxiōthēsan atimasthēnai) = waardig geacht werden oneer te lijden — paradox: eer om onteerd te worden omwille van Christus
Mat 5:11-12; Fil 1:29; 1 Petr 4:13
41 Zij dan gingen weg uit de Raad, verblijd dat zij waardig geacht waren om omwille van Zijn Naam smaadheid te lijden.
SV42 En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.
Hand 2:46; 4:20
42 En zij hielden niet op, elke dag, in de tempel en in de huizen, te onderwijzen en Jezus Christus te verkondigen.