Handelingen 4
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
37 verzen, 37 met wijzigingen
Petrus en Johannes voor de Raad
SV1 En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman des tempels, en de Sadducéën;
Grieks στρατηγός τοῦ ἱεροῦ (stratēgos tou hierou) = hoofdman/bevelhebber van de tempel — de op één na hoogste functionaris na de hogepriester, verantwoordelijk voor de tempelwacht
1 En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen de priesters, en de hoofdman van de tempel, en de Sadduceeën op hen af;
SV2 Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden.
Grieks διαπονέομαι (diaponeomoi) = zeer ontstemd zijn, geërgerd zijn — sterker dan alleen "ontevreden"; καταγγέλλω (katangellō) = verkondigen, bekendmaken
2 Zeer ontstemd, omdat zij het volk onderwezen, en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden.
SV3 En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond.
3 En zij sloegen de handen aan hen, en zetten hen in bewaring tot de volgende dag; want het was al avond.
SV4 En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.
Grieks ἀνήρ (anēr) = man — het getal van vijfduizend betreft alleen de mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend
4 En velen van hen die het woord gehoord hadden, geloofden; en het aantal mannen werd ongeveer vijfduizend.
SV5 En het geschiedde des anderen daags, dat hun oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden;
Grieks ἄρχοντες (archontes) = leiders, oversten — leden van het Sanhedrin; "oversten" vervangen door "leiders"
5 En het gebeurde de volgende dag, dat hun leiders en ouderlingen en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeenkwamen;
SV6 En Annas, de hogepriester, en Kájafas, en Johannes, en Alexander, en zovelen als er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
6 En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en allen die van het hogepriesterlijk geslacht waren.
SV7 En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan?
7 En toen zij hen in het midden hadden geplaatst, vroegen zij: Door welke kracht, of door welke naam hebt u dit gedaan?
SV8 Toen zeide Petrus, vervuld met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israël!
Luk 12:11-12; 21:15
8 Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tegen hen: Leiders van het volk en ouderlingen van Israël!
SV9 Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied, waardoor hij gezond geworden is;
Grieks ἀνακρίνω (anakrinō) = ondervragen, onderzoeken — juridische term voor een gerechtelijk verhoor; εὐεργεσία (euergesia) = weldaad, goede daad
9 Als wij vandaag ondervraagd worden over de weldaad aan een ziek mens bewezen, waardoor hij genezen is;
SV10 Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk van Israël, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, Dien gij gekruisigd hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.
Grieks ὑγιής (hygiēs) = gezond, heel — het woord waarvan ons "hygiëne" afkomt
10 Laat het dan u allen bekend zijn, en heel het volk van Israël, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruisigd hebt, Die God uit de doden heeft opgewekt, dat door Hem deze hier gezond voor u staat.
SV11 Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.
Grieks κεφαλὴ γωνίας (kephalē gōnias) = hoofd van de hoek, hoeksteen — citaat uit Ps 118:22; de steen die de bouwers verwierpen werd de belangrijkste steen
11 Deze is de Steen, Die door u, de bouwers, veracht is, Die tot een hoeksteen geworden is.
SV12 En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.
Grieks σωτηρία (sōtēria) = behoudenis, redding, heil — "zaligheid" vervangen door "behoudenis" als nauwkeuriger voor de volle verlossing; δεῖ (dei) = het is nodig, men moet — goddelijke noodzaak
12 En de redding is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, waardoor wij gered moeten worden.
SV13 Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.
Grieks παρρησία (parrēsia) = vrijmoedigheid, openhartigheid — de moed om vrijuit te spreken; ἀγράμματοι (agrammatoi) = ongeletterd, zonder formele opleiding — niet "dom" maar zonder rabbijnse scholing; ἰδιῶται (idiōtai) = gewone mensen, leken
13 Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen, en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen dat zij met Jezus geweest waren.
SV14 En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.
14 En daar zij de mens bij hen zagen staan die genezen was, hadden zij er niets tegen in te brengen.
SV15 En hun geboden hebbende, dat zij buiten den raad zouden gaan, overlegden zij met elkander,
15 En nadat zij hun bevolen hadden buiten de Raad te gaan, overlegden zij met elkaar,
SV16 Zeggende: Wat zullen wij dezen mensen doen? want dat er een bekend teken door hen geschied is, is openbaar aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen.
Grieks γνωστὸν σημεῖον (gnōston sēmeion) = een duidelijk/bekend teken — niet te ontkennen wonderteken
16 En zeiden: Wat zullen wij met deze mensen doen? Want dat er een duidelijk teken door hen verricht is, is bekend aan allen die in Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet ontkennen.
SV17 Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in dezen Naam spreken.
Grieks ἀπειλή (apeilē) = dreiging, bedreiging — de Raad kiest voor intimidatie omdat zij het wonder niet kunnen ontkennen
17 Maar laten wij, opdat het niet nog verder onder het volk verspreid wordt, hen streng dreigen dat zij tot geen mens meer in deze Naam spreken.
SV18 En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus.
18 En nadat zij hen geroepen hadden, geboden zij hun dat zij in het geheel niet zouden spreken, noch onderwijzen, in de Naam van Jezus.
SV19 Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God.
Grieks κρίνατε (krinate) = oordeel — imperativus: Petrus legt de verantwoordelijkheid bij het Sanhedrin zelf; δίκαιον (dikaion) = recht, rechtvaardig
19 Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tegen hen: Oordeel zelf of het recht is voor God, naar u meer te luisteren dan naar God.
SV20 Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
20 Want wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben.
SV21 Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was.
21 Maar zij bedreigden hen nog meer, en lieten hen gaan, omdat zij niets vonden om hen te straffen, vanwege het volk; want allen verheerlijkten God over wat er gebeurd was.
SV22 Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.
22 Want de mens aan wie dit teken van genezing verricht was, was meer dan veertig jaar oud.
Het gebed van de gemeente
SV23 En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden alles, wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.
23 En nadat zij losgelaten waren, gingen zij naar de hunnen, en berichtten alles wat de overpriesters en de ouderlingen tegen hen gezegd hadden.
SV24 En als dezen dat gehoord hadden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die daarin zijn;
Grieks δεσπότης (despotēs) = Heer, Meester, Soeverein — sterker dan κύριος; benadrukt Gods absolute heerschappij als Schepper
24 En toen zij dat gehoord hadden, verhieven zij eensgezind hun stem tot God en zeiden: Heer! U bent de God Die de hemel en de aarde en de zee gemaakt heeft, en alles wat daarin is;
SV25 Die door den mond van David, Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
Grieks ἔθνη (ethnē) = heidenvolken, naties — citaat uit Ps 2:1-2; "heidenen" vervangen door "heidenvolken" voor duidelijkheid
25 Die bij monde van David, Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenvolken, en bedenken de volken lege dingen?
SV26 De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
26 De koningen van de aarde hebben zich opgesteld, en de leiders zijn bijeengekomen tegen de Heer en tegen Zijn Gezalfde.
SV27 Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken van Israël;
Grieks παῖς (pais) = kind, knecht, dienaar — titel voor Jezus als de Dienaar van God; verwijst naar de lijdende Knecht uit Jesaja
27 Want in waarheid zijn tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, bijeengekomen: Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenvolken en de volken van Israël;
SV28 Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.
Grieks βουλή (boulē) = raadsbesluit, plan — Gods soevereine besluit dat van tevoren vastgesteld was; "raad" vervangen door "raadsbesluit" voor duidelijkheid
28 Om alles te doen wat Uw hand en Uw raadsbesluit van tevoren bepaald had dat geschieden zou.
SV29 En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
29 En nu dan, Heer, zie op hun bedreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
SV30 Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.
30 Doordat U Uw hand uitstrekt tot genezing, en tekenen en wonderen geschieden door de Naam van Uw heilig Kind Jezus.
SV31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.
Grieks ἐσαλεύθη (esaleuthē) = werd bewogen, geschud — aoristus passief; een fysiek teken van Gods antwoord op het gebed
31 En toen zij gebeden hadden, werd de plaats waar zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.
De gemeenschap van goederen
SV32 En de menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen.
Grieks καρδία καὶ ψυχὴ μία (kardia kai psychē mia) = één hart en één ziel — uitdrukking voor volkomen eenheid; κοινά (koina) = gemeenschappelijk — vrijwillig delen, geen gedwongen communisme
32 En de menigte van hen die geloofden, was één van hart en één van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat zijn eigendom was, maar alle dingen hadden ze gemeenschappelijk.
SV33 En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
33 En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus; en er was grote genade over hen allen.
SV34 Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden die aan de voeten der apostelen.
Grieks κτήτωρ (ktētōr) = eigenaar, bezitter — het verkopen was vrijwillig (vgl. Hand 5:4); τιμή (timē) = prijs, waarde, opbrengst
34 Want er was ook niemand onder hen die gebrek had; want allen die eigenaars waren van landerijen of huizen, verkochten die, en brachten de opbrengst van het verkochte, en legden die aan de voeten van de apostelen.
SV35 En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naardat elk van node had.
35 En aan ieder werd uitgedeeld naar wat hij nodig had.
SV36 En Józes, die van de apostelen toegenaamd was Bárnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,
Grieks υἱὸς παρακλήσεως (huios paraklēseōs) = zoon van vertroosting/bemoediging — παράκλησις kan zowel vertroosting als bemoediging betekenen
36 En Joses, die door de apostelen Barnabas genoemd werd (wat vertaald is: zoon van vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,
SV37 Alzo hij een akker had, verkocht dien, en bracht het geld, en legde het aan de voeten der apostelen.
37 Daar hij een akker had, verkocht hij die, en bracht het geld en legde het aan de voeten van de apostelen.