Handelingen 2
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
47 verzen, 46 met wijzigingen
De uitstorting van de Heilige Geest
SV1 En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
Hand 1:14; Lev 23:15-16
1 En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen bijeen.
SV2 En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
Grieks ἄφνω = plotseling — "haastelijk" is verouderd; πνοῆς βιαίας = krachtige windvlaag
2 En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een krachtige windvlaag, en het vervulde het hele huis waar zij zaten.
SV3 En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
3 En aan hen werden verdeelde tongen gezien, als van vuur, en het zat op ieder van hen.
SV4 En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Grieks ἀποφθέγγεσθαι = luid en plechtig uitspreken — een bijzonder werkwoord dat geïnspireerde uitspraak aanduidt
4 En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
SV5 En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.
5 En er waren Joden die in Jeruzalem woonden, godvrezende mannen uit elk volk onder de hemel.
SV6 En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
Grieks συνεχύθη = in verwarring gebracht — "beroerd" is verouderd in deze betekenis
6 En toen dit geluid geklonken had, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
SV7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléërs?
7 En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zeiden tegen elkaar: Zie, zijn niet allen die daar spreken, Galileërs?
SV8 En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
8 En hoe horen wij hen, ieder in onze eigen taal waarin wij geboren zijn?
SV9 Parthers, en Méders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotámië, en Judéa, en Cappadócië, Pontus en Azië;
9 Parthen, en Meden, en Elamieten, en de inwoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, Pontus en Azië,
SV10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de delen van Libië dat bij Cyrene ligt, en de Romeinen die hier verblijven, zowel Joden als Jodengenoten,
SV11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken.
SV12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?
Grieks διηπόρουν = in verlegenheid zijn, niet weten wat te denken — "twijfelmoedig" is verouderd
12 En zij waren allen buiten zichzelf en in verlegenheid, en zeiden de een tegen de ander: Wat wil dit toch zijn?
SV13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
Grieks γλεύκους = nieuwe/zoete wijn — een gegiste, maar zoet smakende wijn
13 Maar anderen zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.
De toespraak van Petrus
SV14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
14 Maar Petrus stond op met de elf en verhief zijn stem en sprak tegen hen: Joodse mannen, en u allen die in Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en neem mijn woorden ter ore.
SV15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag.
15 Want dezen zijn niet dronken, zoals u vermoedt; want het is pas het derde uur van de dag.
SV16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël:
Joël 2:28-32
16 Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël:
SV17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
Grieks ὁράσεις = visioenen — "gezichten" in de SV is verouderd voor "visioen"
17 En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen visioenen zien, en uw ouderen zullen dromen dromen.
SV18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
18 En ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
SV19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookdamp.
SV20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
Grieks ἐπιφανῆ = luisterrijk, glorieus — "doorluchtige" is verouderd; citaat uit Joël 2:31 waar het Hebreeuws יהוה (YHWH) heeft
20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat de grote en glorierijke dag van de Heer komt.
SV21 En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
Grieks σωθήσεται = gered worden — "zalig worden" is verouderd (zie hertaalregels); citaat Joël 2:32
21 En het zal zijn dat ieder die de Naam van de Heer zal aanroepen, gered zal worden.
SV22 Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
Grieks ἀποδεδειγμένον = aangewezen, bewezen — "betoond" is verouderd
22 Israëlietische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man door God aan u bewezen door krachten en wonderen en tekenen, die God door Hem gedaan heeft in uw midden, zoals u ook zelf weet;
SV23 Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
Hand 4:28; 1 Petr 1:20
23 Hem, Die door de vastgestelde raad en voorkennis van God overgegeven is, hebt u genomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis genageld en gedood;
SV24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
Grieks ὠδῖνας = weeën, barensnood — een metafoor van geboorte, sterker dan "smarten"; de dood kon Christus niet vasthouden
24 Die God opgewekt heeft, nadat Hij de weeën van de dood had ontbonden, omdat het niet mogelijk was dat Hij door de dood vastgehouden zou worden.
SV25 Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde.
Ps 16:8-11
25 Want David zegt over Hem: Ik zag de Heer altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou.
SV26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
26 Daarom is mijn hart verblijd en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hoop;
SV27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien.
Grieks ᾅδην = Hades, het dodenrijk — niet "hel" (Gehenna); διαφθοράν = ontbinding, verval van het lichaam — "verderving" is verouderd
27 Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten, en U zult Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.
SV28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
Grieks εὐφροσύνης = vreugde, blijdschap — "verheuging" is verouderd
28 U hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; U zult mij vervullen met vreugde in Uw aanwezigheid.
SV29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
29 Mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tegen u te spreken over de patriarch David, dat hij zowel gestorven als begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.
SV30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
Nestle-Aland laat "zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou" weg — de SV volgt de langere TR-lezing; Grieks ὀσφύος = lendenen
30 Omdat hij dan een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had, dat Hij uit de vrucht van zijn lendenen, wat het vlees betreft, de Christus zou verwekken om Hem op zijn troon te zetten;
SV31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
Ps 16:10
31 heeft hij, dit voorziende, gesproken over de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in het dodenrijk, en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.
SV32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
32 Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
SV33 Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
33 Hij dan, verhoogd aan de rechterhand van God, en de belofte van de Heilige Geest ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort.
SV34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand.
Citaat Ps 110:1 — eerste κύριος = Jahweh (Hebreeuws יהוה), tweede κυρίῳ μου = mijn Heer (Hebreeuws אדני, Adonai)
34 Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heer heeft gezegd tegen mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand,
SV35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
35 totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten.
SV36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
Hand 5:31; Fil 2:9-11
36 Laat dan het hele huis van Israël zeker weten dat God Hem tot Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.
De eerste bekeerlingen
SV37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
Grieks κατενύγησαν = doorboord, diep getroffen in het hart — sterker dan "verslagen"
37 En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt, en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?
SV38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Lk 24:47; Hand 3:19
38 En Petrus zei tegen hen: Bekeer u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
SV39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
Jes 57:19; Ef 2:13
39 Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen, en voor allen die ver weg zijn, zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zal.
SV40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
Grieks Σώθητε = word gered — "wordt behouden" is verouderd; σκολιᾶς = verdorven, krom — sterker dan "verkeerd"
40 En met veel meer andere woorden getuigde hij en vermaande hen en zei: Laat u redden van dit verdorven geslacht!
SV41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
41 Zij dan die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen aan hen toegevoegd.
Het leven van de eerste gemeente
SV42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
Hand 20:7
42 En zij volhardden in het onderwijs van de apostelen, en in de gemeenschap, en in het breken van het brood, en in de gebeden.
SV43 En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
43 En er kwam vrees over elke ziel; en vele wonderen en tekenen gebeurden door de apostelen.
SV44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
Hand 4:32-35
44 En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk;
SV45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
Grieks ὑπάρξεις = bezittingen — "have" is verouderd
45 En zij verkochten hun bezittingen en goederen, en verdeelden die aan allen, naardat ieder nodig had.
SV46 En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;
Grieks ἀγαλλιάσει = vreugde, jubel; ἀφελότητι = eenvoud, oprechtheid — "verheuging" en "eenvoudigheid" zijn verouderd
46 En zij waren dagelijks eensgezind in de tempel, en braken van huis tot huis brood, en aten samen met vreugde en oprechtheid van hart,
SV47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
Grieks σῳζομένους = die gered werden (tegenwoordige tijd, voortdurend proces) — "zalig worden" is verouderd
47 en prezen God, en hadden genade bij het hele volk. En de Heer voegde dagelijks aan de gemeente toe die gered werden.