Genesis 3
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
24 verzen, 24 met wijzigingen
SV1 De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?
Hebreeuws ערום (arum) = listig, sluw — woordspel met ערום (arom) = naakt in Gen 2:25; de slang is het tegendeel van de naakte onschuld
Gen 2:16-17; Openb 12:9; 20:2
1 De slang nu was listiger dan alle dieren van het veld die Jahweh God gemaakt had; en zij zei tegen de vrouw: Heeft God echt gezegd: Jullie zullen niet eten van alle bomen van de hof?
SV2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;
2 En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen van deze hof zullen wij eten;
SV3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.
3 Maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof is, heeft God gezegd: U zult daarvan niet eten en die niet aanraken, opdat u niet sterft.
SV4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;
Hebreeuws לא מות תמתון (lo mot temutun) = niet sterven zullen jullie sterven — infinitivus absolutus als versterking, net als in Gen 2:17; de slang ontkent Gods waarschuwing rechtstreeks
4 Toen zei de slang tegen de vrouw: Jullie zullen zeker niet sterven;
SV5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.
Hebreeuws כאלהים (ke'elohim) = als God — dezelfde meervoudsvorm als in Gen 1:26; het gaat om goddelijke kennis van goed en kwaad
5 Maar God weet dat op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en u zult als God zijn, goed en kwaad kennend.
SV6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.
Rom 5:12; 1 Tim 2:14; Jak 1:14-15
6 En de vrouw zag dat die boom goed was tot voedsel, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.
SV7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.
Gen 2:25
7 Toen werden de ogen van hen beiden geopend, en zij beseften dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgenbladeren samen en maakten zich schorten.
SV8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.
Hebreeuws לרוח היום (leruach hayom) = letterlijk "in de wind van de dag" — de koelte van de avondwind; מתהלך (mithallekh) = wandelend, heen en weer gaand (hitpa'el)
8 En zij hoorden de stem van Jahweh God, die wandelde in de hof, in de koelte van de dag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor Jahweh God, te midden van het geboomte van de hof.
SV9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?
9 En Jahweh God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?
SV10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
10 En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
SV11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?
11 En Hij zei: Wie heeft u te kennen gegeven dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u gebood dat u daarvan niet zou eten?
SV12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.
12 Toen zei Adam: De vrouw die U bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven, en ik heb gegeten.
SV13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.
2 Kor 11:3; 1 Tim 2:14
13 En Jahweh God zei tegen de vrouw: Wat hebt u gedaan? En de vrouw zei: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.
SV14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.
14 Toen zei Jahweh God tegen de slang: Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt boven al het vee en boven alle dieren van het veld! Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.
SV15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.
Hebreeuws שוף (shuf) = vermorzelen — het protoevangelium (eerste belofte van verlossing); "haar zaad" wijst profetisch naar één nakomeling; het Hebreeuwse הוא (hu) is mannelijk enkelvoud
Rom 16:20; Gal 4:4; Hebr 2:14; Openb 12:17
15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dat zal u de kop vermorzelen, en u zult het de hiel vermorzelen.
SV16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.
Hebreeuws עצבון (itstsavon) = smart, moeite — zware inspanning als gevolg van de vloek; תשוקה (teshuqah) = begeerte, verlangen — vgl. Gen 4:7 waar zonde dezelfde "begeerte" naar Kaïn heeft
16 Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw smart zeer vermeerderen, namelijk uw zwangerschap; met smart zult u kinderen baren; en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen.
SV17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.
Gen 2:17; Rom 8:20-22
17 En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u gebood en zei: U zult daarvan niet eten; is de aardbodem omwille van u vervloekt; met smart zult u daarvan eten al de dagen van uw leven.
SV18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.
18 Ook zal het u dorens en distels voortbrengen, en u zult het gewas van het veld eten.
SV19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.
Gen 2:7; Pred 12:7; Ps 104:29
19 In het zweet van uw aangezicht zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
SV20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.
Hebreeuws חוה (Chavvah) verwant aan חי (chai) = leven — de SV heeft "Heva"; in modern Nederlands: Eva
20 En Adam noemde de naam van zijn vrouw Eva, omdat zij de moeder van alle levenden is.
SV21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.
Hebreeuws כתנות עור (kotnot or) = tunieken van huid/vel — God bekleedt de mens na de zondeval; "rokken" en "toog...aan" zijn verouderd
21 En Jahweh God maakte voor Adam en zijn vrouw kleding van vellen en kleedde hen daarmee.
SV22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.
Hebreeuws כאחד ממנו (ke'achad mimmennu) = als een van Ons — vergelijkbaar met de pluralisvorm in Gen 1:26 "Laten Wij maken"
Gen 2:9; Openb 2:7; 22:2, 14
22 Toen zei Jahweh God: Zie, de mens is geworden als een van Ons, goed en kwaad kennend! Laat hij nu niet zijn hand uitstrekken en ook nemen van de levensboom, en eten, en voor eeuwig leven.
SV23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.
Gen 2:15
23 Zo zond Jahweh God hem weg uit de hof van Eden, om de aardbodem te bewerken waaruit hij genomen was.
SV24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.
Hebreeuws כרובים (keruvim) = cherubs — gevleugelde hemelse wezens die Gods heiligheid bewaken (vgl. Ex 25:18-22; Ez 10); להט החרב המתהפכת (lahat hacherev hammithappeket) = vlam van het wentelende zwaard
Gen 2:8-9; Openb 22:14
24 En Hij verdreef de mens en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs, en een vlammend zwaard dat heen en weer bewoog, om de weg naar de levensboom te bewaken.