Genesis 2

Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
25 verzen, 24 met wijzigingen

De zevende dag: God rust

SV1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.
Hebreeuws צבאם (tseba'am) = hun legermacht/menigte — verwijst naar alles wat hemel en aarde bevat; "heir" is verouderd
1 Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.
SV2 Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.
Ex 20:11; 31:17; Hebr 4:4
2 Toen God op de zevende dag Zijn werk voltooid had dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk dat Hij gemaakt had.
SV3 En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.
3 En God zegende de zevende dag en heiligde die; omdat Hij daarop gerust had van al Zijn werk dat God geschapen had om te maken.

De schepping van de mens

SV4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.
Hebreeuws תולדות (toledot) = ontstaansgeschiedenis, generaties — een structurerend begrip in Genesis; "geboorten" is misleidend
4 Dit is de ontstaansgeschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden; op de dag dat Jahweh God de aarde en de hemel maakte.
SV5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.
Hebreeuws לעבד (la'avod) = bewerken, dienen — "bouwen" in de SV is hier misleidend; het gaat om het bewerken van de grond
5 En alle struiken van het veld, voordat zij op de aarde waren, en al het gewas van het veld, voordat het uitsproot; want Jahweh God had het niet laten regenen op de aarde, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken.
SV6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den gansen aardbodem.
6 Maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde heel de aardbodem.
SV7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
Hebreeuws נפש חיה (nefesh chayyah) = levend wezen — dezelfde uitdrukking als bij de dieren in Gen 1:20,24; יצר (yatsar) = vormen, boetseren (als een pottenbakker)
7 En Jahweh God vormde de mens uit het stof van de aardbodem, en blies in zijn neusgaten de levensadem; zo werd de mens tot een levend wezen.

De hof van Eden

SV8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.
8 Ook had Jahweh God een hof geplant in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens die Hij gevormd had.
SV9 En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en den boom der kennis des goeds en des kwaads.
Hebreeuws עץ הדעת טוב ורע (ets hadda'at tov wara) = de boom van de kennis van goed en kwaad — דעת (da'at) = ervaringskennis, niet louter verstandelijke kennis
9 En Jahweh God had alle geboomte uit de aardbodem doen uitspruiten, begeerlijk om te zien en goed tot voedsel; en de levensboom in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.
SV10 En een rivier was voortgaande uit Eden, om dezen hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden.
Hebreeuws ראשים (rashim) = hoofden/beginpunten — hier: hoofdstromen of rivierarmen
10 En een rivier ging uit van Eden om deze hof te bevloeien; en van daar werd zij verdeeld en werd tot vier stromen.
SV11 De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havíla omloopt, waar het goud is.
11 De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het die het hele land Havila omstroomt, waar het goud is.
SV12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedólah, en de steen sardónix.
Hebreeuws שהם (shoham) = waarschijnlijk onyx — de exacte identificatie is onzeker; "sardonix" in de SV is een andere interpretatie
12 En het goud van dat land is goed; daar is ook bdellium en de onyx-steen.
SV13 En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cusch omloopt.
13 En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het die het hele land Cusj omstroomt.
SV14 En de naam der derde rivier is Hiddékel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
Hebreeuws חדקל (Chiddeqel) = Tigris; פרת (Perat) = Eufraat — de twee bekende Mesopotamische rivieren
14 En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze stroomt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.

Het gebod in de hof

SV15 Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
Gen 3:23
15 Zo nam Jahweh God de mens en plaatste hem in de hof van Eden, om die te bewerken en te bewaren.
SV16 En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;
16 En Jahweh God gebood de mens en zei: Van alle bomen van deze hof mag u vrij eten;
SV17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.
Hebreeuws מות תמות (mot tamut) = sterven zult u sterven — infinitivus absolutus, een Hebreeuwse versterking; "den dood sterven" → "zeker sterven" is duidelijker
17 Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.

De schepping van de vrouw

SV18 Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.
Hebreeuws עזר כנגדו (ezer kenegdo) = een helper als zijn tegenhanger — כנגדו betekent letterlijk "tegenover hem", d.w.z. een gelijkwaardige partner; "hulpe die als tegen hem over zij" is verouderd
18 Ook had Jahweh God gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal hem een helper maken die tegenover hem staat
SV19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.
19 Want toen Jahweh God uit de aarde alle dieren van het veld en alle vogels van de hemel gevormd had, bracht Hij die naar Adam, om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, dat zou zijn naam zijn.
SV20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.
20 Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels van de hemel en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen helper die tegenover hem was.
SV21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.
Hebreeuws תרדמה (tardemah) = diepe slaap, verdoving — een door God opgelegde bewusteloosheid (vgl. Gen 15:12); צלע (tsela) = rib of zijde
21 Toen liet Jahweh God een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats toe met vlees.
SV22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.
Hebreeuws ויבן (wayyiben) = en hij bouwde — het werkwoord בנה (banah) = bouwen; God "bouwt" de vrouw als een zorgvuldig ontwerp, niet als een bijproduct
22 En Jahweh God bouwde de rib die Hij van Adam genomen had tot een vrouw, en Hij bracht haar naar Adam.
SV23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.
Woordspel — Hebreeuws אשה (ishah = vrouw) klinkt als afgeleid van איש (ish = man); de SV geeft dit weer als "Manninne"; in modern Nederlands is dit niet meer te vangen, maar de verwantschap man-vrouw is de kern
23 Toen zei Adam: Deze is nu been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne noemen, omdat zij uit de man genomen is.
SV24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn.
Hebreeuws ודבק (wedavaq) = zich hechten aan, vastklampen — "aankleven" is verouderd
24 Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.
SV25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.
25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, en zij schaamden zich niet.