Genesis 1
Vrije Statenvertaling — Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden
Originele SV
Aangepast woord
Vertaalkeuze o.b.v. Grieks/Hebreeuws
31 verzen, 26 met wijzigingen
De schepping van de hemel en de aarde
SV1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
Hebreeuws בראשית (bereshith) = in het begin; ברא (bara) = schiep — schepping uit het niets (creatio ex nihilo)
1 In het begin schiep God de hemel en de aarde.
SV2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.
Hebreeuws תהו ובהו (tohu wabohu) = woest en leeg, vormloos en leeg; רוח אלהים (ruach elohim) = Geest van God; מרחפת (merachefet) = zweefde, broedde
2 De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde over de wateren.
De eerste dag: licht en duisternis
SV3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
2 Kor 4:6; Ps 33:9
3 En God zei: Laat er licht zijn! En er werd licht.
SV4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
SV5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag.
De tweede dag: het gewelf
SV6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
Hebreeuws רקיע (raqia) = uitspansel, gewelf — het firmament boven de aarde
6 En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van de wateren; en laat dat scheiding maken tussen wateren en wateren!
SV7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.
7 En God maakte dat gewelf, en maakte scheiding tussen de wateren die onder het gewelf zijn, en de wateren die boven het gewelf zijn. En het was zo.
SV8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.
8 En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag.
De derde dag: land, zee en gewas
SV9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.
Hebreeuws ותראה (wettera'eh) = en laat gezien worden/tevoorschijn komen; יקוו (yiqqawu) = laat zich verzamelen
9 En God zei: Laat de wateren van onder de hemel op één plaats verzameld worden, en laat het droge tevoorschijn komen! En het was zo.
SV10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
10 En God noemde het droge aarde, en de verzameling van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.
SV11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.
Hebreeuws דשא (deshe) = groen, jong gras; תדשא (tadshè) = laat uitspruiten
11 En God zei: Laat de aarde jong gras voortbrengen, zaaddragend gewas, vruchtbaar geboomte dat vrucht draagt naar zijn aard, waarvan het zaad daarin is, op de aarde! En het was zo.
SV12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
12 En de aarde bracht jong gras voort, zaaddragend gewas naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte waarvan het zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag dat het goed was.
SV13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.
13 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag.
De vierde dag: zon, maan en sterren
SV14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!
Hebreeuws מאורת (me'orot) = lichtdragers; מועדים (mo'adim) = vastgestelde tijden, feesttijden
14 En God zei: Laat er lichten zijn aan het gewelf van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!
SV15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.
15 En laat zij tot lichten zijn aan het gewelf van de hemel, om licht te geven op de aarde! En het was zo.
SV16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.
Hebreeuws המאור הגדל (hamma'or haggadol) = het grote licht (zon); המאור הקטן (hamma'or haqqaton) = het kleine licht (maan)
16 God dan maakte die twee grote lichten: het grote licht om te heersen over de dag, en het kleine licht om te heersen over de nacht; ook de sterren.
SV17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
17 En God plaatste ze aan het gewelf van de hemel, om licht te geven op de aarde.
SV18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.
18 En om te heersen over de dag en over de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.
SV19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.
19 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag.
De vijfde dag: vissen en vogels
SV20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!
Hebreeuws נפש חיה (nefesh chayyah) = levend wezen; שרץ (sherets) = gewemel, zwerm; על פני רקיע (al-penei raqia) = langs het uitspansel
20 En God zei: Laat de wateren overvloedig een gewemel van levende wezens voortbrengen; en laat de vogels vliegen boven de aarde, langs het gewelf van de hemel!
SV21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
Hebreeuws תנינם (tanninim) = grote zeewezens/zeedieren, niet specifiek "walvissen"
21 En God schiep de grote zeedieren, en alle levende wezens die wemelen, die de wateren overvloedig voortbrachten, naar hun aard; en alle gevleugele vogels naar hun aard. En God zag dat het goed was.
SV22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
22 En God zegende hen en zei: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de wateren in de zeeën; en laat het gevogelte zich vermenigvuldigen op de aarde!
SV23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.
23 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vijfde dag.
De zesde dag: dieren en de mens
SV24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.
24 En God zei: Laat de aarde levende wezens voortbrengen, naar hun aard: vee, en kruipende dieren, en wilde dieren van de aarde, naar hun aard! En het was zo.
SV25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
25 En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun aard, en het vee naar zijn aard, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar zijn aard. En God zag dat het goed was.
SV26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
Hebreeuws נעשה (na'aseh) = "laten wij maken" — meervoudsvorm (pluralis deliberationis); צלם (tselem) = beeld; דמות (demut) = gelijkenis
26 En God zei: Laten Wij mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laat hen heersen over de vissen van de zee, en over de vogels van de hemel, en over het vee, en over heel de aarde, en over alle kruipende dieren dat op de aarde kruipt.
SV27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
Hebreeuws צלם (tselem) = beeld — de mens als beelddrager van God
27 En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
SV28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
Hebreeuws וכבשה (wekibshuha) = en onderwerp haar; רדו (redu) = heers — het cultuurmandaat
28 En God zegende hen, en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de aarde, en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, en over de vogels van de hemel, en over alle dieren die op de aarde kruipen!
Het voedsel van mens en dier
SV29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze!
spijze → voedsel (hertaalregel)
29 En God zei: Zie, Ik heb u al het zaaddragend gewas gegeven dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zij u tot voedsel!
SV30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.
Hebreeuws נפש חיה (nefesh chayyah) = levend wezen; "levende ziel" → "leven" in deze context
30 Maar aan alle dieren van de aarde, en aan alle vogels van de hemel, en aan alle kruipende dieren op de aarde, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven. En het was zo.
SV31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.
Pred 7:29; 1 Tim 4:4
31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag.