﻿<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<bible translation="Vrije Statenvertaling (Jahweh-variant)" link="https://vrijestatenvertaling.nl" status="Vrij van verouderde taal en vrij te verspreiden. Gebaseerd op de Statenvertaling (1637, publiek domein), hertaald naar hedendaags Nederlands. De Godsnaam יהוה wordt weergegeven als Jahweh.">
	<testament name="Old">
		<book number="1">
			<chapter number="1">
				<heading verse="1">De schepping van de hemel en de aarde</heading>
				<verse number="1">In het begin schiep God de hemel en de aarde.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws בראשית (bereshith) = in het begin; ברא (bara) = schiep — schepping uit het niets (creatio ex nihilo)</note>
				<verse number="2">De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde over de wateren.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws תהו ובהו (tohu wabohu) = woest en leeg, vormloos en leeg; רוח אלהים (ruach elohim) = Geest van God; מרחפת (merachefet) = zweefde, broedde</note>
				<heading verse="3">De eerste dag: licht en duisternis</heading>
				<verse number="3">En God zei: Laat er licht zijn! En er werd licht.</verse>
				<verse number="4">En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.</verse>
				<verse number="5">En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag.</verse>
				<heading verse="6">De tweede dag: het gewelf</heading>
				<verse number="6">En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van de wateren; en laat dat scheiding maken tussen wateren en wateren!</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws רקיע (raqia) = uitspansel, gewelf — het firmament boven de aarde</note>
				<verse number="7">En God maakte dat gewelf, en maakte scheiding tussen de wateren die onder het gewelf zijn, en de wateren die boven het gewelf zijn. En het was zo.</verse>
				<verse number="8">En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de tweede dag.</verse>
				<heading verse="9">De derde dag: land, zee en gewas</heading>
				<verse number="9">En God zei: Laat de wateren van onder de hemel op één plaats verzameld worden, en laat het droge tevoorschijn komen! En het was zo.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws ותראה (wettera'eh) = en laat gezien worden/tevoorschijn komen; יקוו (yiqqawu) = laat zich verzamelen</note>
				<verse number="10">En God noemde het droge aarde, en de verzameling van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.</verse>
				<verse number="11">En God zei: Laat de aarde jong gras voortbrengen, zaaddragend gewas, vruchtbaar geboomte dat vrucht draagt naar zijn aard, waarvan het zaad daarin is, op de aarde! En het was zo.</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws דשא (deshe) = groen, jong gras; תדשא (tadshè) = laat uitspruiten</note>
				<verse number="12">En de aarde bracht jong gras voort, zaaddragend gewas naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte waarvan het zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag dat het goed was.</verse>
				<verse number="13">Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag.</verse>
				<heading verse="14">De vierde dag: zon, maan en sterren</heading>
				<verse number="14">En God zei: Laat er lichten zijn aan het gewelf van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!</verse>
				<note verse="14">Hebreeuws מאורת (me'orot) = lichtdragers; מועדים (mo'adim) = vastgestelde tijden, feesttijden</note>
				<verse number="15">En laat zij tot lichten zijn aan het gewelf van de hemel, om licht te geven op de aarde! En het was zo.</verse>
				<verse number="16">God dan maakte die twee grote lichten: het grote licht om te heersen over de dag, en het kleine licht om te heersen over de nacht; ook de sterren.</verse>
				<note verse="16">Hebreeuws המאור הגדל (hamma'or haggadol) = het grote licht (zon); המאור הקטן (hamma'or haqqaton) = het kleine licht (maan)</note>
				<verse number="17">En God plaatste ze aan het gewelf van de hemel, om licht te geven op de aarde.</verse>
				<verse number="18">En om te heersen over de dag en over de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.</verse>
				<verse number="19">Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag.</verse>
				<heading verse="20">De vijfde dag: vissen en vogels</heading>
				<verse number="20">En God zei: Laat de wateren overvloedig een gewemel van levende wezens voortbrengen; en laat de vogels vliegen boven de aarde, langs het gewelf van de hemel!</verse>
				<note verse="20">Hebreeuws נפש חיה (nefesh chayyah) = levend wezen; שרץ (sherets) = gewemel, zwerm; על פני רקיע (al-penei raqia) = langs het uitspansel</note>
				<verse number="21">En God schiep de grote zeedieren, en alle levende wezens die wemelen, die de wateren overvloedig voortbrachten, naar hun aard; en alle gevleugele vogels naar hun aard. En God zag dat het goed was.</verse>
				<note verse="21">Hebreeuws תנינם (tanninim) = grote zeewezens/zeedieren, niet specifiek "walvissen"</note>
				<verse number="22">En God zegende hen en zei: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de wateren in de zeeën; en laat het gevogelte zich vermenigvuldigen op de aarde!</verse>
				<verse number="23">Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vijfde dag.</verse>
				<heading verse="24">De zesde dag: dieren en de mens</heading>
				<verse number="24">En God zei: Laat de aarde levende wezens voortbrengen, naar hun aard: vee, en kruipende dieren, en wilde dieren van de aarde, naar hun aard! En het was zo.</verse>
				<verse number="25">En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun aard, en het vee naar zijn aard, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar zijn aard. En God zag dat het goed was.</verse>
				<verse number="26">En God zei: Laten Wij mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laat hen heersen over de vissen van de zee, en over de vogels  van de hemel, en over het vee, en over heel de aarde, en over alle kruipende dieren dat op de aarde kruipt.</verse>
				<note verse="26">Hebreeuws נעשה (na'aseh) = "laten wij maken" — meervoudsvorm (pluralis deliberationis); צלם (tselem) = beeld; דמות (demut) = gelijkenis</note>
				<verse number="27">En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.</verse>
				<note verse="27">Hebreeuws צלם (tselem) = beeld — de mens als beelddrager van God</note>
				<verse number="28">En God zegende hen, en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de aarde, en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, en over de vogels van de hemel, en over alle dieren die op de aarde kruipen!</verse>
				<note verse="28">Hebreeuws וכבשה (wekibshuha) = en onderwerp haar; רדו (redu) = heers — het cultuurmandaat</note>
				<heading verse="29">Het voedsel van mens en dier</heading>
				<verse number="29">En God zei: Zie, Ik heb u al het zaaddragend gewas gegeven dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zij u tot voedsel!</verse>
				<note verse="29">spijze → voedsel (hertaalregel)</note>
				<verse number="30">Maar aan alle dieren van de aarde, en aan alle vogels van de hemel, en aan alle kruipende dieren op de aarde, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven. En het was zo.</verse>
				<note verse="30">Hebreeuws נפש חיה (nefesh chayyah) = levend wezen; "levende ziel" → "leven" in deze context</note>
				<verse number="31">En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<heading verse="1">De zevende dag: God rust</heading>
				<verse number="1">Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws צבאם (tseba'am) = hun legermacht/menigte — verwijst naar alles wat hemel en aarde bevat; "heir" is verouderd</note>
				<ref verse="1">Gen 1:1</ref>
				<verse number="2">Toen God op de zevende dag Zijn werk voltooid had dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk dat Hij gemaakt had.</verse>
				<ref verse="2">Ex 20:11; 31:17; Hebr 4:4</ref>
				<verse number="3">En God zegende de zevende dag en heiligde die; omdat Hij daarop gerust had van al Zijn werk dat God geschapen had om te maken.</verse>
				<heading verse="4">De schepping van de mens</heading>
				<verse number="4">Dit is de ontstaansgeschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden; op de dag dat Jahweh God de aarde en de hemel maakte.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws תולדות (toledot) = ontstaansgeschiedenis, generaties — een structurerend begrip in Genesis; "geboorten" is misleidend</note>
				<verse number="5">En alle struiken van het veld, voordat zij op de aarde waren, en al het gewas van het veld, voordat het uitsproot; want Jahweh God had het niet laten regenen op de aarde, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws לעבד (la'avod) = bewerken, dienen — "bouwen" in de SV is hier misleidend; het gaat om het bewerken van de grond</note>
				<verse number="6">Maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde heel de aardbodem.</verse>
				<verse number="7">En Jahweh God vormde de mens uit het stof van de aardbodem, en blies in zijn neusgaten de levensadem; zo werd de mens tot een levend wezen.</verse>
				<note verse="7">Hebreeuws נפש חיה (nefesh chayyah) = levend wezen — dezelfde uitdrukking als bij de dieren in Gen 1:20,24; יצר (yatsar) = vormen, boetseren (als een pottenbakker)</note>
				<ref verse="7">Gen 3:19; 1 Kor 15:45, 47</ref>
				<heading verse="8">De hof van Eden</heading>
				<verse number="8">Ook had Jahweh God een hof geplant in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens die Hij gevormd had.</verse>
				<verse number="9">En Jahweh God had alle geboomte uit de aardbodem doen uitspruiten, begeerlijk om te zien en goed tot voedsel; en de levensboom in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws עץ הדעת טוב ורע (ets hadda'at tov wara) = de boom van de kennis van goed en kwaad — דעת (da'at) = ervaringskennis, niet louter verstandelijke kennis</note>
				<ref verse="9">Gen 3:22; Openb 2:7; 22:2</ref>
				<verse number="10">En een rivier ging uit van Eden om deze hof te bevloeien; en van daar werd zij verdeeld en werd tot vier stromen.</verse>
				<note verse="10">Hebreeuws ראשים (rashim) = hoofden/beginpunten — hier: hoofdstromen of rivierarmen</note>
				<verse number="11">De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het die het hele land Havila omstroomt, waar het goud is.</verse>
				<verse number="12">En het goud van dat land is goed; daar is ook bdellium en de onyx-steen.</verse>
				<note verse="12">Hebreeuws שהם (shoham) = waarschijnlijk onyx — de exacte identificatie is onzeker; "sardonix" in de SV is een andere interpretatie</note>
				<verse number="13">En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het die het hele land Cusj omstroomt.</verse>
				<verse number="14">En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze stroomt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.</verse>
				<note verse="14">Hebreeuws חדקל (Chiddeqel) = Tigris; פרת (Perat) = Eufraat — de twee bekende Mesopotamische rivieren</note>
				<heading verse="15">Het gebod in de hof</heading>
				<verse number="15">Zo nam Jahweh God de mens en plaatste hem in de hof van Eden, om die te bewerken en te bewaren.</verse>
				<ref verse="15">Gen 3:23</ref>
				<verse number="16">En Jahweh God gebood de mens en zei: Van alle bomen van deze hof mag u vrij eten;</verse>
				<verse number="17">Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.</verse>
				<note verse="17">Hebreeuws מות תמות (mot tamut) = sterven zult u sterven — infinitivus absolutus, een Hebreeuwse versterking; "den dood sterven" → "zeker sterven" is duidelijker</note>
				<ref verse="17">Gen 3:1-3, 19; Rom 6:23</ref>
				<heading verse="18">De schepping van de vrouw</heading>
				<verse number="18">Ook had Jahweh God gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal hem een helper maken die tegenover hem staat</verse>
				<note verse="18">Hebreeuws עזר כנגדו (ezer kenegdo) = een helper als zijn tegenhanger — כנגדו betekent letterlijk "tegenover hem", d.w.z. een gelijkwaardige partner; "hulpe die als tegen hem over zij" is verouderd</note>
				<ref verse="18">1 Kor 11:9</ref>
				<verse number="19">Want toen Jahweh God uit de aarde alle dieren van het veld en alle vogels van de hemel gevormd had, bracht Hij die naar Adam, om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, dat zou zijn naam zijn.</verse>
				<verse number="20">Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels van de hemel en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen helper die tegenover hem was.</verse>
				<verse number="21">Toen liet Jahweh God een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats toe met vlees.</verse>
				<note verse="21">Hebreeuws תרדמה (tardemah) = diepe slaap, verdoving — een door God opgelegde bewusteloosheid (vgl. Gen 15:12); צלע (tsela) = rib of zijde</note>
				<ref verse="21">1 Kor 11:8-9; 1 Tim 2:13</ref>
				<verse number="22">En Jahweh God bouwde de rib die Hij van Adam genomen had tot een vrouw, en Hij bracht haar naar Adam.</verse>
				<note verse="22">Hebreeuws ויבן (wayyiben) = en hij bouwde — het werkwoord בנה (banah) = bouwen; God "bouwt" de vrouw als een zorgvuldig ontwerp, niet als een bijproduct</note>
				<verse number="23">Toen zei Adam: Deze is nu been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne noemen, omdat zij uit de man genomen is.</verse>
				<note verse="23">Woordspel — Hebreeuws אשה (ishah = vrouw) klinkt als afgeleid van איש (ish = man); de SV geeft dit weer als "Manninne"; in modern Nederlands is dit niet meer te vangen, maar de verwantschap man-vrouw is de kern</note>
				<ref verse="23">Ef 5:30</ref>
				<verse number="24">Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.</verse>
				<note verse="24">Hebreeuws ודבק (wedavaq) = zich hechten aan, vastklampen — "aankleven" is verouderd</note>
				<ref verse="24">Mt 19:5; Mk 10:7-8; 1 Kor 6:16; Ef 5:31</ref>
				<verse number="25">En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, en zij schaamden zich niet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?</verse>
				<verse number="2">En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;</verse>
				<verse number="3">Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;</verse>
				<verse number="5">Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.</verse>
				<verse number="6">En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.</verse>
				<verse number="7">Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.</verse>
				<verse number="8">En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?</verse>
				<verse number="10">En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.</verse>
				<verse number="11">En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.</verse>
				<verse number="13">En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.</verse>
				<verse number="16">Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.</verse>
				<verse number="17">En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.</verse>
				<verse number="18">Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.</verse>
				<verse number="19">In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.</verse>
				<verse number="20">Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="23">Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.</verse>
				<verse number="24">En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen!</verse>
				<verse number="2">En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.</verse>
				<verse number="3">En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.</verse>
				<verse number="4">En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;</verse>
				<verse number="5">Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?</verse>
				<verse number="7">Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.</verse>
				<verse number="8">En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?</verse>
				<verse number="10">En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.</verse>
				<verse number="11">En nu zijt gij vervloekt; van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.</verse>
				<verse number="12">Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.</verse>
				<verse number="13">En Kaïn zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.</verse>
				<verse number="14">Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.</verse>
				<verse number="15">Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.</verse>
				<verse number="16">En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.</verse>
				<verse number="17">En Kaïn bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.</verse>
				<verse number="18">En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechújaël; en Mechújaël gewon Methúsaël; en Methúsaël gewon Lamech.</verse>
				<verse number="19">En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.</verse>
				<verse number="20">En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.</verse>
				<verse number="21">En de naam zijns broeders was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.</verse>
				<verse number="22">En Zilla baarde ook Túbal-Kaïn, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Túbal-Kaïn was Naëma.</verse>
				<verse number="23">En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!</verse>
				<verse number="24">Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.</verse>
				<verse number="25">En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.</verse>
				<verse number="26">En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.</verse>
				<verse number="2">Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.</verse>
				<verse number="3">En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.</verse>
				<verse number="4">En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="5">Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="6">En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos.</verse>
				<verse number="7">En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="8">Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="9">En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.</verse>
				<verse number="10">En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="11">Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="12">En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.</verse>
				<verse number="13">En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="14">Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="15">En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.</verse>
				<verse number="16">En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="17">Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="18">En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.</verse>
				<verse number="19">En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="20">Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="21">En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methúsalach.</verse>
				<verse number="22">En Henoch wandelde met God, nadat hij Methúsalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="23">Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.</verse>
				<verse number="24">Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.</verse>
				<verse number="25">En Methúsalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.</verse>
				<verse number="26">En Methúsalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="27">Zo waren al de dagen van Methúsalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="28">En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.</verse>
				<verse number="29">En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!</verse>
				<verse number="30">En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="31">Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.</verse>
				<verse number="32">En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,</verse>
				<verse number="2">Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.</verse>
				<verse number="4">In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.</verse>
				<verse number="6">Toen berouwde het den HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.</verse>
				<verse number="7">En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.</verse>
				<verse number="8">Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="9">Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.</verse>
				<verse number="10">En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.</verse>
				<verse number="11">Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.</verse>
				<verse number="12">Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.</verse>
				<verse number="13">Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.</verse>
				<verse number="14">Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.</verse>
				<verse number="15">En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.</verse>
				<verse number="16">Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.</verse>
				<verse number="17">Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven.</verse>
				<verse number="18">Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u.</verse>
				<verse number="19">En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;</verse>
				<verse number="20">Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.</verse>
				<verse number="21">En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.</verse>
				<verse number="22">En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.</verse>
				<verse number="2">Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.</verse>
				<verse number="3">Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.</verse>
				<verse number="4">Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.</verse>
				<verse number="5">En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.</verse>
				<verse number="6">Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.</verse>
				<verse number="7">Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.</verse>
				<verse number="8">Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,</verse>
				<verse number="9">Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.</verse>
				<verse number="11">In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.</verse>
				<verse number="12">En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.</verse>
				<verse number="13">Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;</verse>
				<verse number="14">Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.</verse>
				<verse number="15">En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.</verse>
				<verse number="16">En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.</verse>
				<verse number="17">En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.</verse>
				<verse number="18">En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.</verse>
				<verse number="19">En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den gansen hemel zijn, bedekt werden.</verse>
				<verse number="20">Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.</verse>
				<verse number="21">En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.</verse>
				<verse number="22">Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.</verse>
				<verse number="23">Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.</verse>
				<verse number="24">En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.</verse>
				<verse number="2">Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.</verse>
				<verse number="3">Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.</verse>
				<verse number="4">En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararát.</verse>
				<verse number="5">En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eersten der maand, werden de toppen der bergen gezien.</verse>
				<verse number="6">En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, dat hij gemaakt had, opendeed.</verse>
				<verse number="7">En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.</verse>
				<verse number="8">Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.</verse>
				<verse number="9">Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.</verse>
				<verse number="10">En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.</verse>
				<verse number="11">En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.</verse>
				<verse number="12">Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd.</verse>
				<verse number="14">En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.</verse>
				<verse number="15">Toen sprak God tot Noach, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.</verse>
				<verse number="17">Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde.</verse>
				<verse number="18">Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.</verse>
				<verse number="19">Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.</verse>
				<verse number="20">En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.</verse>
				<verse number="22">Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!</verse>
				<verse number="2">En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.</verse>
				<verse number="3">Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.</verse>
				<verse number="4">Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.</verse>
				<verse number="5">En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.</verse>
				<verse number="6">Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.</verse>
				<verse number="7">Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.</verse>
				<verse number="8">Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;</verse>
				<verse number="10">En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.</verse>
				<verse number="11">En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.</verse>
				<verse number="12">En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.</verse>
				<verse number="13">Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.</verse>
				<verse number="14">En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;</verse>
				<verse number="15">Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.</verse>
				<verse number="16">Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.</verse>
				<verse number="17">Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.</verse>
				<verse number="18">En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän.</verse>
				<verse number="19">Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aarde overspreid.</verse>
				<verse number="20">En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.</verse>
				<verse number="21">En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent.</verse>
				<verse number="22">En Cham, Kanaäns vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen.</verse>
				<verse number="23">Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij leiden het op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts gekeerd, zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen.</verse>
				<verse number="24">En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had.</verse>
				<verse number="25">En hij zeide: Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!</verse>
				<verse number="26">Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht!</verse>
				<verse number="27">God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht!</verse>
				<verse number="28">En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.</verse>
				<verse number="29">Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.</verse>
				<verse number="2">De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madái, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.</verse>
				<verse number="3">En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.</verse>
				<verse number="4">En de zonen van Javan zijn: Elísa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.</verse>
				<verse number="5">Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.</verse>
				<verse number="6">En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraïm, en Put, en Kanaän.</verse>
				<verse number="7">En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havíla, en Sabta, en Raëma, en Sábtecha. En de zonen van Raëma zijn: Scheba en Dedan.</verse>
				<verse number="8">En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.</verse>
				<verse number="9">Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.</verse>
				<verse number="11">Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nínevé, en Rehobôth, Ir, en Kálach.</verse>
				<verse number="12">En Resen, tussen Nínevé en tussen Kálach; deze is die grote stad.</verse>
				<verse number="13">En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,</verse>
				<verse number="14">En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.</verse>
				<verse number="15">En Kanaän gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,</verse>
				<verse number="16">En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,</verse>
				<verse number="17">En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet,</verse>
				<verse number="18">En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaänieten verspreid.</verse>
				<verse number="19">En de landpale der Kanaänieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sódom en Gomórra, en Adama, en Zobóïm, tot Lasa toe.</verse>
				<verse number="20">Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.</verse>
				<verse number="21">Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, de grootste.</verse>
				<verse number="22">Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.</verse>
				<verse number="23">En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.</verse>
				<verse number="24">En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.</verse>
				<verse number="25">En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.</verse>
				<verse number="26">En Joktan gewon Almódad, en Selef, en Hatsarmáveth, en Járach,</verse>
				<verse number="27">En Hadóram, en Usal, en Dikla,</verse>
				<verse number="28">En Obal, en Abímaël, en Scheba,</verse>
				<verse number="29">En Ofir, en Havíla, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.</verse>
				<verse number="30">En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.</verse>
				<verse number="31">Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.</verse>
				<verse number="32">Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.</verse>
				<verse number="2">Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.</verse>
				<verse number="3">En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.</verse>
				<verse number="4">En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!</verse>
				<verse number="5">Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?</verse>
				<verse number="7">Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.</verse>
				<verse number="8">Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.</verse>
				<verse number="9">Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.</verse>
				<verse number="10">Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na den vloed.</verse>
				<verse number="11">En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="12">En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.</verse>
				<verse number="13">En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="14">En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.</verse>
				<verse number="15">En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="16">En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.</verse>
				<verse number="17">En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="18">En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.</verse>
				<verse number="19">En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="20">En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.</verse>
				<verse number="21">En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="22">En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.</verse>
				<verse number="23">En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="24">En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.</verse>
				<verse number="25">En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="26">En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.</verse>
				<verse number="27">En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.</verse>
				<verse number="28">En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën.</verse>
				<verse number="29">En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.</verse>
				<verse number="30">En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.</verse>
				<verse number="31">En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.</verse>
				<verse number="32">En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.</verse>
				<verse number="2">En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!</verse>
				<verse number="3">En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.</verse>
				<verse number="4">En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.</verse>
				<verse number="5">En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="6">En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.</verse>
				<verse number="7">Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was.</verse>
				<verse number="8">En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan.</verse>
				<verse number="9">Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.</verse>
				<verse number="10">En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.</verse>
				<verse number="12">En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.</verse>
				<verse number="13">Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.</verse>
				<verse number="14">En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.</verse>
				<verse number="15">Ook zagen haar de vorsten van Faraö, en prezen haar bij Faraö; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Faraö.</verse>
				<verse number="16">En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.</verse>
				<verse number="17">Maar de HEERE plaagde Faraö met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.</verse>
				<verse number="18">Toen riep Faraö Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?</verse>
				<verse number="19">Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!</verse>
				<verse number="20">En Faraö gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem.</verse>
				<verse number="2">En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.</verse>
				<verse number="3">En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-El, en tussen Ai;</verse>
				<verse number="4">Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen.</verse>
				<verse number="5">En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.</verse>
				<verse number="6">En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.</verse>
				<verse number="7">En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land.</verse>
				<verse number="8">En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.</verse>
				<verse number="9">Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.</verse>
				<verse number="10">En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sódom en Gomórra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.</verse>
				<verse number="11">Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander.</verse>
				<verse number="12">Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sódom toe.</verse>
				<verse number="13">En de mannen van Sódom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.</verse>
				<verse number="15">Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="16">En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.</verse>
				<verse number="17">Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.</verse>
				<verse number="18">En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-Laómer, den koning van Elam, en van Tídeal, den koning der volken;</verse>
				<verse number="2">Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sódom, en met Birsa, koning van Gomórra, Sinab, koning van Adama, en Seméber, koning van Zebóïm, en den koning van Bela, dat is Zoar.</verse>
				<verse number="3">Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.</verse>
				<verse number="4">Twaalf jaren hadden zij Kedor-Laómer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.</verse>
				<verse number="5">Zo kwam Kedor-Laómer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnáïm, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriatháïm;</verse>
				<verse number="6">En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.</verse>
				<verse number="7">Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Házezon-Thamar woonde.</verse>
				<verse number="8">Toen toog de koning van Sódom uit, en de koning van Gomórra, en de koning van Adama, en de koning van Zebóïm, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorde in het dal Siddim,</verse>
				<verse number="9">Tegen Kedor-Laómer, den koning van Elam, en Tídeal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.</verse>
				<verse number="10">Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sódom en Gomórra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.</verse>
				<verse number="11">En zij namen al de have van Sódom en Gomórra, en al hun spijze, en trokken weg.</verse>
				<verse number="12">Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sódom.</verse>
				<verse number="13">Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreeër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.</verse>
				<verse number="14">Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.</verse>
				<verse number="15">En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.</verse>
				<verse number="16">En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.</verse>
				<verse number="17">En de koning van Sódom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laómer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.</verse>
				<verse number="18">En Melchizédek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.</verse>
				<verse number="19">En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, den Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!</verse>
				<verse number="20">En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.</verse>
				<verse number="21">En de koning van Sódom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.</verse>
				<verse number="22">Doch Abram zeide tot den koning van Sódom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit;</verse>
				<verse number="23">Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!</verse>
				<verse number="24">Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?</verse>
				<verse number="3">Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!</verse>
				<verse number="4">En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.</verse>
				<verse number="5">Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!</verse>
				<verse number="6">En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.</verse>
				<verse number="7">Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="8">En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?</verse>
				<verse number="9">En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif.</verse>
				<verse number="10">En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.</verse>
				<verse number="11">En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.</verse>
				<verse number="12">En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.</verse>
				<verse number="14">Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.</verse>
				<verse number="15">En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.</verse>
				<verse number="16">En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.</verse>
				<verse number="18">Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:</verse>
				<verse number="19">Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,</verse>
				<verse number="20">En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaïeten,</verse>
				<verse number="21">En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.</verse>
				<verse number="2">Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.</verse>
				<verse number="3">Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.</verse>
				<verse number="4">En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!</verse>
				<verse number="6">En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.</verse>
				<verse number="7">En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.</verse>
				<verse number="8">En Hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!</verse>
				<verse number="9">Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.</verse>
				<verse number="10">Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.</verse>
				<verse number="11">Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.</verse>
				<verse number="12">En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.</verse>
				<verse number="13">En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?</verse>
				<verse number="14">Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Rói; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.</verse>
				<verse number="15">En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël.</verse>
				<verse number="16">En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!</verse>
				<verse number="2">En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.</verse>
				<verse number="3">Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden!</verse>
				<verse number="5">En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.</verse>
				<verse number="9">Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten.</verse>
				<verse number="10">Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.</verse>
				<verse number="11">En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.</verse>
				<verse number="12">Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad;</verse>
				<verse number="13">De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.</verse>
				<verse number="14">En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.</verse>
				<verse number="15">Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara.</verse>
				<verse number="16">Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden!</verse>
				<verse number="17">Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?</verse>
				<verse number="18">En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!</verse>
				<verse number="19">En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.</verse>
				<verse number="20">En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;</verse>
				<verse number="21">Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.</verse>
				<verse number="22">En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.</verse>
				<verse number="23">Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had.</verse>
				<verse number="24">En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.</verse>
				<verse number="25">En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.</verse>
				<verse number="26">Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon.</verse>
				<verse number="27">En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd.</verse>
				<verse number="2">En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde.</verse>
				<verse number="3">En hij zeide: Heere! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet van Uw knecht voorbij.</verse>
				<verse number="4">Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder dezen boom.</verse>
				<verse number="5">En ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt; daarna zult Gij voortgaan, daarom omdat Gij tot Uw knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zo als gij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="6">En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.</verse>
				<verse number="7">En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.</verse>
				<verse number="8">En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.</verse>
				<verse number="9">Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in de tent.</verse>
				<verse number="10">En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter Hem was.</verse>
				<verse number="11">Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.</verse>
				<verse number="12">Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?</verse>
				<verse number="13">En de HEERE zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben?</verse>
				<verse number="14">Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben!</verse>
				<verse number="15">En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen! maar gij hebt gelachen.</verse>
				<verse number="16">Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sódom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden.</verse>
				<verse number="17">En de HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?</verse>
				<verse number="18">Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden?</verse>
				<verse number="19">Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft.</verse>
				<verse number="20">Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sódom en Gomórra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is,</verse>
				<verse number="21">Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.</verse>
				<verse number="22">Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sódom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="23">En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen?</verse>
				<verse number="24">Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?</verse>
				<verse number="25">Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?</verse>
				<verse number="26">Toen zeide de HEERE: Zo Ik te Sódom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.</verse>
				<verse number="27">En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!</verse>
				<verse number="28">Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden.</verse>
				<verse number="29">En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertigen wil.</verse>
				<verse number="30">Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen aldaar dertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zo Ik aldaar dertig zal vinden.</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der twintigen wil.</verse>
				<verse number="32">Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleenlijk ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil.</verse>
				<verse number="33">Toen ging de HEERE weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En die twee engelen kwamen te Sódom in den avond; en Lot zat in de poort te Sódom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.</verse>
				<verse number="2">En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.</verse>
				<verse number="3">En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.</verse>
				<verse number="4">Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sódom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.</verse>
				<verse number="5">En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die dezen nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.</verse>
				<verse number="6">Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;</verse>
				<verse number="7">En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!</verse>
				<verse number="8">Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.</verse>
				<verse number="9">Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als een vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.</verse>
				<verse number="10">Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.</verse>
				<verse number="11">En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.</verse>
				<verse number="12">Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;</verse>
				<verse number="13">Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.</verse>
				<verse number="14">Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.</verse>
				<verse number="15">En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.</verse>
				<verse number="16">Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.</verse>
				<verse number="18">En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!</verse>
				<verse number="19">Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!</verse>
				<verse number="20">Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.</verse>
				<verse number="21">En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="22">Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.</verse>
				<verse number="23">De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.</verse>
				<verse number="24">Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sódom en Gomórra regenen, van den HEERE, uit den hemel.</verse>
				<verse number="25">En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.</verse>
				<verse number="26">En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.</verse>
				<verse number="27">En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had.</verse>
				<verse number="28">En hij zag naar Sódom en Gomórra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.</verse>
				<verse number="29">En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.</verse>
				<verse number="30">En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.</verse>
				<verse number="31">Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.</verse>
				<verse number="32">Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.</verse>
				<verse number="33">En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.</verse>
				<verse number="34">En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.</verse>
				<verse number="35">En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.</verse>
				<verse number="36">En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.</verse>
				<verse number="37">En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="38">En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.</verse>
				<verse number="2">Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimélech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.</verse>
				<verse number="3">Maar God kwam tot Abimélech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.</verse>
				<verse number="4">Doch Abimélech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?</verse>
				<verse number="5">Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.</verse>
				<verse number="6">En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.</verse>
				<verse number="7">Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!</verse>
				<verse number="8">Toen stond Abimélech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.</verse>
				<verse number="9">En Abimélech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.</verse>
				<verse number="10">Voorts zeide Abimélech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?</verse>
				<verse number="11">En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.</verse>
				<verse number="12">En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.</verse>
				<verse number="13">En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!</verse>
				<verse number="14">Toen nam Abimélech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.</verse>
				<verse number="15">En Abimélech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="16">En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.</verse>
				<verse number="17">En Abraham bad tot God; en God genas Abimélech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.</verse>
				<verse number="18">Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimélech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.</verse>
				<verse number="2">En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.</verse>
				<verse number="3">En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.</verse>
				<verse number="4">En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.</verse>
				<verse number="5">En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.</verse>
				<verse number="6">En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.</verse>
				<verse number="7">Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.</verse>
				<verse number="8">En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.</verse>
				<verse number="9">En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.</verse>
				<verse number="10">En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.</verse>
				<verse number="11">En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.</verse>
				<verse number="12">Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.</verse>
				<verse number="13">Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.</verse>
				<verse number="14">Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-séba.</verse>
				<verse number="15">Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.</verse>
				<verse number="16">En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.</verse>
				<verse number="17">En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.</verse>
				<verse number="18">Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.</verse>
				<verse number="19">En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.</verse>
				<verse number="20">En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.</verse>
				<verse number="21">En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.</verse>
				<verse number="22">Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimélech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.</verse>
				<verse number="23">Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.</verse>
				<verse number="24">En Abraham zeide: Ik zal zweren.</verse>
				<verse number="25">Doch Abraham berispte Abimélech ter oorzake van een waterput, die Abimélechs knechten met geweld genomen hadden.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide Abimélech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.</verse>
				<verse number="27">En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimélech; en die beiden maakten een verbond.</verse>
				<verse number="28">Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.</verse>
				<verse number="29">Zo zeide Abimélech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?</verse>
				<verse number="30">En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.</verse>
				<verse number="31">Daarom noemde men die plaats Ber-séba, omdat die beiden daar gezworen hadden.</verse>
				<verse number="32">Alzo maakten zij een verbond te Ber-séba. Daarna stond Abimélech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.</verse>
				<verse number="33">En hij plantte een bos in Ber-séba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.</verse>
				<verse number="34">En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="2">En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moría, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.</verse>
				<verse number="3">Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die hem God gezegd had.</verse>
				<verse number="4">Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.</verse>
				<verse number="5">En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.</verse>
				<verse number="6">En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.</verse>
				<verse number="7">Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer?</verse>
				<verse number="8">En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.</verse>
				<verse number="9">En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op het altaar boven op het hout.</verse>
				<verse number="10">En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.</verse>
				<verse number="11">Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.</verse>
				<verse number="13">Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats.</verse>
				<verse number="14">En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden!</verse>
				<verse number="15">Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel;</verse>
				<verse number="16">En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;</verse>
				<verse number="17">Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="18">En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.</verse>
				<verse number="19">Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-séba; en Abraham woonde te Ber-séba.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard:</verse>
				<verse number="21">Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuël, den vader van Aram,</verse>
				<verse number="22">En Chésed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël;</verse>
				<verse number="23">(En Bethuël gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham.</verse>
				<verse number="24">En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Máächa.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren des levens van Sara.</verse>
				<verse number="2">En Sara stierf te Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.</verse>
				<verse number="3">Daarna stond Abraham op van het aangezicht zijner dode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.</verse>
				<verse number="5">En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem:</verse>
				<verse number="6">Hoor ons, mijn heer! gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uw dode niet zoudt begraven.</verse>
				<verse number="7">Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen Heths;</verse>
				<verse number="8">En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar,</verse>
				<verse number="9">Dat hij mij geve de spelonk van Machpéla, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.</verse>
				<verse number="10">Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Neen, mijn heer! hoor mij; den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.</verse>
				<verse number="12">Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands;</verse>
				<verse number="13">En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij het? lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode aldaar begraven.</verse>
				<verse number="14">En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem:</verse>
				<verse number="15">Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.</verse>
				<verse number="16">En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar.</verse>
				<verse number="17">Alzo werd de akker van Efron, die in Machpéla was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akker stond, dat rondom in zijn ganse landpale was gevestigd,</verse>
				<verse number="18">Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen.</verse>
				<verse number="19">En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpéla, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="20">Alzo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Abraham nu was oud en wel bedaagd; en de HEERE had Abraham in alles gezegend.</verse>
				<verse number="2">Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,</verse>
				<verse number="3">Opdat ik u doe zweren bij den HEERE, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;</verse>
				<verse number="4">Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.</verse>
				<verse number="5">En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt?</verse>
				<verse number="6">En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!</verse>
				<verse number="7">De HEERE, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.</verse>
				<verse number="8">Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.</verse>
				<verse number="9">Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.</verse>
				<verse number="10">En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotámië, naar de stad van Nahor.</verse>
				<verse number="11">En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.</verse>
				<verse number="12">En hij zeide: HEERE! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.</verse>
				<verse number="13">Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten;</verse>
				<verse number="14">Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde, eer hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, den zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, den broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.</verse>
				<verse number="16">En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.</verse>
				<verse number="17">Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken.</verse>
				<verse number="18">En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken.</verse>
				<verse number="19">Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.</verse>
				<verse number="20">En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in den drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.</verse>
				<verse number="21">En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.</verse>
				<verse number="22">En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.</verse>
				<verse number="23">Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten?</verse>
				<verse number="24">En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Milka, dien zij Nahor gebaard heeft.</verse>
				<verse number="25">Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten.</verse>
				<verse number="26">Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den HEERE;</verse>
				<verse number="27">En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de HEERE heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.</verse>
				<verse number="28">En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.</verse>
				<verse number="29">En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein.</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des HEEREN! waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.</verse>
				<verse number="32">Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten der mannen, die bij hem waren.</verse>
				<verse number="33">Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!</verse>
				<verse number="34">Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham;</verse>
				<verse number="35">En de HEERE heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen.</verse>
				<verse number="36">En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft.</verse>
				<verse number="37">En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaänieten, in welker land ik wone;</verse>
				<verse number="38">Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen!</verse>
				<verse number="39">Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen.</verse>
				<verse number="40">En hij zeide tot mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.</verse>
				<verse number="41">Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.</verse>
				<verse number="42">En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, HEERE! God van mijn heer Abraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welken ik ga;</verse>
				<verse number="43">Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinken uit uw kruik;</verse>
				<verse number="44">En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de HEERE aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.</verse>
				<verse number="45">Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken!</verse>
				<verse number="46">Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.</verse>
				<verse number="47">Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuël, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;</verse>
				<verse number="48">En ik neigde mijn hoofd, en aanbad den HEERE; en ik loofde den HEERE, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen.</verse>
				<verse number="49">Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter- of ter linkerhand wende.</verse>
				<verse number="50">Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van den HEERE is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.</verse>
				<verse number="51">Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de HEERE gesproken heeft!</verse>
				<verse number="52">En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den HEERE.</verse>
				<verse number="53">En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moeder kostelijkheden.</verse>
				<verse number="54">Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer!</verse>
				<verse number="55">Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan.</verse>
				<verse number="56">Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de HEERE mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.</verse>
				<verse number="57">Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen.</verse>
				<verse number="58">En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken.</verse>
				<verse number="59">Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen.</verse>
				<verse number="60">En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!</verse>
				<verse number="61">En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.</verse>
				<verse number="62">Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-Róï; en hij woonde in het zuiderland.</verse>
				<verse number="63">En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!</verse>
				<verse number="64">Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.</verse>
				<verse number="65">En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich.</verse>
				<verse number="66">En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.</verse>
				<verse number="67">En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketûra.</verse>
				<verse number="2">En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.</verse>
				<verse number="3">En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leümmieten.</verse>
				<verse number="4">En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaä. Deze allen waren zonen van Ketûra.</verse>
				<verse number="5">Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had.</verse>
				<verse number="6">Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.</verse>
				<verse number="7">Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.</verse>
				<verse number="8">En Abraham gaf den geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.</verse>
				<verse number="9">En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpéla, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;</verse>
				<verse number="10">In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij den put Lachai-Róï.</verse>
				<verse number="12">Dit nu zijn de geboorten van Ismaël, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.</verse>
				<verse number="13">En dit zijn de namen der zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabájoth; daarna Kedar, en Adbeël, en Mibsam,</verse>
				<verse number="14">En Misma, en Duma, en Massa,</verse>
				<verse number="15">Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.</verse>
				<verse number="16">Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.</verse>
				<verse number="17">En dit zijn de jaren des levens van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.</verse>
				<verse number="18">En zij woonden van Havíla tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.</verse>
				<verse number="19">Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.</verse>
				<verse number="20">En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam.</verse>
				<verse number="21">En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.</verse>
				<verse number="22">En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.</verse>
				<verse number="23">En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.</verse>
				<verse number="24">Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.</verse>
				<verse number="25">En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.</verse>
				<verse number="26">En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.</verse>
				<verse number="27">Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.</verse>
				<verse number="28">En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.</verse>
				<verse number="29">En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.</verse>
				<verse number="30">En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.</verse>
				<verse number="31">Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.</verse>
				<verse number="32">En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?</verse>
				<verse number="33">Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.</verse>
				<verse number="34">En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimélech, de koning der Filistijnen, naar Gerar.</verse>
				<verse number="2">En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal;</verse>
				<verse number="3">Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,</verse>
				<verse number="5">Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.</verse>
				<verse number="6">Alzo woonde Izak te Gerar.</verse>
				<verse number="7">En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimélech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw.</verse>
				<verse number="9">Toen riep Abimélech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve.</verse>
				<verse number="10">En Abimélech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben.</verse>
				<verse number="11">En Abimélech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!</verse>
				<verse number="12">En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem.</verse>
				<verse number="13">En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was.</verse>
				<verse number="14">En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden.</verse>
				<verse number="15">En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde.</verse>
				<verse number="16">Ook zeide Abimélech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtiger geworden, dan wij.</verse>
				<verse number="17">Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar.</verse>
				<verse number="18">Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had.</verse>
				<verse number="19">De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put van levend water.</verse>
				<verse number="20">En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden.</verse>
				<verse number="21">Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna.</verse>
				<verse number="22">En hij brak op van daar, en groef een anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehobôth, en zeide: Want nu heeft ons de HEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.</verse>
				<verse number="23">Daarna toog hij van daar op naar Ber-séba.</verse>
				<verse number="24">En de HEERE verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.</verse>
				<verse number="25">Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.</verse>
				<verse number="26">En Abimélech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste.</verse>
				<verse number="27">En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden?</verse>
				<verse number="28">En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:</verse>
				<verse number="29">Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN!</verse>
				<verse number="30">Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken.</verse>
				<verse number="31">En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede.</verse>
				<verse number="32">En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden.</verse>
				<verse number="33">En hij noemde denzelven Séba; daarom is de naam dier stad Ber-séba, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="34">Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.</verse>
				<verse number="35">En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="2">En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.</verse>
				<verse number="3">Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;</verse>
				<verse number="4">En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.</verse>
				<verse number="5">Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.</verse>
				<verse number="6">Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broeder, horen spreken, zeggende:</verse>
				<verse number="7">Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des HEEREN, voor mijn dood.</verse>
				<verse number="8">Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.</verse>
				<verse number="9">Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.</verse>
				<verse number="10">En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.</verse>
				<verse number="12">Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.</verse>
				<verse number="13">En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga, haal ze mij.</verse>
				<verse number="14">Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had.</verse>
				<verse number="15">Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan.</verse>
				<verse number="16">En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.</verse>
				<verse number="17">En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, welke zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon.</verse>
				<verse number="18">En hij kwam tot zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?</verse>
				<verse number="19">En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uw ziel mij zegene.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de HEERE uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="21">En Izak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet.</verse>
				<verse number="22">Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen.</verse>
				<verse number="23">Doch hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijns broeders Ezau's handen; en hij zegende hem.</verse>
				<verse number="24">En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het!</verse>
				<verse number="25">Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.</verse>
				<verse number="26">En zijn vader Izak zeide tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!</verse>
				<verse number="27">En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft.</verse>
				<verse number="28">Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.</verse>
				<verse number="29">Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde, als Izak voleindigd had Jakob te zegenen, zo geschiedde het, toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broeder, van zijn jacht kwam.</verse>
				<verse number="31">Hij nu ook maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zeide tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uw ziel mij zegene.</verse>
				<verse number="32">En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.</verse>
				<verse number="33">Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, gans zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.</verse>
				<verse number="34">Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!</verse>
				<verse number="35">En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.</verse>
				<verse number="36">Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geen zegen voor mij uitbehouden?</verse>
				<verse number="37">Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?</verse>
				<verse number="38">En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.</verse>
				<verse number="39">Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn.</verse>
				<verse number="40">En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken.</verse>
				<verse number="41">En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden.</verse>
				<verse number="42">Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.</verse>
				<verse number="43">Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban, mijn broeder.</verse>
				<verse number="44">En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders kere;</verse>
				<verse number="45">Totdat de toorn uws broeders van u afkere, en hij vergeten hebbe, hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op één dag?</verse>
				<verse number="46">En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän.</verse>
				<verse number="2">Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuël, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.</verse>
				<verse number="3">En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.</verse>
				<verse number="4">En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.</verse>
				<verse number="5">Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuël, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.</verse>
				<verse number="6">Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;</verse>
				<verse number="7">En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;</verse>
				<verse number="8">En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;</verse>
				<verse number="9">Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Máhalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebájoth.</verse>
				<verse number="10">Jakob dan toog uit van Ber-séba, en ging naar Haran.</verse>
				<verse number="11">En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.</verse>
				<verse number="12">En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.</verse>
				<verse number="13">En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.</verse>
				<verse number="14">En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.</verse>
				<verse number="15">En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.</verse>
				<verse number="16">Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!</verse>
				<verse number="17">En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!</verse>
				<verse number="18">Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.</verse>
				<verse number="19">En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.</verse>
				<verse number="20">En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;</verse>
				<verse number="21">En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!</verse>
				<verse number="22">En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten.</verse>
				<verse number="2">En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.</verse>
				<verse number="3">En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.</verse>
				<verse number="5">En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.</verse>
				<verse number="6">Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.</verse>
				<verse number="7">En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.</verse>
				<verse number="8">Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen verzameld zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.</verse>
				<verse number="9">Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.</verse>
				<verse number="11">En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.</verse>
				<verse number="12">En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.</verse>
				<verse number="15">Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?</verse>
				<verse number="16">En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel.</verse>
				<verse number="17">Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.</verse>
				<verse number="18">En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.</verse>
				<verse number="20">Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.</verse>
				<verse number="22">Zo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.</verse>
				<verse number="24">En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt gij mij dan bedrogen?</verse>
				<verse number="26">En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve vóór de eerstgeborene.</verse>
				<verse number="27">Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.</verse>
				<verse number="28">En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.</verse>
				<verse number="29">En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.</verse>
				<verse number="30">En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.</verse>
				<verse number="31">Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.</verse>
				<verse number="32">En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.</verse>
				<verse number="33">En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.</verse>
				<verse number="34">En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.</verse>
				<verse number="35">En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.</verse>
				<verse number="2">Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?</verse>
				<verse number="3">En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.</verse>
				<verse number="4">Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.</verse>
				<verse number="5">En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.</verse>
				<verse number="6">Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.</verse>
				<verse number="7">En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.</verse>
				<verse number="9">Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.</verse>
				<verse number="10">En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad.</verse>
				<verse number="12">Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser.</verse>
				<verse number="14">En Ruben ging in de dagen van den tarweoogst, en hij vond Dûdaïm in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dûdaïm.</verse>
				<verse number="15">En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dûdaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dûdaïm bij u liggen.</verse>
				<verse number="16">Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dûdaïm; en hij lag dien nacht bij haar.</verse>
				<verse number="17">En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.</verse>
				<verse number="19">En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon.</verse>
				<verse number="20">En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.</verse>
				<verse number="21">En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.</verse>
				<verse number="22">God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder.</verse>
				<verse number="23">En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen!</verse>
				<verse number="24">En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde, als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land.</verse>
				<verse number="26">Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, dien ik u gediend heb.</verse>
				<verse number="27">Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.</verse>
				<verse number="28">Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.</verse>
				<verse number="30">Want het weinige, dat gij vóór mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren.</verse>
				<verse number="32">Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.</verse>
				<verse number="33">Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.</verse>
				<verse number="34">Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!</verse>
				<verse number="35">En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.</verse>
				<verse number="36">En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.</verse>
				<verse number="37">Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanjen; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was.</verse>
				<verse number="38">En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.</verse>
				<verse number="39">Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.</verse>
				<verse number="40">Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.</verse>
				<verse number="41">En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.</verse>
				<verse number="42">Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.</verse>
				<verse number="43">En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.</verse>
				<verse number="2">Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn.</verse>
				<verse number="4">Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde;</verse>
				<verse number="5">En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.</verse>
				<verse number="6">En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb.</verse>
				<verse number="7">Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.</verse>
				<verse number="8">Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde.</verse>
				<verse number="9">Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig.</verse>
				<verse number="11">En de Engel Gods zeide tot mij in den droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="12">En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet.</verse>
				<verse number="13">Ik ben die God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.</verse>
				<verse number="14">Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis onzes vaders?</verse>
				<verse number="15">Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd.</verse>
				<verse number="16">Want al de rijkdom, welken God onzen vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.</verse>
				<verse number="17">Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kemelen.</verse>
				<verse number="18">En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn have, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan-Aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaän.</verse>
				<verse number="19">Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.</verse>
				<verse number="20">En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syriër, overmits hij hem niet te kennen gaf, dat hij vlood.</verse>
				<verse number="21">En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.</verse>
				<verse number="22">En ten derden dage werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevloden was.</verse>
				<verse number="23">Toen nam hij zijn broeders met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead.</verse>
				<verse number="24">Doch God kwam tot Laban, den Syriër, in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.</verse>
				<verse number="25">En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broederen de zijne op het gebergte van Gilead.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochteren ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard?</verse>
				<verse number="27">Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp?</verse>
				<verse number="28">Ook hebt gij mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gehandeld zo doende.</verse>
				<verse number="29">Het ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad.</verse>
				<verse number="30">En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zo zeer begerig waart naar uws vaders huis; waarom hebt gij mijn goden gestolen?</verse>
				<verse number="31">Toen antwoordde Jakob, en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uw dochteren mij ontweldigdet!</verse>
				<verse number="32">Bij wien gij uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken gij voor onze broederen, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel dezelve gestolen had.</verse>
				<verse number="33">Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel.</verse>
				<verse number="34">Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kemels zadeltuig gelegd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte die ganse tent, en hij vond niets.</verse>
				<verse number="35">En zij zeide tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar der vrouwen wijze; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.</verse>
				<verse number="36">Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo hittiglijk hebt nagejaagd?</verse>
				<verse number="37">Als gij al mijn huisraad betast hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad uws huizes! Leg het hier voor mijn broederen en uw broederen, en laat hen richten tussen ons beiden.</verse>
				<verse number="38">Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw geiten hebben niet misdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten.</verse>
				<verse number="39">Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht; ik heb het geboet; gij hebt het van mijn hand geëist, het ware des daags gestolen, of des nachts gestolen.</verse>
				<verse number="40">Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.</verse>
				<verse number="41">Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochteren, en zes jaren om uw kudde; en gij hebt mijn loon tien malen veranderd.</verse>
				<verse number="42">Ten ware de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en den arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.</verse>
				<verse number="43">Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, en deze zonen zijn mijn zonen, en deze kudde is mijn kudde, ja, al wat gij ziet, dat is mijn; en wat zoude ik aan deze mijn dochteren heden doen? of aan haar zonen, die zij gebaard hebben?</verse>
				<verse number="44">Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en tussen u!</verse>
				<verse number="45">Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde dien tot een opgericht teken.</verse>
				<verse number="46">En Jakob zeide tot zijn broederen: Vergadert stenen! En zij namen stenen, en maakten een hoop; en zij aten aldaar op dien hoop.</verse>
				<verse number="47">En Laban noemde hem Jegar-Sahadûtha; maar Jakob noemde denzelven Gilead.</verse>
				<verse number="48">Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead,</verse>
				<verse number="49">En Mizpa; omdat hij zeide: Dat de HEERE opzicht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij de een van den ander zullen verborgen zijn!</verse>
				<verse number="50">Zo gij mijn dochteren beledigt, en zo gij vrouwen neemt boven mijn dochteren, niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u!</verse>
				<verse number="51">Laban zeide voorts tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgericht teken, hetwelk ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u;</verse>
				<verse number="52">Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij dezen hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij dezen hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade!</verse>
				<verse number="53">De God van Abraham, en de God van Nahor, de God huns vaders richte tussen ons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijns vaders Izaks.</verse>
				<verse number="54">Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broederen, om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.</verse>
				<verse number="55">En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochteren, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weder tot zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.</verse>
				<verse number="2">En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanáïm.</verse>
				<verse number="3">En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seïr, de landstreek van Edom.</verse>
				<verse number="4">En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;</verse>
				<verse number="5">En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.</verse>
				<verse number="6">En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.</verse>
				<verse number="7">Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;</verse>
				<verse number="8">Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.</verse>
				<verse number="9">Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!</verse>
				<verse number="10">Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!</verse>
				<verse number="11">Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!</verse>
				<verse number="12">Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!</verse>
				<verse number="13">En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;</verse>
				<verse number="14">Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;</verse>
				<verse number="15">Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.</verse>
				<verse number="16">En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.</verse>
				<verse number="17">En hij gebood den eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?</verse>
				<verse number="18">Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!</verse>
				<verse number="19">En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.</verse>
				<verse number="20">En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.</verse>
				<verse number="21">Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.</verse>
				<verse number="22">En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.</verse>
				<verse number="23">En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.</verse>
				<verse number="24">Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.</verse>
				<verse number="25">En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.</verse>
				<verse number="26">En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.</verse>
				<verse number="27">En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.</verse>
				<verse number="28">Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.</verse>
				<verse number="29">En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.</verse>
				<verse number="30">En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.</verse>
				<verse number="31">En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.</verse>
				<verse number="32">Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.</verse>
				<verse number="2">En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.</verse>
				<verse number="3">En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.</verse>
				<verse number="4">Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.</verse>
				<verse number="5">Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.</verse>
				<verse number="6">Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.</verse>
				<verse number="7">En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.</verse>
				<verse number="8">En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!</verse>
				<verse number="9">Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.</verse>
				<verse number="11">Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.</verse>
				<verse number="12">En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.</verse>
				<verse number="13">Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar één dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.</verse>
				<verse number="14">Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seïr kome.</verse>
				<verse number="15">En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!</verse>
				<verse number="16">Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seïr toe.</verse>
				<verse number="17">Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.</verse>
				<verse number="18">En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.</verse>
				<verse number="19">En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.</verse>
				<verse number="20">En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israëls is God!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit, om de dochteren van dat land te bezien.</verse>
				<verse number="2">Sichem nu, de zoon van Hemor den Heviet, den landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze.</verse>
				<verse number="3">En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.</verse>
				<verse number="4">Sichem sprak ook tot zijn vader Hemor, zeggende: Neem mij deze dochter tot een vrouw.</verse>
				<verse number="5">Toen Jakob hoorde, dat hij zijn dochter Dina verontreinigd had, zo waren zijn zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg, totdat zij kwamen.</verse>
				<verse number="6">En Hemor, de vader van Sichem, ging uit tot Jakob, om met hem te spreken.</verse>
				<verse number="7">En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte dezen mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzo niet zoude gedaan worden.</verse>
				<verse number="8">Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw.</verse>
				<verse number="9">En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochteren; en neemt voor u onze dochteren;</verse>
				<verse number="10">En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.</verse>
				<verse number="11">En Sichem zeide tot haar vader, en tot haar broederen: Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven.</verse>
				<verse number="12">Vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk als gij tot mij zult zeggen; geeft mij slechts de jonge dochter tot een vrouw.</verse>
				<verse number="13">Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedriegelijk, en spraken (overmits dat hij Dina, hun zuster, verontreinigd had);</verse>
				<verse number="14">En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande.</verse>
				<verse number="15">Doch hierin zullen wij u te wille zijn, zo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is.</verse>
				<verse number="16">Dan zullen wij u onze dochteren geven, en uw dochteren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot een volk zijn.</verse>
				<verse number="17">Maar zo gij naar ons niet zult horen, om besneden te worden, zo zullen wij onze dochter nemen, en wegtrekken.</verse>
				<verse number="18">En hun woorden waren goed in de ogen van Hemor, en in de ogen van Sichem, Hemors zoon.</verse>
				<verse number="19">En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijns vaders huis.</verse>
				<verse number="20">Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stadspoort; en zij spraken tot de mannen hunner stad, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren aan hen geven.</verse>
				<verse number="22">Doch hierin zullen deze mannen ons te wille zijn, dat zij met ons wonen, om tot een volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, gelijk als zij besneden zijn.</verse>
				<verse number="23">Hun vee, en hun bezitting, en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen.</verse>
				<verse number="24">En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die ter zijner stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die ter zijner stadspoort uitgingen.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.</verse>
				<verse number="26">Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.</verse>
				<verse number="27">De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hun zuster verontreinigd hadden.</verse>
				<verse number="28">Hun schapen, en hun runderen, en hun ezelen, en hetgeen dat in de stad, en hetgeen dat in het veld was, namen zij.</verse>
				<verse number="29">En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zij gevankelijk weg, en plunderden dezelven, en al wat binnenshuis was.</verse>
				<verse number="30">Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.</verse>
				<verse number="31">En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;</verse>
				<verse number="3">En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, dien ik gewandeld heb.</verse>
				<verse number="4">Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikenboom, die bij Sichem is.</verse>
				<verse number="5">En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.</verse>
				<verse number="6">Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaän (dat is Beth-El), hij en al het volk, dat bij hem was.</verse>
				<verse number="7">En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.</verse>
				<verse number="8">En Debóra, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El, onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Báchuth.</verse>
				<verse number="9">En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem.</verse>
				<verse number="10">En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.</verse>
				<verse number="11">Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.</verse>
				<verse number="12">En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.</verse>
				<verse number="13">Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.</verse>
				<verse number="14">En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.</verse>
				<verse number="15">En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-El.</verse>
				<verse number="16">En zij reisden van Beth-El; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben!</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.</verse>
				<verse number="19">Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem.</verse>
				<verse number="20">En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="21">Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-Eder.</verse>
				<verse number="22">En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.</verse>
				<verse number="23">De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.</verse>
				<verse number="24">De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.</verse>
				<verse number="25">En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.</verse>
				<verse number="26">En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.</verse>
				<verse number="27">En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.</verse>
				<verse number="28">En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.</verse>
				<verse number="29">En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">Dit nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom.</verse>
				<verse number="2">Ezau nam zijn vrouwen uit de dochteren van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, den Hethiet, en Aholibáma, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, den Heviet;</verse>
				<verse number="3">En Basmath, de dochter van Ismaël, zuster van Nebájoth.</verse>
				<verse number="4">Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël.</verse>
				<verse number="5">En Aholibáma baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="6">Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen zijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broeder Jakob.</verse>
				<verse number="7">Want hun have was te veel, om samen te wonen; en het land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.</verse>
				<verse number="8">Derhalve woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom.</verse>
				<verse number="9">Dit nu zijn de geboorten van Ezau, den vader der Edomieten, op het gebergte van Seïr.</verse>
				<verse number="10">Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw.</verse>
				<verse number="11">En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gáëtam, en Kenaz.</verse>
				<verse number="12">En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.</verse>
				<verse number="13">En dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.</verse>
				<verse number="14">En dit zijn geweest de zonen van Aholibáma, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaëlam, en Korah.</verse>
				<verse number="15">Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.</verse>
				<verse number="16">De vorst Korah, de vorst Gáëtam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.</verse>
				<verse number="17">En dit zijn de zonen van Rehuël, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuël in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.</verse>
				<verse number="18">En dit zijn de zonen van Aholibáma, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jáëlam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibáma, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau.</verse>
				<verse number="19">Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hunlieder vorsten; hij is Edom.</verse>
				<verse number="20">Dit zijn de zonen van Seïr, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,</verse>
				<verse number="21">En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten der Horieten, zonen van Seïr, in het land van Edom.</verse>
				<verse number="22">En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zuster was Timna.</verse>
				<verse number="23">En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manáhath, en Ebal, en Sefo, en Onam.</verse>
				<verse number="24">En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.</verse>
				<verse number="25">En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibáma was de dochter van Ana.</verse>
				<verse number="26">En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.</verse>
				<verse number="27">Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Záävan, en Akan.</verse>
				<verse number="28">Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.</verse>
				<verse number="29">Dit zijn de vorsten der Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana.</verse>
				<verse number="30">De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten der Horieten, naar hun vorsten in het land Seïr.</verse>
				<verse number="31">En dit zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="32">Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad was Dinhába.</verse>
				<verse number="33">En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="34">En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="35">En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.</verse>
				<verse number="36">En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="37">En Samla stierf, en Saul van Rehobôth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="38">En Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="39">En Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mechetabeël, een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab.</verse>
				<verse number="40">En dit zijn de namen der vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,</verse>
				<verse number="41">De vorst Aholibáma, de vorst Ela, de vorst Pinon,</verse>
				<verse number="42">De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar,</verse>
				<verse number="43">De vorst Magdiël, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hun woningen, in het land hunner bezitting; hij is Ezau, de vader van Edom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="2">Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.</verse>
				<verse number="3">En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.</verse>
				<verse number="4">Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.</verse>
				<verse number="5">Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.</verse>
				<verse number="6">En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb.</verse>
				<verse number="7">En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.</verse>
				<verse number="8">Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.</verse>
				<verse number="9">En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.</verse>
				<verse number="10">En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?</verse>
				<verse number="11">Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.</verse>
				<verse number="12">En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.</verse>
				<verse number="13">Zo zeide Israël tot Jozef: Weiden uw broeders niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zende. En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="14">En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.</verse>
				<verse number="15">En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij?</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Ik zoek mijn broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weiden.</verse>
				<verse number="17">Zo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan.</verse>
				<verse number="18">En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden.</verse>
				<verse number="19">En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meester-dromer aan!</verse>
				<verse number="20">Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal.</verse>
				<verse number="21">Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.</verse>
				<verse number="22">Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde, als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.</verse>
				<verse number="24">En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.</verse>
				<verse number="25">Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen?</verse>
				<verse number="27">Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees; en zijn broederen hoorden hem.</verse>
				<verse number="28">Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.</verse>
				<verse number="29">Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.</verse>
				<verse number="30">En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan?</verse>
				<verse number="31">Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed.</verse>
				<verse number="32">En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet.</verse>
				<verse number="33">En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!</verse>
				<verse number="34">Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.</verse>
				<verse number="35">En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.</verse>
				<verse number="36">En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Pótifar, een hoveling van Faraö, overste der trawanten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.</verse>
				<verse number="2">En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaänietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in.</verse>
				<verse number="3">En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.</verse>
				<verse number="4">Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan.</verse>
				<verse number="5">En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.</verse>
				<verse number="6">Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.</verse>
				<verse number="7">Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des HEEREN ogen; daarom doodde hem de HEERE.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.</verse>
				<verse number="9">Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.</verse>
				<verse number="10">En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien deze ook sterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.</verse>
				<verse number="12">Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.</verse>
				<verse number="13">En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.</verse>
				<verse number="14">Toen legde zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.</verse>
				<verse number="15">Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.</verse>
				<verse number="16">En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?</verse>
				<verse number="17">En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.</verse>
				<verse number="19">En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.</verse>
				<verse number="20">En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.</verse>
				<verse number="21">En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.</verse>
				<verse number="22">En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.</verse>
				<verse number="23">Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!</verse>
				<verse number="25">Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.</verse>
				<verse number="26">En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.</verse>
				<verse number="28">En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.</verse>
				<verse number="29">Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.</verse>
				<verse number="30">En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Pótifar, een hoveling van Faraö, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaëlieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.</verse>
				<verse number="2">En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.</verse>
				<verse number="3">Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;</verse>
				<verse number="4">Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.</verse>
				<verse number="5">En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.</verse>
				<verse number="6">En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.</verse>
				<verse number="7">En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!</verse>
				<verse number="8">Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.</verse>
				<verse number="9">Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;</verse>
				<verse number="11">Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.</verse>
				<verse number="12">En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;</verse>
				<verse number="14">Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.</verse>
				<verse number="16">En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.</verse>
				<verse number="17">Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.</verse>
				<verse number="18">En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.</verse>
				<verse number="19">En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.</verse>
				<verse number="20">En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.</verse>
				<verse number="21">Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.</verse>
				<verse number="22">En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.</verse>
				<verse number="23">De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">En het geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte, en de bakker, zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte.</verse>
				<verse number="2">Zodat Faraö zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste der schenkers, en op den overste der bakkers.</verse>
				<verse number="3">En hij leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was.</verse>
				<verse number="4">En de overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren sommige dagen in bewaring.</verse>
				<verse number="5">Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.</verse>
				<verse number="6">En Jozef kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.</verse>
				<verse number="7">Toen vraagde hij de hovelingen van Faraö, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?</verse>
				<verse number="8">En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt ze mij toch.</verse>
				<verse number="9">Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: In mijn droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;</verse>
				<verse number="10">En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijn trossen brachten rijpe druiven voort.</verse>
				<verse number="11">En Faraö's beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Faraö's beker, en ik gaf den beker op Faraö's hand.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.</verse>
				<verse number="13">Binnen nog drie dagen zal Faraö uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en gij zult Faraö's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen gij zijn schenker waart.</verse>
				<verse number="14">Doch gedenk mijner bij uzelven, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij Faraö, en maak, dat ik uit dit huis kome.</verse>
				<verse number="15">Want ik ben diefelijk ontstolen uit het land der Hebreeën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.</verse>
				<verse number="16">Toen de overste der bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zeide hij tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede korven waren op mijn hoofd.</verse>
				<verse number="17">En in den oppersten korf was van alle spijze van Faraö, die bakkerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit den korf, van boven mijn hoofd.</verse>
				<verse number="18">Toen antwoordde Jozef, en zeide: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn drie dagen.</verse>
				<verse number="19">Binnen nog drie dagen zal Faraö uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde op den derden dag, den dag van Faraö's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste der schenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden zijner knechten.</verse>
				<verse number="21">En hij deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, zodat hij den beker op Faraö's hand gaf.</verse>
				<verse number="22">Maar den overste der bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.</verse>
				<verse number="23">Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="41">
				<verse number="1">En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Faraö droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.</verse>
				<verse number="2">En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.</verse>
				<verse number="3">En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan den oever der rivier.</verse>
				<verse number="4">En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Faraö.</verse>
				<verse number="5">Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm, vet en goed.</verse>
				<verse number="6">En ziet, zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uit.</verse>
				<verse number="7">En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Faraö, en ziet, het was een droom.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Faraö vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Faraö uitlegde.</verse>
				<verse number="9">Toen sprak de overste der schenkers tot Faraö, zeggende: Ik gedenk heden aan mijn zonden.</verse>
				<verse number="10">Faraö was zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.</verse>
				<verse number="11">En in een nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar de uitlegging zijns drooms.</verse>
				<verse number="12">En aldaar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van den overste der trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom.</verse>
				<verse number="13">En gelijk hij ons uitlegde, alzo is het geschied; mij heeft hij hersteld in mijn staat, en hem gehangen.</verse>
				<verse number="14">Toen zond Faraö en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Faraö.</verse>
				<verse number="15">En Faraö sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij hem uitlegt.</verse>
				<verse number="16">En Jozef antwoordde Faraö, zeggende: Het is buiten mij! God zal Faraö's welstand aanzeggen.</verse>
				<verse number="17">Toen sprak Faraö tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan den oever der rivier;</verse>
				<verse number="18">En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en schoon van gedaante, en zij weidden in het gras.</verse>
				<verse number="19">En zie, zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer lelijk van gedaante, rank van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het ganse Egypteland.</verse>
				<verse number="20">En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;</verse>
				<verse number="21">Dewelke in haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buik ingekomen waren; want haar aanzien was lelijk, gelijk als in het begin. Toen ontwaakte ik.</verse>
				<verse number="22">Daarna zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren rezen op in een halm, vol en goed.</verse>
				<verse number="23">En zie, zeven dorre, dunne en van den oostenwind verzengde aren, schoten na dezelve uit;</verse>
				<verse number="24">En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het den tovenaars gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Jozef tot Faraö: De droom van Faraö is één; hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö te kennen gegeven.</verse>
				<verse number="26">Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is één.</verse>
				<verse number="27">En die zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren des hongers wezen.</verse>
				<verse number="28">Dit is het woord, hetwelk ik tot Faraö gesproken heb: hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö vertoond.</verse>
				<verse number="29">Zie, de zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het ganse land van Egypte zijn.</verse>
				<verse number="30">Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren.</verse>
				<verse number="31">Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dienzelven honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.</verse>
				<verse number="32">En aangaande, dat die droom aan Faraö ten tweeden maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.</verse>
				<verse number="33">Zo zie nu Faraö naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte.</verse>
				<verse number="34">Faraö doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds.</verse>
				<verse number="35">En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Faraö, tot spijze in de steden, en bewaren het.</verse>
				<verse number="36">Zo zal de spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.</verse>
				<verse number="37">En dit woord was goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van al zijn knechten.</verse>
				<verse number="38">Zo zeide Faraö tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als dezen, in welken Gods Geest is?</verse>
				<verse number="39">Daarna zeide Faraö tot Jozef: Naardien God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij.</verse>
				<verse number="40">Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij.</verse>
				<verse number="41">Voorts sprak Faraö tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.</verse>
				<verse number="42">En Faraö nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde een gouden keten aan zijn hals;</verse>
				<verse number="43">En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.</verse>
				<verse number="44">En Faraö zeide tot Jozef: Ik ben Faraö! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.</verse>
				<verse number="45">En Faraö noemde Jozefs naam Zafnath Paänéah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potiféra, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.</verse>
				<verse number="46">Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Faraö, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Faraö's aangezicht, en hij toog door gans Egypteland.</verse>
				<verse number="47">En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen.</verse>
				<verse number="48">En hij vergaderde alle spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden; de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daar binnen.</verse>
				<verse number="49">Alzo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.</verse>
				<verse number="50">En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Potiféra, overste van On, hem baarde.</verse>
				<verse number="51">En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij, God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.</verse>
				<verse number="52">En den naam des tweeden noemde hij Efraïm; want, zeide hij, God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking.</verse>
				<verse number="53">Toen eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was.</verse>
				<verse number="54">En de zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood.</verse>
				<verse number="55">Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Faraö om brood; en Faraö zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.</verse>
				<verse number="56">Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger werd sterk in Egypteland.</verse>
				<verse number="57">En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="42">
				<verse number="1">Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zeide Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet gij op elkander?</verse>
				<verse number="2">Voorts zeide hij: Ziet, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trekt daarhenen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven.</verse>
				<verse number="3">Toen togen Jozefs tien broederen af, om koren uit Egypte te kopen.</verse>
				<verse number="4">Doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijn broederen; want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete!</verse>
				<verse number="5">Alzo kwamen Israëls zonen om te kopen onder degenen, die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="6">Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde.</verse>
				<verse number="7">Als Jozef zijn broederen zag, zo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met hen, en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaän; om spijze te kopen.</verse>
				<verse number="8">Jozef dan kende zijn broederen; maar zij kenden hem niet.</verse>
				<verse number="9">Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.</verse>
				<verse number="10">En zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer! maar uw knechten zijn gekomen, om spijze te kopen.</verse>
				<verse number="11">Wij allen zijn ééns mans zonen; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen verspieders.</verse>
				<verse number="12">En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is.</verse>
				<verse number="13">En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, ééns mans zonen, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onzen vader; doch de een is niet meer.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders!</verse>
				<verse number="15">Hierin zult gij beproefd worden: zo waarlijk als Faraö leeft! indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn!</verse>
				<verse number="16">Zendt een uit u, die uw broeder hale; maar weest gijlieden gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en indien niet, zo waarlijk als Faraö leeft, zo zijt gij verspieders!</verse>
				<verse number="17">En hij zette hen samen drie dagen in bewaring.</verse>
				<verse number="18">En ten derden dage zeide Jozef tot hen: Doet dit, zo zult gij leven; ik vrees God.</verse>
				<verse number="19">Zo gij vroom zijt, zo zij een uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij heen, brengt het koren voor den honger uwer huizen.</verse>
				<verse number="20">En brengt uw kleinsten broeder tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en gij zult niet sterven. En zij deden alzo.</verse>
				<verse number="21">Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.</verse>
				<verse number="22">En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling! maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!</verse>
				<verse number="23">En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen.</verse>
				<verse number="24">Toen wendde hij zich om, van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen.</verse>
				<verse number="25">En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzo.</verse>
				<verse number="26">En zij laadden hun koren op hun ezels, en togen van daar.</verse>
				<verse number="27">Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in den mond van zijn zak.</verse>
				<verse number="28">En hij zeide tot zijn broederen: Mijn geld is wedergekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de een tot den ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft?</verse>
				<verse number="29">En zij kwamen in het land Kanaän, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen al hun wedervaren, zeggende:</verse>
				<verse number="30">Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor verspieders des lands.</verse>
				<verse number="31">Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.</verse>
				<verse number="32">Wij waren twaalf gebroeders, zonen van onzen vader; de een is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="33">En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat gijlieden vroom zijt; laat een uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen, en trekt heen.</verse>
				<verse number="34">En brengt uw kleinsten broeder tot mij; zo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uw broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen.</verse>
				<verse number="35">En het geschiedde, als zij hun zakken ledigden, ziet, zo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.</verse>
				<verse number="36">Toen zeide Jakob, hun vader, tot hen: Gij berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij!</verse>
				<verse number="37">Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: Dood twee mijner zonen, zo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weder tot u brengen!</verse>
				<verse number="38">Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broeder is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op den weg, dien gij zult gaan, zo zoudt gij mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="43">
				<verse number="1">De honger nu werd zwaar in dat land;</verse>
				<verse number="2">Zo geschiedde het, als zij den leeftocht, dien zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert wederom, koopt ons een weinig spijze.</verse>
				<verse number="3">Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.</verse>
				<verse number="4">Indien gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u spijze kopen;</verse>
				<verse number="5">Maar indien gij hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.</verse>
				<verse number="6">En Israël zeide: Waarom hebt gij zo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft, of gij nog een broeder hadt?</verse>
				<verse number="7">En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Juda tot Israël, zijn vader: Zend den jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens.</verse>
				<verse number="9">Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!</verse>
				<verse number="10">Want hadden wij niet gezuimd, voorwaar, wij waren alreeds tweemaal wedergekomen.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Israël, hun vader, tot hen: Is het nu alzo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem, en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.</verse>
				<verse number="12">En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, weder in uw hand; misschien is het een feil.</verse>
				<verse number="13">Neemt ook uw broeder mede, en maakt u op, keert weder tot dien man.</verse>
				<verse number="14">En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man, dat hij uw anderen broeder en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd!</verse>
				<verse number="15">En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht.</verse>
				<verse number="16">Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zeide hij tot dengene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten.</verse>
				<verse number="17">De man nu deed, gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef.</verse>
				<verse number="18">Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen.</verse>
				<verse number="19">Daarom naderden zij tot dien man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis.</verse>
				<verse number="20">En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om spijze te kopen.</verse>
				<verse number="21">Het is nu geschied, als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders mans geld in den mond van zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben hetzelve wedergebracht in onze hand.</verse>
				<verse number="22">Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om spijze te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.</verse>
				<verse number="23">En hij zeide: Vrede zij ulieden, vreest niet! Uw God en de God uws vaders heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit.</verse>
				<verse number="24">Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wiesen hun voeten; hij gaf ook aan hun ezelen voeder.</verse>
				<verse number="25">En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op den middag; want zij hadden gehoord, dat zij aldaar brood eten zouden.</verse>
				<verse number="26">Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, hetwelk in hun hand was, in het huis, en zij bogen zich voor hem ter aarde.</verse>
				<verse number="27">En hij vraagde hun naar hun welstand, en zeide: Is het wel met uw vader, den oude, waarvan gij zeidet? Leeft hij nog?</verse>
				<verse number="28">En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onzen vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neder.</verse>
				<verse number="29">En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broeder, den zoon zijner moeder, en zeide: Is dit uw kleinste broeder, waarvan gij tot mij zeidet? Daarna zeide hij: Mijn zoon! God zij u genadig!</verse>
				<verse number="30">En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak jegens zijn broeder, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende aldaar.</verse>
				<verse number="31">Daarna wies hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelven, en zeide: Zet brood op.</verse>
				<verse number="32">En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreeën, dewijl zulks den Egyptenaren een gruwel is.</verse>
				<verse number="33">En zij aten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en de jongere naar zijn jonkheid; dies verwonderden zich de mannen onder elkander.</verse>
				<verse number="34">En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="44">
				<verse number="1">En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;</verse>
				<verse number="2">En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.</verse>
				<verse number="3">Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.</verse>
				<verse number="4">Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zeide: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?</verse>
				<verse number="5">Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.</verse>
				<verse number="6">En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.</verse>
				<verse number="7">En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zodanig een ding doen zouden.</verse>
				<verse number="8">Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaän wedergebracht; hoe zouden wij dan uit het huis uws heren zilver of goud stelen?</verse>
				<verse number="9">Bij wien van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn!</verse>
				<verse number="10">En hij zeide: Dit zij nu ook alzo, naar uw woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.</verse>
				<verse number="11">En zij haastten, en een iegelijk zette zijn zak af op de aarde, en een iegelijk opende zijn zak.</verse>
				<verse number="12">En hij doorzocht, beginnende met den grootste, en voleindigende met den kleinste; en die beker werd gevonden in den zak van Benjamin.</verse>
				<verse number="13">Toen scheurden zij hun klederen; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weder naar de stad.</verse>
				<verse number="14">En Juda kwam met zijn broederen in het huis van Jozef; want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde.</verse>
				<verse number="15">En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude?</verse>
				<verse number="16">Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.</verse>
				<verse number="17">Maar hij zeide: Het zij verre van mij zulks te doen! de man, in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uw vader.</verse>
				<verse number="18">Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Faraö!</verse>
				<verse number="19">Mijn heer vraagde zijn knechten, zeggende: Hebt gijlieden een vader, of broeder?</verse>
				<verse number="20">Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling des ouderdoms, den kleinsten, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.</verse>
				<verse number="21">Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla.</verse>
				<verse number="22">En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven.</verse>
				<verse number="23">Toen zeidet gij tot uw knechten: Indien uw kleinste broeder met u niet afkomt, zo zult gij mijn aangezicht niet meer zien.</verse>
				<verse number="24">En het is geschied, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden mijns heren verhaald hebben;</verse>
				<verse number="25">En dat onze vader gezegd heeft: Keert weder, koopt ons een weinig spijze;</verse>
				<verse number="26">Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; indien onze kleinste broeder bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van dien man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broeder niet bij ons is.</verse>
				<verse number="27">Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gijlieden weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft.</verse>
				<verse number="28">En de een is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gewisselijk verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe.</verse>
				<verse number="29">Indien gij nu dezen ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen!</verse>
				<verse number="30">Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (alzo zijn ziel aan de ziel van dezen gebonden is),</verse>
				<verse number="31">Zo zal het geschieden, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haren van uw knecht, onzen vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.</verse>
				<verse number="32">Want uw knecht is voor dezen jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben!</verse>
				<verse number="33">Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat den jongeling met zijn broederen optrekken!</verse>
				<verse number="34">Want hoe zoude ik optrekken tot mijn vader, indien de jongeling niet met mij was, opdat ik den jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="45">
				<verse number="1">Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekend maakte.</verse>
				<verse number="2">En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Faraö's huis hoorde.</verse>
				<verse number="3">En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="4">En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.</verse>
				<verse number="5">Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.</verse>
				<verse number="6">Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.</verse>
				<verse number="7">Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.</verse>
				<verse number="8">Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Faraö's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.</verse>
				<verse number="9">Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt tot hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.</verse>
				<verse number="10">En gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uw zonen, en de zonen uwer zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat gij hebt.</verse>
				<verse number="11">En ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!</verse>
				<verse number="12">En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broeder Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt.</verse>
				<verse number="13">En boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader herwaarts af.</verse>
				<verse number="14">En hij viel aan den hals van Benjamin, zijn broeder, en weende; en Benjamin weende aan zijn hals.</verse>
				<verse number="15">En hij kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijn broeders met hem.</verse>
				<verse number="16">Als dit gerucht in het huis van Faraö gehoord werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van zijn knechten.</verse>
				<verse number="17">En Faraö zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;</verse>
				<verse number="18">En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.</verse>
				<verse number="19">Gij zijt toch gelast: doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uw kinderkens, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.</verse>
				<verse number="20">En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn.</verse>
				<verse number="21">En de zonen van Israël deden alzo. Zo gaf Jozef hun wagenen, naar Faraö's bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.</verse>
				<verse number="22">Hij gaf hun allen, iedereen, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.</verse>
				<verse number="23">En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.</verse>
				<verse number="24">En hij zond zijn broeders heen; en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg.</verse>
				<verse number="25">En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaän tot hun vader Jakob.</verse>
				<verse number="26">Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.</verse>
				<verse number="27">Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.</verse>
				<verse number="28">En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="46">
				<verse number="1">En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-séba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.</verse>
				<verse number="2">En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.</verse>
				<verse number="4">Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.</verse>
				<verse number="5">Toen maakte zich Jakob op van Ber-séba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Faraö gezonden had, om hem te voeren.</verse>
				<verse number="6">En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;</verse>
				<verse number="7">Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.</verse>
				<verse number="8">En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.</verse>
				<verse number="9">En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.</verse>
				<verse number="10">En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.</verse>
				<verse number="11">En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merári.</verse>
				<verse number="12">En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.</verse>
				<verse number="13">En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.</verse>
				<verse number="14">En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleël.</verse>
				<verse number="15">Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.</verse>
				<verse number="16">En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Aródi, en Aréli.</verse>
				<verse number="17">En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël.</verse>
				<verse number="18">Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.</verse>
				<verse number="19">De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.</verse>
				<verse number="20">En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potiféra, den overste te On, baarde.</verse>
				<verse number="21">En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Rôs, Muppim en Huppim, en Ard.</verse>
				<verse number="22">Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.</verse>
				<verse number="23">En de zonen van Dan: Chusim.</verse>
				<verse number="24">En de zonen van Nafthali: Jáhzeël, en Guni, en Jezer, en Sillem.</verse>
				<verse number="25">Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.</verse>
				<verse number="26">Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.</verse>
				<verse number="27">En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.</verse>
				<verse number="28">En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.</verse>
				<verse number="29">Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.</verse>
				<verse number="30">En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!</verse>
				<verse number="31">Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Faraö boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.</verse>
				<verse number="32">En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.</verse>
				<verse number="33">Wanneer het nu geschieden zal, dat Faraö ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?</verse>
				<verse number="34">Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="47">
				<verse number="1">Toen kwam Jozef en boodschapte Faraö, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen.</verse>
				<verse number="2">En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Faraö's aangezicht.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Faraö tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Faraö: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.</verse>
				<verse number="4">Voorts zeiden zij tot Faraö: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!</verse>
				<verse number="5">Toen sprak Faraö tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;</verse>
				<verse number="6">Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.</verse>
				<verse number="7">En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Faraö's aangezicht; en Jakob zegende Faraö.</verse>
				<verse number="8">En Faraö zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!</verse>
				<verse number="9">En Jakob zeide tot Faraö: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.</verse>
				<verse number="10">En Jakob zegende Faraö, en ging uit van Faraö's aangezicht.</verse>
				<verse number="11">En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Raméses, gelijk als Faraö geboden had.</verse>
				<verse number="12">En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.</verse>
				<verse number="13">En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land Kanaän raasden vanwege dien honger.</verse>
				<verse number="14">Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Faraö's huis.</verse>
				<verse number="15">Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;</verse>
				<verse number="16">En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.</verse>
				<verse number="17">Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.</verse>
				<verse number="18">Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezicht mijns heren, dan ons lichaam en ons land.</verse>
				<verse number="19">Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Faraö dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!</verse>
				<verse number="20">Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Faraö; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Faraö's eigen.</verse>
				<verse number="21">En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste der palen van Egypte, tot het andere uiterste deszelven.</verse>
				<verse number="22">Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Faraö, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Faraö gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.</verse>
				<verse number="23">Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Faraö; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.</verse>
				<verse number="24">Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Faraö het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.</verse>
				<verse number="25">En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Faraö's knechten zijn.</verse>
				<verse number="26">Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot op dezen dag, over het land van Egypte, dat Faraö het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Faraö niet werd.</verse>
				<verse number="27">Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.</verse>
				<verse number="28">En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.</verse>
				<verse number="29">Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;</verse>
				<verse number="30">Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="48">
				<verse number="1">Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm!</verse>
				<verse number="2">En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israël, en zat op het bed.</verse>
				<verse number="3">Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend;</verse>
				<verse number="4">En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.</verse>
				<verse number="5">Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.</verse>
				<verse number="6">Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.</verse>
				<verse number="7">Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.</verse>
				<verse number="8">En Israël zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?</verse>
				<verse number="9">En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!</verse>
				<verse number="10">Doch de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.</verse>
				<verse number="11">En Israël zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!</verse>
				<verse number="12">Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.</verse>
				<verse number="13">En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.</verse>
				<verse number="14">Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.</verse>
				<verse number="15">En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;</verse>
				<verse number="16">Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!</verse>
				<verse number="17">Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm leide, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen.</verse>
				<verse number="18">En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.</verse>
				<verse number="19">Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.</verse>
				<verse number="20">Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse.</verse>
				<verse number="21">Daarna zeide Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.</verse>
				<verse number="22">En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="49">
				<verse number="1">Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.</verse>
				<verse number="2">Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader.</verse>
				<verse number="3">Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!</verse>
				<verse number="4">Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!</verse>
				<verse number="5">Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!</verse>
				<verse number="6">Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.</verse>
				<verse number="7">Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.</verse>
				<verse number="8">Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.</verse>
				<verse number="9">Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?</verse>
				<verse number="10">De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="11">Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.</verse>
				<verse number="12">Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.</verse>
				<verse number="13">Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.</verse>
				<verse number="14">Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.</verse>
				<verse number="15">Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.</verse>
				<verse number="16">Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls.</verse>
				<verse number="17">Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.</verse>
				<verse number="18">Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!</verse>
				<verse number="19">Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.</verse>
				<verse number="20">Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.</verse>
				<verse number="21">Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.</verse>
				<verse number="22">Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.</verse>
				<verse number="23">De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;</verse>
				<verse number="24">Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls;</verse>
				<verse number="25">Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!</verse>
				<verse number="26">De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!</verse>
				<verse number="27">Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen.</verse>
				<verse number="28">Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.</verse>
				<verse number="29">Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet;</verse>
				<verse number="30">In de spelonk, welke is op den akker van Machpéla, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis.</verse>
				<verse number="31">Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.</verse>
				<verse number="32">De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.</verse>
				<verse number="33">Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="50">
				<verse number="1">Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.</verse>
				<verse number="2">En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël.</verse>
				<verse number="3">En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.</verse>
				<verse number="4">Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Faraö, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Faraö, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.</verse>
				<verse number="6">En Faraö zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.</verse>
				<verse number="7">En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Faraö's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;</verse>
				<verse number="8">Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.</verse>
				<verse number="9">En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.</verse>
				<verse number="10">Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.</verse>
				<verse number="11">Als de inwoners des lands, de Kanaänieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-Mizráïm, die aan het veer van de Jordaan is.</verse>
				<verse number="12">En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had;</verse>
				<verse number="13">Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpéla, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre.</verse>
				<verse number="14">Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.</verse>
				<verse number="15">Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.</verse>
				<verse number="16">Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.</verse>
				<verse number="18">Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!</verse>
				<verse number="19">En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?</verse>
				<verse number="20">Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.</verse>
				<verse number="21">Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.</verse>
				<verse number="22">Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.</verse>
				<verse number="23">En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.</verse>
				<verse number="24">En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.</verse>
				<verse number="25">En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!</verse>
				<verse number="26">En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="2">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Dit nu zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis.</verse>
				<verse number="2">Ruben, Simeon, Levi, en Juda;</verse>
				<verse number="3">Issaschar, Zebulon, en Benjamin;</verse>
				<verse number="4">Dan en Nafthali, Gad en Aser.</verse>
				<verse number="5">Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte.</verse>
				<verse number="6">Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht,</verse>
				<verse number="7">Zo werden de kinderen Israëls vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd.</verse>
				<verse number="8">Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;</verse>
				<verse number="9">Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israëls is veel, ja, machtiger dan wij.</verse>
				<verse number="10">Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.</verse>
				<verse number="11">En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Faraö schatsteden, Pitom en Raämses.</verse>
				<verse number="12">Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="13">En de Egyptenaars deden de kinderen Israëls dienen met hardigheid;</verse>
				<verse number="14">Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen deden dienen met hardigheid.</verse>
				<verse number="15">Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreïnnen, welker ener naam Sifra, en de naam der andere Pua was;</verse>
				<verse number="16">En zeide: Wanneer gij de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!</verse>
				<verse number="17">Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven.</verse>
				<verse number="18">Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waarom hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij de knechtjes in het leven behouden hebt?</verse>
				<verse number="19">En de vroedvrouwen zeiden tot Faraö: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard.</verse>
				<verse number="20">Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig.</verse>
				<verse number="21">En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.</verse>
				<verse number="22">Toen gebood Faraö aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het leven behouden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi.</verse>
				<verse number="2">En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.</verse>
				<verse number="3">Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan den oever der rivier.</verse>
				<verse number="4">En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.</verse>
				<verse number="5">En de dochter van Faraö ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.</verse>
				<verse number="6">Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreeën!</verse>
				<verse number="7">Toen zeide zijn zuster tot Faraö's dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?</verse>
				<verse number="8">En de dochter van Faraö zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Faraö's dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.</verse>
				<verse number="10">En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Faraö's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.</verse>
				<verse number="12">En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand.</verse>
				<verse number="13">Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste?</verse>
				<verse number="14">Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!</verse>
				<verse number="15">Als nu Faraö deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Faraö's aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.</verse>
				<verse number="16">En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken.</verse>
				<verse number="17">Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, en verloste ze, en drenkte haar kudden.</verse>
				<verse number="18">En toen zij tot haar vader Rehuël kwamen, zo sprak hij: Waarom zijt gij heden zo haast wedergekomen?</verse>
				<verse number="19">Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand der herderen; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt.</verse>
				<verse number="20">En hij zeide tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij den man nu gaan? roept hem, dat hij brood ete.</verse>
				<verse number="21">En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora;</verse>
				<verse number="22">Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israëls zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.</verse>
				<verse number="24">En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob.</verse>
				<verse number="25">En God zag de kinderen Israëls aan, en God kende hen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, den priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb.</verse>
				<verse number="2">En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.</verse>
				<verse number="3">En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt.</verse>
				<verse number="4">Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik!</verse>
				<verse number="5">En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.</verse>
				<verse number="6">Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.</verse>
				<verse number="7">En de HEERE zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.</verse>
				<verse number="8">Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaänieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten.</verse>
				<verse number="9">En nu, zie, het geschrei der kinderen Israëls is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyptenaars hen verdrukken.</verse>
				<verse number="10">Zo kom nu, en Ik zal u tot Faraö zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israëls) uit Egypte voert.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Faraö zou gaan; en dat ik de kinderen Israëls uit Egypte zou voeren?</verse>
				<verse number="12">Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op dezen berg.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?</verse>
				<verse number="14">En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden!</verse>
				<verse number="15">Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="16">Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: De HEERE, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan;</verse>
				<verse number="17">Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land der Kanaänieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honig.</verse>
				<verse number="18">En zij zullen uw stem horen; en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israël, tot den koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De HEERE, de God der Hebreeën, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan den weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij den HEERE, onzen God, offeren!</verse>
				<verse number="19">Doch Ik weet, dat de koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand.</verse>
				<verse number="20">Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ik in het midden van hetzelve doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.</verse>
				<verse number="21">En Ik zal dit volk genade geven in de ogen der Egyptenaren; en het zal geschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zo zult gij niet ledig uitgaan.</verse>
				<verse number="22">Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen; die zult gijlieden op uw zonen, en op uw dochteren leggen, en gij zult Egypte beroven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Toen antwoordde Mozes, en zeide: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: De HEERE is u niet verschenen!</verse>
				<verse number="2">En de HEERE zeide tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zeide: Een staf.</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vlood van haar.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand.</verse>
				<verse number="5">Opdat zij geloven, dat u verschenen is de HEERE, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE zeide verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.</verse>
				<verse number="7">En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weder als zijn ander vlees.</verse>
				<verse number="8">En het zal geschieden, zo zij u niet geloven, noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven.</verse>
				<verse number="9">En het zal geschieden, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren der rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, diezelve zullen tot bloed worden op het droge.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Mozes tot den HEERE: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen Gij tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zeide tot hem: Wie heeft den mens den mond gemaakt, of wie heeft den stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?</verse>
				<verse number="12">En nu ga henen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult.</verse>
				<verse number="13">Doch hij zeide: Och, Heere! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden.</verse>
				<verse number="14">Toen ontstak de toorn des HEEREN over Mozes, en Hij zeide: is niet Aäron, de Leviet, uw broeder? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.</verse>
				<verse number="15">Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal ulieden leren, wat gij doen zult.</verse>
				<verse number="16">En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden, dat hij u tot een mond zal zijn, en gij zult hem tot een god zijn.</verse>
				<verse number="17">Neem dan dezen staf in uw hand, waarmede gij die tekenen doen zult.</verse>
				<verse number="18">Toen ging Mozes heen, en keerde weder tot Jethro, zijn schoonvader, en zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broederen, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede!</verse>
				<verse number="19">Ook zeide de HEERE tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weder in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten.</verse>
				<verse number="20">Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weder in Egypteland; en Mozes nam den staf Gods in zijn hand.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Faraö, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.</verse>
				<verse number="22">Dan zult gij tot Faraö zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.</verse>
				<verse number="23">En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde op den weg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam, en zocht hem te doden.</verse>
				<verse number="25">Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijn voeten, en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom!</verse>
				<verse number="26">En Hij liet van hem af. Toen zeide zij: Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenissen.</verse>
				<verse number="27">De HEERE zeide ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan den berg Gods, en hij kuste hem.</verse>
				<verse number="28">En Mozes gaf Aäron te kennen al de woorden des HEEREN, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.</verse>
				<verse number="29">Toen ging Mozes en Aäron, en zij verzamelden al de oudsten der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="30">En Aäron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks.</verse>
				<verse number="31">En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israëls bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Faraö: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!</verse>
				<verse number="2">Maar Faraö zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.</verse>
				<verse number="3">Zij dan zeiden: De God der Hebreeën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Aäron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.</verse>
				<verse number="5">Verder zeide Faraö: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?</verse>
				<verse number="6">Daarom beval Faraö, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:</verse>
				<verse number="7">Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.</verse>
				<verse number="8">En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!</verse>
				<verse number="9">Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.</verse>
				<verse number="10">Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Faraö: Ik zal ulieden geen stro geven.</verse>
				<verse number="11">Gaat gij zelve heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden.</verse>
				<verse number="12">Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.</verse>
				<verse number="13">En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.</verse>
				<verse number="14">En de ambtlieden der kinderen Israëls, die Faraö's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?</verse>
				<verse number="15">Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls, en schreeuwden tot Faraö, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?</verse>
				<verse number="16">Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks!</verse>
				<verse number="17">Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den HEERE offeren!</verse>
				<verse number="18">Zo gaat nu heen, arbeidt; doch stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult gij het getal der tichelstenen leveren.</verse>
				<verse number="19">Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag.</verse>
				<verse number="20">En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Faraö uitgingen.</verse>
				<verse number="21">En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Faraö, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.</verse>
				<verse number="22">Toen keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden?</verse>
				<verse number="23">Want van toen af, dat ik tot Faraö ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Faraö doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE,</verse>
				<verse number="2">En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.</verse>
				<verse number="3">En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.</verse>
				<verse number="4">En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israëls, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.</verse>
				<verse number="5">Derhalve zeg tot de kinderen Israëls: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;</verse>
				<verse number="6">En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE!</verse>
				<verse number="8">En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.</verse>
				<verse number="9">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Ga heen, spreek tot Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.</verse>
				<verse number="11">Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Faraö horen? Daartoe ben ik onbesneden van lippen.</verse>
				<verse number="12">Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Faraö, den koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit Egypteland te leiden.</verse>
				<verse number="13">Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.</verse>
				<verse number="14">En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.</verse>
				<verse number="15">Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merári. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.</verse>
				<verse number="16">De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="17">En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.</verse>
				<verse number="18">En de zonen van Merári: Machli en Mûsi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.</verse>
				<verse number="19">En Amram nam Jochébed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.</verse>
				<verse number="20">En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.</verse>
				<verse number="21">En de zonen van Uzziël: Mísaël, en Elzafan, en Sithri.</verse>
				<verse number="22">En Aäron nam zich tot een vrouw Eliséba, dochter van Amminádab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar.</verse>
				<verse number="23">En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiásaf; dat zijn de huisgezinnen der Korachieten.</verse>
				<verse number="24">En Eleázar, de zoon van Aäron, nam voor zich een van de dochteren van Putiël tot een vrouw; en zij baarde hem Pínehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="25">Dit is Aäron en Mozes, tot welke de HEERE zeide: Leidt de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hun heiren.</verse>
				<verse number="26">Dezen zijn het, die tot Faraö, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israëls uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde te dien dage, als de HEERE tot Mozes sprak in Egypteland;</verse>
				<verse number="28">Zo sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Faraö, den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide Mozes voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Faraö naar mij horen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Faraö; en Aäron, uw broeder, zal uw profeet zijn.</verse>
				<verse number="2">Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broeder, zal tot Faraö spreken, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken laat.</verse>
				<verse number="3">Doch Ik zal Faraö's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen.</verse>
				<verse number="4">Faraö nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypteland, door grote gerichten.</verse>
				<verse number="5">Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israëls uit het midden van hen uitleide.</verse>
				<verse number="6">Toen deed Mozes en Aäron, als hun de HEERE geboden had, alzo deden zij.</verse>
				<verse number="7">En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Faraö spraken.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Wanneer Faraö tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Faraö's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.</verse>
				<verse number="10">Toen ging Mozes en Aäron tot Faraö henen in, en deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en Aäron wierp zijn staf neder voor Faraö's aangezicht, en voor het aangezicht zijner knechten; en hij werd tot een draak.</verse>
				<verse number="11">Faraö nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen.</verse>
				<verse number="12">Want een iegelijk wierp zijn staf neder, en zij werden tot draken; maar Aärons staf verslond hun staven.</verse>
				<verse number="13">Doch Faraö's hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Faraö's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken.</verse>
				<verse number="15">Ga heen tot Faraö in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den staf, die in een slang is veranderd geweest, zult gij in uw hand nemen.</verse>
				<verse number="16">En gij zult tot hem zeggen: de HEERE, de God der Hebreeën, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord.</verse>
				<verse number="17">Zo zegt de HEERE: Daaraan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben; zie, ik zal met dezen staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden.</verse>
				<verse number="18">En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen.</verse>
				<verse number="19">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering hunner wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het ganse Egypteland, beide in houten en in stenen vaten.</verse>
				<verse number="20">Mozes nu en Aäron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en hij hief den staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Faraö, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.</verse>
				<verse number="21">En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het ganse Egypteland.</verse>
				<verse number="22">Doch de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen; zodat Faraö's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als de HEERE gesproken had.</verse>
				<verse number="23">En Faraö keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op.</verse>
				<verse number="24">Doch alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water der rivier niet drinken.</verse>
				<verse number="25">Alzo werden zeven dagen vervuld, nadat de HEERE de rivier geslagen had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.</verse>
				<verse number="2">En indien gij het weigert te laten trekken, zie, zo zal Ik uw ganse landpale met vorsen slaan;</verse>
				<verse number="3">Dat de rivier van vorsen zal krielen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.</verse>
				<verse number="4">En de vorsen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.</verse>
				<verse number="5">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorsen opkomen over Egypteland.</verse>
				<verse number="6">En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.</verse>
				<verse number="7">Toen deden de tovenaars ook alzo, met hun bezweringen; en zij deden vorsen over Egypteland opkomen.</verse>
				<verse number="8">En Faraö riep Mozes en Aäron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den HEERE, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij den HEERE offeren.</verse>
				<verse number="9">Doch Mozes zeide tot Faraö: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?</verse>
				<verse number="10">Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zeide: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk de HEERE, onze God.</verse>
				<verse number="11">Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.</verse>
				<verse number="12">Toen ging Mozes en Aäron uit van Faraö; en Mozes riep tot den HEERE, ter oorzake der vorsen, die Hij Faraö had opgelegd.</verse>
				<verse number="13">En de HEERE deed naar het woord van Mozes; en de vorsen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden.</verse>
				<verse number="14">En zij vergaderden ze samen bij hopen, en het land stonk.</verse>
				<verse number="15">Toen nu Faraö zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de HEERE gesproken had.</verse>
				<verse number="16">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw staf uit, en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde, in het ganse Egypteland.</verse>
				<verse number="17">En zij deden alzo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof der aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland.</verse>
				<verse number="18">De tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; doch zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee.</verse>
				<verse number="19">Toen zeiden de tovenaars tot Faraö: Dit is Gods vinger! Doch Faraö's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.</verse>
				<verse number="20">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Faraö's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;</verse>
				<verse number="21">Want zo gij Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; alzo dat de huizen der Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aardrijk, waarop zij zijn.</verse>
				<verse number="22">En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, in het midden dezes lands ben.</verse>
				<verse number="23">En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken geschieden!</verse>
				<verse number="24">En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Faraö, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.</verse>
				<verse number="25">Toen riep Faraö Mozes en Aäron, en zeide: Gaat heen, en offert uwen God in dit land.</verse>
				<verse number="26">Mozes dan zeide: Het is niet recht, dat men alzo doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den HEERE, onzen God, mogen offeren; zie, indien wij der Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?</verse>
				<verse number="27">Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den HEERE onzen God offeren, gelijk Hij tot ons zeggen zal.</verse>
				<verse number="28">Toen zeide Faraö: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den HEERE, uwen God, offert in de woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te verre trekt! Bidt vuriglijk voor mij.</verse>
				<verse number="29">Mozes nu zeide: Zie, ik ga van u, en zal tot den HEERE vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Faraö, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Faraö niet meer bedriegelijk handele, dit volk niet latende gaan, om den HEERE te offeren.</verse>
				<verse number="30">Toen ging Mozes uit van Faraö, en bad vuriglijk tot den HEERE.</verse>
				<verse number="31">En de HEERE deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Faraö, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet één over.</verse>
				<verse number="32">Doch Faraö verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö, en spreek tot hem: Alzo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.</verse>
				<verse number="2">Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt,</verse>
				<verse number="3">Zie, de hand des HEEREN zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zal een afzondering maken tussen het vee der Israëlieten, en tussen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen Israëls is.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE bestemde een zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de HEERE deze zaak in dit land doen.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf; maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet één.</verse>
				<verse number="7">En Faraö zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was niet tot één toe gestorven. Doch het hart van Faraö werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Neemt gijlieden uw vuisten vol as uit den oven; en Mozes strooie die naar den hemel voor de ogen van Faraö.</verse>
				<verse number="9">En zij zal tot klein stof worden over het ganse Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het ganse Egypteland.</verse>
				<verse number="10">En zij namen as uit den oven, en stonden voor Faraö's aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;</verse>
				<verse number="11">Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.</verse>
				<verse number="12">Doch de HEERE verstokte Faraö's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Faraö's aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.</verse>
				<verse number="14">Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde.</verse>
				<verse number="15">Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pestilentie zou slaan, en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden.</verse>
				<verse number="16">Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde.</verse>
				<verse number="17">Verheft gij uzelven nog tegen Mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken?</verse>
				<verse number="18">Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zwaren hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat het gegrond is, tot nu toe.</verse>
				<verse number="19">En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.</verse>
				<verse number="20">Wie onder Faraö's knechten des HEEREN woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden;</verse>
				<verse number="21">Doch die zijn hart niet zette tot des HEEREN woord, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland.</verse>
				<verse number="23">Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland.</verse>
				<verse number="24">En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.</verse>
				<verse number="25">En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.</verse>
				<verse number="26">Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israëls waren, daar was geen hagel.</verse>
				<verse number="27">Toen schikte Faraö heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!</verse>
				<verse number="28">Bidt vuriglijk tot den HEERE (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!</verse>
				<verse number="30">Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den HEERE God nog niet vrezen zult.</verse>
				<verse number="31">Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.</verse>
				<verse number="32">Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.</verse>
				<verse number="33">Zo ging Mozes van Faraö ter stad uit, en breidde zijn handen tot den HEERE; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.</verse>
				<verse number="34">Toen Faraö zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.</verse>
				<verse number="35">Alzo werd Faraö's hart verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart zijner knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;</verse>
				<verse number="2">En opdat gij voor de oren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="3">Zo gingen Mozes en Aäron tot Faraö, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.</verse>
				<verse number="4">Want indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen.</verse>
				<verse number="5">En zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt.</verse>
				<verse number="6">En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; dewelke uw vaders, noch de vaderen uwer vaders gezien hebben, van dien dag af, dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Faraö.</verse>
				<verse number="7">En de knechten van Faraö zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij den HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verdorven is?</verse>
				<verse number="8">Toen werden Mozes en Aäron weder tot Faraö gebracht, en hij zeide tot hen: Gaat henen, dient den HEERE, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?</verse>
				<verse number="9">En Mozes zeide: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden; met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht!</verse>
				<verse number="11">Niet alzo gij, mannen, gaat nu heen, en dient den HEERE; want dat hebt gijlieden verzocht! En men dreef hen uit van Faraö's aangezicht.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al wat de hagel heeft over gelaten.</verse>
				<verse number="13">Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en de HEERE bracht een oostenwind in dat land, dien gehelen dag en dien gansen nacht; het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.</verse>
				<verse number="14">En de sprinkhanen kwamen op over het ganse Egypteland, en lieten zich neder aan al de palen der Egyptenaren, zeer zwaar; vóór dezen zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet wezen;</verse>
				<verse number="15">Want zij bedekten het gezicht des gansen lands, alzo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid des lands op, en al de vruchten der bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden des velds, in het ganse Egypteland.</verse>
				<verse number="16">Toen haastte Faraö, om Mozes en Aäron te roepen, en zeide: Ik heb gezondigd tegen den HEERE, uw God, en tegen ulieden.</verse>
				<verse number="17">En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot den HEERE, uw God, dat Hij slechts dezen dood van mij wegneme.</verse>
				<verse number="18">En hij ging uit van Faraö, en bad vuriglijk tot den HEERE.</verse>
				<verse number="19">Toen keerde de HEERE een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet één sprinkhaan over in al de landpalen van Egypte.</verse>
				<verse number="20">Doch de HEERE verstokte Faraö's hart, dat hij de kinderen Israëls niet liet trekken.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.</verse>
				<verse number="22">Als Mozes zijn hand uitstrekte naar den hemel, werd er een dikke duisternis in het ganse Egypteland, drie dagen.</verse>
				<verse number="23">Zij zagen de een den ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israëls was het licht in hun woningen.</verse>
				<verse number="24">Toen riep Faraö Mozes, en zeide: Gaat heen, dient den HEERE! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderkens met u gaan.</verse>
				<verse number="25">Doch Mozes zeide: Ook zult gij slachtofferen en brandofferen in onze handen geven, die wij den HEERE, onzen God, doen mogen;</verse>
				<verse number="26">En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet een klauw achterblijven; want van hetzelve zullen wij nemen, om den HEERE, onzen God, te dienen; want wij weten niet, waarmede wij den HEERE, onzen God, dienen zullen, totdat wij daar komen.</verse>
				<verse number="27">Doch de HEERE verhardde Faraö's hart; en hij wilde hen niet laten trekken.</verse>
				<verse number="28">Maar Faraö zeide tot hem: Ga van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want op welken dag gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven!</verse>
				<verse number="29">Mozes nu zeide: Gij hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">(Want de HEERE had tot Mozes gesproken: Ik zal nog één plaag over Faraö, en over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier laten trekken; als hij u geheellijk zal laten trekken, zo zal hij u haastelijk van hier uitdrijven.</verse>
				<verse number="2">Spreek nu voor de oren des volks, dat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren vaten en gouden vaten eise.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE gaf het volk genade in de ogen der Egyptenaren; ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de ogen van Faraö's knechten, en voor de ogen des volks.)</verse>
				<verse number="4">Verder zeide Mozes: Zo heeft de HEERE gezegd: Omtrent middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte;</verse>
				<verse number="5">En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Faraö's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot den eerstgeborene der dienstmaagd, die achter den molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.</verse>
				<verse number="6">En er zal een groot geschrei zijn in het ganse Egypteland, desgelijke nooit geweest is, en desgelijke niet meer wezen zal.</verse>
				<verse number="7">Maar bij alle kinderen Israëls zal niet een hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet, dat de HEERE tussen de Egyptenaren en tussen de Israëlieten een afzondering maakt.</verse>
				<verse number="8">Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Faraö in hitte des toorns.</verse>
				<verse number="9">De HEERE dan had tot Mozes gesproken: Faraö zal naar ulieden niet horen, opdat Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden.</verse>
				<verse number="10">En Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor Faraö's aangezicht; doch de HEERE verhardde Faraö's hart, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land niet trekken liet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">De HEERE nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.</verse>
				<verse number="3">Spreekt tot de ganse vergadering van Israël, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.</verse>
				<verse number="4">Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam.</verse>
				<verse number="5">Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen.</verse>
				<verse number="6">En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.</verse>
				<verse number="7">En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.</verse>
				<verse number="8">En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.</verse>
				<verse number="9">Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.</verse>
				<verse number="10">Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="11">Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.</verse>
				<verse number="12">Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!</verse>
				<verse number="13">En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.</verse>
				<verse number="14">En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.</verse>
				<verse number="15">Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël.</verse>
				<verse number="16">En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden.</verse>
				<verse number="17">Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.</verse>
				<verse number="18">In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.</verse>
				<verse number="19">Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.</verse>
				<verse number="20">Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.</verse>
				<verse number="21">Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.</verse>
				<verse number="22">Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan den morgen.</verse>
				<verse number="23">Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.</verse>
				<verse number="24">Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="25">En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden.</verse>
				<verse number="26">En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst?</verse>
				<verse number="27">Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israëls voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.</verse>
				<verse number="28">En de kinderen Israëls gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij.</verse>
				<verse number="29">En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Faraö af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.</verse>
				<verse number="30">En Faraö stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.</verse>
				<verse number="31">Toen riep hij Mozes en Aäron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt.</verse>
				<verse number="32">Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook.</verse>
				<verse number="33">En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!</verse>
				<verse number="34">En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen.</verse>
				<verse number="35">De kinderen Israëls nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen.</verse>
				<verse number="36">Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.</verse>
				<verse number="37">Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Raméses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.</verse>
				<verse number="38">En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.</verse>
				<verse number="39">En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.</verse>
				<verse number="40">De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.</verse>
				<verse number="41">En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.</verse>
				<verse number="42">Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israëls, onder hun geslachten.</verse>
				<verse number="43">Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.</verse>
				<verse number="44">Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten.</verse>
				<verse number="45">Geen uitlander noch huurling zal er van eten.</verse>
				<verse number="46">In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken.</verse>
				<verse number="47">De ganse vergadering van Israël zal het doen.</verse>
				<verse number="48">Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.</verse>
				<verse number="49">Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.</verse>
				<verse number="50">En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij.</verse>
				<verse number="51">En het geschiedde even ten zelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israëls uit Egypteland leidde, naar hun heiren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen Israëls, van mensen en van beesten, dat is Mijn.</verse>
				<verse number="3">Verder zeide Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de HEERE heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.</verse>
				<verse number="4">Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib.</verse>
				<verse number="5">En het zal geschieden, als u de HEERE zal gebracht hebben in het land der Kanaänieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Hevieten, en der Jebusieten, hetwelk Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig; zo zult gij dezen dienst houden in deze maand.</verse>
				<verse number="6">Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag zal den HEERE een feest zijn.</verse>
				<verse number="7">Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw palen.</verse>
				<verse number="8">En gij zult uw zoon te kennen geven te dienzelven dage, zeggende: Dit is om hetgeen de HEERE mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittoog.</verse>
				<verse number="9">En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet des HEEREN in uw mond zij, omdat u de HEERE door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.</verse>
				<verse number="10">Daarom onderhoudt deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar.</verse>
				<verse number="11">Het zal ook geschieden, wanneer u de HEERE in het land der Kanaänieten zal gebracht hebben, gelijk Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben;</verse>
				<verse number="12">Zo zult gij tot den HEERE doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult; de mannetjes zullen des HEEREN zijn.</verse>
				<verse number="13">Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent, zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet lost, zo zult gij het den nek breken; maar alle eerstgeborenen des mensen onder uw zonen zult gij lossen.</verse>
				<verse number="14">Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd.</verse>
				<verse number="15">Want het geschiedde, toen Faraö zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.</verse>
				<verse number="16">En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want de HEERE heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.</verse>
				<verse number="17">En het is geschied, toen Faraö het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.</verse>
				<verse number="18">Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israëls nu togen bij vijven uit Egypteland.</verse>
				<verse number="19">En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israëls bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!</verse>
				<verse number="20">Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.</verse>
				<verse number="22">Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-Hachirôth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-Zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee.</verse>
				<verse number="3">Faraö dan zal zeggen van de kinderen Israëls: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal Faraö's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Faraö en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo.</verse>
				<verse number="5">Toen nu den koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Faraö en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?</verse>
				<verse number="6">En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.</verse>
				<verse number="7">En hij nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen.</verse>
				<verse number="8">Want de HEERE verstokte het hart van Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls najaagde; doch de kinderen Israëls waren door een hoge hand uitgegaan.</verse>
				<verse number="9">En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Faraö en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachirôth, voor Baäl-Zefon.</verse>
				<verse number="10">Als Faraö nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israëls hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE.</verse>
				<verse number="11">En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt?</verse>
				<verse number="12">Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.</verse>
				<verse number="13">Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls, dat zij voorttrekken.</verse>
				<verse number="16">En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge.</verse>
				<verse number="17">En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Faraö en aan al zijn heir, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.</verse>
				<verse number="18">En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Faraö, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.</verse>
				<verse number="19">En de Engel Gods, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.</verse>
				<verse number="20">En zij kwam tussen het leger der Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte den nacht; zodat de een tot den ander niet naderde den gansen nacht.</verse>
				<verse number="21">Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.</verse>
				<verse number="22">En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter- en aan hun linkerhand.</verse>
				<verse number="23">En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Faraö, zijn wagenen en zijn ruiteren, in het midden van de zee.</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat de HEERE, in de kolom des vuurs en der wolk, zag op het leger der Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger der Egyptenaren.</verse>
				<verse number="25">En Hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht van Israël, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.</verse>
				<verse number="26">En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters.</verse>
				<verse number="27">Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weder, tegen het naken van den morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee.</verse>
				<verse number="28">Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Faraö, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over.</verse>
				<verse number="29">Maar de kinderen Israëls gingen op het droge, in het midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter- en aan hun linkerhand.</verse>
				<verse number="30">Alzo verloste de HEERE Israël aan dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee.</verse>
				<verse number="31">Ook zag Israël de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Toen zong Mozes en de kinderen Israëls den HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.</verse>
				<verse number="2">De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!</verse>
				<verse number="3">De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!</verse>
				<verse number="4">Hij heeft Faraö's wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.</verse>
				<verse number="5">De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.</verse>
				<verse number="6">O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!</verse>
				<verse number="7">En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.</verse>
				<verse number="8">En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof geworden in het hart der zee.</verse>
				<verse number="9">De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.</verse>
				<verse number="10">Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!</verse>
				<verse number="11">O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?</verse>
				<verse number="12">Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!</verse>
				<verse number="13">Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.</verse>
				<verse number="14">De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.</verse>
				<verse number="15">Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!</verse>
				<verse number="16">Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.</verse>
				<verse number="17">Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o Heere!</verse>
				<verse number="18">De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!</verse>
				<verse number="19">Want Faraö's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israëls zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.</verse>
				<verse number="20">En Mirjam, de profetes, Aärons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.</verse>
				<verse number="21">Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!</verse>
				<verse number="22">Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.</verse>
				<verse number="23">Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.</verse>
				<verse number="24">Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?</verse>
				<verse number="25">Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve,</verse>
				<verse number="26">En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!</verse>
				<verse number="27">Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israëls in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinaï, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.</verse>
				<verse number="2">En de ganse vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn.</verse>
				<verse number="3">En de kinderen Israëls zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet.</verse>
				<verse number="5">En het zal geschieden op den zesden dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven hetgeen zij dagelijks zullen verzamelen.</verse>
				<verse number="6">Toen zeiden Mozes en Aäron tot al de kinderen Israëls: Aan den avond, dan zult gij weten, dat u de HEERE uit Egypteland uitgeleid heeft;</verse>
				<verse number="7">En morgen, dan zult gij des HEEREN heerlijkheid zien, dewijl Hij uw murmureringen tegen den HEERE gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert?</verse>
				<verse number="8">Voorts zeide Mozes: Als de HEERE ulieden aan den avond vlees te eten zal geven, en aan den morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat de HEERE uw murmureringen gehoord heeft, die gij tegen Hem murmureert; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="9">Daarna zeide Mozes tot Aäron: Zeg tot de ganse vergadering der kinderen Israëls: Nadert voor het aangezicht des HEEREN, want Hij heeft uw murmureringen gehoord.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, als Aäron tot de ganse vergadering der kinderen Israëls sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de wolk.</verse>
				<verse number="11">Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Ik heb de murmureringen van de kinderen Israëls gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult gij vlees eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger.</verse>
				<verse number="14">Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.</verse>
				<verse number="15">Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij, de een tot den ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.</verse>
				<verse number="16">Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft: Verzamelt daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn.</verse>
				<verse number="17">En de kinderen Israëls deden alzo, en verzamelden, de een veel en de ander weinig.</verse>
				<verse number="18">Doch als zij het met den gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en dien, die weinig verzameld had, ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zoveel, als hij eten mocht.</verse>
				<verse number="19">En Mozes zeide tot hen: Niemand late daarvan over tot den morgen.</verse>
				<verse number="20">Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot den morgen. Toen wiesen er wormen in, en het werd stinkende; dies werd Mozes zeer toornig op hen.</verse>
				<verse number="21">Zij nu verzamelden het allen morgen, een iegelijk naardat hij eten mocht; want als de zon heet werd, zo versmolt het.</verse>
				<verse number="22">En het geschiedde op den zesden dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes.</verse>
				<verse number="23">Hij dan zeide tot hen: Dit is het, dat de HEERE gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat gij zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen.</verse>
				<verse number="24">En zij legden het op tot den morgen, gelijk als Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des HEEREN; gij zult het heden op het veld niet vinden.</verse>
				<verse number="26">Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelven zal het niet zijn.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde aan den zevenden dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; doch zij vonden niet.</verse>
				<verse number="28">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden te houden Mijn geboden en Mijn wetten?</verse>
				<verse number="29">Ziet, omdat de HEERE ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan den zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op den zevenden dag!</verse>
				<verse number="30">Alzo rustte het volk op den zevenden dag.</verse>
				<verse number="31">En het huis Israëls noemde deszelfs naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken.</verse>
				<verse number="32">Voorts zeide Mozes: Dit is het woord, hetwelk de HEERE bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uw geslachten, opdat zij zien het brood, dat Ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde.</verse>
				<verse number="33">Ook zeide Mozes tot Aäron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht des HEEREN, tot bewaring voor uw geslachten.</verse>
				<verse number="34">Gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had, alzo zette ze Aäron voor de getuigenis tot bewaring.</verse>
				<verse number="35">En de kinderen Israëls aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaän.</verse>
				<verse number="36">Een gomer nu is het tiende deel van een efa.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israëls, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidîm. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.</verse>
				<verse number="2">Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?</verse>
				<verse number="3">Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?</verse>
				<verse number="4">Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.</verse>
				<verse number="6">Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël.</verse>
				<verse number="7">En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om den twist der kinderen Israëls, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?</verse>
				<verse number="8">Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidîm.</verse>
				<verse number="9">Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.</verse>
				<verse number="10">Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aäron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.</verse>
				<verse number="12">Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.</verse>
				<verse number="13">Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.</verse>
				<verse number="15">En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had: dat de HEERE Israël uit Egypte uitgevoerd had;</verse>
				<verse number="2">Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had),</verse>
				<verse number="3">Met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);</verse>
				<verse number="4">En de naam des anderen was Eliézer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Faraö's zwaard.</verse>
				<verse number="5">Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had,</verse>
				<verse number="6">Zo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.</verse>
				<verse number="7">Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de een den ander naar den welstand, en zij gingen naar de tent.</verse>
				<verse number="8">En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat de HEERE aan Faraö en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israëls wil; al de moeite, die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.</verse>
				<verse number="9">Jethro nu verheugde zich over al het goede, hetwelk de HEERE Israël gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand der Egyptenaren.</verse>
				<verse number="10">En Jethro zeide: Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Faraö's hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft!</verse>
				<verse number="11">Nu weet ik, dat de HEERE groter is dan alle goden; want in de zaak, waarin zij trotselijk gehandeld hebben, was Hij boven hen.</verse>
				<verse number="12">Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, Gode brandoffer en slachtofferen; en Aäron kwam, en al de oversten van Israël, om brood te eten met den schoonvader van Mozes, voor het aangezicht Gods.</verse>
				<verse number="13">Doch het geschiedde des anderen daags, zo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond voor Mozes, van den morgen tot den avond.</verse>
				<verse number="14">Als de schoonvader van Mozes alles zag, wat hij het volk deed, zo zeide hij: Wat ding is dit, dat gij het volk doet? Waarom zit gij zelf alleen, en al het volk staat voor u, van den morgen tot den avond?</verse>
				<verse number="15">Toen zeide Mozes tot zijn schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt, om God raad te vragen.</verse>
				<verse number="16">Wanneer zij een zaak hebben, zo komt het tot mij, dat ik richte tussen den man en tussen zijn naaste; en dat ik hun bekend make Gods instellingen en Zijn wetten.</verse>
				<verse number="17">Doch de schoonvader van Mozes zeide tot hem: De zaak is niet goed, die gij doet.</verse>
				<verse number="18">Gij zult geheel vervallen, zo gij, als dit volk, hetwelk bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, gij alleen kunt het niet doen.</verse>
				<verse number="19">Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;</verse>
				<verse number="20">En verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend den weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen.</verse>
				<verse number="21">Doch zie gij om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, oversten der tienen.</verse>
				<verse number="22">Dat zij dit volk te allen tijde richten; doch het geschiede, dat zij alle grote zaken aan u brengen, maar dat zij alle kleine zaken richten; verlicht alzo uzelven, en laat hen met u dragen.</verse>
				<verse number="23">Indien gij deze zaak doet, en God het u gebiedt, zo zult gij kunnen bestaan; zo zal ook al dit volk in vrede aan zijn plaats komen.</verse>
				<verse number="24">Mozes nu hoorde naar de stem van zijn schoonvader, en hij deed alles, wat hij gezegd had.</verse>
				<verse number="25">En Mozes verkoos kloeke mannen, uit gans Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, en oversten der tienen;</verse>
				<verse number="26">Dat zij het volk te allen tijde richtten, de harde zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten.</verse>
				<verse number="27">Toen liet Mozes zijn schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israëls uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinaï.</verse>
				<verse number="2">Want zij togen uit Rafidîm, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.</verse>
				<verse number="3">En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israëls verkondigen:</verse>
				<verse number="4">Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt.</verse>
				<verse number="5">Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;</verse>
				<verse number="6">En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult.</verse>
				<verse number="7">En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.</verse>
				<verse number="8">Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want Mozes had den HEERE de woorden des volks verkondigd.</verse>
				<verse number="10">Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,</verse>
				<verse number="11">En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op den berg Sinaï.</verse>
				<verse number="12">En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="13">Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.</verse>
				<verse number="14">Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun klederen.</verse>
				<verse number="15">En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.</verse>
				<verse number="17">En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.</verse>
				<verse number="18">En de ganse berg Sinaï rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer.</verse>
				<verse number="19">Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem.</verse>
				<verse number="20">Als de HEERE nedergekomen was op den berg Sinaï, op de spits des bergs, zo riep de HEERE Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot den HEERE, om te zien, en velen van hen vallen.</verse>
				<verse number="22">Daartoe zullen ook de priesters, die tot den HEERE naderen, zich heiligen, dat de HEERE niet tegen hen uitbreke.</verse>
				<verse number="23">Toen zeide Mozes tot den HEERE: Het volk zal op den berg Sinaï niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem.</verse>
				<verse number="24">De HEERE dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aäron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot den HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreke.</verse>
				<verse number="25">Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Toen sprak God al deze woorden, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.</verse>
				<verse number="3">Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.</verse>
				<verse number="4">Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.</verse>
				<verse number="5">Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;</verse>
				<verse number="6">En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.</verse>
				<verse number="7">Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.</verse>
				<verse number="8">Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt.</verse>
				<verse number="9">Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;</verse>
				<verse number="10">Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;</verse>
				<verse number="11">Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.</verse>
				<verse number="12">Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.</verse>
				<verse number="13">Gij zult niet doodslaan.</verse>
				<verse number="14">Gij zult niet echtbreken.</verse>
				<verse number="15">Gij zult niet stelen.</verse>
				<verse number="16">Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.</verse>
				<verse number="17">Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.</verse>
				<verse number="18">En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre.</verse>
				<verse number="19">En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!</verse>
				<verse number="20">En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.</verse>
				<verse number="21">En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.</verse>
				<verse number="23">Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.</verse>
				<verse number="24">Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.</verse>
				<verse number="25">Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.</verse>
				<verse number="26">Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Dit nu zijn de rechten, die gij hun zult voorstellen.</verse>
				<verse number="2">Als gij een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet.</verse>
				<verse number="3">Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.</verse>
				<verse number="4">Indien hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.</verse>
				<verse number="5">Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;</verse>
				<verse number="6">Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan den post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwiglijk dienen.</verse>
				<verse number="7">Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, gelijk de knechten uitgaan.</verse>
				<verse number="8">Indien zij kwalijk bevalt in de ogen haars heren, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo zal hij haar doen lossen; aan een vreemd volk haar te verkopen zal hij niet vermogen, dewijl hij trouweloos met haar gehandeld heeft.</verse>
				<verse number="9">Maar indien hij haar aan zijn zoon ondertrouwt, zo zal hij met haar doen naar het recht der dochteren.</verse>
				<verse number="10">Indien hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar spijs, haar deksel, en haar huwelijksplicht niet onttrekken.</verse>
				<verse number="11">En indien hij haar deze drie dingen niet doet, zo zal zij om niet uitgaan, zonder geld.</verse>
				<verse number="12">Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="13">Doch die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij henen vliede.</verse>
				<verse number="14">Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij denzelven van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.</verse>
				<verse number="15">Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="16">Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="17">Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="18">En wanneer mannen twisten, en de een slaat den ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde;</verse>
				<verse number="19">Indien hij weder opstaat, en op straat gaat bij zijn stok, zo zal hij, die hem sloeg, onschuldig zijn; alleen zal hij geven hetgeen hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomen laten helen.</verse>
				<verse number="20">Wanneer ook iemand zijn dienstknecht of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden.</verse>
				<verse number="21">Zo hij nochtans een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld.</verse>
				<verse number="22">Wanneer nu mannen kijven, en slaan een zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, doch geen dodelijk verderf zij, zo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk als hem de man der vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters.</verse>
				<verse number="23">Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel.</verse>
				<verse number="24">Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.</verse>
				<verse number="25">Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.</verse>
				<verse number="26">Wanneer ook iemand het oog van zijn dienstknecht, of het oog van zijn dienstmaagd slaat, en verderft het, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog.</verse>
				<verse number="27">En indien hij een tand van zijn dienstknecht, of een tand van zijn dienstmaagd uitslaat, zo zal hij hem vrijlaten voor zijn tand.</verse>
				<verse number="28">En wanneer een os een man of een vrouw stoot, dat hij sterft, zal de os zekerlijk gestenigd worden, en zijn vlees zal niet gegeten worden; maar de heer van den os zal onschuldig zijn.</verse>
				<verse number="29">Maar indien de os te voren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden.</verse>
				<verse number="30">Indien hem losgeld opgelegd wordt, zo zal hij tot lossing zijner ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden;</verse>
				<verse number="31">Hetzij dat hij een zoon gestoten heeft, of een dochter gestoten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden.</verse>
				<verse number="32">Indien de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden.</verse>
				<verse number="33">En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin;</verse>
				<verse number="34">De heer des kuils zal het vergelden; hij zal aan deszelfs heer het geld wederkeren; doch dat dode zal zijns wezen.</verse>
				<verse number="35">Wanneer nu iemands os den os van zijn naaste kwetst, dat hij sterft, zo zal men den levenden os verkopen, en het geld daarvan half en half delen, en den dode zal men ook half en half delen.</verse>
				<verse number="36">Of is het kennelijk geweest, dat die os van te voren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij in alle manier os voor os vergelden; doch de dode zal zijns wezen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.</verse>
				<verse number="2">Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.</verse>
				<verse number="3">Indien de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij.</verse>
				<verse number="4">Indien de diefstal levend in zijn hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven.</verse>
				<verse number="5">Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in eens anders veld weidt, die zal het van het beste zijns velds en van het beste zijns wijngaards wedergeven.</verse>
				<verse number="6">Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koorn, of het veld; hij, die den brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven.</verse>
				<verse number="7">Wanneer iemand zijn naaste geld of vaten te bewaren geeft, en het wordt uit diens mans huis gestolen; indien de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven.</verse>
				<verse number="8">Indien de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer des huizes tot de goden gebracht worden, of hij niet zijn hand aan zijns naasten have gelegd heeft.</verse>
				<verse number="9">Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, hetwelk iemand zegt, dat het zijn is, beider zaak zal voor de goden komen; wien de goden verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven.</verse>
				<verse number="10">Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig beest te bewaren geeft, en het sterft, of het wordt verzeerd, of weggedreven, dat het niemand ziet;</verse>
				<verse number="11">Zo zal des HEEREN eed tussen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan zijns naasten have geslagen heeft; en derzelver heer zal dien aannemen; en hij zal het niet wedergeven.</verse>
				<verse number="12">Maar indien het van hem zekerlijk gestolen is, hij zal het zijn heer wedergeven.</verse>
				<verse number="13">Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven.</verse>
				<verse number="14">En wanneer iemand van zijn naaste wat begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven.</verse>
				<verse number="15">Indien zijn heer daarbij geweest is, hij zal het niet wedergeven; indien het gehuurd is, zo is het voor zijn huur gekomen.</verse>
				<verse number="16">Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij.</verse>
				<verse number="17">Indien haar vader ganselijk weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar den bruidschat der maagden.</verse>
				<verse number="18">De toveres zult gij niet laten leven.</verse>
				<verse number="19">Al wie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="20">Wie den goden offert, behalve den HEERE alleen, die zal verbannen worden.</verse>
				<verse number="21">Gij zult ook den vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.</verse>
				<verse number="22">Gij zult geen weduwe noch wees beledigen.</verse>
				<verse number="23">Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;</verse>
				<verse number="24">En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal ulieden met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden.</verse>
				<verse number="25">Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij tegen hetzelve niet zijn, als een woekeraar; gij zult op hetzelve geen woeker leggen.</verse>
				<verse number="26">Indien gij enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat;</verse>
				<verse number="27">Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!</verse>
				<verse number="28">De goden zult gij niet vloeken, en de oversten in uw volk zult gij niet lasteren.</verse>
				<verse number="29">Uw volheid en uw tranen zult gij niet uitstellen; den eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven.</verse>
				<verse number="30">Desgelijks zult gij doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op den achtsten dag zult gij ze Mij geven.</verse>
				<verse number="31">Gij nu zult Mij heilige lieden zijn; daarom zult gij geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, en zult het den hond voorwerpen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.</verse>
				<verse number="2">Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.</verse>
				<verse number="3">Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.</verse>
				<verse number="4">Wanneer gij uws vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, gij zult hem denzelven ganselijk wederbrengen.</verse>
				<verse number="5">Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.</verse>
				<verse number="6">Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.</verse>
				<verse number="7">Zijt verre van valse zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal den goddeloze niet rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="8">Ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="9">Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken; want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland.</verse>
				<verse number="10">Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en deszelfs inkomst verzamelen;</verse>
				<verse number="11">Maar in het zevende zult gij het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen; alzo zult gij ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.</verse>
				<verse number="12">Zes dagen zult gij uw werken doen; maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe.</verse>
				<verse number="13">In alles, wat Ik tot ulieden gezegd heb, zult gij op uw hoede zijn; en den naam van andere goden zult gij niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!</verse>
				<verse number="14">Drie reizen in het jaar zult gij Mij feest houden.</verse>
				<verse number="15">Het feest van de ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; doch men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.</verse>
				<verse number="16">En het feest des oogstes, der eerste vruchten van uw arbeid, die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest der inzameling, op den uitgang des jaars, wanneer gij uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.</verse>
				<verse number="17">Drie malen des jaars zullen al uw mannen voor het aangezicht des Heeren HEEREN verschijnen.</verse>
				<verse number="18">Gij zult het bloed Mijns offers met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette Mijns feestes tot op den morgen niet vernachten.</verse>
				<verse number="19">De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.</verse>
				<verse number="20">Ziet, Ik zende een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.</verse>
				<verse number="21">Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.</verse>
				<verse number="22">Maar zo gij Zijner stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand, en uwer wederpartijders wederpartij zijn.</verse>
				<verse number="23">Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.</verse>
				<verse number="24">Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen.</verse>
				<verse number="25">En gij zult den HEERE uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren.</verse>
				<verse number="26">Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen.</verse>
				<verse number="27">Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u den nek toekeren.</verse>
				<verse number="28">Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten.</verse>
				<verse number="29">Ik zal hen in een jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.</verse>
				<verse number="30">Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.</verse>
				<verse number="31">En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.</verse>
				<verse number="32">Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.</verse>
				<verse number="33">Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Daarna zeide Hij tot Mozes: Klim op tot den HEERE, gij en Aäron, Nadab en Abíhu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neder van verre!</verse>
				<verse number="2">En dat Mozes alleen zich nadere tot den HEERE, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met hem.</verse>
				<verse number="3">Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des HEEREN, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met één stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.</verse>
				<verse number="4">Mozes nu beschreef al de woorden des HEEREN, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan den berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël.</verse>
				<verse number="5">En hij zond de jongelingen van de kinderen Israëls, die brandofferen offerden, en den HEERE dankofferen offerden, van jonge ossen.</verse>
				<verse number="6">En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar.</verse>
				<verse number="7">En hij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren des volks; en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.</verse>
				<verse number="8">Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zeide: Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de HEERE met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.</verse>
				<verse number="9">Mozes nu en Aäron klommen opwaarts, ook Nadab en Abíhu, en zeventig van de oudsten van Israël.</verse>
				<verse number="10">En zij zagen den God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestaltenis des hemels in zijn klaarheid.</verse>
				<verse number="11">Doch Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen Israëls; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Kom tot Mij op den berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.</verse>
				<verse number="13">Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op den berg Gods.</verse>
				<verse number="14">En hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot dezelve komen.</verse>
				<verse number="15">Toen Mozes op den berg geklommen was, zo heeft een wolk den berg bedekt.</verse>
				<verse number="16">En de heerlijkheid des HEEREN woonde op den berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit het midden der wolk.</verse>
				<verse number="17">En het aanzien der heerlijkheid des HEEREN was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de ogen der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="18">En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen.</verse>
				<verse number="3">Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;</verse>
				<verse number="4">Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar.</verse>
				<verse number="5">En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;</verse>
				<verse number="6">Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;</verse>
				<verse number="7">Sardónixstenen, en vervullende stenen tot den efod, en tot den borstlap.</verse>
				<verse number="8">En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.</verse>
				<verse number="9">Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.</verse>
				<verse number="10">Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.</verse>
				<verse number="11">En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult op dezelve een gouden krans maken rondom heen.</verse>
				<verse number="12">En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op de ene zijde derzelve zijn, en twee ringen op haar andere zijde.</verse>
				<verse number="13">En maak handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud.</verse>
				<verse number="14">En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde der ark zijn, dat men de ark daarmede drage.</verse>
				<verse number="15">De draagbomen zullen in de ringen der ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden.</verse>
				<verse number="16">Daarna zult gij in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.</verse>
				<verse number="17">Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal deszelfs lengte zijn, en anderhalve el deszelfs breedte.</verse>
				<verse number="18">Gij zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels.</verse>
				<verse number="19">En maak u een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelve.</verse>
				<verse number="20">En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkander zijn; de aangezichten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.</verse>
				<verse number="21">En gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.</verse>
				<verse number="22">En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="23">Gij zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.</verse>
				<verse number="24">En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.</verse>
				<verse number="25">Gij zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en gij zult een gouden krans rondom derzelver lijst maken.</verse>
				<verse number="26">Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken; en gij zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten zijn zullen.</verse>
				<verse number="27">Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.</verse>
				<verse number="28">Deze handbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult dezelve met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.</verse>
				<verse number="29">Gij zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken.</verse>
				<verse number="30">En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.</verse>
				<verse number="31">Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.</verse>
				<verse number="32">En zes rieten zullen uit zijn zijden uitgaan; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.</verse>
				<verse number="33">In het ene riet zullen drie schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo zullen die zes rieten zijn, die uit den kandelaar gaan.</verse>
				<verse number="34">Maar aan den kandelaar zelven zullen vier schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.</verse>
				<verse number="35">En daar zal een knoop zijn onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzo zal het zijn met de zes rieten, die uit den kandelaar uitgaan.</verse>
				<verse number="36">Hun knopen en hun rieten zullen uit hem zijn; het zal altemaal een enig dicht werk van louter goud zijn.</verse>
				<verse number="37">Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.</verse>
				<verse number="38">Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.</verse>
				<verse number="39">Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.</verse>
				<verse number="40">Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Den tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult gij ze maken.</verse>
				<verse number="2">De lengte van een gordijn zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen een maat hebben.</verse>
				<verse number="3">Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere; wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere.</verse>
				<verse number="4">En gij zult hemelsblauwe striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, aan het uiterste, in de samenvoeging; alzo zult gij ook doen aan den uitersten kant der gordijn, aan de tweede samenvoegende.</verse>
				<verse number="5">Vijftig striklisjes zult gij aan de ene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult gij maken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; deze striklisjes zullen het ene aan het andere samenvatten.</verse>
				<verse number="6">Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij.</verse>
				<verse number="7">Ook zult gij gordijnen uit geiten haar maken tot een tent over den tabernakel; van elf gordijnen zult gij die maken.</verse>
				<verse number="8">De lengte ener gordijn zal dertig ellen zijn, en de breedte ener gordijn vier ellen; deze elf gordijnen zullen een maat hebben.</verse>
				<verse number="9">En gij zult vijf dezer gordijnen aan elkander bijzonder voegen, en zes dezer gordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, recht voorop de tent.</verse>
				<verse number="10">En gij zult vijftig striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is.</verse>
				<verse number="11">Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklisjes doen, en gij zult de tent samenvoegen, dat zij één zij.</verse>
				<verse number="12">Het overige nu, dat overschiet aan de gordijnen der tent, de helft der gordijn, die overschiet, zal overhangen, aan de achterste delen des tabernakels.</verse>
				<verse number="13">En een el van deze, en een el van gene zijde van hetgeen, dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijden des tabernakels, aan deze en aan gene zijde, om dien te bedekken.</verse>
				<verse number="14">Gij zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.</verse>
				<verse number="15">Gij zult ook tot den tabernakel staande berderen maken, van sittimhout.</verse>
				<verse number="16">De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk berd zijn.</verse>
				<verse number="17">Twee houvasten zal een berd hebben, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo zult gij het met al de berderen des tabernakels maken.</verse>
				<verse number="18">En de berderen tot den tabernakel zult gij aldus maken: twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.</verse>
				<verse number="19">Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.</verse>
				<verse number="20">Er zullen ook twintig berderen zijn aan de andere zijden des tabernakels, aan den noorderhoek,</verse>
				<verse number="21">Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.</verse>
				<verse number="22">Doch aan de zijde des tabernakels tegen het westen zult gij zes berderen maken.</verse>
				<verse number="23">Ook zult gij twee berderen maken tot de hoekberderen des tabernakels, aan de beide zijden.</verse>
				<verse number="24">En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde deszelven samengevoegd zijn, met een ring; alzo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.</verse>
				<verse number="25">Alzo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten; twee voeten onder een berd, wederom twee voeten onder een berd.</verse>
				<verse number="26">Gij zult ook richelen maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de ene zijde des tabernakels;</verse>
				<verse number="27">En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richelen aan de berderen van de zijde des tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.</verse>
				<verse number="28">En de middelste richel zal midden aan de berderen zijn, doorschietende van het ene einde tot het andere einde.</verse>
				<verse number="29">En gij zult de berderen met goud overtrekken, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) zult gij van goud maken; de richelen zult gij ook met goud overtrekken.</verse>
				<verse number="30">Dan zult gij den tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op den berg getoond is.</verse>
				<verse number="31">Daarna zult gij een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men dien maken, met cherubim.</verse>
				<verse number="32">En gij zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten.</verse>
				<verse number="33">En gij zult den voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenis aldaar binnen den voorhang brengen; en deze voorhang zal ulieden een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige der heiligen.</verse>
				<verse number="34">En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis, in het heilige der heiligen.</verse>
				<verse number="35">De tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, en den kandelaar tegen de tafel over, aan de ene zijde des tabernakels, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zetten aan de noordzijde.</verse>
				<verse number="36">Gij zult ook aan de deur der tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.</verse>
				<verse number="37">En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voeten gieten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Gij zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte.</verse>
				<verse number="2">En gij zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken.</verse>
				<verse number="3">Gij zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn schoffelen, en zijn besprengbekkens, en zijn krauwelen, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult gij van koper maken.</verse>
				<verse number="4">Gij zult het een rooster maken van koperen netwerk; en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden.</verse>
				<verse number="5">En gij zult het onder den omloop des altaars van beneden opleggen, alzo dat het net tot het midden des altaars zij.</verse>
				<verse number="6">Gij zult ook handbomen maken tot het altaar, handbomen van sittimhout; en gij zult ze met koper overtrekken.</verse>
				<verse number="7">En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, alzo dat de handbomen zijn aan beide zijden des altaars, als men het draagt.</verse>
				<verse number="8">Gij zult hetzelve hol van planken maken; gelijk als Hij u op den berg gewezen heeft, alzo zullen zij doen.</verse>
				<verse number="9">Gij zult ook den voorhof des tabernakels maken; aan den zuidhoek zuidwaarts, zullen aan den voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte ener zijde zal honderd ellen zijn.</verse>
				<verse number="10">Ook zullen zijn twintig pilaren, en derzelver twintig voeten, van koper zijn; de haken dezer pilaren, en hun banden zullen van zilver zijn.</verse>
				<verse number="11">Alzo zullen ook aan den noorderhoek, in de lengte, de behangsels honderd ellen lang zijn; en zijn twintig pilaren, en derzelver twintig voeten, van koper; de haken der pilaren, en derzelver banden zullen van zilver zijn.</verse>
				<verse number="12">En in de breedte des voorhofs, aan den westerhoek, zullen behangselen zijn van vijftig ellen; hun pilaren tien, en derzelver voeten tien.</verse>
				<verse number="13">Van gelijken zal de breedte des voorhofs, aan den oosterhoek oostwaarts, van vijftig ellen zijn.</verse>
				<verse number="14">Alzo dat er vijftien ellen der behangselen op de ene zijde zijn; hun pilaren drie, en hun voeten drie;</verse>
				<verse number="15">En vijftien ellen der behangselen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voeten drie.</verse>
				<verse number="16">In de poort nu des voorhofs zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voeten vier.</verse>
				<verse number="17">Al de pilaren des voorhofs zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hun haken zullen van zilver zijn, maar hun voeten zullen van koper zijn.</verse>
				<verse number="18">De lengte des voorhofs zal honderd ellen zijn, en de breedte doorgaans vijftig, en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar hun voeten zullen van koper zijn.</verse>
				<verse number="19">Aangaande al het gereedschap des tabernakels, in al deszelfs dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen des voorhofs, zullen van koper zijn.</verse>
				<verse number="20">Gij nu zult den kinderen Israëls gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot den luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke.</verse>
				<verse number="21">In de tent der samenkomst, van buiten den voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van den avond tot den morgen, voor het aangezicht des HEEREN; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen Israëls.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Daarna zult gij uw broeder Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israëls, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abíhu, Eléazar en Ithamar, de zonen van Aäron.</verse>
				<verse number="2">En gij zult voor uw broeder Aäron heilige klederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.</verse>
				<verse number="3">Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron klederen maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.</verse>
				<verse number="4">Dit nu zijn de klederen, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broeder Aäron heilige klederen maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.</verse>
				<verse number="5">Zij zullen ook het goud, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nemen;</verse>
				<verse number="6">En zullen den efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.</verse>
				<verse number="7">Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.</verse>
				<verse number="8">En de kunstelijke riem zijns efods, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.</verse>
				<verse number="9">En gij zult twee sardónixstenen nemen, en de namen der zonen van Israël daarop graveren.</verse>
				<verse number="10">Zes van hun namen op een steen, en de zes overige namen op den anderen steen, naar hun geboorten;</verse>
				<verse number="11">Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee stenen graveren, met de namen der zonen van Israël; gij zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes.</verse>
				<verse number="12">En gij zult de twee stenen aan de schouderbanden des efods zetten, zijnde stenen ter gedachtenis voor de kinderen Israëls; en Aäron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">Gij zult ook gouden kastjes maken,</verse>
				<verse number="14">En twee ketentjes van louter goud; gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide ketentjes zult gij aan de kastjes hechten.</verse>
				<verse number="15">Gij zult ook een borstlap des gerichts maken, van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods zult gij hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hem maken.</verse>
				<verse number="16">Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte.</verse>
				<verse number="17">En gij zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.</verse>
				<verse number="18">En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant.</verse>
				<verse number="19">En de derde rij, een Hyacint, Agaat en Amethist.</verse>
				<verse number="20">En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardónix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.</verse>
				<verse number="21">En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen van Israël, met hun namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn.</verse>
				<verse number="22">Gij zult ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud maken.</verse>
				<verse number="23">Gij zult ook aan den borstlap twee gouden ringen maken; en gij zult de twee ringen aan de twee einden van den borstlap zetten.</verse>
				<verse number="24">Dan zult gij de twee gedraaide gouden ketentjes in de twee ringen doen, aan de einden van den borstlap.</verse>
				<verse number="25">Maar de twee einden der twee gedraaide ketentjes zult gij aan die twee kastjes doen; en gij zult ze zetten aan de schouderbanden van den efod, recht op de voorste zijde van dien.</verse>
				<verse number="26">Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden des borstlaps zetten; inwendig aan zijn rand, die aan de zijde van den efod zijn zal.</verse>
				<verse number="27">Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden van den efod, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijn voege, boven den kunstelijken riem des efods.</verse>
				<verse number="28">En zij zullen den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod opwaarts binden, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den efod zij; en de borstlap zal van den efod niet afgescheiden worden.</verse>
				<verse number="29">Alzo zal Aäron de namen der zonen van Israël dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk.</verse>
				<verse number="30">Gij zult ook in den borstlap des gerichts de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht des HEEREN ingaan zal; alzo zal Aäron dat gericht der kinderen Israëls geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="31">Gij zult ook den mantel des efods geheel van hemelsblauw maken.</verse>
				<verse number="32">En het hoofdgat deszelven zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal een boord rondom hebben van geweven werk; als het gat eens pantsiers zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde.</verse>
				<verse number="33">En aan deszelfs zomen zult gij granaatappelen maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijn zomen rondom, en gouden schelletjes rondom tussen dezelve.</verse>
				<verse number="34">Dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij; wederom een gouden schelletje, en een granaatappel, aan de zomen des mantels rondom.</verse>
				<verse number="35">En Aäron zal denzelven aanhebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor het aangezicht des HEEREN, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve.</verse>
				<verse number="36">Verder zult gij een plaat maken van louter goud, en gij zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: DE HEILIGHEID DES HEEREN!</verse>
				<verse number="37">En gij zult dezelve aanhechten met een hemelsblauw snoer, alzo dat zij aan den hoed zij; aan de voorste zijde des hoeds zal zij zijn.</verse>
				<verse number="38">En zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, opdat Aäron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israëls zullen geheiligd hebben, in alle gaven hunner geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor het aangezicht des HEEREN aangenaam te maken.</verse>
				<verse number="39">Gij zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn linnen maken; maar den gordel zult gij van geborduurd werk maken.</verse>
				<verse number="40">Voor de zonen van Aäron zult gij ook rokken maken, en gij zult voor hen gordels maken; ook zult gij voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.</verse>
				<verse number="41">En gij zult die uw broeder Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en gij zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen.</verse>
				<verse number="42">Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vlees der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lenden tot de dijen.</verse>
				<verse number="43">Aäron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Dit nu is de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;</verse>
				<verse number="2">En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken.</verse>
				<verse number="3">En gij zult ze in een korf leggen, en zult ze in den korf toebrengen, met den var en de twee rammen.</verse>
				<verse number="4">Alsdan zult gij Aäron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.</verse>
				<verse number="5">Daarna zult gij de klederen nemen, en Aäron den rok, en den mantel des efods, en den efod, en den borstlap aandoen; en gij zult hem omgorden met den kunstelijken riem des efods.</verse>
				<verse number="6">En gij zult den hoed op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan den hoed zetten.</verse>
				<verse number="7">En gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; alzo zult gij hem zalven.</verse>
				<verse number="8">Daarna zult gij zijn zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken.</verse>
				<verse number="9">En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en gij zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Voorts zult gij de hand van Aäron vullen, en de hand zijner zonen.</verse>
				<verse number="10">En gij zult den var nabij brengen voor de tent der samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van den var leggen.</verse>
				<verse number="11">En gij zult den var slachten voor het aangezicht des HEEREN, voor de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="12">Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uw vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars.</verse>
				<verse number="13">Gij zult ook al het vet nemen, hetwelk het ingewand bedekt, en het net over de lever, en beide nieren en het vet, dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar.</verse>
				<verse number="14">Maar het vlees des vars, en zijn vel, en zijn drek, zult gij met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer.</verse>
				<verse number="15">Daarna zult gij den enen ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd des rams leggen;</verse>
				<verse number="16">En gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen.</verse>
				<verse number="17">En den ram zult gij in zijn delen delen; en gij zult zijn ingewand en zijn schenkelen wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen.</verse>
				<verse number="18">Alzo zult gij den gehelen ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer den HEERE, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="19">Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op des rams hoofd leggen;</verse>
				<verse number="20">En gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlapje van Aäron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, desgelijks op den duim hunner rechterhand, en op den groten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen.</verse>
				<verse number="21">Dan zult gij nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zult op Aäron en op zijn klederen sprengen, en op zijn zonen en op de klederen zijner zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn klederen, ook zijn zonen, en de klederen zijner zonen met hem.</verse>
				<verse number="22">Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net der lever en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelve is, en den rechterschouder; want het is een ram der vulofferen;</verse>
				<verse number="23">En een broodbol, en een koek geölied brood, en een vlade, uit den korf der ongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN zijn zal;</verse>
				<verse number="24">En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="25">Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor het aangezicht des HEEREN; het is een vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="26">En neem de borst van den ram der vulofferen, die van Aäron is, en beweeg hem ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en het zal u ten dele zijn.</verse>
				<verse number="27">En gij zult de borst des beweegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van den ram des vuloffers, van hetgeen dat Aärons, en van hetgeen dat zijner zonen is.</verse>
				<verse number="28">En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de kinderen Israëls; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen Israëls zal zijn van hun dankofferen; hun hefoffer zal voor den HEERE zijn.</verse>
				<verse number="29">De heilige klederen nu, die van Aäron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, en dat men hun hand in dezelve vulle.</verse>
				<verse number="30">Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zal worden, die in de tent der samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen.</verse>
				<verse number="31">Gij zult den ram der vulling nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats zieden.</verse>
				<verse number="32">Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van dezen ram eten, en het brood, dat in den korf zal zijn, bij de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="33">En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig.</verse>
				<verse number="34">En indien er wat overblijven zal van het vlees der vulofferen, of van dit brood, tot aan den morgen, zo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig.</verse>
				<verse number="35">Gij zult dan aan Aäron en aan zijn zonen alzo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hun hand vullen.</verse>
				<verse number="36">Gij zult ook des daags een var des zondoffers bereiden, tot de verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelve; en gij zult het zalven, om het te heiligen.</verse>
				<verse number="37">Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid der heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.</verse>
				<verse number="38">Dit nu is het, wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, des daags, geduriglijk.</verse>
				<verse number="39">Het ene lam zult gij des morgens bereiden; maar het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.</verse>
				<verse number="40">Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.</verse>
				<verse number="41">Het andere lam nu zult gij bereiden tussen de twee avonden; gij zult daarmede doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer deszelven, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="42">Het zal een gedurig brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; aldaar zal Ik met ulieden komen, dat Ik aldaar met u spreke.</verse>
				<verse number="43">En daar zal Ik komen tot de kinderen Israëls; opdat zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid.</verse>
				<verse number="44">En Ik zal de tent der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; Ik zal ook Aäron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen.</verse>
				<verse number="45">En Ik zal in het midden der kinderen Israëls wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.</verse>
				<verse number="46">En zij zullen weten, dat Ik de HEERE hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben de HEERE, hun God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken; van sittimhout zult gij het maken.</verse>
				<verse number="2">Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen deszelfs hoogte; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn.</verse>
				<verse number="3">En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en deszelfs wanden rondom, als ook zijn hoornen; en gij zult het een gouden krans rondom maken.</verse>
				<verse number="4">Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede drage.</verse>
				<verse number="5">De draagbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken.</verse>
				<verse number="6">En gij zult het zetten voor den voorhang, die voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.</verse>
				<verse number="7">En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; allen morgen, als hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken.</verse>
				<verse number="8">En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht des HEEREN, bij uw geslachten.</verse>
				<verse number="9">Gij zult geen vreemd reukwerk op hetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.</verse>
				<verse number="10">En Aäron zal ééns in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen, met het bloed des zondoffers der verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid der heiligheden den HEERE!</verse>
				<verse number="11">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Als gij de som van de kinderen Israëls opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziel den HEERE geven, als gij hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als gij hen tellen zult.</verse>
				<verse number="13">Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms (deze sikkel is twintig gera); de helft eens sikkels is een hefoffer den HEERE.</verse>
				<verse number="14">Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, zal het hefoffer des HEEREN geven.</verse>
				<verse number="15">De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal het niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des HEEREN geeft om voor uw zielen verzoening te doen.</verse>
				<verse number="16">Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israëls nemen, en zult het leggen tot den dienst van de tent der samenkomst; en het zal den kinderen Israëls ter gedachtenis zijn, voor het aangezicht des HEEREN, om voor uw zielen verzoening te doen.</verse>
				<verse number="17">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Gij zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en gij zult het zetten tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar, en gij zult water daarin doen;</verse>
				<verse number="19">Dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en hun voeten.</verse>
				<verse number="20">Wanneer zij in de tent der samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer den HEERE aansteken;</verse>
				<verse number="21">Zij zullen dan hun handen en hun voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, bij hun geslachten.</verse>
				<verse number="22">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="23">Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;</verse>
				<verse number="24">Ook kassie, vijfhonderd, naar den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfbomen een hin;</verse>
				<verse number="25">En maak daarvan een olie der heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie der heilige zalving zijn.</verse>
				<verse number="26">En met dezelve zult gij zalven de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis.</verse>
				<verse number="27">En de tafel met al haar gereedschap, en den kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar;</verse>
				<verse number="28">En het altaar des brandoffers, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet.</verse>
				<verse number="29">Gij zult ze alzo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn.</verse>
				<verse number="30">Gij zult ook Aäron en zijn zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.</verse>
				<verse number="31">En gij zult tot de kinderen Israëls spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie der heilige zalving zijn bij uw geslachten.</verse>
				<verse number="32">Op geens mensen vlees zal men ze gieten; gij zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn.</verse>
				<verse number="33">De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.</verse>
				<verse number="34">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.</verse>
				<verse number="35">En gij zult een reukwerk ener zalf daaruit maken, naar het werk des apothekers, gemengd, rein, heilig.</verse>
				<verse number="36">En gij zult van hetzelve heel klein pulver stoten, en gij zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent der samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn.</verse>
				<verse number="37">Doch naar het maaksel dezes reukwerks, hetwelk gij gemaakt zult hebben, zult gijlieden voor uzelven geen maken; het zal u heiligheid zijn voor den HEERE.</verse>
				<verse number="38">De man, die dergelijke maken zal, om daaraan te rieken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zie, Ik heb met name geroepen Bezáleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.</verse>
				<verse number="3">En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;</verse>
				<verse number="4">Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper,</verse>
				<verse number="5">En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.</verse>
				<verse number="6">En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Ahóliab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb.</verse>
				<verse number="7">Namelijk de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der tent;</verse>
				<verse number="8">En de tafel, met haar gereedschap; en den louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar;</verse>
				<verse number="9">Ook des brandoffers altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet;</verse>
				<verse number="10">En de ambtsklederen, en de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;</verse>
				<verse number="11">Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken.</verse>
				<verse number="12">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.</verse>
				<verse number="14">Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.</verse>
				<verse number="15">Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="16">Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.</verse>
				<verse number="17">Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft.</verse>
				<verse number="18">En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.</verse>
				<verse number="2">Aäron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, uwer zonen, en uwer dochteren zijn; en brengt ze tot mij.</verse>
				<verse number="3">Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron.</verse>
				<verse number="4">En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.</verse>
				<verse number="5">Als Aäron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aäron riep uit, en zeide: Morgen zal den HEERE een feest zijn!</verse>
				<verse number="6">En zij stonden des anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.</verse>
				<verse number="7">Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.</verse>
				<verse number="8">En zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.</verse>
				<verse number="9">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!</verse>
				<verse number="10">En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken.</verse>
				<verse number="11">Doch Mozes aanbad het aangezicht des HEEREN zijns Gods, en hij zeide: O HEERE! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, hetwelk Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?</verse>
				<verse number="12">Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.</verse>
				<verse number="13">Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan welke Gij bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">Toen berouwde het den HEERE over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.</verse>
				<verse number="15">En Mozes wendde zich om, en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven.</verse>
				<verse number="16">En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.</verse>
				<verse number="17">Toen nu Jozua des volks stem hoorde, als het juichte, zo zeide hij tot Mozes: Er is een krijgsgeschrei in het leger.</verse>
				<verse number="18">Maar hij zeide: Het is geen stem des geroeps van overwinning, het is ook geen stem des geroeps van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte.</verse>
				<verse number="19">En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelve beneden aan den berg verbrak.</verse>
				<verse number="20">En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het den kinderen Israëls drinken.</verse>
				<verse number="21">En Mozes zeide tot Aäron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk een grote zonde over hetzelve gebracht hebt?</verse>
				<verse number="22">Toen zeide Aäron: De toorn mijns heren ontsteke niet! gij kent dit volk, dat het in den boze ligt.</verse>
				<verse number="23">Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen.</verse>
				<verse number="25">Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was (want Aäron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan),</verse>
				<verse number="26">Zo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.</verse>
				<verse number="27">En hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!</verse>
				<verse number="28">En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op dien dag, omtrent drie duizend man.</verse>
				<verse number="29">Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde des anderen daags, dat Mozes tot het volk zeide: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.</verse>
				<verse number="31">Zo keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.</verse>
				<verse number="32">Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt.</verse>
				<verse number="33">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt.</verse>
				<verse number="34">Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!</verse>
				<verse number="35">Aldus plaagde de HEERE dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aäron gemaakt had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;</verse>
				<verse number="2">En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),</verse>
				<verse number="3">Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere.</verse>
				<verse number="4">Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israëls: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.</verse>
				<verse number="6">De kinderen Israëls dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.</verse>
				<verse number="7">En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was.</verse>
				<verse number="9">En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes.</verse>
				<verse number="10">Als al het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent.</verse>
				<verse number="12">En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen!</verse>
				<verse number="13">Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!</verse>
				<verse number="14">Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?</verse>
				<verse number="15">Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken!</verse>
				<verse number="16">Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid!</verse>
				<verse number="19">Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.</verse>
				<verse number="20">Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.</verse>
				<verse number="21">De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen.</verse>
				<verse number="22">En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn.</verse>
				<verse number="23">En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.</verse>
				<verse number="2">En wees bereid tegen den morgenstond; dat gij in den morgenstond op den berg Sinaï klimt, en stel u aldaar voor Mij, op den top des bergs.</verse>
				<verse number="3">En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.</verse>
				<verse number="4">Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op den berg Sinaï, gelijk als hem de HEERE geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.</verse>
				<verse number="5">De HEERE nu kwam nederwaarts in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem; en Hij riep uit den Naam des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.</verse>
				<verse number="7">Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.</verse>
				<verse number="8">Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich.</verse>
				<verse number="9">En hij zeide: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel!</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.</verse>
				<verse number="11">Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.</verse>
				<verse number="12">Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.</verse>
				<verse number="13">Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.</verse>
				<verse number="14">(Want gij zult u niet buigen voor een anderen god; want des HEEREN Naam is IJveraar! een ijverig God is Hij!)</verse>
				<verse number="15">Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande etet.</verse>
				<verse number="16">En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochteren; en hun dochteren, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.</verse>
				<verse number="17">Gij zult u geen gegoten goden maken.</verse>
				<verse number="18">Het feest der ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.</verse>
				<verse number="19">Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.</verse>
				<verse number="20">Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij met een stuk klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem den nek breken. Al de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet ledig verschijnen.</verse>
				<verse number="21">Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten; in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.</verse>
				<verse number="22">Het feest der weken zult gij ook houden, zijnde het feest der eerstelingen van den tarweoogst, en het feest der inzameling, als het jaar om is.</verse>
				<verse number="23">Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren HEEREN, den God van Israël.</verse>
				<verse number="24">Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.</verse>
				<verse number="25">Gij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet vernachten tot den morgen.</verse>
				<verse number="26">De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken.</verse>
				<verse number="27">Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt.</verse>
				<verse number="28">En hij was aldaar met den HEERE, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden des verbonds, de tien woorden.</verse>
				<verse number="29">En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinaï afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.</verse>
				<verse number="30">Als nu Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.</verse>
				<verse number="31">Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.</verse>
				<verse number="32">En daarna traden al de kinderen Israëls toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinaï.</verse>
				<verse number="33">Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.</verse>
				<verse number="34">Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israëls, wat hem geboden was.</verse>
				<verse number="35">Zo zagen dan de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israëls verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.</verse>
				<verse number="2">Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.</verse>
				<verse number="3">Gij zult geen vuur aansteken in enige uwer woningen op den sabbatdag.</verse>
				<verse number="4">Verder sprak Mozes tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;</verse>
				<verse number="6">Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar;</verse>
				<verse number="7">En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;</verse>
				<verse number="8">En olie tot den luchter, en specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;</verse>
				<verse number="9">En sardónixstenen, en vervullende stenen, tot den efod en tot den borstlap.</verse>
				<verse number="10">En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de HEERE geboden heeft:</verse>
				<verse number="11">Den tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voeten;</verse>
				<verse number="12">De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en den voorhang des deksels;</verse>
				<verse number="13">De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;</verse>
				<verse number="14">En den kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;</verse>
				<verse number="15">En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des tabernakels;</verse>
				<verse number="16">Het altaar des brandoffers, en den koperen rooster, dien het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.</verse>
				<verse number="17">De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten; en het deksel van de poort des voorhofs;</verse>
				<verse number="18">De nagelen des tabernakels, en de pennen des voorhofs, met derzelver zelen;</verse>
				<verse number="19">De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen zijner zonen, om het priesterambt te bedienen.</verse>
				<verse number="20">Toen ging de ganse vergadering der kinderen Israëls uit van voor het aangezicht van Mozes.</verse>
				<verse number="21">En zij kwamen, alle man, wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten des HEEREN hefoffer tot het werk van de tent der samenkomst, en tot al haar dienst, en tot de heilige klederen.</verse>
				<verse number="22">Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer den HEERE offerde,</verse>
				<verse number="23">En alle man, bij wien gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar, en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze.</verse>
				<verse number="24">Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het ten hefoffer des HEEREN; en allen, bij welke sittimhout gevonden werd, brachten het tot alle werk van den dienst.</verse>
				<verse number="25">En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.</verse>
				<verse number="26">En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geiten haar.</verse>
				<verse number="27">De oversten nu brachten sardónixstenen en vulstenen, tot den efod en tot den borstlap;</verse>
				<verse number="28">En specerij en olie, tot den luchter en tot de zalfolie, en tot roking welriekende specerijen.</verse>
				<verse number="29">Alle man en vrouw, welker hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, hetwelk de HEERE geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen Israëls tot een vrijwillig offer den HEERE.</verse>
				<verse number="30">Daarna zeide Mozes tot de kinderen Israëls: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen Bezáleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.</verse>
				<verse number="31">En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;</verse>
				<verse number="32">En om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper,</verse>
				<verse number="33">En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftige handwerk.</verse>
				<verse number="34">Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Ahóliab, den zoon van Ahísamach, van den stam van Dan.</verse>
				<verse number="35">Hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des borduurders in hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en des wevers; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">Toen wrocht Bezáleël en Ahóliab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken de HEERE wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste des heiligdoms naar alles, dat de HEERE geboden had.</verse>
				<verse number="2">Want Mozes had geroepen Bezáleël en Ahóliab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken.</verse>
				<verse number="3">Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het ganse hefoffer, hetwelk de kinderen Israëls gebracht hadden, tot het werk van den dienst des heiligdoms, om dat te maken; doch zij brachten tot hem nog allen morgen vrijwillig offer.</verse>
				<verse number="4">Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk des heiligdoms maakten, ieder man van zijn werk, hetwelk zij maakten;</verse>
				<verse number="5">En zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste des werks, hetwelk de HEERE te maken geboden heeft.</verse>
				<verse number="6">Toen gebood Mozes, dat men een stem zoude laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer des heiligdoms! Alzo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.</verse>
				<verse number="7">Want der stoffe was denzelven genoeg tot het gehele werk, dat te maken was; ja, er was over.</verse>
				<verse number="8">Alzo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, den tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze.</verse>
				<verse number="9">De lengte ener gordijn was van acht en twintig ellen, en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen hadden een maat.</verse>
				<verse number="10">En hij voegde vijf gordijnen, de ene aan de andere; en hij voegde andere vijf gordijnen, de ene aan de andere.</verse>
				<verse number="11">Daarna maakte hij striklisjes van hemelsblauw aan den kant ener gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook aan den uitersten kant der tweede samenvoegende gordijn.</verse>
				<verse number="12">Vijftig striklisjes maakte hij aan de ene gordijn, en vijftig striklisjes maakte hij aan het uiterste der gordijn; dat aan de tweede samenvoegende was; deze striklisjes vatten de ene aan de andere.</verse>
				<verse number="13">Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de gordijnen samen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het een tabernakel werd.</verse>
				<verse number="14">Verder maakte hij gordijnen van geiten haar, tot een tent over den tabernakel; van elf gordijnen maakte hij ze.</verse>
				<verse number="15">De lengte ener gordijn was dertig ellen, en vier ellen de breedte ener gordijn; deze elf gordijnen hadden een maat.</verse>
				<verse number="16">En hij voegde vijf gordijnen samen bijzonder; wederom zes dezer gordijnen bijzonder.</verse>
				<verse number="17">En hij maakte vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn der andere samenvoeging.</verse>
				<verse number="18">Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij één ware.</verse>
				<verse number="19">Ook maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.</verse>
				<verse number="20">Hij maakte ook aan den tabernakel berderen van staand sittimhout.</verse>
				<verse number="21">De lengte van een berd was tien ellen, en ene el en ene halve el was de breedte van elk berd.</verse>
				<verse number="22">Twee houvasten had een berd, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo maakte hij het met al de berderen des tabernakels.</verse>
				<verse number="23">Hij maakte ook de berderen tot den tabernakel; twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.</verse>
				<verse number="24">En hij maakte veertig zilveren voeten onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.</verse>
				<verse number="25">Hij maakte ook twintig berderen aan de andere zijde des tabernakels, aan den noorderhoek.</verse>
				<verse number="26">Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.</verse>
				<verse number="27">Doch aan de zijden des tabernakels tegen het westen, maakte hij zes berderen.</verse>
				<verse number="28">Ook maakte hij twee berderen tot hoekberderen des tabernakels, aan de beide zijden.</verse>
				<verse number="29">En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd met een ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.</verse>
				<verse number="30">Alzo waren er acht berderen met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder elk berd.</verse>
				<verse number="31">Hij maakte ook richelen van sittimhout; vijf aan de berderen der ene zijde des tabernakels;</verse>
				<verse number="32">En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richelen aan de berderen des tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.</verse>
				<verse number="33">En hij maakte de middelste richel doorschietende in het midden der berderen, van het ene einde tot het andere einde.</verse>
				<verse number="34">En hij overtrok de berderen met goud, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) maakte hij van goud; de richelen overtrok hij ook met goud.</verse>
				<verse number="35">Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij denzelven, met cherubim.</verse>
				<verse number="36">En hij maakte daartoe vier pilaren van sittim hout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voeten.</verse>
				<verse number="37">Hij maakte ook aan de deur der tent een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk;</verse>
				<verse number="38">En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en derzelver banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">Alzo maakte Bezáleël de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.</verse>
				<verse number="2">En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte ze een gouden krans rondom.</verse>
				<verse number="3">En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op derzelver ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde.</verse>
				<verse number="4">En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.</verse>
				<verse number="5">En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden der ark, om de ark te dragen.</verse>
				<verse number="6">Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte.</verse>
				<verse number="7">Ook maakte hij twee cherubim van goud; van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels.</verse>
				<verse number="8">Een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit deszelfs beide einden.</verse>
				<verse number="9">En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkander; de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.</verse>
				<verse number="10">Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee ellen was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte.</verse>
				<verse number="11">En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom.</verse>
				<verse number="12">Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom derzelver lijst.</verse>
				<verse number="13">Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten waren.</verse>
				<verse number="14">Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.</verse>
				<verse number="15">Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.</verse>
				<verse number="16">En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zoude, haar schotelen, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar platelen (met welke zij bedekt zoude worden), van louter goud.</verse>
				<verse number="17">Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij dezen kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem.</verse>
				<verse number="18">Zes rieten nu gingen uit zijn zijden; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.</verse>
				<verse number="19">In het ene riet waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen.</verse>
				<verse number="20">Maar aan den kandelaar zelven waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.</verse>
				<verse number="21">En daar was een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzo was het met de zes rieten, die uit denzelven uitgingen.</verse>
				<verse number="22">Hun knopen en hun rieten waren uit hem; het was altemaal een enig dicht werk van louter goud.</verse>
				<verse number="23">En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud.</verse>
				<verse number="24">Hij maakte denzelven uit een talent louter goud, met al zijn vaten,</verse>
				<verse number="25">En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelve waren zijn hoornen.</verse>
				<verse number="26">En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom.</verse>
				<verse number="27">Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede droeg.</verse>
				<verse number="28">En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.</verse>
				<verse number="29">Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, naar apothekerswerk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was deszelfs lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte.</verse>
				<verse number="2">En hij maakte deszelfs hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelve waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper.</verse>
				<verse number="3">Hij maakte ook al het gereedschap des altaars, de potten, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en de krauwelen, en de koolpannen; al zijn vaten maakte hij van koper.</verse>
				<verse number="4">Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijn omloop, van beneden tot zijn midden toe.</verse>
				<verse number="5">En hij goot vier ringen aan de vier einden des koperen roosters, tot plaatsen voor de handbomen.</verse>
				<verse number="6">En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper.</verse>
				<verse number="7">En hij deed de handbomen in de ringen, aan de zijden des altaars, dat men het met dezelve droeg; hij maakte hetzelve hol van planken.</verse>
				<verse number="8">Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="9">Hij maakte ook den voorhof, aan den zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.</verse>
				<verse number="10">Hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten, waren van koper; de haken dezer pilaren en hun banden waren van zilver.</verse>
				<verse number="11">En aan den noorderhoek honderd ellen, hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten waren van koper; de haken der pilaren en derzelver banden waren van zilver.</verse>
				<verse number="12">En aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen, hun pilaren tien en derzelver voeten tien; de haken der pilaren en hun banden waren van zilver.</verse>
				<verse number="13">En aan den oosterhoek tegen den opgang waren vijftig ellen.</verse>
				<verse number="14">De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hun voeten drie.</verse>
				<verse number="15">En aan de andere zijde van de deur des voorhofs, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen; hun pilaren drie en derzelver voeten drie.</verse>
				<verse number="16">Al de behangselen des voorhofs waren rondom van fijn getweernd linnen.</verse>
				<verse number="17">De voeten nu der pilaren waren van koper, de haken der pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel hunner hoofden was van zilver, en al de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen.</verse>
				<verse number="18">En het deksel van de poort des voorhofs was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen des voorhofs.</verse>
				<verse number="19">En hun vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel hunner hoofden en hun banden van zilver.</verse>
				<verse number="20">En al de pennen des tabernakels en des voorhofs rondom waren van koper.</verse>
				<verse number="21">Dit zijn de getelde dingen van den tabernakel, van den tabernakel der getuigenis, die geteld zijn naar den mond van Mozes, ten dienste der Levieten, door de hand van Ithamar, den zoon van den priester Aäron.</verse>
				<verse number="22">Bezáleël nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="23">En met hem Ahóliab, de zoon van Ahísamach, van den stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen.</verse>
				<verse number="24">Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het ganse werk des heiligdoms, te weten, het goud des beweegoffers, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.</verse>
				<verse number="25">Het zilver nu van de getelden der vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.</verse>
				<verse number="26">Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="27">En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten des heiligdoms, en de voeten des voorhangs; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.</verse>
				<verse number="28">Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en omtoog ze met banden.</verse>
				<verse number="29">Het koper nu des beweegoffers was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkelen.</verse>
				<verse number="30">En hij maakte daarvan de voeten der deur van de tent der samenkomst, en het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het had, en al het gereedschap des altaars.</verse>
				<verse number="31">En de voeten des voorhofs rondom, en de voeten van de poort des voorhofs, ook al de pennen des tabernakels, en al de pennen des voorhofs rondom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige klederen, die voor Aäron waren, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="2">Aldus maakte hij den efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.</verse>
				<verse number="3">En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk.</verse>
				<verse number="4">Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan deszelfs beide einden werd hij samengevoegd.</verse>
				<verse number="5">En de kunstelijke riem zijns efods, die daarop was, was gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, gelijk als de HEERE aan Mozes bevolen had.</verse>
				<verse number="6">Zij bereidden ook de sardónixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen der zonen van Israël.</verse>
				<verse number="7">En hij zette ze op de schouderbanden des efods, tot stenen der gedachtenis voor de kinderen Israëls, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="8">Hij maakte ook den borstlap van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.</verse>
				<verse number="9">Hij was vierkant; zij maakten den borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde.</verse>
				<verse number="10">En zij vulden daarin vier rijen stenen: een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.</verse>
				<verse number="11">En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant.</verse>
				<verse number="12">En de derde rij van een Hyacint, Agaat, en Amethist.</verse>
				<verse number="13">En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardónix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen.</verse>
				<verse number="14">Deze stenen nu, met de namen der zonen van Israël, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.</verse>
				<verse number="15">Zij maakten ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes, van gedraaid werk, uit louter goud.</verse>
				<verse number="16">En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden des borstlaps.</verse>
				<verse number="17">En zij zetten de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen, aan de einden van den borstlap.</verse>
				<verse number="18">Doch de twee andere einden der twee gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden des efods, recht op de voorste zijde van dien.</verse>
				<verse number="19">Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde des efods is.</verse>
				<verse number="20">Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van den efod, beneden, aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijn andere voege, boven den kunstelijken riem des efods.</verse>
				<verse number="21">En zij bonden den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den efod was; opdat de borstlap van den efod niet afgescheiden wierd, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="22">En hij maakte den mantel des efods van geweven werk, geheel van hemelsblauw.</verse>
				<verse number="23">En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsiers; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd wierd.</verse>
				<verse number="24">En aan de zomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd.</verse>
				<verse number="25">Zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tussen de granaatappelen, aan de zomen des mantels rondom, tussen de granaatappelen;</verse>
				<verse number="26">Dat er een schelletje, daarna een granaatappel was; wederom een schelletje, en een granaatappel; aan de zomen des mantels rondom; om te dienen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="27">Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aäron en voor zijn zonen;</verse>
				<verse number="28">En den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;</verse>
				<verse number="29">En den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="30">Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: DE HEILIGHEID DES HEEREN.</verse>
				<verse number="31">En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="32">Aldus werd al het werk des tabernakels, van de tent der samenkomst voleind; en de kinderen Israëls hadden het gemaakt naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had; alzo hadden zij het gemaakt.</verse>
				<verse number="33">Daarna brachten zij den tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar berderen, haar richelen, en haar pilaren, en haar voeten;</verse>
				<verse number="34">En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en den voorhang van het deksel;</verse>
				<verse number="35">De ark der getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel;</verse>
				<verse number="36">De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden;</verse>
				<verse number="37">Den louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al deszelfs gereedschap, en de olie tot het licht;</verse>
				<verse number="38">Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, en het deksel van de deur der tent.</verse>
				<verse number="39">Het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het heeft, deszelfs handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet;</verse>
				<verse number="40">De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten, en het deksel van de poort des voorhofs, zijn zelen, en zijn pennen, en al het gereedschap van den dienst des tabernakels, tot de tent der samenkomst;</verse>
				<verse number="41">De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.</verse>
				<verse number="42">Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israëls het ganse werk gemaakt.</verse>
				<verse number="43">Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Op den dag der eerste maand, te weten op den eersten der maand, zult gij den tabernakel, de tent der samenkomst, oprichten.</verse>
				<verse number="3">En gij zult aldaar zetten de ark der getuigenis; en gij zult de ark met den voorhang bedekken.</verse>
				<verse number="4">Daarna zult gij de tafel daarin brengen, en gij zult schikken wat daarop te schikken is; gij zult ook den kandelaar daarin brengen, en zijn lampen aansteken.</verse>
				<verse number="5">En gij zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark der getuigenis zetten, dan zult gij het deksel van de deur des tabernakels ophangen.</verse>
				<verse number="6">Gij zult ook het altaar des brandoffers zetten voor de deur van den tabernakel, van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="7">En gij zult het wasvat zetten tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar; en gij zult water daar in doen.</verse>
				<verse number="8">Daarna zult gij den voorhof rondom zetten, en gij zult het deksel ophangen aan de poort des voorhofs.</verse>
				<verse number="9">Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven den tabernakel, en al wat daarin is; en gij zult denzelven heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn.</verse>
				<verse number="10">Gij zult ook het altaar des brandoffers zalven, en al zijn gereedschap; en gij zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn.</verse>
				<verse number="11">Dan zult gij het wasvat zalven, en deszelfs voet; en gij zult het heiligen.</verse>
				<verse number="12">Gij zult ook Aäron en zijn zonen doen naderen, tot de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.</verse>
				<verse number="13">En gij zult Aäron de heilige klederen aantrekken; en gij zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.</verse>
				<verse number="14">Gij zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken.</verse>
				<verse number="15">En gij zult hen zalven, gelijk als gij hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal geschieden, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten.</verse>
				<verse number="16">Mozes nu deed het naar alles, wat hem de HEERE geboden had; alzo deed hij.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op den eersten der maand, dat de tabernakel opgericht werd.</verse>
				<verse number="18">Want Mozes richtte den tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte deszelfs pilaren op.</verse>
				<verse number="19">En hij spreidde de tent uit over den tabernakel, en hij zette het deksel der tent daar bovenop, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="20">Voorts nam hij, en legde de getuigenis in de ark, en deed de handbomen aan de ark, en hij zette het verzoendeksel boven op de ark.</verse>
				<verse number="21">En hij bracht de ark in den tabernakel, en hij hing den voorhang van het deksel op, en bedekte de ark der getuigenis, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="22">Hij zette ook de tafel in de tent der samenkomst, aan de zijde des tabernakels tegen het noorden, buiten den voorhang.</verse>
				<verse number="23">En hij schikte daarop het brood in orde, voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="24">Hij zette ook den kandelaar in de tent der samenkomst, recht over de tafel, aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.</verse>
				<verse number="25">En hij stak de lampen aan voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="26">En hij zette het gouden altaar in de tent der samenkomst, voor den voorhang.</verse>
				<verse number="27">En hij stak daarop aan reukwerk van welriekende specerijen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="28">Hij hing ook het deksel van de deur des tabernakels.</verse>
				<verse number="29">En hij zette het altaar des brandoffers aan de deur des tabernakels, van de tent der samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en spijsoffer, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="30">Hij zette ook het wasvat tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen.</verse>
				<verse number="31">En Mozes en Aäron, en zijn zonen wiesen daaruit hun handen en hun voeten.</verse>
				<verse number="32">Als zij ingingen tot de tent der samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wiesen zij zich, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="33">Hij richtte ook den voorhof op, rondom den tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel van de poort des voorhofs op. Alzo voleindigde Mozes het werk.</verse>
				<verse number="34">Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel.</verse>
				<verse number="35">Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN den tabernakel vervulde.</verse>
				<verse number="36">Als nu de wolk opgeheven werd van boven den tabernakel, zo reisden de kinderen Israëls voort in al hun reizen.</verse>
				<verse number="37">Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op den dag, dat zij opgeheven werd.</verse>
				<verse number="38">Want de wolk des HEEREN was op den tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het ganse huis Israëls in al hun reizen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="3">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.</verse>
				<verse number="3">Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="4">En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.</verse>
				<verse number="5">Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.</verse>
				<verse number="6">Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.</verse>
				<verse number="7">En de zonen van Aäron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.</verse>
				<verse number="8">Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.</verse>
				<verse number="9">Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="10">En indien zijn offerande is van kleinvee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.</verse>
				<verse number="11">En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.</verse>
				<verse number="12">Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.</verse>
				<verse number="13">Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="14">En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.</verse>
				<verse number="15">En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.</verse>
				<verse number="16">En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.</verse>
				<verse number="17">Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Als nu een ziel een offerande van spijsoffer den HEERE zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.</verse>
				<verse number="2">En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit deszelfs meelbloem, en uit deszelfs olie, met al deszelfs wierook; en de priester zal deszelfs gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="3">Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.</verse>
				<verse number="4">En als gij offeren zult een offerande van spijsoffer, een gebak des ovens; het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken.</verse>
				<verse number="5">En indien uw offerande spijsoffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd.</verse>
				<verse number="6">Breekt ze in stukken, en giet olie daarop; het is een spijsoffer.</verse>
				<verse number="7">En zo uw offerande een spijsoffer des ketels is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden.</verse>
				<verse number="8">Dan zult gij dat spijsoffer, hetwelk daarvan zal gemaakt worden, den HEERE toebrengen; en men zal het tot den priester doen naderen, die het tot het altaar dragen zal.</verse>
				<verse number="9">En de priester zal van dat spijsoffer deszelfs gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="10">En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.</verse>
				<verse number="11">Geen spijsoffer, dat gij den HEERE zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honig zult gijlieden den HEERE vuuroffer aansteken.</verse>
				<verse number="12">De offeranden der eerstelingen zult gij den HEERE offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijken reuk.</verse>
				<verse number="13">En alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten, en het zout des verbonds van uw God van uw spijsoffer niet laten afblijven; met al uw offerande zult gij zout offeren.</verse>
				<verse number="14">En zo gij den HEERE een spijsoffer der eerste vruchten offert, zult gij het spijsoffer uwer eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren.</verse>
				<verse number="15">En gij zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een spijsoffer.</verse>
				<verse number="16">Zo zal de priester deszelfs gedenkoffer aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al den wierook; het is een vuuroffer den HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En indien zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="2">En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de tent der samenkomst; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen.</verse>
				<verse number="3">Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, hetwelk aan het ingewand is.</verse>
				<verse number="4">Dan zal hij beide de nieren, en het vet, hetwelk daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.</verse>
				<verse number="5">En de zonen van Aäron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, hetwelk op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="6">En indien zijn offerande van klein vee is, den HEERE tot een dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren.</verse>
				<verse number="7">Indien hij een lam tot zijn offerande offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="8">En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en hij zal die slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aäron zullen het bloed daarvan sprengen op het altaar rondom.</verse>
				<verse number="9">Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren; zijn vet, den gehelen staart, dien hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;</verse>
				<verse number="10">Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen.</verse>
				<verse number="11">En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers den HEERE.</verse>
				<verse number="12">Indien nu zijn offerande een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal haar slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aäron zullen haar bloed op het altaar sprengen rondom.</verse>
				<verse number="14">Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer den HEERE; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;</verse>
				<verse number="15">Mitsgaders de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.</verse>
				<verse number="16">En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk; alle vet zal des HEEREN zijn.</verse>
				<verse number="17">Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben;</verse>
				<verse number="3">Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer.</verse>
				<verse number="4">En hij zal dien var brengen tot de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal zijn hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="5">Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var nemen, en hij zal dat tot de tent der samenkomst brengen.</verse>
				<verse number="6">En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor den voorhang van het heilige.</verse>
				<verse number="7">Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen des reukaltaars der welriekende specerijen, voor het aangezicht des HEEREN, Die in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed van den var uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="8">Verder, al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;</verse>
				<verse number="9">Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen;</verse>
				<verse number="10">Gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers.</verse>
				<verse number="11">Maar de huid van dien var, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest;</verse>
				<verse number="12">En dien gehelen var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.</verse>
				<verse number="13">Indien nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen der gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden des HEEREN, dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden;</verse>
				<verse number="14">En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en dien voor de tent der samenkomst brengen;</verse>
				<verse number="15">En de oudsten der vergadering zullen hun handen op het hoofd van den var leggen, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal den var slachten voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="16">Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var tot de tent der samenkomst brengen.</verse>
				<verse number="17">En de priester zal zijn vinger indopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor den voorhang.</verse>
				<verse number="18">En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is voor de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="19">Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken.</verse>
				<verse number="20">En hij zal dezen var doen, gelijk als hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.</verse>
				<verse number="21">Daarna zal hij dien var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij den eersten var verbrand heeft; het is een zondoffer der gemeente.</verse>
				<verse number="22">Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen een van de geboden des HEEREN zijns Gods, door afdwaling, gedaan zal hebben, hetwelk niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is;</verse>
				<verse number="23">Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje.</verse>
				<verse number="24">En hij zal zijn hand op het hoofd van den bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des HEEREN; het is een zondoffer.</verse>
				<verse number="25">Daarna zal de priester van het bloed des zondoffers met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar des brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten.</verse>
				<verse number="26">Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, gelijk het vet des dankoffers; zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden.</verse>
				<verse number="27">En zo enig mens van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet tegen een van de geboden des HEEREN, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is;</verse>
				<verse number="28">Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offerande brengen een jonge geit, een volkomen wijfje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft.</verse>
				<verse number="29">En hij zal zijn hand op het hoofd des zondoffers leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats des brandoffers.</verse>
				<verse number="30">Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.</verse>
				<verse number="31">En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijken reuk den HEERE; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.</verse>
				<verse number="32">Maar zo hij een lam voor zijn offerande ten zondoffer brengt, het zal een volkomen wijfje zijn, dat hij brengt.</verse>
				<verse number="33">En hij zal zijn hand op het hoofd des zondoffers leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht.</verse>
				<verse number="34">Daarna zal de priester van het bloed des zondoffers met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.</verse>
				<verse number="35">En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen des HEEREN; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="2">Of wanneer een mens enig onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij het dode aas van een wild onrein gedierte, of het dode aas van onrein vee, of het dode aas van onrein kruipend gedierte; al is het voor hem verborgen geweest, nochtans is hij onrein en schuldig.</verse>
				<verse number="3">Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinigheid van een mens, naar al zijn onreinigheid, waarmede hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij schuldig.</verse>
				<verse number="4">Of als een mens zal gezworen hebben, onbedacht met zijn lippen uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mens in den eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij aan een van die schuldig.</verse>
				<verse number="5">Het zal dan geschieden, als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft;</verse>
				<verse number="6">En tot zijn schuldoffer den HEERE voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een wijfje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen.</verse>
				<verse number="7">Maar indien zijn hand zoveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, den HEERE brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, een ten zondoffer, en een ten brandoffer.</verse>
				<verse number="8">En hij zal die tot den priester brengen, welke eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is; en zal haar hoofd met zijn nagel nevens haar nek splijten, maar niet afscheiden.</verse>
				<verse number="9">En van het bloed des zondoffers zal hij aan den wand van het altaar sprengen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan den bodem van het altaar; het is een zondoffer.</verse>
				<verse number="10">En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.</verse>
				<verse number="11">Maar indien zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.</verse>
				<verse number="12">En hij zal dat tot den priester brengen, en de priester zal daarvan zijn hand vol, ter gedachtenis deszelven, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuurofferen des HEEREN; het is een zondoffer.</verse>
				<verse number="13">Zo zal de priester voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft in enige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en het zal des priesters zijn, gelijk het spijsoffer.</verse>
				<verse number="14">Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="15">Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat ontwendende van de heilige dingen des HEEREN, zo zal hij tot zijn schuldoffer den HEERE brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, ten schuldoffer.</verse>
				<verse number="16">Zo zal hij, dat hij zondigende heeft ontwend van de heilige dingen, wedergeven, en zal deszelfs vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij den priester geven zal; alzo zal de priester met den ram des schuldoffers voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.</verse>
				<verse number="17">En indien een mens zal gezondigd hebben, en gedaan tegen een van alle geboden des HEEREN, hetwelk niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig, en zal zijn ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="18">En hij zal een volkomen ram uit de kudde tot den priester brengen, met uw schatting, ten schuldoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn afdwaling, door welke hij afgedwaald is, die hij niet geweten had; zo zal het hem vergeven worden.</verse>
				<verse number="19">Het is een schuldoffer; hij heeft zich voorzeker schuldig gemaakt aan den HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Als een mens gezondigd, en tegen den HEERE door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt;</verse>
				<verse number="3">Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende.</verse>
				<verse number="4">Het zal dan geschieden, dewijl hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal den roof, dien hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft;</verse>
				<verse number="5">Of van al, waarover hij valselijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld.</verse>
				<verse number="6">En hij zal den HEERE zijn schuldoffer brengen tot den priester, een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting, ten schuldoffer.</verse>
				<verse number="7">Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.</verse>
				<verse number="8">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des brandoffers; het is hetgeen, wat door de branding op het altaar den gansen nacht tot aan den morgen opvaart; alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden.</verse>
				<verse number="10">En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.</verse>
				<verse number="11">Daarna zal hij zijn klederen uittrekken, en zal andere klederen aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats.</verse>
				<verse number="12">Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elken morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet der dankofferen daarop aansteken.</verse>
				<verse number="13">Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="14">Dit is nu de wet des spijsoffers; een der zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht des HEEREN offeren, voor aan het altaar.</verse>
				<verse number="15">En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie, en al den wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot deszelfs gedachtenis voor den HEERE.</verse>
				<verse number="16">En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in den voorhof van de tent der samenkomst zullen zij dat eten.</verse>
				<verse number="17">Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer.</verse>
				<verse number="18">Al wat mannelijk is onder de zonen van Aäron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten van de vuurofferen des HEEREN; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn.</verse>
				<verse number="19">Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="20">Dit is de offerande van Aäron en van zijn zonen, die zij den HEERE offeren zullen, ten dage als hij zal gezalfd worden: het tiende deel ener efa meelbloem, een spijsoffer gedurig; de helft daarvan op den morgen, en de helft daarvan op den avond.</verse>
				<verse number="21">Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroost zult gij het brengen; en de gebakken stukken des spijsoffers zult gij offeren, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="22">Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor den HEERE geheel aangestoken worden.</verse>
				<verse number="23">Alzo zal alle spijsoffer des priesters ganselijk zijn; het zal niet gegeten worden.</verse>
				<verse number="24">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="25">Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des zondoffers: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des HEEREN geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="26">De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in den voorhof van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="27">Al wat deszelfs vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.</verse>
				<verse number="28">En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.</verse>
				<verse number="29">Al wat mannelijk is onder de priesteren, zal dat eten; het is een heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="30">Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent der samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Dit is nu de wet des schuldoffers; het is een heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="2">In de plaats, waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en men zal deszelfs bloed rondom op het altaar sprengen.</verse>
				<verse number="3">En daarvan zal men al zijn vet offeren, den staart, en het vet, dat het ingewand bedekt;</verse>
				<verse number="4">Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat op de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal men afnemen.</verse>
				<verse number="5">En de priester zal die aansteken op het altaar, ten vuuroffer den HEERE; het is een schuldoffer.</verse>
				<verse number="6">Al wat mannelijk is onder de priesteren zal dat eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="7">Gelijk het zondoffer, alzo zal ook het schuldoffer zijn; enerlei wet zal voor dezelve zijn; het zal des priesters zijn, die daarmede verzoening gedaan zal hebben.</verse>
				<verse number="8">Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid des brandoffers hebben, dat hij geofferd heeft.</verse>
				<verse number="9">Daartoe al het spijsoffer, dat in den oven gebakken wordt, met al wat in den ketel en in de pan bereid wordt, zal des priesters zijn, die dat offert.</verse>
				<verse number="10">Ook alle spijsoffer met olie gemengd, of droog, zal voor alle zonen van Aäron zijn, voor den enen als voor den anderen.</verse>
				<verse number="11">Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den HEERE offeren zal.</verse>
				<verse number="12">Indien hij dat tot een lof offer offert, zo zal hij, nevens het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn.</verse>
				<verse number="13">Benevens de koeken zal hij tot zijn offerande gedesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers.</verse>
				<verse number="14">En een daarvan uit de ganse offerande zal hij den HEERE ten hefoffer offeren; het zal voor den priester zijn, die het bloed des dankoffers sprengt.</verse>
				<verse number="15">Maar het vlees van het lofoffer zijns dankoffers zal op den dag van deszelfs offerande gegeten worden; daarvan zal men niet tot den morgen overlaten.</verse>
				<verse number="16">En zo het slachtoffer zijner offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal ten dage als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook des anderen daags gegeten worden.</verse>
				<verse number="17">Wat nog van het vlees des slachtoffers overgebleven is, zal op den derden dag met vuur verbrand worden;</verse>
				<verse number="18">Want zo enigszins van dat vlees zijns dankoffers op den derden dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="19">En het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten.</verse>
				<verse number="20">Doch als een ziel het vlees van het dankoffer, hetwelk des HEEREN is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="21">En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinigheid des mensen, of het onreine vee, of enig onrein verfoeisel, en zal van het vlees des dankoffers, hetwelk des HEEREN is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="22">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="23">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult gij eten.</verse>
				<verse number="24">Maar het vet van een dood aas, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebezigd worden; doch gij zult het ganselijk niet eten.</verse>
				<verse number="25">Want al wie het vet van vee eten zal, van hetwelk men den HEERE een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="26">Ook zult gij in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee.</verse>
				<verse number="27">Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="28">Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="29">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wie zijn dankoffer den HEERE offert, zal zijn offerande van zijn dankoffer den HEERE toebrengen.</verse>
				<verse number="30">Zijn handen zullen de vuurofferen des HEEREN brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen.</verse>
				<verse number="31">En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; doch de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn.</verse>
				<verse number="32">Gij zult ook den rechterschouder tot een hefoffer den priester geven, uit uw dankofferen.</verse>
				<verse number="33">Wie uit de zonen van Aäron het bloed des dankoffers en het vet offert, dien zal de rechterschouder ten dele zijn.</verse>
				<verse number="34">Want de beweegborst en den hefschouder heb Ik van de kinderen Israëls uit hun dankofferen genomen, en heb dezelve aan Aäron, den priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="35">Dit is de zalving van Aäron en de zalving van zijn zonen, van de vuurofferen des HEEREN; ten dage als hij hen deed naderen, om het priesterdom den HEERE te bedienen;</verse>
				<verse number="36">Hetwelk de HEERE hun van de kinderen Israëls te geven geboden heeft, ten dage als Hij hen zalfde; het zij een eeuwige inzetting voor hun geslachten.</verse>
				<verse number="37">Dit is de wet des brandoffers, des spijsoffers, des zondoffers, des schuldoffers, des vuloffers en des dankoffers;</verse>
				<verse number="38">Die de HEERE Mozes op den berg Sinaï geboden heeft, ten dage als Hij den kinderen Israëls gebood, dat zij hun offeranden den HEERE, in de woestijn van Sinaï, zouden offeren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neem Aäron en zijn zonen met hem, en de klederen, en de zalfolie, daartoe den var des zondoffers, en de twee rammen, en den korf van de ongezuurde broden;</verse>
				<verse number="3">En verzamel de ganse vergadering aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="4">Mozes nu deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.</verse>
				<verse number="6">En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen, en wies hen met dat water.</verse>
				<verse number="7">Daar deed hij hem den rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den mantel aan; ook deed hij hem den efod aan, en gordde dien met den kunstelijken riem des efods, en ombond hem daarmede.</verse>
				<verse number="8">Voorts deed hij hem den borstlap aan, en voegde aan den borstlap de Urim en de Thummim.</verse>
				<verse number="9">En hij zette den hoed op zijn hoofd; en aan den hoed boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon der heiligheid, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="10">Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde den tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.</verse>
				<verse number="11">En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, mitsgaders het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.</verse>
				<verse number="12">Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen.</verse>
				<verse number="13">Ook deed Mozes de zonen van Aäron naderen, en trok hun rokken aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun mutsen op, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="14">Toen deed hij den var des zondoffers bijkomen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van den var des zondoffers;</verse>
				<verse number="15">En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen des altaars, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars, en heiligde het, om voor hetzelve verzoening te doen.</verse>
				<verse number="16">Voorts nam hij al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de twee nieren en haar vet; en Mozes stak het aan op het altaar.</verse>
				<verse number="17">Maar den var met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="18">Daarna deed hij den ram des brandoffers bijbrengen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van den ram.</verse>
				<verse number="19">En men slachtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom.</verse>
				<verse number="20">Hij deelde ook den ram in zijn delen; en Mozes stak het hoofd aan, en die delen, en het smeer;</verse>
				<verse number="21">Doch het ingewand en de schenkelen wies hij met water; en Mozes stak dien gehelen ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer was het den HEERE, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="22">Daarna deed hij den anderen ram, den ram des vuloffers, bijbrengen; en Aäron met zijn zonen legden hun handen op het hoofd van den ram.</verse>
				<verse number="23">En men slachtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op het lapje van Aärons rechteroor, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet.</verse>
				<verse number="24">Hij deed ook de zonen van Aäron naderen; en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun rechteroor, en op den duim van hun rechterhand, en op den groten teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed rondom op het altaar.</verse>
				<verse number="25">En hij nam het vet, en den staart, en al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de beide nieren, en haar vet, daartoe den rechterschouder.</verse>
				<verse number="26">Ook nam hij uit den korf van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN was, een ongezuurden koek, en een geölieden broodkoek, en een vlade; en hij legde ze op dat vet, en op den rechterschouder.</verse>
				<verse number="27">En hij gaf dat alles in de handen van Aäron, en in de handen zijner zonen; en bewoog die ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="28">Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren vulofferen tot een liefelijken reuk; het was een vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="29">Voorts nam Mozes de borst, en bewoog ze ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; zij werd Mozes ten dele van den ram des vuloffers, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="30">Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, hetwelk op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn klederen, en op zijn zonen, en op de klederen zijner zonen met hem; en hij heiligde Aäron, zijn klederen, en zijn zonen, en de klederen zijner zonen met hem.</verse>
				<verse number="31">En Mozes zeide tot Aäron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent der samenkomst, en eet hetzelve daar, mitsgaders het brood, dat in den korf des vuloffers is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten.</verse>
				<verse number="32">Maar het overige van het vlees en van het brood zult gij met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="33">Ook zult gij uit de deur van de tent der samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan den dag, dat vervuld worden de dagen uws vuloffers; want zeven dagen zal men uw handen vullen.</verse>
				<verse number="34">Gelijk men gedaan heeft op dezen dag, heeft de HEERE te doen geboden, om voor u verzoening te doen.</verse>
				<verse number="35">Gij zult dan aan de deur van de tent der samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht des HEEREN waarnemen, opdat gij niet sterft; want alzo is het mij geboden.</verse>
				<verse number="36">Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die de HEERE door den dienst van Mozes geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël;</verse>
				<verse number="2">En hij zeide tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="3">Daarna spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Neemt een geitenbok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="4">Ook een os en ram ten dankoffer, om voor het aangezicht des HEEREN te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de HEERE u verschijnen.</verse>
				<verse number="5">Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">En Mozes zeide: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen.</verse>
				<verse number="7">En Mozes zeide tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de HEERE geboden heeft.</verse>
				<verse number="8">Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf des zondoffers, dat voor hem was.</verse>
				<verse number="9">En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars.</verse>
				<verse number="10">Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="11">Doch het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger.</verse>
				<verse number="12">Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar.</verse>
				<verse number="13">Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar.</verse>
				<verse number="14">En hij wies het ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar.</verse>
				<verse number="15">Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen; en nam den bok des zondoffers, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste.</verse>
				<verse number="16">Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht.</verse>
				<verse number="17">En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgenbrandoffer.</verse>
				<verse number="18">Daarna slachtte hij den os, en den ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom op het altaar sprengde;</verse>
				<verse number="19">En het vet van den os, en van den ram, den staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net der lever;</verse>
				<verse number="20">En zij legden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar.</verse>
				<verse number="21">Maar de borsten en den rechterschouder bewoog Aäron ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="22">Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had.</verse>
				<verse number="23">Toen ging Mozes met Aäron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk.</verse>
				<verse number="24">Want een vuur ging uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het ganse volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En de zonen van Aäron, Nadab en Abíhu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN, hetwelk Hij hun niet geboden had.</verse>
				<verse number="2">Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="3">En Mozes zeide tot Aäron: Dat is het, wat de HEERE gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Doch Aäron zweeg stil.</verse>
				<verse number="4">En Mozes riep Misaël en Elzafan, de zonen van Uzziël, den oom van Aäron, en zeide tot hen: Treedt toe, draagt uw broederen weg, van voor het heiligdom tot buiten het leger.</verse>
				<verse number="5">Toen traden zij toe, en droegen hen, in hun rokken, tot buiten het leger, gelijk als Mozes gesproken had.</verse>
				<verse number="6">En Mozes zeide tot Aäron, en tot Eleázar, en tot Ithamar, zijn zonen: Gij zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw klederen verscheuren, opdat gij niet sterft, en grote toorn over de ganse vergadering kome; maar uw broederen, het ganse huis van Israël, zullen dezen brand, dien de HEERE aan gestoken heeft, bewenen.</verse>
				<verse number="7">Gij zult ook uit de deur van de tent der samenkomst niet uitgaan, opdat gij niet sterft; want de zalfolie des HEEREN is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE sprak tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Wijn en sterken drank zult gij niet drinken, gij, noch uw zonen met u, als gij gaan zult in de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten;</verse>
				<verse number="10">En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine;</verse>
				<verse number="11">En om den kinderen Israëls te leren al de inzettingen, die de HEERE door den dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.</verse>
				<verse number="12">En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleázar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuurofferen des HEEREN overgebleven is, en eet hetzelve ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="13">Daarom zult gij dat eten in de heilige plaats, dewijl het uw bescheiden deel en het bescheiden deel uwer zonen uit des HEEREN vuurofferen is; want alzo is mij geboden.</verse>
				<verse number="14">Ook de beweegborst en den hefschouder zult gij in een reine plaats eten, gij, en uw zonen, en uw dochteren met u; want tot uw bescheiden deel, en uwer zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen der kinderen Israëls gegeven.</verse>
				<verse number="15">Den hefschouder en de beweegborst zullen zij nevens de vuurofferen des vets toebrengen, om ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen; hetwelk, voor u en uw zonen met u, tot een eeuwige inzetting zijn zal, gelijk als de HEERE geboden heeft.</verse>
				<verse number="16">En Mozes zocht zeer naarstiglijk den bok des zondoffers; en ziet, hij was verbrand. Dies was hij op Eleázar en op Ithamar, de overgebleven zonen van Aäron, zeer toornig, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten in de heilige plaats? Want het is een heiligheid der heiligheden, en Hij heeft u dat gegeven, opdat gij de ongerechtigheid der vergadering zoudt dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="18">Ziet, deszelfs bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; gij moest dat ganselijk gegeten hebben in het heiligdom, gelijk als ik geboden heb.</verse>
				<verse number="19">Toen sprak Aäron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht des HEEREN geofferd, en zulke dingen zijn mij wedervaren; en had ik heden het zondoffer gegeten, zou dat goed geweest zijn in de ogen des HEEREN?</verse>
				<verse number="20">Als Mozes dit hoorde, zo was het goed in zijn ogen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende tot hen:</verse>
				<verse number="2">Spreekt tot de kinderen Israëls, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.</verse>
				<verse number="3">Al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.</verse>
				<verse number="4">Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;</verse>
				<verse number="5">En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;</verse>
				<verse number="6">En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.</verse>
				<verse number="7">Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.</verse>
				<verse number="8">Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.</verse>
				<verse number="9">Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;</verse>
				<verse number="10">Maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.</verse>
				<verse number="11">Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.</verse>
				<verse number="12">Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.</verse>
				<verse number="13">En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,</verse>
				<verse number="14">En de gier, en de kraai, naar haar aard;</verse>
				<verse number="15">Alle rave naar haar aard;</verse>
				<verse number="16">En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;</verse>
				<verse number="17">En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,</verse>
				<verse number="18">En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,</verse>
				<verse number="19">En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.</verse>
				<verse number="20">Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.</verse>
				<verse number="21">Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;</verse>
				<verse number="22">Van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijn aard, en den solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.</verse>
				<verse number="23">En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.</verse>
				<verse number="24">En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="25">Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="26">Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeën klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.</verse>
				<verse number="27">En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="28">Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.</verse>
				<verse number="29">Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;</verse>
				<verse number="30">En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;</verse>
				<verse number="31">Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="32">Daartoe al hetgeen, waarop iets van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.</verse>
				<verse number="33">En alle aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.</verse>
				<verse number="34">Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank, dien men drinkt, zal in alle vat onrein zijn.</verse>
				<verse number="35">En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.</verse>
				<verse number="36">Doch een fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.</verse>
				<verse number="37">En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.</verse>
				<verse number="38">Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.</verse>
				<verse number="39">En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="40">Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="41">Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.</verse>
				<verse number="42">Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.</verse>
				<verse number="43">Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.</verse>
				<verse number="44">Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.</verse>
				<verse number="45">Want Ik ben de HEERE, Die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.</verse>
				<verse number="46">Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;</verse>
				<verse number="47">Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.</verse>
				<verse number="3">En op den achtsten dag zal het vlees zijner voorhuid besneden worden.</verse>
				<verse number="4">Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn.</verse>
				<verse number="5">Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging.</verse>
				<verse number="6">En als de dagen harer reiniging voor den zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent der samenkomst, tot den priester.</verse>
				<verse number="7">Die zal dat offeren voor het aangezicht des HEEREN, en zal voor haar verzoening doen, zo zal zij rein zijn van den vloed haars bloeds. Dit is de wet dergene, die een knechtje of meisje gebaard heeft.</verse>
				<verse number="8">Maar indien haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.</verse>
				<verse number="3">En de priester zal de plaag in het vel des vleses bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien der plaag dieper is dan het vel zijns vleses, het is de plaag der melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.</verse>
				<verse number="4">Maar zo de blaar in het vel zijn vleses wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.</verse>
				<verse number="5">Daarna zal de priester op den zevenden dag hem bezien; indien, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.</verse>
				<verse number="6">En de priester zal hem andermaal op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn klederen wassen, zo is hij rein.</verse>
				<verse number="7">Maar zo de verzwering in het vel ganselijk uitgespreid is, nadat hij aan den priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij andermaal aan den priester vertoond worden.</verse>
				<verse number="8">Indien de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vel uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.</verse>
				<verse number="9">Wanneer de plaag der melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot den priester gebracht worden.</verse>
				<verse number="10">Indien de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;</verse>
				<verse number="11">Dat is een verouderde melaatsheid in het vel zijns vleses; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.</verse>
				<verse number="12">En zo de melaatsheid in het vel ganselijk uitbot, en de melaatsheid het gehele vel desgenen, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen des priesters;</verse>
				<verse number="13">En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.</verse>
				<verse number="14">Maar ten welken dage levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.</verse>
				<verse number="15">Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid.</verse>
				<verse number="16">Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot den priester komen.</verse>
				<verse number="17">Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.</verse>
				<verse number="18">Het vlees ook, als in deszelfs vel een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is;</verse>
				<verse number="19">En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo zal het aan den priester vertoond worden.</verse>
				<verse number="20">Indien de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot.</verse>
				<verse number="21">Wanneer nu de priester die bezien zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.</verse>
				<verse number="22">Zo zij daarna gans in het vel uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.</verse>
				<verse number="23">Maar indien de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren.</verse>
				<verse number="24">Of wanneer in het vel des vleses een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand een witte roodachtige of witte blaar is;</verse>
				<verse number="25">En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het vel; het is melaatsheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.</verse>
				<verse number="26">Maar indien de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.</verse>
				<verse number="27">Daarna zal de priester hem op den zevenden dag bezien; indien zij gans uitgespreid is in het vel, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.</verse>
				<verse number="28">Maar indien de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van den brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van den brand.</verse>
				<verse number="29">Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in den baard;</verse>
				<verse number="30">En de priester die plaag zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurftheid, het is melaatsheid van het hoofd of van den baard.</verse>
				<verse number="31">Maar als de priester de plaag der schurftheid zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag der schurftheid heeft, zeven dagen doen opsluiten.</verse>
				<verse number="32">Daarna zal de priester die plaag op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurftheid dieper dan het vel is;</verse>
				<verse number="33">Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurftheid zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurftheid heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten.</verse>
				<verse number="34">Daarna zal de priester die schurftheid op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn klederen wassen, en rein zijn.</verse>
				<verse number="35">Maar indien de schurftheid in het vel gans uitgespreid is, na zijn reiniging;</verse>
				<verse number="36">En de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, de schurftheid in het vel uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein.</verse>
				<verse number="37">Maar indien die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.</verse>
				<verse number="38">Verder als een man, of vrouw, aan het vel van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren;</verse>
				<verse number="39">En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het vel van hun vlees zijn; het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein.</verse>
				<verse number="40">En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.</verse>
				<verse number="41">En zo van de zijde zijns aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.</verse>
				<verse number="42">Maar zo in de kaalheid, of in de blesse, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbottende in zijn kaalheid, of in zijn blesse.</verse>
				<verse number="43">Als de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of blesse, wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatsheid van het vel des vleses;</verse>
				<verse number="44">Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem ganselijk onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd.</verse>
				<verse number="45">Voorts zullen de klederen des melaatsen, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!</verse>
				<verse number="46">Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.</verse>
				<verse number="47">Verder als aan een kleed de plaag der melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed,</verse>
				<verse number="48">Of aan den scheerdraad, of aan den inslag van linnen, of van wol, of aan vel, of aan enig vellenwerk;</verse>
				<verse number="49">En die plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag der melaatsheid; daarom zal zij den priester vertoond worden.</verse>
				<verse number="50">En de priester zal de plaag bezien; en hij zal hetgeen de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten.</verse>
				<verse number="51">Daarna zal hij op den zevenden dag de plaag bezien; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een knagende melaatsheid, het is onrein.</verse>
				<verse number="52">Daarom zal hij dat kleed, of die werpte, of dien inslag van wol, of van linnen, of alle vellentuig, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een knagende melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.</verse>
				<verse number="53">Doch indien de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig niet uitgespreid is;</verse>
				<verse number="54">Zo zal de priester gebieden, dat men hetgeen, waaraan die plaag is, wasse, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten.</verse>
				<verse number="55">Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde.</verse>
				<verse number="56">Indien nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.</verse>
				<verse number="57">Maar zo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, gezien wordt, het is uitbottende melaatsheid; gij zult hetgeen, waaraan de plaag is, met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="58">Maar het kleed, of de werpte, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewassen worden, en het zal rein zijn.</verse>
				<verse number="59">Dit is de wet van de plaag der melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een werpte, of een inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Dit zal de wet des melaatsen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot den priester zal gebracht worden.</verse>
				<verse number="3">En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester merken zal, dat, ziet, die plaag der melaatsheid van den melaatse genezen is;</verse>
				<verse number="4">Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogelen neme, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.</verse>
				<verse number="5">De priester zal ook gebieden, dat men den ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water.</verse>
				<verse number="6">Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en den hysop; en zal die, en den levenden vogel dopen in het bloed des vogels, die over het levende water geslacht is.</verse>
				<verse number="7">En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten.</verse>
				<verse number="8">Die nu te reinigen is, zal zijn klederen wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven.</verse>
				<verse number="9">En op den zevenden dag zal het geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen zijner ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn.</verse>
				<verse number="10">En op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.</verse>
				<verse number="11">De priester nu, die de reiniging doet, zal den man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="12">En de priester zal dat ene lam nemen, en hetzelve offeren tot een schuldoffer met den log olie; en zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.</verse>
				<verse number="13">Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor den priester; het is een heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="14">En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.</verse>
				<verse number="15">De priester zal ook uit den log der olie nemen, en zal ze op des priesters linkerhand gieten.</verse>
				<verse number="16">Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, nemende van die olie, die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprengen, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="17">En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets, boven op het bloed des schuldoffers.</verse>
				<verse number="18">Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand des priesters geweest is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="19">De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinigheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.</verse>
				<verse number="20">En de priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn.</verse>
				<verse number="21">Maar indien hij arm is, en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij een lam ten schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe een tiende meelbloem, met olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie;</verse>
				<verse number="22">Mitsgaders twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, welker ene ten zondoffer, en een ten brandoffer zijn zal.</verse>
				<verse number="23">En hij zal die, op den achtsten dag zijner reiniging, tot den priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="24">En de priester zal het lam des schuldoffers, en den log der olie nemen; en de priester zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.</verse>
				<verse number="25">Daarna zal hij het lam des schuldoffers slachten, en de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, en doen op het rechteroorlapje desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.</verse>
				<verse number="26">Ook zal de priester van die olie op des priesters linkerhand gieten.</verse>
				<verse number="27">Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie, die op zijn linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="28">En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den groten teen zijns rechtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoffers.</verse>
				<verse number="29">En het overgeblevene van de olie, die in de hand des priesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="30">Daarna zal hij de ene van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben.</verse>
				<verse number="31">Van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben, zal het een ten zondoffer, en het een ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="32">Dit is de wet desgenen, in wien de plaag der melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging dat niet bereikt zal hebben.</verse>
				<verse number="33">Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="34">Als gij zult gekomen zijn in het land van Kanaän, hetwelk Ik u tot bezitting geven zal, en Ik de plaag der melaatsheid aan een huis van dat land uwer bezitting zal gegeven hebben;</verse>
				<verse number="35">Zo zal hij, van wien dat huis is, komen, en den priester te kennen geven, zeggende: Het schijnt mij, alsof er een plaag in het huis ware.</verse>
				<verse number="36">En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de priester komt, om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien.</verse>
				<verse number="37">Als hij die plaag bezien zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die wand;</verse>
				<verse number="38">De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van het huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten.</verse>
				<verse number="39">Daarna zal de priester op den zevenden dag wederkeren; indien hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is;</verse>
				<verse number="40">Zo zal de priester gebieden, dat zij de stenen, in welke die plaag is, uitbreken, en dezelve tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats;</verse>
				<verse number="41">En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof, dat zij afgeschrabd hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten.</verse>
				<verse number="42">Daarna zullen zij andere stenen nemen, en in de plaats van gene stenen brengen; en men zal ander leem nemen, en dat huis bestrijken.</verse>
				<verse number="43">Maar indien die plaag wederkeert, en in dat huis uitbot, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn;</verse>
				<verse number="44">Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgespreid is, het is een knagende melaatsheid in dat huis, het is onrein.</verse>
				<verse number="45">Daarom zal men dat huis, zijn stenen, en zijn hout even afbreken, mitsgaders al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan een onreine plaats.</verse>
				<verse number="46">En die in dat huis gaat te enigen dage, als men hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="47">Die ook in dat huis te slapen ligt, zal zijn klederen wassen; insgelijks die in dat huis eet, zal zijn klederen wassen.</verse>
				<verse number="48">Maar als de priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, dewijl die plaag genezen is.</verse>
				<verse number="49">Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.</verse>
				<verse number="50">En hij zal den enen vogel slachten in een aarden vat, over levend water.</verse>
				<verse number="51">Dan zal hij dat cederenhout, en dien hysop, en het scharlaken, en den levenden vogel nemen, en zal die in het bloed des geslachten vogels en in het levende water dopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprengen.</verse>
				<verse number="52">Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, en met dat levend water, en met den levenden vogel, en met dat cederenhout, en met den hysop, en met het scharlaken.</verse>
				<verse number="53">Den levenden vogel nu zal hij tot buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.</verse>
				<verse number="54">Dit is de wet voor alle plage der melaatsheid, en voor schurftheid;</verse>
				<verse number="55">En voor melaatsheid der klederen, en der huizen;</verse>
				<verse number="56">Mitsgaders voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren;</verse>
				<verse number="57">Om te leren, op welken dag iets onrein, en op welken dag iets rein is. Dit is de wet der melaatsheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreekt tot de kinderen Israëls, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.</verse>
				<verse number="3">Dit nu zal zijn onreinigheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinigheid.</verse>
				<verse number="4">Alle leger, waarop hij, die den vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.</verse>
				<verse number="5">Een ieder ook, die zijn leger zal aanroeren, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="6">En die op dat tuig zit, waarop hij, die den vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="7">En die het vlees desgenen, die den vloed heeft, aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="8">Als ook hij, die den vloed heeft, op een reine zal gespogen hebben, dan zal hij zijn klederen wassen, en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="9">Insgelijks alle zadel, waarop hij, die den vloed heeft, zal gereden hebben, zal onrein zijn.</verse>
				<verse number="10">En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan den avond; en die hetzelve draagt, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="11">Daartoe een ieder, wien hij, die den vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="12">Ook het aarden vat, hetwelk hij, die den vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden; maar alle houten vat zal met water gespoeld worden.</verse>
				<verse number="13">Als hij nu, die den vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn klederen wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn.</verse>
				<verse number="14">En op den achtsten dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst komen, en zal ze den priester geven.</verse>
				<verse number="15">En de priester zal die bereiden, een ten zondoffer, en een ten brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht des HEEREN, vanwege zijn vloed, verzoening doen.</verse>
				<verse number="16">Verder een man, als van hem het zaad des bijliggens zal uitgegaan zijn, die zal zijn ganse vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="17">Ook alle kleed, en alle vel, aan hetwelk het zaad des bijliggens wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="18">Mitsgaders de vrouw, als een man met het zaad des bijliggens bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="19">Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="20">En al hetgeen, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; mitsgaders alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn.</verse>
				<verse number="21">En al wie haar leger aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="22">Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="23">Zelfs indien het op het leger geweest zal zijn, of op het tuig, waarop zij zat, als hij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="24">Insgelijks zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.</verse>
				<verse number="25">Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten den tijd harer afzondering, van den vloed haars bloeds vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal al de dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering onrein zijn.</verse>
				<verse number="26">Alle leger, waarop zij al de dagen haars vloeds gelegen zal hebben, zal haar zijn als het leger harer afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinigheid harer afzondering.</verse>
				<verse number="27">En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="28">Maar als zij van haar vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn.</verse>
				<verse number="29">En op den achtsten dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot den priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="30">Dan zal de priester een ten zondoffer en een ten brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, van den vloed harer onreinigheid, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="31">Alzo zult gij de kinderen Israëls afzonderen van hun onreinigheid; opdat zij in hun onreinigheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden.</verse>
				<verse number="32">Dit is de wet desgenen, die den vloed heeft, en van wien het zaad der bijligging uitgaat; zodat hij daardoor onrein wordt;</verse>
				<verse number="33">Mitsgaders van een zwakke vrouw in haar afzondering, en van dengene, die van zijn vloed is vloeiende, voor een man, en voor een vrouw; en voor een man, die bij een onreine zal gelegen hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aäron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht des HEEREN, en gestorven waren;</verse>
				<verse number="2">De HEERE dan zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde ga in het heilige, binnen den voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.</verse>
				<verse number="3">Hiermede zal Aäron in het heilige gaan: met een var, een jong rund ten zondoffer, en een ram ten brandoffer.</verse>
				<verse number="4">Hij zal den heiligen linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met den linnen hoed bedekken; dit zijn heilige klederen; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.</verse>
				<verse number="5">En van de vergadering der kinderen Israëls zal hij nemen twee geitenbokken ten zondoffer, en een ram ten brandoffer.</verse>
				<verse number="6">Daarna zal Aäron den var des zondoffers, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen.</verse>
				<verse number="7">Hij zal ook beide de bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="8">En Aäron zal de loten over die twee bokken werpen: een lot voor den HEERE, en een lot voor den weggaanden bok.</verse>
				<verse number="9">Dan zal Aäron den bok, op denwelken het lot voor den HEERE zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken.</verse>
				<verse number="10">Maar de bok, op denwelken het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des HEEREN gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaanden bok naar de woestijn uitlate.</verse>
				<verse number="11">Aäron dan zal den var des zondoffers, die voor hemzelven zal zijn, toebrengen, en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers, die voor hemzelven zal zijn, slachten.</verse>
				<verse number="12">Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen den voorhang dragen.</verse>
				<verse number="13">En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve.</verse>
				<verse number="14">En hij zal van het bloed van den var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.</verse>
				<verse number="15">Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel.</verse>
				<verse number="16">Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden der kinderen Israëls, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en alzo zal hij doen aan de tent der samenkomst, welke met hen woont in het midden hunner onreinigheden.</verse>
				<verse number="17">En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; alzo zal hij verzoening doen, voor zichzelven, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israël.</verse>
				<verse number="18">Daarna zal hij tot het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, uitkomen, en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van het bloed van den var, en van het bloed van den bok nemen, en doen het rondom op de hoornen des altaars.</verse>
				<verse number="19">En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="20">Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige, en de tent der samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij dien levenden bok toebrengen.</verse>
				<verse number="21">En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.</verse>
				<verse number="22">Alzo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal dien bok in de woestijn uitlaten.</verse>
				<verse number="23">Daarna zal Aäron komen in de tent der samenkomst, en zal de linnen klederen uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten.</verse>
				<verse number="24">En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijn klederen aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer des volks bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen.</verse>
				<verse number="25">Ook zal hij het vet des zondoffers op het altaar aansteken.</verse>
				<verse number="26">En die den bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.</verse>
				<verse number="27">Maar den var des zondoffers, en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="28">Die nu dezelve verbrandt, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.</verse>
				<verse number="29">En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: gij zult in de zevende maand, op den tienden der maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.</verse>
				<verse number="30">Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.</verse>
				<verse number="31">Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.</verse>
				<verse number="32">En de priester, dien men gezalfd, en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen klederen, de heilige klederen, zal aangetrokken hebben.</verse>
				<verse number="33">Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent der samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesteren, en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen.</verse>
				<verse number="34">En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van al hun zonden, eenmaal des jaars, verzoening te doen. En men deed, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Een ieder van het huis Israëls, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger;</verse>
				<verse number="4">En dezelve aan de deur van de tent der samenkomst niet brengen zal, om een offerande den HEERE voor den tabernakel des HEEREN te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelve man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden;</verse>
				<verse number="5">Opdat, wanneer de kinderen Israëls hun slachtofferen brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die den HEERE toebrengen, aan de deur van de tent der samenkomst tot den priester, en dezelve tot dankofferen den HEERE slachten.</verse>
				<verse number="6">En de priester zal het bloed op het altaar des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst, sprengen; en hij zal het vet aansteken, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="7">En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.</verse>
				<verse number="8">Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis Israëls, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,</verse>
				<verse number="9">En dat tot de deur van de tent der samenkomst niet zal brengen, om hetzelve den HEERE te bereiden; diezelve man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="10">En een ieder uit het huis Israëls, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.</verse>
				<verse number="11">Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.</verse>
				<verse number="12">Daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.</verse>
				<verse number="13">Een ieder ook van de kinderen Israëls en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal deszelfs bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken.</verse>
				<verse number="14">Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Gij zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="15">En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn.</verse>
				<verse number="16">Maar indien hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="3">Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.</verse>
				<verse number="4">Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="5">Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="6">Niemand zal tot enige nabestaande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="7">Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar schaamte niet ontdekken.</verse>
				<verse number="8">Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.</verse>
				<verse number="9">De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders, of der dochter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult gij niet ontdekken.</verse>
				<verse number="10">De schaamte der dochter uws zoons, of der dochter uwer dochter, haar schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uw schaamte.</verse>
				<verse number="11">De schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uw vader geboren is (zij is uw zuster), haar schaamte zult gij niet ontdekken.</verse>
				<verse number="12">Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken; zij is uws vaders nabestaande.</verse>
				<verse number="13">Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken; want zij is uwer moeder nabestaande.</verse>
				<verse number="14">Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult gij niet naderen; zij is uw moei.</verse>
				<verse number="15">Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw; gij zult haar schaamte niet ontdekken.</verse>
				<verse number="16">Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken; het is de schaamte uws broeders.</verse>
				<verse number="17">Gij zult de schaamte ener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult gij nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.</verse>
				<verse number="18">Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte nevens haar, in haar leven, te ontdekken.</verse>
				<verse number="19">Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.</verse>
				<verse number="20">En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.</verse>
				<verse number="21">En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Molech door het vuur te doen gaan; en den Naam uws Gods zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="22">Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.</verse>
				<verse number="23">Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.</verse>
				<verse number="24">Verontreinigt u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd;</verse>
				<verse number="25">Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelve zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.</verse>
				<verse number="26">Maar gij zult Mijn inzettingen en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.</verse>
				<verse number="27">Want de lieden dezes lands, die vóór u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden.</verse>
				<verse number="28">Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat vóór u was, uitgespuwd heeft.</verse>
				<verse number="29">Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="30">Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niet doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!</verse>
				<verse number="3">Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="4">Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="5">En wanneer gij een dankoffer den HEERE offeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren.</verse>
				<verse number="6">Op den dag van uw offeren, en des anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden.</verse>
				<verse number="7">En zo het op den derden dag enigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn.</verse>
				<verse number="8">En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des HEEREN ontheiligd heeft; daarom zal dezelve ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="9">Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen.</verse>
				<verse number="10">Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen beziën van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="11">Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valselijk handelen, een iegelijk tegen zijn naaste.</verse>
				<verse number="12">Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.</verse>
				<verse number="13">Gij zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; des dagloners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen.</verse>
				<verse number="14">Gij zult den dove niet vloeken, en voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten; maar gij zult voor uw God vrezen; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="15">Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.</verse>
				<verse number="16">Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="17">Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.</verse>
				<verse number="18">Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="19">Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeërlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.</verse>
				<verse number="20">En wanneer een man, door bijligging des zaads, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij den man versmaad, en geenszins gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.</verse>
				<verse number="21">En hij zal zijn schuldoffer den HEERE aan de deur van de tent der samenkomst brengen, een ram ten schuldoffer.</verse>
				<verse number="22">En de priester zal met den ram des schuldoffers, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des HEEREN verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden van zijn zonde, die hij gezondigd heeft.</verse>
				<verse number="23">Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.</verse>
				<verse number="24">Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den HEERE.</verse>
				<verse number="25">En in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="26">Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.</verse>
				<verse number="27">Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven.</verse>
				<verse number="28">Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="29">Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.</verse>
				<verse number="30">Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="31">Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="32">Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="33">En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken.</verse>
				<verse number="34">De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="35">Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.</verse>
				<verse number="36">Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!</verse>
				<verse number="37">Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gij zult ook tot de kinderen Israëls zeggen: Een ieder uit de kinderen Israëls, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met stenen stenigen.</verse>
				<verse number="3">En Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heiligen Naam ontheiligen zou.</verse>
				<verse number="4">En indien het volk des lands hun ogen enigszins verbergen zal van dien man, als hij van zijn zaad den Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode;</verse>
				<verse number="5">Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om den Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.</verse>
				<verse number="6">Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.</verse>
				<verse number="7">Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="8">En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelve; Ik ben de HEERE, Die u heilige.</verse>
				<verse number="9">Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!</verse>
				<verse number="10">Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.</verse>
				<verse number="11">En een man, die bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!</verse>
				<verse number="12">Insgelijks, als een man bij de vrouw zijns zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!</verse>
				<verse number="13">Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!</verse>
				<verse number="14">En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en diezelve met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.</verse>
				<verse number="15">Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest doden.</verse>
				<verse number="16">Alzo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!</verse>
				<verse number="17">En als een man zijn zuster, de dochter zijns vaders, of de dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen huns volks uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijn ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="18">En als een man bij een vrouw, die haar krankheid heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="19">Daartoe zult gij de schaamte van de zuster uwer moeder, en van de zuster uws vaders niet ontdekken; dewijl hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="20">Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.</verse>
				<verse number="21">En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid; hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn.</verse>
				<verse number="22">Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet dezelve; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.</verse>
				<verse number="23">En wandelt niet in de inzettingen des volks, hetwelk Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden.</verse>
				<verse number="24">En Ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de HEERE, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!</verse>
				<verse number="25">Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op den aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt.</verse>
				<verse number="26">En gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn.</verse>
				<verse number="27">Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.</verse>
				<verse number="2">Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broeder.</verse>
				<verse number="3">En over zijn zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen.</verse>
				<verse number="4">Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen.</verse>
				<verse number="5">Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen den hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.</verse>
				<verse number="6">Zij zullen hun God heilig zijn, en den Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen des HEEREN, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.</verse>
				<verse number="7">Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.</verse>
				<verse number="8">Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de HEERE, Die u heilige!</verse>
				<verse number="9">Als nu de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden.</verse>
				<verse number="10">En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren.</verse>
				<verse number="11">Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.</verse>
				<verse number="12">En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige, want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="13">Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen.</verse>
				<verse number="14">Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen.</verse>
				<verse number="15">En hij zal zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen; want Ik ben de HEERE, Die hem heilige!</verse>
				<verse number="16">Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, om de spijze zijns Gods te offeren.</verse>
				<verse number="18">Want geen man, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te kort, of te lang in leden;</verse>
				<verse number="19">Of een man, in wien een breuk des voets, of een breuk der hand zal zijn;</verse>
				<verse number="20">Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurftheid, of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht.</verse>
				<verse number="21">Geen man, uit het zaad van Aäron, den priester, in wien een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen des HEEREN te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de spijs zijns Gods te offeren.</verse>
				<verse number="22">De spijs zijns Gods, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;</verse>
				<verse number="23">Doch tot den voorhang zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben de HEERE, Die hen heilige!</verse>
				<verse number="24">En Mozes sprak zulks tot Aäron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israëls.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israëls, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij den Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen: Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="3">Zeg tot hen: Alle man onder uw geslachten, die uit uw ganse zaad tot de heilige dingen, die de kinderen Israëls den HEERE heiligen, naderen zal, als zijn onreinigheid op hem is; diezelve mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="4">Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; mitsgaders die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wien het zaad der bijligging ontgaat.</verse>
				<verse number="5">Of zo wie aangeroerd zal hebben enig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of een mens, waarvan hij onrein is, naar al zijn onreinigheid;</verse>
				<verse number="6">De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden.</verse>
				<verse number="7">Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn spijze.</verse>
				<verse number="8">Het dode aas, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmede onrein te worden; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="9">Zij zullen dan Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben de HEERE, Die hen heilige!</verse>
				<verse number="10">Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner des priesters, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.</verse>
				<verse number="11">Wanneer dan nog de priester een ziel met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis, die zullen van zijn spijze eten.</verse>
				<verse number="12">Maar als des priesters dochter een vreemden man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer der heilige dingen niet eten.</verse>
				<verse number="13">Doch als des priesters dochter een weduwe of een verstotene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot haars vaders huis, als in haar jonkheid, zal wedergekeerd zijn, zo zal zij van de spijze haars vaders eten; maar geen vreemde zal daarvan eten.</verse>
				<verse number="14">En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zo zal hij deszelfs vijfde deel daarboven toedoen, en zal het den priester met het heilige wedergeven.</verse>
				<verse number="15">Zo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen der kinderen Israëls, die zij den HEERE zullen gegeven hebben;</verse>
				<verse number="16">En hen doen dragen de ongerechtigheid der schuld, als zij hun heilige dingen zouden eten; want Ik ben de HEERE, Die hen heilige!</verse>
				<verse number="17">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijn offerande zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offeren, die zij den HEERE ten brandoffer zullen offeren;</verse>
				<verse number="19">Het zal naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten.</verse>
				<verse number="20">Gij zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u.</verse>
				<verse number="21">En als iemand een dankoffer den HEERE zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn.</verse>
				<verse number="22">Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult gij den HEERE niet offeren, en daarvan zult gij den HEERE geen vuuroffer op het altaar geven.</verse>
				<verse number="23">Doch een os, of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult gij tot een vrijwillig offer bereiden; doch tot een gelofte zou het niet aangenaam zijn.</verse>
				<verse number="24">Het gedrukte, of gestotene, of gescheurde, of gesnedene, zult gij den HEERE niet offeren; dat zult gij in uw land niet doen.</verse>
				<verse number="25">Gij zult ook uit de hand des vreemden van al deze dingen uw God geen spijs offeren; want hun verdorvenheid is in hen, in dezelve is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u.</verse>
				<verse number="26">Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="27">Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van den achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offerande des vuuroffers den HEERE.</verse>
				<verse number="28">Gij zult ook een os, of klein vee, hem en zijn jong, op één dag niet slachten.</verse>
				<verse number="29">En als gij een lofoffer den HEERE zult slachten, naar uw wil zult gij het slachten.</verse>
				<verse number="30">Het zal op denzelfden dag gegeten worden; gij zult daarvan niet overlaten tot op den morgen; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="31">Daarom zult gij Mijn geboden houden, en dezelve doen; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="32">En gij zult Mijn heiligen Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden der kinderen Israëls geheiligd worde; Ik ben de HEERE, Die u heilige!</verse>
				<verse number="33">Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben de HEERE!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des HEEREN, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn gezette hoogtijden.</verse>
				<verse number="3">Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.</verse>
				<verse number="4">Deze zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezetten tijd.</verse>
				<verse number="5">In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN pascha.</verse>
				<verse number="6">En op den vijftienden dag derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.</verse>
				<verse number="7">Op den eersten dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.</verse>
				<verse number="8">Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den HEERE offeren; en op den zevenden dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf der eerstelingen van uw oogst tot den priester brengen.</verse>
				<verse number="11">En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen.</verse>
				<verse number="12">Gij zult ook op den dag, als gij die garf bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den HEERE;</verse>
				<verse number="13">En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, den HEERE tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.</verse>
				<verse number="14">En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.</verse>
				<verse number="15">Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;</verse>
				<verse number="16">Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer den HEERE offeren.</verse>
				<verse number="17">Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen den HEERE.</verse>
				<verse number="18">Gij zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen den HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="19">Ook zult gij een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden.</verse>
				<verse number="20">Dan zal de priester dezelve met het brood der eerstelingen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen; zij zullen den HEERE een heilig ding zijn, voor den priester.</verse>
				<verse number="21">En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.</verse>
				<verse number="22">Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten, gij zult, in uw inoogsten, den hoek des velds niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="23">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: In de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis des geklanks, een heilige samenroeping.</verse>
				<verse number="25">Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zult den HEERE vuuroffer offeren.</verse>
				<verse number="26">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="27">Doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult den HEERE een vuuroffer offeren.</verse>
				<verse number="28">En op dienzelven dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods.</verse>
				<verse number="29">Want alle ziel, welken op dienzelven dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken.</verse>
				<verse number="30">Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.</verse>
				<verse number="31">Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.</verse>
				<verse number="32">Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.</verse>
				<verse number="33">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="34">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den HEERE zijn.</verse>
				<verse number="35">Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.</verse>
				<verse number="36">Zeven dagen zult gij den HEERE vuurofferen offeren; op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den HEERE vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen.</verse>
				<verse number="37">Dit zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, welke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om den HEERE vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;</verse>
				<verse number="38">Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offeren, welke gij den HEERE geven zult.</verse>
				<verse number="39">Doch op den vijftienden dag der zevenden maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des HEEREN feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn.</verse>
				<verse number="40">En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="41">En gij zult dat feest den HEERE zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.</verse>
				<verse number="42">Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen;</verse>
				<verse number="43">Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="44">Alzo heeft Mozes de gezette hoogtijden des HEEREN tot de kinderen Israëls uitgesproken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gebied den kinderen Israëls, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor den luchter, om de lampen gedurig aan te steken.</verse>
				<verse number="3">Aäron zal die voor het aangezicht des HEEREN gedurig toerichten, van den avond tot den morgen, buiten den voorhang van de getuigenis, in de tent der samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten.</verse>
				<verse number="4">Hij zal op den louteren kandelaar die lampen voor het aangezicht des HEEREN gedurig toerichten.</verse>
				<verse number="5">Gij zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.</verse>
				<verse number="6">En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="7">En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="8">Op elken sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht des HEEREN toerichten, vanwege de kinderen Israëls, tot een eeuwig verbond.</verse>
				<verse number="9">En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid der heiligheden uit de vuurofferen des HEEREN, een eeuwige inzetting.</verse>
				<verse number="10">En er ging de zoon ener Israëlietische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israëls, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een Israëlietisch man twistten in het leger.</verse>
				<verse number="11">Toen lasterde de zoon der Israëlietische vrouw uitdrukkelijk den NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu zijner moeder was Selomîth, de dochter van Dibri, van den stam Dan.</verse>
				<verse number="12">En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar den mond des HEEREN, verklaring geschieden zou.</verse>
				<verse number="13">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="14">Breng den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen.</verse>
				<verse number="15">En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.</verse>
				<verse number="16">En wie den Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.</verse>
				<verse number="17">En als iemand enige ziel des mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="18">Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel.</verse>
				<verse number="19">Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:</verse>
				<verse number="20">Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.</verse>
				<verse number="21">Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.</verse>
				<verse number="22">Enerlei recht zult gij hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de inboorling; want Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="23">En Mozes zeide tot de kinderen Israëls, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen Israëls deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinaï, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE.</verse>
				<verse number="3">Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.</verse>
				<verse number="4">Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.</verse>
				<verse number="5">Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.</verse>
				<verse number="6">En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;</verse>
				<verse number="7">Mitsgaders voor uw vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.</verse>
				<verse number="8">Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.</verse>
				<verse number="9">Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land.</verse>
				<verse number="10">En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht.</verse>
				<verse number="11">Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden.</verse>
				<verse number="12">Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.</verse>
				<verse number="13">Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeren tot zijn bezitting.</verse>
				<verse number="14">Daarom, wanneer gij aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de een den ander verdrukke.</verse>
				<verse number="15">Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen.</verse>
				<verse number="16">Naar de veelheid der jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.</verse>
				<verse number="17">Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="18">En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land.</verse>
				<verse number="19">En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonen.</verse>
				<verse number="20">En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;</verse>
				<verse number="21">Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.</verse>
				<verse number="22">Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten.</verse>
				<verse number="23">Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.</verse>
				<verse number="24">Daarom zult gij, in het ganse land uwer bezitting, lossing voor het land toelaten.</verse>
				<verse number="25">Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossen.</verse>
				<verse number="26">En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing;</verse>
				<verse number="27">Dan zal hij de jaren zijner verkoping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had, weder uitkeren; en hij zal weder tot zijn bezitting komen.</verse>
				<verse number="28">Maar indien zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weder uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van deszelfs koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting wederkeren.</verse>
				<verse number="29">Insgelijks, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar zijner verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.</verse>
				<verse number="30">Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, hetwelk in die stad is, die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.</verse>
				<verse number="31">Doch de huizen der dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.</verse>
				<verse number="32">Aangaande de steden der Levieten, en de huizen der steden hunner bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.</verse>
				<verse number="33">En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="34">Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.</verse>
				<verse number="35">En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.</verse>
				<verse number="36">Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leve.</verse>
				<verse number="37">Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven.</verse>
				<verse number="38">Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij.</verse>
				<verse number="39">Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf;</verse>
				<verse number="40">Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.</verse>
				<verse number="41">Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht wederkeren, en tot de bezitting zijner vaderen wederkeren.</verse>
				<verse number="42">Want zij zijn Mijn dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men een slaaf verkoopt.</verse>
				<verse number="43">Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God.</verse>
				<verse number="44">Aangaande uw slaaf of uw slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of een slavin kopen.</verse>
				<verse number="45">Gij zult ze ook kopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn.</verse>
				<verse number="46">En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broeders, de kinderen Israëls, een iegelijk over zijn broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.</verse>
				<verse number="47">En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner, die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben;</verse>
				<verse number="48">Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; een van zijn broeders zal hem lossen;</verse>
				<verse number="49">Of zijn oom, of de zoon zijns ooms, zal hem lossen, of die uit de naasten zijns vleses van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelven losse.</verse>
				<verse number="50">En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; alzo dat het geld zijner verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen eens dagloners zal het met hem zijn.</verse>
				<verse number="51">Indien nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn lossing van het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven.</verse>
				<verse number="52">En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn lossing wedergeven.</verse>
				<verse number="53">Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.</verse>
				<verse number="54">En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.</verse>
				<verse number="55">Want de kinderen Israëls zijn Mij tot dienstknechten; Mijn dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="2">Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="3">Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;</verse>
				<verse number="4">Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;</verse>
				<verse number="5">En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.</verse>
				<verse number="6">Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.</verse>
				<verse number="7">En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.</verse>
				<verse number="8">Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.</verse>
				<verse number="9">En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.</verse>
				<verse number="10">En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.</verse>
				<verse number="11">En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.</verse>
				<verse number="13">Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.</verse>
				<verse number="14">Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;</verse>
				<verse number="15">En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;</verse>
				<verse number="16">Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.</verse>
				<verse number="17">Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.</verse>
				<verse number="18">En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.</verse>
				<verse number="19">Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.</verse>
				<verse number="20">En uw macht zal ijdellijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.</verse>
				<verse number="21">En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.</verse>
				<verse number="22">Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.</verse>
				<verse number="23">Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;</verse>
				<verse number="24">Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.</verse>
				<verse number="25">Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.</verse>
				<verse number="26">Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.</verse>
				<verse number="27">Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;</verse>
				<verse number="28">Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.</verse>
				<verse number="29">Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.</verse>
				<verse number="30">En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.</verse>
				<verse number="31">En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.</verse>
				<verse number="32">Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.</verse>
				<verse number="33">Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.</verse>
				<verse number="34">Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.</verse>
				<verse number="35">Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.</verse>
				<verse number="36">En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.</verse>
				<verse number="37">En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.</verse>
				<verse number="38">Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.</verse>
				<verse number="39">En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.</verse>
				<verse number="40">Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.</verse>
				<verse number="41">Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;</verse>
				<verse number="42">Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;</verse>
				<verse number="43">Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.</verse>
				<verse number="44">En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!</verse>
				<verse number="45">Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="46">Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israëls, op den berg Sinaï, door de hand van Mozes.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen des HEEREN zijn.</verse>
				<verse number="3">Als uw schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud, tot een, die zestig jaren oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar den sikkel des heiligdoms.</verse>
				<verse number="4">Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkelen.</verse>
				<verse number="5">En is het van een, die vijf jaren oud is, tot een, die twintig jaren oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkelen zijn, en voor een vrouw tien sikkelen.</verse>
				<verse number="6">Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaren oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkelen zilver, en uw schatting over een vrouw zal zijn drie sikkelen zilver.</verse>
				<verse number="7">En is het van een, die zestig jaren oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkelen, en voor een vrouw tien sikkelen.</verse>
				<verse number="8">Maar zo hij armer is, dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht des priesters zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat de hand desgenen, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten.</verse>
				<verse number="9">En indien het een beest is, waarvan men den HEERE offerande offert; al wat hij daarvan den HEERE zal gegeven hebben, zal heilig zijn.</verse>
				<verse number="10">Hij zal niet vermangelen, noch hetzelve verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; indien hij nochtans een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn.</verse>
				<verse number="11">En indien het enig onrein beest is, van hetwelk men den HEERE geen offerande offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht des priesters zetten.</verse>
				<verse number="12">En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn.</verse>
				<verse number="13">Maar indien hij het immers lossen zal, zo zal hij deszelfs vijfde deel boven uw schatting toedoen.</verse>
				<verse number="14">En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het den HEERE heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben.</verse>
				<verse number="15">En indien hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, zo zal het zijne zijn.</verse>
				<verse number="16">Indien ook iemand van den akker zijner bezitting den HEERE wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers.</verse>
				<verse number="17">Indien hij zijn akker van het jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben.</verse>
				<verse number="18">Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden.</verse>
				<verse number="19">En indien hij, die den akker geheiligd heeft, denzelven ganselijk lossen zal, zo zal hij een vijfde deel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, en dezelve zal hem gevestigd zijn.</verse>
				<verse number="20">En indien hij dien akker niet zal lossen, of indien hij dien akker aan een anderen man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden.</verse>
				<verse number="21">Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal den HEERE heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal des priesters zijn.</verse>
				<verse number="22">En indien hij den HEERE een akker heeft geheiligd, dien hij gekocht heeft, en niet is van den akker zijner bezitting;</verse>
				<verse number="23">Zo zal de priester hem rekenen de som uwer schatting tot het jubeljaar; en hij zal op denzelven dag uw schatting geven, een heiligheid den HEERE.</verse>
				<verse number="24">In het jubeljaar zal die akker wederkomen tot dien, van wien hij hem gekocht had, tot hem, wiens de bezitting van dat land was.</verse>
				<verse number="25">Al uw schatting nu zal naar den sikkel des heiligdoms geschieden; de sikkel zal zijn van twintig gera.</verse>
				<verse number="26">Maar het eerstgeborene, dat den HEERE van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">Doch is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting.</verse>
				<verse number="28">Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand den HEERE zal verbannen hebben, van al hetgeen hij heeft, van een mens, of een beest, of van den akker zijner bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal den HEERE een heiligheid der heiligheden zijn.</verse>
				<verse number="29">Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="30">Ook alle tienden des lands, van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des HEEREN; zij zijn den HEERE heilig.</verse>
				<verse number="31">Maar zo iemand van zijn tienden immer iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen.</verse>
				<verse number="32">Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal den HEERE heilig zijn.</verse>
				<verse number="33">Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar indien hij het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden.</verse>
				<verse number="34">Dit zijn de geboden, die de HEERE Mozes geboden heeft, aan de kinderen Israëls, op den berg Sinaï.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="4">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israëls, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.</verse>
				<verse number="3">Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aäron.</verse>
				<verse number="4">En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman is over het huis zijner vaderen.</verse>
				<verse number="5">Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedéür.</verse>
				<verse number="6">Van Simeon, Selûmiël, de zoon van Zurísaddai.</verse>
				<verse number="7">Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminádab.</verse>
				<verse number="8">Van Issaschar, Netháneël, de zoon van Zuar.</verse>
				<verse number="9">Van Zebulon, Elíab, de zoon van Helon.</verse>
				<verse number="10">Van de kinderen van Jozef: van Efraïm, Elisáma, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamáliël, de zoon van Pedázur.</verse>
				<verse number="11">Van Benjamin, Abídan, de zoon van Gideóni.</verse>
				<verse number="12">Van Dan, Ahiézer, de zoon van Ammísaddai.</verse>
				<verse number="13">Van Aser, Págiël, de zoon van Ochran.</verse>
				<verse number="14">Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël.</verse>
				<verse number="15">Van Nafthali, Ahíra, de zoon van Enan.</verse>
				<verse number="16">Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israël.</verse>
				<verse number="17">Toen namen Mozes en Aäron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.</verse>
				<verse number="18">En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.</verse>
				<verse number="19">Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinaï.</verse>
				<verse number="20">Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;</verse>
				<verse number="21">Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="22">Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;</verse>
				<verse number="23">Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.</verse>
				<verse number="24">Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.</verse>
				<verse number="25">Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="26">Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="27">Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="28">Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="29">Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="30">Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="31">Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="32">Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraïm, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="33">Waren hun getelden van den stam van Efraïm veertig duizend en vijfhonderd;</verse>
				<verse number="34">Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="35">Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.</verse>
				<verse number="36">Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="37">Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="38">Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="39">Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.</verse>
				<verse number="40">Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="41">Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="42">Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="43">Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="44">Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aäron, en de oversten van Israël; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.</verse>
				<verse number="45">Alzo waren al de getelden der zonen van Israël, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israël ten heire uittrokken,</verse>
				<verse number="46">Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="47">Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.</verse>
				<verse number="48">Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:</verse>
				<verse number="49">Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israël.</verse>
				<verse number="50">Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.</verse>
				<verse number="51">En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.</verse>
				<verse number="52">En de kinderen Israëls zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.</verse>
				<verse number="53">Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israëls zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.</verse>
				<verse number="54">Zo deden de kinderen Israëls; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="2">De kinderen Israëls zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.</verse>
				<verse number="3">Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminádab, zal de overste der zonen van Juda zijn.</verse>
				<verse number="4">Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="5">En nevens hem zal zich legeren de stam van Issaschar; en Netháneël, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.</verse>
				<verse number="6">Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="7">Daartoe de stam van Zebulon; en Elíab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.</verse>
				<verse number="8">Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="9">Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.</verse>
				<verse number="10">De banier des legers van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en Elízur, de zoon van Sedéür, zal de overste der zonen van Ruben zijn.</verse>
				<verse number="11">Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="12">En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selûmiël, de zoon van Zurísaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.</verse>
				<verse number="13">Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.</verse>
				<verse number="14">Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuël, zal de overste der zonen van Gad zijn.</verse>
				<verse number="15">Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="16">Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.</verse>
				<verse number="17">Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun banieren.</verse>
				<verse number="18">De banier des legers van Efraïm, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisáma, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraïm zijn.</verse>
				<verse number="19">Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="20">En nevens hem de stam van Manasse; en Gamáliël, de zoon van Pedázur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.</verse>
				<verse number="21">Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.</verse>
				<verse number="22">Daartoe de stam van Benjamin; en Abídan, de zoon van Gideóni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.</verse>
				<verse number="23">Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="24">Al de getelden in het leger van Efraïm waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.</verse>
				<verse number="25">De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiézer, de zoon van Ammísaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.</verse>
				<verse number="26">Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.</verse>
				<verse number="27">En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Págiël, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.</verse>
				<verse number="28">Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="29">Daartoe de stam van Nafthali; en Ahíra, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.</verse>
				<verse number="30">Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="31">Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.</verse>
				<verse number="32">Dezen zijn de getelden van de kinderen Israëls, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="33">Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israël, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="34">En de kinderen Israëls deden naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Dit nu zijn de geboorten van Aäron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï.</verse>
				<verse number="2">En dit zijn de namen der zonen van Aäron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abíhu, Eleázar, en Ithamar.</verse>
				<verse number="3">Dit zijn de namen der zonen van Aäron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.</verse>
				<verse number="4">Maar Nadab en Abíhu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleázar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="6">Doe den stam Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aäron, opdat zij hem dienen;</verse>
				<verse number="7">En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen;</verse>
				<verse number="8">En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israëls waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen.</verse>
				<verse number="9">Gij zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="10">Maar Aäron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="12">En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israëls; en de Levieten zullen Mijne zijn.</verse>
				<verse number="13">Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen In Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="14">En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, zeggende:</verse>
				<verse number="15">Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult gij tellen.</verse>
				<verse number="16">En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk als hem geboden was.</verse>
				<verse number="17">Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merári.</verse>
				<verse number="18">En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï.</verse>
				<verse number="19">En de zonen van Kahath, naar hun geslachten: Amram en Izhar, Hebron en Uzziël.</verse>
				<verse number="20">En de zonen van Merári, naar hun geslachten: Máheli en Mûsi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.</verse>
				<verse number="21">Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeïeten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.</verse>
				<verse number="22">Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="23">De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.</verse>
				<verse number="24">De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Laël.</verse>
				<verse number="25">En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;</verse>
				<verse number="26">En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders zijn zelen, tot zijn gansen dienst.</verse>
				<verse number="27">En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzziëlieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.</verse>
				<verse number="28">In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.</verse>
				<verse number="29">De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.</verse>
				<verse number="30">De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elísafan, de zoon van Uzziël.</verse>
				<verse number="31">Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.</verse>
				<verse number="32">De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleázar, de zoon van Aäron, den priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht des heiligdoms waarnemen.</verse>
				<verse number="33">Van Merári is het geslacht der Máhelieten, en het geslacht der Mûsieten; dit zijn de geslachten van Merári.</verse>
				<verse number="34">En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.</verse>
				<verse number="35">De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merári zal zijn Zûriël, de zoon van Abíhaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, noordwaarts.</verse>
				<verse number="36">En het opzicht der wachten van de zonen van Merári zal zijn over de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;</verse>
				<verse number="37">En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen.</verse>
				<verse number="38">Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israëls; en de vreemde die nadert, zal gedood worden.</verse>
				<verse number="39">Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.</verse>
				<verse number="40">En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israëls, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op.</verse>
				<verse number="41">En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="42">Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="43">En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.</verse>
				<verse number="44">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="45">Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israëls, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!</verse>
				<verse number="46">Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen Israëls;</verse>
				<verse number="47">Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera.</verse>
				<verse number="48">En gij zult dat geld aan Aäron en zijn zonen geven, het geld der gelosten die onder hen overschieten.</verse>
				<verse number="49">Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.</verse>
				<verse number="50">Van de eerstgeborenen van de kinderen Israëls nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.</verse>
				<verse number="51">En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aäron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neemt op de som der zonen van Kahath, uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.</verse>
				<verse number="3">Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om het werk in de tent der samenkomst te doen.</verse>
				<verse number="4">Dit zal de dienst zijn der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst, te weten de heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="5">In het optrekken des legers, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de ark der getuigenis bedekken.</verse>
				<verse number="6">En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.</verse>
				<verse number="7">Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.</verse>
				<verse number="8">Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.</verse>
				<verse number="9">Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den kandelaar des luchters, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij aan denzelven dienen.</verse>
				<verse number="10">Zij zullen ook denzelven, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen.</verse>
				<verse number="11">En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen deszelfs handbomen aanleggen.</verse>
				<verse number="12">Zij zullen ook nemen alle gereedschap van den dienst, met hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelve met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op den draagboom leggen.</verse>
				<verse number="13">En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden.</verse>
				<verse number="14">En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap, waarmede zij aan hetzelve dienen, de koolpannen, de krauwelen, en de schoffelen, en de sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deszelfs handbomen aanleggen.</verse>
				<verse number="15">Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kahath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="16">Het opzicht nu van Eleázar, den zoon van Aäron, den priester, zal zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht des gansen tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap.</verse>
				<verse number="17">En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Gij zult den stam van de geslachten der Kahathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten;</verse>
				<verse number="19">Maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aäron en zijn zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last.</verse>
				<verse number="20">Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="22">Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten.</verse>
				<verse number="23">Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="24">Dit zal zijn de dienst der geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in den last.</verse>
				<verse number="25">Zij zullen dan dragen de gordijnen des tabernakels, en de tent der samenkomst; te weten haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop is, en het deksel der deur van de tent der samenkomst,</verse>
				<verse number="26">En de behangselen des voorhofs, en het deksel der deur van de poort des voorhofs, hetwelk is bij den tabernakel en bij het altaar rondom; en hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen.</verse>
				<verse number="27">De gehele dienst van de zonen der Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aäron en van zijn zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hun last bevelen.</verse>
				<verse number="28">Dit is de dienst van de geslachten der zonen van de Gersonieten, in de tent der samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, den zoon van Aäron, den priester.</verse>
				<verse number="29">Aangaande de zonen van Merári, die zult gij naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen tellen.</verse>
				<verse number="30">Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="31">Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent der samenkomst: de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten;</verse>
				<verse number="32">Mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, hun voeten, en hun pennen, en hun zelen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult gij bij namen tellen.</verse>
				<verse number="33">Dit is de dienst van de geslachten der zonen van Merári, naar hun gansen dienst, in de tent der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon van Aäron, den priester.</verse>
				<verse number="34">Mozes dan en Aäron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:</verse>
				<verse number="35">Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;</verse>
				<verse number="36">Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="37">Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aäron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.</verse>
				<verse number="38">Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen;</verse>
				<verse number="39">Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst:</verse>
				<verse number="40">Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.</verse>
				<verse number="41">Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aäron telden, naar het bevel des HEEREN.</verse>
				<verse number="42">En de getelden van de geslachten der zonen van Merári, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,</verse>
				<verse number="43">Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;</verse>
				<verse number="44">Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.</verse>
				<verse number="45">Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merári, welke Mozes en Aäron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.</verse>
				<verse number="46">Al de getelden, welke Mozes en Aäron, en de oversten van Israël geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,</verse>
				<verse number="47">Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam, om den dienst der bediening en den dienst van den last, in de tent der samenkomst, te bedienen;</verse>
				<verse number="48">Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.</verse>
				<verse number="49">Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gebied den kinderen Israëls, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.</verse>
				<verse number="3">Van den man tot de vrouw toe zult gij hen wegzenden; tot buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in welker midden Ik wone.</verse>
				<verse number="4">En de kinderen Israëls deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="5">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="6">Spreek tot de kinderen Israëls: wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve ziel schuldig.</verse>
				<verse number="7">En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weder uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelver vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij zich verschuldigd heeft.</verse>
				<verse number="8">Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keren, zal die schuld, welken den HEERE weder uitgekeerd wordt, des priesters zijn; behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal.</verse>
				<verse number="9">Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israëls, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn.</verse>
				<verse number="10">En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.</verse>
				<verse number="11">Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;</verse>
				<verse number="13">Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is;</verse>
				<verse number="14">En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is;</verse>
				<verse number="15">Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen, en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.</verse>
				<verse number="16">En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="17">En de priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen, en in het water doen.</verse>
				<verse number="18">Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op haar handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt.</verse>
				<verse number="19">En de priester zal haar beëdigen, en zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uw man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt!</verse>
				<verse number="20">Maar zo gij, onder uw man zijnde, afgeweken zijt, en zo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man:</verse>
				<verse number="21">(Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) De HEERE zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat de HEERE uw heup vervallende, en uw buik zwellende make;</verse>
				<verse number="22">Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!</verse>
				<verse number="23">Daarna zal de priester deze zelve vloeken in een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen.</verse>
				<verse number="24">En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga.</verse>
				<verse number="25">En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen, en zal dat op het altaar offeren.</verse>
				<verse number="26">De priester zal ook van dat spijsoffer, deszelfs gedenkoffer, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.</verse>
				<verse number="27">Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, hetwelk vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn.</verse>
				<verse number="28">Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden.</verse>
				<verse number="29">Dit is de wet der ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;</verse>
				<verse number="30">Of als over een man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge.</verse>
				<verse number="31">En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar diezelve vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens nazireeërs, om zich den HEERE af te zonderen;</verse>
				<verse number="3">Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.</verse>
				<verse number="4">Al de dagen van zijn nazireeërschap zal hij niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.</verse>
				<verse number="5">Al de dagen der gelofte van zijn nazireeërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.</verse>
				<verse number="6">Al de dagen, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan.</verse>
				<verse number="7">Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het nazireeërschap zijns Gods is op zijn hoofd.</verse>
				<verse number="8">Al de dagen van zijn nazireeërschap is hij den HEERE heilig.</verse>
				<verse number="9">En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd van zijn nazireeërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op den zevenden dag zal hij het bescheren.</verse>
				<verse number="10">En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="11">De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag heiligen.</verse>
				<verse number="12">Daarna zal hij de dagen van zijn nazireeërschap den HEERE afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.</verse>
				<verse number="13">En dit is de wet des nazireeërs: op den dag, als de dagen van zijn nazireeërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="14">Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.</verse>
				<verse number="15">En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer, en hun drankofferen.</verse>
				<verse number="16">En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.</verse>
				<verse number="17">Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de priester zal zijn spijsoffer en drankoffer bereiden.</verse>
				<verse number="18">Alsdan zal de nazireeër, aan de deur van de tent der samenkomst, het hoofd van zijn nazireeërschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.</verse>
				<verse number="19">Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram, en een ongezuurden koek uit den korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des nazireeërs leggen, nadat hij zijn nazireeërschap afgeschoren heeft.</verse>
				<verse number="20">En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die nazireeër wijn drinken.</verse>
				<verse number="21">Dit is de wet des nazireeërs, die zijn offerande den HEERE voor zijn nazireeërschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen, naar de wet van zijn nazireeërschap.</verse>
				<verse number="22">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="23">Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls zegenen, zeggende tot hen:</verse>
				<verse number="24">De HEERE zegene u, en behoede u!</verse>
				<verse number="25">De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!</verse>
				<verse number="26">De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!</verse>
				<verse number="27">Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israëls leggen; en Ik zal hen zegenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">En het geschiedde ten dage, als Mozes geëindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;</verse>
				<verse number="2">Dat de oversten van Israël, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.</verse>
				<verse number="3">En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst.</verse>
				<verse number="6">Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.</verse>
				<verse number="7">Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst;</verse>
				<verse number="8">En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merári, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aäron, den priester.</verse>
				<verse number="9">Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.</verse>
				<verse number="10">En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal (een iegelijk op zijn dag) zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.</verse>
				<verse number="12">Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminádab, voor den stam van Juda.</verse>
				<verse number="13">En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="14">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="15">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="16">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="17">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminádab.</verse>
				<verse number="18">Op den tweeden dag offerde Netháneël, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.</verse>
				<verse number="19">Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="20">En een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="21">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="22">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="23">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Netháneël, den zoon van Zuar.</verse>
				<verse number="24">Op den derden dag offerde de overste der zonen van Zebulon, Elíab, de zoon van Helon.</verse>
				<verse number="25">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="26">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="27">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="28">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="29">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elíab, den zoon van Helon.</verse>
				<verse number="30">Op den vierden dag offerde de overste der kinderen van Ruben, Elízur, de zoon van Sedéür.</verse>
				<verse number="31">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="32">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="33">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="34">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="35">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elízur, den zoon van Sedéür.</verse>
				<verse number="36">Op den vijfden dag offerde de overste der kinderen van Simeon, Selûmiël, de zoon van Zurísaddai.</verse>
				<verse number="37">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="38">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="39">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="40">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="41">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Selûmiël, den zoon van Zurísaddai.</verse>
				<verse number="42">Op den zesden dag offerde de overste der kinderen van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël.</verse>
				<verse number="43">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem gemengd met olie, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="44">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="45">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="46">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="47">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuël.</verse>
				<verse number="48">Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen van Efraïm, Elisáma, de zoon van Ammihud.</verse>
				<verse number="49">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer.</verse>
				<verse number="50">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="51">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="52">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="53">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elisáma, den zoon van Ammihud.</verse>
				<verse number="54">Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Manasse, Gamáliël, de zoon van Pedázur.</verse>
				<verse number="55">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer.</verse>
				<verse number="56">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="57">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="58">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="59">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Gamáliël, den zoon van Pedázur.</verse>
				<verse number="60">Op den negenden dag offerde de overste der kinderen van Benjamin, Abídan, de zoon van Gideóni.</verse>
				<verse number="61">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="62">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="63">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="64">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="65">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Abídan, den zoon van Gideóni.</verse>
				<verse number="66">Op den tienden dag offerde de overste der kinderen van Dan, Ahiëzer, de zoon van Ammísaddai.</verse>
				<verse number="67">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="68">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="69">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="70">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="71">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahiézer, den zoon van Ammísaddai.</verse>
				<verse number="72">Op den elfden dag offerde de overste der kinderen van Aser, Págiël, de zoon van Ochran.</verse>
				<verse number="73">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="74">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="75">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="76">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="77">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Págiël, den zoon van Ochran.</verse>
				<verse number="78">Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahíra, de zoon van Enan.</verse>
				<verse number="79">Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;</verse>
				<verse number="80">Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;</verse>
				<verse number="81">Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;</verse>
				<verse number="82">Een geitenbok, ten zondoffer;</verse>
				<verse number="83">En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahíra, den zoon van Enan.</verse>
				<verse number="84">Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israël, op den dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.</verse>
				<verse number="85">Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en vierhonderd sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.</verse>
				<verse number="86">Twaalf gouden reukschalen vol reukwerks; elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen.</verse>
				<verse number="87">Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.</verse>
				<verse number="88">En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.</verse>
				<verse number="89">En als Mozes in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de ark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo sprak Hij tot hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot Aäron, en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten.</verse>
				<verse number="3">En Aäron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan; gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="4">Dit werk nu des kandelaars was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de HEERE Mozes vertoond had, alzo had hij den kandelaar gemaakt.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="6">Neem de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls, en reinig hen.</verse>
				<verse number="7">En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen.</verse>
				<verse number="8">Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult gij nemen ten zondoffer.</verse>
				<verse number="9">En gij zult de Levieten voor de tent der samenkomst doen naderen; en gij zult de gehele vergadering der kinderen Israëls doen verzamelen.</verse>
				<verse number="10">Ja, gij zult de Levieten voor het aangezicht des HEEREN doen naderen; en de kinderen Israëls zullen hun handen op de Levieten leggen.</verse>
				<verse number="11">En Aäron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, vanwege de kinderen Israëls; opdat zij zijn, om den dienst des HEEREN te bedienen.</verse>
				<verse number="12">En de Levieten zullen hun handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij een ten zondoffer, en een ten brandoffer den HEERE, om over de Levieten verzoening te doen.</verse>
				<verse number="13">En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den HEERE.</verse>
				<verse number="14">En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.</verse>
				<verse number="15">En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.</verse>
				<verse number="16">Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israëls; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israëls, heb Ik ze Mij genomen.</verse>
				<verse number="17">Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israëls is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.</verse>
				<verse number="18">En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="19">En Ik heb de Levieten aan Aäron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israëls, om den dienst van de kinderen Israëls in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israëls verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israëls, als de kinderen Israëls tot het heiligdom naderen zouden.</verse>
				<verse number="20">En Mozes deed, en Aäron, en de ganse vergadering der kinderen Israëls, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israëls aan hen.</verse>
				<verse number="21">En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aäron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.</verse>
				<verse number="22">En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent der samenkomst, voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo deden zij aan hen.</verse>
				<verse number="23">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="25">Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen.</verse>
				<verse number="26">Doch hij zal met zijn broederen dienen in de tent der samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzo zult gij aan de Levieten doen in hun wachten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Dat de kinderen Israëls het pascha houden zouden, op zijn gezetten tijd;</verse>
				<verse number="3">Op den veertienden dag in deze maand, tussen de twee avonden zult gij dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al zijn rechten zult gij dat houden.</verse>
				<verse number="4">Mozes dan sprak tot de kinderen Israëls, dat zij het pascha zouden houden.</verse>
				<verse number="5">En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="6">Toen waren er lieden geweest, die over het dode lichaam eens mensen onrein waren, en op denzelven dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aäron op dienzelven dag.</verse>
				<verse number="7">En diezelve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen Israëls?</verse>
				<verse number="8">En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de HEERE u gebieden zal.</verse>
				<verse number="9">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden.</verse>
				<verse number="11">In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten.</verse>
				<verse number="12">Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden.</verse>
				<verse number="13">Als een man, die rein is, en op den weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen.</verse>
				<verse number="14">En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha den HEERE ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, alzo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor ulieden zijn, beiden den vreemdeling en den inboorling des lands.</verse>
				<verse number="15">En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen.</verse>
				<verse number="16">Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des nachts was er een gedaante des vuurs.</verse>
				<verse number="17">Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de kinderen Israëls; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="18">Naar den mond des HEEREN, verreisden de kinderen Israëls, en naar des HEEREN mond legerden zij zich; al de dagen, in dewelke de wolk over den tabernakel bleef, legerden zij zich.</verse>
				<verse number="19">En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zo namen de kinderen Israëls de wacht des HEEREN waar, en verreisden niet.</verse>
				<verse number="20">Als het nu was, dat de wolk weinige dagen op den tabernakel was, naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij.</verse>
				<verse number="21">Maar was het, dat de wolk van den avond tot den morgen daar was, en de wolk in den morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of des daags, of des nachts, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij.</verse>
				<verse number="22">Of als de wolk twee dagen, of een maand, of vele dagen vertoog op den tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen Israëls, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij.</verse>
				<verse number="23">Naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij; zij namen de wacht des HEEREN waar, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.</verse>
				<verse number="3">Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="4">Maar als zij met de éne zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israël.</verse>
				<verse number="5">Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.</verse>
				<verse number="6">Maar als gij ten tweeden male met een gebroken geklank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken geklank zullen zij blazen tot hun optochten.</verse>
				<verse number="7">Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.</verse>
				<verse number="8">En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.</verse>
				<verse number="9">En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.</verse>
				<verse number="10">Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.</verse>
				<verse number="12">En de kinderen Israëls togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran.</verse>
				<verse number="13">Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.</verse>
				<verse number="14">Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminádab.</verse>
				<verse number="15">En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Netháneël, den zoon van Zuar.</verse>
				<verse number="16">En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Elíab, de zoon van Helon.</verse>
				<verse number="17">Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merári togen op, dragende den tabernakel.</verse>
				<verse number="18">Daarna toog op de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elízur, de zoon van Sedéür.</verse>
				<verse number="19">En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selûmiël, de zoon van Zurísaddai.</verse>
				<verse number="20">En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuël.</verse>
				<verse number="21">Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.</verse>
				<verse number="22">Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraïm, naar hun heiren; en over zijn heir was Elisáma, de zoon van Ammihud.</verse>
				<verse number="23">En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamáliël, de zoon van Pedázur.</verse>
				<verse number="24">En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abídan, de zoon van Gideóni.</verse>
				<verse number="25">Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiëzer de zoon van Ammísaddai.</verse>
				<verse number="26">En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Págiël, de zoon van Ochran.</verse>
				<verse number="27">En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahíra, de zoon van Enan.</verse>
				<verse number="28">Dit waren de tochten der kinderen Israëls, naar hun heiren, als zij reisden.</verse>
				<verse number="29">Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.</verse>
				<verse number="30">Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.</verse>
				<verse number="32">En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.</verse>
				<verse number="33">Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.</verse>
				<verse number="34">En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.</verse>
				<verse number="35">Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!</verse>
				<verse number="36">En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israël!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers.</verse>
				<verse number="2">Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt.</verse>
				<verse number="3">Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-éra, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.</verse>
				<verse number="4">En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israëls wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?</verse>
				<verse number="5">Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.</verse>
				<verse number="6">Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!</verse>
				<verse number="7">Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedólah.</verse>
				<verse number="8">Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie.</verse>
				<verse number="9">En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.</verse>
				<verse number="10">Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.</verse>
				<verse number="11">En Mozes zeide tot den HEERE: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last van dit ganse volk op mij legt?</verse>
				<verse number="12">Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat Gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land, hetwelk Gij hun vaderen gezworen hebt?</verse>
				<verse number="13">Van waar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten!</verse>
				<verse number="14">Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar!</verse>
				<verse number="15">En indien Gij alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!</verse>
				<verse number="16">En de HEERE zeide tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, dewelke gij weet, dat zij de oudsten des volks en deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult hen brengen voor de tent der samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.</verse>
				<verse number="17">Zo zal Ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last van dit volk dragen, opdat gij dien alleen niet draagt.</verse>
				<verse number="18">En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten.</verse>
				<verse number="19">Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen;</verse>
				<verse number="20">Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot een walging zij; overmits gij den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?</verse>
				<verse number="21">En Mozes zeide: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben; en Gij hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een gehele maand eten!</verse>
				<verse number="22">Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?</verse>
				<verse number="23">Doch de HEERE zeide tot Mozes: Zou dan des HEEREN hand verkort zijn? Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet.</verse>
				<verse number="24">En Mozes ging uit, en sprak de woorden des HEEREN tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten des volks, en stelde hen rondom de tent.</verse>
				<verse number="25">Toen kwam de HEERE af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.</verse>
				<verse number="26">Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.</verse>
				<verse number="27">Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zeide: Eldad en Medad profeteren in het leger.</verse>
				<verse number="28">En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun!</verse>
				<verse number="29">Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al dat volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!</verse>
				<verse number="30">Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israël.</verse>
				<verse number="31">Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.</verse>
				<verse number="32">Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.</verse>
				<verse number="33">Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.</verse>
				<verse number="34">Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibrôth Tháäva; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.</verse>
				<verse number="35">Van Kibrôth Tháäva verreisde het volk naar Hazerôth; en zij bleven in Hazerôth.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen.</verse>
				<verse number="2">En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het!</verse>
				<verse number="3">Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren.</verse>
				<verse number="4">Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes, en tot Aäron, en tot Mirjam: Gij drie, komt uit de tent der samenkomst! En zij drie kwamen uit.</verse>
				<verse number="5">Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit.</verse>
				<verse number="6">En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.</verse>
				<verse number="7">Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is.</verse>
				<verse number="8">Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken?</verse>
				<verse number="9">Zo ontstak des HEEREN toorn tegen hen, en Hij ging weg.</verse>
				<verse number="10">En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.</verse>
				<verse number="11">Daarom zeide Aäron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!</verse>
				<verse number="12">Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is!</verse>
				<verse number="13">Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God! heel haar toch!</verse>
				<verse number="14">En de HEERE zeide tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden!</verse>
				<verse number="15">Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd.</verse>
				<verse number="16">Maar daarna verreisde het volk van Hazerôth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israëls geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.</verse>
				<verse number="3">Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="4">En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.</verse>
				<verse number="5">Van den stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.</verse>
				<verse number="6">Van den stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.</verse>
				<verse number="7">Van den stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.</verse>
				<verse number="8">Van den stam van Efraïm, Hoséa, de zoon van Nun.</verse>
				<verse number="9">Van den stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.</verse>
				<verse number="10">Van den stam van Zebulon, Gaddiël, de zoon van Sodi.</verse>
				<verse number="11">Van den stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.</verse>
				<verse number="12">Van den stam van Dan, Ammiël, de zoon van Gemalli.</verse>
				<verse number="13">Van den stam van Aser, Sethur, de zoon van Michaël.</verse>
				<verse number="14">Van den stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.</verse>
				<verse number="15">Van den stam van Gad, Guël, de zoon van Machi.</verse>
				<verse number="16">Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hoséa, den zoon van Nun, Jozua.</verse>
				<verse number="17">Mozes dan zond hen, om het land Kanaän te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;</verse>
				<verse number="18">En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;</verse>
				<verse number="19">En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;</verse>
				<verse number="20">Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.</verse>
				<verse number="21">Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.</verse>
				<verse number="22">En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahíman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte.</verse>
				<verse number="23">Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.</verse>
				<verse number="24">Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israëls van daar afgesneden hadden.</verse>
				<verse number="25">Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.</verse>
				<verse number="26">En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aäron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israëls, in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hun de vrucht des lands zien.</verse>
				<verse number="27">En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.</verse>
				<verse number="28">Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.</verse>
				<verse number="29">De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaänieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.</verse>
				<verse number="30">Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!</verse>
				<verse number="31">Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.</verse>
				<verse number="32">Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israëls, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.</verse>
				<verse number="33">Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.</verse>
				<verse number="2">En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!</verse>
				<verse number="3">En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?</verse>
				<verse number="4">En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!</verse>
				<verse number="5">Toen vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="6">En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.</verse>
				<verse number="7">En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israëls, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.</verse>
				<verse number="8">Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende.</verse>
				<verse number="9">Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet!</verse>
				<verse number="10">Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal Mij dat volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb?</verse>
				<verse number="12">Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.</verse>
				<verse number="13">En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;</verse>
				<verse number="14">En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij, HEERE! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts.</verse>
				<verse number="15">En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!</verse>
				<verse number="17">Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:</verse>
				<verse number="18">De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.</verse>
				<verse number="19">Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!</verse>
				<verse number="20">En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.</verse>
				<verse number="21">Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden!</verse>
				<verse number="22">Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;</verse>
				<verse number="23">Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!</verse>
				<verse number="24">Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="25">De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee.</verse>
				<verse number="26">Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="27">Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israëls, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.</verse>
				<verse number="28">Zeg tot hen: zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!</verse>
				<verse number="29">Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.</verse>
				<verse number="30">Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.</verse>
				<verse number="31">En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.</verse>
				<verse number="32">Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!</verse>
				<verse number="33">En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.</verse>
				<verse number="34">Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking.</verse>
				<verse number="35">Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!</verse>
				<verse number="36">En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende;</verse>
				<verse number="37">Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="38">Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden.</verse>
				<verse number="39">En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israëls. Toen treurde het volk zeer.</verse>
				<verse number="40">En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!</verse>
				<verse number="41">Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.</verse>
				<verse number="42">Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.</verse>
				<verse number="43">Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn.</verse>
				<verse number="44">Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.</verse>
				<verse number="45">Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen, dat Ik u geven zal;</verse>
				<verse number="3">En gij een vuuroffer den HEERE zult doen, een brandoffer, of slachtoffer, om af te zonderen een gelofte, of in een vrijwillig offer, of in uw gezette hoogtijden, om den HEERE een liefelijken reuk te maken, van runderen of van klein vee;</verse>
				<verse number="4">Zo zal hij, die zijn offerande den HEERE offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie.</verse>
				<verse number="5">En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult gij bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam.</verse>
				<verse number="6">Of voor een ram zult gij een spijsoffer bereiden, van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derde deel van een hin.</verse>
				<verse number="7">En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult gij offeren tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="8">En wanneer gij een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte af te zonderen, of ten dankoffer den HEERE;</verse>
				<verse number="9">Zo zal hij tot een jong rund offeren een spijsoffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin.</verse>
				<verse number="10">En wijn zult gij offeren ten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="11">Alzo zal gedaan worden met den enen os, of met den enen ram, of met het klein vee, van de lammeren, of van de geiten.</verse>
				<verse number="12">Naar het getal, dat gij bereiden zult, zult gij alzo doen met elkeen, naar hun getal.</verse>
				<verse number="13">Alle inboorling zal deze dingen alzo doen, offerende een vuuroffer tot een liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="14">Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is, in uw geslachten, en hij een vuuroffer zal bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; gelijk als gij zult doen, alzo zal hij doen.</verse>
				<verse number="15">Gij, gemeente, het zij ulieden en den vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor des HEEREN aangezicht zijn.</verse>
				<verse number="16">Enerlei wet en enerlei recht zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert.</verse>
				<verse number="17">Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Als gij zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal,</verse>
				<verse number="19">Zo zal het geschieden, als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij den HEERE een hefoffer offeren.</verse>
				<verse number="20">De eerstelingen uws deegs, een koek zult gij tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer des dorsvloers zult gij dat offeren.</verse>
				<verse number="21">Van de eerstelingen uws deegs zult gij den HEERE een hefoffer geven, bij uw geslachten.</verse>
				<verse number="22">Voorts wanneer gijlieden afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben al deze geboden, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft;</verse>
				<verse number="23">Alles, wat u de HEERE door de hand van Mozes geboden heeft; van dien dag af, dat het de HEERE geboden heeft, en voortaan bij uw geslachten;</verse>
				<verse number="24">Zo zal het geschieden, indien iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen der vergadering verborgen is, dat de ganse vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een liefelijken reuk den HEERE, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en een geitenbok ten zondoffer.</verse>
				<verse number="25">En de priester zal de verzoening doen voor de ganse vergadering van de kinderen Israëls, en het zal hun vergeven worden; want het was een afdwaling, en zij hebben hun offerande gebracht, een vuuroffer den HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht des HEEREN, over hun afdwaling.</verse>
				<verse number="26">Het zal dan aan de ganse vergadering der kinderen Israëls vergeven worden, ook den vreemdeling, die in het midden van henlieden als vreemdeling verkeert; want het is het ganse volk door dwaling overkomen.</verse>
				<verse number="27">En indien een ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een eenjarige geit ten zondoffer offeren.</verse>
				<verse number="28">En de priester zal de verzoening doen over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling, voor het aangezicht des HEEREN, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden.</verse>
				<verse number="29">Den inboorling der kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in hunlieder midden als vreemdeling verkeert, enerlei wet zal ulieden zijn, dengene, die het door afdwaling doet.</verse>
				<verse number="30">Maar de ziel, die iets zal gedaan hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den HEERE; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk;</verse>
				<verse number="31">Want zij heeft het woord des HEEREN veracht en Zijn gebod vernietigd; diezelve ziel zal ganselijk uitgeroeid worden; haar ongerechtigheid is op haar.</verse>
				<verse number="32">Als nu de kinderen Israëls in de woestijn waren, zo vonden zij een man, hout lezende op den sabbatdag.</verse>
				<verse number="33">En die hem vonden, hout lezende, brachten hem tot Mozes, en tot Aäron, en tot de ganse vergadering.</verse>
				<verse number="34">En zij stelden hem in bewaring; want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden.</verse>
				<verse number="35">Zo zeide de HEERE tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger.</verse>
				<verse number="36">Toen bracht hem de ganse vergadering uit tot buiten het leger, en zij stenigden hem met stenen, dat hij stierf, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="37">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="38">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner klederen, bij hun geslachten; en op de snoertjes des hoeks zullen zij een hemelsblauwen draad zetten.</verse>
				<verse number="39">En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet, en aan al de geboden des HEEREN gedenkt, en die doet; en gij zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die gij zijt nahoererende;</verse>
				<verse number="40">Opdat gij gedenkt en doet al Mijn geboden, en uw God heilig zijt.</verse>
				<verse number="41">Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, om u tot een God te zijn; Ik ben de HEERE, uw God!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abíram, zonen van Elíab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben.</verse>
				<verse number="2">En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israëls, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam.</verse>
				<verse number="3">En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?</verse>
				<verse number="4">Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="5">En hij sprak tot Korach, en tot zijn ganse vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de HEERE bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, dien Hij tot Zich zal doen naderen; en wien Hij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen.</verse>
				<verse number="6">Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijn ganse vergadering;</verse>
				<verse number="7">En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht des HEEREN; en het zal geschieden, dat de man, dien de HEERE verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij, kinderen van Levi!</verse>
				<verse number="8">Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi!</verse>
				<verse number="9">Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de vergadering van Israël heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om den dienst van des HEEREN tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen?</verse>
				<verse number="10">Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt?</verse>
				<verse number="11">Daarom gij, en uw ganse vergadering, gij zijt vergaderd tegen den HEERE, want Aäron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert?</verse>
				<verse number="12">En Mozes schikte heen, om Dathan en Abíram, de zonen van Elíab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!</verse>
				<verse number="13">Is het te weinig, dat gij ons uit een land, van melk en honig vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat gij ook uzelven ten enenmaal over ons tot een overheer maakt?</verse>
				<verse number="14">Ook hebt gij ons niet gebracht in een land, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult gij de ogen dezer mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!</verse>
				<verse number="15">Toen ontstak Mozes zeer, en hij zeide tot den HEERE: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet een ezel van hen genomen, en niet een van hen kwaad gedaan.</verse>
				<verse number="16">Voorts zeide Mozes tot Korach: Gij, en uw ganse vergadering, weest voor het aangezicht des HEEREN; gij, en zij, ook Aäron, op morgen.</verse>
				<verse number="17">En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht des HEEREN, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook gij, en Aäron, een ieder zijn wierookvat.</verse>
				<verse number="18">Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent der samenkomst, ook Mozes en Aäron.</verse>
				<verse number="19">En Korach deed de ganse vergadering tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent der samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid des HEEREN aan deze ganse vergadering.</verse>
				<verse number="20">En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Scheidt u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een ogenblik verteren!</verse>
				<verse number="22">Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God der geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult Gij U over deze ganse vergadering grotelijks vertoornen?</verse>
				<verse number="23">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abíram.</verse>
				<verse number="25">Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abíram; en achter hem gingen de oudsten van Israël.</verse>
				<verse number="26">En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.</verse>
				<verse number="27">Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abíram, van rondom; maar Dathan en Abíram gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderkens.</verse>
				<verse number="28">Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.</verse>
				<verse number="29">Indien deze zullen sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar aller mensen bezoeking, zo heeft mij de HEERE niet gezonden.</verse>
				<verse number="30">Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen den HEERE getergd hebben.</verse>
				<verse number="31">En het geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aardrijk, dat onder hen was, gekloofd;</verse>
				<verse number="32">En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en alle mensen, die Korach toebehoorden, en al de have.</verse>
				<verse number="33">En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden der gemeente.</verse>
				<verse number="34">En het ganse Israël, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!</verse>
				<verse number="35">Daartoe ging een vuur uit van den HEERE, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.</verse>
				<verse number="36">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="37">Zeg tot Eleázar, den zoon van Aäron, den priester, dat hij de wierookvaten uit den brand opneme; en strooi het vuur verre weg; want zij zijn heilig;</verse>
				<verse number="38">Te weten de wierookvaten van dezen, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overtreksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des HEEREN, daarom zijn zij heilig; en zij zullen den kinderen Israëls tot een teken zijn.</verse>
				<verse number="39">En Eleázar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar;</verse>
				<verse number="40">Ter nagedachtenis voor de kinderen Israëls, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht des HEEREN; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.</verse>
				<verse number="41">Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israëls tegen Mozes en tegen Aäron, zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!</verse>
				<verse number="42">En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent der samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen.</verse>
				<verse number="43">Mozes nu en Aäron kwamen tot voor de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="44">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="45">Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten.</verse>
				<verse number="46">En Mozes zeide tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.</verse>
				<verse number="47">En Aäron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk.</verse>
				<verse number="48">En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; alzo werd de plaag opgehouden.</verse>
				<verse number="49">Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.</verse>
				<verse number="50">En Aäron keerde weder tot Mozes aan de deur van de tent der samenkomst; en de plaag was opgehouden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; eens iegelijken naam zult gij schrijven op zijn staf.</verse>
				<verse number="3">Doch Aärons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het hoofd van het huis hunner vaderen.</verse>
				<verse number="4">En gij zult ze wegleggen in de tent der samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met ulieden samenkomen zal.</verse>
				<verse number="5">En het zal geschieden, dat de staf des mans, welke Ik zal verkoren hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen Israëls tegen Mij, welke zij tegen ulieden murmureerden.</verse>
				<verse number="6">Mozes dan sprak tot de kinderen Israëls, en al hun oversten gaven aan hem een staf, voor elken overste een staf, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; Aärons staf was ook onder hun staven.</verse>
				<verse number="7">En Mozes legde deze staven weg, voor het aangezicht des HEEREN, in de tent der getuigenis.</verse>
				<verse number="8">Het geschiedde nu des anderen daags, dat Mozes in de tent der getuigenis inging; en ziet, Aärons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen.</verse>
				<verse number="9">Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht des HEEREN, tot al de kinderen Israëls; en zij zagen het, en namen elk zijn staf.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Breng de staf van Aäron weder voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de wederspannige kinderen; alzo zult gij een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.</verse>
				<verse number="11">En Mozes deed het; gelijk als de HEERE hem geboden had, alzo deed hij.</verse>
				<verse number="12">Toen spraken de kinderen Israëls tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven den geest, wij vergaan, wij allen vergaan!</verse>
				<verse number="13">Al wie enigszins nadert tot den tabernakel des HEEREN, zal sterven; zullen wij dan den geest gevende verdaan worden?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Zo zeide de HEERE tot Aäron: Gij, en uw zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.</verse>
				<verse number="2">En ook zult gij uw broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar gij, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent der getuigenis.</verse>
				<verse number="3">En zij zullen uw wacht waarnemen, en de wacht der ganse tent; doch tot het gereedschap des heiligdoms en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als gijlieden.</verse>
				<verse number="4">Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent der samenkomst waarnemen, in allen dienst der tent; en een vreemde zal tot u niet naderen.</verse>
				<verse number="5">Gijlieden nu zult waarnemen de wacht des heiligdoms, en de wacht des altaars; opdat er geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="6">Want Ik, zie, Ik heb uw broederen, de Levieten, uit het midden der kinderen Israëls genomen; zij zijn ulieden een gave, gegeven den HEERE, om den dienst van de tent der samenkomst te bedienen.</verse>
				<verse number="7">Maar gij, en uw zonen met u, zult ulieder priesterambt waarnemen in alle zaken des altaars, en in hetgeen van binnen den voorhang is, dat zult gijlieden bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst van een geschenk; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.</verse>
				<verse number="8">Voorts sprak de HEERE tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen Israëls heb Ik ze u gegeven, om der zalving wil, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.</verse>
				<verse number="9">Dit zult gij hebben van de heiligheid der heiligheden, uit het vuur: al hun offeranden, met al hun spijsoffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een heiligheid der heiligheden zijn.</verse>
				<verse number="10">Aan het allerheiligste zult gij dat eten; al wat mannelijk is zal dat eten; het zal u een heiligheid zijn.</verse>
				<verse number="11">Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hunner gave, met alle beweegofferen der kinderen Israëls; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.</verse>
				<verse number="12">Al het beste van de olie, en al het beste van most, en van koren, hun eerstelingen, die zij den HEERE zullen geven, u heb Ik ze gegeven.</verse>
				<verse number="13">De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij den HEERE zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.</verse>
				<verse number="14">Al het verbannene in Israël zal het uwe zijn.</verse>
				<verse number="15">Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij den HEERE zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; doch de eerstgeborenen der mensen zult gij ganselijk lossen; ook zult gij lossen de eerstgeborenen der onreine beesten.</verse>
				<verse number="16">Die nu onder dezelve gelost zullen worden, zult gij van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, die is twintig gera.</verse>
				<verse number="17">Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult gij niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen op het altaar, en hun vet zult gij aansteken, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den HEERE.</verse>
				<verse number="18">En hun vlees zal het uwe zijn; gelijk de beweegborst, en gelijk de rechterschouder, zal het uwe zijn.</verse>
				<verse number="19">Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israëls den HEERE zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht des HEEREN, voor u en voor uw zaad met u.</verse>
				<verse number="20">Ook zeide de HEERE tot Aäron: Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben; Ik ben uw deel en erfenis, in het midden van de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="21">En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, dien zij bedienen, den dienst van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="22">En de kinderen Israëls zullen niet meer naderen tot de tent der samenkomst, om zonde te dragen en te sterven.</verse>
				<verse number="23">Maar de Levieten, die zullen bedienen den dienst van de tent der samenkomst, en die zullen hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw geslachten; en in het midden van de kinderen Israëls zullen zij geen erfenis erven.</verse>
				<verse number="24">Want de tienden der kinderen Israëls, die zij den HEERE tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen Israëls geen erfenis erven.</verse>
				<verse number="25">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="26">Gij zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer gij van de kinderen Israëls de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult gij daarvan een hefoffer des HEEREN offeren, de tienden van die tienden;</verse>
				<verse number="27">En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van den dorsvloer, en als de volheid van de perskuip.</verse>
				<verse number="28">Alzo zult gij ook een hefoffer des HEEREN offeren van al uw tienden, die gij van de kinderen Israëls zult hebben ontvangen; en gij zult daarvan des HEEREN hefoffer geven aan den priester Aäron.</verse>
				<verse number="29">Van al uw gaven zult gij alle hefoffer des HEEREN offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan.</verse>
				<verse number="30">Gij zult dan tot hen zeggen: Als gij deszelfs beste daarvan offert, zo zal het den Levieten toegerekend worden als een inkomen des dorsvloers, en als een inkomen der perskuip.</verse>
				<verse number="31">En gij zult dat eten in alle plaatsen, gij en uw huis; want het is ulieden een loon voor uw dienst in de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="32">Zo zult gij daarover geen zonde dragen, als gij deszelfs beste daarvan offert; en gij zult de heilige dingen van de kinderen Israëls niet ontheiligen, opdat gij niet sterft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Dit is de inzetting van de wet, die de HEERE geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij tot u brengen een rode volkomene vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is.</verse>
				<verse number="3">En gij zult die geven aan Eleázar, den priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten.</verse>
				<verse number="4">En Eleázar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent der samenkomst zevenmaal sprengen.</verse>
				<verse number="5">Voorts zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden; haar vel, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden.</verse>
				<verse number="6">En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van den brand dezer vaars.</verse>
				<verse number="7">Dan zal de priester zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="8">Ook die haar verbrand heeft, zal zijn klederen met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="9">En een rein man zal de as dezer vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen Israëls, tot het water der afzondering; het is ontzondiging.</verse>
				<verse number="10">En die de as dezer vaars verzameld heeft, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal den kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn.</verse>
				<verse number="11">Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.</verse>
				<verse number="12">Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zo zal hij op den zevenden dag rein zijn; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn.</verse>
				<verse number="13">Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den tabernakel des HEEREN; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water der afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem.</verse>
				<verse number="14">Dit is de wet, wanneer een mens zal gestorven zijn in een tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn.</verse>
				<verse number="15">Ook alle open gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein.</verse>
				<verse number="16">En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente eens mensen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn.</verse>
				<verse number="17">Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof des brands der ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat.</verse>
				<verse number="18">En een rein man zal hysop nemen, en in dat water dopen, en sprengen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; insgelijks aan dengene, die een gebeente, of een verslagene, of een dode, of een graf aangeroerd heeft.</verse>
				<verse number="19">En de reine zal den onreine op den derden dag, en op den zevenden dag besprengen; en op den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en op den avond rein zijn.</verse>
				<verse number="20">Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom des HEEREN verontreinigd, het water der afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein.</verse>
				<verse number="21">Dit zal hunlieden zijn tot een eeuwige inzetting. En die het water der afzondering sprengt, zal zijn klederen wassen; ook wie het water der afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
				<verse number="22">Ja, al wat die onreine aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn; en de ziel, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Als de kinderen Israëls, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.</verse>
				<verse number="2">En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron.</verse>
				<verse number="3">En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven!</verse>
				<verse number="4">Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?</verse>
				<verse number="5">En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.</verse>
				<verse number="6">Toen gingen Mozes en Aäron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen hun.</verse>
				<verse number="7">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="8">Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en Aäron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot den steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit den steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken.</verse>
				<verse number="9">Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Hij hem geboden had.</verse>
				<verse number="10">En Mozes en Aäron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?</verse>
				<verse number="11">Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.</verse>
				<verse number="12">Derhalve zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.</verse>
				<verse number="13">Dit zijn de wateren van Meríba, daar de kinderen Israëls met den HEERE om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.</verse>
				<verse number="14">Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israël: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;</verse>
				<verse number="15">Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.</verse>
				<verse number="16">Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.</verse>
				<verse number="17">Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter- noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.</verse>
				<verse number="18">Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!</verse>
				<verse number="19">Toen zeiden de kinderen Israëls tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.</verse>
				<verse number="20">Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.</verse>
				<verse number="21">Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af.</verse>
				<verse number="22">Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israëls kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.</verse>
				<verse number="23">De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meríba.</verse>
				<verse number="25">Neem Aäron, en Eleázar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.</verse>
				<verse number="26">En trek Aäron zijn klederen uit, en trek ze Eleázar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven.</verse>
				<verse number="27">Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen tot op den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.</verse>
				<verse number="28">En Mozes trok Aäron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleázar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleázar van dien berg af.</verse>
				<verse number="29">Toen de ganse vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het ganse huis van Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.</verse>
				<verse number="2">Toen beloofde Israël den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.</verse>
				<verse number="3">De HEERE dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.</verse>
				<verse number="4">Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.</verse>
				<verse number="5">En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.</verse>
				<verse number="6">Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël.</verse>
				<verse number="7">Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.</verse>
				<verse number="9">En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.</verse>
				<verse number="10">Toen verreisden de kinderen Israëls, en zij legerden zich te Oboth.</verse>
				<verse number="11">Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abárim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.</verse>
				<verse number="12">Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.</verse>
				<verse number="13">Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.</verse>
				<verse number="14">(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,</verse>
				<verse number="15">En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab).</verse>
				<verse number="16">En van daar reisden zij naar Beër. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.</verse>
				<verse number="17">(Toen zong Israël dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!</verse>
				<verse number="18">Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;</verse>
				<verse number="19">En van Mattana tot Naháliël; en van Naháliël tot Bamoth;</verse>
				<verse number="20">En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.</verse>
				<verse number="21">Toen zond Israël boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:</verse>
				<verse number="22">Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.</verse>
				<verse number="23">Doch Sihon liet Israël niet toe, door zijn landpale door te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël;</verse>
				<verse number="24">Maar Israël sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.</verse>
				<verse number="25">Alzo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.</verse>
				<verse number="26">Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.</verse>
				<verse number="27">Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!</verse>
				<verse number="28">Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.</verse>
				<verse number="29">Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.</verse>
				<verse number="30">En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Médeba toe reikt.</verse>
				<verse number="31">Alzo woonde Israël in het land van den Amoriet.</verse>
				<verse number="32">Daarna zond Mozes om Jáëzer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.</verse>
				<verse number="33">Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, in Edréï.</verse>
				<verse number="34">De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.</verse>
				<verse number="35">En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakken velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.</verse>
				<verse number="2">Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had;</verse>
				<verse number="3">Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht dezes volks, want het was veel; en Moab was beangstigd voor het aangezicht van de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="4">Derhalve zeide Moab tot de oudsten der Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente des velds oplikt. Te dier tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning der Moabieten.</verse>
				<verse number="5">Die zond boden aan Bíleam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.</verse>
				<verse number="6">En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of zal het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wien gij zegent, die zal gezegend zijn, en wien gij vervloekt, die zal vervloekt zijn.</verse>
				<verse number="7">Toen gingen de oudsten der Moabieten, en de oudsten der Midianieten, en hadden het loon der waarzeggingen in hun hand; alzo kwamen zij tot Bíleam, en spraken tot hem de woorden van Balak.</verse>
				<verse number="8">Hij dan zeide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zo zal ik ulieden een antwoord wederbrengen, gelijk als de HEERE tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten der Moabieten bij Bíleam.</verse>
				<verse number="9">En God kwam tot Bíleam en zeide: Wie zijn die mannen, die bij u zijn?</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Bíleam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht des lands bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik tegen hetzelve kunnen strijden, of het uitdrijven.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide God tot Bíleam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.</verse>
				<verse number="13">Toen stond Bíleam des morgens op, en zeide tot de vorsten van Balak: Gaat naar uw land; want de HEERE weigert mij toe te laten met ulieden te gaan.</verse>
				<verse number="14">Zo stonden dan de vorsten der Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bíleam heeft geweigerd met ons te gaan.</verse>
				<verse number="15">Doch Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en eerlijker, dan die waren;</verse>
				<verse number="16">Die tot Bíleam kwamen, en hem zeiden: Alzo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen!</verse>
				<verse number="17">Want ik zal u zeer hoog vereren, en al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk!</verse>
				<verse number="18">Toen antwoordde Bíleam, en zeide tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.</verse>
				<verse number="19">En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de HEERE tot mij verder spreken zal.</verse>
				<verse number="20">God nu kwam tot Bíleam des nachts, en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot u spreken zal.</verse>
				<verse number="21">Toen stond Bíleam des morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab.</verse>
				<verse number="22">Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Engel des HEEREN stelde Zich in den weg, hem tot een tegenpartij; hij nu reed op zijn ezelin, en twee zijner jongeren waren bij hem.</verse>
				<verse number="23">De ezelin nu zag den Engel des HEEREN staande in den weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit den weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bíleam de ezelin, om dezelve naar den weg te doen wenden.</verse>
				<verse number="24">Maar de Engel des HEEREN stond in een pad der wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan gene zijde.</verse>
				<verse number="25">Toen de ezelin den Engel des HEEREN zag, zo klemde hij zichzelve aan den wand, en klemde Bíleams voet aan den wand; daarom voer hij voort haar te slaan.</verse>
				<verse number="26">Toen ging de Engel des HEEREN noch verder, en Hij stond in een enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter- noch ter linkerhand.</verse>
				<verse number="27">Als de ezelin den Engel des HEEREN zag, zo legde hij zich neder onder Bíleam; en de toorn van Bíleam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.</verse>
				<verse number="28">De HEERE nu opende den mond der ezelin, die tot Bíleam zeide: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt?</verse>
				<verse number="29">Toen zeide Bíleam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zou u nu doden.</verse>
				<verse number="30">De ezelin nu zeide tot Bíleam: Ben ik niet uw ezelin, op welke gij gereden hebt van toen af, dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewend geweest u alzo te doen? Hij dan zeide: Neen!</verse>
				<verse number="31">Toen ontdekte de HEERE de ogen van Bíleam, zodat hij den Engel des HEEREN zag, staande in den weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="32">Toen zeide de Engel des HEEREN tot hem: Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, dewijl deze weg van Mij afwijkt.</verse>
				<verse number="33">Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu driemaal voor Mijn aangezicht geweken; indien zij voor Mijn aangezicht niet geweken ware, zekerlijk Ik zoude u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben.</verse>
				<verse number="34">Toen zeide Bíleam tot den Engel des HEEREN: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat Gij mij tegemoet op dezen weg stondt; en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal wederkeren.</verse>
				<verse number="35">De Engel des HEEREN nu zeide tot Bíleam: Ga heen met deze mannen; maar alleenlijk dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken. Alzo toog Bíleam met de vorsten van Balak.</verse>
				<verse number="36">Als Balak hoorde, dat Bíleam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad der Moabieten, welke aan de landpale van de Arnon ligt, die aan het uiterste der landpale is.</verse>
				<verse number="37">En Balak zeide tot Bíleam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden, om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren?</verse>
				<verse number="38">Toen zeide Bíleam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken.</verse>
				<verse number="39">En Bíleam ging met Balak; en zij kwamen te Kirjath-Huzzoth.</verse>
				<verse number="40">Toen slachtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bíleam, en aan de vorsten, die bij hem waren.</verse>
				<verse number="41">En het geschiedde des morgens, dat Balak Bíleam nam, en voerde hem op de hoogten van Baäl, dat hij van daar zag het uiterste des volks.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Toen zeide Bíleam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.</verse>
				<verse number="2">Balak nu deed, gelijk als Bíleam gesproken had; en Balak en Bíleam offerden een var en een ram, op elk altaar.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Bíleam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan; misschien zal de HEERE mij tegemoet komen; en hetgeen Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte.</verse>
				<verse number="4">Als God Bíleam ontmoet was, zo zeide hij tot Hem: Zeven altaren heb ik toegericht, en heb een var en een ram op elk altaar geofferd.</verse>
				<verse number="5">Toen legde de HEERE het woord in den mond van Bíleam, en zeide: Keer weder tot Balak, en spreek aldus.</verse>
				<verse number="6">Als hij nu tot hem wederkeerde, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten der Moabieten.</verse>
				<verse number="7">Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning der Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël!</verse>
				<verse number="8">Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar de HEERE niet scheldt?</verse>
				<verse number="9">Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.</verse>
				<verse number="10">Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Balak tot Bíleam: Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen doorgaans gezegend!</verse>
				<verse number="12">Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat de HEERE in mijn mond gelegd heeft?</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Balak tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats, van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet ganselijk zien; en vervloek hem mij van daar!</verse>
				<verse number="14">Alzo nam hij hem mede tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een var en een ram op elk altaar.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hem aldaar ontmoeten.</verse>
				<verse number="16">Als de HEERE Bíleam ontmoet was, zo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zeide: Keer weder tot Balak, en spreek alzo.</verse>
				<verse number="17">Toen hij tot hem kwam, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten der Moabieten bij hem. Balak nu zeide tot hem: Wat heeft de HEERE gesproken?</verse>
				<verse number="18">Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Sta op, Balak, en hoor! Neig uw oren tot mij, gij, zoon van Zippor!</verse>
				<verse number="19">God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?</verse>
				<verse number="20">Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zo zal ik het niet keren.</verse>
				<verse number="21">Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem.</verse>
				<verse number="22">God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.</verse>
				<verse number="23">Want er is geen toverij tegen Jakob noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewrocht heeft.</verse>
				<verse number="24">Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal niet nederleggen, totdat het den roof gegeten, en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben!</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Balak tot Bíleam: Gij zult het ganselijk noch vloeken, noch geenszins zegenen.</verse>
				<verse number="26">Doch Bíleam antwoordde en zeide tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat de HEERE spreken zal, dat zal ik doen?</verse>
				<verse number="27">Verder zeide Balak tot Bíleam: Kom toch, ik zal u aan een andere plaats medenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van dien God, dat gij het mij van daar vervloekt.</verse>
				<verse number="28">Toen nam Balak Bíleam mede tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.</verse>
				<verse number="29">En Bíleam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.</verse>
				<verse number="30">Balak nu deed, gelijk als Bíleam gezegd had; en hij offerde een var en een ram op elk altaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Toen Bíleam zag, dat het goed was in de ogen des HEEREN, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.</verse>
				<verse number="2">Als Bíleam zijn ogen ophief, en Israël zag, wonende naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem.</verse>
				<verse number="3">En hij hief zijn spreuk op, en zeide: Bíleam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!</verse>
				<verse number="4">De hoorder der redenen Gods spreekt, die het gezicht des Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden!</verse>
				<verse number="5">Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!</verse>
				<verse number="6">Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de HEERE heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water.</verse>
				<verse number="7">Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.</verse>
				<verse number="8">God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.</verse>
				<verse number="9">Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd, gelijk een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!</verse>
				<verse number="10">Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bíleam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zeide tot Bíleam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend!</verse>
				<verse number="11">En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, de HEERE heeft die eer van u geweerd!</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Bíleam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die gij tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel des HEEREN niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.</verse>
				<verse number="14">En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.</verse>
				<verse number="15">Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Bíleam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!</verse>
				<verse number="16">De hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden.</verse>
				<verse number="17">Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.</verse>
				<verse number="18">En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; doch Israël zal kracht doen.</verse>
				<verse number="19">En er zal één uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen.</verse>
				<verse number="20">Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Amalek is de eersteling der heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve!</verse>
				<verse number="21">Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uw woning is vast, en gij hebt uw nest in een steenrots gelegd.</verse>
				<verse number="22">Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal!</verse>
				<verse number="23">Voorts hief hij zijn spreuk op, en zeide: Och, wie zal leven, als God dit doen zal!</verse>
				<verse number="24">En de schepen van den oever der Chitteërs, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.</verse>
				<verse number="25">Toen stond Bíleam op, en ging heen, en keerde weder tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten.</verse>
				<verse number="2">En zij nodigden het volk tot de slachtofferen harer goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden.</verse>
				<verse number="3">Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-Peor, ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zeide tot Mozes: Neem al de hoofden des volks, en hang ze den HEERE tegen de zon, zo zal de hittigheid van des HEEREN toorn gekeerd worden van Israël.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide Mozes tot de rechters van Israël: Een ieder dode zijn mannen, die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben!</verse>
				<verse number="6">En ziet, een man uit de kinderen Israëls kwam, en bracht een Midianietin tot zijn broederen voor de ogen van Mozes, en voor de ogen van de ganse vergadering der kinderen Israëls, toen zij weenden voor de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="7">Toen Pínehas, de zoon van Eleázar, den zoon van Aäron, den priester, dat zag, zo stond hij op uit het midden der vergadering, en nam een spies in zijn hand;</verse>
				<verse number="8">En hij ging den Israëlietischen man na in den hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, den Israëlietischen man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de kinderen Israëls opgehouden.</verse>
				<verse number="9">Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="10">Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Pínehas, de zoon van Eleázar, den zoon van Aäron, den priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen Israëls afgewend, dewijl hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zodat ik de kinderen Israëls in Mijn ijver niet vernield heb.</verse>
				<verse number="12">Daarom spreek: Zie, Ik geef hem Mijn verbond des vredes.</verse>
				<verse number="13">En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="14">De naam nu des verslagenen Israëlietischen mans, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis der Simeonieten.</verse>
				<verse number="15">En de naam der verslagene Midianietische vrouw was Kozbi, een dochter van Zur, die een hoofd was der volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten.</verse>
				<verse number="16">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen;</verse>
				<verse number="18">Want zij hebben vijandelijk tegen ulieden gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van den overste der Midianieten, hun zuster, die verslagen is, ten dage der plaag, om de zaak van Peor.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleázar, den zoon van Aäron, den priester, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neemt de som van de gehele vergadering der kinderen Israëls op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israël uittrekt.</verse>
				<verse number="3">Mozes dan en Eleázar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en den kinderen Israëls, die uit Egypteland uitgetogen waren.</verse>
				<verse number="5">Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluïeten;</verse>
				<verse number="6">Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.</verse>
				<verse number="7">Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.</verse>
				<verse number="8">En de zonen van Pallu waren Elíab.</verse>
				<verse number="9">En de zonen van Elíab waren Nemuël, en Dathan, en Abíram; deze Dathan en Abíram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aäron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.</verse>
				<verse number="10">En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.</verse>
				<verse number="11">Maar de kinderen van Korach stierven niet.</verse>
				<verse number="12">De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuël, het geslacht der Nemuëlieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;</verse>
				<verse number="13">Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.</verse>
				<verse number="14">Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.</verse>
				<verse number="15">De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.</verse>
				<verse number="16">Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;</verse>
				<verse number="17">Van Arod het geslacht der Arodieten; van Aréli het geslacht der Arélieten.</verse>
				<verse number="18">Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="19">De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="20">Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.</verse>
				<verse number="21">En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.</verse>
				<verse number="22">Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="23">De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaïeten; van Puva het geslacht der Punieten;</verse>
				<verse number="24">Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.</verse>
				<verse number="25">Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.</verse>
				<verse number="26">De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleël het geslacht der Jahleëlieten.</verse>
				<verse number="27">Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="28">De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.</verse>
				<verse number="29">De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.</verse>
				<verse number="30">Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.</verse>
				<verse number="31">En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;</verse>
				<verse number="32">En van Semída het geslacht der Semídaïeten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.</verse>
				<verse number="33">Doch Zeláfead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zeláfead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.</verse>
				<verse number="34">Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.</verse>
				<verse number="35">Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutélah het geslacht der Sutélahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.</verse>
				<verse number="36">En dit zijn de zonen van Sutélah; van Eran het geslacht der Eranieten.</verse>
				<verse number="37">Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.</verse>
				<verse number="38">De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaïeten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahíram het geslacht der Ahíramieten;</verse>
				<verse number="39">Van Sefúfam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.</verse>
				<verse number="40">En de zonen van Bela waren Ard en Naäman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naäman het geslacht der Naämieten.</verse>
				<verse number="41">Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="42">Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.</verse>
				<verse number="43">Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="44">De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaïeten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Bería het geslacht der Beríieten.</verse>
				<verse number="45">Van de zonen van Bería waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiël het geslacht der Malchiëlieten.</verse>
				<verse number="46">En de naam der dochter van Aser was Serah.</verse>
				<verse number="47">Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="48">De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jáhzeël het geslacht der Jáhzeëlieten; van Guni het geslacht der Gunieten;</verse>
				<verse number="49">Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.</verse>
				<verse number="50">Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.</verse>
				<verse number="51">Dat zijn de getelden van de zonen Israëls: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.</verse>
				<verse number="52">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="53">Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.</verse>
				<verse number="54">Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.</verse>
				<verse number="55">Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.</verse>
				<verse number="56">Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.</verse>
				<verse number="57">Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merári het geslacht der Merárieten.</verse>
				<verse number="58">Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.</verse>
				<verse number="59">En de naam der huisvrouw van Amram was Jochébed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.</verse>
				<verse number="60">En aan Aäron werden geboren Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar.</verse>
				<verse number="61">Nadab nu en Abíhu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="62">En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israëls, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="63">Dat zijn de getelden van Mozes en Eleázar, den priester, die de kinderen Israëls telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.</verse>
				<verse number="64">En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aäron, den priester, als zij de kinderen Israëls telden in de woestijn van Sinaï.</verse>
				<verse number="65">Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Toen naderden de dochteren van Zeláfead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);</verse>
				<verse number="2">En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleázar, den priester, en voor het aangezicht van de oversten, en van de ganse vergadering, aan de deur van de tent der samenkomst, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering dergenen, die zich tegen den HEERE vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen.</verse>
				<verse number="4">Waarom zou de naam onzes vaders uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden der broederen van onzen vader.</verse>
				<verse number="5">En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="7">De dochteren van Zeláfead spreken recht; gij zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis, in het midden van de broederen haars vaders; en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen.</verse>
				<verse number="8">En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft, en geen zoon heeft, zo zult gij zijn erfenis op zijn dochter doen komen.</verse>
				<verse number="9">En indien hij geen dochter heeft, zo zult gij zijn erfenis aan zijn broederen geven.</verse>
				<verse number="10">Indien hij nu geen broederen heeft, zo zult gij zijn erfenis aan de broederen zijns vaders geven.</verse>
				<verse number="11">Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zo zult gij zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kinderen Israëls tot een inzetting des rechts zijn, gelijk als de HEERE Mozes geboden heeft.</verse>
				<verse number="12">Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Klim op dezen berg Abárim, en zie dat land, hetwelk Ik den kinderen Israëls gegeven heb.</verse>
				<verse number="13">Wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uw volken verzameld worden, gij ook, gelijk als uw broeder Aäron verzameld geworden is;</verse>
				<verse number="14">Naardien gijlieden Mijn mond wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin, in de twisting der vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meríba, van Kades, in de woestijn Zin.</verse>
				<verse number="15">Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Dat de HEERE, de God der geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering.</verse>
				<verse number="17">Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering des HEEREN niet zij als schapen, die geen herder hebben.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is; en leg uw hand op hem;</verse>
				<verse number="19">En stel hem voor het aangezicht van Eleázar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering; en geef hem bevel voor hun ogen;</verse>
				<verse number="20">En leg op hem van uw heerlijkheid, opdat zij horen, te weten de ganse vergadering der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="21">En hij zal voor het aangezicht van Eleázar, den priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des HEEREN; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen Israëls met hem, en de ganse vergadering.</verse>
				<verse number="22">En Mozes deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleázar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering.</verse>
				<verse number="23">En hij legde zijn handen op hem, en gaf hem bevel; gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gebied den kinderen Israëls, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn spijze voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult gij waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd.</verse>
				<verse number="3">En gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, hetwelk gij den HEERE offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren des daags, tot een gedurig brandoffer.</verse>
				<verse number="4">Het ene lam zult gij bereiden des morgens; en het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.</verse>
				<verse number="5">En een tiende deel ener efa meelbloem, ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie.</verse>
				<verse number="6">Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="7">En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den HEERE offeren.</verse>
				<verse number="8">En het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden; gelijk het spijsoffer des morgens, en gelijk zijn drankoffer zult gij het bereiden, ten vuuroffer des liefelijken reuks den HEERE.</verse>
				<verse number="9">Maar op den sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, mitsgaders zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="10">Het is het brandoffer des sabbats op elken sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="11">En in de beginselen uwer maanden zult gij een brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="12">En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen ram;</verse>
				<verse number="13">En tot elk een tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, den HEERE.</verse>
				<verse number="14">En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer der nieuwe maan in elke maand, naar de maanden des jaars.</verse>
				<verse number="15">Daartoe zal een geitenbok ten zondoffer den HEERE, boven het gedurige brandoffer, bereid worden, met zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="16">En in de eerste maand, op den veertienden dag der maand, is het pascha den HEERE.</verse>
				<verse number="17">En op den vijftienden dag derzelve maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden.</verse>
				<verse number="18">Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gijlieden doen;</verse>
				<verse number="19">Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.</verse>
				<verse number="20">En hun spijsoffer zal zijn meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot een var, en twee tienden tot een ram zult gij bereiden.</verse>
				<verse number="21">Tot elk zult gij een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe.</verse>
				<verse number="22">Daarna een bok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen.</verse>
				<verse number="23">Behalve het morgenbrandoffer, hetwelk tot een gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden.</verse>
				<verse number="24">Achtervolgens deze dingen zult gij des daags, zeven dagen lang, de spijze des vuuroffers bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; boven dat gedurig brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="25">En op den zevenden dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.</verse>
				<verse number="26">Insgelijks op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw spijsoffer den HEERE zult offeren naar uw weken, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.</verse>
				<verse number="27">Dan zult gij den HEERE een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="28">En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, twee tienden tot een ram;</verse>
				<verse number="29">Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;</verse>
				<verse number="30">Een geitenbok, om voor u verzoening te doen.</verse>
				<verse number="31">Behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, zult gij ze bereiden; zij zullen u volkomen zijn met hun drankofferen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Desgelijks in de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het zal u een dag des geklanks zijn.</verse>
				<verse number="2">Dan zult gij een brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE bereiden: een jongen var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="3">En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot den var, twee tienden tot den ram.</verse>
				<verse number="4">En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;</verse>
				<verse number="5">En een geitenbok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen;</verse>
				<verse number="6">Behalve het brandoffer der maand, en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen, naar hun wijze, ten liefelijken reuk, ten vuuroffer den HEERE.</verse>
				<verse number="7">En op den tienden dezer zevende maand zult gij een heilige samenroeping hebben, en gij zult uw zielen verootmoedigen; geen werk zult gij doen;</verse>
				<verse number="8">Maar gij zult brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE offeren: een jongen var, een ram, zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.</verse>
				<verse number="9">En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot den var, twee tienden tot den enen ram;</verse>
				<verse number="10">Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;</verse>
				<verse number="11">Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer der verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.</verse>
				<verse number="12">Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; maar zeven dagen zult gij den HEERE een feest vieren.</verse>
				<verse number="13">En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn;</verse>
				<verse number="14">En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot een ram, onder die twee rammen;</verse>
				<verse number="15">En tot elk een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe;</verse>
				<verse number="16">En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="17">Daarna op den tweeden dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="18">En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;</verse>
				<verse number="19">En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.</verse>
				<verse number="20">En op den derden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="21">En hun spijsofferen, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;</verse>
				<verse number="22">En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="23">Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="24">Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;</verse>
				<verse number="25">En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="26">En op den vijfden dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="27">En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;</verse>
				<verse number="28">En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="29">Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="30">En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;</verse>
				<verse number="31">En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankofferen.</verse>
				<verse number="32">En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="33">En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze;</verse>
				<verse number="34">En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="35">Op den achtsten dag zult gij een verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult gij doen.</verse>
				<verse number="36">En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE; een var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;</verse>
				<verse number="37">Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;</verse>
				<verse number="38">En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.</verse>
				<verse number="39">Deze dingen zult gij den HEERE doen op uw gezette hoogtijden; behalve uw geloften, en uw vrijwillige offeren, met uw brandofferen, en met uw spijsofferen, en met uw drankofferen, en met uw dankofferen.</verse>
				<verse number="40">En Mozes sprak tot de kinderen Israëls naar al wat de HEERE Mozes geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">En Mozes sprak tot de hoofden der stammen van de kinderen Israëls, zeggende: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft:</verse>
				<verse number="2">Wanneer een man den HEERE een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen.</verse>
				<verse number="3">Maar als een vrouw den HEERE een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis haars vaders in haar jonkheid zal verbonden hebben;</verse>
				<verse number="4">En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan.</verse>
				<verse number="5">Maar indien haar vader dat zal breken, den dage als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar de HEERE zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken.</verse>
				<verse number="6">Doch indien zij immers een man heeft, en haar geloften op haar zijn, of de uitspraak harer lippen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft;</verse>
				<verse number="7">En haar man dat zal horen, en ten dage als hij het hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen haar geloften bestaan, en haar verbintenissen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zullen bestaan.</verse>
				<verse number="8">Maar indien haar man ten dage, als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, mitsgaders de uitspraak harer lippen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zo zal het de HEERE haar vergeven.</verse>
				<verse number="9">Aangaande de gelofte ener weduwe, of ener verstotene: alles, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan.</verse>
				<verse number="10">Maar indien zij ten huize haars mans gelofte gedaan heeft, of met een eed door verbintenis haar ziel verbonden heeft;</verse>
				<verse number="11">En haar man dat gehoord, en tegen haar stil zal gezwegen hebben, dat niet brekende; zo zullen al haar geloften bestaan, mitsgaders alle verbintenis, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan.</verse>
				<verse number="12">Maar indien haar man die dingen ganselijk te niet maakt, ten dage als hij het hoort, niets van al wat uit haar lippen gegaan is, van haar gelofte, en van de verbintenis harer ziel, zal bestaan; haar man heeft ze te niet gemaakt, en de HEERE zal het haar vergeven.</verse>
				<verse number="13">Alle gelofte, en allen eed der verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken.</verse>
				<verse number="14">Maar zo haar man tegen haar van dag tot dag ganselijk stilzwijgt, zo bevestigt hij al haar geloften, of al haar verbintenissen, dewelke op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft, ten dage als hij het hoorde.</verse>
				<verse number="15">Doch zo hij ze ganselijk te niet maken zal, nadat hij het gehoord zal hebben, zo zal hij haar ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="16">Dat zijn de inzettingen, die de HEERE Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jonkheid, ten huize haars vaders.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neem de wraak der kinderen Israëls van de Midianieten; daarna zult gij verzameld worden tot uw volken.</verse>
				<verse number="3">Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak des HEEREN te doen aan de Midianieten.</verse>
				<verse number="4">Van elken stam onder alle stammen Israëls zult gij een duizend ten strijde zenden.</verse>
				<verse number="5">Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israël, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.</verse>
				<verse number="6">En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elken stam, hen en Pínehas, den zoon van Eleázar, den priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten des geklanks in zijn hand.</verse>
				<verse number="7">En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.</verse>
				<verse number="8">Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bíleam, den zoon van Beor.</verse>
				<verse number="9">Maar de kinderen Israëls namen de vrouwen der Midianieten, en hun kinderkens gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen.</verse>
				<verse number="10">Voorts al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur.</verse>
				<verse number="11">En zij namen al den roof, en al den buit, van mensen en van beesten.</verse>
				<verse number="12">Daarna brachten zij de gevangenen, en den buit, en den roof, tot Mozes en tot Eleázar, den priester, en tot de vergadering der kinderen Israëls, in het leger, in de vlakke velden van Moab, dewelke zijn aan de Jordaan van Jericho.</verse>
				<verse number="13">Maar Mozes en Eleázar, de priester, en alle oversten der vergadering, gingen uit hun tegemoet, tot buiten voor het leger.</verse>
				<verse number="14">En Mozes werd grotelijks vertoornd tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden, die uit den strijd van dien oorlog kwamen.</verse>
				<verse number="15">En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven?</verse>
				<verse number="16">Ziet, deze waren, door den raad van Bíleam, den kinderen Israëls, om oorzake der overtreding tegen den HEERE te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering des HEEREN.</verse>
				<verse number="17">Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens; en doodt alle vrouw, die door bijligging des mans een man bekend heeft.</verse>
				<verse number="18">Doch al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging des mans niet bekend hebben, laat voor ulieden leven.</verse>
				<verse number="19">En gijlieden, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uw gevangenen.</verse>
				<verse number="20">Ook zult gij alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle geiten haren werk, en alle gereedschap van hout, ontzondigen.</verse>
				<verse number="21">En Eleázar, de priester, zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, die de HEERE Mozes geboden heeft.</verse>
				<verse number="22">Alleen het goud en het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood;</verse>
				<verse number="23">Alle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde; evenwel zal het door het water der afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt, zult gij door het water laten doorgaan.</verse>
				<verse number="24">Gij zult ook uw klederen op den zevenden dag wassen, dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen.</verse>
				<verse number="25">Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="26">Neem op de som van den buit der gevangenen van mensen en van beesten; gij en Eleázar, de priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering.</verse>
				<verse number="27">En deel den buit in twee helften tussen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den krijg uitgegaan zijn, en tussen de ganse vergadering.</verse>
				<verse number="28">Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.</verse>
				<verse number="29">Van hun helft zult gij het nemen, en den priester Eleázar geven tot een heffing des HEEREN.</verse>
				<verse number="30">Maar van de helft der kinderen Israëls zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en gij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van den tabernakel des HEEREN waarnemen.</verse>
				<verse number="31">En Mozes, en Eleázar, de priester, deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="32">De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;</verse>
				<verse number="33">En twee en zeventig duizend runderen;</verse>
				<verse number="34">En een en zestig duizend ezelen;</verse>
				<verse number="35">En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.</verse>
				<verse number="36">En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.</verse>
				<verse number="37">En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.</verse>
				<verse number="38">En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.</verse>
				<verse number="39">En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.</verse>
				<verse number="40">En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.</verse>
				<verse number="41">En Mozes gaf Eleázar, den priester, de schatting van de heffing des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="42">En van de helft der kinderen Israëls, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden;</verse>
				<verse number="43">(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;</verse>
				<verse number="44">En de runderen waren zes en dertig duizend;</verse>
				<verse number="45">En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd;</verse>
				<verse number="46">En der mensen zielen zestien duizend;)</verse>
				<verse number="47">Van die helft der kinderen Israëls nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van den tabernakel des HEEREN waarnamen, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="48">Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden;</verse>
				<verse number="49">En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man.</verse>
				<verse number="50">Daarom hebben wij een offerande des HEEREN gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="51">Zo nam Mozes en Eleázar, de priester, van hen het goud, alle welgewrochte vaten.</verse>
				<verse number="52">En al het goud der heffing, dat zij den HEERE offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden, en van de hoofdlieden der honderden.</verse>
				<verse number="53">Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven.</verse>
				<verse number="54">Zo nam Mozes en Eleázar, de priester, dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden, en zij brachten het in de tent der samenkomst, ter gedachtenis voor de kinderen Israëls, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jáëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.</verse>
				<verse number="2">Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleázar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Atarôth, en Dibon, en Jáëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleále, en Schebam, en Nebo, en Behon;</verse>
				<verse number="4">Dit land, hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israël geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.</verse>
				<verse number="5">Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan.</verse>
				<verse number="6">Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?</verse>
				<verse number="7">Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israëls breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de HEERE hun gegeven heeft?</verse>
				<verse number="8">Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-Barnéa zond, om dit land te bezien.</verse>
				<verse number="9">Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israëls, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.</verse>
				<verse number="10">Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;</verse>
				<verse number="12">Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.</verse>
				<verse number="13">Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israël, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het ganse geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="14">En ziet, gijlieden zijt opgestaan in stede van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om de hittigheid van des HEEREN toorn tegen Israël te vermeerderen.</verse>
				<verse number="15">Wanneer gij van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.</verse>
				<verse number="16">Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.</verse>
				<verse number="17">Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht der kinderen Israëls, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners des lands.</verse>
				<verse number="18">Wij zullen niet wederkeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israëls tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis.</verse>
				<verse number="19">Want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van de Jordaan, en verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde,</verse>
				<verse number="21">En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben.</verse>
				<verse number="22">En het land voor het aangezicht des HEEREN ten ondergebracht zij; zo zult gij daarna wederkeren, en onschuldig zijn voor den HEERE en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="23">Indien gij daarentegen alzo niet zult doen, ziet, zo hebt gij tegen den HEERE gezondigd; doch gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!</verse>
				<verse number="24">Bouwt uw steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is.</verse>
				<verse number="25">Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt.</verse>
				<verse number="26">Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead;</verse>
				<verse number="27">Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.</verse>
				<verse number="28">Toen gebood Mozes, hunnenthalve, den priester Eleázar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israëls;</verse>
				<verse number="29">En Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met ulieden over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht des HEEREN, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven.</verse>
				<verse number="30">Maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="31">En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat de HEERE tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij alzo doen.</verse>
				<verse number="32">Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des HEEREN naar het land Kanaän; en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan.</verse>
				<verse number="33">Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad en den kinderen van Ruben, en den halven stam van Manasse, den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.</verse>
				<verse number="34">En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Atarôth, en Aroër,</verse>
				<verse number="35">En Atroth-Sofan, en Jáëzer, en Jógbeha,</verse>
				<verse number="36">En Beth-Nimra, en Beth-Háran, vaste steden en schaapskooien.</verse>
				<verse number="37">En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleále, en Kirjatháïm,</verse>
				<verse number="38">En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen der steden, die zij bouwden, met andere namen.</verse>
				<verse number="39">En de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.</verse>
				<verse number="40">Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.</verse>
				<verse number="41">Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvôth-Jaïr.</verse>
				<verse number="42">En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Dit zijn de reizen der kinderen Israëls, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aäron.</verse>
				<verse number="2">En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar den mond des HEEREN; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten.</verse>
				<verse number="3">Zij reisden dan van Raméses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israëls uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;</verse>
				<verse number="4">Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden.</verse>
				<verse number="5">Als de kinderen Israëls van Raméses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth.</verse>
				<verse number="6">En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.</verse>
				<verse number="7">En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachirôth, dat tegenover Baäl-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.</verse>
				<verse number="8">En zij verreisden van Hachirôth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.</verse>
				<verse number="9">En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar.</verse>
				<verse number="10">En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.</verse>
				<verse number="11">En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.</verse>
				<verse number="12">En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.</verse>
				<verse number="13">En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.</verse>
				<verse number="14">En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidîm; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken.</verse>
				<verse number="15">Zo verreisden zij van Rafidîm, en legerden zich in de woestijn van Sinaï.</verse>
				<verse number="16">En zij verreisden uit de woestijn van Sinaï, en legerden zich in Kibroth-Tháäva.</verse>
				<verse number="17">En zij verreisden van Kibroth-Tháäva, en legerden zich in Hazerôth.</verse>
				<verse number="18">En zij verreisden van Hazerôth, en legerden zich in Rithma.</verse>
				<verse number="19">En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.</verse>
				<verse number="20">En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.</verse>
				<verse number="21">En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.</verse>
				<verse number="22">En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelátha.</verse>
				<verse number="23">En zij verreisden van Kehelátha, en legerden zich in het gebergte van Safer.</verse>
				<verse number="24">En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Hárada.</verse>
				<verse number="25">En zij verreisden van Hárada, en legerden zich in Makhelôth.</verse>
				<verse number="26">En zij verreisden van Makhelôth, en legerden zich in Tachath.</verse>
				<verse number="27">En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.</verse>
				<verse number="28">En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.</verse>
				<verse number="29">En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmóna.</verse>
				<verse number="30">En zij verreisden van Hasmóna, en legerden zich in Moséroth.</verse>
				<verse number="31">En zij verreisden van Moséroth, en legerden zich in Bene-Jáäkan.</verse>
				<verse number="32">En zij verreisden van Bene-Jáäkan, en legerden zich in Hor-gidgad.</verse>
				<verse number="33">En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbátha.</verse>
				<verse number="34">En zij verreisden van Jotbátha, en legerden zich in Abróna.</verse>
				<verse number="35">En zij verreisden van Abróna, en legerden zich in Ezeon-Geber.</verse>
				<verse number="36">En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.</verse>
				<verse number="37">En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.</verse>
				<verse number="38">Toen ging de priester Aäron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israëls uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.</verse>
				<verse number="39">Aäron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.</verse>
				<verse number="40">En de Kanaäniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaän, hoorde, dat de kinderen Israëls aankwamen.</verse>
				<verse number="41">En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zálmona.</verse>
				<verse number="42">En zij verreisden van Zálmona, en legerden zich in Funon.</verse>
				<verse number="43">En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.</verse>
				<verse number="44">En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abárim, in de landpale van Moab.</verse>
				<verse number="45">En zij verreisden van de heuvelen van Abárim, en legerden zich in Dibon-Gad.</verse>
				<verse number="46">En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblatháïm.</verse>
				<verse number="47">En zij verreisden van Almon-Diblatháïm, en legerden zich in de bergen Abárim, tegen Nebo.</verse>
				<verse number="48">En zij verreisden van de bergen Abárim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.</verse>
				<verse number="49">En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimôth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.</verse>
				<verse number="50">En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:</verse>
				<verse number="51">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaän;</verse>
				<verse number="52">Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.</verse>
				<verse number="53">En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="54">En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.</verse>
				<verse number="55">Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin gij woont.</verse>
				<verse number="56">En het zal geschieden, dat Ik u zal doen, gelijk als Ik hun dacht te doen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gebied den kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn landpalen.</verse>
				<verse number="3">De zuiderhoek nu zal zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuider landpale zal u zijn van het einde der Zoutzee tegen het oosten;</verse>
				<verse number="4">En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van Akrábbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-Barnéa; en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, en doorgaan naar Azmon.</verse>
				<verse number="5">Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee.</verse>
				<verse number="6">Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.</verse>
				<verse number="7">Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn; van de grote zee af zult gij u den berg Hor aftekenen.</verse>
				<verse number="8">Van den berg Hor zult gij aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad.</verse>
				<verse number="9">En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorder landpale zijn.</verse>
				<verse number="10">Voorts zult gij u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-Enan naar Sefam.</verse>
				<verse number="11">En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Cinnereth oostwaarts.</verse>
				<verse number="12">Voorts zal deze landpale afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpalen rondom.</verse>
				<verse number="13">En Mozes gebood den kinderen Israëls, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de HEERE aan de negen stammen en den halven stam van Manasse te geven geboden heeft.</verse>
				<verse number="14">Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen.</verse>
				<verse number="15">Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang.</verse>
				<verse number="16">Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Dit zijn de namen der mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleázar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.</verse>
				<verse number="18">Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.</verse>
				<verse number="19">En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;</verse>
				<verse number="20">En van den stam der kinderen van Simeon, Semuël, zoon van Ammihud;</verse>
				<verse number="21">Van den stam van Benjamin, Elídad, zoon van Chislon;</verse>
				<verse number="22">En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;</verse>
				<verse number="23">Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniël, zoon van Efod;</verse>
				<verse number="24">En van den stam der kinderen van Efraïm, de overste Kemuël, zoon van Siftan;</verse>
				<verse number="25">En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elízafan, zoon van Parnach;</verse>
				<verse number="26">En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiël, zoon van Azzan;</verse>
				<verse number="27">En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achíhud, zoon van Selómi;</verse>
				<verse number="28">En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedáël, zoon van Ammihud.</verse>
				<verse number="29">Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israëls de erfenissen uit te delen, in het land Kanaän.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gebied den kinderen Israëls, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden rondom dezelve.</verse>
				<verse number="3">En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun have, en voor al hun gedierte,</verse>
				<verse number="4">En de voorsteden der steden, die gij aan de Levieten zult geven, zullen van den stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.</verse>
				<verse number="5">En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan den hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan den hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan den hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.</verse>
				<verse number="6">De steden nu, die gij aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult, opdat de doodslager daarheen vliede; en boven dezelve zult gij hun twee en veertig steden geven.</verse>
				<verse number="7">Al de steden, die gij aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden.</verse>
				<verse number="8">De steden, die gij van de bezitting der kinderen Israëls geven zult, zult gij van dien, die vele heeft, vele nemen, en van dien, die weinige heeft, weinige nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven.</verse>
				<verse number="9">Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij over de Jordaan gaat naar het land Kanaän.</verse>
				<verse number="11">Zo zult gij maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de doodslager daarheen vliede, die een ziel onwetend geslagen heeft.</verse>
				<verse number="12">En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor den bloed wreker; opdat de doodslager niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe.</verse>
				<verse number="13">En deze steden, die gij geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn.</verse>
				<verse number="14">Drie dezer steden zult gij geven op deze zijde van de Jordaan, en drie dezer steden zult gij geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn.</verse>
				<verse number="15">Die zes steden zullen voor de kinderen Israëls, en voor den vreemdeling, en den bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vliede, wie een ziel onvoorziens slaat.</verse>
				<verse number="16">Maar indien hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="17">Of indien hij hem met een handsteen, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="18">Of indien hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="19">De wreker des bloeds, die zal den doodslager doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden.</verse>
				<verse number="20">Indien hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven zij;</verse>
				<verse number="21">Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; de slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij; de bloedwreker zal dezen doodslager doden, als hij hem ontmoet.</verse>
				<verse number="22">Maar indien hij hem met der haast, zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft;</verse>
				<verse number="23">Of onvoorziens met enigen steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij dien op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende;</verse>
				<verse number="24">Zo zal de vergadering richten tussen den slager, en tussen den bloedwreker, naar deze zelve rechten.</verse>
				<verse number="25">En de vergadering zal den doodslager redden uit de hand des bloedwrekers, en de vergadering zal hem doen wederkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevloden was; en hij zal daarin blijven tot den dood des hogepriesters, dien men met de heilige olie gezalfd heeft.</verse>
				<verse number="26">Doch indien de doodslager enigszins zal gaan uit de palen zijner vrijstad, waarheen hij gevloden was,</verse>
				<verse number="27">En de bloedwreker hem zal vinden buiten de palen zijner vrijstad; zo de bloedwreker den doodslager zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn.</verse>
				<verse number="28">Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot den dood des hogepriesters; maar na den dood des hogepriesters zal de doodslager wederkeren tot het land zijner bezitting.</verse>
				<verse number="29">En deze dingen zullen ulieden zijn tot een inzetting van recht, bij uw geslachten, in al uw woningen.</verse>
				<verse number="30">Al wie een ziel slaat, naar den mond der getuigen zal men den doodslager doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve.</verse>
				<verse number="31">En gij zult geen verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="32">Ook zult gij geen verzoening nemen voor dien, die gevlucht is naar zijn vrijstad, dat hij zou wederkeren, om te wonen in het land, tot den dood des hoge priesters.</verse>
				<verse number="33">Zo zult gij niet ontheiligen het land, waarin gij zijt; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed desgenen, die dat vergoten heeft.</verse>
				<verse number="34">Verontreinigt dan het land niet, waarin gij gaat wonen, in welks midden Ik wonen zal; want Ik ben de HEERE, wonende in het midden der kinderen Israëls.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">En de hoofden der vaderen van het geslacht der kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, uit de geslachten der kinderen van Jozef, traden toe, en spraken voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht der oversten, hoofden van de vaderen der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="2">En zeiden: De HEERE heeft mijn heer geboden, dat land door het lot aan de kinderen Israëls in erfenis te geven; en mijn heer is door den HEERE geboden, de erfenis van onzen broeder Zeláfead te geven aan zijn dochteren.</verse>
				<verse number="3">Wanneer zij een van de zonen der andere stammen van de kinderen Israëls tot vrouwen zouden worden, zo zou haar erfenis van de erfenis onzer vaderen afgetrokken worden, en toegedaan tot de erfenis van dien stam, aan welken zij geworden zouden; alzo zou van het lot onzer erfenis worden afgetrokken.</verse>
				<verse number="4">Als ook de kinderen Israëls een jubeljaar zullen hebben, zo zou haar erfenis toegedaan zijn tot de erfenis van dien stam, aan welken zij zouden geworden zijn; alzo zou haar erfenis van de erfenis van den stam onzer vaderen afgetrokken worden.</verse>
				<verse number="5">Toen gebood Mozes den kinderen Israëls, naar des HEEREN mond, zeggende: De stam der kinderen van Jozef spreekt recht.</verse>
				<verse number="6">Dit is het woord, dat de HEERE van de dochteren van Zeláfead geboden heeft, zeggende: Laat zij dien tot vrouwen worden, die in haar ogen goed zal zijn; alleenlijk, dat zij aan het geslacht van haars vaders stam tot vrouwen worden.</verse>
				<verse number="7">Zo zal de erfenis van de kinderen Israëls niet omgewend worden van stam tot stam; want de kinderen Israëls zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van den stam zijner vaderen.</verse>
				<verse number="8">Voorts zal elke dochter, die een erfenis erft, van de stammen der kinderen Israëls, ter vrouw worden aan een van het geslacht van den stam haars vaders; opdat de kinderen Israëls erfelijk bezitten, een ieder de erfenis zijner vaderen.</verse>
				<verse number="9">Zo zal de erfenis niet omgewend worden van den enen stam tot den anderen; want de stammen der kinderen Israëls zullen aanhangen, een ieder aan zijn erfenis.</verse>
				<verse number="10">Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de dochteren van Zeláfead;</verse>
				<verse number="11">Want Machla, Tirza, en Hogla, en Milka, en Noa, dochteren van Zeláfead, zijn den zonen harer ooms tot vrouwen geworden.</verse>
				<verse number="12">Onder de geslachten van de kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, zijn zij tot vrouwen geworden; alzo bleef haar erfenis aan den stam van het geslacht haars vaders.</verse>
				<verse number="13">Dat zijn de geboden en de rechten, die de HEERE door de dienst van Mozes aan de kinderen Israëls geboden heeft, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="5">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazerôth, en Dizáhab.</verse>
				<verse number="2">Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-Barnéa.</verse>
				<verse number="3">En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op den eersten der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israëls, naar alles wat hem de HEERE aan hen bevolen had;</verse>
				<verse number="4">Nadat hij geslagen had Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Bazan, welke woonde te Astharôth, te Edréï.</verse>
				<verse number="5">Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:</verse>
				<verse number="6">De HEERE, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven.</verse>
				<verse number="7">Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte der Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens der zee; het land der Kanaänieten, en den Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.</verse>
				<verse number="8">Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de HEERE aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.</verse>
				<verse number="9">En ik sprak ter zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.</verse>
				<verse number="10">De HEERE, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, gij zijt heden als de sterren des hemels in menigte.</verse>
				<verse number="11">De HEERE, uwer vaderen God, doe tot u, zo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!</verse>
				<verse number="12">Hoe zoude ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?</verse>
				<verse number="13">Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle.</verse>
				<verse number="14">Toen antwoorddet gij mij, en zeidet: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen.</verse>
				<verse number="15">Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.</verse>
				<verse number="16">En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.</verse>
				<verse number="17">Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.</verse>
				<verse number="18">Alzo gebood ik u te dier tijd alle zaken, die gij zoudt doen.</verse>
				<verse number="19">Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnéa.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.</verse>
				<verse number="21">Ziet, de HEERE, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet.</verse>
				<verse number="22">Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.</verse>
				<verse number="23">Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elken stam een man.</verse>
				<verse number="24">Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden datzelve.</verse>
				<verse number="25">En zij namen van de vrucht des lands in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal, is goed.</verse>
				<verse number="26">Doch gij wildet niet optrekken; maar gij waart den mond des HEEREN uws Gods, wederspannig.</verse>
				<verse number="27">En gij murmureerdet in uw tenten, en zeidet: Omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen.</verse>
				<verse number="28">Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in den hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen.</verse>
				<verse number="30">De HEERE, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte.</verse>
				<verse number="31">En in de woestijn, waar gij gezien hebt, dat de HEERE uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.</verse>
				<verse number="32">Maar door dit woord geloofdet gij niet aan den HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="33">Die voor uw aangezicht op den weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar gij zoudt legeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u den weg wees, waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.</verse>
				<verse number="34">Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:</verse>
				<verse number="35">Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!</verse>
				<verse number="36">Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft den HEERE te volgen.</verse>
				<verse number="37">Ook vertoornde zich de HEERE op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen.</verse>
				<verse number="38">Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven.</verse>
				<verse number="39">En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="40">Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee.</verse>
				<verse number="41">Toen antwoorddet gij, en zeidet tot mij: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat de HEERE, onze God, ons geboden heeft. Als gij nu een iegelijk zijn krijgsgereedschap aangorddet, en willens waart, om naar het gebergte henen op te trekken,</verse>
				<verse number="42">Zo zeide de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordet.</verse>
				<verse number="43">Doch als ik tot u sprak, zo hoordet gij niet, maar waart den mond des HEEREN wederspannig, en handeldet trotselijk, en toogt op naar het gebergte.</verse>
				<verse number="44">Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe.</verse>
				<verse number="45">Als gij nu wederkwaamt en weendet voor het aangezicht des HEEREN, zo verhoorde de HEERE uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.</verse>
				<verse number="46">Alzo bleeft gij in Kades vele dagen, naar de dagen, dat gij er bleeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seïr, vele dagen.</verse>
				<verse number="2">Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden;</verse>
				<verse number="4">En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.</verse>
				<verse number="5">Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven.</verse>
				<verse number="6">Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinket.</verse>
				<verse number="7">Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.</verse>
				<verse number="8">Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab.</verse>
				<verse number="9">Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.</verse>
				<verse number="10">De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.</verse>
				<verse number="11">Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.</verse>
				<verse number="12">Ook woonden de Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.</verse>
				<verse number="13">Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.</verse>
				<verse number="14">De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-Barnéa, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.</verse>
				<verse number="15">Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,</verse>
				<verse number="17">Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;</verse>
				<verse number="19">En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.</verse>
				<verse number="20">Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;</verse>
				<verse number="21">Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;</verse>
				<verse number="22">Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="23">Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.</verse>
				<verse number="24">Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in den strijd.</verse>
				<verse number="25">Te dezen dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht der volken, onder den gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht.</verse>
				<verse number="26">Toen zond ik boden uit de woestijn Kedémot tot Sihon, den koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:</verse>
				<verse number="27">Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechter- noch ter linkerhand uitwijken.</verse>
				<verse number="28">Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn voeten doortrekken;</verse>
				<verse number="29">Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.</verse>
				<verse number="30">Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelve niet laten doortrekken; want de HEERE, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te dezen dage.</verse>
				<verse number="31">En de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="32">En Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz.</verse>
				<verse number="33">En de HEERE, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.</verse>
				<verse number="34">En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.</verse>
				<verse number="35">Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden, die wij innamen.</verse>
				<verse number="36">Van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.</verse>
				<verse number="37">Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de ganse streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de HEERE, onze God, ons verboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Daarna keerden wij ons en togen op, den weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edréï.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide de HEERE tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.</verse>
				<verse number="4">En wij namen te dier tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.</verse>
				<verse number="5">Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendelen gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.</verse>
				<verse number="6">En wij verbanden dezelve, gelijk wij Sihon, den koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens.</verse>
				<verse number="7">Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons.</verse>
				<verse number="8">Zo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot den berg Hermon toe;</verse>
				<verse number="9">(De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)</verse>
				<verse number="10">Al de steden des platten lands, en het ganse Gilead, en het ganse Bazan, tot Salcha en Edréï toe; steden des koninkrijks van Og in Bazan.</verse>
				<verse number="11">Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen der reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog.</verse>
				<verse number="12">Ditzelfde land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.</verse>
				<verse number="13">En het overige van Gilead, mitsgaders het ganse Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek van Argob, door het ganse Bazan; datzelve werd genoemd het land der reuzen.</verse>
				<verse number="14">Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de ganse landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gezurieten en Maächatieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvôth-Jaïr, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="15">En aan Machir gaf ik Gilead.</verse>
				<verse number="16">Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;</verse>
				<verse number="17">Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, mitsgaders de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.</verse>
				<verse number="18">Voorts gebood ik ulieden ter zelfder tijd, zeggende: De HEERE, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broederen, de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="19">Behalve uw vrouwen, en uw kinderkens, en uw vee (ik weet, dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb;</verse>
				<verse number="20">Totdat de HEERE uw broederen rust geve, gelijk ulieden, dat zij ook erven het land, dat de HEERE, uw God, hun geven zal aan gene zijde van de Jordaan; dan zult gij wederkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb.</verse>
				<verse number="21">Ook gebood ik Jozua ter zelfder tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat de HEERE, ulieder God, aan deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEERE aan alle koninkrijken doen, naar welke gij henen doortrekt.</verse>
				<verse number="22">Vreest ze niet; want de HEERE, uw God, strijdt voor ulieden.</verse>
				<verse number="23">Ook bad ik den HEERE om genade, zeggende ter zelfder tijd:</verse>
				<verse number="24">Heere, HEERE! Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden!</verse>
				<verse number="25">Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en den Libanon!</verse>
				<verse number="26">Doch de HEERE verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar de HEERE zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.</verse>
				<verse number="27">Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want gij zult over deze Jordaan niet gaan.</verse>
				<verse number="28">Gebied dan Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk henen overgaan, en zal hun dat land, dat gij zien zult, doen erven.</verse>
				<verse number="29">Alzo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft.</verse>
				<verse number="2">Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.</verse>
				<verse number="3">Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-Peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.</verse>
				<verse number="4">Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende.</verse>
				<verse number="5">Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.</verse>
				<verse number="6">Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!</verse>
				<verse number="7">Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?</verse>
				<verse number="8">En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?</verse>
				<verse number="9">Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.</verse>
				<verse number="10">Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;</verse>
				<verse number="11">En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid).</verse>
				<verse number="12">Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.</verse>
				<verse number="13">Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.</verse>
				<verse number="14">Ook gebood mij de HEERE ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.</verse>
				<verse number="15">Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;</verse>
				<verse number="16">Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw,</verse>
				<verse number="17">De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;</verse>
				<verse number="18">De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde;</verse>
				<verse number="19">Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.</verse>
				<verse number="20">Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="21">Ook vertoornde Zich de HEERE over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE, uw God, u ter erfenis geven zal.</verse>
				<verse number="22">Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven.</verse>
				<verse number="23">Wacht u, dat gij het verbond des HEEREN, uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.</verse>
				<verse number="24">Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.</verse>
				<verse number="25">Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken;</verse>
				<verse number="26">Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.</verse>
				<verse number="27">En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal.</verse>
				<verse number="28">En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.</verse>
				<verse number="29">Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.</verse>
				<verse number="30">Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="31">Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.</verse>
				<verse number="32">Want, vraag toch naar de vorige dagen, die vóór u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:</verse>
				<verse number="33">Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend zij gebleven?</verse>
				<verse number="34">Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE, uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?</verse>
				<verse number="35">U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!</verse>
				<verse number="36">Van den hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord.</verse>
				<verse number="37">En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;</verse>
				<verse number="38">Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="39">Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!</verse>
				<verse number="40">En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE, uw God, u geeft, voor altoos.</verse>
				<verse number="41">Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon;</verse>
				<verse number="42">Opdat daarheen vlood de doodslager, die zijn naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in een van deze steden vlood en levend bleef;</verse>
				<verse number="43">Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.</verse>
				<verse number="44">Dit is nu de wet, die Mozes den kinderen Israëls voorstelde:</verse>
				<verse number="45">Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen;</verse>
				<verse number="46">Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen,</verse>
				<verse number="47">En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen den opgang der zon;</verse>
				<verse number="48">Van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon;</verse>
				<verse number="49">En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee des vlakken velds, onder Asdoth-Pisga.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En Mozes riep het ganse Israël, en zeide tot hen: Hoor, Israël! de inzettingen en rechten, die ik heden voor uw oren spreek, dat gij ze leert en waarneemt, om dezelve te doen.</verse>
				<verse number="2">De HEERE, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.</verse>
				<verse number="3">Met onze vaderen heeft de HEERE dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier heden allen levend zijn.</verse>
				<verse number="4">Van aangezicht tot aangezicht heeft de HEERE met u op den berg gesproken uit het midden des vuurs,</verse>
				<verse number="5">(Ik stond te dier tijd tussen den HEERE en tussen u, om u des HEEREN woord aan te zeggen; want gij vreesdet voor het vuur en klomt niet op den berg) zeggende:</verse>
				<verse number="6">Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.</verse>
				<verse number="7">Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.</verse>
				<verse number="8">Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van hetgeen boven in den hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is;</verse>
				<verse number="9">Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;</verse>
				<verse number="10">En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.</verse>
				<verse number="11">Gij zult den Naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden dengene, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.</verse>
				<verse number="12">Onderhoudt den sabbatdag, dat gij dien heiligt; gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft.</verse>
				<verse number="13">Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen;</verse>
				<verse number="14">Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN, uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienstknecht, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij.</verse>
				<verse number="15">Want gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de HEERE, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekten arm; daarom heeft u de HEERE, uw God, geboden, dat gij den sabbatdag houden zult.</verse>
				<verse number="16">Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.</verse>
				<verse number="17">Gij zult niet doodslaan.</verse>
				<verse number="18">En gij zult geen overspel doen.</verse>
				<verse number="19">En gij zult niet stelen.</verse>
				<verse number="20">En gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.</verse>
				<verse number="21">En gij zult niet begeren uws naasten vrouw; en gij zult u niet laten gelusten uws naasten huis, zijn akker, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.</verse>
				<verse number="22">Deze woorden sprak de HEERE tot uw ganse gemeente, op den berg, uit het midden des vuurs, der wolk en der donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde, als gij die stem uit het midden der duisternis hoordet, en de berg van vuur brandde, zo naderdet gij tot mij, alle hoofden uwer stammen, en uw oudsten,</verse>
				<verse number="24">En zeidet: Zie, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien, dat God met den mens spreekt, en dat hij levend blijft.</verse>
				<verse number="25">Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; indien wij voortvoeren de stem des HEEREN, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven.</verse>
				<verse number="26">Want wie is er van alle vlees, die de stem des levenden Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven?</verse>
				<verse number="27">Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.</verse>
				<verse number="28">Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, toen gij tot mij spraakt, zo zeide de HEERE tot mij: Ik heb gehoord de stem der woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is altemaal goed, dat zij gesproken hebben.</verse>
				<verse number="29">Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dagen te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="30">Ga, zeg hun: Keert weder naar uw tenten.</verse>
				<verse number="31">Maar gij, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die gij hun leren zult, dat zij ze doen in het land, hetwelk Ik hun geven zal, om dat te erven.</verse>
				<verse number="32">Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechter-, noch ter linkerhand.</verse>
				<verse number="33">In al den weg, dien de HEERE, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u welga, en gij de dagen verlengt in het land, dat gij erven zult.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de HEERE, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten;</verse>
				<verse number="2">Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.</verse>
				<verse number="3">Hoor dan, Israël! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.</verse>
				<verse number="4">Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!</verse>
				<verse number="5">Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.</verse>
				<verse number="6">En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.</verse>
				<verse number="7">En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.</verse>
				<verse number="8">Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.</verse>
				<verse number="9">En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.</verse>
				<verse number="10">Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,</verse>
				<verse number="11">En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;</verse>
				<verse number="12">Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.</verse>
				<verse number="13">Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.</verse>
				<verse number="14">Gij zult andere goden niet navolgen, van de goden der volken, die rondom u zijn.</verse>
				<verse number="15">Want de HEERE, uw God is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn des HEEREN, uws Gods, tegen u niet ontsteke, en Hij u van den aardbodem verdelge.</verse>
				<verse number="16">Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.</verse>
				<verse number="17">Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.</verse>
				<verse number="18">En gij zult doen, wat recht en goed is in de ogen des HEEREN; opdat het u welga, en dat gij inkomt, en erft het goede land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft;</verse>
				<verse number="19">Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.</verse>
				<verse number="20">Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de HEERE, onze God, ulieden geboden heeft?</verse>
				<verse number="21">Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Faraö in Egypte; maar de HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.</verse>
				<verse number="22">En de HEERE gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Faraö en aan zijn ganse huis, voor onze ogen;</verse>
				<verse number="23">En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onzen vaderen gezworen had.</verse>
				<verse number="24">En de HEERE gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen den HEERE, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="25">En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij;</verse>
				<verse number="2">En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.</verse>
				<verse number="3">Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.</verse>
				<verse number="4">Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des HEEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen.</verse>
				<verse number="5">Maar alzo zult gij hun doen: hun altaren zult gij afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="6">Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.</verse>
				<verse number="7">De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken.</verse>
				<verse number="8">Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Faraö, koning van Egypte.</verse>
				<verse number="9">Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.</verse>
				<verse number="10">En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn hater niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden.</verse>
				<verse number="11">Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die ik u heden gebiede, om die te doen.</verse>
				<verse number="12">Zo zal het geschieden, omdat gij deze rechten zult horen, en houden, en dezelve doen, dat de HEERE, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft;</verse>
				<verse number="13">En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven.</verse>
				<verse number="14">Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;</verse>
				<verse number="15">En de HEERE zal alle krankheid van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten der Egyptenaren, die gij kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten.</verse>
				<verse number="16">Gij zult dan al die volken verteren, die de HEERE, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet verschonen, en gij zult hun goden niet dienen; want dat zoude u een strik zijn.</verse>
				<verse number="17">Zo gij in uw hart zeidet: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?</verse>
				<verse number="18">Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat de HEERE, uw God, aan Faraö en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;</verse>
				<verse number="19">De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en den uitgestrekten arm, door welken u de HEERE uw God, heeft uitgevoerd; alzo zal de HEERE, uw God, doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest.</verse>
				<verse number="20">Daartoe zal de HEERE, uw God, ook horzelen onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn.</verse>
				<verse number="21">Ontzet u niet voor hunlieder aangezicht; want de HEERE, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God.</verse>
				<verse number="22">En de HEERE, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht allengskens uitwerpen; haastelijk zult gij hen niet mogen te niet doen, opdat het wild des velds niet tegen u vermenigvuldige.</verse>
				<verse number="23">En de HEERE zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij verdelgd worden.</verse>
				<verse number="24">Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat gij hun naam van onder den hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, totdat gij hen zult hebben verdelgd.</verse>
				<verse number="25">De gesneden beelden van hun goden zult gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeren, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is den HEERE, uw God, een gruwel.</verse>
				<verse number="26">Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; gij zult het ganselijk verfoeien, en te enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft.</verse>
				<verse number="2">En gij zult gedenken aan al den weg, dien u de HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.</verse>
				<verse number="3">En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.</verse>
				<verse number="4">Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren.</verse>
				<verse number="5">Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt.</verse>
				<verse number="6">En houdt de geboden des HEEREN, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.</verse>
				<verse number="7">Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;</verse>
				<verse number="8">Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;</verse>
				<verse number="9">Een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.</verse>
				<verse number="10">Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult gij den HEERE, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.</verse>
				<verse number="11">Wacht u, dat gij den HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;</verse>
				<verse number="12">Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,</verse>
				<verse number="13">En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat gij hebt vermeerderd zal zijn;</verse>
				<verse number="14">Uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft;</verse>
				<verse number="15">Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;</verse>
				<verse number="16">Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;</verse>
				<verse number="17">En gij in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen.</verse>
				<verse number="18">Maar gij zult gedenken den HEERE, uw God, dat Hij het is, Die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="19">Maar indien het geschiedt, dat gij den HEERE, uw God, ganselijk vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor dezelve buigt, zo betuig ik heden tegen u, dat gij voorzeker zult vergaan.</verse>
				<verse number="20">Gelijk de heidenen, die de HEERE voor uw aangezicht verdaan heeft, alzo zult gij vergaan, omdat gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Hoor, Israël! gij zult heden over de Jordaan gaan, dat gij inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan gij; steden, die groot en tot in den hemel gesterkt zijn;</verse>
				<verse number="2">Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?</verse>
				<verse number="3">Zo zult gij heden weten, dat de HEERE, uw God, Degene is, Die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en gij zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastelijk te niet doen, gelijk als de HEERE tot u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="4">Wanneer hen nu de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De HEERE heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE voor uw aangezicht uit de bezitting.</verse>
				<verse number="5">Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de HEERE, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.</verse>
				<verse number="6">Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.</verse>
				<verse number="7">Gedenk, vergeet niet, dat gij den HEERE, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="8">Want aan Horeb vertoorndet gij den HEERE zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te verdelgen.</verse>
				<verse number="9">Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen des verbonds, dat de HEERE met ulieden gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg, at geen brood, en dronk geen water.</verse>
				<verse number="10">En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelve, naar al de woorden, die de HEERE op den berg, uit het midden des vuurs, ten dage der verzameling, met ulieden gesproken had.</verse>
				<verse number="11">Zo geschiedde het, ten einde van veertig dagen en veertig nachten, als mij de HEERE de twee stenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf,</verse>
				<verse number="12">Dat de HEERE tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af van hier; want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.</verse>
				<verse number="13">Voorts sprak de HEERE tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.</verse>
				<verse number="14">Laat van Mij af, dat Ik hen verdelge, en hun naam van onder den hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is.</verse>
				<verse number="15">Toen keerde ik mij, en ging van den berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijn handen.</verse>
				<verse number="16">En ik zag toe, en ziet, gij hadt tegen den HEERE, uw God, gezondigd; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de HEERE geboden had.</verse>
				<verse number="17">Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.</verse>
				<verse number="18">En ik wierp mij neder voor het aangezicht des HEEREN, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die gij hadt gezondigd, doende dat kwaad is in des HEEREN ogen, om Hem tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="19">Want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid waarmede de HEERE zeer op ulieden vertoornd was, om u te verdelgen; doch de HEERE verhoorde mij ook op dat maal.</verse>
				<verse number="20">Ook vertoornde Zich de HEERE zeer tegen Aäron, om hem te verdelgen; doch ik bad ook ter zelver tijd voor Aäron.</verse>
				<verse number="21">Maar uw zonde, het kalf, dat gij hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van den berg afvliet.</verse>
				<verse number="22">Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-éra en te Massa, en te Kibrôth-Tháäva.</verse>
				<verse number="23">Voorts als de HEERE ulieden zond uit Kades-Barnéa, zeggende: Gaat op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo waart gij den mond des HEEREN, uws Gods, wederspannig, en geloofdet Hem niet, en waart Zijn stem niet gehoorzaam.</verse>
				<verse number="24">Wederspannig zijt gij geweest tegen den HEERE, van den dag af, dat ik u gekend heb.</verse>
				<verse number="25">En ik wierp mij neder voor des HEEREN aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten, in welke ik mij nederwierp, dewijl de HEERE gezegd had, dat Hij u verdelgen zou.</verse>
				<verse number="26">En ik bad tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat Gij door Uw grootheid verlost hebt; dat Gij uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.</verse>
				<verse number="27">Gedenk aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardigheid dezes volks, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde;</verse>
				<verse number="28">Opdat het land, van waar Gij ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze de HEERE niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.</verse>
				<verse number="29">Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Ter zelver tijd zeide de HEERE tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op dezen berg; daarna zult gij u een kist van hout maken.</verse>
				<verse number="2">En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt; en gij zult ze leggen in die kist.</verse>
				<verse number="3">Alzo maakte ik een kist van sittimhout, en hieuw twee stenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg, en de twee tafelen waren in mijn hand.</verse>
				<verse number="4">Toen schreef Hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die de HEERE, ten dage der verzameling, op den berg, uit het midden des vuurs, tot ulieden gesproken had; en de HEERE gaf ze mij.</verse>
				<verse number="5">En ik keerde mij, en ging af van den berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn zij, gelijk als de HEERE mij geboden heeft.</verse>
				<verse number="6">(En de kinderen Israëls reisden van Beërôth-Bene-Jáäkan en Moséra. Aldaar stierf Aäron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleázar bediende het priesterambt in zijn plaats.</verse>
				<verse number="7">Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)</verse>
				<verse number="8">Ter zelver tijd scheidde de HEERE den stam Levi uit, om de ark des verbonds des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="9">Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.</verse>
				<verse number="10">En ik stond op den berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en de HEERE verhoorde mij ook op datzelve maal; de HEERE heeft u niet willen verderven.</verse>
				<verse number="11">Maar de HEERE zeide tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaderen gezworen heb, hun te geven.</verse>
				<verse number="12">Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw God van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;</verse>
				<verse number="13">Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.</verse>
				<verse number="14">Ziet, des HEEREN, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.</verse>
				<verse number="15">Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="16">Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer.</verse>
				<verse number="17">Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;</verse>
				<verse number="18">Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.</verse>
				<verse number="19">Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.</verse>
				<verse number="20">Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.</verse>
				<verse number="21">Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.</verse>
				<verse number="22">Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de HEERE, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Daarom zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te alle dagen onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.</verse>
				<verse number="2">En gijlieden zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing des HEEREN, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;</verse>
				<verse number="3">Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Faraö, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;</verse>
				<verse number="4">En wat Hij gedaan heeft aan het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij ulieden van achteren vervolgden; en de HEERE verdeed hen, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="5">En wat Hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.</verse>
				<verse number="6">Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abíram, zonen van Elíab, den zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van gans Israël.</verse>
				<verse number="7">Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.</verse>
				<verse number="8">Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebiede; opdat gij gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven;</verse>
				<verse number="9">En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honig.</verse>
				<verse number="10">Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij bezaaidet met uw zaad, en bewaterdet met uw gang, als een kruidhof.</verse>
				<verse number="11">Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels;</verse>
				<verse number="12">Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.</verse>
				<verse number="13">En het zal geschieden, zo gij naarstiglijk zult horen naar mijn geboden, die ik u heden gebiede, om den HEERE, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;</verse>
				<verse number="14">Zo zal Ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat gij uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.</verse>
				<verse number="16">Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;</verse>
				<verse number="17">Dat de toorn des HEEREN tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.</verse>
				<verse number="18">Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;</verse>
				<verse number="19">En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;</verse>
				<verse number="20">En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;</verse>
				<verse number="21">Opdat uw dagen, en de dagen uwer kinderen, in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, gelijk de dagen des hemels op de aarde.</verse>
				<verse number="22">Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den HEERE, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;</verse>
				<verse number="23">Zo zal de HEERE al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt.</verse>
				<verse number="24">Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en den Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn.</verse>
				<verse number="25">Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; de HEERE, uw God, zal uw schrik en uw vreze geven over al het land, waarop gij treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="26">Ziet, ik stel ulieden heden voor, zegen en vloek:</verse>
				<verse number="27">Den zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede;</verse>
				<verse number="28">Maar den vloek, zo gij niet horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, en afwijkt van den weg, dien ik u heden gebiede, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt.</verse>
				<verse number="29">En het zal geschieden, als u de HEERE, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; dan zult gij den zegen uitspreken op den berg Gerizîm, en den vloek op den berg Ebal.</verse>
				<verse number="30">Zijn zij niet aan gene zijde van de Jordaan, achter den weg van den ondergang der zon, in het land der Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?</verse>
				<verse number="31">Want gijlieden zult over de Jordaan gaan, dat gij inkomet om te erven dat land, dat de HEERE, uw God, u geven zal; en gij zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen.</verse>
				<verse number="32">Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Dit zijn de inzettingen en de rechten, die gijlieden zult waarnemen om te doen, in dat land, hetwelk u de HEERE, uwer vaderen God, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die gijlieden op den aardbodem leeft.</verse>
				<verse number="2">Gij zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die gij zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder allen groenen boom.</verse>
				<verse number="3">En gij zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hunner goden nederhouwen; en gij zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.</verse>
				<verse number="4">Gij zult den HEERE, uw God, alzo niet doen!</verse>
				<verse number="5">Maar naar de plaats, die de HEERE, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, naar Zijn woning zult gijlieden vragen, en daarheen zult gij komen;</verse>
				<verse number="6">En daarheen zult gijlieden brengen uw brandofferen, en uw slachtofferen, en uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen.</verse>
				<verse number="7">En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, eten en vrolijk zijn, gijlieden en uw huizen, over alles, waaraan gij uw hand geslagen hebt, waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft.</verse>
				<verse number="8">Gij zult niet doen naar alles, wat wij hier heden doen, een ieder al wat in zijn ogen recht is.</verse>
				<verse number="9">Want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die de HEERE, uw God, u geven zal.</verse>
				<verse number="10">Maar gij zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en gij zult zeker wonen.</verse>
				<verse number="11">Dan zal er een plaats zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen; daarheen zult gij brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en alle keur uwer geloften, die gij den HEERE beloven zult.</verse>
				<verse number="12">En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, gijlieden, en uw zonen, en uw dochteren, en uw dienstknechten, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden.</verse>
				<verse number="13">Wacht u, dat gij uw brandofferen niet offert in alle plaats, die gij zien zult.</verse>
				<verse number="14">Maar in de plaats, die de HEERE in een uwer stammen zal verkiezen, daar zult gij uw brandofferen offeren, en daar zult gij doen al wat ik u gebiede.</verse>
				<verse number="15">Doch naar allen lust uwer ziel zult gij slachten en vlees eten, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.</verse>
				<verse number="16">Alleenlijk het bloed zult gijlieden niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.</verse>
				<verse number="17">Gij zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige uwer geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offeren, noch het hefoffer uwer hand.</verse>
				<verse number="18">Maar gij zult dat eten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, over alles, waaraan gij uw handen geslagen hebt.</verse>
				<verse number="19">Wacht u, dat gij den Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land.</verse>
				<verse number="20">Wanneer de HEERE, uw God, uw landpale zal verwijd hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vlees eten; dewijl uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult gij vlees eten, naar allen lust uwer ziel.</verse>
				<verse number="21">Zo de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, verre van u zal zijn, zo zult gij slachten van uw runderen en van uw schapen, die de HEERE u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; en gij zult eten in uw poorten, naar allen lust uwer ziel.</verse>
				<verse number="22">Doch gelijk als een ree en een hert gegeten wordt, alzo zult gij dat eten; de onreine en de reine zullen het te zamen eten.</verse>
				<verse number="23">Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vlees niet eten;</verse>
				<verse number="24">Gij zult dat niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water;</verse>
				<verse number="25">Gij zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als gij zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="26">Doch uw heilige dingen, die gij hebben zult, en uw geloften zult gij opnemen, en komen tot de plaats, die de HEERE verkiezen zal;</verse>
				<verse number="27">En gij zult uw brandofferen, het vlees en het bloed, bereiden op het altaar des HEEREN, uws Gods; en het bloed uwer slachtofferen zal op het altaar des HEEREN, uws Gods, worden uitgegoten; maar het vlees zult gij eten.</verse>
				<verse number="28">Neemt waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.</verse>
				<verse number="29">Wanneer de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar dewelke gij heengaat, om die erfelijk te bezitten; en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen;</verse>
				<verse number="30">Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen.</verse>
				<verse number="31">Gij zult alzo niet doen den HEERE, uw God; want al wat den HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochteren met vuur verbrand voor hun goden.</verse>
				<verse number="32">Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;</verse>
				<verse number="2">En dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen;</verse>
				<verse number="3">Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien dromen-dromer niet horen; want de HEERE, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij den HEERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.</verse>
				<verse number="4">Den HEERE, uw God, zult gij navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult gij houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen.</verse>
				<verse number="5">En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen den HEERE, uw God, Die ulieden uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van den weg, dien u de HEERE, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.</verse>
				<verse number="6">Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het heimelijke, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen;</verse>
				<verse number="7">Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;</verse>
				<verse number="8">Zo zult gij hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet verschonen, en gij zult u niet ontfermen, noch hem verbergen;</verse>
				<verse number="9">Maar gij zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand des gansen volks.</verse>
				<verse number="10">En gij zult hem met stenen stenigen, dat hij sterve; want hij heeft u gezocht af te drijven van den HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft.</verse>
				<verse number="11">Opdat gans Israël het hore en vreze, en niet voortvare te doen naar dit boze stuk in het midden van u.</verse>
				<verse number="12">Wanneer gij van een uwer steden, die de HEERE, uw God, u geeft, om aldaar te wonen, zult horen zeggen:</verse>
				<verse number="13">Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hunner stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt;</verse>
				<verse number="14">Zo zult gij onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan;</verse>
				<verse number="15">Zo zult gij de inwoners derzelver stad ganselijk slaan met de scherpte des zwaards, verbannende haar, en alles, wat daarin is, ook haar beesten, met de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="16">En al haar roof zult gij verzamelen in het midden van haar straat, en den HEERE, uw God, die stad en al haar roof ganselijk met vuur verbranden; en zij zal een hoop zijn eeuwiglijk, zij zal niet weder gebouwd worden.</verse>
				<verse number="17">Ook zal er niets van het verbannene aan uw hand kleven, opdat de HEERE Zich wende van de hitte Zijns toorns, en u geve barmhartigheid, en Zich uwer erbarme, en u vermenigvuldige, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft;</verse>
				<verse number="18">Wanneer gij de stem des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, om te doen wat recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.</verse>
				<verse number="2">Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.</verse>
				<verse number="3">Gij zult geen gruwel eten.</verse>
				<verse number="4">Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;</verse>
				<verse number="5">Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.</verse>
				<verse number="6">Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.</verse>
				<verse number="7">Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.</verse>
				<verse number="8">Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.</verse>
				<verse number="9">Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.</verse>
				<verse number="10">Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.</verse>
				<verse number="11">Allen reinen vogel zult gij eten.</verse>
				<verse number="12">Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;</verse>
				<verse number="13">En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;</verse>
				<verse number="14">En alle rave naar haar aard;</verse>
				<verse number="15">En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;</verse>
				<verse number="16">En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,</verse>
				<verse number="17">En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;</verse>
				<verse number="18">En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;</verse>
				<verse number="19">Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.</verse>
				<verse number="20">Al het rein gevogelte zult gij eten.</verse>
				<verse number="21">Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.</verse>
				<verse number="22">Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.</verse>
				<verse number="23">En voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.</verse>
				<verse number="24">Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;</verse>
				<verse number="25">Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;</verse>
				<verse number="26">En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.</verse>
				<verse number="27">Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.</verse>
				<verse number="28">Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;</verse>
				<verse number="29">Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.</verse>
				<verse number="2">Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen.</verse>
				<verse number="3">Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;</verse>
				<verse number="4">Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overvloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten;</verse>
				<verse number="5">Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.</verse>
				<verse number="6">Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.</verse>
				<verse number="7">Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;</verse>
				<verse number="8">Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.</verse>
				<verse number="9">Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.</verse>
				<verse number="10">Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.</verse>
				<verse number="11">Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukte en aan uw arme in uw land.</verse>
				<verse number="12">Wanneer uw broeder, een Hebreeër of een Hebreeïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.</verse>
				<verse number="13">En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:</verse>
				<verse number="14">Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.</verse>
				<verse number="15">En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zake.</verse>
				<verse number="16">Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is;</verse>
				<verse number="17">Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.</verse>
				<verse number="18">Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult.</verse>
				<verse number="19">Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een manneken, zult gij den HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren.</verse>
				<verse number="20">Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.</verse>
				<verse number="21">Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren;</verse>
				<verse number="22">In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert,</verse>
				<verse number="23">Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Neemt waar de maand Abib, dat gij den HEERE, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de HEERE, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.</verse>
				<verse number="2">Dan zult gij den HEERE, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen.</verse>
				<verse number="3">Gij zult niets gedesemds op hetzelve eten; zeven dagen zult gij ongezuurde broden op hetzelve eten, een brood der ellende (want in der haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen); opdat gij gedenkt aan den dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws levens.</verse>
				<verse number="4">Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enige uwer landpalen; ook zal van het vlees, dat gij aan den avond van den eersten dag geslacht zult hebben, niets tot den morgen overnachten.</verse>
				<verse number="5">Gij zult het pascha niet mogen slachten in een uwer poorten, die de HEERE, uw God, u geeft.</verse>
				<verse number="6">Maar aan de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, aldaar zult gij het pascha slachten aan den avond, als de zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte.</verse>
				<verse number="7">Dan zult gij het koken en eten in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; daarna zult gij u des morgens keren, en heengaan naar uw tenten.</verse>
				<verse number="8">Zes dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag is een verbods dag den HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.</verse>
				<verse number="9">Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen.</verse>
				<verse number="10">Daarna zult gij den HEERE, uw God, het feest der weken houden; het zal een vrijwillige schatting uwer hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de HEERE, uw God, zal gezegend hebben.</verse>
				<verse number="11">En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die de HEERE, uw God, zal verkiezen, om Zijnen Naam aldaar te doen wonen.</verse>
				<verse number="12">En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzettingen houden en doen.</verse>
				<verse number="13">Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.</verse>
				<verse number="14">En gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.</verse>
				<verse number="15">Zeven dagen zult gij den HEERE, uw God, feest houden, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal; want de HEERE, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uwer handen; daarom zult gij immers vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="16">Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; maar het zal niet ledig voor het aangezicht des HEEREN verschijnen:</verse>
				<verse number="17">Een ieder, naar de gave zijner hand, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u gegeven heeft.</verse>
				<verse number="18">Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.</verse>
				<verse number="19">Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="20">Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.</verse>
				<verse number="21">Gij zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar des HEEREN, uws Gods, dat gij u maken zult.</verse>
				<verse number="22">Ook zult gij u geen opgericht beeld stellen, hetwelk de HEERE, uw God, haat.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Gij zult den HEERE, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is den HEERE, uw God, een gruwel.</verse>
				<verse number="2">Wanneer in het midden van u, in een uwer poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, overtredende Zijn verbond;</verse>
				<verse number="3">Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor het ganse heir des hemels, hetwelk ik niet geboden heb;</verse>
				<verse number="4">En het wordt u aangezegd, en gij hoort het; zo zult gij het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan;</verse>
				<verse number="5">Zo zult gij dien man of die vrouw, die ditzelve boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, dien man zeg ik, of die vrouw; en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.</verse>
				<verse number="6">Op den mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op den mond van een enigen getuige zal hij niet gedood worden.</verse>
				<verse number="7">De hand der getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand des gansen volks; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.</verse>
				<verse number="8">Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult gij u opmaken, en opgaan naar de plaats die de HEERE, uw God, verkiezen zal;</verse>
				<verse number="9">En gij zult komen tot de Levietische priesters, en tot den rechter, die in die dagen zijn zal; en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zaak des rechts aanzeggen.</verse>
				<verse number="10">En gij zult doen naar het bevel des woords, dat zij u zullen aanzeggen, van diezelve plaats, die de HEERE verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren.</verse>
				<verse number="11">Naar het bevel der wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linkerhand.</verse>
				<verse number="12">De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar den priester, dewelke staat, om aldaar den HEERE, uw God, te dienen, of naar den rechter, dezelve man zal sterven; en gij zult het boze uit Israël wegdoen.</verse>
				<verse number="13">Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.</verse>
				<verse number="14">Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn;</verse>
				<verse number="15">Zo zult gij ganselijk tot koning over u stellen, dien de HEERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen; gij zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broeder niet zij.</verse>
				<verse number="16">Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de HEERE ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeren door dezen weg.</verse>
				<verse number="17">Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.</verse>
				<verse number="18">Voorts zal het geschieden, als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen voor het aangezicht der Levietische priesteren is;</verse>
				<verse number="19">En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den HEERE, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen;</verse>
				<verse number="20">Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broederen, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechter- of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">De Levietische priesteren, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers des HEEREN en Zijn erfdeel zullen zij eten.</verse>
				<verse number="2">Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.</verse>
				<verse number="3">Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en de pens.</verse>
				<verse number="4">De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven;</verse>
				<verse number="5">Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te alle dagen.</verse>
				<verse number="6">Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;</verse>
				<verse number="7">En hij dienen zal in den Naam des HEEREN, zijns Gods, als al zijn broederen, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;</verse>
				<verse number="8">Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkopingen bij de vaderen.</verse>
				<verse number="9">Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.</verse>
				<verse number="10">Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.</verse>
				<verse number="11">Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.</verse>
				<verse number="12">Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.</verse>
				<verse number="13">Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="14">Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.</verse>
				<verse number="15">Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;</verse>
				<verse number="16">Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.</verse>
				<verse number="18">Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.</verse>
				<verse number="19">En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.</verse>
				<verse number="20">Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.</verse>
				<verse number="21">Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?</verse>
				<verse number="22">Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Wanneer de HEERE, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, welker land de HEERE, uw God, u geven zal, en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen;</verse>
				<verse number="2">Zo zult gij u drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="3">Gij zult u den weg bereiden, en de pale uws lands, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven, in drieën delen; dit nu zal zijn, opdat ieder doodslager daarhenen vliede.</verse>
				<verse number="4">En dit zij de zaak des doodslagers, die daarhenen vlieden zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, dien hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;</verse>
				<verse number="5">Als, dewelke met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van den steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in een dezer steden vluchten en leven;</verse>
				<verse number="6">Opdat de bloedwreker den doodslager niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel des doods aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.</verse>
				<verse number="7">Daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult u drie steden uitscheiden.</verse>
				<verse number="8">En indien de HEERE, uw God, uw landpale zal verwijden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, hetwelk Hij uw vaderen te geven gesproken heeft;</verse>
				<verse number="9">(Wanneer gij al ditzelve gebod zult waarnemen, om dat te doen, hetgeen ik u heden gebiede, den HEERE, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult gij u nog drie steden toedoen tot deze drie;</verse>
				<verse number="10">Opdat het bloed des onschuldigen niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.</verse>
				<verse number="11">Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot een van die steden;</verse>
				<verse number="12">Zo zullen de oudsten zijner stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve.</verse>
				<verse number="13">Uw oog zal hem niet verschonen; maar gij zult het bloed des onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u welga.</verse>
				<verse number="14">Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="15">Eén enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.</verse>
				<verse number="16">Wanneer een wrevelige getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen;</verse>
				<verse number="17">Zo zullen die twee mannen, welke den twist hebben, staan voor het aangezicht des HEEREN, voor het aangezicht der priesters, en der rechters, die in diezelve dagen zullen zijn.</verse>
				<verse number="18">En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broeder;</verse>
				<verse number="19">Zo zult gijlieden hem doen, gelijk als hij zijn broeder dacht te doen; alzo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen;</verse>
				<verse number="20">Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet voortvaren meer te doen naar dit boze stuk, in het midden van u.</verse>
				<verse number="21">En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Wanneer gij zult uittrekken tot den strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagenen, een volk, meerder dan gij, zo zult gij voor hen niet vrezen; want de HEERE, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd.</verse>
				<verse number="2">En het zal geschieden, als gijlieden tot den strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken.</verse>
				<verse number="3">En tot hen zeggen: Hoort, Israël! gijlieden zijt heden na aan den strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.</verse>
				<verse number="4">Want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat, om voor u te strijden tegen uw vijanden, om u te verlossen.</verse>
				<verse number="5">Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga henen en kere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in den strijd, en iemand anders dat inwijde.</verse>
				<verse number="6">En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en deszelfs vrucht niet heeft genoten? Die ga henen en kere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve en iemand anders die geniete.</verse>
				<verse number="7">En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga henen en kere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man haar neme.</verse>
				<verse number="8">Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga henen en kere weder naar zijn huis; opdat het hart zijner broederen niet smelte, gelijk zijn hart.</verse>
				<verse number="9">En het zal geschieden, als die ambtlieden geëindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij oversten der heiren aan de spits des volks bestellen.</verse>
				<verse number="10">Wanneer gij nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult gij haar den vrede toeroepen.</verse>
				<verse number="11">En het zal geschieden, indien zij u vrede zal antwoorden, en u opendoen, zo zal al het volk, dat daarin gevonden wordt, u cijnsbaar zijn, en u dienen.</verse>
				<verse number="12">Doch zo zij geen vrede met u zal maken, maar krijg tegen u voeren, zo zult gij haar belegeren.</verse>
				<verse number="13">En de HEERE, uw God, zal haar in uw hand geven; en gij zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte des zwaards;</verse>
				<verse number="14">Behalve de vrouwen, en de kinderkens, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult gij voor u roven; en gij zult eten den buit uwer vijanden, dien u de HEERE, uw God, gegeven heeft.</verse>
				<verse number="15">Alzo zult gij aan alle steden doen, die zeer verre van u zijn, die niet zijn van de steden dezer volken.</verse>
				<verse number="16">Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft.</verse>
				<verse number="17">Maar gij zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u de HEERE, uw God, geboden heeft;</verse>
				<verse number="18">Opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij hun goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="19">Wanneer gij een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult gij haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want gij zult daarvan eten; daarom zult gij dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is des mensen spijze), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk.</verse>
				<verse number="20">Maar het geboomte, hetwelk gij kennen zult, dat het geen geboomte ter spijze is, dat zult gij verderven en afhouwen; en gij zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, dewelke tegen u krijg voert, totdat zij ten onderga.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Wanneer in het land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft;</verse>
				<verse number="2">Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom den verslagene zijn.</verse>
				<verse number="3">De stad nu, die de naaste zal zijn aan den verslagene, daar zullen de oudsten derzelver stad een jonge koe van de runderen nemen, met dewelke niet gearbeid is, die aan het juk niet getrokken heeft.</verse>
				<verse number="4">En de oudsten derzelver stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe aldaar in het dal den nek doorhouwen.</verse>
				<verse number="5">Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de HEERE, uw God, heeft hen verkoren, om Hem te dienen, en om in des HEEREN Naam te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden.</verse>
				<verse number="6">En alle oudsten derzelver stad, die naast aan den verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is;</verse>
				<verse number="7">En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien;</verse>
				<verse number="8">Wees genadig aan Uw volk Israël, dat Gij, o HEERE! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israël! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.</verse>
				<verse number="9">Alzo zult gij het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want gij zult doen, wat recht is in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uw vijanden; en de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hun gevangenen gevankelijk wegvoert;</verse>
				<verse number="11">En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt;</verse>
				<verse number="12">Zo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden.</verse>
				<verse number="13">En zij zal het kleed harer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn.</verse>
				<verse number="14">En het zal geschieden, indien gij geen behagen in haar hebt, dat gij haar zult laten gaan naar haar begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld verkopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij haar vernederd hebt.</verse>
				<verse number="15">Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn;</verse>
				<verse number="16">Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is.</verse>
				<verse number="17">Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is het zijne.</verse>
				<verse number="18">Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,</verse>
				<verse number="19">Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad, en tot de poorte zijner plaats.</verse>
				<verse number="20">En zij zullen zeggen tot de oudsten zijner stad: Deze onze zoon is afwijkende en wederspannig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en zuiper.</verse>
				<verse number="21">Dan zullen alle lieden zijner stad hem met stenen overwerpen, dat hij sterve; en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat het gans Israël hore, en vreze.</verse>
				<verse number="22">Voorts, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben;</verse>
				<verse number="23">Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uw broeder ganselijk weder toesturen.</verse>
				<verse number="2">En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke, en gij ze hem wedergeeft.</verse>
				<verse number="3">Alzo zult gij ook doen aan zijn ezel, en alzo zult gij doen aan zijn kleding, ja, alzo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hem verloren zal zijn, en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen verbergen.</verse>
				<verse number="4">Gij zult uws broeders ezel of zijn os niet zien, vallende op den weg, en u van die verbergen; gij zult ze met hem ganselijk oprichten.</verse>
				<verse number="5">Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel.</verse>
				<verse number="6">Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.</verse>
				<verse number="7">Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.</verse>
				<verse number="8">Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zo zult gij op uw dak een leuning maken; opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.</verse>
				<verse number="9">Gij zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.</verse>
				<verse number="10">Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.</verse>
				<verse number="11">Gij zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk.</verse>
				<verse number="12">Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmede gij u bedekt.</verse>
				<verse number="13">Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten,</verse>
				<verse number="14">En haar oorzaaken van naspraak zal opleggen, en een kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden;</verse>
				<verse number="15">Dan zullen de vader van deze jonge dochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten der stad aan de poort uitbrengen, den maagdom dezer jonge vrouw.</verse>
				<verse number="16">En de vader van de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan dezen man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat;</verse>
				<verse number="17">En ziet, hij heeft oorzaaken van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb den maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten der stad uitbreiden.</verse>
				<verse number="18">Dan zullen de oudsten derzelver stad dien man nemen, en kastijden hem;</verse>
				<verse number="19">En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan den vader van de jonge dochter, omdat hij een kwaden naam heeft uitgebracht over een jonge dochter van Israël; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.</verse>
				<verse number="20">Maar indien ditzelve woord waarachtig is, dat de maagdom aan de jonge dochter niet gevonden is;</verse>
				<verse number="21">Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de lieden harer stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.</verse>
				<verse number="22">Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij eens mans getrouwde vrouw, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult gij het boze uit Israël wegdoen.</verse>
				<verse number="23">Wanneer er een jonge dochter zal zijn, die een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben;</verse>
				<verse number="24">Zo zult gij ze beiden uitbrengen tot de poort derzelver stad, en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; de jonge dochter, ter oorzake, dat zij niet geroepen heeft in de stad, en den man, ter oorzake dat hij zijns naasten vrouw vernederd heeft; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.</verse>
				<verse number="25">En indien een man een ondertrouwde jonge dochter in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen sterven;</verse>
				<verse number="26">Maar de jonge dochter zult gij niets doen; de jonge dochter heeft geen zonde des doods; want gelijk of een man tegen zijn naaste opstond, en sloeg hem dood aan het leven, alzo is deze zaak.</verse>
				<verse number="27">Want hij heeft haar in het veld gevonden; de ondertrouwde jonge dochter riep, en er was niemand, die haar verloste.</verse>
				<verse number="28">Wanneer een man een jonge dochter zal gevonden hebben, die een maagd is, dewelke niet ondertrouwd is, en haar zal gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn;</verse>
				<verse number="29">Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, den vader van de jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen.</verse>
				<verse number="30">Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des HEEREN niet komen.</verse>
				<verse number="2">Geen bastaard zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen.</verse>
				<verse number="3">Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bíleam, den zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotámië, om u te vloeken.</verse>
				<verse number="5">Doch de HEERE, uw God, heeft naar Bíleam niet willen horen; maar de HEERE, uw God, heeft u den vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad.</verse>
				<verse number="6">Gij zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="7">Den Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is uw broeder; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land.</verse>
				<verse number="8">Aangaande de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des HEEREN komen.</verse>
				<verse number="9">Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult gij u wachten voor alle kwade zaak.</verse>
				<verse number="10">Wanneer iemand onder u is, die niet rein is, door enig toeval des nachts, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen.</verse>
				<verse number="11">Maar het zal geschieden, dat hij zich tegen het naken van den avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen.</verse>
				<verse number="12">Gij zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarhenen zult gij uitgaan naar buiten.</verse>
				<verse number="13">En gij zult een schopje hebben, benevens uw gereedschap, en het zal geschieden, als gij buiten gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven, en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is.</verse>
				<verse number="14">Want de HEERE, uw God, wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uw vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks onder u zie, en achterwaarts van u afkere.</verse>
				<verse number="15">Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn.</verse>
				<verse number="16">Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in een van uw poorten, waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken.</verse>
				<verse number="17">Er zal geen hoer zijn onder de dochteren van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël.</verse>
				<verse number="18">Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des HEEREN, uws Gods, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn den HEERE, uw God, een gruwel.</verse>
				<verse number="19">Gij zult aan uw broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding, waarmede men woekert.</verse>
				<verse number="20">Aan den vreemde zult gij woekeren; maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de HEERE, uw God, zegene, in alles, waaraan gij uw hand slaat, in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.</verse>
				<verse number="21">Wanneer gij den HEERE, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertrekken die te betalen; want de HEERE, uw God, zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn.</verse>
				<verse number="22">Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.</verse>
				<verse number="23">Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den HEERE, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt.</verse>
				<verse number="24">Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zo zult gij druiven eten naar uw lust, tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen.</verse>
				<verse number="25">Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult gij de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet bewegen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.</verse>
				<verse number="2">Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal henengaan en een anderen man ter vrouwe worden,</verse>
				<verse number="3">En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn;</verse>
				<verse number="4">Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des HEEREN; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.</verse>
				<verse number="5">Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het heir niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.</verse>
				<verse number="6">Men zal beide molenstenen, immers den bovensten molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand.</verse>
				<verse number="7">Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broederen, uit de kinderen Israëls, en drijft gewin met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen.</verse>
				<verse number="8">Wacht u in de plaag der melaatsheid, dat gij naarstiglijk waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesteren ulieden zullen leren; gelijk als ik hun geboden heb, zult gij waarnemen te doen.</verse>
				<verse number="9">Gedenkt, wat de HEERE, uw God, gedaan heeft aan Mirjam, op den weg, als gij uit Egypte waart uitgetogen.</verse>
				<verse number="10">Wanneer gij aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen;</verse>
				<verse number="11">Buiten zult gij staan, en de man, dien gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.</verse>
				<verse number="12">Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen.</verse>
				<verse number="13">Gij zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods.</verse>
				<verse number="14">Gij zult den armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broederen is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn.</verse>
				<verse number="15">Op zijn dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.</verse>
				<verse number="16">De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.</verse>
				<verse number="17">Gij zult het recht van den vreemdeling en van den wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen.</verse>
				<verse number="18">Maar gij zult gedenken, dat gij een knecht in Egypte geweest zijt, en de HEERE, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gebiede ik u deze zaak te doen.</verse>
				<verse number="19">Wanneer gij uw oogst op uw akker afgeoogst, en een garf op den akker vergeten zult hebben, zo zult gij niet wederkeren, om die op te nemen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u de HEERE, uw God, zegene, in al het werk uwer handen.</verse>
				<verse number="20">Wanneer gij uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult gij de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.</verse>
				<verse number="21">Wanneer gij uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult gij de druiven achter u niet nalezen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.</verse>
				<verse number="22">En gij zult gedenken, dat gij een knecht in Egypteland geweest zijt; daarom gebiede ik u deze zaak te doen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen.</verse>
				<verse number="2">En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal.</verse>
				<verse number="3">Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien, zo hij voortvoere hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk gehouden worde.</verse>
				<verse number="4">Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.</verse>
				<verse number="5">Wanneer broeders samenwonen, en een van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw des verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broeder zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouw, en doen haar den plicht van eens mans broeder.</verse>
				<verse number="6">En het zal geschieden, dat de eerstgeborene, dien zij zal baren, zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen; opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël.</verse>
				<verse number="7">Maar indien dezen man zijns broeders vrouw niet bevallen zal te nemen, zo zal zijn broeders vrouw opgaan naar de poort tot de oudsten, en zeggen: Mijns mans broeder weigert zijn broeder een naam te verwekken in Israël; hij wil mij den plicht van eens mans broeders niet doen.</verse>
				<verse number="8">Dan zullen hem de oudsten zijner stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij staan, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen;</verse>
				<verse number="9">Zo zal zijns broeders vrouw voor de ogen der oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Alzo zal dien man gedaan worden, die zijns broeders huis niet zal bouwen.</verse>
				<verse number="10">En zijn naam zal in Israël genoemd worden: Het huis desgenen, dien de schoen uitgetogen is.</verse>
				<verse number="11">Wanneer mannen, de een met den ander, twisten, en de vrouw des enen toetreedt, om haar man uit de hand desgenen, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schamelheid aangrijpt;</verse>
				<verse number="12">Zo zult gij haar hand afhouwen, uw oog zal niet verschonen.</verse>
				<verse number="13">Gij zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben, een groten en een kleinen.</verse>
				<verse number="14">Gij zult in uw huis geen tweeërlei efa hebben, een grote en een kleine.</verse>
				<verse number="15">Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.</verse>
				<verse number="16">Want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet.</verse>
				<verse number="17">Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op den weg, als gij uit Egypte uittoogt;</verse>
				<verse number="18">Hoe hij u op den weg ontmoette, en sloeg onder u in den staart al de zwakken achter u, als gij moede en mat waart; en hij vreesde God niet.</verse>
				<verse number="19">Het zal dan geschieden, als u de HEERE, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, om hetzelve erfelijk te bezitten, dat gij de gedachtenis van Amalek van onder den hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;</verse>
				<verse number="2">Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;</verse>
				<verse number="3">En gij zult komen tot den priester, dewelke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de HEERE onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.</verse>
				<verse number="4">En de priester zal den korf van uw hand nemen, en hij zal dien voor het altaar des HEEREN, uws Gods, nederzetten.</verse>
				<verse number="5">Dan zult gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.</verse>
				<verse number="6">Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harden dienst op.</verse>
				<verse number="7">Toen riepen wij tot den HEERE, den God onzer vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onzen arbeid, en onze onderdrukking.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door groten schrik, en door tekenen, en door wonderen.</verse>
				<verse number="9">En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.</verse>
				<verse number="10">En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat Gij, HEERE, mij gegeven hebt! Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en zult u buigen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods;</verse>
				<verse number="11">En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat de HEERE, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; gij, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.</verse>
				<verse number="12">Wanneer gij zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden; dan zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.</verse>
				<verse number="13">En gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan den Leviet en aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die Gij mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten.</verse>
				<verse number="14">Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben der stem des HEEREN, mijns Gods, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat Gij mij geboden hebt.</verse>
				<verse number="15">Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van den hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.</verse>
				<verse number="16">Te dezen dage gebiedt u de HEERE, uw God, deze inzettingen en rechten te doen; houdt dan en doet dezelve, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.</verse>
				<verse number="17">Heden hebt gij den HEERE doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat gij Zijner stem zult gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="18">En de HEERE heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden;</verse>
				<verse number="19">Opdat Hij u alzo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat gij een heilig volk zijt den HEERE, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">En Mozes, te zamen met de oudsten van Israël, gebood het volk, zeggende: Behoud al deze geboden, die ik ulieden heden gebiede.</verse>
				<verse number="2">Het zal dan geschieden, ten dage als gij over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal, zo zult gij u grote stenen oprichten, en bestrijken ze met kalk;</verse>
				<verse number="3">En gij zult daarop schrijven alle woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="4">Het zal dan geschieden, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn, dat gij dezelve stenen, van dewelke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken;</verse>
				<verse number="5">En gij zult aldaar den HEERE, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; gij zult geen ijzer over hetzelve bewegen.</verse>
				<verse number="6">Van gehele stenen zult gij het altaar des HEEREN, uws Gods, bouwen, en gij zult den HEERE, uw God, brandofferen daarop offeren.</verse>
				<verse number="7">Ook zult gij dankofferen offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods.</verse>
				<verse number="8">En gij zult op deze stenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uitdrukkende.</verse>
				<verse number="9">Voorts sprak Mozes, te zamen met de Levietische priesteren, tot gans Israël, zeggende: Luistert toe en hoort o Israël! Op dezen dag zijt gij den HEERE, uw God, tot een volk geworden.</verse>
				<verse number="10">Daarom zult gij der stem des HEEREN, uws Gods, gehoorzaam zijn, en gij zult doen Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede.</verse>
				<verse number="11">En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizîm, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.</verse>
				<verse number="13">En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.</verse>
				<verse number="14">En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israël, met verhevene stem:</verse>
				<verse number="15">Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des HEEREN, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="16">Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="17">Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="18">Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="19">Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="20">Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="21">Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="22">Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="23">Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="24">Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="25">Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel, het bloed eens onschuldigen, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
				<verse number="26">Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.</verse>
				<verse number="2">En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="3">Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.</verse>
				<verse number="4">Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.</verse>
				<verse number="5">Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.</verse>
				<verse number="6">Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.</verse>
				<verse number="7">De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door één weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.</verse>
				<verse number="8">De HEERE zal den zegen gebieden, dat hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.</verse>
				<verse number="9">De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.</verse>
				<verse number="10">En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.</verse>
				<verse number="12">De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen.</verse>
				<verse number="13">En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;</verse>
				<verse number="14">En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechter- of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.</verse>
				<verse number="15">Daarentegen zal het geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.</verse>
				<verse number="16">Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.</verse>
				<verse number="17">Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog.</verse>
				<verse number="18">Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.</verse>
				<verse number="19">Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.</verse>
				<verse number="20">De HEERE zal onder u zenden den vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan gij uw hand slaat, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken, waarmede gij Mij verlaten hebt.</verse>
				<verse number="21">De HEERE zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.</verse>
				<verse number="22">De HEERE zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt.</verse>
				<verse number="23">En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.</verse>
				<verse number="24">De HEERE, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt.</verse>
				<verse number="25">De HEERE zal u geslagen geven voor het aangezicht uwer vijanden; door één weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.</verse>
				<verse number="26">En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.</verse>
				<verse number="27">De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.</verse>
				<verse number="28">De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;</verse>
				<verse number="29">Dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.</verse>
				<verse number="30">Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.</verse>
				<verse number="31">Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.</verse>
				<verse number="32">Uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken den gansen dag; maar het zal in het vermogen uwer hand niet zijn.</verse>
				<verse number="33">De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn.</verse>
				<verse number="34">En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.</verse>
				<verse number="35">De HEERE zal u slaan met boze zweren, aan de knieën en aan de benen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.</verse>
				<verse number="36">De HEERE zal u, mitsgaders uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.</verse>
				<verse number="37">En gij zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.</verse>
				<verse number="38">Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.</verse>
				<verse number="39">Wijngaarden zult gij planten, en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.</verse>
				<verse number="40">Olijfbomen zult gij hebben in al uw landpalen, maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.</verse>
				<verse number="41">Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.</verse>
				<verse number="42">Al uw geboomte, en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="43">De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen.</verse>
				<verse number="44">Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.</verse>
				<verse number="45">En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.</verse>
				<verse number="46">En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="47">Omdat gij den HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles;</verse>
				<verse number="48">Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.</verse>
				<verse number="49">De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;</verse>
				<verse number="50">Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn.</verse>
				<verse number="51">En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, voortzetting uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe.</verse>
				<verse number="52">En het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet in uw ganse land; ja, het zal u beangstigen in al uw poorten, in uw ganse land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.</verse>
				<verse number="53">En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren, die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijanden u zullen benauwen</verse>
				<verse number="54">Aangaande den man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broeder, en tegen de huisvrouw zijns schoots, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;</verse>
				<verse number="55">Dat hij niet aan een van die zal geven van het vlees zijner zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.</verse>
				<verse number="56">Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;</verse>
				<verse number="57">En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.</verse>
				<verse number="58">Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen dezen heerlijken en vreselijken Naam, den HEERE, uw God;</verse>
				<verse number="59">Zo zal de HEERE uw plagen wonderlijk maken, mitsgaders de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse krankten zijn.</verse>
				<verse number="60">En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor dewelke gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.</verse>
				<verse number="61">Ook alle krankte, en alle plage, die in het boek dezer wet niet geschreven is, zal de HEERE over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt.</verse>
				<verse number="62">En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt.</verse>
				<verse number="63">En het zal geschieden, gelijk als de HEERE Zich over ulieden verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, alzo zal Zich de HEERE over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.</verse>
				<verse number="64">En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.</verse>
				<verse number="65">Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want de HEERE zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel.</verse>
				<verse number="66">En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn.</verse>
				<verse number="67">Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware; en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits den schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.</verse>
				<verse number="68">En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Dit zijn de woorden des verbonds, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israëls, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.</verse>
				<verse number="2">En Mozes riep gans Israël, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;</verse>
				<verse number="3">De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, diezelve tekenen en grote wonderen.</verse>
				<verse number="4">Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="5">En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.</verse>
				<verse number="6">Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik de HEERE, uw God, ben.</verse>
				<verse number="7">Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.</verse>
				<verse number="8">En wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, mitsgaders aan den halven stam der Manassieten.</verse>
				<verse number="9">Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in alles, wat gij doen zult.</verse>
				<verse number="10">Gij staat heden allen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods: uw hoofden uwer stammen, uw oudsten, en uw ambtlieden, alle man van Israël;</verse>
				<verse number="11">Uw kinderkens, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw houthouwer tot uw waterputter toe;</verse>
				<verse number="12">Om over te gaan in het verbond des HEEREN, uws Gods, en in Zijn vloek, hetwelk de HEERE, uw God, heden met u maakt;</verse>
				<verse number="13">Opdat Hij u heden Zichzelven tot een volk bevestige, en Hij u tot een God zij, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gelijk als Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.</verse>
				<verse number="14">En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en dezen vloek;</verse>
				<verse number="15">Maar met dengene, die heden hier bij ons voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, staat; en met dengene, die hier heden bij ons niet is.</verse>
				<verse number="16">Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt.</verse>
				<verse number="17">En gij hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren.</verse>
				<verse number="18">Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van den HEERE, onzen God, om te gaan dienen de goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage;</verse>
				<verse number="19">En het geschiede, als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige.</verse>
				<verse number="20">De HEERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal des HEEREN toorn en ijver roken over denzelven man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de HEERE zal zijn naam van onder den hemel uitdelgen.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE zal hem ten kwade afscheiden van al de stammen Israëls, naar alle vloeken des verbonds, dat in het boek dezer wet geschreven is.</verse>
				<verse number="22">Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uw kinderen, die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde, die uit verren lande komen zal, als zij zullen zien de plagen dezes lands en deszelfs krankheden, waarmede de HEERE het gekrenkt heeft;</verse>
				<verse number="23">Dat zijn ganse aarde zij zwavel en zout der verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sódom en Gomórra, Adama en Zebóïm, die de HEERE heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;</verse>
				<verse number="24">En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land alzo gedaan? Wat is de ontsteking van dezen groten toorn?</verse>
				<verse number="25">Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond des HEEREN, des Gods hunner vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde;</verse>
				<verse number="26">En zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iets medegedeeld had;</verse>
				<verse number="27">Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al dezen vloek, die in dit boek geschreven is.</verse>
				<verse number="28">En de HEERE heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Hij heeft hen verworpen in een ander land, gelijk het is te dezen dage.</verse>
				<verse number="29">De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de HEERE, uw God, gedreven heeft;</verse>
				<verse number="2">En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.</verse>
				<verse number="4">Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den HEERE, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij levet.</verse>
				<verse number="7">En de HEERE, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben.</verse>
				<verse number="8">Gij dan zult u bekeren, en der stemme des HEEREN gehoorzaam zijn, en gij zult doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk uwer hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEERE zal wederkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft;</verse>
				<verse number="10">Wanneer gij der stemme des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot den HEERE, uw God, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.</verse>
				<verse number="11">Want ditzelve gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre.</verse>
				<verse number="12">Het is niet in den hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?</verse>
				<verse number="13">Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?</verse>
				<verse number="14">Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.</verse>
				<verse number="15">Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven, en het goede, en den dood, en het kwade.</verse>
				<verse number="16">Want ik gebiede u heden, den HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij levet en vermenigvuldiget, en de HEERE, uw God, u zegene in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.</verse>
				<verse number="17">Maar indien uw hart zich zal afwenden, en gij niet horen zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en dezelve dient;</verse>
				<verse number="18">Zo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om daarin te komen, dat gij het erfelijk bezit.</verse>
				<verse number="19">Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad;</verse>
				<verse number="20">Liefhebbende den HEERE, uw God, Zijner stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land, dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot gans Israël,</verse>
				<verse number="2">En zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de HEERE tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan.</verse>
				<verse number="3">De HEERE, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de HEERE gesproken heeft.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zal hun doen, gelijk als Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd heeft.</verse>
				<verse number="5">Wanneer hen nu de HEERE voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb.</verse>
				<verse number="6">Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.</verse>
				<verse number="7">En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de ogen van gans Israël: Wees sterk en heb goeden moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven.</verse>
				<verse number="8">De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.</verse>
				<verse number="9">En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesteren, de zonen van Levi, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, en aan alle oudsten van Israël.</verse>
				<verse number="10">En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op den gezetten tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten.</verse>
				<verse number="11">Als gans Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, in de plaats, die Hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gans Israël uitroepen, voor hun oren;</verse>
				<verse number="12">Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.</verse>
				<verse number="13">En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den HEERE, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, uw dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt ulieden in de tent der samenkomst, dat Ik hem bevel geve. Zo ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="15">Toen verscheen de HEERE in de tent, in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur der tent.</verse>
				<verse number="16">En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden der vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb.</verse>
				<verse number="17">Zo zal Mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?</verse>
				<verse number="18">Ik dan zal Mijn aangezicht te dien dage ganselijk verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden.</verse>
				<verse number="19">En nu, schrijft ulieden dit lied, en leert het den kinderen Israëls; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="20">Want Ik zal dit volk inbrengen in het land, dat Ik zijn vaderen gezworen heb, vloeiende van melk en honig, en het zal eten, en verzadigd, en vet worden; dan zal het zich wenden tot andere goden, en hen dienen, en zij zullen Mij tergen, en Mijn verbond vernietigen.</verse>
				<verse number="21">En het zal geschieden, wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelve zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit den mond zijns zaads niet vergeten worden; dewijl Ik weet zijn gedichtsel dat het heden maakt, aleer Ik het inbreng in het land, dat Ik gezworen heb.</verse>
				<verse number="22">Zo schreef Mozes dit lied te dien dage, en hij leerde het den kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="23">En Hij gebood Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Zijt sterk en heb goeden moed, want gij zult de kinderen Israëls inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde, als Mozes voleind had de woorden dezer wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren;</verse>
				<verse number="25">Zo gebood Mozes den Levieten, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zeggende:</verse>
				<verse number="26">Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, dat het aldaar zij ten getuige tegen u.</verse>
				<verse number="27">Want ik ken uw wederspannigheid, en uw harden nek. Ziet, terwijl ik nog heden met ulieden leve, zijt gij wederspannig geweest tegen den HEERE; hoe veel te meer na mijn dood!</verse>
				<verse number="28">Vergadert tot mij al de oudsten uwer stammen, en uw ambtlieden; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen den hemel en de aarde tot getuigen neme.</verse>
				<verse number="29">Want ik weet, dat gij het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van den weg, dien ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem door het werk uwer handen tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="30">Toen sprak Mozes, voor de oren der ganse gemeente van Israël, de woorden dezes lieds, totdat zij voltrokken waren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.</verse>
				<verse number="2">Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.</verse>
				<verse number="3">Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!</verse>
				<verse number="4">Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.</verse>
				<verse number="5">Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.</verse>
				<verse number="6">Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?</verse>
				<verse number="7">Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.</verse>
				<verse number="8">Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="9">Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.</verse>
				<verse number="10">Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.</verse>
				<verse number="11">Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;</verse>
				<verse number="12">Zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.</verse>
				<verse number="13">Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;</verse>
				<verse number="14">Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bazan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.</verse>
				<verse number="15">Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.</verse>
				<verse number="16">Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.</verse>
				<verse number="17">Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.</verse>
				<verse number="18">Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft.</verse>
				<verse number="19">Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochteren.</verse>
				<verse number="20">En Hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een gans verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.</verse>
				<verse number="21">Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.</verse>
				<verse number="22">Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten.</verse>
				<verse number="23">Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.</verse>
				<verse number="24">Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des stofs.</verse>
				<verse number="25">Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.</verse>
				<verse number="26">Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen verstrooien; Ik zoude hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;</verse>
				<verse number="27">Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.</verse>
				<verse number="28">Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.</verse>
				<verse number="29">O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.</verse>
				<verse number="30">Hoe zoude een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?</verse>
				<verse number="31">Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.</verse>
				<verse number="32">Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sódom, en uit de velden van Gomórra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere beziën.</verse>
				<verse number="33">Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.</verse>
				<verse number="34">Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?</verse>
				<verse number="35">Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.</verse>
				<verse number="36">Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.</verse>
				<verse number="37">Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welken zij betrouwden?</verse>
				<verse number="38">Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.</verse>
				<verse number="39">Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!</verse>
				<verse number="40">Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="41">Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik de wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren, en Mijn hateren vergelden.</verse>
				<verse number="42">Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.</verse>
				<verse number="43">Juicht, gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.</verse>
				<verse number="44">En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en Hoséa, de zoon van Nun.</verse>
				<verse number="45">Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot gans Israël te spreken;</verse>
				<verse number="46">Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuige, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.</verse>
				<verse number="47">Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven.</verse>
				<verse number="48">Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:</verse>
				<verse number="49">Klim op den berg Abárim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik den kinderen Israëls tot een bezitting geven zal;</verse>
				<verse number="50">En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aäron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.</verse>
				<verse number="51">Omdat gijlieden u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israëls, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="52">Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israëls geven zal.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israëls gezegend heeft, vóór zijn dood.</verse>
				<verse number="2">Hij zeide dan: De HEERE is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden der heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.</verse>
				<verse number="3">Immers bemint Hij de volken! Al Zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden.</verse>
				<verse number="4">Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente;</verse>
				<verse number="5">En Hij was Koning in Jeschurun, als de hoofden des volks zich vergaderden, samen met de stammen Israëls.</verse>
				<verse number="6">Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!</verse>
				<verse number="7">En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, HEERE! de stem van Juda! en breng hem weder tot zijn volk; zijn handen moeten hem genoegzaam zijn, en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!</verse>
				<verse number="8">En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met welken Gij getwist hebt aan de wateren van Meríba.</verse>
				<verse number="9">Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.</verse>
				<verse number="10">Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat gans verteerd zal worden, op Uw altaar.</verse>
				<verse number="11">Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!</verse>
				<verse number="12">En van Benjamin zeide hij: De beminde des HEEREN, hij zal zeker bij Hem wonen. Hij zal hem den gansen dag overdekken, en tussen Zijn schouders zal hij wonen!</verse>
				<verse number="13">En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den HEERE, van het uitnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende;</verse>
				<verse number="14">En van de uitnemendste inkomsten der zon, en van de uitnemendste voortzetting der maan;</verse>
				<verse number="15">En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;</verse>
				<verse number="16">En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen!</verse>
				<verse number="17">Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en dezen zijn de duizenden van Manasse!</verse>
				<verse number="18">En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.</verse>
				<verse number="19">Zij zullen de volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands.</verse>
				<verse number="20">En van Gad zeide hij: Gezegend zij, Die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt den arm, ja ook den schedel.</verse>
				<verse number="21">En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des HEEREN, en Zijn gerichten met Israël.</verse>
				<verse number="22">En van Dan zeide hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen.</verse>
				<verse number="23">En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.</verse>
				<verse number="24">En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.</verse>
				<verse number="25">IJzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte gelijk uw dagen!</verse>
				<verse number="26">Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op den hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.</verse>
				<verse number="27">De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!</verse>
				<verse number="28">Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.</verse>
				<verse number="29">Welgelukzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door den HEERE, het Schild uwer hulp, en Die een Zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen, en gij zult op hun hoogten treden!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Toen ging Mozes op, uit de vlakke velden van Moab, naar den berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en de HEERE wees hem dat ganse land, Gilead tot Dan toe;</verse>
				<verse number="2">En het ganse Nafthali, en het land van Efraïm en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de achterste zee;</verse>
				<verse number="3">En het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan.</verse>
				<verse number="5">Alzo stierf Mozes, de knecht des HEEREN, aldaar in het land van Moab, naar des HEEREN mond.</verse>
				<verse number="6">En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-Peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="7">Mozes nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan.</verse>
				<verse number="8">En de kinderen Israëls beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen des wenens, van den rouw over Mozes, werden voleindigd.</verse>
				<verse number="9">Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de Geest der wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen Israëls naar hem, en deden gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="10">En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, dien de HEERE gekend had, van aangezicht tot aangezicht,</verse>
				<verse number="11">In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;</verse>
				<verse number="12">En in al die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van gans Israël.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="6">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, na den dood van Mozes, den knecht des HEEREN, dat de HEERE tot Jozua, den zoon van Nun, den dienaar van Mozes, sprak, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, den kinderen Israëls, geve.</verse>
				<verse number="3">Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb.</verse>
				<verse number="4">Van de woestijn en dezen Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het ganse land der Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen den ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn.</verse>
				<verse number="5">Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.</verse>
				<verse number="6">Wees sterk en heb goeden moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven.</verse>
				<verse number="7">Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de ganse wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter- noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan;</verse>
				<verse number="8">Dat het boek dezer wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen.</verse>
				<verse number="9">Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want de HEERE, uw God, is met u alom, waar gij heengaat.</verse>
				<verse number="10">Toen gebood Jozua den ambtlieden des volks, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om te erven het land, hetwelk de HEERE, uw God, ulieden geeft om te beërven.</verse>
				<verse number="12">En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en den halven stam van Manasse, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden geboden heeft, zeggende: De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land;</verse>
				<verse number="14">Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes ulieden aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult gewapend trekken, voor het aangezicht uwer broederen, alle strijdbare helden, en zult hen helpen;</verse>
				<verse number="15">Totdat de HEERE uw broederen rust geve, als ulieden, en dat zij ook erfelijk bezitten het land, dat de HEERE, uw God, hun geeft; alsdan zult gijlieden wederkeren tot het land uwer erfenis, en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon.</verse>
				<verse number="16">Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen, en alom, waar gij ons zenden zult, zullen wij gaan.</verse>
				<verse number="17">Gelijk wij in alles naar Mozes hebben gehoord, alzo zullen wij naar u horen; alleenlijk dat de HEERE, uw God, met u zij, gelijk als Hij met Mozes geweest is!</verse>
				<verse number="18">Alle man, die uw mond wederspannig wezen zal, en uw woorden niet horen zal in alles, wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden, alleenlijk wees sterk en heb goeden moed!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.</verse>
				<verse number="2">Toen werd den koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in dezen nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israëls, om dit land te doorzoeken.</verse>
				<verse number="3">Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het ganse land te doorzoeken.</verse>
				<verse number="4">Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren.</verse>
				<verse number="5">En het geschiedde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastelijk na, want gij zult ze achterhalen.</verse>
				<verse number="6">Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren.</verse>
				<verse number="7">Die mannen nu jaagden hen na op den weg van de Jordaan, tot aan de veren; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden.</verse>
				<verse number="8">Eer zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak.</verse>
				<verse number="9">En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn.</verse>
				<verse number="10">Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt.</verse>
				<verse number="11">Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de HEERE, ulieder God, is een God boven in den hemel, en beneden op de aarde.</verse>
				<verse number="12">Nu dan, zweert mij toch bij den HEERE, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteken,</verse>
				<verse number="13">Dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broeders en mijn zusters, met alles, wat zij hebben; en dat gij onze zielen van den dood redden zult.</verse>
				<verse number="14">Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor ulieden om te sterven, indien gijlieden deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden, wanneer de HEERE ons dit land geeft, zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen.</verse>
				<verse number="15">Zij liet hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis was op den stadsmuur; en zij woonde op den muur.</verse>
				<verse number="16">En zij zeide tot hen: Gaat op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg.</verse>
				<verse number="17">Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen onschuldig zijn van dezen uw eed, dien gij ons hebt doen zweren;</verse>
				<verse number="18">Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uw vader, en uw moeder, en uw broeders, en het ganse huisgezin uws vaders.</verse>
				<verse number="19">Zo zal het geschieden, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien een hand tegen hem zijn zal!</verse>
				<verse number="20">Maar indien gij deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, dien gij ons hebt doen zweren.</verse>
				<verse number="21">Zij nu zeide: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.</verse>
				<verse number="22">Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd waren; want de vervolgers hadden hen op al den weg gezocht, maar niet gevonden.</verse>
				<verse number="23">Alzo keerden die twee mannen weder, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, den zoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun wedervaren was.</verse>
				<verse number="24">En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners des lands voor onze aangezichten gesmolten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israëls; en zij vernachtten aldaar, eer zij overtrokken.</verse>
				<verse number="2">En het geschiedde, dat de ambtlieden, op het einde van drie dagen, door het midden des legers gingen;</verse>
				<verse number="3">En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;</verse>
				<verse number="4">Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.</verse>
				<verse number="5">Jozua zeide ook tot het volk: Heiligt u! want morgen zal de HEERE wonderheden in het midden van ulieden doen.</verse>
				<verse number="6">Desgelijks sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neemt de ark des verbonds op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark des verbonds op, en zij gingen voor het aangezicht des volks.</verse>
				<verse number="7">Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben.</verse>
				<verse number="8">Gij dan zult den priesteren, die de ark des verbonds dragen, gebieden, zeggende: Wanneer gijlieden komt tot aan het uiterste van het water van de Jordaan, staat stil in de Jordaan.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Jozua tot de kinderen Israëls: Nadert herwaarts, en hoort de woorden des HEEREN, uws Gods.</verse>
				<verse number="10">Verder zeide Jozua: Hieraan zult gijlieden bekennen, dat de levende God in het midden van u is, en dat Hij ganselijk voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Hevieten, en de Ferezieten, en de Girgazieten, en de Amorieten en de Jebusieten.</verse>
				<verse number="11">Ziet, de ark des verbonds van den Heere der ganse aarde gaat door voor ulieder aangezicht in de Jordaan.</verse>
				<verse number="12">Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israëls, uit iederen stam een man;</verse>
				<verse number="13">Want het zal geschieden, met dat de voetzolen der priesteren, die de ark van den HEERE, den Heere der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op een hoop blijven staan.</verse>
				<verse number="14">En het geschiedde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark des verbonds voor het aangezicht des volks.</verse>
				<verse number="15">En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten der priesteren, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen des oogstes aan al haar oevers);</verse>
				<verse number="16">Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee des vlakken velds, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.</verse>
				<verse number="17">Maar de priesters, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, stonden steevast op het droge, in het midden van de Jordaan; en gans Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, toen al het volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, dat de HEERE tot Jozua sprak, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neemt gijlieden u twaalf mannen uit het volk, uit elken stam een man.</verse>
				<verse number="3">En gebiedt hun, zeggende: Neemt voor ulieden op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten der priesteren, en bereidt twaalf stenen, en brengt ze met ulieden over, en stelt ze in het nachtleger, waar gij dezen nacht zult vernachten.</verse>
				<verse number="4">Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen Israëls, uit elken stam een man.</verse>
				<verse number="5">En Jozua zeide tot hen: Gaat over voor de ark des HEEREN, uws Gods, midden in de Jordaan; en heft u een ieder een steen op zijn schouder, naar het getal der stammen van de kinderen Israëls;</verse>
				<verse number="6">Opdat dit een teken zij onder ulieden; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen?</verse>
				<verse number="7">Zo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark des verbonds des HEEREN; als zij toog door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen den kinderen Israëls ter gedachtenis zijn tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="8">De kinderen Israëls nu deden alzo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, gelijk als de HEERE tot Jozua gesproken had, naar het getal der stammen van de kinderen Israëls; en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar.</verse>
				<verse number="9">Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten der priesteren, die de ark des verbonds droegen; en zij zijn daar tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="10">De priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle ding volbracht was, hetwelk de HEERE Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte, en het trok over.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als al het volk geëindigd had over te gaan, toen ging de ark des HEEREN over, en de priesters voor het aangezicht des volks.</verse>
				<verse number="12">En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israëls, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.</verse>
				<verse number="13">Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.</verse>
				<verse number="14">Te dienzelven dage maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israël; en zij vreesden hem, gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen zijns levens.</verse>
				<verse number="15">De HEERE dan sprak tot Jozua, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Gebied den priesteren, die de ark der getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen.</verse>
				<verse number="17">Toen gebood Jozua den priesteren, zeggende: Klimt op uit den Jordaan.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, toen de priesters, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen der priesteren afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weder in hun plaats, en gingen als gisteren en eergisteren aan al haar oevers.</verse>
				<verse number="19">Het volk nu was den tienden der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho.</verse>
				<verse number="20">En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.</verse>
				<verse number="21">En hij sprak tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen?</verse>
				<verse number="22">Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israël door deze Jordaan gegaan.</verse>
				<verse number="23">Want de HEERE, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gijlieden er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;</verse>
				<verse number="24">Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den HEERE, uw God, vrezet te allen dage.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En het geschiedde, toen al de koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen der Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat de HEERE de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht der kinderen Israëls, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="2">Te dier tijd sprak de HEERE tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israëls ten tweeden maal.</verse>
				<verse number="3">Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de kinderen Israëls op den heuvel der voorhuiden.</verse>
				<verse number="4">Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getogen was, de manspersonen, alle krijgslieden, waren gestorven in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getogen waren.</verse>
				<verse number="5">Want al het volk, dat er uittoog, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.</verse>
				<verse number="6">Want de kinderen Israëls wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren; die de stem des HEEREN niet gehoorzaam geweest waren, denwelken de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de HEERE hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig.</verse>
				<verse number="7">Maar hun zonen heeft Hij aan hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen op den weg niet besneden.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren.</verse>
				<verse number="9">Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="10">Terwijl de kinderen Israëls te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op den veertienden dag derzelver maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho.</verse>
				<verse number="11">En zij aten van het overjarige koren des lands, des anderen daags van het pascha, ongezuurde broden en verzengde aren, even op dienzelven dag.</verse>
				<verse number="12">En het Manna hield op des anderen daags, nadat zij van des lands overjarige koren gegeten hadden; en de kinderen Israëls hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelve jaar van de inkomst des lands Kanaän.</verse>
				<verse number="13">Voorts geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons, of van onze vijanden?</verse>
				<verse number="14">En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?</verse>
				<verse number="15">Toen zeide de Vorst van het heir des HEEREN tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed alzo.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">(Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen Israëls; er ging niemand uit, en er ging niemand in.)</verse>
				<verse number="2">Toen zeide de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.</verse>
				<verse number="3">Gij dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; alzo zult gij doen zes dagen lang.</verse>
				<verse number="4">En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.</verse>
				<verse number="5">En het zal geschieden, als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, een iegelijk tegenover zich.</verse>
				<verse number="6">Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zeide tot hen: Draagt de ark des verbonds, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark des HEEREN.</verse>
				<verse number="7">En tot het volk zeide hij: Trekt door en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark des HEEREN.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde, gelijk Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht des HEEREN; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark des verbonds des HEEREN volgde hen na;</verse>
				<verse number="9">En wie toegerust was, ging voor het aangezicht der priesteren, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.</verse>
				<verse number="10">Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op den dag, wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen.</verse>
				<verse number="11">En hij deed de ark des HEEREN rondom de stad gaan, omringende dezelve eenmaal; toen kwamen zij weder in het leger, en vernachtten in het leger.</verse>
				<verse number="12">Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark des HEEREN, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark des HEEREN na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.</verse>
				<verse number="14">Alzo gingen zij eenmaal rondom de stad op den tweeden dag; en zij keerden weder in het leger. Alzo deden zij zes dagen lang.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde op den zevenden dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan des dageraads, en zij gingen rondom de stad, naar dezelve wijze, zevenmaal; alleenlijk op dien dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde ten zevenden male, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht, want de HEERE heeft ulieden de stad gegeven!</verse>
				<verse number="17">Doch deze stad zal den HEERE verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.</verse>
				<verse number="18">Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert.</verse>
				<verse number="19">Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen.</verse>
				<verse number="20">Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid der bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.</verse>
				<verse number="21">En zij verbanden alles, wat in de stad was, van den man tot de vrouw toe, van het kind tot den oude, en tot den os, en het klein vee, en den ezel, door de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="22">Jozua nu zeide tot de twee mannen, de verspieders des lands: Gaat in het huis der vrouw, der hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, gelijk als gij haar gezworen hebt.</verse>
				<verse number="23">Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broeders, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israël.</verse>
				<verse number="24">De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleenlijk het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="25">Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin haars vaders, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op dezen dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden.</verse>
				<verse number="26">En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des HEEREN, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon!</verse>
				<verse number="27">Alzo was de HEERE met Jozua; en zijn gerucht liep door het ganse land.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Maar de kinderen Israëls overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="2">Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.</verse>
				<verse number="3">Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinige.</verse>
				<verse number="4">Alzo trokken derwaarts op van het volk omtrent drie duizend man; dewelke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai.</verse>
				<verse number="5">En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebárim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water.</verse>
				<verse number="6">Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd.</verse>
				<verse number="7">En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!</verse>
				<verse number="8">Och, Heere! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israël voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?</verse>
				<verse number="9">Als het de Kanaänieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?</verse>
				<verse number="10">Toen zeide de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?</verse>
				<verse number="11">Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, hetwelk Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.</verse>
				<verse number="12">Daarom zullen de kinderen Israëls niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt.</verse>
				<verse number="13">Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u.</verse>
				<verse number="14">Gij zult dan in den morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal geschieden, de stam, welken de HEERE geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.</verse>
				<verse number="15">En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israël gedaan heeft.</verse>
				<verse number="16">Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.</verse>
				<verse number="17">Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt;</verse>
				<verse number="18">Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet.</verse>
				<verse number="20">Achan nu antwoordde Jozua, en zeide: Voorwaar, ik heb tegen den HEERE, den God Israëls, gezondigd, en heb alzo en alzo gedaan.</verse>
				<verse number="21">Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.</verse>
				<verse number="22">Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.</verse>
				<verse number="23">Zij dan namen die dingen uit het midden der tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de kinderen Israëls; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="24">Toen nam Jozua, en gans Israël met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.</verse>
				<verse number="25">En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.</verse>
				<verse number="26">En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde Zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Toen zeide de HEERE tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.</verse>
				<verse number="2">Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve.</verse>
				<verse number="3">Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,</verse>
				<verse number="4">En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid.</verse>
				<verse number="5">Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.</verse>
				<verse number="6">Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten.</verse>
				<verse number="7">Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de HEERE, uw God, zal ze in uw hand geven.</verse>
				<verse number="8">En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des HEEREN zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.</verse>
				<verse number="9">Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-El en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.</verse>
				<verse number="10">En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israël, voor het aangezicht des volks, naar Ai.</verse>
				<verse number="11">Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.</verse>
				<verse number="12">Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-El en tussen Ai, aan het westen der stad.</verse>
				<verse number="13">En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals.</verse>
				<verse number="14">En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israël tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage legde van achter de stad.</verse>
				<verse number="15">Jozua dan, en gans Israël, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn.</verse>
				<verse number="16">Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.</verse>
				<verse number="17">En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-El, die niet uittrokken, Israël na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna.</verse>
				<verse number="18">Toen sprak de HEERE tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal haar in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.</verse>
				<verse number="19">Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur.</verse>
				<verse number="20">Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.</verse>
				<verse number="21">En Jozua en gans Israël, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai.</verse>
				<verse number="22">Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israëlieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.</verse>
				<verse number="23">Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde, toen de Israëlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israël naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai.</verse>
				<verse number="26">Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had.</verse>
				<verse number="27">Alleenlijk roofden de Israëlieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had.</verse>
				<verse number="28">Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="29">En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="30">Toen bouwde Jozua een altaar den HEERE, den God van Israël, op den berg Ebal;</verse>
				<verse number="31">Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, den kinderen Israëls geboden had, achtereenvolgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij den HEERE brandofferen; ook offerden zij dankofferen.</verse>
				<verse number="32">Aldaar schreef hij ook op stenen een dubbel van de wet van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="33">En gans Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizîm, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen.</verse>
				<verse number="34">En daarna las hij overluid al de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.</verse>
				<verse number="35">Daar was niet één woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de gehele gemeente van Israël, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens der grote zee, tegenover den Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;</verse>
				<verse number="2">Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk.</verse>
				<verse number="3">Als de inwoners te Gíbeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,</verse>
				<verse number="4">Zo handelden zij ook arglistiglijk, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken;</verse>
				<verse number="5">Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.</verse>
				<verse number="6">En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israël: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.</verse>
				<verse number="7">Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?</verse>
				<verse number="8">Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zeide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij?</verse>
				<verse number="9">Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;</verse>
				<verse number="10">En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharôth woonde.</verse>
				<verse number="11">Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons.</verse>
				<verse number="12">Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;</verse>
				<verse number="13">En deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze klederen, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.</verse>
				<verse number="14">Toen namen de mannen van hun reiskost; en zij vraagden het den mond des HEEREN niet.</verse>
				<verse number="15">En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zoude; en de oversten der vergadering zwoeren hun.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde ten einde van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun naburen waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.</verse>
				<verse number="17">Want toen de kinderen Israëls voorttogen, zo kwamen zij ten derden dage aan hun steden; hun steden nu waren Gíbeon, en Chefíra, en Beërôth, en Kirjath-Jeárim.</verse>
				<verse number="18">En de kinderen Israëls sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij den HEERE, den God Israëls; daarom murmureerde de ganse vergadering tegen de oversten.</verse>
				<verse number="19">Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den HEERE, den God Israëls; daarom kunnen wij hen niet aantasten.</verse>
				<verse number="20">Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, om des eeds wil, dien wij hun gezworen hebben.</verse>
				<verse number="21">Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn der ganse vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben.</verse>
				<verse number="22">En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van ulieden gezeten, daar gij in het midden van ons zijt wonende?</verse>
				<verse number="23">Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods.</verse>
				<verse number="24">Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Dewijl het aan uw knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat de HEERE, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven, en al de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zo vreesden wij onzes levens zeer voor ulieder aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.</verse>
				<verse number="25">En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen.</verse>
				<verse number="26">Zo deed hij hun alzo, en hij verloste hen van de hand der kinderen Israëls, dat zij hen niet doodsloegen.</verse>
				<verse number="27">Alzo gaf Jozua hen over ten zelven dage tot houthouwers en waterputters der vergadering, en dat tot het altaar des HEEREN, tot dezen dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zoude.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, toen Adóni-Zédek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning alzo gedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gíbeon vrede met Israël gemaakt hadden, en in derzelver midden waren;</verse>
				<verse number="2">Zo vreesden zij zeer; want Gíbeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.</verse>
				<verse number="3">Daarom zond Adóni-Zédek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gíbeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="5">Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gíbeon, en krijgden tegen haar.</verse>
				<verse number="6">De mannen nu van Gíbeon zonden tot Jozua, in het leger te Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd.</verse>
				<verse number="7">Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden.</verse>
				<verse number="8">Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.</verse>
				<verse number="9">Alzo kwam Jozua snellijk tot hen; den gansen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.</verse>
				<verse number="10">En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een groten slag te Gíbeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-hóron opgaat, en sloeg hen tot Azéka en tot Makkéda toe.</verse>
				<verse number="11">Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-hóron, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azéka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen Israëls met het zwaard doodden.</verse>
				<verse number="12">Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht der kinderen Israëls overgaf, en zeide voor de ogen der Israëlieten: Zon, sta stil te Gíbeon, en gij, maan, in het dal van Ajálon!</verse>
				<verse number="13">En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.</verse>
				<verse number="14">En er was geen dag aan dezen gelijk, vóór hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israël.</verse>
				<verse number="15">Toen keerde Jozua weder, en gans Israël met hem, naar het leger te Gilgal.</verse>
				<verse number="16">Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkéda.</verse>
				<verse number="17">En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkéda.</verse>
				<verse number="18">Zo zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.</verse>
				<verse number="19">Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in den staart; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israëls geëindigd hadden hen met een zeer groten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren;</verse>
				<verse number="21">Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkéda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen Israëls geroerd.</verse>
				<verse number="22">Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die spelonk.</verse>
				<verse number="23">Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israël, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed; want alzo zal de HEERE aan al uw vijanden doen, tegen dewelke gijlieden strijdt.</verse>
				<verse number="26">En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot den avond.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelven dag.</verse>
				<verse number="28">Op denzelven dag nam ook Jozua Makkéda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkéda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.</verse>
				<verse number="29">Toen toog Jozua door, en gans Israël met hem, van Makkéda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.</verse>
				<verse number="30">En de HEERE gaf dezelve ook in de hand van Israël, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed derzelver koning, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.</verse>
				<verse number="31">Toen toog Jozua voort, en gans Israël met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar.</verse>
				<verse number="32">En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israël; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij aan Libna gedaan had.</verse>
				<verse number="33">Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.</verse>
				<verse number="34">En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israël met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.</verse>
				<verse number="35">En zij namen haar in ten zelven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.</verse>
				<verse number="36">Daarna toog Jozua op, en gans Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.</verse>
				<verse number="37">En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.</verse>
				<verse number="38">Toen keerde Jozua, en gans Israël met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.</verse>
				<verse number="39">En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;</verse>
				<verse number="40">Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israëls, geboden had.</verse>
				<verse number="41">En Jozua sloeg hen van Kades-Barnéa en tot Gaza toe; ook het ganse land Gosen, en tot Gíbeon toe.</verse>
				<verse number="42">En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want de HEERE, de God Israëls, streed voor Israël.</verse>
				<verse number="43">Toen keerde Jozua weder, en gans Israël met hem, naar het leger te Gilgal.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,</verse>
				<verse number="2">En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinnerôth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;</verse>
				<verse number="3">Tot de Kanaänieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.</verse>
				<verse number="4">Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.</verse>
				<verse number="5">Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="7">En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefôth-maïm, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.</verse>
				<verse number="9">Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.</verse>
				<verse number="10">En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.</verse>
				<verse number="11">En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.</verse>
				<verse number="12">En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.</verse>
				<verse number="13">Alleenlijk verbrandden de Israëlieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.</verse>
				<verse number="14">En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israëls voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.</verse>
				<verse number="15">Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="16">Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israëls, en zijn laagte.</verse>
				<verse number="17">Van den kalen berg, die opwaarts naar Seïr gaat, tot Baäl-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.</verse>
				<verse number="18">Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.</verse>
				<verse number="19">Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israëls, behalve de Hevieten, inwoners van Gíbeon; zij namen ze allen in door krijg.</verse>
				<verse number="20">Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israël met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="21">Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden.</verse>
				<verse number="22">Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israëls; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.</verse>
				<verse number="23">Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israëls geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:</verse>
				<verse number="2">Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, welke aan den oever der beek Arnon is, en over het midden der beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;</verse>
				<verse number="3">En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinnerôth tegen het oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het oosten, op den weg naar Beth-Jesimôth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga.</verse>
				<verse number="4">Daartoe de landpale van Og, den koning van Bazan, die van het overblijfsel der reuzen was, wonende te Astharôth en te Edréï.</verse>
				<verse number="5">En heerste over den berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpale der Gezurieten, en der Maächathieten; en de helft van Gilead, de landpale van Sihon, den koning van Hesbon.</verse>
				<verse number="6">Mozes, de knecht des HEEREN, en de kinderen Israëls sloegen hen, en Mozes, de knecht des HEEREN, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.</verse>
				<verse number="7">Dit nu zijn de koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israëls, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baäl-Gad aan, in het dal van den Libanon, en tot aan den kalen berg, die naar Seïr opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israëls tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.</verse>
				<verse number="8">Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.</verse>
				<verse number="9">De koning van Jericho, één; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, één;</verse>
				<verse number="10">De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één;</verse>
				<verse number="11">De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één;</verse>
				<verse number="12">De koning van Eglon, één; de koning Gézer, één;</verse>
				<verse number="13">De koning van Debir, één; de koning van Geder, één;</verse>
				<verse number="14">De koning van Horma, één; de koning van Harad, één;</verse>
				<verse number="15">De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één;</verse>
				<verse number="16">De koning van Makkéda, één; de koning van Beth-El, één;</verse>
				<verse number="17">De koning van Tappûah, één; de koning van Hefer, één;</verse>
				<verse number="18">De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één;</verse>
				<verse number="19">De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één;</verse>
				<verse number="20">De koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één;</verse>
				<verse number="21">De koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één;</verse>
				<verse number="22">De koning van Kedes, één, de koning van Jokneam, aan den Karmel, één;</verse>
				<verse number="23">De koning van Dor, tot Nafath-Dor, één; de koning der heidenen te Gilgal, één;</verse>
				<verse number="24">De koning van Thirza, één. Al deze koningen zijn één en dertig.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Jozua nu was oud, wel bedaagd; en de HEERE zeide tot hem: Gij zijt oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="2">Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen der Filistijnen en het ganse Gesuri.</verse>
				<verse number="3">Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat den Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.</verse>
				<verse number="4">Van het zuiden, het ganse land der Kanaänieten, en Meára, die van de Sidoniërs is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amorieten.</verse>
				<verse number="5">Daartoe het land der Giblieten, en de ganse Libanon tegen den opgang der zon, van Baäl-Gad, onder aan den berg Hermon, tot aan den ingang van Hamath.</verse>
				<verse number="6">Allen, die op het gebergte wonen van den Libanon aan tot Misrefôth-maïm toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht der kinderen Israëls; alleenlijk maak, dat het Israël ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb.</verse>
				<verse number="7">En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan den halven stam van Manasse,</verse>
				<verse number="8">Met denwelken de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene zijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, hun gegeven had:</verse>
				<verse number="9">Van Aroër aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Médeba tot Dibon toe;</verse>
				<verse number="10">En al de steden van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Ammons;</verse>
				<verse number="11">En Gilead, en de landpale der Gezurieten, en der Maächathieten, en den gansen berg Hermon, en gans Bazan, tot Salcha toe;</verse>
				<verse number="12">Het ganse koninkrijk van Og, in Bazan, die geregeerd heeft te Astharôth, en te Edréï; deze is overig gebleven uit het overblijfsel der reuzen, dewelke Mozes heeft verslagen, en heeft ze verdreven.</verse>
				<verse number="13">Doch de kinderen Israëls verdreven de Gezurieten en de Maächathieten niet; maar Gezur en Maächath woonden in het midden van Israël tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="14">Alleenlijk gaf hij den stam Levi geen erfenis. De vuurofferen Gods, des HEEREN van Israël, zijn zijne erfenis, gelijk als Hij tot hem gesproken had.</verse>
				<verse number="15">Alzo gaf Mozes aan den stam der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen,</verse>
				<verse number="16">Dat hun landpale was van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land tot Médeba toe:</verse>
				<verse number="17">Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamôth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon,</verse>
				<verse number="18">En Jahza, en Kedémôth, en Mefaäth,</verse>
				<verse number="19">En Kirjatháïm, en Sibma, en Zeret-Hassáhar op den berg des dals,</verse>
				<verse number="20">En Beth-Peor, en Asdôth-Pisga, en Beth-Jesimôth;</verse>
				<verse number="21">En alle steden des vlakken lands, en het ganse koninkrijk van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelken Mozes geslagen heeft, mitsgaders de vorsten van Mídian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners des lands.</verse>
				<verse number="22">Daartoe hebben de kinderen Israëls met het zwaard gedood Bíleam, den zoon van Beor, den voorzegger, nevens degenen, die van hen verslagen zijn.</verse>
				<verse number="23">De landpale nu der kinderen van Ruben was de Jordaan, en derzelver landpale; dat is het erfdeel der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="24">En aan den stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes,</verse>
				<verse number="25">Dat hun landpale was Jáëzer, en al de steden van Gilead, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroër toe, die voor aan Rabba is;</verse>
				<verse number="26">En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betónim; en van Mahanáïm tot aan de landpale van Debir;</verse>
				<verse number="27">En in het dal, Beth-háram, en Beth-nimra, en Sukkôth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, den koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde der zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.</verse>
				<verse number="28">Dit is het erfdeel der kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="29">Verder had Mozes aan den halven stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan den halven stam der kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen;</verse>
				<verse number="30">Zodat hun landpale was van Mahanáïm af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jaïr, die in Bazan zijn, zestig steden.</verse>
				<verse number="31">En het halve Gilead, en Astharôth, en Edréï, steden des koninkrijks van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, namelijk de helft der kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="32">Dat is het, wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden van Moab, op gene zijde der Jordaan van Jericho, tegen het oosten.</verse>
				<verse number="33">Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israëls, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Dit is nu hetgeen de kinderen Israëls geërfd hebben in het land Kanaän; hetwelk de priester Eleázar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israëls, hun hebben doen erven;</verse>
				<verse number="2">Door het lot hunner erfenis, gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en den halven stam.</verse>
				<verse number="3">Want aan de twee stammen en den halven stam had Mozes een erfdeel gegeven op gene zijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.</verse>
				<verse number="4">Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.</verse>
				<verse number="5">Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israëls, en zij deelden het land.</verse>
				<verse number="6">Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zeide tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot Mozes, den man Gods, gesproken heeft te Kades-Barnéa, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u.</verse>
				<verse number="7">Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van Kades-Barnéa, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.</verse>
				<verse number="8">Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen.</verse>
				<verse number="9">Toen zwoer Mozes te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen.</verse>
				<verse number="10">En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud.</verse>
				<verse number="11">Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan.</verse>
				<verse number="12">En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE te dien dage gesproken heeft; want gij hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten aldaar waren, en dat er grote vaste steden waren; of de HEERE met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als de HEERE gesproken heeft.</verse>
				<verse number="13">Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.</verse>
				<verse number="14">Daarom werd Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne, den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag; omdat hij volhard had den HEERE, den God Israëls, na te volgen.</verse>
				<verse number="15">De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;</verse>
				<verse number="2">Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet;</verse>
				<verse number="3">En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnéa, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkáä;</verse>
				<verse number="4">En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn.</verse>
				<verse number="5">De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan.</verse>
				<verse number="6">En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-arába; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben.</verse>
				<verse number="7">Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adûmmim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-sémes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rógel.</verse>
				<verse number="8">En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaïeten is, tegen het noorden.</verse>
				<verse number="9">Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthóah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Báäla; deze is Kirjath-Jeárim.</verse>
				<verse number="10">Daarna zal deze landpale zich omkeren van Báäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jeárim van het noorden; deze is Chesalôn; en zij zal afkomen naar Beth-Sémes, en door Timna gaan.</verse>
				<verse number="11">Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Báäla gaan, en uitgaan te Jábneël; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.</verse>
				<verse number="12">De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="13">Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.</verse>
				<verse number="14">En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sésai, en Ahíman, en Talmai, geboren van Enak.</verse>
				<verse number="15">En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).</verse>
				<verse number="16">En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.</verse>
				<verse number="17">Othniël nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?</verse>
				<verse number="19">En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.</verse>
				<verse number="20">Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="21">De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kábzeël, en Eder, en Jagur,</verse>
				<verse number="22">En Kina, en Dimóna, en Adáda,</verse>
				<verse number="23">En Kedes, en Hazor, en Jithnan,</verse>
				<verse number="24">Zif, en Telem, en Beälôth,</verse>
				<verse number="25">En Hazor, en Hadattha, en Keriôth, (Hezron dat is Hazor),</verse>
				<verse number="26">Amám, en Sema, en Mólada,</verse>
				<verse number="27">En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Pálet,</verse>
				<verse number="28">En Hazar-Sual, en Beër-séba, en Bizjótheja,</verse>
				<verse number="29">Báäla, en Ijim, en Azem,</verse>
				<verse number="30">En Elthólad, en Chesil, en Horma,</verse>
				<verse number="31">En Ziklag, en Madmánna, en Sanzánna,</verse>
				<verse number="32">En Lebaôth, en Silhim, en Aïn, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.</verse>
				<verse number="33">In de laagte zijn: Estháol, en Zora, en Asna,</verse>
				<verse number="34">En Zanóah, en En-gánnim, Tappûah, en Enam,</verse>
				<verse number="35">Jarmuth, en Adullam, Socho en Azéka,</verse>
				<verse number="36">En Saäráïm, en Adíthaïm, en Gedéra, en Gedérothaïm; veertien steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="37">Zenan, en Hadása, en Migdal-gad,</verse>
				<verse number="38">En Dilan, en Mizpa, en Jókteël,</verse>
				<verse number="39">Lachis, en Bozkath, en Eglon,</verse>
				<verse number="40">En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,</verse>
				<verse number="41">En Gedérôth, Beth-Dagon, en Náäma, en Makkéda; zestien steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="42">Libna, en Ether, en Asan,</verse>
				<verse number="43">En Jiftah, en Asna, en Nezib,</verse>
				<verse number="44">En Kehíla, en Achzib, en Maréza; negen steden en haar dorpen;</verse>
				<verse number="45">Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.</verse>
				<verse number="46">Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;</verse>
				<verse number="47">Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale.</verse>
				<verse number="48">Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,</verse>
				<verse number="49">En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,</verse>
				<verse number="50">En Anab, en Estemo, en Anim,</verse>
				<verse number="51">En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="52">Arab, en Duma, en Esan,</verse>
				<verse number="53">En Janum, en Beth-Tappûah, en Aféka,</verse>
				<verse number="54">En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="55">Maon, Karmel, en Zif, en Juta,</verse>
				<verse number="56">En Jizreël, en Jókdeam, en Zanóah,</verse>
				<verse number="57">Kaïn, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="58">Halhul, Beth-Zur, en Gedor,</verse>
				<verse number="59">En Máarath, en Beth-Anôth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="60">Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jeárim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="61">In de woestijn: Beth-arába, Middin en Sechácha,</verse>
				<verse number="62">En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="63">Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Daarna kwam het lot der kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El;</verse>
				<verse number="2">En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Atarôth toe;</verse>
				<verse number="3">En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafléti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-hóron, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.</verse>
				<verse number="4">Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraïm.</verse>
				<verse number="5">De landpale nu der kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atrôth-Addar tot aan het bovenste Beth-hóron.</verse>
				<verse number="6">En deze landpale gaat uit tegen het westen bij Michmetâth, van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Tháanath-Silo, en gaat door dezelve van het oosten naar Janóah;</verse>
				<verse number="7">En komt af van Janóah naar Atarôth en Náharôth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.</verse>
				<verse number="8">Van Tappûah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="9">En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="10">En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; alzo woonden die Kanaänieten in het midden der Efraïmieten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.</verse>
				<verse number="2">Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiézer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semída. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="3">Zeláfead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.</verse>
				<verse number="4">Dezen dan traden toe voor het aangezicht van Eleázar, den priester, en voor het aangezicht van Jozua, den zoon van Nun, en voor het aangezicht der oversten, zeggende: De HEERE heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden onzer broederen. Daarom gaf hij haar, naar den mond des HEEREN, een erfdeel in het midden der broederen van haar vader.</verse>
				<verse number="5">En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Bazan, dat op gene zijde van de Jordaan is.</verse>
				<verse number="6">Want de dochteren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse.</verse>
				<verse number="7">Zodat de landpale van Manasse was van Aser af tot Michmetâth, die voor aan Sichem is; en deze landpale gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappûah.</verse>
				<verse number="8">Manasse had wel het land van Tappûah, maar Tappûah zelve, aan de landpale van Manasse, hadden de kinderen van Efraïm.</verse>
				<verse number="9">Daarna komt de landpale af naar de beek Kana tegen het zuiden der beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden der steden van Manasse; en de landpale van Manasse is aan het noorden der beek, en haar uitgangen zijn aan de zee.</verse>
				<verse number="10">Het was van Efraïm tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn landpale; en aan het noorden stieten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar.</verse>
				<verse number="11">Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jîbleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dôr en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dôr en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Tháänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.</verse>
				<verse number="12">En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelve land wonen.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde, als de kinderen Israëls sterk werden, zo maakten zij de Kanaänieten cijnsbaar; maar zij verdreven hen niet ganselijk.</verse>
				<verse number="14">Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar een lot en een snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoveel de HEERE mij dus verre gezegend heeft?</verse>
				<verse number="15">Jozua nu zeide tot henlieden: Dewijl gij een groot volk zijt, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land der Ferezieten en der Refaïeten, dewijl u het gebergte van Efraïm te eng is.</verse>
				<verse number="16">Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land des dals wonen, bij die te Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn.</verse>
				<verse number="17">Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk, en gij hebt grote kracht, gij zult geen een lot hebben;</verse>
				<verse number="18">Maar het gebergte zal het uwe zijn; en dewijl het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want gij zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">En de ganse vergadering van de kinderen Israëls verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op de tent der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.</verse>
				<verse number="2">En er bleven over onder de kinderen Israëls, aan dewelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.</verse>
				<verse number="3">En Jozua zeide tot de kinderen Israëls: Hoe lang houdt gij u zo slap, om voort te gaan, om het land te beërven, hetwelk de HEERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?</verse>
				<verse number="4">Geeft voor ulieden drie mannen van elken stam, dat ik ze heenzende, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hun erven, en weder tot mij komen.</verse>
				<verse number="5">Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn landpale van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn landpale van het noorden.</verse>
				<verse number="6">En gijlieden zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods.</verse>
				<verse number="7">Want de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden; maar het priesterdom des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.</verse>
				<verse number="8">Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zo zal ik ulieden hier het lot werpen, voor het aangezicht des HEEREN, te Silo.</verse>
				<verse number="9">De mannen dan gingen heen, en togen het land door en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo.</verse>
				<verse number="10">Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde aldaar den kinderen Israëls het land, naar hun afdelingen.</verse>
				<verse number="11">En het lot van den stam der kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef.</verse>
				<verse number="12">En hun landpale was naar den hoek noordwaarts van de Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte westwaarts, en haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-áven.</verse>
				<verse number="13">En van daar gaat de landpale door naar Luz, aan de zijde van Luz (welke is Beth-El), zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atrôth-Addar, aan den berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-hóron is.</verse>
				<verse number="14">En die landpale strekt en keert zich om, naar den westhoek zuidwaarts van den berg, die tegenover Beth-hóron zuidwaarts is, en haar uitgangen zijn aan Kirjath-Baäl (welke is Kirjath-Jeárim), een stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen.</verse>
				<verse number="15">De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jeárim; en deze landpale gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftóah.</verse>
				<verse number="16">En deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs, die tegenover het dal van den zoon van Hinnom is, die in het dal der Refaïeten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde der Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;</verse>
				<verse number="17">En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-sémes; van daar gaat zij uit naar Gelilôth, welke is tegenover den opgang naar Adûmmim, en zij gaat af aan den steen van Bohan, den zoon van Ruben;</verse>
				<verse number="18">En gaat door ter zijde tegenover Arába naar het noorden, en gaat af te Arába.</verse>
				<verse number="19">Verder gaat deze landpale door aan de zijde van Beth-hogla noordwaarts, en de uitgangen van deze landpale zijn aan de tong der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste van de Jordaan zuidwaarts. Dit is de zuiderlandpale.</verse>
				<verse number="20">De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, in hun landpalen rondom, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="21">De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz,</verse>
				<verse number="22">En Beth-arába, en Zemaráïm, en Beth-El,</verse>
				<verse number="23">En Háavvim, en Para, en Ofra,</verse>
				<verse number="24">Chefar-haämmónai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="25">Gíbeon, en Rama, en Beérôth,</verse>
				<verse number="26">En Mizpa, en Chefíra, en Moza,</verse>
				<verse number="27">En Rekem, en Jirpeël, en Thár-ala,</verse>
				<verse number="28">En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders haar dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.</verse>
				<verse number="2">En zij hadden in hun erfdeel: Beër-séba, en Séba, en Mólada,</verse>
				<verse number="3">En Hazar-Sual, en Bala, en Azem,</verse>
				<verse number="4">En Elthólad, en Bethul, en Horma,</verse>
				<verse number="5">En Ziklag, en Beth-hammerchabôth, en Hazar-Suza,</verse>
				<verse number="6">En Beth-Lebaôth, en Sarûhen; dertien steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="7">Aïn, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;</verse>
				<verse number="8">En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Báalath-Beër, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="9">Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.</verse>
				<verse number="10">Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid.</verse>
				<verse number="11">En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ála, en reikt tot Dabbáseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.</verse>
				<verse number="12">En zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Chislôth-Thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat opwaarts naar Jafía.</verse>
				<verse number="13">En van daar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-Hefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon-Methóar, hetwelk is Nea.</verse>
				<verse number="14">En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannáthon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.</verse>
				<verse number="15">En Kattath, en Náhalal, en Simron, en Jídala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="16">Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="17">Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="18">En hun landpale was Jizreéla, en Chesullôth, en Sunem,</verse>
				<verse number="19">En Hafaráïm, en Sion, en Anácharath,</verse>
				<verse number="20">En Rabbith, en Kisjon, en Ebez,</verse>
				<verse number="21">En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.</verse>
				<verse number="22">En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazíma, en Beth-Sémes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="23">Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="24">Toen ging het vijfde lot voor den stam der kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="25">En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,</verse>
				<verse number="26">En Allammélech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;</verse>
				<verse number="27">En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiël, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;</verse>
				<verse number="28">En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.</verse>
				<verse number="29">En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,</verse>
				<verse number="30">En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="31">Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="32">Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="33">En hun landpale is van Helef, van Allon tot Zaänannim, en Adámi-Nekeb, en Jabneël, tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan.</verse>
				<verse number="34">En deze landpale wendt zich westwaarts naar Asnoth-Thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen den opgang der zon.</verse>
				<verse number="35">De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hámmath, Rakkath en Cinnéreth,</verse>
				<verse number="36">En Adáma, en Rama, en Hazor,</verse>
				<verse number="37">En Kedes, en Edréï, en En-Hazor,</verse>
				<verse number="38">En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Sémes; negentien steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="39">Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="40">Het zevende lot ging uit voor den stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen.</verse>
				<verse number="41">En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Estháol, en Ir-Sémes,</verse>
				<verse number="42">En Saälabbin, en Ajálon, en Jithla,</verse>
				<verse number="43">En Elon, en Timnátha, en Ekron,</verse>
				<verse number="44">En Elteké, en Gibbethon, en Baälath,</verse>
				<verse number="45">En Jehud, en Bené-Berak, en Gath-Rimmon,</verse>
				<verse number="46">En Me-Jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.</verse>
				<verse number="47">Doch de landpale der kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem, Dan, naar den naam van hun vader Dan.</verse>
				<verse number="48">Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.</verse>
				<verse number="49">Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn landpalen, zo gaven de kinderen Israëls aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.</verse>
				<verse number="50">Naar den mond des HEEREN gaven zij hem die stad, welke hij begeerde, Thimnath-Serah, op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde die stad, en woonde in dezelve.</verse>
				<verse number="51">Dit zijn de erfdelen, welke Eleázar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen, door het lot aan de kinderen Israëls erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdelen des lands.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden, waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes.</verse>
				<verse number="3">Dat daarheen vliede de doodslager, die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker.</verse>
				<verse number="4">Als hij vlucht tot een van die steden, zo zal hij staan aan de deur der stadspoort, en hij zal zijn woorden spreken voor de oren van de oudsten derzelver stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen wone.</verse>
				<verse number="5">En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij den doodslager in zijn hand niet overgeven, dewijl hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat.</verse>
				<verse number="6">En hij zal in dezelve stad wonen, totdat hij sta voor het aangezicht der vergadering voor het gericht, totdat de hogepriester sterve, die in die dagen zijn zal; dan zal de doodslager wederkeren, en komen tot zijn stad, en tot zijn huis, tot de stad, van waar hij gevloden is.</verse>
				<verse number="7">Toen heiligden zij Kedes in Galiléa, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.</verse>
				<verse number="8">En aan gene zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Bazan, van den stam van Manasse.</verse>
				<verse number="9">Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor al de kinderen Israëls, en voor den vreemdeling, die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte al wie een ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers, totdat hij voor het aangezicht der vergadering gestaan zal hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Toen naderden de hoofden der vaderen van de Levieten tot Eleázar, den priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israëls;</verse>
				<verse number="2">En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaän, zeggende: De HEERE heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.</verse>
				<verse number="3">Daarom gaven de kinderen Israëls aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond des HEEREN, deze steden en de voorsteden derzelve.</verse>
				<verse number="4">Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kahathieten; en voor de kinderen van Aäron, den priester, uit de Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, en van den stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.</verse>
				<verse number="5">En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraïm, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden.</verse>
				<verse number="6">En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.</verse>
				<verse number="7">Aan de kinderen van Merári, naar hun huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, twaalf steden.</verse>
				<verse number="8">Alzo gaven de kinderen Israëls aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk de HEERE geboden had door den dienst van Mozes.</verse>
				<verse number="9">Verder gaven zij van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde;</verse>
				<verse number="10">Dat zij waren van de kinderen van Aäron, van de huisgezinnen der Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne.</verse>
				<verse number="11">Zo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van Anok (zij is Hebron), op den berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar.</verse>
				<verse number="12">Maar het veld der stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijn bezitting.</verse>
				<verse number="13">Alzo gaven zij aan de kinderen van den priester Aäron de vrijstad des doodslagers, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="14">En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemóa en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="15">En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="16">En Aïn en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Sémes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.</verse>
				<verse number="17">En van den stam van Benjamin, Gíbeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="18">Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="19">Al de steden der kinderen van Aäron, de priesteren, waren dertien steden en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="20">De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraïm.</verse>
				<verse number="21">En zij gaven hun Sichem, een vrijstad des doodslagers, en haar voorsteden, op den berg Efraïm, en Gezer en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="22">En Kibzáïm en haar voorsteden, en Beth-hóron en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="23">En van den stam van Dan, Elteké en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="24">Ajálon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="25">En van den halven stam van Manasse, Tháänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.</verse>
				<verse number="26">Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden.</verse>
				<verse number="27">En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen der Levieten, van den halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beësthera en haar voorsteden: twee steden.</verse>
				<verse number="28">En van den stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="29">Jarmuth en haar voorsteden, En-gannim en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="30">En van den stam van Aser, Mis-al en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="31">En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="32">En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galiléa, en haar voorsteden, en Hammoth-Dôr en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.</verse>
				<verse number="33">Al de steden der Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="34">Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merári, van de overige Levieten, werd gegeven van den stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="35">Dimna en haar voorsteden, Náhalal en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="36">En van den stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="37">Kedémôth en haar voorsteden, en Méfaäth en haar voorsteden: vier steden.</verse>
				<verse number="38">Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaïm en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="39">Hesbon en haar voorsteden, Jáëzer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.</verse>
				<verse number="40">Al die steden waren van de kinderen van Merári, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen der Levieten; en hun lot was twaalf steden.</verse>
				<verse number="41">Al de steden der Levieten, in het midden van de erfenis der kinderen Israëls, waren acht en veertig steden en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="42">Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.</verse>
				<verse number="43">Alzo gaf de HEERE aan Israël het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven, en zij beërfden het, en woonden daarin.</verse>
				<verse number="44">En de HEERE gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hun vaderen gezworen had; en er bestond niet één man van al hun vijanden voor hun aangezicht; al hun vijanden gaf de HEERE in hun hand.</verse>
				<verse number="45">Er viel niet één woord van al de goede woorden, die de HEERE gesproken had tot het huis van Israël; het kwam altemaal.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,</verse>
				<verse number="2">En hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft; en gij zijt mijner stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb.</verse>
				<verse number="3">Gij hebt uw broederen niet verlaten nu langen tijd, tot op dezen dag toe; maar gij hebt waargenomen de onderhouding der geboden van den HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="4">En nu, de HEERE, uw God, heeft uw broederen rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu wederom, en gaat gij naar uw tenten, naar het land uwer bezitting, hetwelk u Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft op gene zijde van de Jordaan.</verse>
				<verse number="5">Alleenlijk neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft, dat gij den HEERE, uw God, liefhebt, en dat gij wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat gij Hem dient met uw ganse hart en met uw ganse ziel.</verse>
				<verse number="6">Alzo zegende hen Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten.</verse>
				<verse number="7">Want aan de helft van den stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft van denzelven gaf Jozua een erfdeel bij hun broederen, aan deze zijde van de Jordaan westwaarts. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.</verse>
				<verse number="8">En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel klederen; deelt den roof uwer vijanden met uw broederen.</verse>
				<verse number="9">Alzo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israëls, van Silo, dat in het land Kanaän is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren, naar den mond des HEEREN, door den dienst van Mozes.</verse>
				<verse number="10">Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaän zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien.</verse>
				<verse number="11">En de kinderen Israëls hoorden zeggen: Ziet, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land Kanaän, aan de grenzen van de Jordaan, aan de zijde der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="12">Als de kinderen Israëls dit hoorden, zo verzamelde de ganse vergadering der kinderen Israëls te Silo, dat zij tegen hen optogen met een heir.</verse>
				<verse number="13">En de kinderen Israëls zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan den halven stam van Manasse, in het land Gilead, Pínehas, den zoon van Eleázar, den priester;</verse>
				<verse number="14">En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israël; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israël.</verse>
				<verse number="15">Toen zij tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot den halven stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Alzo spreekt de ganse gemeente des HEEREN: Wat overtreding is dit, waarmede gijlieden overtreden hebt tegen den God van Israël, heden afkerende van achter den HEERE, mits dat gij een altaar voor u gebouwd hebt, om heden tegen den HEERE wederspannig te zijn?</verse>
				<verse number="17">Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plaag in de vergadering des HEEREN geweest is?</verse>
				<verse number="18">Dewijl gij u heden van achter den HEERE afkeert, het zal dan geschieden, als gij heden wederspannig zijt tegen den HEERE, zo zal Hij Zich morgen grotelijks vertoornen tegen de ganse gemeente van Israël.</verse>
				<verse number="19">Maar toch, indien het land uwer bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting des HEEREN, waar de tabernakel des HEEREN woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet wederspannig tegen den HEERE, en zijt ook niet wederspannig tegen ons, een altaar voor u bouwende, behalve het altaar van den HEERE, onzen God.</verse>
				<verse number="20">Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een verbolgenheid over de ganse vergadering van Israël? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="21">Toen antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden van Israël:</verse>
				<verse number="22">De God der goden, de HEERE, de God der goden, de HEERE, Die weet het; Israël zelf zal het ook weten! Is het door wederspannigheid, of is het door overtreding tegen den HEERE, zo behoudt ons heden niet;</verse>
				<verse number="23">Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter den HEERE af te keren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zo eise het de HEERE.</verse>
				<verse number="24">En zo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt gij met den HEERE, den God van Israël, te doen?</verse>
				<verse number="25">De HEERE heeft immers de Jordaan tot landpale gezet tussen ons en tussen ulieden, gij, kinderen van Ruben, en gij, kinderen van Gad! gij hebt geen deel aan den HEERE. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij den HEERE niet vreesden.</verse>
				<verse number="26">Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer, noch ten offer.</verse>
				<verse number="27">Maar dat het een getuige zij tussen ons en tussen ulieden, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij den dienst des HEEREN voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandofferen, en met onze slachtofferen, en met onze dankofferen; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan den HEERE.</verse>
				<verse number="28">Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt, dat zij morgen alzo tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des HEEREN, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen ulieden.</verse>
				<verse number="29">Het zij verre van ons, van ons dat wij zouden wederspannig zijn tegen den HEERE, of dat wij te dezen dage ons van achter den HEERE afkeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer, of ten slachtoffer, behalve het altaar van den HEERE, onzen God, dat voor Zijn tabernakel is.</verse>
				<verse number="30">Toen de priester Pínehas, en de oversten der vergadering, en de hoofden der duizenden van Israël, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen.</verse>
				<verse number="31">En Pínehas, de zoon van den priester Eleázar, zeide tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat de HEERE in het midden van ons is, dewijl gij deze overtreding tegen den HEERE niet begaan hebt; toen hebt gijlieden de kinderen Israëls verlost uit de hand des HEEREN.</verse>
				<verse number="32">En Pínehas, de zoon van den priester Eleázar, keerde wederom met de oversten van de kinderen van Ruben, en van de kinderen van Gad, uit het land Gilead, naar het land Kanaän, tot de kinderen Israëls; en zij brachten hun antwoord weder;</verse>
				<verse number="33">Het antwoord nu was goed in de ogen van de kinderen Israëls, en de kinderen Israëls loofden God, en zeiden niet meer van tegen hen op te trekken met een heir, om het land te verderven, waarin de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden.</verse>
				<verse number="34">En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tussen ons, dat de HEERE God is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">En het geschiedde na vele dagen, nadat de HEERE Israël rust gegeven had van al zijn vijanden rondom heen, en Jozua oud geworden en wel bedaagd was;</verse>
				<verse number="2">Zo riep Jozua gans Israël, hun oudsten, en hun hoofden, en hun richters, en hun ambtlieden, en hij zeide tot hen: Ik ben oud geworden, en wel bedaagd;</verse>
				<verse number="3">En gijlieden hebt gezien alles, wat de HEERE, uw God, gedaan heeft aan al deze volken voor uw aangezicht; want de HEERE, uw God, Zelf, is het, Die voor u gestreden heeft.</verse>
				<verse number="4">Ziet, ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, ten erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik uitgeroeid heb, en tot de grote zee, tegen den ondergang der zon.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE, uw God, Zelf zal hen uitstoten voor ulieder aangezicht, en Hij zal hen van voor ulieder aangezicht verdrijven; en gij zult hun land erfelijk bezitten, gelijk als de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="6">Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van Mozes; opdat gij daarvan niet afwijkt ter rechter- noch ter linkerhand;</verse>
				<verse number="7">Dat gij niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij ulieden; gedenkt ook niet aan den naam hunner goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet;</verse>
				<verse number="8">Maar den HEERE, uw God, zult gij aanhangen, gelijk als gij tot op dezen dag gedaan hebt.</verse>
				<verse number="9">Want de HEERE heeft van uw aangezicht verdreven grote en machtige volken; en u aangaande, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan, tot op dezen dag toe.</verse>
				<verse number="10">Eén enig man onder u zal er duizend jagen; want het is de HEERE, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="11">Daarom bewaart uw zielen naarstiglijk, dat gij den HEERE, uw God, liefhebt.</verse>
				<verse number="12">Want zo gij enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan, en zij tot u;</verse>
				<verse number="13">Weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God, gegeven heeft.</verse>
				<verse number="14">En ziet, ik ga heden in den weg der ganse aarde; en gij weet in uw ganse hart en in uw ganse ziel, dat er niet één enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de HEERE, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is van dezelve niet een enig woord gevallen.</verse>
				<verse number="15">En het zal geschieden, gelijk als al die goede dingen over u gekomen zijn, die de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft, alzo zal de HEERE over u komen laten al die kwade dingen, totdat Hij u verdelge van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God gegeven heeft.</verse>
				<verse number="16">Wanneer gij het verbond des HEEREN, uws Gods, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en gij heengaat en dient andere goden, en u voor dezelve nederbuigt, zo zal de toorn des HEEREN over u ontsteken, en gij zult haastiglijk omkomen van het goede land, hetwelk Hij u gegeven heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en deszelfs hoofden, en deszelfs richters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.</verse>
				<verse number="3">Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het ganse land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.</verse>
				<verse number="4">En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte.</verse>
				<verse number="5">Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.</verse>
				<verse number="6">Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.</verse>
				<verse number="7">Zij nu riepen tot den HEERE, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.</verse>
				<verse number="8">Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.</verse>
				<verse number="9">Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bíleam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.</verse>
				<verse number="10">Maar Ik wilde Bíleam niet horen; dies zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand.</verse>
				<verse number="11">Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand.</verse>
				<verse number="12">En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, gelijk de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.</verse>
				<verse number="13">Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt.</verse>
				<verse number="14">En nu, vreest den HEERE, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den HEERE.</verse>
				<verse number="15">Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!</verse>
				<verse number="16">Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen.</verse>
				<verse number="17">Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn.</verse>
				<verse number="18">En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den HEERE dienen, want Hij is onze God.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven.</verse>
				<verse number="20">Indien gij den HEERE verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den HEERE dienen.</verse>
				<verse number="22">Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den HEERE verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.</verse>
				<verse number="23">En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE, den God van Israël.</verse>
				<verse number="24">En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den HEERE, onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen.</verse>
				<verse number="25">Alzo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.</verse>
				<verse number="26">En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was.</verse>
				<verse number="27">En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt.</verse>
				<verse number="28">Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.</verse>
				<verse number="29">En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren.</verse>
				<verse number="30">En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Serah, welke is op een berg van Efraïm, aan het noorden van den berg Gaäs.</verse>
				<verse number="31">Israël nu diende den HEERE al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk des HEEREN wisten, hetwelk Hij aan Israël gedaan had.</verse>
				<verse number="32">Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israëls uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.</verse>
				<verse number="33">Ook stierf Eleázar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op den heuvel van Pínehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="7">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israëls den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te krijgen?</verse>
				<verse number="2">En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaänieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.</verse>
				<verse number="4">En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaänieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bézek, tien duizend man.</verse>
				<verse number="5">En zij vonden Adóni-Bézek te Bézek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaänieten en de Ferezieten.</verse>
				<verse number="6">Doch Adóni-Bézek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Adóni-Bézek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.</verse>
				<verse number="8">Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.</verse>
				<verse number="9">En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaänieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.</verse>
				<verse number="10">En Juda was heengetogen tegen de Kanaänieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was te voren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sésai, en Ahíman, en Thalmai.</verse>
				<verse number="11">En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.</verse>
				<verse number="12">En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.</verse>
				<verse number="13">Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.</verse>
				<verse number="14">En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?</verse>
				<verse number="15">En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.</verse>
				<verse number="16">De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.</verse>
				<verse number="17">Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.</verse>
				<verse number="18">Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.</verse>
				<verse number="19">En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.</verse>
				<verse number="20">En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.</verse>
				<verse number="21">Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="22">En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.</verse>
				<verse number="23">En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.</verse>
				<verse number="24">En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.</verse>
				<verse number="25">En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.</verse>
				<verse number="26">Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="27">En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Tháänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dôr met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jîbleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelve land.</verse>
				<verse number="28">En het geschiedde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.</verse>
				<verse number="29">Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer.</verse>
				<verse number="30">Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Náhalol; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.</verse>
				<verse number="31">Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;</verse>
				<verse number="32">Maar de Aserieten woonden in het midden der Kanaänieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.</verse>
				<verse number="33">Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Sémes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaänieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Sémes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.</verse>
				<verse number="34">En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.</verse>
				<verse number="35">Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajálon, en te Saälbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.</verse>
				<verse number="36">En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan?</verse>
				<verse number="3">Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde, als de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israëls gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.</verse>
				<verse number="5">Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den HEERE.</verse>
				<verse number="6">Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de kinderen Israëls heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="7">En het volk diende den HEERE, al de dagen van Jozua, en al de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk des HEEREN, dat Hij aan Israël gedaan had.</verse>
				<verse number="8">Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde;</verse>
				<verse number="9">En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van den berg Gaäs;</verse>
				<verse number="10">En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat den HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had.</verse>
				<verse number="11">Toen deden de kinderen Israëls, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Baäls.</verse>
				<verse number="12">En zij verlieten den HEERE, hunner vaderen God, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten den HEERE tot toorn.</verse>
				<verse number="13">Want zij verlieten den HEERE, en dienden den Baäl en Astharoth.</verse>
				<verse number="14">Zo ontstak des HEEREN toorn tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand der rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand hunner vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden.</verse>
				<verse number="15">Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE hun gezworen had; en hun was zeer bange.</verse>
				<verse number="16">En de HEERE verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;</verse>
				<verse number="17">Doch zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van den weg, dien hun vaders gewandeld hadden, horende de geboden des HEEREN; alzo deden zij niet.</verse>
				<verse number="18">En wanneer de HEERE hun richteren verwekte, zo was de HEERE met den richter, en verloste hen uit de hand hunner vijanden, al de dagen des richters; want het berouwde den HEERE, huns zuchtens halve vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten.</verse>
				<verse number="19">Maar het geschiedde met het versterven des richters, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van dezen hun harden weg.</verse>
				<verse number="20">Daarom ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël, dat Hij zeide: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben;</verse>
				<verse number="21">Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf;</verse>
				<verse number="22">Opdat Ik Israël door hen verzoeke, of zij den weg des HEEREN zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.</verse>
				<verse number="23">Alzo liet de HEERE deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastelijk uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Dit nu zijn de heidenen, die de HEERE liet blijven, om door hen Israël te verzoeken, allen, die niet wisten van al de krijgen van Kanaän;</verse>
				<verse number="2">Alleenlijk, opdat de geslachten der kinderen Israëls die wisten, opdat Hij hun den krijg leerde, tenminste dengenen, die daar te voren niet van wisten.</verse>
				<verse number="3">Vijf vorsten der Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van den Libanon, van den berg Baäl-Hermon, tot daar men komt te Hamath.</verse>
				<verse number="4">Dezen dan waren, om Israël door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden des HEEREN zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="5">Als nu de kinderen Israëls woonden in het midden der Kanaänieten, der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten;</verse>
				<verse number="6">Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen; en zij dienden derzelver goden.</verse>
				<verse number="7">En de kinderen Israëls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten den HEERE, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen.</verse>
				<verse number="8">Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischatáïm, koning van Mesopotámië; en de kinderen Israëls dienden Cuschan Rischatáïm acht jaren.</verse>
				<verse number="9">Zo riepen de kinderen Israëls tot den HEERE; en de HEERE verwekte den kinderen Israëls een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij.</verse>
				<verse number="10">En de Geest des HEEREN was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en de HEERE gaf Cuschan Rischatáïm, den koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischatáïm.</verse>
				<verse number="11">Toen was het land veertig jaren stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf.</verse>
				<verse number="12">Maar de kinderen Israëls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; toen sterkte de HEERE Eglon, den koning der Moabieten, tegen Israël, omdat zij deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">En hij vergaderde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij toog heen, en sloeg Israël, en zij namen de Palmstad in bezit.</verse>
				<verse number="14">En de kinderen Israëls dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren.</verse>
				<verse number="15">Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen Israëls zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten.</verse>
				<verse number="16">En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup.</verse>
				<verse number="17">En hij bracht aan Eglon, den koning der Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden;</verse>
				<verse number="19">Maar hij zelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.</verse>
				<verse number="20">En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u. Toen stond hij op van den stoel.</verse>
				<verse number="21">Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik;</verse>
				<verse number="22">Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de drek uitging.</verse>
				<verse number="23">Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot.</verse>
				<verse number="24">Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer.</verse>
				<verse number="25">Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open; en ziet, hunlieder heer lag ter aarde dood.</verse>
				<verse number="26">En Ehud ontkwam, terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehírath.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraïm; en de kinderen Israëls togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.</verse>
				<verse number="28">En hij zeide tot hen: Volgt mij na; want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veren van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan.</verse>
				<verse number="29">En zij sloegen de Moabieten te dier tijd, omtrent tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet één man ontkwam.</verse>
				<verse number="30">Alzo werd Moab te dien dage onder Israëls hand ten ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren.</verse>
				<verse number="31">Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Maar de kinderen Israëls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, als Ehud gestorven was.</verse>
				<verse number="2">Zo verkocht hen de HEERE in de hand van Jabin, koning der Kanaänieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sísera; dezelve nu woonde in Haróseth der heidenen.</verse>
				<verse number="3">Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE; want hij had negenhonderd ijzeren wagenen, en hij had de kinderen Israëls met geweld onderdrukt, twintig jaren.</verse>
				<verse number="4">Debóra nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidôth, deze richtte te dier tijd Israël.</verse>
				<verse number="5">En zij woonde onder den palmboom van Debóra, tussen Rama en tussen Beth-El, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen Israëls gingen op tot haar ten gerichte.</verse>
				<verse number="6">En zij zond heen en riep Barak, den zoon van Abinóam, van Kedes-Nafthali; en zij zeide tot hem: Heeft de HEERE, de God Israëls, niet geboden: Ga heen en trek op den berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?</verse>
				<verse number="7">En Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sísera, den krijgsoverste van Jabin, met zijn wagenen en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven?</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Barak tot haar: Indien gij met mij trekken zult, zo zal ik heen trekken; maar indien gij niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken.</verse>
				<verse number="9">En zij zeide: Ik zal zekerlijk met u trekken, behalve dat de eer de uwe niet zal zijn op dezen weg, dien gij wandelt; want de HEERE zal Sísera verkopen in de hand ener vrouw. Alzo maakte Debóra zich op, en toog met Barak naar Kedes.</verse>
				<verse number="10">Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debóra met hem op.</verse>
				<verse number="11">Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, uit de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan den eik in Zaänáïm, die bij Kedes is.</verse>
				<verse number="12">Toen boodschapten zij Sísera, dat Barak, de zoon van Abinóam, op den berg Thabor getogen was.</verse>
				<verse number="13">Zo riep Sísera al zijn wagenen bijeen, negenhonderd ijzeren wagenen, en al het volk, dat met hem was, van Haróseth der heidenen tot de beek Kison.</verse>
				<verse number="14">Debóra dan zeide tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welken de HEERE Sísera in uw hand gegeven heeft; is de HEERE niet voor uw aangezicht henen uitgetogen? Zo trok Barak van den berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.</verse>
				<verse number="15">En de HEERE versloeg Sísera, met al zijn wagenen, en het ganse heirleger, door de scherpte des zwaards, voor het aangezicht van Barak; dat Sísera van den wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten.</verse>
				<verse number="16">En Barak jaagde ze na, achter de wagenen en achter het heirleger, tot aan Haróseth der heidenen. En het ganse heirleger van Sísera viel door de scherpte des zwaards, dat er niet overbleef tot één toe.</verse>
				<verse number="17">Maar Sísera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; want er was vrede tussen Jabin, den koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, den Keniet.</verse>
				<verse number="18">Jaël nu ging uit, Sísera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.</verse>
				<verse number="19">Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.</verse>
				<verse number="20">Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.</verse>
				<verse number="21">Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.</verse>
				<verse number="22">En ziet, Barak vervolgde Sísera; en Jaël ging uit hem tegemoet, en zeide tot hem: Kom, en ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sísera lag dood, en de nagel was in den slaap zijns hoofds.</verse>
				<verse number="23">Alzo heeft God te dien dage Jabin, den koning van Kanaän, ten ondergebracht, voor het aangezicht der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="24">En de hand der kinderen Israëls ging steeds voort, en werd hard over Jabin, den koning van Kanaän, totdat zij Jabin, den koning van Kanaän, hadden uitgeroeid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Voorts zong Debóra, en Barak, de zoon van Abinóam, ten zelven dage, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Looft den HEERE, van het wreken der wraken in Israël, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden.</verse>
				<verse number="3">Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israëls, psalmzingen.</verse>
				<verse number="4">HEERE! toen Gij voorttoogt van Seïr, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water.</verse>
				<verse number="5">De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinaï van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israël.</verse>
				<verse number="6">In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.</verse>
				<verse number="7">De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debóra, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israël.</verse>
				<verse number="8">Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israël?</verse>
				<verse number="9">Mijn hart is tot de wetgevers van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft den HEERE!</verse>
				<verse number="10">Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerichte zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van!</verse>
				<verse number="11">Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheden des HEEREN, van de gerechtigheden, bewezen aan Zijn dorpen in Israël; toen ging des HEEREN volk af tot de poorten.</verse>
				<verse number="12">Waak op, waak op, Debóra, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinóam.</verse>
				<verse number="13">Toen deed Hij den overgeblevene heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.</verse>
				<verse number="14">Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.</verse>
				<verse number="15">Ook waren de vorsten in Issaschar met Debóra; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.</verse>
				<verse number="16">Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten.</verse>
				<verse number="17">Gilead bleef aan gene zijde van de Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen.</verse>
				<verse number="18">Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.</verse>
				<verse number="19">De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Tháänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.</verse>
				<verse number="20">Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sísera.</verse>
				<verse number="21">De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedûmin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.</verse>
				<verse number="22">Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.</verse>
				<verse number="23">Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.</verse>
				<verse number="24">Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!</verse>
				<verse number="25">Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter.</verse>
				<verse number="26">Haar hand sloeg zij aan den nagel, en haar rechterhand aan den hamer der arbeidslieden; en zij klopte Sísera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doornageld en doordrongen.</verse>
				<verse number="27">Tussen haar voeten kromde hij zich, viel henen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden!</verse>
				<verse number="28">De moeder van Sísera keek uit door het venster, en schreeuwde door de traliën: Waarom vertoeft zijn wagen te komen! Waarom blijven de gangen zijner wagenen achter?</verse>
				<verse number="29">De wijsten harer staatvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij haar redenen aan zichzelve:</verse>
				<verse number="30">Zouden zij dan den buit niet vinden en delen? een liefje, of twee liefjes, voor iegelijken man? Voor Sísera een buit van verscheidene verven, een buit van verscheidene verven, gestikt; van verscheiden verf aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen?</verse>
				<verse number="31">Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Maar de kinderen Israëls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf hen de HEERE in de hand der Midianieten, zeven jaren.</verse>
				<verse number="2">Als nu de hand der Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen Israëls, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen.</verse>
				<verse number="3">Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen.</verse>
				<verse number="4">En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands, tot daar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel.</verse>
				<verse number="5">Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.</verse>
				<verse number="6">Alzo werd Israël zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE.</verse>
				<verse number="7">En het geschiedde, als de kinderen Israëls tot den HEERE riepen, ter oorzake van de Midianieten;</verse>
				<verse number="8">Zo zond de HEERE een man, die een profeet was, tot de kinderen Israëls; die zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd;</verse>
				<verse number="9">En Ik heb u verlost van de hand der Egyptenaren, en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven;</verse>
				<verse number="10">En Ik zeide tot ulieden: Ik ben de HEERE, uw God; vreest de goden der Amorieten niet, in welker land gij woont; maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest.</verse>
				<verse number="11">Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gídeon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.</verse>
				<verse number="12">Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zeide tot hem: De HEERE is met u, gij strijdbare held!</verse>
				<verse number="13">Maar Gídeon zeide tot Hem: Och, mijn Heer, zo de HEERE met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons de HEERE niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft ons de HEERE verlaten, en heeft ons in der Midianieten hand gegeven.</verse>
				<verse number="14">Toen keerde zich de HEERE tot hem, en zeide: Ga heen in deze uw kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen; heb Ik u niet gezonden?</verse>
				<verse number="15">En hij zeide tot Hem: Och, mijn Heer! waarmede zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis.</verse>
				<verse number="16">En de HEERE zeide tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult gij de Midianieten slaan, als een enigen man.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat Gij het zijt, Die met mij spreekt.</verse>
				<verse number="18">Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zeide: Ik zal blijven, totdat gij wederkomt.</verse>
				<verse number="19">En Gídeon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meels; het vlees legde hij in een korf, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder den eik, en zette het nader.</verse>
				<verse number="20">Doch de Engel Gods zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op dien rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed alzo.</verse>
				<verse number="21">En de Engel des HEEREN stak het uiterste van den staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des HEEREN bekwam uit zijn ogen.</verse>
				<verse number="22">Toen zag Gídeon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gídeon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.</verse>
				<verse number="23">Doch de HEERE zeide tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.</verse>
				<verse number="24">Toen bouwde Gídeon aldaar den HEERE een altaar, en noemde het: De HEERE is vrede! het is nog tot op dezen dag in Ofra der Abi-ezrieten.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde in dienzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Neem een var van de ossen, die van uw vader zijn, te weten, den tweeden var, van zeven jaren; en breek af het altaar van Baäl, dat van uw vader is, en houw af het bos, dat daarbij is.</verse>
				<verse number="26">En bouw den HEERE, uw God, een altaar, op de hoogte dezer sterkte, in een bekwame plaats; en neem den tweeden var, en offer een brandoffer met het hout der hage, die gij zult hebben afgehouwen.</verse>
				<verse number="27">Toen nam Gídeon tien mannen uit zijn knechten, en deed, gelijk als de HEERE tot hem gesproken had. Doch het geschiedde, dewijl hij zijns vaders huis en de mannen van die stad vreesde, van het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht.</verse>
				<verse number="28">Als nu de mannen van die stad des morgens vroeg opstonden, ziet, zo was het altaar van Baäl omgeworpen, en de haag, die daarbij was, afgehouwen, en die tweede var was op het gebouwde altaar geofferd.</verse>
				<verse number="29">Zo zeiden zij, de een tot den ander: Wie heeft dit stuk gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zo zeide men: Gídeon, de zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan.</verse>
				<verse number="30">Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft.</verse>
				<verse number="31">Joas daarentegen zeide tot allen, die bij hem stonden: Zult gij voor den Baäl twisten; zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog dezen morgen gedood worden! Indien hij een god is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen.</verse>
				<verse number="32">Daarom noemde hij hem te dien dage Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.</verse>
				<verse number="33">Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.</verse>
				<verse number="34">Toen toog de Geest des HEEREN Gídeon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.</verse>
				<verse number="35">Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.</verse>
				<verse number="36">En Gídeon zeide tot God: Indien Gij Israël door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt;</verse>
				<verse number="37">Zie, ik zal een wollen vlies op den vloer leggen; indien er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de ganse aarde, zo zal ik weten, dat Gij Israël door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="38">En het geschiedde alzo; want hij stond des anderen daags vroeg op, en drukte het vlies uit, en hij wrong den dauw uit het vlies, een schaal vol waters.</verse>
				<verse number="39">En Gídeon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw.</verse>
				<verse number="40">En God deed alzo in denzelven nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Toen stond Jerubbaäl (dewelke is Gídeon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger der Midianieten had tegen het noorden, achter den heuvel More, in het dal.</verse>
				<verse number="2">En de HEERE zeide tot Gídeon: Des volks is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.</verse>
				<verse number="3">Nu dan, roep nu uit voor de oren des volks, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weder, en spoede zich naar het gebergte van Gílead! Toen keerden uit het volk weder twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zeide tot Gídeon: Nog is des volks te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u aldaar beproeven; en het zal geschieden, van welken Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van welken Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.</verse>
				<verse number="5">En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zeide de HEERE tot Gídeon: Al wie met zijn tong uit het water zal lekken, gelijk als een hond zou lekken, dien zult gij alleen stellen; desgelijks al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken.</verse>
				<verse number="6">Toen was het getal dergenen, die met hun hand tot hun mond gelekt hadden, driehonderd man; maar alle overigen des volks hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken.</verse>
				<verse number="7">En de HEERE zeide tot Gídeon: Door deze driehonderd mannen, die gelekt hebben, zal Ik ulieden verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.</verse>
				<verse number="8">En het volk nam den teerkost in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israël gaan, een iegelijk naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianieten beneden in het dal.</verse>
				<verse number="9">En het geschiedde in denzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Sta op, ga henen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.</verse>
				<verse number="10">Vreest gij dan nog af te gaan, zo ga af, gij, en Pura, uw jongen, naar het leger.</verse>
				<verse number="11">En gij zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste der schildwachten, die in het leger waren.</verse>
				<verse number="12">En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kemelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte.</verse>
				<verse number="13">Toen nu Gídeon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zeide: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag.</verse>
				<verse number="14">En zijn metgezel antwoordde, en zeide: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gídeon, den zoon van Joas, den Israëlietischen man; God heeft de Midianieten en dit ganse leger in zijn hand gegeven.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde, als Gídeon de vertelling dezes drooms, en zijn uitlegging hoorde, zo aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger van Israël, en zeide: Maakt u op, want de HEERE heeft het leger der Midianieten in ulieder hand gegeven.</verse>
				<verse number="16">En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een iegelijk een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden der kruiken.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide tot hen: Ziet naar mij en doet alzo; en ziet, als ik zal komen aan het uiterste des legers, zo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen, alzo zult gij doen.</verse>
				<verse number="18">Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult gijlieden ook met de bazuin blazen, rondom het ganse leger, en gij zult zeggen: Voor den HEERE en voor Gídeon!</verse>
				<verse number="19">Alzo kwam Gídeon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken.</verse>
				<verse number="20">Alzo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met hun linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van den HEERE, en van Gídeon!</verse>
				<verse number="21">En zij stonden, een iegelijk in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het ganse leger, en zij schreeuwden en vloden.</verse>
				<verse number="22">Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette de HEERE het zwaard des een tegen den anderen, en dat in het ganse leger; en het leger vluchtte tot Beth-Sitta toe naar Tserédath, tot aan de grens van Abel-Mehóla, boven Tabbath.</verse>
				<verse number="23">Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.</verse>
				<verse number="24">Ook zond Gídeon boden in het ganse gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af den Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bára, te weten de Jordaan; alzo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bára, en de Jordaan.</verse>
				<verse number="25">En zij vingen twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op den rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gídeon, over de Jordaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.</verse>
				<verse number="2">Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?</verse>
				<verse number="3">God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.</verse>
				<verse number="4">Als nu Gídeon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.</verse>
				<verse number="5">En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmûna, de koningen der Midianieten, achterna.</verse>
				<verse number="6">Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmûna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Gídeon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmûna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.</verse>
				<verse number="8">En hij toog van daar op naar Pnuël, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuël antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.</verse>
				<verse number="9">Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik dezen toren afwerpen.</verse>
				<verse number="10">Zebah nu en Tsalmûna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.</verse>
				<verse number="11">En Gídeon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jógbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.</verse>
				<verse number="12">En Zebah en Tsalmûna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmûna, en verschrikte het ganse leger.</verse>
				<verse number="13">Toen nu Gídeon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,</verse>
				<verse number="14">Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.</verse>
				<verse number="15">Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmûna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmûna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven?</verse>
				<verse number="16">En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.</verse>
				<verse number="17">En den toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de lieden der stad.</verse>
				<verse number="18">Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmûna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden!</verse>
				<verse number="20">En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.</verse>
				<verse number="21">Toen zeiden Zebah en Tsalmûna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gídeon op, en doodde Zebah en Tsalmûna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.</verse>
				<verse number="22">Toen zeiden de mannen van Israël tot Gídeon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.</verse>
				<verse number="23">Maar Gídeon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.</verse>
				<verse number="24">Voorts zeide Gídeon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaëlieten waren.</verse>
				<verse number="25">En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.</verse>
				<verse number="26">En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.</verse>
				<verse number="27">En Gídeon maakte daarvan een efod, en stelde dien in zijn stad, te Ofra; en gans Israël hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gídeon en zijn huis tot een valstrik.</verse>
				<verse number="28">Alzo werden de Midianieten ten ondergebracht voor het aangezicht der kinderen Israëls, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gídeon.</verse>
				<verse number="29">En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.</verse>
				<verse number="30">Gídeon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.</verse>
				<verse number="31">En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimélech.</verse>
				<verse number="32">En Gídeon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.</verse>
				<verse number="33">En het geschiedde, als Gídeon gestorven was, dat de kinderen Israëls zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-Berith tot een god.</verse>
				<verse number="34">En de kinderen Israëls dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.</verse>
				<verse number="35">En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gídeon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Abimélech nu, de zoon van Jerubbaäl, ging henen naar Sichem, tot de broeders zijner moeder; en hij sprak tot hen, en tot het ganse geslacht van het huis van den vader zijner moeder, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Spreekt toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat één man over u heerse? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vlees ben.</verse>
				<verse number="3">Toen spraken de broeders zijner moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al dezelve woorden; en hun hart neigde zich naar Abimélech; want zij zeiden: Hij is onze broeder.</verse>
				<verse number="4">En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-Berith; en Abimélech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden.</verse>
				<verse number="5">En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra, en doodde zijn broederen, de zonen van Jerubbaäl, zeventig mannen, op een steen; doch Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl werd overgelaten, want hij had zich verstoken.</verse>
				<verse number="6">Toen vergaderden zich alle burgeren van Sichem, en het ganse huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimélech ten koning, bij den hogen eik, die bij Sichem is.</verse>
				<verse number="7">Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte des bergs Gerizîm, en verhief zijn stem, en riep, en hij zeide tot hen: Hoort naar mij, gij, burgers van Sichem! en God zal naar ulieden horen.</verse>
				<verse number="8">De bomen gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot den olijfboom: Wees gij koning over ons.</verse>
				<verse number="9">Maar de olijfboom zeide tot hen: Zoude ik mijn vettigheid verlaten, die God en de mensen in mij prijzen? En zoude ik heengaan om te zweven over de bomen?</verse>
				<verse number="10">Toen zeiden de bomen tot den vijgeboom: Kom gij, wees koning over ons.</verse>
				<verse number="11">Maar de vijgeboom zeide tot hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht verlaten? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?</verse>
				<verse number="12">Toen zeiden de bomen tot den wijnstok: Kom gij, wees koning over ons.</verse>
				<verse number="13">Maar de wijnstok zeide tot hen: Zou ik mijn most verlaten, die God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?</verse>
				<verse number="14">Toen zeiden al de bomen tot den doornenbos: Kom gij, wees koning over ons.</verse>
				<verse number="15">En de doornenbos zeide tot de bomen: Indien gij mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar indien niet, zo ga vuur uit den doornenbos, en vertere de cederen van den Libanon.</verse>
				<verse number="16">Alzo nu, indien gij het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat gij Abimélech koning gemaakt hebt, en indien gij welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en indien gij hem naar de verdienste zijner handen gedaan hebt.</verse>
				<verse number="17">(Want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit der Midianieten hand gered;</verse>
				<verse number="18">Maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis mijns vaders, en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op een steen gedood; en gij hebt Abimélech, een zoon zijner dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broeder is);</verse>
				<verse number="19">Indien gij dan in waarheid en in oprechtheid bij Jerubbaäl en bij zijn huis te dezen dage gehandeld hebt, zo weest vrolijk over Abimélech, en hij zij ook vrolijk over ulieden.</verse>
				<verse number="20">Maar indien niet, zo ga vuur uit van Abimélech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimélech!</verse>
				<verse number="21">Toen vlood Jotham, en vluchtte, en ging naar Beër; en hij woonde aldaar vanwege zijn broeder Abimélech.</verse>
				<verse number="22">Als nu Abimélech drie jaren over Israël geheerst had,</verse>
				<verse number="23">Zo zond God een bozen geest tussen Abimélech en tussen de burgers van Sichem; en de burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimélech;</verse>
				<verse number="24">Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimélech, hun broeder, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broeders te doden.</verse>
				<verse number="25">En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de hoogten der bergen lagen legden, en al wie voorbij hen op den weg doorging, beroofden zij; en het werd Abimélech aangezegd.</verse>
				<verse number="26">Gaäl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broederen, en zij gingen over in Sichem; en de burgeren van Sichem verlieten zich op hem.</verse>
				<verse number="27">En zij togen uit in het veld, en lazen hun wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliederen; en zij gingen in het huis huns gods, en aten en dronken, en vloekten Abimélech.</verse>
				<verse number="28">En Gaäl, de zoon van Ebed, zeide: Wie is Abimélech, en wat is Sichem, dat wij hem dienen zouden? is hij niet een zoon van Jerubbaäl? en Zebul zijn bevelhebber? dient liever de mannen van Hemor, den vader van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen?</verse>
				<verse number="29">Och, dat dit volk in mijn hand ware! ik zoude Abimélech wel verdrijven. En tot Abimélech zeide hij: Vermeerder uw heir, en trek uit.</verse>
				<verse number="30">Als Zebul, de overste der stad, de woorden van Gaäl, den zoon van Ebed, hoorde, zo ontstak zijn toorn.</verse>
				<verse number="31">En hij zond listiglijk boden tot Abimélech, zeggende: Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broeders zijn te Sichem gekomen, en zie, zij, met deze stad, handelen vijandiglijk tegen u.</verse>
				<verse number="32">Zo maak u nu op bij nacht, gij en het volk, dat met u is, en leg lagen in het veld.</verse>
				<verse number="33">En het geschiede in den morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, gelijk als uw hand vinden zal.</verse>
				<verse number="34">Abimélech dan maakte zich op, en al het volk, dat met hem was, bij nacht; en zij legden lagen op Sichem, met vier hopen.</verse>
				<verse number="35">En Gaäl, de zoon van Ebed, ging uit, en stond aan de deur van de stadspoort; en Abimélech rees op, en al het volk, dat met hem was, uit de achterlage.</verse>
				<verse number="36">Als Gaäl dat volk zag, zo zeide hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de hoogten der bergen. Zebul daarentegen zeide tot hem: Gij ziet de schaduw der bergen voor mensen aan.</verse>
				<verse number="37">Maar Gaäl voer wijders voort te spreken en zeide: Zie daar volk, afkomende uit het midden des lands, en een hoop komt van den weg van den eik Meónenim.</verse>
				<verse number="38">Toen zeide Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmede gij zeidet: Wie is Abimélech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat gij veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem!</verse>
				<verse number="39">En Gaäl trok uit voor het aangezicht der burgeren van Sichem, en hij streed tegen Abimélech.</verse>
				<verse number="40">En Abimélech jaagde hem na, want hij vlood voor zijn aangezicht; en er vielen vele verslagenen tot aan de deur der stads poort.</verse>
				<verse number="41">Abimélech nu bleef te Aruma; en Zebul verdreef Gaäl en zijn broederen, dat zij te Sichem niet mochten wonen.</verse>
				<verse number="42">En het geschiedde des anderen daags dat het volk uittrok in het veld, en zij zeiden het Abimélech aan.</verse>
				<verse number="43">Toen nam hij het volk, en deelde hen in drie hopen, en hij legde lagen in het veld; en hij zag toe, en ziet, het volk trok uit de stad, zo maakte hij zich tegen hen op, en sloeg hen.</verse>
				<verse number="44">Want Abimélech en de hopen, die bij hem waren, overvielen hen, en bleven staan aan de deur der stadspoort; en de twee andere hopen overvielen allen, die in het veld waren, en sloegen hen.</verse>
				<verse number="45">Voorts streed Abimélech tegen de stad dienzelven gansen dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout.</verse>
				<verse number="46">Als alle burgers des torens van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de sterkte, in het huis van den god Berith.</verse>
				<verse number="47">En het werd Abimélech aangezegd, dat alle burgeren des torens van Sichem zich verzameld hadden.</verse>
				<verse number="48">Zo ging Abimélech op den berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimélech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zeide tot het volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik.</verse>
				<verse number="49">Zo hieuw ook al het volk een iegelijk zijn tak af, en zij volgden Abimélech na, en legden ze aan de sterkte, en verbrandden daardoor de sterkte met vuur; dat ook alle lieden des torens van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen.</verse>
				<verse number="50">Voorts toog Abimélech naar Thebez, en hij legerde zich tegen Thebez, en nam haar in.</verse>
				<verse number="51">Doch er was een sterke toren in het midden der stad; zo vloden daarheen al de mannen en de vrouwen, en alle burgers van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak des torens.</verse>
				<verse number="52">Toen kwam Abimélech tot aan den toren, en bestormde dien; en hij genaakte tot aan de deur des torens, om dien met vuur te verbranden.</verse>
				<verse number="53">Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimélechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan.</verse>
				<verse number="54">Toen riep hij haastelijk den jongen, die zijn wapenen droeg, en zeide tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij, opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem, dat hij stierf.</verse>
				<verse number="55">Als nu de mannen van Israël zagen, dat Abimélech dood was, zo gingen zij een iegelijk naar zijn plaats.</verse>
				<verse number="56">Alzo deed God wederkeren het kwaad van Abimélech, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende zijn zeventig broederen.</verse>
				<verse number="57">Desgelijks al het kwaad der lieden van Sichem deed God wederkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, den zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Na Abimélech nu stond op, om Israël te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraïm.</verse>
				<verse number="2">En hij richtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.</verse>
				<verse number="3">En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.</verse>
				<verse number="4">En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvôth-Jaïr, tot op dezen dag, dewelke in het land van Gilead zijn.</verse>
				<verse number="5">En Jaïr stierf, en werd begraven te Kamon.</verse>
				<verse number="6">Toen voeren de kinderen Israëls voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den HEERE, en dienden Hem niet.</verse>
				<verse number="7">Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand der Filistijnen, en in de hand der kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="8">En zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israëls in datzelve jaar; achttien jaren onderdrukten zij al de kinderen Israëls, die aan gene zijde van de Jordaan waren, in het land der Amorieten, dat in Gilead is.</verse>
				<verse number="9">Daartoe togen de kinderen Ammons over de Jordaan, om te krijgen, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zodat het Israël zeer bang werd.</verse>
				<verse number="10">Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onzen God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben.</verse>
				<verse number="11">Maar de HEERE zeide tot de kinderen Israëls: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen,</verse>
				<verse number="12">En de Sidoniërs, en Amalekieten, en Maonieten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riept, alsdan uit hun hand verlost?</verse>
				<verse number="13">Nochtans hebt gij Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen.</verse>
				<verse number="14">Gaat henen, roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laten die u verlossen, ter tijd uwer benauwdheid.</verse>
				<verse number="15">Maar de kinderen Israëls zeiden tot den HEERE: Wij hebben gezondigd; doe Gij ons, naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleenlijk verlos ons toch te dezen dage!</verse>
				<verse number="16">En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden den HEERE. Toen werd Zijn ziel verdrietig over den arbeid van Israël.</verse>
				<verse number="17">En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen Israëls vergaderd, en legerden zich te Mizpa.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide het volk, de oversten van Gilead, de een tot den ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; doch Gilead had Jeftha gegenereerd.</verse>
				<verse number="2">Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen dezer vrouw, groot geworden zijnde, stieten Jeftha uit, en zeiden tot hem: Gij zult in het huis onzes vaders niet erven, want gij zijt een zoon van een andere vrouw.</verse>
				<verse number="3">Toen vlood Jeftha voor het aangezicht zijner broederen, en woonde in het land Tob; en ijdele mannen vergaderden zich tot Jeftha, en togen met hem uit.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde, na enige dagen, dat de kinderen Ammons tegen Israël krijgden.</verse>
				<verse number="5">Zo geschiedde het, als de kinderen Ammons tegen Israël krijgden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land Tob.</verse>
				<verse number="6">En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="7">Maar Jeftha zeide tot de oudsten van Gilead: Hebt gijlieden mij niet gehaat, en mij uit mijns vaders huis verstoten? waarom zijt gij dan nu tot mij gekomen, terwijl gij in benauwdheid zijt?</verse>
				<verse number="8">En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u wedergekomen, dat gij met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en gij zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo gijlieden mij wederhaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de HEERE hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn?</verse>
				<verse number="10">En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: De HEERE zij toehoorder tussen ons, indien wij niet alzo naar uw woord doen.</verse>
				<verse number="11">Alzo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht des HEEREN te Mizpa.</verse>
				<verse number="12">Voorts zond Jeftha boden tot den koning der kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en gij met elkander te doen, dat gij tot mij gekomen zijt, om tegen mijn land te krijgen?</verse>
				<verse number="13">En de koning der kinderen Ammons zeide tot de boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geeft mij dat nu weder met vrede.</verse>
				<verse number="14">Maar Jeftha voer wijders voort, en zond boden tot den koning der kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="15">En hij zeide tot hem: Zo zegt Jeftha: Israël heeft het land der Moabieten, en het land der kinderen Ammons niet genomen;</verse>
				<verse number="16">Want als zij uit Egypte optogen, zo wandelde Israël door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.</verse>
				<verse number="17">En Israël zond boden tot den koning der Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning der Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot den koning der Moabieten, die ook niet wilde. Alzo bleef Israël in Kades.</verse>
				<verse number="18">Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.</verse>
				<verse number="19">Maar Israël zond boden tot Sihon, den koning der Amorieten, koning van Hesbon, en Israël zeide tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats.</verse>
				<verse number="20">Doch Sihon betrouwde Israël niet door zijn landpale door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jaza; en hij streed tegen Israël.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE, de God Israëls, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israël, dat zij hen sloegen; alzo nam Israël erfelijk in het ganse land der Amorieten, die in datzelve land woonden.</verse>
				<verse number="22">En zij namen erfelijk in de ganse landpale der Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.</verse>
				<verse number="23">Zo heeft nu de HEERE, de God Israëls, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israël uit de bezitting verdreven; en zoudt gij hunlieder erfgenaam zijn?</verse>
				<verse number="24">Zoudt gij niet dengene erven, dien uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Alzo zullen wij al dengene erven, dien de HEERE, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.</verse>
				<verse number="25">Nu voorts, zijt gij veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hen gekrijgd?</verse>
				<verse number="26">Terwijl Israël driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stedekens, en in Aroër en in haar stedekens, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt gij het dan in dien tijd niet gered?</verse>
				<verse number="27">Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar gij doet kwalijk bij mij, dat gij tegen mij krijgt; de HEERE, Die Rechter is, richte heden tussen de kinderen Israëls en tussen de kinderen Ammons!</verse>
				<verse number="28">Maar de koning der kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jeftha, die hij tot hem gezonden had.</verse>
				<verse number="29">Toen kwam de Geest des HEEREN op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="30">En Jeftha beloofde den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij de kinderen Ammons ganselijk in mijn hand zult geven;</verse>
				<verse number="31">Zo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons wederkom, dat zal des HEEREN zijn, en ik zal het offeren ten brandoffer.</verse>
				<verse number="32">Alzo trok Jeftha door naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en de HEERE gaf hen in zijn hand.</verse>
				<verse number="33">En hij sloeg hen van Aroër af tot daar gij komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abél-Kerámim, met een zeer groten slag. Alzo werden de kinderen Ammons ten ondergebracht voor het aangezicht der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="34">Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter.</verse>
				<verse number="35">En het geschiedde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn klederen, en zeide: Ach, mijn dochter! gij hebt mij ganselijk nedergebogen, en gij zijt onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot den HEERE, en ik zal niet kunnen teruggaan.</verse>
				<verse number="36">En zij zeide tot hem: Mijn vader! hebt gij uw mond opengedaan tot den HEERE, doe mij, gelijk als uit uw mond gegaan is; naardien u de HEERE volkomene wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="37">Voorts zeide zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij geschieden: Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga af tot de bergen, en bewene mijn maagdom, ik en mijn gezellinnen.</verse>
				<verse number="38">En hij zeide: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met haar gezellinnen, en beweende haar maagdom op de bergen.</verse>
				<verse number="39">En het geschiedde ten einde van twee maanden dat zij tot haar vader wederkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Voorts werd het een gewoonheid in Israël,</verse>
				<verse number="40">Dat de dochteren Israëls van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, den Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="2">En Jeftha zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hun hand niet verlost.</verse>
				<verse number="3">Als ik nu zag, dat gij niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en de HEERE gaf hen in mijn hand; waarom zijt gij dan te dezen dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?</verse>
				<verse number="4">En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed met Efraïm; en de mannen van Gilead sloegen Efraïm, want de Gileadieten, zijnde tussen Efraïm en tussen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van Efraïm.</verse>
				<verse number="5">Want de Gileadieten namen den Efraïmieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraïmiet? wanneer hij zeide: Neen;</verse>
				<verse number="6">Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibbóleth; maar hij zeide: Sibbólet, en kon het alzo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veren van de Jordaan, dat te dier tijd van Efraïm vielen twee en veertig duizend.</verse>
				<verse number="7">Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.</verse>
				<verse number="8">En na hem richtte Israël Ebzan, van Bethlehem.</verse>
				<verse number="9">En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israël zeven jaren.</verse>
				<verse number="10">Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem.</verse>
				<verse number="11">En na hem richtte Israël Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israël tien jaren.</verse>
				<verse number="12">En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajálon, in het land van Zebulon.</verse>
				<verse number="13">En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.</verse>
				<verse number="14">En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israël acht jaren.</verse>
				<verse number="15">Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraïm, op den berg van den Amalekiet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En de kinderen Israëls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf de HEERE hen in de hand der Filistijnen veertig jaren.</verse>
				<verse number="2">En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manóach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.</verse>
				<verse number="3">En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.</verse>
				<verse number="4">Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins.</verse>
				<verse number="5">Want zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een nazireeër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit der Filistijnen hand.</verse>
				<verse number="6">Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.</verse>
				<verse number="7">Maar Hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een nazireeër Gods zijn, van moeders buik af tot op den dag zijns doods.</verse>
				<verse number="8">Toen aanbad Manóach den HEERE vuriglijk, en zeide: Och, Heere! dat toch de Man Gods, Dien Gij gezonden hebt, weder tot ons kome, en ons lere, wat wij dat knechtje doen zullen, dat geboren zal worden.</verse>
				<verse number="9">En God verhoorde de stem van Manóach; en de Engel Gods kwam wederom tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manóach was niet bij haar.</verse>
				<verse number="10">Zo haastte de vrouw, en liep, en gaf het haar man te kennen; en zij zeide tot hem: Zie, die Man is mij verschenen, Welke op dien dag tot mij kwam.</verse>
				<verse number="11">Toen stond Manóach op, en ging zijn huisvrouw na; en hij kwam tot dien Man, en zeide tot Hem: Zijt gij die Man, Dewelke tot deze vrouw gesproken hebt? En Hij zeide: Ik ben het.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Manóach: Nu, dat Uw woorden komen; maar wat zal des knechtjes wijze en zijn werk zijn?</verse>
				<verse number="13">En de Engel des HEEREN zeide tot Manóach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten.</verse>
				<verse number="14">Zij zal niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns voortkomt; en wijn en sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide Manóach tot den Engel des HEEREN: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.</verse>
				<verse number="16">Maar de Engel des HEEREN zeide tot Manóach: Indien gij Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij den HEERE offeren. Want Manóach wist niet, dat het een Engel des HEEREN was.</verse>
				<verse number="17">En Manóach zeide tot den Engel des HEEREN: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen.</verse>
				<verse number="18">En de Engel des HEEREN zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.</verse>
				<verse number="19">Toen nam Manóach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op den rotssteen, den HEERE. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manóach en zijn huisvrouw zagen toe.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde, als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zo voer de Engel des HEEREN op in de vlam des altaars. Als Manóach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.</verse>
				<verse number="21">En de Engel des HEEREN verscheen niet meer aan Manóach, en aan zijn huisvrouw. Toen bekende Manóach, dat het een Engel des HEEREN was.</verse>
				<verse number="22">En Manóach zeide tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.</verse>
				<verse number="23">Maar zijn huisvrouw zeide tot hem: Zo de HEERE lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om dezen tijd laten horen, zulks als dit is.</verse>
				<verse number="24">Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de HEERE zegende het.</verse>
				<verse number="25">En de Geest des HEEREN begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Estháol.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen,</verse>
				<verse number="2">Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neemt mij die tot een vrouw.</verse>
				<verse number="3">Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.</verse>
				<verse number="4">Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israël.</verse>
				<verse number="5">Alzo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, henen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.</verse>
				<verse number="6">Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde, gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had.</verse>
				<verse number="7">En hij kwam af, en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.</verse>
				<verse number="8">En na sommige dagen kwam hij weder, om haar te nemen; toen week hij af, om het aas van den leeuw te bezien, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van den leeuw, met honig.</verse>
				<verse number="9">En hij nam dien in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had.</verse>
				<verse number="10">Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongelingen te doen.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.</verse>
				<verse number="12">Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik ulieden geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.</verse>
				<verse number="13">En indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult gijlieden mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden, en laat het ons horen.</verse>
				<verse number="14">En hij zeide tot hen: Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterke. En zij konden dat raadsel in drie dagen niet verklaren.</verse>
				<verse number="15">Daarna geschiedde het op den zevenden dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt gijlieden ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet?</verse>
				<verse number="16">En Simsons huisvrouw weende voor hem en zeide: Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief; gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zeide tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren?</verse>
				<verse number="17">En zij weende voor hem, op den zevenden der dagen in dewelke zij deze bruiloft hadden; zo geschiedde het op den zevenden dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel den kinderen haars volks.</verse>
				<verse number="18">Toen zeiden de mannen der stad tot hem, op den zevenden dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honig? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zeide tot hen: Zo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden.</verse>
				<verse number="19">Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis.</verse>
				<verse number="20">En de huisvrouw van Simson werd zijns metgezels, die hem vergezelschapt had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En het geschiedde na sommige dagen, in de dagen van den tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zeide: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.</verse>
				<verse number="2">Want haar vader zeide: Ik sprak zeker, dat gij haar ganselijk haattet, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zuster schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Simson tot henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.</verse>
				<verse number="4">En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden.</verse>
				<verse number="5">En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren der Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe.</verse>
				<verse number="6">Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Simson, de schoonzoon van den Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Simson tot hen: Zoudt gij alzo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden.</verse>
				<verse number="8">En hij sloeg hen, den schenkel en de heup, met een groten slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van de rots van Etam.</verse>
				<verse number="9">Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.</verse>
				<verse number="10">En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? En zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen, gelijk als hij ons gedaan heeft.</verse>
				<verse number="11">Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam, en zeiden tot Simson: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.</verse>
				<verse number="12">En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simson tot hen: Zweert mij, dat gijlieden op mij niet zult aanvallen.</verse>
				<verse number="13">En zij spraken tot hem, zeggende: Neen, maar wij zullen u wel binden, en u in hunlieder hand overgeven; doch wij zullen u geenszins doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rots.</verse>
				<verse number="14">Als hij kwam tot Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.</verse>
				<verse number="15">En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmede duizend man.</verse>
				<verse number="16">Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebakken, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde, als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij het kinnebakken uit zijn hand, en hij noemde dezelve plaats Ramath-Lechi.</verse>
				<verse number="18">Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE, en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbesnedenen?</verse>
				<verse number="19">Toen kloofde God de holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weder, en hij werd levend. Daarom noemde hij haar naam: De fontein des aanroepers, die in Lechi is, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="20">En hij richtte Israël, in de dagen der Filistijnen, twintig jaren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag aldaar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in.</verse>
				<verse number="2">Toen werd den Gazieten gezegd: Simson is hier ingekomen; zo gingen zij rondom, en legden hem den gansen nacht lagen in de stadspoort; doch zij hielden zich den gansen nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden.</verse>
				<verse number="3">Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op ter middernacht, en hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met den grendelboom, en legde ze op zijn schouderen, en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs, die in het gezicht van Hebron is.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, welker naam was Delíla.</verse>
				<verse number="5">Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een iegelijk, duizend en honderd zilverlingen.</verse>
				<verse number="6">Delíla dan zeide tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden, dat men u plage.</verse>
				<verse number="7">En Simson zeide tot haar: Indien zij mij bonden met zeven verse zelen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.</verse>
				<verse number="8">Toen brachten de vorsten der Filistijnen tot haar op zeven verse zelen, die niet verdroogd waren; en zij bond hem daarmede.</verse>
				<verse number="9">De achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zeide zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de zelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur riekt. Alzo werd zijn kracht niet bekend.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Delíla tot Simson: Zie, gij hebt met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden?</verse>
				<verse number="11">En hij zeide tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met dewelke geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.</verse>
				<verse number="12">Toen nam Delíla nieuwe touwen, en bond hem daarmede, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (De achterlage nu was zittende in een kamer.) Toen verbrak hij ze van zijn armen als een draad.</verse>
				<verse number="13">En Delíla zeide tot Simson: Tot hiertoe hebt gij met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zeide tot haar: Indien gij de zeven haarlokken mijns hoofds vlochtet aan een weversboom.</verse>
				<verse number="14">En zij maakte ze vast met een pin, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijn slaap, en nam weg de pin der gevlochten haarlokken, en den weversboom.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij gespot, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht zij.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe;</verse>
				<verse number="17">Zo verklaarde hij haar zijn ganse hart, en zeide tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een nazireeër Gods van mijn moeders buik af; indien ik geschoren wierd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen.</verse>
				<verse number="18">Als nu Delíla zag, dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen, en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten dat geld in hun hand.</verse>
				<verse number="19">Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem.</verse>
				<verse number="20">En zij zeide: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat de HEERE van hem geweken was.</verse>
				<verse number="21">Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.</verse>
				<verse number="22">En het haar zijns hoofds begon weder te wassen, gelijk toen hij geschoren werd.</verse>
				<verse number="23">Toen verzamelden zich de vorsten der Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onzen vijand Simson in onze hand gegeven.</verse>
				<verse number="24">Desgelijks als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onzen vijand, en die ons land verwoestte, en die onzer verslagenen velen maakte!</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide Simson tot den jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, op dewelke het huis gevestigd is, dat ik daaraan leune.</verse>
				<verse number="27">Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten der Filistijnen; en op het dak waren omtrent drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, als Simson speelde.</verse>
				<verse number="28">Toen riep Simson tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke.</verse>
				<verse number="29">En Simson vatte de twee middelste pilaren, op dewelke het huis was gevestigd, en waarop het steunde, den enen met zijn rechterhand, en den anderen met zijn linkerhand;</verse>
				<verse number="30">En Simson zeide: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.</verse>
				<verse number="31">Toen kwamen zijn broeders af, en het ganse huis zijns vaders, en namen hem op, en brachten hem opwaarts, en begroeven hem tussen Zora en tussen Estháol, in het graf van zijn vader Manóach; hij nu had Israël gericht twintig jaren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.</verse>
				<verse number="2">Die zeide tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverlingen, die u ontnomen zijn, om dewelke gij gevloekt hebt, en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zeide zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon den HEERE!</verse>
				<verse number="3">Alzo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weder. Doch zijn moeder zeide: Ik heb dat geld den HEERE ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.</verse>
				<verse number="4">Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weder. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze den goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.</verse>
				<verse number="5">En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.</verse>
				<verse number="6">In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.</verse>
				<verse number="7">Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling.</verse>
				<verse number="8">En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda getogen, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Micha, om zijn weg te gaan,</verse>
				<verse number="9">Zo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-Juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van klederen, en uw leeftocht; alzo ging de Leviet met hem.</verse>
				<verse number="11">En de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijn zonen.</verse>
				<verse number="12">En Micha vulde de hand van den Leviet, dat hij hem tot een priester wierd; alzo was hij in het huis van Micha.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">In die dagen was er geen koning in Israël; en in dezelve dagen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen.</verse>
				<verse number="2">Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Estháol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en vernachtten aldaar.</verse>
				<verse number="3">Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem van den jongeling, den Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij alhier, en wat hebt gij hier?</verse>
				<verse number="4">En hij zeide tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester.</verse>
				<verse number="5">Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn.</verse>
				<verse number="6">En de priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welken gij zult heentrekken, is voor den HEERE.</verse>
				<verse number="7">Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, hetwelk in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enigen mens.</verse>
				<verse number="8">En zij kwamen tot hun broederen te Zora en te Estháol, en hun broeders zeiden tot hen: Wat zegt gijlieden?</verse>
				<verse number="9">En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt gij dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat gij henen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;</verse>
				<verse number="10">(Als gij daarhenen komt, zo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is.</verse>
				<verse number="11">Toen reisden van daar uit het geslacht der Danieten, van Zora en van Estháol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen.</verse>
				<verse number="12">En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-Jeárim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machané-Dan, tot op dezen dag; ziet, het is achter Kirjath-Jeárim.</verse>
				<verse number="13">En van daar togen zij door naar het gebergte van Efraïm, en zij kwamen tot aan het huis van Micha.</verse>
				<verse number="14">Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broederen: Weet gijlieden ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.</verse>
				<verse number="15">Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van den jongeling, den Leviet, ten huize van Micha; en zij vraagden hem naar vrede.</verse>
				<verse number="16">En de zeshonderd mannen, die van de kinderen van Dan waren, met hun krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van de poort.</verse>
				<verse number="17">Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarhenen in, en namen weg het gesneden beeld, en den efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren.</verse>
				<verse number="18">Als die nu ten huize van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, den efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zeide de priester tot hen: Wat doet gijlieden?</verse>
				<verse number="19">En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat gij een priester zijt voor het huis van een man, of dat gij een priester zijt voor een stam, en een geslacht in Israël?</verse>
				<verse number="20">Toen werd het hart van den priester vrolijk, en hij nam den efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden des volks.</verse>
				<verse number="21">Alzo keerden zij zich, en togen voort; en zij stelden de kinderkens, en het vee, en de bagage voor zich.</verse>
				<verse number="22">Als zij nu verre van Micha's huis gekomen waren, zo werden de mannen, zijnde in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan.</verse>
				<verse number="23">En zij riepen de kinderen van Dan na; dewelke hun aangezichten omkeerden, en zeiden tot Micha: Wat is u, dat gij bijeengeroepen zijt?</verse>
				<verse number="24">Toen zeide hij: Gijlieden hebt mijn goden, die ik gemaakt had, weggenomen, mitsgaders den priester, en zijt weggegaan; wat heb ik nu meer? Wat is het dan, dat gij tot mij zegt: Wat is u?</verse>
				<verse number="25">Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en gij uw leven verliest, en het leven van uw huis.</verse>
				<verse number="26">Alzo gingen de kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende, dat zij sterker waren dan hij, zo keerde hij om, en kwam weder tot zijn huis.</verse>
				<verse number="27">Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en den priester, dien hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte des zwaards, en de stad verbrandden zij met vuur.</verse>
				<verse number="28">En er was niemand, die hen verloste; want zij was verre van Sidon, en zij hadden niets met enigen mens te doen; en zij lag in het dal, dat bij Beth-Rechob is. Daarna herbouwden zij de stad, en woonden daarin.</verse>
				<verse number="29">En zij noemden den naam der stad Dan, naar den naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam dezer stad te voren Laïs was.</verse>
				<verse number="30">En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jónathan, de zoon van Gersom, den zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor den stam der Danieten, tot den dag toe, dat het land gevankelijk is weggevoerd.</verse>
				<verse number="31">Alzo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis Gods te Silo was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-Juda.</verse>
				<verse number="2">Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis, tot Bethlehem-Juda; en zij was aldaar enige dagen, te weten vier maanden.</verse>
				<verse number="3">En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting.</verse>
				<verse number="4">En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en vernachtten aldaar.</verse>
				<verse number="5">Op den vierden dag nu geschiedde het, dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zeide de vader van de jonge vrouw tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een bete broods, en daarna zult gijlieden wegtrekken.</verse>
				<verse number="6">Zo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen, en dronken. Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot den man: Bewillig toch en vernacht, en laat uw hart vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="7">Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij aldaar wederom vernachtte.</verse>
				<verse number="8">Als hij op den vijfden dag des morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zeide de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten te zamen.</verse>
				<verse number="9">Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijwijf, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch; zie, de dag legert zich, vernacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent.</verse>
				<verse number="10">Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem.</verse>
				<verse number="11">Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken, en daarin vernachten.</verse>
				<verse number="12">Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israëls; maar wij zullen voorttrekken tot Gíbea toe.</verse>
				<verse number="13">Voorts zeide hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot een van die plaatsen naderen, en te Gíbea of te Rama vernachten.</verse>
				<verse number="14">Alzo togen zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gíbea, dewelke Benjamins is;</verse>
				<verse number="15">En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gíbea te vernachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat der stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te vernachten.</verse>
				<verse number="16">En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in den avond, welke man ook was van het gebergte van Efraïm, doch als vreemdeling verkeerde te Gíbea; maar de lieden dezer plaats waren kinderen van Jemini.</verse>
				<verse number="17">Als hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij dien reizenden man op de straat der stad; en de oude man zeide: Waar trekt gij henen, en van waar komt gij?</verse>
				<verse number="18">En hij zeide tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-Juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-Juda getogen, maar ik trek nu naar het huis des HEEREN; en er is niemand, die mij in huis neemt.</verse>
				<verse number="19">Daar toch onze ezelen zowel stro als voeder hebben, en ook brood en wijn is voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor den jongen, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat.</verse>
				<verse number="21">En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezelen voeder; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.</verse>
				<verse number="22">Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.</verse>
				<verse number="23">En de man, de heer des huizes, ging tot hen uit, en zeide tot hen: Niet, mijn broeders, doet toch zo kwalijk niet; naardien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet.</verse>
				<verse number="24">Ziet, mijn dochter, die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan dezen man zulk een dwaas ding niet.</verse>
				<verse number="25">Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijwijf, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig den gansen nacht tot aan den morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees.</verse>
				<verse number="26">En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van den morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis des mans, waarin haar heer was, totdat het licht werd.</verse>
				<verse number="27">Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en haar handen op den dorpel.</verse>
				<verse number="28">En hij zeide tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich op, en toog naar zijn plaats.</verse>
				<verse number="29">Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle landpalen van Israël.</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde, dat al wie het zag, zeide: Zulks is niet geschied noch gezien, van dien dag af, dat de kinderen Israëls uit Egypteland zijn opgetogen, tot op dezen dag; legt uw hart daarop, geeft raad en spreekt!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Toen togen alle kinderen Israëls uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-séba toe, ook het land van Gilead, tot den HEERE te Mizpa.</verse>
				<verse number="2">En uit de hoeken des gansen volks stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk Gods, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.</verse>
				<verse number="3">(De kinderen Benjamins nu hoorden, dat de kinderen Israëls opgetogen waren naar Mizpa.) En de kinderen Israëls zeiden: Spreekt, hoe is dit kwaad geschied?</verse>
				<verse number="4">Toen antwoordde de Levietische man, de man van de vrouw, die gedood was, en zeide: Ik kwam met mijn bijwijf te Gíbea, dewelke Benjamins is, om te vernachten.</verse>
				<verse number="5">En de burgers van Gíbea maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht; zij dachten mij te doden, en mijn bijwijf hebben zij geschonden, dat zij gestorven is.</verse>
				<verse number="6">Toen greep ik mijn bijwijf, en deelde haar, en zond haar in het ganse land der erfenis van Israël, omdat zij een schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden.</verse>
				<verse number="7">Ziet, gij allen zijt kinderen Israëls, geeft hier voor ulieden woord en raad!</verse>
				<verse number="8">Toen maakte zich al het volk op, als een enig man, zeggende: Wij zullen niet gaan, een ieder naar zijn tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis.</verse>
				<verse number="9">Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gíbea zullen doen: tegen haar bij het lot!</verse>
				<verse number="10">En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen Israëls, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gíbea-Benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft.</verse>
				<verse number="11">Alzo werden alle mannen van Israël verzameld tot deze stad, verbonden als een enig man.</verse>
				<verse number="12">En de stammen van Israël zonden mannen door den gansen stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder ulieden geschied is?</verse>
				<verse number="13">Zo geeft nu die mannen, die kinderen Belials, die te Gíbea zijn, dat wij hen doden, en het kwaad uit Israël wegdoen. Doch de kinderen van Benjamin wilden niet horen naar de stem van hun broederen, de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="14">Maar de kinderen van Benjamin verzamelden zich uit de steden naar Gíbea, om uit te trekken ten strijde tegen de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="15">En de kinderen van Benjamin werden te dien dage geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gíbea geteld werden, zevenhonderd uitgelezene mannen.</verse>
				<verse number="16">Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezene mannen, welke links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste.</verse>
				<verse number="17">En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog.</verse>
				<verse number="18">En de kinderen Israëls maakten zich op, en togen opwaarts ten huize Gods, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons vooreerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En de HEERE zeide: Juda vooreerst.</verse>
				<verse number="19">Alzo maakten zich de kinderen Israëls in den morgenstond op, en legerden zich tegen Gíbea.</verse>
				<verse number="20">En de mannen van Israël togen uit ten strijde tegen Benjamin; voorts schikten de mannen Israëls den strijd tegen hen bij Gíbea.</verse>
				<verse number="21">Toen togen de kinderen van Benjamin uit van Gíbea en zij vernielden ter aarde op dien dag van Israël twee en twintig duizend man.</verse>
				<verse number="22">Doch het volk versterkte zich, te weten de mannen van Israël, en zij beschikten den strijd wederom ter plaatse, waar zij dien des vorigen daags geschikt hadden.</verse>
				<verse number="23">En de kinderen Israëls togen op, en weenden voor het aangezicht des HEEREN tot op den avond, en vraagden den HEERE zeggende: Zal ik weder genaken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder? En de HEERE zeide: Trekt tegen hem op.</verse>
				<verse number="24">Zo naderden de kinderen Israëls tot de kinderen van Benjamin, des anderen daags.</verse>
				<verse number="25">En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gíbea, op den tweeden dag, en velden van de kinderen Israëls nog achttien duizend man neder ter aarde; die allen trokken het zwaard uit.</verse>
				<verse number="26">Toen togen alle kinderen Israëls en al het volk op, en kwamen ten huize Gods, en weenden, en bleven aldaar voor het aangezicht des HEEREN, en vastten dien dag tot op den avond; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">En de kinderen Israëls vraagden den HEERE, want aldaar was de ark des verbonds van God in die dagen.</verse>
				<verse number="28">En Pínehas, de zoon van Eleázar, den zoon van Aäron, stond voor Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder, of zal ik ophouden? en de HEERE zeide: Trekt op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven.</verse>
				<verse number="29">Toen bestelde Israël achterlagen op Gíbea rondom.</verse>
				<verse number="30">En de kinderen Israëls togen op, aan den derden dag, tegen de kinderen van Benjamin; en zij schikten den strijd op Gíbea, als op de andere malen.</verse>
				<verse number="31">Toen togen de kinderen van Benjamin uit, het volk tegemoet, en werden van de stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk en te doorsteken, gelijk de andere malen, op de straten, waarvan de een opgaat naar het huis Gods, en de andere naar Gíbea, in het veld, omtrent dertig man van Israël.</verse>
				<verse number="32">Toen zeiden de kinderen van Benjamin: Zij zijn voor ons aangezicht geslagen, als te voren; maar de kinderen Israëls zeiden: Laat ons vlieden, en hen van de stad aftrekken naar de straten.</verse>
				<verse number="33">Toen maakten zich alle mannen van Israël op uit hun plaatsen, en schikten den strijd te Baäl-Thamar; ook brak Israëls achterlage op uit haar plaats, na de ontbloting van Gíbea.</verse>
				<verse number="34">En tien duizend uitgelezen mannen van gans Israël kwamen van tegenover Gíbea, en de strijd werd zwaar; doch zij wisten niet, dat het kwaad hen treffen zou.</verse>
				<verse number="35">Toen sloeg de HEERE Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de kinderen Israëls op dien dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit.</verse>
				<verse number="36">En de kinderen van Benjamin zagen, dat zij geslagen waren; want de mannen van Israël gaven den Benjaminieten plaats, omdat zij vertrouwden op de achterlage, die zij tegen Gíbea gesteld hadden.</verse>
				<verse number="37">En de achterlage haastte, en brak voorwaarts naar Gíbea toe; ja, de achterlage trok recht door, en sloeg de ganse stad met de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="38">En de mannen van Israël hadden een bestemden tijd met de achterlage, wanneer zij een grote verheffing van rook van de stad zouden doen opgaan.</verse>
				<verse number="39">Zo keerden zich de mannen van Israël om in den strijd; en Benjamin had begonnen te slaan en te doorsteken van de mannen van Israël omtrent dertig man; want zij zeiden: Immers is hij zekerlijk voor ons aangezicht geslagen, als in den vorigen strijd.</verse>
				<verse number="40">Toen begon de verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de brand der stad op naar den hemel.</verse>
				<verse number="41">En de mannen van Israël keerden zich om; en de mannen van Benjamin werden verbaasd, want zij zagen, dat het kwaad hen treffen zou.</verse>
				<verse number="42">Zo wendden zij zich voor het aangezicht der mannen van Israël naar den weg der woestijn; maar de strijd kleefde hen aan, en die uit de steden vernielden ze in het midden van hen.</verse>
				<verse number="43">Zij omringden Benjamin, zij vervolgden hem, zij vertraden hem gemakkelijk, tot voor Gíbea, tegen den opgang der zon.</verse>
				<verse number="44">En er vielen van Benjamin achttien duizend mannen; deze allen waren strijdbare mannen.</verse>
				<verse number="45">Toen keerden zij zich, en vloden naar de woestijn, tot den rotssteen van Rimmon; maar zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; voorts kleefden zij hen achteraan tot aan Gídeom, en sloegen van hen twee duizend man.</verse>
				<verse number="46">Alzo waren allen, die op dien dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen.</verse>
				<verse number="47">Doch zeshonderd mannen keerden zich, en vloden naar de woestijn, tot den rotssteen van Rimmon, en bleven in den rotssteen van Rimmon, vier maanden.</verse>
				<verse number="48">En de mannen van Israël keerden weder tot de kinderen van Benjamin, en sloegen hen met de scherpte des zwaards, die van de gehele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook zetten zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">De mannen van Israël nu hadden te Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijn dochter aan de Benjaminieten ter vrouwe geven.</verse>
				<verse number="2">Zo kwam het volk tot het huis Gods, en zij bleven daar tot op den avond, voor Gods aangezicht; en zij hieven hun stem op en weenden met groot geween.</verse>
				<verse number="3">En zeiden: O HEERE, God van Israël! Waarom is dit geschied in Israël, dat er heden een stam van Israël gemist wordt?</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde des anderen daags, dat zich het volk vroeg opmaakte, en bouwde aldaar een altaar; en zij offerden brandofferen en dankofferen.</verse>
				<verse number="5">En de kinderen Israëls zeiden: Wie is er, die niet is opgekomen in de vergadering uit al de stammen van Israël tot den HEERE? Want er was een grote eed geschied aangaande dengene, die niet opkwam tot den HEERE te Mizpa, zeggende: Hij zal zekerlijk gedood worden.</verse>
				<verse number="6">En het berouwde den kinderen Israëls over Benjamin, hun broeder; en zij zeiden: Heden is een stam van Israël afgesneden.</verse>
				<verse number="7">Wat zullen wij, belangende de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want wij hebben bij den HEERE gezworen, dat wij hun van onze dochteren geen tot vrouwen zullen geven.</verse>
				<verse number="8">En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israël, die niet opgekomen is tot den HEERE te Mizpa? En ziet, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente.</verse>
				<verse number="9">Want het volk werd geteld, en ziet, er was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead.</verse>
				<verse number="10">Toen zond de vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trekt heen, en slaat met de scherpte des zwaards de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderkens.</verse>
				<verse number="11">Doch dit is de zaak, die gij doen zult; al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die de bijligging eens mans bekend hebben, zult gij verbannen.</verse>
				<verse number="12">En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging des mans; en zij brachten die in het leger te Silo, dewelke is in het land Kanaän.</verse>
				<verse number="13">Toen zond de ganse vergadering heen, en sprak tot de kinderen van Benjamin, die in den rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe.</verse>
				<verse number="14">Alzo kwamen de Benjaminieten ter zelfder tijd weder; en zij gaven hun de vrouwen, die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gilead; maar alzo waren er nog niet genoeg voor hen.</verse>
				<verse number="15">Toen berouwde het den volke over Benjamin, omdat de HEERE een scheur gemaakt had in de stammen van Israël.</verse>
				<verse number="16">En de oudsten der vergadering zeiden: Wat zullen wij, belangende de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want de vrouwen zijn uit Benjamin verdelgd.</verse>
				<verse number="17">Wijders zeiden zij: De erfenis dergenen, die ontkomen zijn, is van Benjamin, en er moet geen stam uitgedelgd worden uit Israël.</verse>
				<verse number="18">Maar wij zullen hun geen vrouwen van onze dochteren kunnen geven; want de kinderen Israëls hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die den Benjaminieten een vrouw geeft!</verse>
				<verse number="19">Toen zeiden zij: Ziet, er is een feest des HEEREN te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis Gods, tegen den opgang der zon, aan den hogen weg, die opgaat van het huis Gods naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebóna.</verse>
				<verse number="20">En zij geboden den kinderen van Benjamin, zeggende: Gaat heen, en loert in de wijngaarden.</verse>
				<verse number="21">En let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zo komt gij voort uit de wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochteren van Silo; en gaat heen in het land van Benjamin.</verse>
				<verse number="22">En het zal geschieden, wanneer haar vaders of haar broeders zullen komen, om voor ons te rechten, dat wij tot hen zullen zeggen: Zijt hun om onzentwil genadig, omdat wij geen huisvrouw voor een ieder van hen in dezen krijg genomen hebben; want gijlieden hebt ze hun niet gegeven, dat gij te dezer tijd schuldig zoudt zijn.</verse>
				<verse number="23">En de kinderen van Benjamin deden alzo, en voerden naar hun getal vrouwen weg, van de reiende dochters, die zij roofden, en zij togen heen, en keerden weder tot hun erfenis, en herbouwden de steden, en woonden daarin.</verse>
				<verse number="24">Ook togen de kinderen Israëls te dier tijd van daar, een iegelijk naar zijn stam en naar zijn geslacht; alzo togen zij uit van daar, een iegelijk naar zijn erfenis.</verse>
				<verse number="25">In die dagen was er geen koning in Israël; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="8">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In de dagen, als de richters richtten, zo geschiedde het, dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-Juda, om als vreemdeling te verkeren in de velden Moabs, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen.</verse>
				<verse number="2">De naam nu dezes mans was Elimélech, en de naam zijner huisvrouw Naómi, en de naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-Juda; en zij kwamen in de velden Moabs, en bleven aldaar.</verse>
				<verse number="3">En Elimélech, de man van Naómi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen.</verse>
				<verse number="4">Die namen zich Moabietische vrouwen; de naam der ene was Orpa, en de naam der andere Ruth; en zij bleven aldaar omtrent tien jaren.</verse>
				<verse number="5">En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzo werd deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man.</verse>
				<verse number="6">Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hun brood.</verse>
				<verse number="7">Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg, om weder te keren naar het land van Juda,</verse>
				<verse number="8">Zo zeide Naómi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de HEERE doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden, en bij mij.</verse>
				<verse number="9">De HEERE geve u, dat gij ruste vindt, een iegelijk in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en weenden;</verse>
				<verse number="10">En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u wederkeren tot uw volk.</verse>
				<verse number="11">Maar Naómi zeide: Keert weder, mijn dochters! Waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn?</verse>
				<verse number="12">Keert weder, mijn dochters! Gaat heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht een man had, ja, ook zonen baarde;</verse>
				<verse number="13">Zoudt gij daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt gij daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand des HEEREN is tegen mij uitgegaan.</verse>
				<verse number="14">Toen hieven zij haar stem op, en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.</verse>
				<verse number="15">Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na.</verse>
				<verse number="16">Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God.</verse>
				<verse number="17">Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!</verse>
				<verse number="18">Als zij nu zag, dat zij vastelijk voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken.</verse>
				<verse number="19">Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem kwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de ganse stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naómi?</verse>
				<verse number="20">Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naómi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.</verse>
				<verse number="21">Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de HEERE doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naómi noemen, daar de HEERE tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?</verse>
				<verse number="22">Alzo kwam Naómi weder, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van den gersteoogst.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Naómi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimélech; en zijn naam was Boaz.</verse>
				<verse number="2">En Ruth, de Moabietische, zeide tot Naómi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen, achter dien, in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar: Ga heen, mijn dochter!</verse>
				<verse number="3">Zo ging zij heen, en kwam en las op in het veld, achter de maaiers; en haar viel bij geval voor, een deel van het veld van Boaz, die van het geslacht van Elimélech was.</verse>
				<verse number="4">En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers: De HEERE zij met ulieden! En zij zeiden tot hem: De HEERE zegene u!</verse>
				<verse number="5">Daarna zeide Boaz tot zijn jongen, die over de maaiers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw?</verse>
				<verse number="6">En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zeide: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naómi wedergekomen is uit de velden Moabs;</verse>
				<verse number="7">En zij heeft gezegd: Laat mij toch oplezen en aren bij de garven verzamelen, achter de maaiers; zo is zij gekomen en heeft gestaan van des morgens af tot nu toe; nu is haar te huis blijven weinig.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Boaz tot Ruth: Hoort gij niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijn maagden.</verse>
				<verse number="9">Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en gij zult achter haarlieden gaan; heb ik den jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? Als u dorst, zo ga tot de vaten, en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben.</verse>
				<verse number="10">Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zij zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?</verse>
				<verse number="11">En Boaz antwoordde en zeide tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat gij bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na den dood uws mans, en hebt uw vader en uw moeder, en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.</verse>
				<verse number="12">De HEERE vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van den HEERE, den God Israëls, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen!</verse>
				<verse number="13">En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, gelijk een uwer dienstmaagden.</verse>
				<verse number="14">Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.</verse>
				<verse number="15">Als zij nu opstond, om op te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.</verse>
				<verse number="16">Ja, laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, dat zij het opleze, en bestraft haar niet.</verse>
				<verse number="17">Alzo las zij op in dat veld, tot aan den avond; en zij sloeg uit, wat zij opgelezen had, en het was omtrent een efa gerst.</verse>
				<verse number="18">En zij nam het op, en kwam in de stad; en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wien zij gewrocht had, en zeide: De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boaz.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Naómi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij den HEERE, Die zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Voorts zeide Naómi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.</verse>
				<verse number="21">En Ruth, de Moabietische, zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij den gansen oogst, dien ik heb, zullen hebben voleindigd.</verse>
				<verse number="22">En Naómi zeide tot haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat gij met zijn maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld.</verse>
				<verse number="23">Alzo hield zij zich bij de maagden van Boaz, om op te lezen, totdat de gersteoogst en tarweoogst voleindigd waren; en zij bleef bij haar schoonmoeder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En Naómi, haar schoonmoeder, zeide tot haar: Mijn dochter! zoude ik u geen rust zoeken, dat het u welga?</verse>
				<verse number="2">Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij geweest zijt, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorsvloer wannen.</verse>
				<verse number="3">Zo baad u, en zalf u, en doe uw klederen aan, en ga af naar den dorsvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.</verse>
				<verse number="4">En het zal geschieden, als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal nedergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult.</verse>
				<verse number="5">En zij zeide tot haar: Al wat gij tot mij zegt, zal ik doen.</verse>
				<verse number="6">Alzo ging zij af naar den dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had.</verse>
				<verse number="7">Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van een koren hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde te middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel.</verse>
				<verse number="9">En hij zeide: Wie zijt gij? En zij zeide: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want gij zijt de losser.</verse>
				<verse number="10">En hij zeide: Gezegend zijt gij den HEERE, mijn dochter! Gij hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geen jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk.</verse>
				<verse number="11">En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen; want de ganse stad mijns volks weet, dat gij een deugdelijke vrouw zijt.</verse>
				<verse number="12">Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.</verse>
				<verse number="13">Blijf dezen nacht over; voorts in den morgen zal het geschieden, indien hij u lost, goed, laat hem lossen; maar indien het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als de HEERE leeft; leg u neder tot den morgen toe.</verse>
				<verse number="14">Alzo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe; en zij stond op, eer dat de een den ander kennen kon; want hij zeide: Het worde niet bekend, dat een vrouw op den dorsvloer gekomen is.</verse>
				<verse number="15">Voorts zeide hij: Lang den sluier, die op u is, en houd dien; en zij hield hem; en hij mat zes maten gerst, en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad.</verse>
				<verse number="16">Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, dewelke zeide: Wie zijt gij, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.</verse>
				<verse number="17">Ook zeide zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zeide tot mij: Kom niet ledig tot uw schoonmoeder.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide zij: Zit stil, mijn dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En Boaz ging op in de poort, en zette zich aldaar en ziet, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zeide hij: Wijk herwaarts, zet u hier, gij, zulk een! En hij week derwaarts, en zette zich.</verse>
				<verse number="2">En hij nam tien mannen van de oudsten der stad, en zeide: Zet u hier; en zij zetten zich.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide hij tot dien losser: Het stuk lands, dat van onzen broeder Elimélech was, heeft Naómi, die uit der Moabieten land wedergekomen is, verkocht;</verse>
				<verse number="4">En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners, en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks; zo gij het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u. Toen zeide hij: Ik zal het lossen.</verse>
				<verse number="5">Maar Boaz zeide: Ten dage, als gij het land aanvaardt van de hand van Naómi, zo zult gij het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw des verstorvenen, om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel.</verse>
				<verse number="6">Toen zeide die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve; los gij mijn lossing voor u; want ik zal niet kunnen lossen.</verse>
				<verse number="7">Nu was dit van ouds een gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de ganse zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf dien aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël.</verse>
				<verse number="8">Zo zeide deze losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u; en hij trok zijn schoen uit.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk: Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimélech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naómi.</verse>
				<verse number="10">Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van zijn broederen, en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden getuigen.</verse>
				<verse number="11">En al het volk, dat in de poort was, mitsgaders de oudsten, zeiden: Wij zijn getuigen; de HEERE make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem!</verse>
				<verse number="12">En uw huis zij, als het huis van Perez (dien Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de HEERE u geven zal uit deze jonge vrouw.</verse>
				<verse number="13">Alzo nam Boaz Ruth, en zij werd hem ter vrouwe, en hij ging tot haar in; en de HEERE gaf haar, dat zij zwanger werd en een zoon baarde.</verse>
				<verse number="14">Toen zeiden de vrouwen tot Naómi: Geloofd zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël!</verse>
				<verse number="15">Die zal u zijn tot een verkwikker der ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, dewelke u beter is dan zeven zonen.</verse>
				<verse number="16">En Naómi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijn voedster.</verse>
				<verse number="17">En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naómi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader.</verse>
				<verse number="18">Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;</verse>
				<verse number="19">En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminádab;</verse>
				<verse number="20">En Amminádab gewon Nahesson; en Nahesson gewon Salma;</verse>
				<verse number="21">En Salmon gewon Boaz, en Boaz gewon Obed;</verse>
				<verse number="22">En Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="9">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Daar was een man van Ramatháïm-Zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerócham, den zoon van Elíhu, den zoon van Tochu, den zoon van Zuf, een Efrathiet.</verse>
				<verse number="2">En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.</verse>
				<verse number="3">Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren den HEERE der heirscharen te Silo; en aldaar waren priesters des HEEREN, Hofni, en Pínehas, de twee zonen van Eli.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde op dien dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochteren, delen.</verse>
				<verse number="5">Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de HEERE had haar baarmoeder toegesloten.</verse>
				<verse number="6">En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat de HEERE haar baarmoeder toegesloten had.</verse>
				<verse number="7">En alzo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des HEEREN, zo tergde zij haar alzo; daarom weende zij en at niet.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Elkana, haar man: Hanna, waarom weent gij, en waarom eet gij niet, en waarom is uw hart kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen?</verse>
				<verse number="9">Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten, en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post van den tempel des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot den HEERE, en zij weende zeer.</verse>
				<verse number="11">En zij beloofde een gelofte, en zeide: HEERE der heirscharen, zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat den HEERE geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.</verse>
				<verse number="12">Het geschiedde nu, als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des HEEREN, zo gaf Eli acht op haar mond.</verse>
				<verse number="13">Want Hanna sprak in haar hart; alleenlijk roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.</verse>
				<verse number="14">En Eli zeide tot haar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? Doe uw wijn van u.</verse>
				<verse number="15">Doch Hanna antwoordde en zeide: Neen, mijn heer! ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterken drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="16">Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet.</verse>
				<verse number="17">Toen antwoordde Eli en zeide: Ga heen in vrede, en de God Israëls zal uw bede geven, die gij van Hem gebeden hebt.</verse>
				<verse number="18">En zij zeide: Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Alzo ging die vrouw haars weegs; en zij at, en haar aangezicht was haar zodanig niet meer.</verse>
				<verse number="19">En zij stonden des morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht des HEEREN, en zij keerden weder, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en de HEERE gedacht aan haar.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuël: Want, zeide zij, ik heb hem van den HEERE gebeden.</verse>
				<verse number="21">En die man, Elkana toog op met zijn ganse huis, om den HEERE te offeren het jaarlijkse offer, en zijn gelofte.</verse>
				<verse number="22">Doch Hanna toog niet op; maar zij zeide tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des HEEREN verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="23">En Elkana, haar man, zeide tot haar: Doe, wat goed is in uw ogen; blijf, totdat gij hem zult gespeend hebben; de HEERE bevestige naar Zijn woord! Alzo bleef de vrouw, en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende.</verse>
				<verse number="24">Daarna, als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich opwaarts, met drie varren, en een efa meels, en een fles met wijn; en zij bracht hem in het huis des HEEREN te Silo; en het jongsken was zeer jong.</verse>
				<verse number="25">En zij slachtten een var; alzo brachten zij het kind tot Eli.</verse>
				<verse number="26">En zij zeide: Och, mijn heer! zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer! Ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om den HEERE te bidden.</verse>
				<verse number="27">Ik bad om dit kind, en de HEERE heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb.</verse>
				<verse number="28">Daarom heb ik hem ook den HEERE overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van den HEERE gebeden. En hij bad aldaar den HEERE aan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in den HEERE; mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil.</verse>
				<verse number="2">Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God!</verse>
				<verse number="3">Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.</verse>
				<verse number="4">De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.</verse>
				<verse number="5">Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden.</verse>
				<verse number="6">De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.</verse>
				<verse number="7">De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.</verse>
				<verse number="8">Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.</verse>
				<verse number="9">Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.</verse>
				<verse number="10">Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.</verse>
				<verse number="11">Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was den HEERE dienende voor het aangezicht van den priester Eli.</verse>
				<verse number="12">Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet.</verse>
				<verse number="13">Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand;</verse>
				<verse number="14">En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de Israëlieten, die te Silo kwamen.</verse>
				<verse number="15">Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des priesters jongen, en zeide tot den man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor den priester; want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw.</verse>
				<verse number="16">Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet als heden ganselijk aansteken, zo neem dan voor u, gelijk als het uw ziel lusten zal; zo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen.</verse>
				<verse number="17">Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.</verse>
				<verse number="18">Doch Samuël diende voor het aangezicht des HEEREN, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok.</verse>
				<verse number="19">En zijn moeder maakte hem een kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het jaarlijkse offer te offeren.</verse>
				<verse number="20">En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De HEERE geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den HEERE afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats.</verse>
				<verse number="21">Want de HEERE bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuël werd groot bij den HEERE.</verse>
				<verse number="22">Doch Eli was zeer oud, en hoorde al, wat zijn zonen aan gans Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="23">En hij zeide tot hen: Waarom doet gij al zulke dingen, dat ik deze uw boze stukken hore van dit ganse volk?</verse>
				<verse number="24">Niet, mijn zonen; want dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; gij maakt, dat het volk des HEEREN overtreedt.</verse>
				<verse number="25">Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den HEERE zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, want de HEERE wilde hen doden.</verse>
				<verse number="26">En de jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam beide bij den HEERE en ook bij de mensen.</verse>
				<verse number="27">En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Faraö?</verse>
				<verse number="28">En Ik heb hem uit alle stammen van Israël Mij ten priester verkoren, om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor Mijn aangezicht te dragen; en heb aan het huis uws vaders gegeven al de vuurofferen van de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="29">Waarom slaat gijlieden achteruit tegen Mijn slachtoffer, en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb in de woning; en eert uw zonen meer dan Mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste van alle spijsoffers van Mijn volk Israël?</verse>
				<verse number="30">Daarom spreekt de HEERE, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.</verse>
				<verse number="31">Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en den arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal.</verse>
				<verse number="32">En gij zult aanschouwen de benauwdheid der woning Gods, in plaats van al het goede, dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal te genen dage een oud man in uw huis zijn.</verse>
				<verse number="33">Doch de man, dien Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde.</verse>
				<verse number="34">Dit nu zal u een teken zijn, hetwelk over uw beide zonen, over Hofni en Pínehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven.</verse>
				<verse number="35">En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns gezalfden wandelen.</verse>
				<verse number="36">En het zal geschieden, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neder te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een bete broods moge eten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En de jongeling Samuël diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.</verse>
				<verse number="2">En het geschiedde te dien dage, als Eli op zijn plaats nederlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon),</verse>
				<verse number="3">En Samuël zich ook nedergelegd had, eer de lampe Gods uitgedaan werd, in den tempel des HEEREN, waar de ark Gods was,</verse>
				<verse number="4">Dat de HEERE Samuël riep; en hij zeide: Zie, hier ben ik.</verse>
				<verse number="5">En hij liep tot Eli en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Doch hij zeide: Ik heb niet geroepen, keer weder, leide u neder. En hij ging heen en legde zich neder.</verse>
				<verse number="6">Toen riep de HEERE Samuël wederom; en Samuël stond op; en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; keer weder, leg u neder.</verse>
				<verse number="7">Doch Samuël kende den HEERE nog niet; en het woord des HEEREN was aan hem nog niet geopenbaard.</verse>
				<verse number="8">Toen riep de HEERE Samuël wederom, ten derden maal; en hij stond op, en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toen verstond Eli, dat de HEERE den jongeling riep.</verse>
				<verse number="9">Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u neder, en het zal geschieden, zo Hij u roept, zo zult gij zeggen: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort. Toen ging Samuël heen en legde zich aan zijn plaats.</verse>
				<verse number="10">Toen kwam de HEERE, en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zeide tot Samuël: Zie, Ik doe een ding in Israël, dat al wie het horen zal, dien zullen zijn beide oren klinken.</verse>
				<verse number="12">Te dienzelven dage zal Ik verwekken over Eli alles, wat Ik tegen zijn huis gesproken heb; Ik zal het beginnen en voleinden.</verse>
				<verse number="13">Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien.</verse>
				<verse number="14">Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer!</verse>
				<verse number="15">Samuël nu lag tot aan den morgen; toen deed hij de deuren van het huis des HEEREN open; doch Samuël vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven.</verse>
				<verse number="16">Toen riep Eli Samuël, en zeide: Mijn zoon Samuël! Hij dan zeide: Zie, hier ben ik.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide: Wat is het woord, dat Hij tot u gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij; God doe u zo, en zo doe Hij daartoe, indien gij een woord voor mij verbergt van al de woorden, die Hij tot u gesproken heeft!</verse>
				<verse number="18">Toen gaf hem Samuël te kennen al die woorden, en verborg ze voor hem niet. En hij zeide: Hij is de HEERE; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen!</verse>
				<verse number="19">Samuël nu werd groot; en de HEERE was met hem, en liet niet een van al zijn woorden op de aarde vallen.</verse>
				<verse number="20">En gans Israël, van Dan tot Ber-séba toe, bekende, dat Samuël bevestigd was tot een profeet des HEEREN.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE voer voort te verschijnen te Silo; want de HEERE openbaarde Zich aan Samuël te Silo, door het woord des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En het woord van Samuël geschiedde aan gans Israël. En Israël toog uit, den Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.</verse>
				<verse number="2">En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israël voor der Filistijnen aangezicht geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man.</verse>
				<verse number="3">Als het volk wederom in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des HEEREN, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.</verse>
				<verse number="4">Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark des verbonds des HEEREN der heirscharen, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pínehas, waren daar met de ark des verbonds van God.</verse>
				<verse number="5">En het geschiedde, als de ark des verbonds des HEEREN in het leger kwam, zo juichte gans Israël met een groot gejuich, alzo dat de aarde dreunde.</verse>
				<verse number="6">Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat is de stem van dit grote juichen in het leger der Hebreeën? Toen vernamen zij, dat de ark des HEEREN in het leger gekomen was.</verse>
				<verse number="7">Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want diergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied!</verse>
				<verse number="8">Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn.</verse>
				<verse number="9">Zijt sterk, en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de Hebreeën niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zo zijt mannen, en strijdt.</verse>
				<verse number="10">Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een iegelijk in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks.</verse>
				<verse number="11">En de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pínehas, stierven.</verse>
				<verse number="12">Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn klederen waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd.</verse>
				<verse number="13">En als hij kwam, ziet, zo zat Eli op een stoel aan de zijde van den weg, uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de ark Gods. Als die man kwam, om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de ganse stad.</verse>
				<verse number="14">En als Eli de stem des geroeps hoorde, zo zeide hij: Wat is de stem dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli.</verse>
				<verse number="15">(Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.)</verse>
				<verse number="16">En die man zeide tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik ben heden uit de slagorden gevloden. Hij dan zeide: Wat is er geschied, mijn zoon?</verse>
				<verse number="17">Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: Israël is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pínehas, gestorven, en de ark Gods is genomen.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren.</verse>
				<verse number="19">En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pínehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeën overvielen haar.</verse>
				<verse number="20">En omtrent den tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte.</verse>
				<verse number="21">En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.</verse>
				<verse number="22">En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de ark Gods is genomen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">De Filistijnen nu namen de ark Gods, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod.</verse>
				<verse number="2">En de Filistijnen namen de ark Gods, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon.</verse>
				<verse number="3">Maar als die van Asdod des anderen daags vroeg opstonden, ziet, zo was Dagon op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark des HEEREN. En zij namen Dagon en zetten hem weder op zijn plaats.</verse>
				<verse number="4">Toen zij nu des anderen daags des morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark des HEEREN; maar het hoofd van Dagon, en de beide palmen zijner handen afgehouwen, aan den dorpel; alleenlijk was Dagon daarop overgebleven.</verse>
				<verse number="5">Daarom treden de priesters van Dagon, en allen, die in het huis van Dagon komen, niet op den dorpel van Dagon te Asdod, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="6">Doch de hand des HEEREN was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar landpalen.</verse>
				<verse number="7">Toen nu de mannen te Asdod zagen, dat het alzo toeging, zo zeiden zij: Dat de ark des Gods van Israël bij ons niet blijve; want Zijn hand is hard over ons, en over Dagon, onzen god.</verse>
				<verse number="8">Daarom zonden zij heen, en verzamelden tot zich al de vorsten der Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de ark des Gods van Israël doen? En die zeiden: Dat de ark des Gods van Israël rondom Gath ga. Alzo droegen zij de ark des Gods van Israël rondom.</verse>
				<verse number="9">En het geschiedde, nadat zij die hadden rondom gedragen, zo was de hand des HEEREN tegen die stad met een zeer grote kwelling; want Hij sloeg de lieden dier stad van den kleine tot den grote, en zij hadden spenen in de verborgene plaatsen.</verse>
				<verse number="10">Toen zonden zij de ark Gods naar Ekron; maar het geschiedde, als de ark Gods te Ekron kwam, zo riepen die van Ekron, zeggende: Zij hebben de ark des Gods van Israël tot mij rondom gebracht, om mij en mijn volk te doden.</verse>
				<verse number="11">En zij zonden heen, en vergaderden al de vorsten der Filistijnen, en zeiden: Zendt de ark des Gods van Israël heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij mij en mijn volk niet dode; want er was een dodelijke kwelling in de ganse stad, en de hand Gods was er zeer zwaar.</verse>
				<verse number="12">En de mensen, die niet stierven, werden geslagen met spenen, zodat het geschrei der stad opklom naar den hemel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Als nu de ark des HEEREN zeven maanden in het land der Filistijnen geweest was,</verse>
				<verse number="2">Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark des HEEREN doen? Laat ons weten, waarmede wij ze aan haar plaats zenden zullen.</verse>
				<verse number="3">Zij dan zeiden: Indien gij de ark des Gods van Israël wegzendt, zendt haar niet ledig weg, maar vergeldt Hem ganselijk een schuldoffer; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt.</verse>
				<verse number="4">Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten der Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen, en over uw vorsten.</verse>
				<verse number="5">Zo maakt dan beelden uwer spenen, en beelden uwer muizen, die het land verderven, en geeft den God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over ulieden, en van over uw god, en van over uw land.</verse>
				<verse number="6">Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Faraö hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?</verse>
				<verse number="7">Nu dan, neemt en maakt een nieuwen wagen, en twee zogende koeien, op dewelke geen juk gekomen is; spant de koeien aan den wagen, en brengt haar kalveren van achter haar weder naar huis.</verse>
				<verse number="8">Neemt dan de ark des HEEREN, en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinoden, die gij Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.</verse>
				<verse number="9">Ziet dan toe, indien zij den weg van haar landpale opgaat naar Beth-Sémes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.</verse>
				<verse number="10">En die lieden deden alzo, en namen twee zogende koeien, en spanden ze aan den wagen, en haar kalveren sloten zij in huis.</verse>
				<verse number="11">En zij zetten de ark des HEEREN op den wagen, en het koffertje met de gouden muizen, en de beelden hunner spenen.</verse>
				<verse number="12">De koeien nu gingen recht in dien weg, op den weg naar Beth-Sémes op een straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechter- noch ter linkerhand; en de vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes.</verse>
				<verse number="13">En die van Beth-Sémes maaiden den tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen.</verse>
				<verse number="14">En de wagen kwam op den akker van Jozua, den Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en zij kloofden het hout van den wagen, en offerden de koeien den HEERE ten brandoffer.</verse>
				<verse number="15">En de Levieten namen de ark des HEEREN af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op dien groten steen; en die lieden van Beth-Sémes offerden brandofferen, en slachtten slachtofferen den HEERE, op denzelven dag.</verse>
				<verse number="16">En als de vijf vorsten der Filistijnen zulks gezien hadden, zo keerden zij weder op denzelven dag naar Ekron.</verse>
				<verse number="17">Dit nu zijn de gouden spenen, die de Filistijnen aan den HEERE ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod één, voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gath één, voor Ekron één.</verse>
				<verse number="18">Ook gouden muizen, naar het getal van alle steden der Filistijnen, onder de vijf vorsten, van de vaste steden af tot aan de landvlekken; en tot aan Abel, den groten steen, op denwelken zij de ark des HEEREN nedergesteld hadden, die tot op dezen dag is op den akker van Jozua, den Beth-semiet.</verse>
				<verse number="19">En de HEERE sloeg onder die lieden van Beth-Sémes, omdat zij in de ark des HEEREN gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE een groten slag onder het volk geslagen had.</verse>
				<verse number="20">Toen zeiden de lieden van Beth-Sémes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van den HEERE, dezen heiligen God? En tot wien van ons zal Hij optrekken?</verse>
				<verse number="21">Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-Jeárim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark des HEEREN wedergebracht; komt af, haalt ze opwaarts tot u.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jeárim, en haalden de ark des HEEREN op, en zij brachten ze in het huis van Abinádab, op den heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleázar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde.</verse>
				<verse number="2">En het geschiedde, van dien dag af, dat de ark des Heeren te Kirjath-Jeárim bleef, en de dagen werden vermenigvuldigd, en het werden twintig jaren; en het ganse huis van Israël klaagde den HEERE achterna.</verse>
				<verse number="3">Toen sprak Samuël tot het ganse huis van Israël, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken.</verse>
				<verse number="4">De kinderen Israëls nu deden de Baäls en de Astharoths weg, en zij dienden den HEERE alleen.</verse>
				<verse number="5">Verder zeide Samuël: Vergadert het ganse Israël naar Mizpa, en ik zal den HEERE voor u bidden.</verse>
				<verse number="6">En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN; en zij vastten te dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo richtte Samuël de kinderen Israëls te Mizpa.</verse>
				<verse number="7">Toen de Filistijnen hoorden, dat de kinderen Israëls zich vergaderd hadden te Mizpa, zo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israël. Als de kinderen Israëls dat hoorden, zo vreesden zij voor het aangezicht der Filistijnen.</verse>
				<verse number="8">En de kinderen Israëls zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den HEERE, onzen God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen.</verse>
				<verse number="9">Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuël riep tot den HEERE voor Israël; en de HEERE verhoorde hem.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de HEERE donderde te dien dage met een groten donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.</verse>
				<verse number="11">En de mannen van Israël togen uit van Mizpa, en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Beth-kar.</verse>
				<verse number="12">Samuël nu nam een steen, en stelde dien tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen.</verse>
				<verse number="13">Alzo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in de landpalen van Israël; want de hand des HEEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël.</verse>
				<verse number="14">En de steden, welke de Filistijnen van Israël genomen hadden kwamen weder aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël derzelver landpale uit de hand der Filistijnen; en er was vrede tussen Israël en tussen de Amorieten.</verse>
				<verse number="15">Samuël nu richtte Israël al de dagen zijns levens.</verse>
				<verse number="16">En hij toog van jaar tot jaar, en ging rondom naar Beth-El, en Gilgal, en Mizpa; en hij richtte Israël in al die plaatsen.</verse>
				<verse number="17">Doch hij keerde weder naar Rama; want daar was zijn huis, en daar richtte hij Israël; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, toen Samuël oud geworden was, zo stelde hij zijn zonen tot richters over Israël.</verse>
				<verse number="2">De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joël, en de naam van zijn tweeden was Abía; zij waren richters te Ber-séba.</verse>
				<verse number="3">Doch zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht.</verse>
				<verse number="4">Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samuël te Rama;</verse>
				<verse number="5">En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben.</verse>
				<verse number="6">Maar dit woord was kwaad in de ogen van Samuël, als zij zeiden: Geef ons een koning, om ons te richten. En Samuël bad den HEERE aan.</verse>
				<verse number="7">Doch de HEERE zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.</verse>
				<verse number="8">Naar al de werken, die zij gedaan hebben, van dien dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op dezen dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; alzo doen zij u ook.</verse>
				<verse number="9">Hoor dan nu naar hun stem; doch als gij hen op het hoogste zult betuigd hebben, zo zult gij hen te kennen geven de wijze des konings, die over hen regeren zal.</verse>
				<verse number="10">Samuël nu zeide al de woorden des HEEREN het volk aan, hetwelk een koning van hem begeerde.</verse>
				<verse number="11">En zeide: Dit zal des konings wijze zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen henen lopen;</verse>
				<verse number="12">En dat hij hen zich stelle tot oversten der duizenden, en tot oversten der vijftigen; en dat zij zijn akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, mitsgaders zijn wapentuig.</verse>
				<verse number="13">En uw dochteren zal hij nemen tot apothekeressen, en tot keukenmaagden, en tot baksters.</verse>
				<verse number="14">En uw akkers, en uw wijngaarden, en uw olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal ze aan zijn knechten geven.</verse>
				<verse number="15">En uw zaad, en uw wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze aan zijn hovelingen, en aan zijn knechten geven.</verse>
				<verse number="16">En hij zal uw knechten, en uw dienstmaagden, en uw beste jongelingen, en uw ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen.</verse>
				<verse number="17">Hij zal uw kudden vertienen; en gij zult hem tot knechten zijn.</verse>
				<verse number="18">Gij zult wel te dien dage roepen, vanwege uw koning, dien gij u zult verkoren hebben, maar de HEERE zal u te dien dage niet verhoren.</verse>
				<verse number="19">Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.</verse>
				<verse number="20">En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.</verse>
				<verse number="21">Als Samuël al de woorden des volks gehoord had, zo sprak hij dezelve voor de oren des HEEREN.</verse>
				<verse number="22">De HEERE nu zeide tot Samuël: Hoor naar hun stem, en stel hun een koning. Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: Gaat heen, een iegelijk naar zijn stad.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abíël, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afíah, den zoon eens mans van Jemini, een dapper held.</verse>
				<verse number="2">Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen Israëls; van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk.</verse>
				<verse number="3">De ezelinnen nu van Kis, den vader van Saul, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu een van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen.</verse>
				<verse number="4">Hij dan ging door het gebergte van Efraïm, en hij ging door het land van Salísa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sáhalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, doch zij vonden ze niet.</verse>
				<verse number="5">Toen zij in het land van Zuf kwamen, zeide Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons wederkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en voor ons bekommerd zij.</verse>
				<verse number="6">Hij daarentegen zeide tot hem: Zie toch, er is een man Gods in deze stad, en hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk; laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal hij ons onzen weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gave, om den man Gods te brengen; wat hebben wij?</verse>
				<verse number="8">En de jongen antwoordde Saul verder en zeide: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik den man Gods geven, opdat hij ons onzen weg wijze.</verse>
				<verse number="9">(Eertijds zeide een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot den ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Saul tot zijn jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad, waar de man Gods was.</verse>
				<verse number="11">Als zij opklommen door den opgang der stad, zo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hier?</verse>
				<verse number="12">Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Ziet, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, dewijl het volk heden een offerande heeft op de hoogte.</verse>
				<verse number="13">Wanneer gijlieden in de stad komt, zo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult gij hem vinden.</verse>
				<verse number="14">Alzo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden der stad kwamen, ziet, zo ging Samuël uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte.</verse>
				<verse number="15">Want de HEERE had het voor Samuëls oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Morgen omtrent dezen tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, dien zult gij ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand, want Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is.</verse>
				<verse number="17">Toen Samuël Saul aanzag, zo antwoordde hem de HEERE: Zie, dit is de man, van welken Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.</verse>
				<verse number="18">En Saul naderde tot Samuël in het midden der poort, en zeide: Wijs mij toch, waar is hier het huis des zieners?</verse>
				<verse number="19">En Samuël antwoordde Saul en zeide: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat gijlieden heden met mij eet; zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven.</verse>
				<verse number="20">Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenste, dat in Israël is? Is het niet van u, en van het ganse huis uws vaders?</verse>
				<verse number="21">Toen antwoordde Saul, en zeide: Ben ik niet een zoon van Jemini, van den kleinsten der stammen van Israël? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van den stam van Benjamin? Waarom spreekt gij mij dan aan met zulke woorden?</verse>
				<verse number="22">Samuël dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genodigden; die nu waren omtrent dertig man.</verse>
				<verse number="23">Toen zeide Samuël tot den kok: Lang dat stuk, hetwelk ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zeide: Zet het bij u weg.</verse>
				<verse number="24">De kok nu bracht een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk genodigd. Alzo at Saul met Samuël op dien dag.</verse>
				<verse number="25">Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak.</verse>
				<verse number="26">En zij stonden vroeg op; en het geschiedde, omtrent den opgang des dageraads, zo riep Samuël Saul op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten.</verse>
				<verse number="27">Toen zij afgegaan waren aan het einde der stad, zo zeide Samuël tot Saul: Zeg den jongen, dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta gij als nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?</verse>
				<verse number="2">Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?</verse>
				<verse number="3">Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; één, dragende drie bokjes, en één, dragende drie bollen broods, en één, dragende een fles wijn.</verse>
				<verse number="4">En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.</verse>
				<verse number="5">Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.</verse>
				<verse number="6">En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.</verse>
				<verse number="7">En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.</verse>
				<verse number="8">Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.</verse>
				<verse number="9">Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuël te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.</verse>
				<verse number="10">Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?</verse>
				<verse number="12">Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?</verse>
				<verse number="13">Toen hij nu voleind had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.</verse>
				<verse number="14">En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuël.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuël ulieden gezegd?</verse>
				<verse number="16">Saul nu zeide tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuël gezegd had, gaf hij hem niet te kennen.</verse>
				<verse number="17">Doch Samuël riep het volk te zamen tot den HEERE, te Mizpa.</verse>
				<verse number="18">En hij zeide tot de kinderen Israëls: Alzo heeft de HEERE, de God Israëls, gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en Ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten.</verse>
				<verse number="19">Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden.</verse>
				<verse number="20">Toen nu Samuël al de stammen van Israël had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt.</verse>
				<verse number="21">Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.</verse>
				<verse number="22">Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.</verse>
				<verse number="23">Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide Samuël tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve!</verse>
				<verse number="25">Samuël nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuël het ganse volk gaan, elk naar zijn huis.</verse>
				<verse number="26">En Saul ging ook naar zijn huis te Gíbea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.</verse>
				<verse number="27">Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij was als doof.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Toen toog Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen.</verse>
				<verse number="2">Doch Nahas, de Ammoniet, zeide tot hen: Mits dezen zal ik een verbond met ulieden maken, dat ik u allen het rechteroog uitsteke; en dat ik deze schande op gans Israël legge.</verse>
				<verse number="3">Toen zeiden tot hem de oudsten van Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al de landpalen van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan.</verse>
				<verse number="4">Als de boden te Gíbea-Sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en weende.</verse>
				<verse number="5">En ziet, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zeide: Wat is den volke, dat zij wenen? Toen vertelden zij hem de woorden der mannen van Jabes.</verse>
				<verse number="6">Toen werd de Geest Gods vaardig over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer.</verse>
				<verse number="7">En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in alle landpalen van Israël door de hand der boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuël, alzo zal men zijn runderen doen. Toen viel de vreze des HEEREN op het volk, en zij gingen uit als een enig man.</verse>
				<verse number="8">En hij telde hen te Bezek; en van de kinderen Israëls waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend.</verse>
				<verse number="9">Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Aldus zult gijlieden den mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing geschieden, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd.</verse>
				<verse number="10">En de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot ulieden uitgaan, en gij zult ons doen naar alles, wat goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="11">Het geschiedde nu des anderen daags, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden des legers, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen alzo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide het volk tot Samuël: Wie is hij, die zeide: Zou Saul over ons regeren? Geeft hier die mannen, dat wij hen doden.</verse>
				<verse number="13">Maar Saul zeide: Er zal te dezen dage geen man gedood worden, want de HEERE heeft heden een verlossing in Israël gedaan.</verse>
				<verse number="14">Verder zeide Samuël tot het volk: Komt en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk aldaar vernieuwen.</verse>
				<verse number="15">Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul aldaar koning voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal; en zij offerden aldaar dankofferen voor het aangezicht des HEEREN; en Saul verheugde zich aldaar gans zeer, met al de mannen van Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Toen zeide Samuël tot gans Israël: Ziet, ik heb naar ulieder stem gehoord in alles, wat gij mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u gezet.</verse>
				<verse number="2">En nu, ziet, daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, en ik ben oud en grijs geworden, en ziet, mijn zonen zijn bij ulieden; en ik heb voor uw aangezicht gewandeld van mijn jeugd af tot dezen dag toe.</verse>
				<verse number="3">Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij, voor den HEERE, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het ulieden wedergeven.</verse>
				<verse number="4">Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij een Getuige tegen ulieden, en Zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijn hand niets gevonden hebt! En het volk zeide: Hij zij Getuige!</verse>
				<verse number="6">Verder zeide Samuël tot het volk: Het is de HEERE, Die Mozes en Aäron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft.</verse>
				<verse number="7">En nu, stelt u hier, dat ik met ulieden rechte, voor het aangezicht des HEEREN, over al de gerechtigheden des HEEREN, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft.</verse>
				<verse number="8">Nadat Jakob in Egypte gekomen was, zo riepen uw vaders tot den HEERE; en de HEERE zond Mozes en Aäron, en zij leidden uw vaders uit Egypte, en deden hen aan deze plaats wonen.</verse>
				<verse number="9">Maar zij vergaten den HEERE, hun God; zo verkocht Hij hen in de hand van Sísera, den krijgsoverste, te Hazor, en in de hand der Filistijnen, en in de hand van den koning der Moabieten, die tegen hen streden.</verse>
				<verse number="10">En zij riepen tot den HEERE, en zeiden: Wij hebben gezondigd, dewijl wij den HEERE verlaten, en de Baäls en Astharoths gediend hebben; en nu, ruk ons uit de hand onzer vijanden, en wij zullen U dienen.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zond Jerubbaäl, en Bedan, en Jeftha, en Samuël, en Hij rukte u uit de hand uwer vijanden rondom, alzo dat gij zeker woondet.</verse>
				<verse number="12">Als gij nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeidet gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zo toch de HEERE, uw God, uw Koning was.</verse>
				<verse number="13">En nu, ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt; en ziet, de HEERE heeft een koning over ulieden gezet.</verse>
				<verse number="14">Zo gij den HEERE zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en den mond des HEEREN niet wederspannig zijt, zo zult gijlieden, zowel gij als de koning, die over u regeren zal, achter den HEERE, uw God, zijn.</verse>
				<verse number="15">Doch zo gij naar de stem des HEEREN niet zult horen, maar den mond des HEEREN wederspannig zijn, zo zal de hand des HEEREN, tegen u zijn, als tegen uw vaders.</verse>
				<verse number="16">Ook stelt u nu hier, en ziet die grote zaak, die de HEERE voor uw ogen doen zal.</verse>
				<verse number="17">Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat gij voor de ogen des HEEREN gedaan hebt, dat gij een koning voor u begeerd hebt.</verse>
				<verse number="18">Toen Samuël den HEERE aanriep, zo gaf de HEERE donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuël.</verse>
				<verse number="19">En al het volk zeide tot Samuël: Bid voor uw knechten den HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart.</verse>
				<verse number="21">En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.</verse>
				<verse number="22">Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams wil, dewijl het den HEERE beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk te maken.</verse>
				<verse number="23">Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren.</verse>
				<verse number="24">Vreest slechts den HEERE, en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft!</verse>
				<verse number="25">Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël.</verse>
				<verse number="2">Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jónathan te Gíbea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.</verse>
				<verse number="3">Doch Jónathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreeën horen.</verse>
				<verse number="4">Toen hoorde het ganse Israël zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gilgal.</verse>
				<verse number="5">En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-aven.</verse>
				<verse number="6">Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.</verse>
				<verse number="7">De Hebreeën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.</verse>
				<verse number="8">En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,</verse>
				<verse number="12">Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.</verse>
				<verse number="15">Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gíbea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.</verse>
				<verse number="16">En Saul en zijn zoon Jónathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gíbea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.</verse>
				<verse number="17">En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;</verse>
				<verse number="18">En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-hóron; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zebóïm naar de woestijn uitziet.</verse>
				<verse number="19">En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreeën geen zwaard noch spies maken.</verse>
				<verse number="20">Daarom moest gans Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet.</verse>
				<verse number="21">Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.</verse>
				<verse number="22">En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jónathan was; doch bij Saul en bij Jónathan, zijn zoon, werden zij gevonden.</verse>
				<verse number="23">En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Het geschiedde nu op een dag, dat Jónathan, de zoon van Saul, tot den jongen, die zijn wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is; doch hij gaf het zijn vader niet te kennen.</verse>
				<verse number="2">Saul nu zat aan het uiterste van Gíbea onder den granatenboom, die te Migron was; en het volk, dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man.</verse>
				<verse number="3">En Ahía, de zoon van Ahítub, den broeder van Ikabod, den zoon van Pínehas, den zoon van Eli, was priester des HEEREN, te Silo, dragende den efod; doch het volk wist niet, dat Jónathan heengegaan was.</verse>
				<verse number="4">Er was nu tussen de doortochten, waar Jónathan zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan gene zijde; en de naam der ene was Bozes, en de naam der andere Séne.</verse>
				<verse number="5">De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.</verse>
				<verse number="6">Jónathan nu zeide tot den jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan; misschien zal de HEERE voor ons werken; want bij den HEERE is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u, naar uw hart.</verse>
				<verse number="8">Jónathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen, en wij zullen ons aan hen ontdekken.</verse>
				<verse number="9">Indien zij aldus tot ons zeggen: Staat stil, totdat wij aan ulieden komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen.</verse>
				<verse number="10">Maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want de HEERE heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons een teken zijn.</verse>
				<verse number="11">Toen zij beiden zich aan der Filistijnen bezetting ontdekten, zo zeiden de Filistijnen: Ziet, de Hebreeën zijn uit de holen uitgegaan, waarin zij zich verstoken hadden.</verse>
				<verse number="12">Verder antwoordden de mannen der bezetting aan Jónathan en zijn wapendrager, en zeiden: Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jónathan zeide tot zijn wapendrager: Klim op achter mij, want de HEERE heeft hen gegeven in de hand van Israël.</verse>
				<verse number="13">Toen klom Jónathan op zijn handen en op zijn voeten, en zijn wapendrager hem na; en zij vielen voor Jónathans aangezicht, en zijn wapendrager doodde ze achter hem.</verse>
				<verse number="14">Deze eerste slag nu, waarmede Jónathan en zijn wapendrager omtrent twintig mannen versloegen, geschiedde omtrent in de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands.</verse>
				<verse number="15">En er was een beving in het leger, op het veld en onder het ganse volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelven; ja, het land werd beroerd, want het was een beving Gods.</verse>
				<verse number="16">Als nu de wachters van Saul te Gíbea-Benjamins zagen, dat, ziet, de menigte versmolt, en doorging, en geklopt werd;</verse>
				<verse number="17">Toen zeide Saul tot het volk, dat bij hem was: Telt toch, en beziet, wie van ons weggegaan zijn. En zij telden, en ziet, Jónathan en zijn wapendrager waren daar niet.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide Saul tot Ahía: Breng de ark Gods herwaarts. Want de ark Gods was te dien dage bij de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="19">En het geschiedde, toen Saul nog tot den priester sprak, dat het rumoer, hetwelk in der Filistijnen leger was, zeer toenam en vermenigvuldigde; zo zeide Saul tot den priester: Haal uw hand in.</verse>
				<verse number="20">Saul nu, en al het volk, dat bij hem was, werd samengeroepen, en zij kwamen ten strijde; en ziet, het zwaard des enen was tegen den anderen, er was een zeer groot gedruis.</verse>
				<verse number="21">Er waren ook Hebreeën bij de Filistijnen, als eertijds, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; dezen nu vervoegden zich ook met de Israëlieten, die bij Saul en Jónathan waren.</verse>
				<verse number="22">Als alle mannen van Israël, die zich verstoken hadden in het gebergte van Efraïm, hoorden, dat de Filistijnen vluchtten, zo kleefden zij ook hen achteraan in den strijd.</verse>
				<verse number="23">Alzo verloste de HEERE Israël te dien dage; en het leger trok over naar Beth-aven.</verse>
				<verse number="24">En de mannen van Israël werden mat te dien dage; want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die spijze eet tot aan den avond, opdat ik mij aan mijn vijanden wreke! Daarom proefde dat ganse volk geen spijs.</verse>
				<verse number="25">En het ganse volk kwam in een woud; en daar was honig op het veld.</verse>
				<verse number="26">Toen het volk in het woud kwam, ziet, zo was er een honigvloed; maar niemand raakte met zijn hand aan zijn mond, want het volk vreesde de bezwering.</verse>
				<verse number="27">Maar Jónathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van den staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte denzelven in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht.</verse>
				<verse number="28">Toen antwoordde een man uit het volk, en zeide: Uw vader heeft het volk zwaarlijk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die heden brood eet! Daarom bezwijkt het volk.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide Jónathan: Mijn vader heeft het land beroerd; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dezen honig gesmaakt heb;</verse>
				<verse number="30">Hoe veel meer, indien het volk heden had mogen vrijelijk eten van den buit zijner vijanden, dien het gevonden heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen.</verse>
				<verse number="31">Doch zij sloegen te dien dage de Filistijnen van Michmas tot Ajálon; en het volk was zeer moede.</verse>
				<verse number="32">Toen maakte zich het volk aan den buit, en zij namen schapen, en runderen, en kalveren, en zij slachtten ze tegen de aarde; en het volk at ze met het bloed.</verse>
				<verse number="33">En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk verzondigt zich aan den HEERE, etende met het bloed. En hij zeide: Gij hebt trouwelooslijk gehandeld; wentelt heden een groten steen tot mij.</verse>
				<verse number="34">Verder sprak Saul: Verstrooit u onder het volk, en zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijn os, en een iegelijk zijn schaap, en slacht hier, en eet, en bezondigt u niet aan den HEERE, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk een iegelijk zijn os met zijn hand, des nachts, en slachtte ze aldaar.</verse>
				<verse number="35">Toen bouwde Saul den HEERE een altaar; dit was het eerste altaar, dat hij den HEERE bouwde.</verse>
				<verse number="36">Daarna zeide Saul: Laat ons aftrekken de Filistijnen na, bij nacht, en laat ons dezelve beroven, totdat het morgen licht worde, en laat ons niet een man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat goed is in uw ogen; maar de priester zeide: Laat ons herwaarts tot God naderen.</verse>
				<verse number="37">Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrekken de Filistijnen na? Zult Gij ze in de hand van Israël overgeven? Doch Hij antwoordde hem niet te dien dage.</verse>
				<verse number="38">Toen zeide Saul: Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt, en ziet, waarin deze zonde heden geschied zij.</verse>
				<verse number="39">Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jónathan, zo zal hij den dood sterven; en niemand uit het ganse volk antwoordde hem.</verse>
				<verse number="40">Verder zeide hij tot het ganse Israël: Gijlieden zult aan de ene zijde zijn, en ik en mijn zoon Jónathan zullen aan de andere zijde zijn. Toen zeide het volk tot Saul: Doe, wat goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="41">Saul nu sprak tot den HEERE, den God Israëls: Toon den onschuldige. Toen werd Jónathan en Saul geraakt, en het volk ging vrij uit.</verse>
				<verse number="42">Toen zeide Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jónathan. Toen werd Jónathan geraakt.</verse>
				<verse number="43">Saul dan zeide tot Jónathan: Geef mij te kennen, wat gij gedaan hebt. Toen gaf het Jónathan hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste des stafs, dien ik in mijn hand had; zie hier ben ik, moet ik sterven?</verse>
				<verse number="44">Toen zeide Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jónathan! gij moet den dood sterven.</verse>
				<verse number="45">Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jónathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! Zo waarachtig als de HEERE leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzo verloste het volk Jónathan, dat hij niet stierf.</verse>
				<verse number="46">Saul nu toog op van achter de Filistijnen, en de Filistijnen trokken aan hun plaats.</verse>
				<verse number="47">Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf.</verse>
				<verse number="48">En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde.</verse>
				<verse number="49">De zonen van Saul nu waren: Jónathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal.</verse>
				<verse number="50">En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinóam, een dochter van Ahimáäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abner, een zoon van Ner, Sauls oom.</verse>
				<verse number="51">En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abíël.</verse>
				<verse number="52">En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Toen zeide Samuël tot Saul: de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN.</verse>
				<verse number="2">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit Egypte opkwam.</verse>
				<verse number="3">Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe.</verse>
				<verse number="4">Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaïm, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda.</verse>
				<verse number="5">Als Saul tot aan de stad Amalek kwam, zo legde hij een achterlage in het dal.</verse>
				<verse number="6">En Saul liet den Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzo weken de Kenieten uit het midden der Amalekieten.</verse>
				<verse number="7">Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havíla af, tot daar gij komt te Sur, dat voor aan Egypte is.</verse>
				<verse number="8">En hij ving Agag, den koning der Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="9">Doch Saul en het ganse volk verschoonde Agag, en de beste schapen, en runderen, en de naast beste, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat verachtzaam, en dat verdwijnende was, verbanden zij.</verse>
				<verse number="10">Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Samuël, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en Mijn woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak Samuël, en hij riep tot den HEERE den gansen nacht.</verse>
				<verse number="12">Daarna maakte zich Samuël des morgens vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuël geboodschapt, zeggende: Saul is te Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen.</verse>
				<verse number="13">Samuël nu kwam tot Saul, en Saul zeide tot hem: Gezegend zijt gij den HEERE! Ik heb des HEEREN woord bevestigd.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Samuël: Wat is dan dit voor een stem der schapen in mijn oren, en een stem der runderen, die ik hoor?</verse>
				<verse number="15">Saul nu zeide: Zij hebben ze van de Amalekieten gebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen verschoond, om den HEERE, uw God, te offeren; maar het overige hebben wij verbannen.</verse>
				<verse number="16">Toen zeide Samuël tot Saul: Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE van nacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zeide tot hem: Spreek.</verse>
				<verse number="17">En Samuël zeide: Is het niet alzo, toen gij klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israël geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israël gezalfd heeft?</verse>
				<verse number="18">En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet.</verse>
				<verse number="19">Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stem des HEEREN gehoord, en heb gewandeld op den weg, op denwelken mij de HEERE gezonden heeft; en ik heb Agag, den koning der Amalekieten, mede gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen.</verse>
				<verse number="21">Het volk nu heeft genomen van den roof, schapen en runderen, het voornaamste van het verbannene, om den HEERE, uw God, op te offeren te Gilgal.</verse>
				<verse number="22">Doch Samuël zeide: Heeft de HEERE lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen.</verse>
				<verse number="23">Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, omdat ik des HEEREN bevel en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord.</verse>
				<verse number="25">Nu dan, vergeef mij toch mijn zonde, en keer met mij wederom, dat ik den HEERE aanbidde.</verse>
				<verse number="26">Doch Samuël zeide tot Saul: Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn.</verse>
				<verse number="27">Als zich Samuël omkeerde om weg te gaan, zo greep hij een slip van zijn mantel en zij scheurde.</verse>
				<verse number="28">Toen zeide Samuël tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.</verse>
				<verse number="29">En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.</verse>
				<verse number="30">Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israël; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.</verse>
				<verse number="31">Toen keerde Samuël wederom Saul na; en Saul aanbad den HEERE.</verse>
				<verse number="32">Toen zeide Samuël: Brengt Agag, den koning der Amalekieten, hier tot mij. Agag nu ging tot hem weeldelijk; en Agag zeide: Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken!</verse>
				<verse number="33">Maar Samuël zeide: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, alzo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken, voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal.</verse>
				<verse number="34">Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gíbea-Sauls.</verse>
				<verse number="35">En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Toen zeide de HEERE tot Samuël: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.</verse>
				<verse number="2">Maar Samuël zeide: Hoe zou ik heengaan? Saul zal het toch horen en mij doden. Toen zeide de HEERE: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen, om den HEERE offerande te doen.</verse>
				<verse number="3">En gij zult Isaï ten offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven, wat gij doen zult, en gij zult Mij zalven, dien Ik u zeggen zal.</verse>
				<verse number="4">Samuël nu deed, hetgeen de HEERE gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten der stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede?</verse>
				<verse number="5">Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den HEERE offerande te doen; heiligt u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isaï en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer.</verse>
				<verse number="6">En het geschiedde, toen zij inkwamen, zo zag hij Elíab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor den HEERE, Zijn gezalfde.</verse>
				<verse number="7">Doch de HEERE zeide tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.</verse>
				<verse number="8">Toen riep Isaï Abinádab, en hij deed hem voorbij het aangezicht van Samuël gaan; doch hij zeide: Dezen heeft de HEERE ook niet verkoren.</verse>
				<verse number="9">Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; doch hij zeide: Dezen heeft de HEERE ook niet verkoren.</verse>
				<verse number="10">Alzo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuël gaan; doch Samuël zeide tot Isaï: De HEERE heeft dezen niet verkoren.</verse>
				<verse number="11">Voorts zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zeide tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn.</verse>
				<verse number="12">Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, mitsgaders schoon van ogen en schoon van aanzien; en de HEERE zeide: Sta op, zalf hem, want deze is het.</verse>
				<verse number="13">Toen nam Samuël den oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijner broederen. En de Geest des HEEREN werd vaardig over David van dien dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama.</verse>
				<verse number="14">En de Geest des HEEREN week van Saul; en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.</verse>
				<verse number="15">Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest Gods verschrikt u.</verse>
				<verse number="16">Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal geschieden, als de boze geest Gods op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u worde.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide Saul tot zijn knechten: Ziet mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij.</verse>
				<verse number="18">Toen antwoordde een van de jongelingen, en zeide: Zie, ik heb gezien een zoon van Isaï, den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held, en een krijgsman, en verstandig in zaken, en een schoon man, en de HEERE is met hem.</verse>
				<verse number="19">Saul nu zond boden tot Isaï, en zeide: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.</verse>
				<verse number="20">Toen nam Isaï een ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul.</verse>
				<verse number="21">Alzo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.</verse>
				<verse number="22">Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde, als de geest Gods over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azéka, aan het einde van Dammim.</verse>
				<verse number="2">Doch Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.</verse>
				<verse number="3">De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.</verse>
				<verse number="4">Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.</verse>
				<verse number="5">En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;</verse>
				<verse number="6">En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;</verse>
				<verse number="7">En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="8">Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.</verse>
				<verse number="9">Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.</verse>
				<verse number="10">Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!</verse>
				<verse number="11">Toen Saul en het ganse Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.</verse>
				<verse number="12">David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.</verse>
				<verse number="13">En de drie grootste zonen van Isaï gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Elíab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinádab, en de derde Samma.</verse>
				<verse number="14">En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.</verse>
				<verse number="15">Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.</verse>
				<verse number="16">De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.</verse>
				<verse number="17">En Isaï zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broederen.</verse>
				<verse number="18">Maar breng deze tien melkkazen aan de overste over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.</verse>
				<verse number="19">Saul nu, en zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.</verse>
				<verse number="20">Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.</verse>
				<verse number="21">En de Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.</verse>
				<verse number="22">David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.</verse>
				<verse number="23">Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze.</verse>
				<verse number="24">Doch alle mannen in Israël, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.</verse>
				<verse number="25">En de mannen Israëls zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?</verse>
				<verse number="27">Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.</verse>
				<verse number="28">Als Elíab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Elíab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?</verse>
				<verse number="30">En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.</verse>
				<verse number="31">Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.</verse>
				<verse number="32">En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.</verse>
				<verse number="33">Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.</verse>
				<verse number="34">Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.</verse>
				<verse number="35">En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.</verse>
				<verse number="36">Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.</verse>
				<verse number="37">Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!</verse>
				<verse number="38">En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.</verse>
				<verse number="39">En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.</verse>
				<verse number="40">En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.</verse>
				<verse number="41">De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="42">Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.</verse>
				<verse number="43">De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.</verse>
				<verse number="44">Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.</verse>
				<verse number="45">David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israël, Dien gij gehoond hebt.</verse>
				<verse number="46">Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft.</verse>
				<verse number="47">En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.</verse>
				<verse number="48">En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.</verse>
				<verse number="49">En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.</verse>
				<verse number="50">Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.</verse>
				<verse number="51">Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.</verse>
				<verse number="52">Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saäráïm, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.</verse>
				<verse number="53">Daarna keerden de kinderen Israëls om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.</verse>
				<verse number="54">Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.</verse>
				<verse number="55">Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.</verse>
				<verse number="56">De koning nu zeide: Vraag gij het, wiens zoon deze jongeling is.</verse>
				<verse number="57">Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.</verse>
				<verse number="58">En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, den Bethlehemiet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, als hij geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jónathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jónathan beminde hem als zijn ziel.</verse>
				<verse number="2">En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet wederkeren tot zijns vaders huis.</verse>
				<verse number="3">Jónathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.</verse>
				<verse number="4">En Jónathan deed zijn mantel af, dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe.</verse>
				<verse number="5">En David toog uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen des gansen volks, en ook in de ogen der knechten van Saul.</verse>
				<verse number="6">Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David wederkeerde van het slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reien, den koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.</verse>
				<verse number="7">En de vrouwen, spelende, antwoordden elkander en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!</verse>
				<verse number="8">Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zeide: Zij hebben David tien duizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn.</verse>
				<verse number="9">En Saul had het oog op David, van dien dag af en voortaan.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest Gods over Saul vaardig werd, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.</verse>
				<verse number="11">En Saul schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.</verse>
				<verse number="12">En Saul vreesde voor David, want de HEERE was met hem, en Hij was van Saul geweken.</verse>
				<verse number="13">Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht des volks.</verse>
				<verse number="14">En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en de HEERE was met hem.</verse>
				<verse number="15">Toen nu Saul zag, dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="16">Doch gans Israël en Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.</verse>
				<verse number="17">Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des HEEREN. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.</verse>
				<verse number="18">Doch David zeide tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israël, dat ik des konings schoonzoon zou worden?</verse>
				<verse number="19">Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriël, den Meholathiet, ter vrouw gegeven.</verse>
				<verse number="20">Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen.</verse>
				<verse number="21">En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.</verse>
				<verse number="22">En Saul gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon.</verse>
				<verse number="23">En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben?</verse>
				<verse number="24">En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen.</verse>
				<verse number="26">Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld.</verse>
				<verse number="27">Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.</verse>
				<verse number="28">En Saul zag en merkte, dat de HEERE met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief.</verse>
				<verse number="29">Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.</verse>
				<verse number="30">Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zo geschiedde het, als zij uittogen, dat David kloeker was, dan al de knechten van Saul; zodat zijn naam zeer geacht was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Derhalve sprak Saul tot zijn zoon Jónathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Doch Jónathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David.</verse>
				<verse number="2">En Jónathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch des morgens, en blijf in het verborgene, en versteek u.</verse>
				<verse number="3">Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns vaders staan op het veld, waar gij zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen.</verse>
				<verse number="4">Zo sprak dan Jónathan goed van David tot zijn vader Saul; en hij zeide tot hem: De koning zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn.</verse>
				<verse number="5">Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft den Filistijn geslagen, en de HEERE heeft een groot heil aan het ganse Israël gedaan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest; waarom zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende?</verse>
				<verse number="6">Saul nu hoorde naar de stem van Jónathan; en Saul zwoer: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden!</verse>
				<verse number="7">En Jónathan riep David, en Jónathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jónathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.</verse>
				<verse number="8">En er werd wederom krijg; en David toog uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een groten slag, en zij vloden voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="9">Doch de boze geest des HEEREN was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn spies was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand;</verse>
				<verse number="10">Saul nu zocht met de spies David aan den wand te spitten, doch hij ontweek van het aangezicht van Saul, die met de spies in den wand sloeg. Toen vlood David, en ontkwam in dienzelfden nacht.</verse>
				<verse number="11">Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem des morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Indien gij uw ziel dezen nacht niet behoedt, zo zult gij morgen gedood worden.</verse>
				<verse number="12">En Michal liet David door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.</verse>
				<verse number="13">En Michal nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdpeluw, en dekte het met een kleed toe.</verse>
				<verse number="14">Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek.</verse>
				<verse number="15">Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Brengt hem in het bed tot mij op, dat men hem dode.</verse>
				<verse number="16">Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij alzo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zeide tot Saul: Hij zeide tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u doden?</verse>
				<verse number="18">Alzo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuël te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuël gingen heen, en zij bleven te Najoth.</verse>
				<verse number="19">En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth, bij Rama.</verse>
				<verse number="20">Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en Samuël, staande, over hen gesteld; en de Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden ook.</verse>
				<verse number="21">Toen men het Saul boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer Saul voort, en zond de derde boden, en die profeteerden ook.</verse>
				<verse number="22">Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot den groten waterput, die te Sechu was, en hij vraagde en zeide: Waar is Samuël, en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te Najoth bij Rama.</verse>
				<verse number="23">Toen ging hij derwaarts naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest Gods was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam.</verse>
				<verse number="24">En hij toog zelf ook zijn klederen uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en den gansen nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en hij kwam, en zeide voor het aangezicht van Jónathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde voor het aangezicht uws vaders, dat hij mijn ziel zoekt?</verse>
				<verse number="2">Hij daarentegen zeide tot hem: Dat zij verre, gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geen grote zaak, en geen kleine zaak, die hij voor mijn oor niet openbaart; waarom zou dan mijn vader deze zaak van mij verbergen? Dat is niet.</verse>
				<verse number="3">Toen zwoer David verder, en zeide: Uw vader weet zeer wel, dat ik genade in uw ogen gevonden heb; daarom heeft hij gezegd: Dat Jónathan dit niet wete, opdat hij zich niet bekommere; en zekerlijk, zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, er is maar als een schrede tussen mij en tussen den dood!</verse>
				<verse number="4">Jónathan nu zeide tot David: Wat uw ziel zegt, dat zal ik u doen.</verse>
				<verse number="5">En David zeide tot Jónathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zekerlijk met den koning zou aanzitten om te eten; zo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan den derden avond.</verse>
				<verse number="6">Indien uw vader mij gewisselijk mist, zo zult gij zeggen: David heeft van mij zeer begeerd, dat hij tot zijn stad Bethlehem mocht lopen; want aldaar is een jaarlijks offer voor het ganse geslacht.</verse>
				<verse number="7">Indien hij aldus zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gans ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is.</verse>
				<verse number="8">Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood gij mij; waarom zoudt gij mij toch tot uw vader brengen?</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Jónathan: Dat zij verre van u! Maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?</verse>
				<verse number="10">David nu zeide tot Jónathan: Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt?</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Jónathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld.</verse>
				<verse number="12">En Jónathan zeide tot David: De HEERE, de God Israëls, indien ik mijn vader onderzocht zal hebben omtrent dezen tijd, morgen of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zende, en voor uw oor openbare;</verse>
				<verse number="13">Alzo doe de HEERE aan Jónathan, en alzo doe Hij daartoe! Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat gij in vrede heengaat; en de HEERE zij met u, gelijk als Hij met mijn vader geweest is.</verse>
				<verse number="14">En zult gij niet, indien ik dan nog leve, ja, zult gij niet de weldadigheid des HEEREN aan mij doen, dat ik niet sterve?</verse>
				<verse number="15">Ook zult gij uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer de HEERE een iegelijk der vijanden van David van den aardbodem zal afgesneden hebben.</verse>
				<verse number="16">Alzo maakte Jónathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat het de HEERE eise van de hand der vijanden Davids!</verse>
				<verse number="17">En Jónathan voer voort, met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad; want hij had hem lief met de liefde zijner ziel.</verse>
				<verse number="18">Daarna zeide Jónathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uw zitplaats zal ledig gevonden worden.</verse>
				<verse number="19">En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling; en blijf bij den steen Ezel.</verse>
				<verse number="20">Zo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, als of ik naar een teken schoot.</verse>
				<verse number="21">En zie, ik zal den jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen, indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem; en kom gij, want er is vrede voor u, en er is geen ding, zo waarlijk de HEERE leeft!</verse>
				<verse number="22">Maar indien ik tot den jongen alzo zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en verder; ga heen, want de HEERE heeft u laten gaan.</verse>
				<verse number="23">En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben, zie, de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="24">David nu verborg zich in het veld; en als het nieuwe maan was, zat de koning bij de spijze, om te eten.</verse>
				<verse number="25">Toen zich de koning gezet had op zijn zitplaats, op dit maal gelijk de andere maal, aan de stede bij den wand, zo stond Jónathan op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats werd ledig gevonden.</verse>
				<verse number="26">En Saul sprak te dien dage niets, want hij zeide: Hem is wat voorgevallen, dat hij niet rein is; voorzeker, hij is niet rein.</verse>
				<verse number="27">Het geschiedde nu des anderen daags, den tweeden der nieuwe maan, als Davids plaats ledig gevonden werd, zo zeide Saul tot zijn zoon Jónathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen?</verse>
				<verse number="28">En Jónathan antwoordde Saul: David begeerde van mij ernstelijk naar Bethlehem te mogen gaan.</verse>
				<verse number="29">En hij zeide: Laat mij toch gaan; want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broeder heeft het mij zelf geboden; heb ik nu genade in uw ogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijn broeders zie; hierom is hij aan des konings tafel niet gekomen.</verse>
				<verse number="30">Toen ontstak de toorn van Saul tegen Jónathan, en hij zeide tot hem: Gij, zoon der verkeerde in wederspannigheid, weet ik het niet, dat gij den zoon van Isaï verkoren hebt tot uw schande, en tot schande van de naaktheid uwer moeder?</verse>
				<verse number="31">Want al de dagen, die de zoon van Isaï op den aardbodem leven zal, zo zult gij noch uw koninkrijk bevestigd worden; nu dan, schik heen, en haal hem tot mij, want hij is een kind des doods.</verse>
				<verse number="32">Toen antwoordde Jónathan Saul, zijn vader, en zeide tot hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan?</verse>
				<verse number="33">Toen schoot Saul de spies op hem, om hem te slaan. Alzo merkte Jónathan, dat dit ten volle bij zijn vader besloten was, David te doden.</verse>
				<verse number="34">Daarom stond Jónathan van de tafel op in hittigheid des toorns; en hij at op den tweeden dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om David, omdat zijn vader hem gesmaad had.</verse>
				<verse number="35">En het geschiedde des morgens, dat Jónathan in het veld ging, op den tijd, die David bestemd was; en er was een kleine jongen bij hem.</verse>
				<verse number="36">En hij zeide tot zijn jongen: Loop, zoek nu de pijlen, die ik schieten zal. De jongen liep heen, en hij schoot een pijl, dien hij deed over hem vliegen.</verse>
				<verse number="37">Toen de jongen tot aan de plaats des pijls, dien Jónathan geschoten had, gekomen was, zo riep Jónathan den jongen na, en zeide: Is niet de pijl van u af en verder?</verse>
				<verse number="38">Wederom riep Jónathan den jongen na: Haast u, spoed u, sta niet stil! De jongen van Jónathan nu raapte den pijl op, en hij kwam tot zijn heer.</verse>
				<verse number="39">Doch de jongen wist er niets van; Jónathan en David alleen wisten van de zaak.</verse>
				<verse number="40">Toen gaf Jónathan zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had; en hij zeide tot hem: Ga heen, breng het in de stad.</verse>
				<verse number="41">Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander, en weenden met elkander, totdat het David gans veel maakte.</verse>
				<verse number="42">Toen zeide Jónathan tot David: Ga in vrede; hetgeen wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="43">Daarna stond hij op, en ging heen; en Jónathan kwam in de stad.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Toen kwam David te Nob, tot den priester Achimélech; en Achimélech kwam bevende David tegemoet, en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alleen, en geen man met u?</verse>
				<verse number="2">En David zeide tot den priester Achimélech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen gegeven.</verse>
				<verse number="3">En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt.</verse>
				<verse number="4">En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouwen onthouden hebben.</verse>
				<verse number="5">David nu antwoordde den priester, en zeide tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is enigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de vaten zal geheiligd worden.</verse>
				<verse number="6">Toen gaf de priester hem dat heilige brood, dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, dat men er warm brood legde, ten dage als dat weggenomen werd.</verse>
				<verse number="7">Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des HEEREN, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.</verse>
				<verse number="8">En David zeide tot Achimélech: Is hier onder uw hand geen spies of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod; indien gij u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.</verse>
				<verse number="10">En David maakte zich op, en vluchtte te dien dage van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, den koning van Gath.</verse>
				<verse number="11">Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning des lands? Zong men niet van dezen in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?</verse>
				<verse number="12">En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, den koning van Gath.</verse>
				<verse number="13">Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren der poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Achis tot zijn knechten: Ziet, gij ziet, dat de man razende is, waarom hebt gij hem tot mij gebracht?</verse>
				<verse number="15">Heb ik razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt, om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broeders hoorden het, en het ganse huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af.</verse>
				<verse number="2">En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.</verse>
				<verse number="3">En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.</verse>
				<verse number="4">En hij bracht hen voor het aangezicht van den koning der Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was.</verse>
				<verse number="5">Doch de profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.</verse>
				<verse number="6">En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen?</verse>
				<verse number="8">Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="9">Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimélech, den zoon van Ahítub;</verse>
				<verse number="10">Die den HEERE voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.</verse>
				<verse number="11">Toen zond de koning heen, om den priester Achimélech, den zoon van Ahítub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.</verse>
				<verse number="12">En Saul zeide: Hoor nu, gij, zoon van Ahítub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer!</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden samen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isaï, mits dat gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is?</verse>
				<verse number="14">En Achimélech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?</verse>
				<verse number="15">Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het ganse huis mijns vaders; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot.</verse>
				<verse number="16">Doch de koning zeide: Achimélech, gij moet den dood sterven, gij en het ganse huis uws vaders.</verse>
				<verse number="17">En de koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters des HEEREN, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Doch de knechten des konings wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters des HEEREN aan te vallen.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide de koning tot Doëg: Wend gij u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde te dien dage vijf en tachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen.</verse>
				<verse number="19">Hij sloeg ook Nob, de stad dezer priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen sloeg hij met de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="20">Doch een der zonen van Achimélech, den zoon van Ahítub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na.</verse>
				<verse number="21">En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesteren des HEEREN gedood had.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis.</verse>
				<verse number="23">Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar gij zult met mij in bewaring zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehíla, en zij beroven de schuren.</verse>
				<verse number="2">En David vraagde den HEERE, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de HEERE zeide tot David: Ga heen, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehíla verlossen.</verse>
				<verse number="3">Doch de mannen Davids zeiden tot hem: Zie, wij vrezen hier in Juda; hoeveel te meer, als wij naar Kehíla tegen der Filistijnen slagorden gaan zullen.</verse>
				<verse number="4">Toen vraagde David den HEERE nog verder; en de HEERE antwoordde hem en zeide: Maak u op, trek af naar Kehíla; want Ik geef de Filistijnen in uw hand.</verse>
				<verse number="5">Alzo toog David en zijn mannen naar Kehíla, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een groten slag; alzo verloste David de inwoners van Kehíla.</verse>
				<verse number="6">En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimélech, tot David vluchtte naar Kehíla, dat hij afkwam met den efod in zijn hand.</verse>
				<verse number="7">Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat David te Kehíla gekomen was, zo zeide Saul: God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij is besloten, komende in een stad met poorten en grendelen.</verse>
				<verse number="8">Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehíla, om David en zijn mannen te belegeren.</verse>
				<verse number="9">Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem heimelijk voorhad, zeide hij tot den priester Abjathar: Breng den efod herwaarts.</verse>
				<verse number="10">En David zeide: HEERE, God van Israël! Uw knecht heeft zekerlijk gehoord, dat Saul zoekt naar Kehíla te komen, en de stad te verderven om mijnentwil.</verse>
				<verse number="11">Zullen mij ook de burgers van Kehíla in zijn hand overgeven? Zal Saul afkomen, gelijk als Uw knecht gehoord heeft? O HEERE, God van Israël, geef het toch Uw knecht te kennen! De HEERE nu zeide: Hij zal afkomen.</verse>
				<verse number="12">Daarna zeide David: Zouden de burgers van Kehíla mij en mijn mannen overgeven in de hand van Saul? En de HEERE zeide: Zij zouden u overgeven.</verse>
				<verse number="13">Toen maakte zich David en zijn mannen op, omtrent zeshonderd man, en zij gingen uit Kehíla, en zij gingen heen, waar zij konden gaan. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David uit Kehíla ontkomen was, zo hield hij op uit te trekken.</verse>
				<verse number="14">David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op den berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem alle dagen, doch God gaf hem niet over in zijn hand.</verse>
				<verse number="15">Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud.</verse>
				<verse number="16">Toen maakte zich Jónathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel.</verse>
				<verse number="18">En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des HEEREN; en David bleef in het woud, maar Jónathan ging naar zijn huis.</verse>
				<verse number="19">Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gíbea, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op den heuvel van Hachíla, die aan de rechterhand der wildernis is?</verse>
				<verse number="20">Nu dan, o koning, kom spoedig af naar al de begeerte uwer ziel; en het komt ons toe hem over te geven in de hand des konings.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide Saul: Gezegend zijt gijlieden den HEERE, dat gij u over mij ontfermd hebt!</verse>
				<verse number="22">Gaat toch heen, en bereidt de zaak nog meer, dat gij weet en beziet zijn plaats, waar zijn gang is, wie hem daar gezien heeft; want hij heeft tot mij gezegd, dat hij zeer listiglijk pleegt te handelen.</verse>
				<verse number="23">Daarom ziet toe, en verneemt naar alle schuilplaatsen, in dewelke hij schuilt; komt dan weder tot mij met vast bescheid, zo zal ik met ulieden gaan; en het zal geschieden, zo hij in het land is, zo zal ik hem naspeuren onder alle duizenden van Juda.</verse>
				<verse number="24">Toen maakten zij zich op, en zij gingen naar Zif voor het aangezicht van Saul. David nu en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in het vlakke veld, aan de rechterhand der wildernis.</verse>
				<verse number="25">Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van dien rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon.</verse>
				<verse number="26">En Saul ging aan deze zijde des bergs, en David en zijn mannen aan gene zijde des bergs. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen.</verse>
				<verse number="27">Doch daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.</verse>
				<verse number="28">Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-Machlekôth.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gédi.</verse>
				<verse number="2">En het geschiedde, nadat Saul wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gédi.</verse>
				<verse number="3">Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit gans Israël, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen der steenbokken.</verse>
				<verse number="4">En hij kwam tot de schaapskooien aan den weg, waar een spelonk was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden der spelonken.</verse>
				<verse number="5">Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie den dag, in welken de HEERE tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en gij zult hem doen, gelijk als het goed zal zijn in uw ogen. En David stond op, en sneed stilletjes een slip van Sauls mantel.</verse>
				<verse number="6">Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.</verse>
				<verse number="7">En hij zeide tot zijn mannen: Dat late de HEERE ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, den gezalfde des HEEREN, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde des HEEREN!</verse>
				<verse number="8">En David scheidde zijn mannen met woorden, en liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de spelonk, en ging op den weg.</verse>
				<verse number="9">Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich.</verse>
				<verse number="10">En David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad?</verse>
				<verse number="11">Zie, te dezen dage hebben uw ogen gezien, dat de HEERE u heden in mijn hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide, dat ik u doden zou; doch mijn hand verschoonde u, want ik zeide: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde des HEEREN.</verse>
				<verse number="12">Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.</verse>
				<verse number="13">De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.</verse>
				<verse number="14">Gelijk als het spreekwoord der ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.</verse>
				<verse number="15">Naar wien is de koning van Israël uitgegaan? Wien jaagt gij na? Naar een doden hond, naar een enige vlo!</verse>
				<verse number="16">Doch de HEERE zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde, toen David geëindigd had al deze woorden tot Saul te spreken, zo zeide Saul: Is dit uw stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijn stem op en weende.</verse>
				<verse number="18">En hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden.</verse>
				<verse number="19">En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goed gedaan hebt; want de HEERE had mij in uw hand besloten, en gij hebt mij niet gedood.</verse>
				<verse number="20">Zo wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goeden weg laten gaan? De HEERE nu vergelde u het goede, voor dezen dag, dien gij mij heden gemaakt hebt.</verse>
				<verse number="21">En nu, zie, ik weet, dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israël in uw hand bestaan zal.</verse>
				<verse number="22">Zo zweer mij dan nu bij den HEERE, zo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen van mijns vaders huis!</verse>
				<verse number="23">Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging in zijn huis, maar David en zijn mannen gingen op in de vesting.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">En Samuël stierf; en gans Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.</verse>
				<verse number="2">En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren zijner schapen te Karmel.</verse>
				<verse number="3">En de naam des mans was Nabal, en de naam zijner huisvrouw was Abigáil; en de vrouw was goed van verstand, en schoon van gedaante; maar de man was hard en boos van daden, en hij was een Kalebiet.</verse>
				<verse number="4">Als David hoorde in de woestijn, dat Nabal zijn schapen schoor,</verse>
				<verse number="5">Zo zond David tien jongelingen; en David zeide tot de jongelingen: Gaat op naar Karmel, en als gij tot Nabal komt, zo zult gij hem in mijn naam naar den welstand vragen;</verse>
				<verse number="6">En zult alzo zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat gij hebt, zij vrede!</verse>
				<verse number="7">En nu, ik heb gehoord, dat gij scheerders hebt; nu, de herders, die gij hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hun geen smaadheid aangedaan, en zij hebben ook niets gemist al de dagen, die zij te Karmel geweest zijn.</verse>
				<verse number="8">Vraag het uw jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goeden dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, hetgeen uw hand vinden zal.</verse>
				<verse number="9">Toen de jongelingen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al die woorden tot Nabal gesproken hadden, zo hielden zij stil.</verse>
				<verse number="10">En Nabal antwoordde den knechten van David, en zeide: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn heden vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijn heer.</verse>
				<verse number="11">Zou ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslacht vlees nemen, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, en zou ik het den mannen geven, die ik niet weet, van waar zij zijn?</verse>
				<verse number="12">Toen keerden zich de jongelingen van David naar hun weg; en zij keerden weder, en kwamen, en boodschapten hem achtervolgens al deze woorden.</verse>
				<verse number="13">David dan zeide tot zijn mannen: Een iegelijk gorde zijn zwaard aan. Toen gordde een iegelijk zijn zwaard aan, en David gordde ook zijn zwaard aan; en zij togen op achter David, omtrent vierhonderd man, en daar bleven er tweehonderd bij het gereedschap.</verse>
				<verse number="14">Doch een jongeling uit de jongelingen boodschapte het aan Abigáil, de huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onzen heer te zegenen; maar hij is tegen hen uitgevaren.</verse>
				<verse number="15">Nochtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren.</verse>
				<verse number="16">Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen.</verse>
				<verse number="17">Weet dan nu, en zie, wat gij doen zult; want het kwaad is ten volle over onzen heer besloten, en over zijn ganse huis; en hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken.</verse>
				<verse number="18">Toen haastte zich Abigáil, en nam tweehonderd broden, en twee lederzakken wijns, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en leide die op ezelen.</verse>
				<verse number="19">En zij zeide tot haar jongelingen: Trekt heen voor mijn aangezicht; ziet, ik kom achter ulieden; doch haar man Nabal gaf zij het niet te kennen.</verse>
				<verse number="20">Het geschiedde nu, toen zij op den ezel reed, en dat zij afkwam in het verborgene des bergs, en ziet, David en zijn mannen kwamen af haar tegemoet, en zij ontmoette hen.</verse>
				<verse number="21">David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, alzo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.</verse>
				<verse number="22">Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, indien ik van allen, die hij heeft, tot morgen overlaat, dat mannelijk is!</verse>
				<verse number="23">Toen nu Abigáil David zag, zo haastte zij zich, en kwam van den ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde.</verse>
				<verse number="24">En zij viel aan zijn voeten en zeide: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd.</verse>
				<verse number="25">Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, alzo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die gij gezonden hebt.</verse>
				<verse number="26">En nu, mijn heer! zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, het is de HEERE, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken!</verse>
				<verse number="27">En nu, dit is de zegen, dien uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde den jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen.</verse>
				<verse number="28">Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want de HEERE zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, dewijl mijn heer de oorlogen des HEEREN oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af.</verse>
				<verse number="29">Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers.</verse>
				<verse number="30">En het zal geschieden, als de HEERE mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël;</verse>
				<verse number="31">Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot des harten, te weten, dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelven zou verlost hebben; en als de HEERE mijn heer weldoen zal, zo zult gij uwer dienstmaagd gedenken.</verse>
				<verse number="32">Toen zeide David tot Abigáil: Gezegend zij de HEERE, de God Israëls, Die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft!</verse>
				<verse number="33">En gezegend zij uw raad en gezegend zijt gij, dat gij mij te dezen dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben!</verse>
				<verse number="34">Want voorzeker, het is zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, ten ware dat gij u gehaast hadt, en mij tegemoet gekomen waart, zo ware van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht!</verse>
				<verse number="35">Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zeide tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en heb uw aangezicht aangenomen.</verse>
				<verse number="36">Toen nu Abigáil tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als eens konings maaltijd; en het hart van Nabal was vrolijk op denzelven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht.</verse>
				<verse number="37">Het geschiedde nu in den morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zo gaf hem zijn huisvrouw die woorden te kennen. Toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en hij werd als een steen.</verse>
				<verse number="38">En het geschiedde omtrent na tien dagen, zo sloeg de HEERE Nabal, dat hij stierf.</verse>
				<verse number="39">Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zeide hij: Gezegend zij de HEERE, Die den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat de HEERE het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen wederkeren! En David zond heen, en liet met Abigáil spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam.</verse>
				<verse number="40">Als nu de knechten van David tot Abigáil gekomen waren te Karmel, zo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter vrouwe neme.</verse>
				<verse number="41">Toen stond zij op, en neigde zich met het aangezicht ter aarde, en zij zeide: Ziet, uw dienstmaagd zij tot een dienares, om de voeten der knechten mijns heren te wassen.</verse>
				<verse number="42">Abigáil nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op een ezel, met haar vijf jonge maagden, die haar voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden van David na, en zij werd hem ter huisvrouw.</verse>
				<verse number="43">Ook nam David Ahinóam van Jizreël; alzo waren ook die beiden hem tot vrouwen.</verse>
				<verse number="44">Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, den zoon van Laïs, die van Gallim was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">De Zifieten nu kwamen tot Saul te Gíbea, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op den heuvel van Hachíla, voor aan de wildernis?</verse>
				<verse number="2">Toen maakte zich Saul op, en toog af naar de woestijn Zif, en met hem drie duizend man, uitgelezenen van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif.</verse>
				<verse number="3">En Saul legerde zich op den heuvel van Hachíla, die voor aan de wildernis is aan den weg, maar David bleef in de woestijn, en zag, dat Saul achter hem kwam naar de woestijn.</verse>
				<verse number="4">Want David had verspieders gezonden, en hij vernam, dat Saul voorzeker kwam.</verse>
				<verse number="5">En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abner, den zoon van Ner, zijn krijgsoverste. En Saul lag in den wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd.</verse>
				<verse number="6">Toen antwoordde David, en sprak tot Achimélech, den Hethiet, en tot Abísai, den zoon van Zerúja, den broeder van Joab, zeggende: Wie zal met mij tot Saul in het leger afgaan? Toen zeide Abísai: Ik zal met u afgaan.</verse>
				<verse number="7">Alzo kwamen David en Abísai tot het volk des nachts; en ziet, Saul lag te slapen in den wagenburg, en zijn spies stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner, en het volk lag rondom hem.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide Abísai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweeden male doen.</verse>
				<verse number="9">David daarentegen zeide tot Abísai: Verderf hem niet; want wie heeft zijn hand aan den gezalfde des HEEREN gelegd, en is onschuldig gebleven?</verse>
				<verse number="10">Verder zeide David: Zo waarachtig als de HEERE leeft, maar de HEERE zal hem slaan, of zijn dag zal komen, dat hij zal sterven, of hij zal in een strijd trekken, dat hij omkome.</verse>
				<verse number="11">De HEERE late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan den gezalfde des HEEREN! zo neem toch nu de spies, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan.</verse>
				<verse number="12">Zo nam David de spies en de waterfles van Sauls hoofdeinde, en zij gingen heen; en er was niemand, die het zag, en niemand, die het merkte, ook niemand, die ontwaakte; want zij sliepen allen; want er was een diepe slaap des HEEREN op hen gevallen.</verse>
				<verse number="13">Toen David over aan gene zijde gekomen was, zo stond hij op de hoogte des bergs van verre, dat er een grote plaats tussen hen was.</verse>
				<verse number="14">En David riep tot het volk, en tot Abner, den zoon van Ner, zeggende: Zult gij niet antwoorden, Abner? Toen antwoordde Abner en zeide: Wie zijt gij, die tot den koning roept?</verse>
				<verse number="15">Toen zeide David tot Abner: Zijt gij niet een man, en wie is u gelijk in Israël? Waarom dan hebt gij over uw heer, den koning, geen wacht gehouden? Want daar is een van het volk gekomen, om den koning, uw heer, te verderven.</verse>
				<verse number="16">Deze zaak, die gij gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als de HEERE leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, die over uw heer, den gezalfde des HEEREN, geen wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar de spies des konings is, en de waterfles, die aan zijn hoofdeinde was.</verse>
				<verse number="17">Saul nu kende de stem van David, en zeide: Is dit uw stem, mijn zoon David? David zeide: Het is mijn stem, mijn heer koning!</verse>
				<verse number="18">Hij zeide verder: Waarom vervolgt mijn heer zijn knecht alzo achterna, want wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijn hand?</verse>
				<verse number="19">En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden zijns knechts. Indien de HEERE u tegen mij aanport, laat Hem het spijsoffer rieken; maar indien het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht des HEEREN, dewijl zij mij heden verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel des HEEREN, zeggende: Ga heen, dien andere goden.</verse>
				<verse number="20">En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht des HEEREN; want de koning van Israël is uitgegaan om een enige vlo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide Saul: Ik heb gezondigd; keer weder, mijn zoon David, want ik zal u geen kwaad meer doen, voor dat mijn ziel dezen dag dierbaar in uw ogen geweest is; zie, ik heb dwaselijk gedaan, en ik heb zeer grotelijks gedwaald.</verse>
				<verse number="22">Toen antwoordde David, en zeide: Zie, de spies des konings; zo laat een van de jongelingen overkomen, en halen ze.</verse>
				<verse number="23">De HEERE dan vergelde aan een iegelijk zijn gerechtigheid en zijn getrouwheid; want de HEERE had u heden in mijn hand gegeven; maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan den gezalfde des HEEREN.</verse>
				<verse number="24">En zie, gelijk als te dezen dage uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, alzo zij mijn ziel in de ogen des HEEREN groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David; gij zult het ja gewisselijk doen, en gij zult ook gewisselijk de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weder naar zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israël; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.</verse>
				<verse number="2">Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.</verse>
				<verse number="3">En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinóam, de Jizreëlietische, en Abigáil, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.</verse>
				<verse number="4">Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.</verse>
				<verse number="5">En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?</verse>
				<verse number="6">Toen gaf hem Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="7">Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.</verse>
				<verse number="8">David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn van ouds geweest de inwoners des lands), daar gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.</verse>
				<verse number="9">En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.</verse>
				<verse number="10">Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeëlieten, en tegen het zuiden der Kenieten.</verse>
				<verse number="11">En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.</verse>
				<verse number="12">En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israël; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">En het geschiedde in die dagen, als de Filistijnen hun legers vergaderden tot den strijd, om tegen Israël te strijden, zo zeide Achis tot David: Gij zult zekerlijk weten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uw mannen.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide David tot Achis: Aldus zult gij weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zeide tot David: Daarom zal ik u ten bewaarder mijns hoofds zetten, te allen dage.</verse>
				<verse number="3">Samuël nu was gestorven, en gans Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.</verse>
				<verse number="4">En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde gans Israël, en zij legerden zich op Gilbóa.</verse>
				<verse number="5">Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer.</verse>
				<verse number="6">En Saul vraagde den HEERE; maar de HEERE antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft.</verse>
				<verse number="8">En Saul verstelde zich, en trok andere klederen aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen des nachts tot de vrouw, en hij zeide: Voorzeg mij toch door den waarzeggenden geest, en doe mij opkomen, dien ik tot u zeggen zal.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide de vrouw tot hem: Zie, gij weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt gij dan mijn ziel een strik, om mij te doden?</verse>
				<verse number="10">Saul nu zwoer haar bij den HEERE, zeggende: Zo waarachtig als de HEERE leeft, indien u een straf om deze zaak zal overkomen!</verse>
				<verse number="11">Toen zeide de vrouw: Wien zal ik u doen opkomen? En hij zeide: Doe mij Samuël opkomen.</verse>
				<verse number="12">Toen nu de vrouw Samuël zag, zo riep zij met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt gij mij bedrogen? Want gij zijt Saul.</verse>
				<verse number="13">En de koning zeide tot haar: Vrees niet; maar wat ziet gij? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden, uit de aarde opkomende.</verse>
				<verse number="14">Hij dan zeide tot haar: Hoe is zijn gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam, dat het Samuël was, zo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich.</verse>
				<verse number="15">En Samuël zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft, wat ik doen zal.</verse>
				<verse number="16">Toen zeide Samuël: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl de HEERE van u geweken en uw vijand geworden is?</verse>
				<verse number="17">Want de HEERE heeft voor Zich gedaan, gelijk als Hij door mijn dienst gesproken heeft; en heeft het koninkrijk van uw hand gescheurd, en Hij heeft dat gegeven aan uw naaste, aan David.</verse>
				<verse number="18">Gelijk als gij naar de stem des HEEREN niet gehoord hebt, en de hittigheid Zijns toorns niet uitgericht hebt tegen Amalek; daarom heeft de HEERE u deze zaak gedaan te dezen dage.</verse>
				<verse number="19">En de HEERE zal ook Israël met u in de hand der Filistijnen geven, en morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn; ook zal de HEERE het leger van Israël in de hand der Filistijnen geven.</verse>
				<verse number="20">Toen viel Saul haastelijk ter aarde, zo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden van Samuël; ook was er geen kracht in hem; want hij had den gehelen dag en den gehelen nacht geen brood gegeten.</verse>
				<verse number="21">De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zeide tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die gij tot mij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="22">Zo hoor toch gij nu ook naar de stem uwer dienstmaagd, en laat mij een bete broods voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat gij over weg gaat.</verse>
				<verse number="23">Doch hij weigerde het, en zeide: Ik zal niet eten. Maar zijn knechten, en ook de vrouw, hielden bij hem aan. Toen hoorde hij naar hun stem, en hij stond op van de aarde, en zette zich op het bed.</verse>
				<verse number="24">En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van.</verse>
				<verse number="25">En zij bracht ze voor Saul en voor zijn knechten, en zij aten; daarna stonden zij op, en gingen weg in dienzelfden nacht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israëlieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreël is.</verse>
				<verse number="2">En de vorsten der Filistijnen togen daarheen met honderden, en met duizenden; doch David met zijn mannen togen met Achis in den achtertocht.</verse>
				<verse number="3">Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreeën? Zo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, den koning van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem niets gevonden van dien dag af, dat hij afgevallen is tot dezen dag toe.</verse>
				<verse number="4">Doch de oversten der Filistijnen werden zeer toornig op hem, en de oversten der Filistijnen zeiden tot hem: Doe den man wederkeren, dat hij tot zijn plaats wederkere, waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in den strijd, opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd; want waarmede zou deze zich bij zijn heer aangenaam maken? Is het niet met de hoofden dezer mannen?</verse>
				<verse number="5">Is dit niet die David, van denwelken zij in den rei elkander antwoordden, zeggende: Saul heeft zijn duizenden geslagen, maar David zijn tienduizenden?</verse>
				<verse number="6">Toen riep Achis David, en zeide tot hem: Het is zo waarachtig als de HEERE leeft, dat gij oprecht zijt, en uw uitgang en uw ingang met mij in het leger is goed in mijn ogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden, van dien dag af, dat gij tot mij zijt gekomen, tot dezen dag toe; maar gij zijt niet aangenaam in de ogen der vorsten.</verse>
				<verse number="7">Zo keer nu om, en ga in vrede, opdat gij geen kwaad doet in de ogen van de vorsten der Filistijnen.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide David tot Achis: Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af, dat ik voor uw aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer, den koning?</verse>
				<verse number="9">Achis nu antwoordde en zeide tot David: Ik weet het; voorwaar, gij zijt aangenaam in mijn ogen, als een engel Gods; maar de oversten der Filistijnen hebben gezegd: Laat hem met ons in dezen strijd niet optrekken.</verse>
				<verse number="10">Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten uws heren, die met u gekomen zijn; en als gijlieden u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het ulieden licht geworden is, zo gaat heen.</verse>
				<verse number="11">Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijn mannen, dat zij des morgens weggingen, om weder te keren in het land der Filistijnen; de Filistijnen daarentegen togen op naar Jizreël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, als David en zijn mannen den derden dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelve met vuur verbrand hadden;</verse>
				<verse number="2">En dat zij de vrouwen, die daarin waren, gevankelijk weggevoerd hadden; doch zij hadden niemand doodgeslagen, van den kleinste tot den grootste, maar hadden ze weggevoerd en waren huns weegs gegaan.</verse>
				<verse number="3">En David en zijn mannen kwamen aan de stad, en ziet, zij was met vuur verbrand; en hun vrouwen, en hun zonen en hun dochteren waren gevankelijk weggevoerd.</verse>
				<verse number="4">Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hun stem op, en weenden, tot dat er geen kracht meer in hen was om te wenen.</verse>
				<verse number="5">Davids beide vrouwen waren ook gevankelijk weggevoerd, Ahinóam, de Jizreëlietische, en Abigáil, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.</verse>
				<verse number="6">En David werd zeer bang, want het volk sprak van hem te stenigen; want de zielen van het ganse volk waren verbitterd, een iegelijk over zijn zonen en over zijn dochteren; doch David sterkte zich in den HEERE, zijn God.</verse>
				<verse number="7">En David zeide tot den priester Abjathar, den zoon van Achimélech: Breng mij toch den efod hier. En Abjathar bracht den efod tot David.</verse>
				<verse number="8">Toen vraagde David den HEERE, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zeide hem: Jaag na, want gij zult gewisselijk achterhalen, en gij zult gewisselijk verlossen.</verse>
				<verse number="9">David dan ging heen, hij en de zes honderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zo bleven de overigen staan.</verse>
				<verse number="10">En David vervolgde hen, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zo moede waren, dat zij over de beek Besor niet konden gaan.</verse>
				<verse number="11">En zij vonden een Egyptischen man op het veld, en zij brachten hem tot David; en zij gaven hem brood, en hij at, en zij gaven hem water te drinken.</verse>
				<verse number="12">Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen, en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn geest kwam weder in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronken.</verse>
				<verse number="13">Daarna zeide David tot hem: Wiens zijt gij? En van waar zijt gij? Toen zeide de Egyptische jongen: Ik ben de knecht van een Amalekietischen man, en mijn heer heeft mij verlaten, omdat ik voor drie dagen krank geworden ben.</verse>
				<verse number="14">Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op hetgeen van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide David tot hem: Zoudt gij mij wel henen afleiden tot deze bende? Hij dan zeide: Zweer mij bij God, dat gij mij niet zult doden, en dat gij mij niet zult overleveren in de hand mijns heren! Zo zal ik u tot deze bende afleiden.</verse>
				<verse number="16">En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de ganse aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al den groten buit, dien zij genomen hadden uit het land der Filistijnen, en uit het land van Juda.</verse>
				<verse number="17">En David sloeg hen van de schemering tot aan den avond van hunlieder anderen dag; en er ontkwam niet een man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kemelen reden en vloden.</verse>
				<verse number="18">Alzo redde David al wat de Amalekieten genomen hadden; ook redde David zijn twee vrouwen.</verse>
				<verse number="19">En onder hen werd niet gemist van den kleinste tot aan den grootste, en tot aan de zonen en dochteren; en van den buit, ook tot alles, wat zij zich genomen hadden; David bracht het altemaal weder.</verse>
				<verse number="20">David nam ook al de schapen en de runderen; zij dreven ze voor datzelve vee heen, en zeiden: Dit is Davids buit.</verse>
				<verse number="21">Als David tot de tweehonderd mannen kwam, die zo moede waren geweest, dat zij David niet hadden kunnen navolgen, en die zij aan de beek Besor hadden laten blijven, die gingen David tegemoet, en het volk, dat bij hem was, tegemoet; en David trad tot het volk, en hij vraagde hen naar den welstand.</verse>
				<verse number="22">Toen antwoordde een ieder boos en Belials man onder de mannen, die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van den buit, dien wij gered hebben, niet geven, maar aan een iegelijk zijn vrouw en zijn kinderen; laat hen die heenleiden, en weggaan.</verse>
				<verse number="23">Maar David zeide: Alzo zult gij niet doen, mijn broeders, met hetgeen ons de HEERE gegeven heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft de bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven.</verse>
				<verse number="24">Wie zou toch ulieden in deze zaak horen? Want gelijk het deel dergenen is, die in den strijd mede afgetogen zijn, alzo zal ook het deel dergenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen.</verse>
				<verse number="25">En dit is van dien dag af en voortaan alzo geweest; want hij heeft het tot een inzetting en tot een recht gesteld in Israël, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="26">Als nu David te Ziklag kwam, zo zond hij tot de oudsten van Juda, zijn vrienden, van den buit, zeggende: Ziet, daar is een zegen voor ulieden, van den buit der vijanden des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,</verse>
				<verse number="28">En tot die te Aroër, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemóa,</verse>
				<verse number="29">En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeëlieten waren, en tot die, welke in de steden der Kenieten waren,</verse>
				<verse number="30">En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach,</verse>
				<verse number="31">En tot die te Hebron, en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">De Filistijnen dan streden tegen Israël; en de mannen Israëls vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilbóa.</verse>
				<verse number="2">En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jónathan, en Abinádab, en Malchisua, de zonen van Saul.</verse>
				<verse number="3">En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.</verse>
				<verse number="5">Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.</verse>
				<verse number="6">Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.</verse>
				<verse number="7">Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.</verse>
				<verse number="8">Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilbóa.</verse>
				<verse number="9">En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.</verse>
				<verse number="10">En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.</verse>
				<verse number="11">Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;</verse>
				<verse number="12">Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.</verse>
				<verse number="13">En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="10">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Voorts geschiedde het na Sauls dood, als David van den slag der Amalekieten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was;</verse>
				<verse number="2">Zo geschiedde het op den derden dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens klederen gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.</verse>
				<verse number="3">En David zeide tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben ontkomen uit het heirleger van Israël.</verse>
				<verse number="4">Voorts zeide David tot hem: Wat is de zaak? Verhaal het mij toch. En hij zeide, dat het volk uit den strijd gevloden was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jónathan dood waren.</verse>
				<verse number="5">En David zeide tot den jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet gij, dat Saul dood is, en zijn zoon Jónathan?</verse>
				<verse number="6">Toen zeide de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik kwam bij geval op het gebergte van Gilbóa; en ziet, Saul leunde op zijn spies; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem.</verse>
				<verse number="7">Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zeide: Zie, hier ben ik.</verse>
				<verse number="8">En hij zeide tot mij: Wie zijt gij? En ik zeide tot hem: Ik ben een Amalekiet.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze maliënkolder heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog gans in mij.</verse>
				<verse number="10">Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.</verse>
				<verse number="11">Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren.</verse>
				<verse number="12">En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jónathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israëls, omdat zij door het zwaard gevallen waren.</verse>
				<verse number="13">Voorts zeide David tot den jongen, die hem de boodschap gebracht had: Van waar zijt gij? En hij zeide: Ik ben de zoon van een vreemden man, van een Amalekiet.</verse>
				<verse number="14">En David zeide tot hem: Hoe, hebt gij niet gevreesd uw hand uit te strekken, om den gezalfde des HEEREN te verderven?</verse>
				<verse number="15">En David riep een van de jongens, en zeide: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.</verse>
				<verse number="16">En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb den gezalfde des HEEREN gedood.</verse>
				<verse number="17">David nu klaagde deze klage over Saul en over Jónathan, zijn zoon;</verse>
				<verse number="18">Als hij gezegd had, dat men den kinderen van Juda den boog zou leren; ziet, het is geschreven in het boek des oprechten.</verse>
				<verse number="19">O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!</verse>
				<verse number="20">Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde.</verse>
				<verse number="21">Gij, bergen van Gilbóa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofferen; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie.</verse>
				<verse number="22">Van het bloed der verslagenen, van het vette der helden, werd Jónathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet ledig weder.</verse>
				<verse number="23">Saul en Jónathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.</verse>
				<verse number="24">Gij, dochteren Israëls, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.</verse>
				<verse number="25">Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jónathan is verslagen op uw hoogten!</verse>
				<verse number="26">Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jónathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.</verse>
				<verse number="27">Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.</verse>
				<verse number="2">Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinóam, de Jizreëlietische, en Abigáil, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.</verse>
				<verse number="3">Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.</verse>
				<verse number="4">Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.</verse>
				<verse number="5">Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.</verse>
				<verse number="6">Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.</verse>
				<verse number="7">En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.</verse>
				<verse number="8">Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isbóseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanáim,</verse>
				<verse number="9">En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over gans Israël.</verse>
				<verse number="10">Veertig jaren was Isbóseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.</verse>
				<verse number="11">Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.</verse>
				<verse number="12">Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isbóseth, den zoon van Saul, van Mahanáim naar Gíbeon;</verse>
				<verse number="13">Joab, de zoon van Zerúja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gíbeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.</verse>
				<verse number="14">En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.</verse>
				<verse number="15">Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isbóseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.</verse>
				<verse number="16">En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazûrim, die bij Gíbeon is.</verse>
				<verse number="17">En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israël werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.</verse>
				<verse number="18">Nu waren aldaar drie zonen van Zerúja, Joab, en Abísai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeën, die in het veld zijn.</verse>
				<verse number="19">En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechter- of ter linkerhand af te gaan.</verse>
				<verse number="20">Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.</verse>
				<verse number="21">En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.</verse>
				<verse number="22">Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?</verse>
				<verse number="23">Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.</verse>
				<verse number="24">Maar Joab en Abísai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gíbeon.</verse>
				<verse number="25">En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.</verse>
				<verse number="26">Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?</verse>
				<verse number="27">En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!</verse>
				<verse number="28">Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.</verse>
				<verse number="29">Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanáim.</verse>
				<verse number="30">Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.</verse>
				<verse number="31">Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.</verse>
				<verse number="32">En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Doch David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker.</verse>
				<verse number="2">En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinóam, de Jizreëlietische;</verse>
				<verse number="3">En zijn tweede was Chíleab, van Abigáil, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Máächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;</verse>
				<verse number="4">En de vierde, Adónia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abítal;</verse>
				<verse number="5">En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dezen zijn David geboren te Hebron.</verse>
				<verse number="6">Terwijl die krijg was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo geschiedde het, dat Abner zich sterkte in het huis van Saul.</verse>
				<verse number="7">Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, dochter van Aja; en Isbóseth zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vaders bijwijf?</verse>
				<verse number="8">Toen ontstak Abner zeer over Isbóseths woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broederen en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid ener vrouw?</verse>
				<verse number="9">God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, gelijk als de HEERE aan David gezworen heeft, dat ik even alzo aan hem zal doen.</verse>
				<verse number="10">Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende den stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-séba toe.</verse>
				<verse number="11">En hij kon Abner verder niet een woord antwoorden, omdat hij hem vreesde.</verse>
				<verse number="12">Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is het land? zeggende wijders: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om gans Israël tot u om te keren.</verse>
				<verse number="13">En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met u maken; doch een ding begeer ik van u, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als gij komt om mijn aangezicht te zien.</verse>
				<verse number="14">Ook zond David boden tot Isbóseth, den zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb.</verse>
				<verse number="15">Isbóseth dan zond heen, en nam haar van den man, van Paltiël, den zoon van Laïs.</verse>
				<verse number="16">En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahûrim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder. En hij keerde weder.</verse>
				<verse number="17">Abner nu had woorden met de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt David te voren lang tot een koning over u begeerd.</verse>
				<verse number="18">Zo doet het nu; want de HEERE heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand der Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden.</verse>
				<verse number="19">En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Voorts ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het ganse huis van Benjamin.</verse>
				<verse number="20">En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en den mannen, die met hem waren, een maaltijd.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en vergaderen gans Israël tot mijn heer, den koning, dat zij een verbond met u maken, en gij regeert over alles, wat uw ziel begeert. Alzo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.</verse>
				<verse number="22">En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een bende, en brachten met zich een groten roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede.</verse>
				<verse number="23">Als nu Joab en het ganse heir, dat met hem was, aankwamen, zo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is gekomen tot den koning, en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede.</verse>
				<verse number="24">Toen ging Joab tot den koning in, en zeide: Wat hebt gij gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen; waarom nu hebt gij hem laten gaan, dat hij zo vrij is weggegaan?</verse>
				<verse number="25">Gij kent Abner, den zoon van Ner; dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uw uitgang en uw ingang, ja, om te weten alles, wat gij doet.</verse>
				<verse number="26">En Joab ging uit van David, en zond Abner boden na, die hem wederom haalden van den bornput van Sira; maar David wist het niet.</verse>
				<verse number="27">Als nu Abner weder te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden der poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde rib, dat hij stierf, om des bloeds wil van zijn broeder Asahel.</verse>
				<verse number="28">Als David dat daarna hoorde, zo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij den HEERE, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, den zoon van Ner.</verse>
				<verse number="29">Het blijve op het hoofd van Joab, en op het ganse huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan den stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe!</verse>
				<verse number="30">Alzo hebben Joab en zijn broeder Abísai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broeder Asahel te Gíbeon in den strijd gedood had.</verse>
				<verse number="31">David dan zeide tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uw klederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de koning David ging achter de baar.</verse>
				<verse number="32">Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al het volk.</verse>
				<verse number="33">En de koning maakte een klage over Abner, en zeide: Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft?</verse>
				<verse number="34">Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem.</verse>
				<verse number="35">Daarna kwam al het volk, om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zo, en doe er zo toe, indien ik voor het ondergaan der zon brood of iets smake!</verse>
				<verse number="36">Als al het volk dit vernam, zo was het goed in hun ogen, alles, zoals de koning gedaan had, was goed in de ogen van het ganse volk.</verse>
				<verse number="37">En al het volk en gans Israël merkten te dienzelven dage, dat het van den koning niet was, dat men Abner, den zoon van Ner, gedood had.</verse>
				<verse number="38">Voorts zeide de koning tot zijn knechten: Weet gij niet, dat te dezen dage een vorst, ja, een grote in Israël gevallen is?</verse>
				<verse number="39">Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zerúja, zijn harder dan ik; de HEERE zal den boosdoener vergelden naar zijn boosheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en gans Israël werd verschrikt.</verse>
				<verse number="2">En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden; de naam des enen was Baëna, en de naam des anderen Rechab, zonen van Rimmon, den Beërothiet, van de kinderen van Benjamin; want ook Beëroth werd aan Benjamin gerekend.</verse>
				<verse number="3">En de Beërothieten waren gevloden naar Gitthaïm, en waren aldaar vreemdelingen tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="4">En Jónathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jónathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefibóseth.</verse>
				<verse number="5">En de zonen van Rimmon: den Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen heen, en kwamen ten huize van Isbóseth, als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in den middag.</verse>
				<verse number="6">En zij kwamen daarin tot het midden des huizes, als zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde rib; en Rechab en zijn broeder Baëna ontkwamen.</verse>
				<verse number="7">Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijn slaapkamer, en sloegen hem, en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen henen, den weg op het vlakke veld, den gansen nacht.</verse>
				<verse number="8">En zij brachten het hoofd van Isbóseth tot David te Hebron, en zeiden tot den koning: Zie, daar is het hoofd van Isbóseth, den zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, alzo heeft de HEERE mijn heer den koning te dezen dage wraken gegeven van Saul en van zijn zaad.</verse>
				<verse number="9">Maar David antwoordde Rechab en zijn broeder Baëna, den zonen van Rimmon, den Beërothiet, en zeide tot hen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mijn ziel uit alle benauwdheid verlost heeft!</verse>
				<verse number="10">Dewijl ik hem, die mij boodschapte, zeggende: Zie, Saul is dood; daar hij in zijn ogen was als een, die goede boodschap bracht, nochtans gegrepen en te Ziklag gedood heb, hoewel hij meende, dat ik hem bodenloon zou geven;</verse>
				<verse number="11">Hoeveel te meer, wanneer goddeloze mannen een rechtvaardigen man in zijn huis op zijn slaapstede hebben gedood? Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet eisen, en u van de aarde wegdoen?</verse>
				<verse number="12">En David gebood zijn jongens, en zij doodden hen, en hieuwen hun handen en hun voeten af, en hingen ze op bij den vijver te Hebron, maar het hoofd van Isbóseth namen zij, en begroeven het in Abners graf te Hebron.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.</verse>
				<verse number="2">Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël.</verse>
				<verse number="3">Alzo kwamen alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israël.</verse>
				<verse number="4">Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.</verse>
				<verse number="5">Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israël en Juda.</verse>
				<verse number="6">En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.</verse>
				<verse number="7">Maar David nam den burg Sion in; dezelve is de stad Davids.</verse>
				<verse number="8">Want David zeide ten zelfden dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen.</verse>
				<verse number="9">Alzo woonde David in den burg en noemde dien Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts.</verse>
				<verse number="10">David nu ging geduriglijk voort, en werd groot; want de HEERE, de God der heirscharen, was met hem.</verse>
				<verse number="11">En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.</verse>
				<verse number="12">En David merkte, dat de HEERE hem tot een koning over Israël bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, om Zijns volks Israëls wil.</verse>
				<verse number="13">En David nam meer bijwijven, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochteren geboren.</verse>
				<verse number="14">En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammûa, en Schobab, en Nathan, en Sálomo.</verse>
				<verse number="15">En Ibchar, en Elischûa en Nefeg, en Jafía,</verse>
				<verse number="16">En Elíschama, en Eljada, en Eliféleth.</verse>
				<verse number="17">Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar den burg.</verse>
				<verse number="18">En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm.</verse>
				<verse number="19">Zo vraagde David den HEERE, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.</verse>
				<verse number="20">Toen kwam David te Baäl-Perázim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De HEERE heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baäl-Perázim.</verse>
				<verse number="21">En zij lieten hun afgoden aldaar; en David en zijn mannen namen ze op.</verse>
				<verse number="22">Daarna togen de Filistijnen weder op; en zij verspreidden zich in het dal Refaïm.</verse>
				<verse number="23">En David vraagde den HEERE, Dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbeziënbomen;</verse>
				<verse number="24">En het geschiede, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbeziënbomen, dan rep u; want alsdan is de HEERE voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger der Filistijnen te slaan.</verse>
				<verse number="25">En David deed alzo, gelijk als de HEERE hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat gij komt te Gezer.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Daarna verzamelde David wederom alle uitgelezenen in Israël, dertig duizend.</verse>
				<verse number="2">En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van den HEERE der heirscharen, Die daarop woont tussen de cherubim.</verse>
				<verse number="3">En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abinádab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahío, zonen van Abinádab, leidden den nieuwen wagen.</verse>
				<verse number="4">Toen zij hem nu uit het huis van Abinádab, dat op den heuvel is, met de ark Gods, wegvoerden, zo ging Ahío voor de ark henen.</verse>
				<verse number="5">En David en het ganse huis Israëls speelden voor het aangezicht des HEEREN, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met schellen, en met cimbalen.</verse>
				<verse number="6">Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark Gods, en hield ze, want de runderen struikelden.</verse>
				<verse number="7">Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Uza, en God sloeg hem aldaar, om deze onbedachtzaamheid; en hij stierf aldaar bij de ark Gods.</verse>
				<verse number="8">En David ontstak, omdat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelve plaats Pérez-Uza, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="9">En David vreesde den HEERE ten zelven dage; en hij zeide: Hoe zal de ark des HEEREN tot mij komen?</verse>
				<verse number="10">David dan wilde de ark des HEEREN niet tot zich laten overbrengen in de stad Davids; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.</verse>
				<verse number="11">En de ark des HEEREN bleef in het huis van Obed-Edom, den Gethiet, drie maanden; en de HEERE zegende Obed-Edom en zijn ganse huis.</verse>
				<verse number="12">Toen boodschapte men den koning David, zeggende: De HEERE heeft het huis van Obed-Edom, en al wat hij heeft, gezegend om der ark Gods wil; zo ging David heen en haalde de ark Gods uit het huis van Obed-Edom opwaarts in de stad Davids, met vreugde.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde, als zij, die de ark des HEEREN droegen, zes treden voortgetreden waren, dat hij ossen en gemest vee offerde.</verse>
				<verse number="14">En David huppelde met alle macht voor het aangezicht des HEEREN; en David was omgord met een linnen lijfrok.</verse>
				<verse number="15">Alzo brachten David en het ganse huis Israëls de ark des HEEREN op, met gejuich en met geluid der bazuin.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als de ark des HEEREN in de stad Davids kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu den koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht des HEEREN, verachtte zij hem in haar hart.</verse>
				<verse number="17">Toen zij nu de ark des HEEREN inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden der tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor des HEEREN aangezicht, en dankofferen.</verse>
				<verse number="18">Als David geëindigd had het brandoffer en de dankofferen te offeren, zo zegende hij het volk in den Naam des HEEREN der heirscharen.</verse>
				<verse number="19">En hij deelde uit aan het ganse volk, aan de ganse menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iegelijk een broodkoek, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, een iegelijk naar zijn huis.</verse>
				<verse number="20">Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zeide: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de ogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdele lieden zich onbeschaamdelijk ontbloot?</verse>
				<verse number="21">Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht des HEEREN, Die mij verkoren heeft voor uw vader en voor zijn ganse huis, mij instellende tot een voorganger over het volk des HEEREN, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="22">Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden.</verse>
				<verse number="23">Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haar dood toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">En het geschiedde, als de koning in zijn huis zat, en de HEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden rondom,</verse>
				<verse number="2">Zo zeide de koning tot den profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark Gods woont in het midden der gordijnen.</verse>
				<verse number="3">En Nathan zeide tot den koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.</verse>
				<verse number="4">Maar het gebeurde in denzelfden nacht, dat het woord des HEEREN tot Nathan geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE: Zoudt gij Mij een huis bouwen tot Mijn woning?</verse>
				<verse number="6">Want Ik heb in geen huis gewoond, van dien dag af, dat Ik de kinderen Israëls uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel.</verse>
				<verse number="7">Overal, waar Ik met al de kinderen Israëls heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een der stammen Israëls, dien Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis?</verse>
				<verse number="8">Nu dan, alzo zult gij tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël.</verse>
				<verse number="9">En Ik ben met u geweest, overal, waar gij gegaan zijt, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een groten naam gemaakt, als den naam der groten, die op de aarde zijn.</verse>
				<verse number="10">En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst.</verse>
				<verse number="11">En van dien dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Doch u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u de HEERE te kennen, dat de HEERE u een huis maken zal.</verse>
				<verse number="12">Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.</verse>
				<verse number="13">Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen.</verse>
				<verse number="15">Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen.</verse>
				<verse number="16">Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="17">Naar al deze woorden, en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.</verse>
				<verse number="18">Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?</verse>
				<verse number="19">Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heere HEERE, maar Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet der mensen, Heere HEERE!</verse>
				<verse number="20">En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere HEERE!</verse>
				<verse number="21">Om Uws woords wil, en naar Uw hart hebt Gij al deze grote dingen gedaan, om aan Uw knecht bekend te maken.</verse>
				<verse number="22">Daarom zijt Gij groot, HEERE God! Want er is niemand gelijk als Gij, en er is geen God dan alleen Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.</verse>
				<verse number="23">En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, hetwelk God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor ulieden deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat Gij U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende.</verse>
				<verse number="24">En Gij hebt Uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in eeuwigheid; en Gij, HEERE, zijt hun tot een God geworden.</verse>
				<verse number="25">Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="26">En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der heirscharen is God over Israël; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht.</verse>
				<verse number="27">Want Gij, HEERE der heirscharen, Gij, God Israëls! Gij hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden.</verse>
				<verse number="28">Nu dan, Heere HEERE! Gij zijt die God, en Uw woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot Uw knecht gesproken.</verse>
				<verse number="29">Zo believe het U nu, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want Gij, Heere HEERE, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-Amma uit der Filistijnen hand.</verse>
				<verse number="2">Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Alzo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.</verse>
				<verse number="3">David sloeg ook Hadad-ézer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.</verse>
				<verse number="4">En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over.</verse>
				<verse number="5">En de Syriërs van Damaskus kwamen om Hadad-ézer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.</verse>
				<verse number="6">En David legde bezettingen in Syrië van Damaskus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.</verse>
				<verse number="7">En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ézers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="8">Daartoe nam de koning David zeer veel kopers uit Betach, en uit Bérothai, steden van Hadad-ézer.</verse>
				<verse number="9">Als nu Thoï, de koning van Hamath, hoorde, dat David het ganse heir van Hadad-ézer geslagen had;</verse>
				<verse number="10">Zo zond Thoï zijn zoon Joram tot den koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ézer gekrijgd en hem geslagen had (want Hadad-ézer voerde steeds krijg tegen Thoï); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;</verse>
				<verse number="11">Welke de koning David ook den HEERE heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had;</verse>
				<verse number="12">Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ézer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba.</verse>
				<verse number="13">Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend.</verse>
				<verse number="14">En hij legde bezettingen in Edom; in gans Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.</verse>
				<verse number="15">Alzo regeerde David over gans Israël, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.</verse>
				<verse number="16">Joab nu, de zoon van Zerúja, was over het heir; en Jósafat, zoon van Achílud, was kanselier.</verse>
				<verse number="17">En Zadok, zoon van Ahítub, en Achimélech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Serája was schrijver.</verse>
				<verse number="18">Er was ook Benája, zoon van Jójada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jónathans wil?</verse>
				<verse number="2">Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.</verse>
				<verse number="3">En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jónathan, die geslagen is aan beide voeten.</verse>
				<verse number="4">En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiël, te Lódebar.</verse>
				<verse number="5">Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiël, van Lódebar.</verse>
				<verse number="6">Als nu Mefibóseth, de zoon van Jónathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefibóseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.</verse>
				<verse number="7">En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jónathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.</verse>
				<verse number="8">Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?</verse>
				<verse number="9">Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.</verse>
				<verse number="10">Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefibóseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.</verse>
				<verse number="11">En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefibóseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.</verse>
				<verse number="12">Mefibóseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefibóseth.</verse>
				<verse number="13">Alzo woonde Mefibóseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="3">Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?</verse>
				<verse number="4">Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.</verse>
				<verse number="5">Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zeide: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.</verse>
				<verse number="6">Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van den koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.</verse>
				<verse number="7">Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het ganse heir met de helden.</verse>
				<verse number="8">En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur der poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa waren bijzonder in het veld.</verse>
				<verse number="9">Als nu Joab zag, dat de spits der slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël, en stelde hen in orde tegen de Syriërs aan;</verse>
				<verse number="10">En het overige des volks gaf hij onder de hand van zijn broeder Abísai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.</verse>
				<verse number="11">En hij zeide: Zo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zo zult gij mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen.</verse>
				<verse number="12">Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.</verse>
				<verse number="13">Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="14">Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abísai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="15">Toen nu de Syriërs zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, zo vergaderden zij zich weder te zamen.</verse>
				<verse number="16">En Hadad-ézer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ézers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.</verse>
				<verse number="17">Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gans Israël, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriërs stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem.</verse>
				<verse number="18">Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij aldaar stierf.</verse>
				<verse number="19">Toen nu al de koningen, die Hadad-ézers knechten waren, zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en dienden hen; en de Syriërs vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en gans Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Doch David bleef te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">Zo geschiedde het tegen den avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien.</verse>
				<verse number="3">En David zond henen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathséba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uría, den Hethiet?</verse>
				<verse number="4">Toen zond David boden henen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd); daarna keerde zij weder naar haar huis.</verse>
				<verse number="5">En die vrouw werd zwanger; zo zond zij henen, en liet David weten, en zeide: Ik ben zwanger geworden.</verse>
				<verse number="6">Toen zond David tot Joab, zeggende: Zend Uría, den Hethiet, tot mij. En Joab zond Uría tot David.</verse>
				<verse number="7">Als nu Uría tot hem kwam, zo vraagde David naar den welstand van Joab, en naar den welstand des volks, en naar den welstand des krijgs.</verse>
				<verse number="8">Daarna zeide David tot Uría: Ga af naar uw huis, en was uw voeten. En toen Uría uit des konings huis uitging, volgde hem een gerecht des konings achterna.</verse>
				<verse number="9">Maar Uría leide zich neder voor de deur van des konings huis, met al de knechten zijns heren; en hij ging niet af in zijn huis.</verse>
				<verse number="10">En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uría is niet afgegaan in zijn huis. Toen zeide David tot Uría: Komt gij niet van de reis? Waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis?</verse>
				<verse number="11">En Uría zeide tot David: De ark, en Israël, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uw ziel leeft, indien ik deze zaak doen zal!</verse>
				<verse number="12">Toen zeide David tot Uría: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen afzenden. Alzo bleef Uría te Jeruzalem, dien dag en den anderen dag.</verse>
				<verse number="13">En David nodigde hem, zodat hij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken. Daarna ging hij in den avond uit, om zich neder te leggen op zijn leger, met zijns heren knechten, maar ging niet af in zijn huis.</verse>
				<verse number="14">Des morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond dien door de hand van Uría.</verse>
				<verse number="15">En hij schreef in dien brief, zeggende: Stel Uría vooraan tegenover den sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve.</verse>
				<verse number="16">Zo geschiedde het, als Joab op de stad gelet had, dat hij Uría stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat aldaar strijdbare mannen waren.</verse>
				<verse number="17">Als nu de mannen der stad uittogen en met Joab streden, vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uría, de Hethiet, stierf ook.</verse>
				<verse number="18">Toen zond Joab heen, en liet David den gansen handel van dezen strijd weten.</verse>
				<verse number="19">En hij beval den bode, zeggende: Als gij zult geëindigd hebben den gansen handel van dezen strijd tot den koning uit te spreken;</verse>
				<verse number="20">En het zal geschieden, indien de grimmigheid des konings opkomt, en hij tot u zegt: Waarom zijt gij zo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist gij niet, dat zij van den muur zouden schieten?</verse>
				<verse number="21">Wie sloeg Abimélech, den zoon van Jerubbéseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van den muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom zijt gij tot den muur genaderd? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uría, de Hethiet, is ook dood.</verse>
				<verse number="22">En de bode ging heen, en kwam in, en gaf David te kennen alles, waar hem Joab om uitgezonden had.</verse>
				<verse number="23">En de bode zeide tot David: Die mannen zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur der poort.</verse>
				<verse number="24">Toen schoten de schutters van den muur af op uw knechten, dat er van des konings knechten dood gebleven zijn; en uw knecht, Uría, de Hethiet, is ook dood.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide David tot den bode: Zo zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uw ogen, want het zwaard verteert zowel dezen als genen; versterk uw strijd tegen de stad, en verstoor ze; versterk hem alzo.</verse>
				<verse number="26">Als nu de huisvrouw van Uría hoorde, dat haar man Uría dood was, zo droeg zij leed over haar heer.</verse>
				<verse number="27">En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En de HEERE zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.</verse>
				<verse number="2">De rijke had zeer veel schapen en runderen.</verse>
				<verse number="3">Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.</verse>
				<verse number="4">Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.</verse>
				<verse number="5">Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!</verse>
				<verse number="6">En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u ten koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered;</verse>
				<verse number="8">En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen.</verse>
				<verse number="9">Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uría, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen.</verse>
				<verse number="10">Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uría, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.</verse>
				<verse number="11">Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.</verse>
				<verse number="12">Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israël, en voor de zon.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven.</verse>
				<verse number="14">Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.</verse>
				<verse number="15">Toen ging Nathan naar zijn huis. En de HEERE sloeg het kind, dat de huisvrouw van Uría David gebaard had, dat het zeer krank werd.</verse>
				<verse number="16">En David zocht God voor dat jongsken; en David vastte een vasten, en ging in, en lag den nacht over op de aarde.</verse>
				<verse number="17">Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde op den zevenden dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Ziet, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht kwaad doen.</verse>
				<verse number="19">Maar David zag, dat zijn knechten mompelden; zo merkte David, dat het kind dood was. Dies zeide David tot zijn knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood.</verse>
				<verse number="20">Toen stond David op van de aarde, en wies en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis des HEEREN, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at.</verse>
				<verse number="21">Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten.</verse>
				<verse number="22">En hij zeide: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zeide: Wie weet, de HEERE zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve.</verse>
				<verse number="23">Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.</verse>
				<verse number="24">Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathséba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Sálomo; en de HEERE had hem lief.</verse>
				<verse number="25">En zond heen door de hand van den profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-Jah, om des HEEREN wil.</verse>
				<verse number="26">Joab nu krijgde tegen Rabba der kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in.</verse>
				<verse number="27">Toen zond Joab boden tot David, en zeide: Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen.</verse>
				<verse number="28">Zo verzamel gij nu het overige des volks, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zo ik de stad zou innemen, mijn naam over haar uitgeroepen worde.</verse>
				<verse number="29">Toen verzamelde David al dat volk, en toog naar Rabba; en hij krijgde tegen haar, en nam ze in.</verse>
				<verse number="30">En hij nam de kroon haars konings van zijn hoofd af, welker gewicht was een talent gouds, met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer groten roof der stad.</verse>
				<verse number="31">Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door den ticheloven doorgaan; en alzo deed hij aan alle steden der kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weder naar Jeruzalem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En het geschiedde daarna, alzo Absalom, Davids zoon, een schone zuster had, welker naam was Thamar, dat Amnon, Davids zoon, haar lief kreeg.</verse>
				<verse number="2">En Amnon was benauwd tot krank wordens toe, om zijner zuster Thamars wil; want zij was een maagd, zodat het in Amnons ogen zwaar was, haar iets te doen.</verse>
				<verse number="3">Doch Amnon had een vriend, wiens naam was Jónadab, een zoon van Símea, Davids broeder; en Jónadab was een zeer wijs man.</verse>
				<verse number="4">Die zeide tot hem: Waarom zijt gij van morgen tot morgen zo mager, gij koningszoon, zult gij het mij niet te kennen geven? Toen zeide Amnon tot hem: Ik heb Thamar, de zuster van mijn broeder Absalom, lief.</verse>
				<verse number="5">En Jónadab zeide tot hem: Leg u op uw leger, en maak u krank; als dan uw vader zal komen om u te zien, zo zult gij tot hem zeggen: Dat toch mijn zuster Thamar kome, dat zij mij met brood spijzige, en de spijze voor mijn ogen toemake, opdat ik het aanzie, en van haar hand ete.</verse>
				<verse number="6">Amnon dan legde zich, en maakte zich krank. Toen nu de koning kwam om hem te zien, zeide Amnon tot den koning: Dat toch mijn zuster Thamar kome, dat zij twee koekjes voor mijn ogen toemake, en ik van haar hand ete.</verse>
				<verse number="7">Toen zond David heen tot Thamar in het huis, zeggende: Ga toch heen in het huis van uw broeder Amnon, en maak hem een spijze.</verse>
				<verse number="8">En Thamar ging heen in het huis van haar broeder Amnon (hij nu was nederliggende), en zij nam deeg, en kneedde het, en maakte koekjes toe voor zijn ogen, en bakte de koekjes.</verse>
				<verse number="9">En zij nam een pan, en goot ze uit voor zijn aangezicht; maar hij weigerde te eten. En Amnon zeide: Doet alle man van mij uitgaan. En alle man ging van hem uit.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Amnon tot Thamar: Breng de spijze in de kamer, dat ik van uw hand ete; zo nam Thamar de koekjes, die zij gemaakt had, en bracht ze haar broeder Amnon in de kamer.</verse>
				<verse number="11">Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zo greep hij haar, en zeide tot haar: Kom, lig bij mij, mijn zuster!</verse>
				<verse number="12">Maar zij zeide tot hem: Niet, mijn broeder, verkracht mij niet, want alzo doet men niet in Israël; doe deze dwaasheid niet.</verse>
				<verse number="13">Want ik, waarhenen zou ik mijn schande brengen? En gij, gij zoudt zijn als een der dwazen in Israël; zo spreek toch nu tot den koning, want hij zal mij van u niet onthouden.</verse>
				<verse number="14">Doch hij wilde naar haar stem niet horen; maar sterker zijnde dan zij, zo verkrachtte hij haar, en lag bij haar.</verse>
				<verse number="15">Daarna haatte haar Amnon met een zeer groten haat; want de haat, waarmede hij haar haatte, was groter dan de liefde, waarmede hij haar had liefgehad; en Amnon zeide tot haar: Maak u op, ga weg.</verse>
				<verse number="16">Toen zeide zij tot hem: Er zijn geen oorzaken om mij uit te drijven; dit kwaad zou groter zijn dan het andere, dat gij bij mij gedaan hebt; maar hij wilde naar haar niet horen.</verse>
				<verse number="17">En hij riep zijn jongen, die hem diende, en zeide: Drijf nu deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe.</verse>
				<verse number="18">Zij nu had een veelvervigen rok aan; want alzo werden des konings dochteren, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe.</verse>
				<verse number="19">Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde den veelvervigen rok, dien zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast henen en kreet.</verse>
				<verse number="20">En haar broeder Absalom zeide tot haar: Is uw broeder Amnon bij u geweest? Nu dan, mijn zuster, zwijg stil, hij is uw broeder; zet uw hart niet op deze zaak. Alzo bleef Thamar en was eenzaam in het huis van haar broeder Absalom.</verse>
				<verse number="21">Als de koning David al deze dingen hoorde, zo ontstak hij zeer.</verse>
				<verse number="22">Doch Absalom sprak niet met Amnon, noch kwaad noch goed; maar Absalom haatte Amnon, ter oorzake dat hij zijn zuster Thamar verkracht had.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde, na twee volle jaren, dat Absalom, schaap scheerders had te Baäl-Hazor, dat bij Efraïm is; zo nodigde Absalom al des konings zonen.</verse>
				<verse number="24">En Absalom kwam tot den koning, en zeide: Zie, nu heeft uw knecht schaap scheerders; dat toch de koning en zijn knechten met uw knecht gaan.</verse>
				<verse number="25">Maar de koning zeide tot Absalom: Niet, mijn zoon, laat ons toch niet al te zamen gaan, opdat wij u niet bezwaarlijk zijn; en hij hield bij hem aan, doch hij wilde niet gaan, maar zegende hem.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide Absalom: Zo niet, laat toch mijn broeder Amnon met ons gaan. Maar de koning zeide tot hem: Waarom zou hij met u gaan?</verse>
				<verse number="27">Als Absalom bij hem aanhield, zo liet hij Amnon en al des konings zonen met hem gaan.</verse>
				<verse number="28">Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult gij hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper.</verse>
				<verse number="29">En Absaloms jongens deden aan Amnon, gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen des konings op, en reden een iegelijk op zijn muildier, en vloden.</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde, als zij op den weg waren, dat het gerucht tot David kwam, dat men zeide: Absalom heeft al de zonen des konings geslagen, en er is niet één van hen overgelaten.</verse>
				<verse number="31">Toen stond de koning op, en scheurde zijn klederen, en leide zich neder ter aarde; desgelijks stonden al zijn knechten met gescheurde klederen.</verse>
				<verse number="32">Maar Jónadab, de zoon van Símea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongelingen, des konings zonen, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegelegd, van den dag af, dat hij zijn zuster Thamar verkracht heeft.</verse>
				<verse number="33">Zo neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn hart, denkende: al des konings zonen zijn dood; want Amnon alleen is dood.</verse>
				<verse number="34">Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volks van den weg achter hem, aan de zijde van het gebergte.</verse>
				<verse number="35">Toen zeide Jónadab tot den koning: Zie, de zonen des konings komen; naar het woord uws knechts, alzo is het geschied.</verse>
				<verse number="36">En het geschiedde, als hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwamen de zonen des konings, en hieven hun stemmen op en weenden; en de koning ook en al zijn knechten weenden met een zeer groot geween.</verse>
				<verse number="37">(Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, den zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen.</verse>
				<verse number="38">Alzo vluchtte Absalom, en toog naar Gesur; en hij was aldaar drie jaren.</verse>
				<verse number="39">Toen verlangde de ziel van den koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Als nu Joab, de zoon van Zerúja, merkte, dat des konings hart over Absalom was;</verse>
				<verse number="2">Zo zond Joab heen naar Thekóa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch, alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;</verse>
				<verse number="3">En ga in tot den koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond.</verse>
				<verse number="4">En de Thekoïetische vrouw zeide tot den koning, als zij op haar aangezicht ter aarde was gevallen, en zich nedergebogen had, zo zeide zij: Behoud, o koning!</verse>
				<verse number="5">En de koning zeide tot haar: Wat is u? En zij zeide: Zekerlijk, ik ben een weduwvrouw, en mijn man is gestorven.</verse>
				<verse number="6">Nu had uw dienstmaagd twee zonen, en deze beiden twistten in het veld, en er was geen scheider tussen hen; zo sloeg de een den ander, en doodde hem.</verse>
				<verse number="7">En zie, het ganse geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef dien hier, die zijn broeder geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel zijns broeders, dien hij doodgeslagen heeft, doden, en ook den erfgenaam verdelgen; alzo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen naam noch overblijfsel laten op den aardbodem.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide de koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, en ik zal voor u gebieden.</verse>
				<verse number="9">En de Thekoïetische vrouw zeide tot den koning: Mijn heer koning, de ongerechtigheid zij op mij en op mijns vaders huis; de koning daarentegen, en zijn stoel, zij onschuldig.</verse>
				<verse number="10">En de koning zeide: Spreekt iemand tegen u, zo breng hem tot mij; en hij zal u voortaan niet meer aantasten.</verse>
				<verse number="11">En zij zeide: De koning gedenke toch aan den HEERE, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet verdelgen. Toen zeide hij: Zo waarachtig als de HEERE leeft, indien er een van de haren uws zoons op de aarde zal vallen!</verse>
				<verse number="12">Toen zeide deze vrouw: Laat toch uw dienstmaagd een woord tot mijn heer den koning spreken. En hij zeide: Spreek.</verse>
				<verse number="13">En de vrouw zeide: Waarom hebt gij dan alzulks tegen Gods volk gedaan? Want daaruit, dat de koning dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, dewijl de koning zijn verstotene niet wederhaalt.</verse>
				<verse number="14">Want wij zullen den dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij den verstotene niet van Zich verstote.</verse>
				<verse number="15">Nu dan, dat ik gekomen ben, om ditzelve woord tot den koning, mijn heer, te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zo zeide uw dienstmaagd: Ik zal nu tot den koning spreken; misschien zal de koning het woord zijner dienstmaagd doen.</verse>
				<verse number="16">Want de koning zal horen, om zijn dienstmaagd te redden van de hand des mans, die voorheeft mij en mijn zoon te zamen van Gods erve te verdelgen.</verse>
				<verse number="17">Wijders zeide uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, des konings, zij toch tot rust; want gelijk een Engel Gods, alzo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en de HEERE, uw God, zal met u zijn.</verse>
				<verse number="18">Toen antwoordde de koning, en zeide tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij de zaak, die ik u vragen zal. En de vrouw zeide: Mijn heer de koning spreke toch.</verse>
				<verse number="19">En de koning zeide: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer koning, indien iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab heeft het mij geboden, en die heeft al deze woorden in den mond uwer dienstmaagd gelegd;</verse>
				<verse number="20">Dat ik de gestalte dezer zaak alzo omwenden zou, zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een Engel Gods, om te merken alles, wat op de aarde is.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide de koning tot Joab: Zie nu, ik heb deze zaak gedaan; zo ga henen, haal den jongeling Absalom weder.</verse>
				<verse number="22">Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde, en boog zich, en dankte den koning; en Joab zeide: Heden heeft uw knecht gemerkt, dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer koning! Omdat de koning het woord van zijn knecht gedaan heeft.</verse>
				<verse number="23">Alzo maakte zich Joab op, en toog naar Gesur; en hij bracht Absalom te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="24">En de koning zeide: Dat hij in zijn huis kere, en mijn aangezicht niet zie. Alzo keerde Absalom in zijn huis, en zag des konings aangezicht niet.</verse>
				<verse number="25">Nu was er in gans Israël geen man zo schoon als Absalom, zeer te prijzen; van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe was er geen gebrek in hem.</verse>
				<verse number="26">En als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde het ten einde van elk jaar, dat hij het beschoor, omdat het hem te zwaar was, zo beschoor hij het), zo woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkelen, naar des konings gewicht.</verse>
				<verse number="27">Ook werden Absalom drie zonen geboren, en een dochter, welker naam was Thamar; deze was een vrouw, schoon van aanzien.</verse>
				<verse number="28">Alzo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij des konings aangezicht niet zag.</verse>
				<verse number="29">Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hem tot den koning zond; maar hij wilde niet tot hem komen. Zo zond hij nog ten anderen male; evenwel wilde hij niet komen.</verse>
				<verse number="30">Zo zeide hij tot zijn knechten: Ziet, het stuk akkers van Joab is aan de zijde van het mijne, en hij heeft gerst daarop; gaat heen, en steekt het aan met vuur, en Absaloms knechten staken dat stuk akkers aan met vuur.</verse>
				<verse number="31">Toen maakte zich Joab op en kwam tot Absalom in het huis, en zeide tot hem: Waarom hebben uw knechten het stuk akkers, dat mijn is, met vuur aangestoken?</verse>
				<verse number="32">En Absalom zeide tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot den koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij goed, dat ik nog daar ware; nu dan, laat mij het aangezicht des konings zien; is er dan nog een misdaad in mij, zo dode hij mij.</verse>
				<verse number="33">Toen ging Joab in tot den koning, en zeide het hem aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot den koning in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht ter aarde, voor des konings aangezicht; en de koning kuste Absalom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagenen en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht henen.</verse>
				<verse number="2">Ook maakte zich Absalom des morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot den koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen Israëls;</verse>
				<verse number="3">Zo zeide Absalom tot hem: Zie, uw zaken zijn goed en recht; maar gij hebt geen verhoorder van des konings wege.</verse>
				<verse number="4">Voorts zeide Absalom: Och, dat men mij ten rechter stelde in het land! Dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake.</verse>
				<verse number="5">Het geschiedde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zo reikte hij zijn hand uit, en greep hem, en kuste hem.</verse>
				<verse number="6">En naar die wijze deed Absalom aan gans Israël, die tot den koning ten gerichte kwamen. Alzo stal Absalom het hart der mannen van Israël.</verse>
				<verse number="7">Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik den HEERE beloofd heb, te Hebron betalen.</verse>
				<verse number="8">Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Indien de HEERE mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik den HEERE dienen.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide de koning tot hem: Ga in vrede. Alzo maakte hij zich op, en ging naar Hebron.</verse>
				<verse number="10">Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle stammen van Israël, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult horen, zo zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron.</verse>
				<verse number="11">En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, doch gaande in hun eenvoudigheid, want zij wisten van geen zaak.</verse>
				<verse number="12">Absalom zond ook om Achitófel, den Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.</verse>
				<verse number="13">Toen kwam er een boodschapper tot David, zeggende: Het hart van een iegelijk in Israël volgt Absalom na.</verse>
				<verse number="14">Zo zeide David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.</verse>
				<verse number="15">Toen zeiden de knechten des konings tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten.</verse>
				<verse number="16">En de koning ging uit met zijn ganse huis te voet; doch de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren.</verse>
				<verse number="17">Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.</verse>
				<verse number="18">En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des konings aangezicht heen.</verse>
				<verse number="19">Zo zeide de koning tot Ithai, den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? Keer weder, en blijf bij den koning; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uw plaats.</verse>
				<verse number="20">Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weder; en breng uw broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u.</verse>
				<verse number="21">Maar Ithai antwoordde den koning, en zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn!</verse>
				<verse number="22">Toen zeide David tot Ithai: Zo kom, en ga over. Alzo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren.</verse>
				<verse number="23">En het ganse land weende met luider stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar den weg der woestijn.</verse>
				<verse number="24">En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark des verbonds van God, en zij zetten de ark Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des HEEREN ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning.</verse>
				<verse number="26">Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is.</verse>
				<verse number="27">Voorts zeide de koning tot den priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? Keer weder in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimáäz, uw zoon, en Jónathan, Abjathars zoon, met u.</verse>
				<verse number="28">Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden der woestijn, totdat er een woord van ulieden kome, dat men mij aanzegge.</verse>
				<verse number="29">Alzo bracht Zadok, en Abjathar, de ark Gods weder te Jeruzalem, en zij bleven aldaar.</verse>
				<verse number="30">En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.</verse>
				<verse number="31">Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitófel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O, HEERE! maak toch Achitófels raad tot zotheid.</verse>
				<verse number="32">En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd.</verse>
				<verse number="33">En David zeide tot hem: Zo gij met mij voortgaat, zo zult gij mij tot een last zijn;</verse>
				<verse number="34">Maar zo gij weder in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal des konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zo zoudt gij mij den raad van Achitófel te niet maken.</verse>
				<verse number="35">En zijn niet Zadok en Abjathar, de priesters, aldaar met u? Zo zal het geschieden, dat gij alle ding, dat gij uit des konings huis zult horen, den priesteren, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven.</verse>
				<verse number="36">Ziet, hun beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimáäz, Zadoks, en Jónathan, Abjathars zoon; zo zult gijlieden door hun hand tot mij zenden alle ding, dat gij zult horen.</verse>
				<verse number="37">Alzo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefibóseths jongen, met een paar gezadelde ezelen, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een lederen zak wijns.</verse>
				<verse number="2">En de koning zeide tot Ziba: Wat zult gij daarmede? En Ziba zeide: De ezels zijn voor het huis des konings, om op te rijden en het brood en de zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat de moeden in de woestijn drinken.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide de koning: Waar is dan de zoon uws heren? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zeide: Heden zal mij het huis Israëls mijns vaders koninkrijk wedergeven.</verse>
				<verse number="4">Zo zeide de koning tot Ziba: Zie, het zal het uwe zijn alles wat Mefibóseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer koning!</verse>
				<verse number="5">Als nu de koning David tot aan Bahûrim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.</verse>
				<verse number="6">En hij wierp David met stenen, mitsgaders alle knechten van den koning David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren.</verse>
				<verse number="7">Aldus nu zeide Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds, en gij, Belials man!</verse>
				<verse number="8">De HEERE heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Abísai, de zoon van Zerúja, tot den koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer den koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen.</verse>
				<verse number="10">Maar de koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zerúja? Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan?</verse>
				<verse number="11">Voorts zeide David tot Abísai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want de HEERE heeft het hem gezegd.</verse>
				<verse number="12">Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien; en de HEERE zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te dezen dage.</verse>
				<verse number="13">Alzo ging David met zijn lieden op den weg; en Simeï ging al voort langs de zijde des bergs tegen hem over, en vloekte, en wierp met stenen van tegenover hem, en stoof met stof.</verse>
				<verse number="14">En de koning kwam in, en al het volk, dat met hem was, moede zijnde; en hij verkwikte zich aldaar.</verse>
				<verse number="15">Absalom nu en al het volk, de mannen van Israël, kwamen te Jeruzalem, en Achitófel met hem.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve!</verse>
				<verse number="17">Maar Absalom zeide tot Husai: Is dit uw weldadigheid aan uw vriend? Waarom zijt gij niet met uw vriend getogen?</verse>
				<verse number="18">En Husai zeide tot Absalom: Neen, maar welken de HEERE verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israël, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven.</verse>
				<verse number="19">En ten andere, wien zou ik dienen? Zou het niet zijn voor het aangezicht zijns zoons? Gelijk als ik voor het aangezicht uws vaders gediend heb, alzo zal ik voor uw aangezicht zijn.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Absalom tot Achitófel: Geeft onder ulieden raad, wat zullen wij doen?</verse>
				<verse number="21">En Achitófel zeide tot Absalom: Ga in tot de bijwijven uws vaders, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal gans Israël horen, dat gij bij uw vader stinkende zijt geworden, en de handen van allen, die met u zijn, zullen gesterkt worden.</verse>
				<verse number="22">Zo spanden zij Absalom een tent op het dak; en Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van het ganse Israël.</verse>
				<verse number="23">En in die dagen was Achitófels raad, dien hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; alzo was alle raad van Achitófel, zo bij David als bij Absalom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Voorts zeide Achitófel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David dezen nacht achterna jage.</verse>
				<verse number="2">Zo zal ik over hem komen, daar hij moede en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik den koning alleen slaan.</verse>
				<verse number="3">En ik zal al het volk tot u doen wederkeren; de man, dien gij zoekt, is gelijk het wederkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.</verse>
				<verse number="4">Dit woord nu was recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten Israëls.</verse>
				<verse number="5">Doch Absalom zeide: Roep toch ook Husai, den Archiet, en laat ons horen, wat hij ook zegt.</verse>
				<verse number="6">En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Achitófel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek gij.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Husai tot Absalom: De raad, dien Achitófel op ditmaal geraden heeft, is niet goed.</verse>
				<verse number="8">Wijders zeide Husai: Gij kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk.</verse>
				<verse number="9">Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in een der plaatsen. En het zal geschieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt.</verse>
				<verse number="10">Zo zou hij, die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, te enen male smelten; want gans Israël weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn.</verse>
				<verse number="11">Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde gans Israël, van Dan tot Ber-séba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in den strijd.</verse>
				<verse number="12">Dan zullen wij tot hem komen, in een der plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet een worden overgelaten.</verse>
				<verse number="13">En indien hij zich in een stad zal begeven, zo zal gans Israël koorden tot dezelve stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet een steentje aldaar gevonden worde.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, den Archiet, is beter dan Achitófels raad. Doch de HEERE had het geboden, om den goeden raad van Achitófel te vernietigen, opdat de HEERE het kwaad over Absalom bracht.</verse>
				<verse number="15">En Husai zeide tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Alzo en alzo heeft Achitófel Absalom en den oudsten van Israël geraden, maar alzo en alzo heb ik geraden.</verse>
				<verse number="16">Nu dan, zendt haastelijk henen, en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen nacht niet in de vlakke velden der woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden worde, en al het volk, dat met hem is.</verse>
				<verse number="17">Jónathan nu en Ahimáäz stonden bij de fontein Rogel; en een dienstmaagd ging henen en zeide het hun aan; en zij gingen henen en zeiden het den koning David aan; want zij mochten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen.</verse>
				<verse number="18">Een jongen dan nog zag hen, en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te Bahûrim, dewelke een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin.</verse>
				<verse number="19">En de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van den put, en strooide gort daarop. Alzo werd de zaak niet bekend.</verse>
				<verse number="20">Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimáäz en Jónathan? En de vrouw zeide tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan. En toen zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weder naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="21">En het geschiedde, nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit den put, en gingen henen en boodschapten het den koning David; en zij zeiden tot David: Maakt ulieden op, en gaat haastelijk over het water, want alzo heeft Achitófel tegen ulieden geraden.</verse>
				<verse number="22">Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was; en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht ontbrak er niet tot een toe, die niet over de Jordaan gegaan was.</verse>
				<verse number="23">Als nu Achitófel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij den ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Alzo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf.</verse>
				<verse number="24">David nu kwam te Mahanáïm, en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem.</verse>
				<verse number="25">En Absalom had Amása in Joabs plaats gesteld over het heir. Amása nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigáil, dochter van Nahas, zuster van Zerúja, Joabs moeder.</verse>
				<verse number="26">Israël nu en Absalom legerden zich in het land van Gilead.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde, als David te Mahanáïm gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lódebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rógelim,</verse>
				<verse number="28">Beddewerk, en schalen, en aarden vaten, en tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en bonen, en linzen, ook geroost,</verse>
				<verse number="29">En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moede, en dorstig in de woestijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden.</verse>
				<verse number="2">Voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abísai, den zoon van Zerúja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ithai, den Gethiet. En de koning zeide tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met ulieden uittrekken.</verse>
				<verse number="3">Maar het volk zeide: Gij zult niet uittrekken; want of wij te enen male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar gij zijt nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden.</verse>
				<verse number="5">En de koning gebood Joab, en Abísai, en Ithai, zeggende: Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het, als de koning aan al de oversten van Absaloms zaak gebood.</verse>
				<verse number="6">Alzo toog het volk uit in het veld, Israël tegemoet, en de strijd geschiedde bij Efraïms woud.</verse>
				<verse number="7">En het volk van Israël werd aldaar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen; en aldaar geschiedde te dienzelven dage een grote slag, van twintig duizend.</verse>
				<verse number="8">Want de strijd werd aldaar verspreid over al dat land. En het woud verteerde meer van het volk, dan die het zwaard verteerde, te dienzelven dage.</verse>
				<verse number="9">Absalom nu ontmoette voor het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een groten eik, zo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tussen den hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door.</verse>
				<verse number="10">Als dat een man zag, zo gaf hij het Joab te kennen, en zeide: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Joab tot den man, die het hem te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar ter aarde geslagen, alzo het aan mij stond om u tien zilverlingen en een gordel te geven?</verse>
				<verse number="12">Maar die man zeide tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijn handen mocht wegen, zo zou ik mijn hand aan des konings zoon niet slaan; want de koning heeft u, en Abísai, en Ithai, voor onze oren geboden, zeggende: Hoedt u, wie gij zijt, van den jongeling, van Absalom.</verse>
				<verse number="13">Of ik al valselijk tegen mijn ziel handelde, zo zou toch geen ding voor den koning verborgen worden; ook gij zelf zoudt er u van tegenover stellen.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Joab: Ik zal hier bij u alzo niet vertoeven; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van den eik.</verse>
				<verse number="15">En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem.</verse>
				<verse number="16">Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug.</verse>
				<verse number="17">En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in een groten kuil, en stelden op hem een zeer groten steenhoop; en gans Israël vluchtte, een iegelijk naar zijn tent.</verse>
				<verse number="18">Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zeide: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd: Absaloms hand.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide Ahimáäz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen, en den koning boodschappen, dat de HEERE hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden.</verse>
				<verse number="20">Maar Joab zeide tot hem: Gij zult dezen dag geen boodschapper zijn, maar op een anderen dag zult gij boodschappen; dezen dag nu zult gij niet boodschappen, daarom dat des konings zoon dood is.</verse>
				<verse number="21">En Joab zeide tot Cuschi: Ga heen, en zeg den koning aan, wat gij gezien hebt; en Cuschi boog zich voor Joab, en liep heen.</verse>
				<verse number="22">Doch Ahimáäz, Zadoks zoon, voer nog voort en zeide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna lopen. En Joab zeide: Waarom zoudt gij nu heenlopen, mijn zoon! Zo gij toch geen bekwame boodschap hebt?</verse>
				<verse number="23">Wat het ook zij, zeide hij, laat mij heenlopen; zo zeide hij tot hem: Loop heen. En Ahimáäz liep den weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.</verse>
				<verse number="24">David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak der poort aan den muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen.</verse>
				<verse number="25">Zo riep de wachter, en zeide het den koning aan; en de koning zeide: Indien hij alleen is, zo is er een boodschap in zijn mond; en hij ging al voort en naderde.</verse>
				<verse number="26">Toen zag de wachter een anderen man lopende, en de wachter riep tot den poortier en zeide: Zie, er loopt nog een man alleen. Toen zeide de koning: Die is ook een boodschapper.</verse>
				<verse number="27">Voorts zeide de wachter: Ik zie den loop des eersten aan, als den loop van Ahimáäz, Zadoks zoon. Toen zeide de koning: Dat is een goed man, en hij zal met een goede boodschap komen.</verse>
				<verse number="28">Ahimáäz dan riep en zeide tot den koning: Vrede! En hij boog zich voor den koning met het aangezicht ter aarde, en hij zeide: Geloofd zij de HEERE, uw God, Die de mannen, dewelke hun hand tegen mijn heer den koning ophieven, heeft overgegeven.</verse>
				<verse number="29">Toen zeide de koning: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Ahimáäz zeide: Ik zag een groot rumoer, als Joab, den knecht des konings, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat.</verse>
				<verse number="30">En de koning zeide: Ga om, stel u hier; zo ging hij om, en bleef staan.</verse>
				<verse number="31">En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zeide: Mijn heer den koning wordt geboodschapt, dat u de HEERE heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden.</verse>
				<verse number="32">Toen zeide de koning tot Cuschi: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Cuschi zeide: De vijanden van mijn heer den koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.</verse>
				<verse number="33">Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom.</verse>
				<verse number="2">Toen werd de verlossing te dienzelven dage het ganse volk tot rouw; want het volk had te dienzelven dage horen zeggen: Het smart den koning over zijn zoon.</verse>
				<verse number="3">En het volk kwam te dienzelven dage steelsgewijze in de stad, gelijk als het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd gevloden zijn.</verse>
				<verse number="4">De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!</verse>
				<verse number="5">Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd;</verse>
				<verse number="6">Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen.</verse>
				<verse number="7">Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den HEERE, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe.</verse>
				<verse number="8">Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Ziet, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor des konings aangezicht, maar Israël was gevloden, een iegelijk naar zijn tenten.</verse>
				<verse number="9">En al het volk, in alle stammen van Israël, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand der Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom;</verse>
				<verse number="10">En Absalom, dien wij over ons gezalfd hadden, is in den strijd gestorven; nu dan, waarom zwijgt gijlieden van den koning weder te halen?</verse>
				<verse number="11">Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesteren, zeggende: Spreekt tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gijlieden de laatsten zijn, om den koning weder te halen in zijn huis? (Want de rede van het ganse Israël was tot den koning gekomen in zijn huis.)</verse>
				<verse number="12">Gij zijt mijn broederen; mijn been en mijn vlees zijt gij; waarom zoudt gij dan de laatsten zijn, om den koning weder te halen?</verse>
				<verse number="13">En tot Amása zult gijlieden zeggen: Zijt gij niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te allen dage, in Joabs plaats.</verse>
				<verse number="14">Alzo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enigen man; en zij zonden henen tot den koning, zeggende: Keer weder, gij en al uw knechten.</verse>
				<verse number="15">Toen keerde de koning weder, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam te Gilgal, om den koning tegemoet te gaan, dat zij den koning over de Jordaan voerden.</verse>
				<verse number="16">En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahûrim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, den koning David tegemoet;</verse>
				<verse number="17">En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij togen vaardiglijk over de Jordaan, vóór den koning.</verse>
				<verse number="18">Als nu de pont overvoer, om het huis des konings over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht des konings, als hij over de Jordaan voer;</verse>
				<verse number="19">En hij zeide tot den koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerdelijk gedaan heeft, te dien dage, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter harte zoude nemen.</verse>
				<verse number="20">Want uw knecht weet het zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik ben heden gekomen, de eerste van het ganse huis van Jozef, om mijn heer den koning tegemoet af te komen.</verse>
				<verse number="21">Toen antwoordde Abísai, de zoon van Zerúja, en zeide: Zou dan Simeï hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch den gezalfde des HEEREN gevloekt heeft.</verse>
				<verse number="22">Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zerúja! Dat gij mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël?</verse>
				<verse number="23">En de koning zeide tot Simeï: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem.</verse>
				<verse number="24">Mefibóseth, Sauls zoon, kwam ook af den koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoongemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn klederen gewassen, van dien dag af, dat de koning was weggegaan, tot dien dag toe, dat hij met vrede wederkwam.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde, als hij te Jeruzalem den koning tegemoet kwam, dat de koning tot hem zeide: Waarom zijt gij niet met mij getogen, Mefibóseth?</verse>
				<verse number="26">En hij zeide: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zeide: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot den koning trekken, want uw knecht is kreupel.</verse>
				<verse number="27">Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer den koning valselijk aangedragen; doch mijn heer de koning is als een engel Gods; doe dan, wat goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="28">Want al mijns vaders huis is niet geweest, dan maar lieden des doods voor mijn heer den koning; nochtans hebt gij uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan den koning?</verse>
				<verse number="29">Toen zeide de koning tot hem: Waarom spreekt gij meer van uw zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba, deelt het land.</verse>
				<verse number="30">En Mefibóseth zeide tot den koning: Hij neme het ook gans weg, naardien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen.</verse>
				<verse number="31">Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rógelim; en hij toog met den koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.</verse>
				<verse number="32">Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had den koning onderhouden, toen hij te Mahanáïm zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.</verse>
				<verse number="33">En de koning zeide tot Barzillai: Trekt gij met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden.</verse>
				<verse number="34">Maar Barzillai zeide tot den koning: Hoe veel zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem?</verse>
				<verse number="35">Ik ben heden tachtig jaren oud; zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zoude ik meer kunnen horen naar de stem der zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer den koning verder tot een last zijn?</verse>
				<verse number="36">Uw knecht zal maar een weinig met den koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen?</verse>
				<verse number="37">Laat toch uw knecht wederkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat dien met mijn heer den koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="38">Toen zeide de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat gij op mij begeren zult, zal ik u doen.</verse>
				<verse number="39">Toen nu al het volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was overgegaan, kuste de koning Barzillai, en zegende hem; alzo keerde hij weder naar zijn plaats.</verse>
				<verse number="40">En de koning toog voort naar Gilgal, en Chimham toog met hem voort; en al het volk van Juda had den koning overgevoerd, als ook een gedeelte van het volk Israëls.</verse>
				<verse number="41">En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot den koning; en zij zeiden tot den koning: Waarom hebben u onze broeders, de mannen van Juda, gestolen, en hebben den koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem?</verse>
				<verse number="42">Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van des konings kost, of heeft hij ons een geschenk geschonken?</verse>
				<verse number="43">En de mannen van Israël antwoordden den mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan den koning, en ook aan David, wij, meer dan gij; waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onzen koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen van Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van Isaï, een iegelijk naar zijn tenten, o Israël!</verse>
				<verse number="2">Toen toog alle man van Israël op van achter David, Seba, den zoon van Bichri, achterna; maar de mannen van Juda kleefden hun koning aan, van de Jordaan af tot aan Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op den dag van haarlieder dood, levende als weduwen.</verse>
				<verse number="4">Voorts zeide de koning tot Amása: Roep mij de mannen van Juda te zamen, tegen den derden dag; en gij, stel u dan hier.</verse>
				<verse number="5">En Amása ging heen, om Juda bijeen te roepen; maar hij bleef achter, boven den gezetten tijd, dien hij hem gezet had.</verse>
				<verse number="6">Toen zeide David tot Abísai: Nu zal ons Seba, de zoon van Bichri, meer kwaads doen, dan Absalom; neem gij de knechten uws heren, en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien vaste steden voor zich vinde, en zich aan onze ogen onttrekke.</verse>
				<verse number="7">Toen togen uit, hem achterna, de mannen van Joab, en de Krethi, en de Plethi, en al de helden. Dezen togen uit van Jeruzalem, om Seba, den zoon van Bichri, achterna te jagen.</verse>
				<verse number="8">Als zij nu waren bij den groten steen, die bij Gíbeon is, zo kwam Amása voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn kleed, dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn lenden in zijn schede; en als hij voortging, zo viel het uit.</verse>
				<verse number="9">En Joab zeide tot Amása: Is het wel met u, mijn broeder? En Joab vatte met de rechterhand den baard van Amása, om hem te kussen.</verse>
				<verse number="10">En Amása hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broeder Abísai, Seba, den zoon van Bichri, achterna.</verse>
				<verse number="11">Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na!</verse>
				<verse number="12">Amása nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zo deed hij Amása weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan.</verse>
				<verse number="13">Toen hij nu van de straat weggenomen was, toog alle man voort, Joab na, om Seba, den zoon van Bichri, achterna te jagen.</verse>
				<verse number="14">En hij toog heen door alle stammen van Israël, naar Abel, te weten, Beth-Máächa, en het ganse Berim; en zij verzamelden zich, en kwamen hem ook na.</verse>
				<verse number="15">En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Máächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan den buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven den muur, om dien neder te vellen.</verse>
				<verse number="16">Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke.</verse>
				<verse number="17">Toen hij nu tot haar naderde, zeide de vrouw: Zijt gij Joab? En hij zeide: Ik ben het; en zij zeide tot hem: Hoor de woorden uwer dienstmaagd; en hij zeide: Ik hoor.</verse>
				<verse number="18">Toen sprak zij, zeggende: In voortijden spraken zij gemeenlijk, zeggende: Zij zullen zonder twijfel te Abel vragen; en alzo volbrachten zij het.</verse>
				<verse number="19">Ik ben een van de vreedzamen, van de getrouwen in Israël, en gij zoekt te doden een stad, die een moeder is in Israël; waarom zoudt gij het erfdeel des HEEREN verslinden?</verse>
				<verse number="20">Toen antwoordde Joab, en zeide: Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik zou verslinden, en dat ik zou verderven.</verse>
				<verse number="21">De zaak is niet alzo; maar een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam is Seba, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen den koning, tegen David; lever hem alleen, zo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zeide de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over den muur geworpen worden.</verse>
				<verse number="22">En de vrouw kwam in tot al het volk, met haar wijsheid; en zij hieuwen Seba, den zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het tot Joab. Toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, een iegelijk naar zijn tenten; en Joab keerde weder naar Jeruzalem tot den koning.</verse>
				<verse number="23">Joab nu was over het ganse heir van Israël; en Benája, de zoon van Jójada, over de Krethi en over de Plethi;</verse>
				<verse number="24">En Adóram was over de schatting; en Jósafat, de zoon van Ahílud, was kanselier;</verse>
				<verse number="25">En Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren priesters.</verse>
				<verse number="26">En ook was Ira, de Jaïriet, Davids opperofficier.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht des HEEREN. En de HEERE zeide: Het is om Saul en om des bloedhuizes wil, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.</verse>
				<verse number="2">Toen riep de koning de Gibeonieten, en zeide tot hen: (De Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israëls, maar van het overblijfsel der Amorieten; en de kinderen Israëls hadden hun gezworen, maar Saul zocht hen te slaan in zijn ijver voor de kinderen van Israël en Juda.)</verse>
				<verse number="3">David dan zeide tot de Gibeonieten: Wat zal ik ulieden doen, en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des HEEREN zegent?</verse>
				<verse number="4">Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden in Israël. En hij zeide: Wat zegt gij dan, dat ik u doen zal?</verse>
				<verse number="5">En zij zeiden tot den koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in enige landpale van Israël;</verse>
				<verse number="6">Laat ons zeven mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen den HEERE ophangen te Gíbea Sauls, o, gij verkorene des HEEREN! En de koning zeide: Ik zal hen geven.</verse>
				<verse number="7">Doch de koning verschoonde Mefibóseth, den zoon van Jónathan, den zoon van Saul, om den eed des HEEREN, die tussen hen was, tussen David en tussen Jónathan, Sauls zoon.</verse>
				<verse number="8">Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armóni en Mefibóseth; daartoe de vijf zonen van Michals zuster, Sauls dochter, die zij Adriël, den zoon van Barzillai, den Meholathiet, gebaard had;</verse>
				<verse number="9">En hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die ze ophingen op den berg voor het aangezicht des HEEREN; en die zeven vielen tegelijk; en zij werden gedood in de dagen van den oogst, in de eerste dagen, in het begin van den gersteoogst.</verse>
				<verse number="10">Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande dien voor zich uit op een rotssteen, van het begin van den oogst, totdat er water op hen drupte van den hemel; en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts.</verse>
				<verse number="11">En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.</verse>
				<verse number="12">Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jónathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-San, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilbóa.</verse>
				<verse number="13">En hij bracht van daar op de beenderen van Saul, en de beenderen van Jónathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen.</verse>
				<verse number="14">En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jónathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Alzo werd God na dezen den lande verbeden.</verse>
				<verse number="15">Voorts hadden de Filistijnen nog een krijg tegen Israël. En David toog af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moede werd.</verse>
				<verse number="16">En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard; deze dacht David te slaan.</verse>
				<verse number="17">Maar Abísai, de zoon van Zerúja, hielp hem, en sloeg den Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat gij de lamp van Israël niet uitblust.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde daarna, dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Síbbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.</verse>
				<verse number="19">Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaäré-Oregim, sloeg Beth-halachmi, dewelke was met Goliath, den Gethiet, wiens spiesenhout was als een weversboom.</verse>
				<verse number="20">Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren.</verse>
				<verse number="21">En hij hoonde Israël; maar Jónathan, de zoon van Símea, Davids broeder, sloeg hem.</verse>
				<verse number="22">Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.</verse>
				<verse number="2">Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.</verse>
				<verse number="3">God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!</verse>
				<verse number="4">Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.</verse>
				<verse number="5">Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.</verse>
				<verse number="6">Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.</verse>
				<verse number="7">Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.</verse>
				<verse number="8">Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.</verse>
				<verse number="9">Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.</verse>
				<verse number="10">En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.</verse>
				<verse number="11">En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.</verse>
				<verse number="12">En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.</verse>
				<verse number="13">Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.</verse>
				<verse number="14">De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.</verse>
				<verse number="15">En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.</verse>
				<verse number="16">En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.</verse>
				<verse number="17">Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.</verse>
				<verse number="18">Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.</verse>
				<verse number="19">Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.</verse>
				<verse number="20">En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.</verse>
				<verse number="21">De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.</verse>
				<verse number="22">Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.</verse>
				<verse number="23">Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.</verse>
				<verse number="24">Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="25">Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.</verse>
				<verse number="26">Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.</verse>
				<verse number="27">Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.</verse>
				<verse number="28">En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.</verse>
				<verse number="29">Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.</verse>
				<verse number="30">Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.</verse>
				<verse number="31">Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.</verse>
				<verse number="32">Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?</verse>
				<verse number="33">God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.</verse>
				<verse number="34">Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.</verse>
				<verse number="35">Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.</verse>
				<verse number="36">Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.</verse>
				<verse number="37">Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.</verse>
				<verse number="38">Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.</verse>
				<verse number="39">En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.</verse>
				<verse number="40">Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.</verse>
				<verse number="41">En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.</verse>
				<verse number="42">Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.</verse>
				<verse number="43">Toen vergruisde ik hen als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk der straten.</verse>
				<verse number="44">Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks, Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.</verse>
				<verse number="45">Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.</verse>
				<verse number="46">Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten.</verse>
				<verse number="47">De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!</verse>
				<verse number="48">De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;</verse>
				<verse number="49">En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.</verse>
				<verse number="50">Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.</verse>
				<verse number="51">Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Voorts zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israël, zegt:</verse>
				<verse number="2">De Geest des HEEREN heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.</verse>
				<verse number="3">De God Israëls heeft gezegd, de Rotssteen Israëls heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods.</verse>
				<verse number="4">En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.</verse>
				<verse number="5">Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.</verse>
				<verse number="6">Maar de mannen Belials zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten;</verse>
				<verse number="7">Maar een iegelijk, die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout ener spies; en zij zullen ganselijk met vuur verbrand worden ter zelver plaats.</verse>
				<verse number="8">Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschébeth, de zoon van Tachkemóni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adíno, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.</verse>
				<verse number="9">En na hem was Eleázar, de zoon van Dodo, zoon van Ahóhi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen.</verse>
				<verse number="10">Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en de HEERE wrocht een groot heil ten zelven dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen.</verse>
				<verse number="11">Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte;</verse>
				<verse number="12">Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en de HEERE wrocht een groot heil.</verse>
				<verse number="13">Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David, in de spelonk van Adullam; en de hoop der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaïm.</verse>
				<verse number="14">En David was toen in een vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.</verse>
				<verse number="15">En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?</verse>
				<verse number="16">Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den HEERE.</verse>
				<verse number="17">En zeide: Het zij verre van mij, o HEERE, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.</verse>
				<verse number="18">Abísai, Joabs broeder, de zoon van Zerúja, die was ook een hoofd van drieën; en die hief zijn spies op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie.</verse>
				<verse number="19">Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie.</verse>
				<verse number="20">Voorts Benája, de zoon van Jójada, de zoon van een dapperen man, groot van daden, van Kábzeël; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in den sneeuwtijd.</verse>
				<verse number="21">Daartoe sloeg hij een Egyptischen man, een man van aanzien; en in de hand des Egyptenaars was een spies, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en doodde hem met zijn eigen spies.</verse>
				<verse number="22">Die dingen deed Benája, de zoon van Jójada; dies had hij een naam onder de drie helden.</verse>
				<verse number="23">Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet; en David stelde hem over zijn trawanten.</verse>
				<verse number="24">Asahel, Joabs broeder, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;</verse>
				<verse number="25">Samma, de Harodiet; Elíka, de Harodiet;</verse>
				<verse number="26">Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoïet;</verse>
				<verse number="27">Abí-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;</verse>
				<verse number="28">Zalmon, de Ahohiet; Máharai, de Netofathiet;</verse>
				<verse number="29">Heleb, de zoon van Báëna, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gíbea der kinderen Benjamins;</verse>
				<verse number="30">Benája, de Pirháthoniet; Hiddai, van de beken van Gaäs;</verse>
				<verse number="31">Abi-Albôn, de Arbathiet; Azmáveth, de Barhumiet;</verse>
				<verse number="32">Eljachba, de Saälboniet; van de zonen van Jazen, Jónathan;</verse>
				<verse number="33">Samma, de Harariet; Ahíam, de zoon van Sarar, de Harariet;</verse>
				<verse number="34">Elifélet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Máächathiet; Elíam, de zoon van Achitófel, de Giloniet;</verse>
				<verse number="35">Hezrai, de Karmeliet; Paërai, de Arbiet;</verse>
				<verse number="36">Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;</verse>
				<verse number="37">Zelek, de Ammoniet; Náharai, de Beërothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zerúja;</verse>
				<verse number="38">Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;</verse>
				<verse number="39">Uría, de Hethiet, zeven en dertig in alles.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">En de toorn des HEEREN voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda.</verse>
				<verse number="2">De koning dan zeide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-séba toe, en telt het volk, opdat ik het getal des volks wete.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Joab tot den koning: Nu doe de HEERE, uw God, tot dit volk, zoals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de ogen van mijn heer den koning het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak?</verse>
				<verse number="4">Doch des konings woord nam de overhand tegen Joab, en tegen de oversten des heirs. Alzo toog Joab uit, met de oversten des heirs, van des konings aangezicht, om het volk Israël te tellen.</verse>
				<verse number="5">En zij gingen over de Jordaan, en legerden zich bij Aroër, ter rechterhand der stad, die in het midden is van de beek van Gad, en aan Jáëzer.</verse>
				<verse number="6">Voorts kwamen zij in Gilead, en in het lage land Hodsi; ook kwamen zij tot Dan-Jaän, en rondom bij Sidon.</verse>
				<verse number="7">En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der Hevieten en der Kanaänieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-séba.</verse>
				<verse number="8">Alzo togen zij om door het ganse land; en ten einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="9">En Joab gaf de som van het getelde volk aan den koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man.</verse>
				<verse number="10">En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den HEERE: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.</verse>
				<verse number="11">Als nu David des morgens opstond, zo geschiedde het woord des HEEREN tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Ga heen, en spreek tot David: Alzo zegt de HEERE: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u één uit die, dat Ik u doe.</verse>
				<verse number="13">Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.</verse>
				<verse number="15">Toen gaf de HEERE een pestilentie in Israël, van den morgen af tot den gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot Ber-séba toe, zeventig duizend mannen.</verse>
				<verse number="16">Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde het den HEERE over dat kwaad, en Hij zeide tot den engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des HEEREN nu was bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.</verse>
				<verse number="17">En David, als hij den engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den HEERE, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.</verse>
				<verse number="18">En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zeide tot hem: Ga op, richt den HEERE een altaar op, op den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.</verse>
				<verse number="19">Alzo ging David op naar het woord van Gad, gelijk als de HEERE geboden had.</verse>
				<verse number="20">En Arauna zag toe, en zag den koning en zijn knechten tot zich overkomen; zo ging Arauna uit, en boog zich voor den koning met zijn aangezicht ter aarde.</verse>
				<verse number="21">En Arauna zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zeide: Om dezen dorsvloer van u te kopen, om den HEERE een altaar te bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide Arauna tot David: Mijn heer de koning neme en offere, wat goed is in zijn ogen; zie, daar de runderen ten brandoffer, en de sleden en het rundertuig tot hout.</verse>
				<verse number="23">Dit alles gaf Arauna, de koning, aan den koning. Voorts zeide Arauna tot den koning: De HEERE uw God neme een welgevallen in u!</verse>
				<verse number="24">Doch de koning zeide tot Arauna: Neen, maar ik zal het zekerlijk van u kopen voor den prijs; want ik zal den HEERE, mijn God, niet offeren brandofferen om niet. Alzo kocht David den dorsvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen.</verse>
				<verse number="25">En David bouwde aldaar den HEERE een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Alzo werd de HEERE den lande verbeden, en deze plage van over Israël opgehouden.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="11">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij kreeg gene warmte.</verse>
				<verse number="2">Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer den koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des konings sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.</verse>
				<verse number="3">Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle landpalen van Israël; en zij vonden Abísag, een Sunamietische, en brachten ze tot den koning.</verse>
				<verse number="4">En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde den koning, en diende hem; doch de koning bekende ze niet.</verse>
				<verse number="5">Adónia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="6">En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en Haggith had hem gebaard na Absalom.</verse>
				<verse number="7">En zijn raadslagen waren met Joab, den zoon van Zerúja, en met Abjathar, den priester; die hielpen, volgende Adónia.</verse>
				<verse number="8">Maar Zadok, de priester, en Benája, de zoon van Jójada, en Nathan, de profeet, en Simeï, en Reï, en de helden, die David had, waren met Adónia niet.</verse>
				<verse number="9">En Adónia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij den steen Zohéleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broederen, de zonen des konings, en alle mannen van Juda, des konings knechten.</verse>
				<verse number="10">Maar Nathan, den profeet, en Benája, en de helden, en Sálomo, zijn broeder, noodde hij niet.</verse>
				<verse number="11">Toen sprak Nathan tot Bathséba, de moeder van Sálomo, zeggende: Hebt gij niet gehoord, dat Adónia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet dat niet.</verse>
				<verse number="12">Nu dan, kom, laat mij u toch een raad geven, dat gij uw ziel en de ziel van uw zoon Sálomo redt.</verse>
				<verse number="13">Ga heen, en treed in tot den koning David, en zeg tot hem: Hebt gij niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Sálomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adónia koning?</verse>
				<verse number="14">Zie, als gij daar nog met den koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden vervullen.</verse>
				<verse number="15">En Bathséba ging in tot den koning in de binnenkamer; doch de koning was zeer oud, en Abísag, de Sunamietische, diende den koning.</verse>
				<verse number="16">En Bathséba neigde het hoofd en boog zich neder voor den koning; en de koning zeide: Wat is u?</verse>
				<verse number="17">En zij zeide tot hem: Mijn heer! gij hebt uw dienstmaagd bij den HEERE, uw God, gezworen: Voorzeker Sálomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten!</verse>
				<verse number="18">En nu zie, Adónia is koning; en nu, mijn heer koning, gij weet het niet.</verse>
				<verse number="19">En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en genood al de zonen des konings, en Abjathar, den priester, en Joab, den krijgsoverste, maar uw knecht Sálomo heeft hij niet genood.</verse>
				<verse number="20">Maar gij, mijn heer koning, de ogen van het ganse Israël zijn op u, dat gij hun zoudt te kennen geven, wie op den troon van mijn heer den koning na hem zitten zal.</verse>
				<verse number="21">Anders zal het geschieden, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Sálomo als zondaars zullen zijn.</verse>
				<verse number="22">En ziet, zij sprak nog met den koning, als de profeet Nathan inkwam.</verse>
				<verse number="23">En zij gaven den koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht des konings, en boog zich voor den koning op zijn aangezicht ter aarde.</verse>
				<verse number="24">En Nathan zeide: Mijn heer koning! hebt gij gezegd: Adónia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten?</verse>
				<verse number="25">Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft genood al de zonen des konings, en de oversten des heirs, en Abjathar, den priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De koning Adónia leve!</verse>
				<verse number="26">Maar mij, die uw knecht ben, en Zadok, den priester, en Benája, den zoon van Jójada, en Sálomo, uw knecht, heeft hij niet genood.</verse>
				<verse number="27">Is deze zaak van mijn heer den koning geschied? En hebt gij uw knecht niet bekend gemaakt, wie op den troon van mijn heer den koning na hem zitten zou?</verse>
				<verse number="28">En de koning David antwoordde en zeide: Roept mij Bathséba; en zij kwam voor het aangezicht des konings, en stond voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="29">Toen zwoer de koning, en zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die mijn ziel uit allen nood verlost heeft;</verse>
				<verse number="30">Voorzeker, gelijk als ik u gezworen heb bij den HEERE, den God Israëls, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Sálomo na mij koning zijn, en zal op mijn troon in mijn plaats zitten; voorzeker, alzo zal ik te dezen zelfden dage doen.</verse>
				<verse number="31">Toen neigde zich Bathséba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neder voor den koning, en zeide: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="32">En de koning David zeide: Roep mij Zadok, den priester, en Nathan, den profeet, en Benája, den zoon van Jójada; en zij kwamen voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="33">En de koning zeide tot hen: Neemt met u de knechten uws heren, en doet mijn zoon Sálomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon.</verse>
				<verse number="34">En dat Zadok, de priester, met Nathan, den profeet, hem aldaar tot koning over Israël zalve. Daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Sálomo leve!</verse>
				<verse number="35">Dan zult gij achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israël en over Juda.</verse>
				<verse number="36">Toen antwoordde Benája, de zoon van Jójada, den koning, en zeide: Amen; alzo zegge de HEERE, de God van mijn heer den koning!</verse>
				<verse number="37">Gelijk als de HEERE met mijn heer den koning geweest is, alzo zij Hij met Sálomo; en Hij make zijn troon groter dan den troon van mijn heer den koning David!</verse>
				<verse number="38">Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, den profeet, en Benája, den zoon van Jójada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Sálomo rijden op de muilezelin van den koning David, en geleidden hem naar Gihon.</verse>
				<verse number="39">En Zadok, de priester, nam den oliehoorn uit de tent, en zalfde Sálomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zeide: De koning Sálomo leve!</verse>
				<verse number="40">En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid spleet.</verse>
				<verse number="41">En Adónia hoorde het, en al de genoden, die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid der bazuin, en zeide: Waarom is het geroep dier stad, die in roer is?</verse>
				<verse number="42">Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jónathan, de zoon van Abjathar, den priester; en Adónia zeide: Kom in, want gij zijt een kloek man, en zult het goede boodschappen.</verse>
				<verse number="43">En Jónathan antwoordde en zeide tot Adónia: Ja, maar onze heer, de koning David, heeft Sálomo tot koning gemaakt.</verse>
				<verse number="44">En de koning heeft met hem gezonden Zadok, den priester, en Nathan, den profeet, en Benája, den zoon van Jójada, en de Krethi en de Plethi; en zij hebben hem doen rijden op de muilezelin des konings.</verse>
				<verse number="45">Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, in Gihon tot koning gezalfd, en zijn van daar blijde opgetogen, zodat de stad in roer is; dat is het geroep, dat gij gehoord hebt.</verse>
				<verse number="46">En ook zit Sálomo op den troon des koninkrijks.</verse>
				<verse number="47">Zo zijn ook de knechten des konings gekomen, om onzen heer, den koning David, te zegenen, zeggende: Uw God make den naam van Sálomo beter dan uw naam, en make zijn troon groter dan uw troon; en de koning heeft aangebeden op de slaapstede.</verse>
				<verse number="48">Ja, ook heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, Die heden gegeven heeft een, zittende op mijn troon, dat het mijn ogen gezien hebben!</verse>
				<verse number="49">Toen verschrikten en stonden op al de genoden, die bij Adónia waren, en gingen een iegelijk zijns weegs.</verse>
				<verse number="50">Doch Adónia vreesde voor Sálomo, en hij stond op, en ging heen, en vatte de hoornen des altaars.</verse>
				<verse number="51">En men maakte Sálomo bekend, zeggende: Zie, Adónia vreest den koning Sálomo, want zie, hij heeft de hoornen des altaars gevat, zeggende: Dat de koning Sálomo mij als heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal!</verse>
				<verse number="52">En Sálomo zeide: Indien hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar indien in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven.</verse>
				<verse number="53">En de koning Sálomo zond heen, en zij deden hem afgaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neder voor den koning Sálomo. En Sálomo zeide tot hem: Ga heen naar uw huis.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Sálomo, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.</verse>
				<verse number="3">En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;</verse>
				<verse number="4">Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israëls.</verse>
				<verse number="5">Zo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zerúja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, den zoon van Ner, en Amása, den zoon van Jether, dien hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.</verse>
				<verse number="6">Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.</verse>
				<verse number="7">Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.</verse>
				<verse number="8">En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahûrim, die mij vloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanáïm; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!</verse>
				<verse number="9">Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.</verse>
				<verse number="10">En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.</verse>
				<verse number="11">De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.</verse>
				<verse number="12">En Sálomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.</verse>
				<verse number="13">Toen kwam Adónia, de zoon van Haggith, tot Bathséba, de moeder van Sálomo; en zij zeide: Is uw komst vrede? En hij zeide: Vrede.</verse>
				<verse number="14">Daarna zeide hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek.</verse>
				<verse number="15">Hij zeide dan: Gij weet, dat het koninkrijk mijn was, en het ganse Israël zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is; want het is van den HEERE hem geworden.</verse>
				<verse number="16">En nu begeer ik van u een enige begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide: Spreek toch tot den koning Sálomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abísag, de Sunamietische, ter vrouwe geve.</verse>
				<verse number="18">En Bathséba zeide: Het is goed, ik zal den koning voor u aanspreken.</verse>
				<verse number="19">Zo kwam Bathséba tot den koning Sálomo, om hem voor Adónia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder des konings zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zeide tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.</verse>
				<verse number="21">En zij zeide: Laat Abísag, de Sunamietische, aan Adónia, uw broeder, ter vrouwe gegeven worden.</verse>
				<verse number="22">Toen antwoordde de koning Sálomo, en zeide tot zijn moeder: En waarom begeert gij Abísag, de Sunamietische, voor Adónia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broeder, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, den priester, en voor Joab, den zoon van Zerúja.</verse>
				<verse number="23">En de koning Sálomo zwoer bij den HEERE, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adónia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben!</verse>
				<verse number="24">En nu, zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had: voorzeker, Adónia zal heden gedood worden!</verse>
				<verse number="25">En de koning Sálomo zond door de hand van Benája, den zoon van Jójada; die viel op hem aan, dat hij stierf.</verse>
				<verse number="26">En tot Abjathar, den priester, zeide de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want gij zijt een man des doods; maar op dezen dag zal ik u niet doden, omdat gij de ark des Heeren HEEREN voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was.</verse>
				<verse number="27">Sálomo dan verdreef Abjathar, dat hij des HEEREN priester niet ware, om te vervullen het woord des HEEREN, hetwelk Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.</verse>
				<verse number="28">Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adónia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent des HEEREN, en vatte de hoornen des altaars.</verse>
				<verse number="29">En het werd den koning Sálomo aangezegd, dat Joab tot de tent des HEEREN gevloden was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Sálomo Benája, den zoon van Jójada, zeggende: Ga heen, val op hem aan.</verse>
				<verse number="30">En Benája kwam tot de tent des HEEREN, en zeide tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven! En Benája bracht het antwoord weder aan den koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.</verse>
				<verse number="31">En de koning zeide tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat gij wegdoet, van mij en van mijns vaders huis, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.</verse>
				<verse number="32">Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israël, en Amása, den zoon van Jether, den krijgsoverste van Juda.</verse>
				<verse number="33">Alzo zal hun bloed wederkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van den HEERE tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="34">En Benája, de zoon van Jójada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.</verse>
				<verse number="35">En de koning zette Benája, den zoon van Jójada, in zijn plaats over het heir; en Zadok, den priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.</verse>
				<verse number="36">Daarna zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon aldaar; en ga van daar niet uit herwaarts of derwaarts.</verse>
				<verse number="37">Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.</verse>
				<verse number="38">En Simeï zeide tot den koning: Dat woord is goed; gelijk als mijn heer de koning gesproken heeft, alzo zal uw knecht doen. En Simeï woonde te Jeruzalem vele dagen.</verse>
				<verse number="39">Doch het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot Achis, den zoon van Máächa, den koning van Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.</verse>
				<verse number="40">Toen maakte zich Simeï op, en zadelde zijn ezel, en toog heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo toog Simeï heen, en bracht zijn knechten van Gath.</verse>
				<verse number="41">En het werd Sálomo aangezegd, dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wedergekomen was.</verse>
				<verse number="42">Toen zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij den HEERE, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.</verse>
				<verse number="43">Waarom dan hebt gij den eed des HEEREN niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had?</verse>
				<verse number="44">Verder zeide de koning tot Simeï: Gij weet al de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft de HEERE uw boosheid op uw hoofd doen wederkeren.</verse>
				<verse number="45">Maar de koning Sálomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht des HEEREN tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="46">En de koning gebood Benája, den zoon van Jójada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Alzo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Sálomo.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En Sálomo verzwagerde zich met Faraö, den koning van Egypte; en nam de dochter van Faraö, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis, en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom.</verse>
				<verse number="2">Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe.</verse>
				<verse number="3">En Sálomo had den HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten.</verse>
				<verse number="4">En de koning ging naar Gíbeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Sálomo op dat altaar.</verse>
				<verse number="5">Te Gíbeon verscheen de HEERE aan Sálomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal.</verse>
				<verse number="6">En Sálomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage.</verse>
				<verse number="7">Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan.</verse>
				<verse number="8">En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte.</verse>
				<verse number="9">Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten?</verse>
				<verse number="10">Die zaak nu was goed in de ogen des Heeren, dat Sálomo deze zaak begeerd had.</verse>
				<verse number="11">En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen;</verse>
				<verse number="12">Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke vóór u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal.</verse>
				<verse number="13">Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal.</verse>
				<verse number="14">En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen.</verse>
				<verse number="15">En Sálomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark des verbonds des HEEREN, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten.</verse>
				<verse number="16">Toen kwamen er twee vrouwen, die hoeren waren, tot den koning; en zij stonden voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="17">En de ene vrouw zeide: Och, mijn heer. Ik en deze vrouw wonen in één huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard.</verse>
				<verse number="18">Het is nu geschied op den derden dag na mijn baren dat deze vrouw ook gebaard heeft; en wij waren te zamen, geen vreemde was met ons in dat huis, behalve ons tweeën in het huis.</verse>
				<verse number="19">En de zoon dezer vrouw is des nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.</verse>
				<verse number="20">En zij stond ter middernacht op, en nam mijn zoon van bij mij, als uw dienstmaagd sliep, en legde hem in haar schoot, en haar doden zoon legde zij in mijn schoot.</verse>
				<verse number="21">En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, dien ik gebaard had.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide de andere vrouw: Neen, maar die levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon; gene daarentegen zeide: Neen, maar de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Alzo spraken zij voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="23">Toen zeide de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, maar uw zoon is het, die dood is; en die zegt: Neen, maar de dode is uw zoon, en de levende mijn zoon.</verse>
				<verse number="24">Verder zeide de koning: Haalt mij een zwaard; en zij brachten een zwaard voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="25">En de koning zeide: Doorsnijdt dat levende kind in tweeën, en geeft de ene een helft, en de andere een helft.</verse>
				<verse number="26">Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot den koning (want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zeide: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het geenszins; deze daarentegen zeide: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het.</verse>
				<verse number="27">Toen antwoordde de koning, en zeide: Geeft aan die het levende kind, en doodt het geenszins; die is zijn moeder.</verse>
				<verse number="28">En geheel Israël hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des konings; want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was, om recht te doen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Alzo was de koning Sálomo koning over gans Israël.</verse>
				<verse number="2">En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.</verse>
				<verse number="3">Elihóref, en Ahía, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Jósafat, de zoon van Ahílud, was kanselier.</verse>
				<verse number="4">En Benája, de zoon van Jójada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren priesters.</verse>
				<verse number="5">En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, des konings vriend.</verse>
				<verse number="6">En Ahisar was hofmeester; en Adoníram, de zoon van Abda, was over de schatting.</verse>
				<verse number="7">En Sálomo had twaalf bestelmeesters over gans Israël, die den koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.</verse>
				<verse number="8">En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraïm.</verse>
				<verse number="9">De zoon van Deker in Makaz, en in Saälbim, en Beth-Sémes, en Elon-Beth-Hanan.</verse>
				<verse number="10">De zoon van Hésed in Arubbôth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.</verse>
				<verse number="11">De zoon van Abinádab had de ganse landstreek van Dôr; deze had Tafath, de dochter van Sálomo, tot een vrouw.</verse>
				<verse number="12">Báäna, de zoon van Ahílud, had Taänach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartána, beneden van Jizreël, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehóla, tot op gene zijde van Jokmeam.</verse>
				<verse number="13">De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.</verse>
				<verse number="14">Abinádab, de zoon van Iddo, was te Mahanáïm.</verse>
				<verse number="15">Ahimáäz was in Nafthali; deze nam ook Sálomo's dochter, Basmath, ter vrouwe.</verse>
				<verse number="16">Báäna, de zoon van Husai, was in Aser en in Aloth.</verse>
				<verse number="17">Jósafath, de zoon van Parúah, in Issaschar.</verse>
				<verse number="18">Simeï, de zoon van Ela, in Benjamin.</verse>
				<verse number="19">Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, den koning der Amorieten, en van Og, den koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was.</verse>
				<verse number="20">Juda nu en Israël waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blijde zijnde.</verse>
				<verse number="21">En Sálomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Sálomo al de dagen zijns levens.</verse>
				<verse number="22">De spijze nu van Sálomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;</verse>
				<verse number="23">Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeën, en buffelen, en gemeste vogelen.</verse>
				<verse number="24">Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde der rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde der rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom.</verse>
				<verse number="25">En Juda en Israël woonden zeker, een iegelijk onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-séba, al de dagen van Sálomo.</verse>
				<verse number="26">Sálomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagenen, en twaalf duizend ruiteren.</verse>
				<verse number="27">Die bestelmeesters nu, een ieder op zijn maand, verzorgden den koning Sálomo, en al degenen, die tot de tafel van den koning Sálomo naderden; zij lieten geen ding ontbreken.</verse>
				<verse number="28">De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de snelle kemelen, brachten zij aan de plaats, waar hij was, een iegelijk naar zijn last.</verse>
				<verse number="29">En God gaf Sálomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip des harten, gelijk zand, dat aan den oever der zee is.</verse>
				<verse number="30">En de wijsheid van Sálomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid der Egyptenaren;</verse>
				<verse number="31">Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.</verse>
				<verse number="32">En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf.</verse>
				<verse number="33">Hij sprak ook van de bomen, van den cederboom af, die op den Libanon is, tot op den hysop, die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.</verse>
				<verse number="34">En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Sálomo te horen, van alle koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Sálomo (want hij had gehoord, dat zij Sálomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), dewijl Hiram David altijd bemind had.</verse>
				<verse number="2">Daarna zond Sálomo tot Hiram, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Gij weet, dat mijn vader David den Naam des HEEREN, zijns Gods, geen huis kon bouwen, vanwege den oorlog, waarmede zij hem omsingelden, totdat de HEERE hen onder zijn voetzolen gaf.</verse>
				<verse number="4">Maar nu heeft de HEERE, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenpartijder, en geen bejegening van kwaad.</verse>
				<verse number="5">En zie, ik denk voor den Naam van den HEERE, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als de HEERE gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, dien Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.</verse>
				<verse number="6">Zo gebied nu, dat men mij cederen uit den Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon uwer knechten zal ik u geven, naar al wat gij zeggen zult; want gij weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Sidoniërs.</verse>
				<verse number="7">En het geschiedde, als Hiram de woorden van Sálomo gehoord had, dat hij zich zeer verblijdde, en zeide: Gezegend zij de HEERE heden, Die David een wijzen zoon gegeven heeft over dit grote volk!</verse>
				<verse number="8">En Hiram zond tot Sálomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom gij tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederenhout, en met het dennenhout.</verse>
				<verse number="9">Mijn knechten zullen het afbrengen van den Libanon aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, die gij aan mij ontbieden zult, en zal het aldaar los maken, en gij zult het wegnemen; gij zult ook mijn wil doen, dat gij mijn huis spijze geeft.</verse>
				<verse number="10">Alzo gaf Hiram aan Sálomo cederenhout en dennenhout, naar al zijn wil.</verse>
				<verse number="11">En Sálomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot spijze van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; zulks gaf Sálomo aan Hiram jaar op jaar.</verse>
				<verse number="12">De HEERE dan gaf Sálomo wijsheid, gelijk als Hij tot hem gesproken had; en er was vrede tussen Hiram en tussen Sálomo, en zij beiden maakten een verbond.</verse>
				<verse number="13">En de koning Sálomo deed een uitschot opkomen uit gans Israël; en het uitschot was dertig duizend man.</verse>
				<verse number="14">En hij zond hen naar den Libanon, tien duizend des maands bij beurten; een maand waren zij in den Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoníram was over dit uitschot.</verse>
				<verse number="15">Daartoe had Sálomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend houwers op het gebergte.</verse>
				<verse number="16">Behalve de oversten van Sálomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, hetwelk dat werk deed.</verse>
				<verse number="17">Als de koning het nu gebood, zo voerden zij grote stenen toe, kostelijke stenen, gehouwen stenen, om den grond van dat huis te leggen.</verse>
				<verse number="18">En de bouwlieden van Sálomo, en de bouwlieden van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Sálomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.</verse>
				<verse number="2">En dat huis, hetwelk de koning Sálomo den HEERE bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.</verse>
				<verse number="3">En het voorhuis, vooraan den tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis.</verse>
				<verse number="4">En hij maakte vensteren aan het huis van gesloten uitzichten.</verse>
				<verse number="5">En rondom aan den wand van het huis bouwde hij kameren, aan de wanden van het huis rondom, beide van den tempel en van de aanspraakplaats. Alzo maakte hij zijkameren rondom.</verse>
				<verse number="6">De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis.</verse>
				<verse number="7">Het huis nu, als het gebouwd werd, werd met volmaakten steen, zoals dezelve toegevoerd was, gebouwd; zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd.</verse>
				<verse number="8">De deur der middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde.</verse>
				<verse number="9">Alzo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en bedekte dat huis met gewelven en rijen van cederen.</verse>
				<verse number="10">Hij bouwde ook de kameren aan het ganse huis, van vijf ellen in haar hoogte; en hij voegde ze vast aan dat huis met cederenhout.</verse>
				<verse number="11">Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Sálomo, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Aangaande dit huis, dat gij bouwt, zo gij wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in dezelve; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb;</verse>
				<verse number="13">En Ik zal in het midden der kinderen Israëls wonen; en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten.</verse>
				<verse number="14">Alzo bouwde Sálomo dat huis en volmaakte hetzelve.</verse>
				<verse number="15">Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen planken; van den vloer des huizes tot aan het dak der wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte den vloer van het huis met dennen planken.</verse>
				<verse number="16">Daartoe bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van den vloer af tot de wanden; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige der heiligen.</verse>
				<verse number="17">Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was.</verse>
				<verse number="18">En het ceder aan het huis inwendig was gesneden met knoppen en open bloemen; en het was al ceder, geen steen werd gezien.</verse>
				<verse number="19">En de aanspraakplaats bereidde hij inwaarts in het huis, om de ark des verbonds des HEEREN daar te zetten.</verse>
				<verse number="20">En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.</verse>
				<verse number="21">En Sálomo overtoog het huis van binnen met gesloten goud; en hij toog voor de aanspraakplaats een voorhang henen door met gouden ketenen, en overtoog dien met goud.</verse>
				<verse number="22">Alzo overtoog hij het ganse huis met goud, totdat het ganse huis volmaakt was; daartoe overtoog hij met goud het gehele altaar, dat vóór de aanspraakplaats was.</verse>
				<verse number="23">In de aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen.</verse>
				<verse number="24">En van vijf ellen was de ene vleugel des cherubs, en van vijf ellen de andere vleugel des cherubs; van het einde van zijn enen vleugel, tot aan het einde van zijn anderen vleugel, waren tien ellen.</verse>
				<verse number="25">Alzo was de andere cherub van tien ellen; beide cherubs hadden enerlei maat, en enerlei snede.</verse>
				<verse number="26">De hoogte van den enen cherub was van tien ellen, en alzo van den anderen cherub.</verse>
				<verse number="27">En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zodat de vleugel des enen raakte aan dezen wand, en de vleugel des anderen cherubs raakte aan den anderen wand; en hun vleugelen naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel.</verse>
				<verse number="28">En hij overtoog deze cherubs met goud.</verse>
				<verse number="29">En al de wanden van het huis, in het ronde, graveerde hij met uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmbomen, en open bloemen, van binnen en van buiten.</verse>
				<verse number="30">Daartoe overtoog hij den vloer van het huis met goud van binnen en van buiten.</verse>
				<verse number="31">En aan den ingang der aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel des wands.</verse>
				<verse number="32">De twee deuren ook waren van olieachtige bomen; en hij graveerde daarop graveringen van cherubs, en van palmbomen, en van open bloemen, dewelke hij met goud overtoog; ook trok hij goud over de cherubs en over de palmbomen.</verse>
				<verse number="33">En alzo maakte hij aan de deur des tempels posten van olieachtige bomen, uit het vierde deel van den wand.</verse>
				<verse number="34">En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden der ene deur waren omdraaiende; alzo waren de twee gegraveerde zijden der andere deur omdraaiende.</verse>
				<verse number="35">En hij graveerde ze met cherubs, en palmbomen, en open bloemen, dewelke hij met goud overtoog, gericht naar het uitgesnedene.</verse>
				<verse number="36">Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.</verse>
				<verse number="37">In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv;</verse>
				<verse number="38">En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Maar aan zijn huis bouwde Sálomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn ganse huis.</verse>
				<verse number="2">Hij bouwde ook het huis des wouds van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.</verse>
				<verse number="3">En het was bedekt met ceder van boven op de ribben, die op vijf en veertig pilaren waren, vijftien in een rij.</verse>
				<verse number="4">Er waren drie rijen van uitzichten, dat het ene venster was over het andere venster, in drie orden.</verse>
				<verse number="5">Ook waren al de deuren en de posten vierkantig van enerlei uitzicht; en venster was tegenover venster, in drie orden.</verse>
				<verse number="6">Daarna maakte hij een voorhuis van pilaren; vijftig ellen was zijn lengte, en dertig ellen zijn breedte; en het voorhuis was tegenover die, en de pilaren met de dikke balken tegenover dezelve.</verse>
				<verse number="7">Ook maakte hij een voorhuis voor den troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis des gerichts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer.</verse>
				<verse number="8">En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan hetzelve werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Faraö, die Sálomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.</verse>
				<verse number="9">Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van den grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof.</verse>
				<verse number="10">Het was ook gegrondvest met kostelijke stenen, grote stenen; met stenen van tien ellen, en stenen van acht ellen.</verse>
				<verse number="11">En bovenop kostelijke stenen, naar de winkelmaten gehouwen, en cederen.</verse>
				<verse number="12">En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis des HEEREN, en met het voorhuis van dat huis.</verse>
				<verse number="13">En de koning Sálomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen.</verse>
				<verse number="14">Hij was de zoon ener weduwvrouw, uit den stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den koning Sálomo, en maakte al zijn werk.</verse>
				<verse number="15">Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van den enen pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving den anderen pilaar.</verse>
				<verse number="16">Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden der pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel.</verse>
				<verse number="17">De netten waren van nettenwerk, de banden van ketenwerk voor de kapitelen, die op het hoofd der pilaren waren; zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel.</verse>
				<verse number="18">Zo maakte hij de pilaren, mitsgaders twee rijen rondom over het ene net, om de kapitelen, die boven het hoofd der granaatappelen waren, te bedekken; alzo deed hij ook aan het andere kapiteel.</verse>
				<verse number="19">En de kapitelen, dewelke waren op het hoofd der pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen.</verse>
				<verse number="20">De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover den buik, dewelke was nevens het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel.</verse>
				<verse number="21">Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis des tempels; en den rechter pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Jachin, en den linker pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Boaz.</verse>
				<verse number="22">En op het hoofd der pilaren was het leliewerk; alzo werd het werk der pilaren volmaakt.</verse>
				<verse number="23">Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.</verse>
				<verse number="24">En onder haar rand waren knoppen, dezelve rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen dezer knoppen waren in haar gieting gegoten.</verse>
				<verse number="25">Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelve; en al hun achterdelen waren inwaarts.</verse>
				<verse number="26">Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of ener leliebloem; zij hield twee duizend bath.</verse>
				<verse number="27">Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte ener stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte.</verse>
				<verse number="28">En dit was het werk der stelling; zij hadden lijsten, en de lijsten waren tussen kransen.</verse>
				<verse number="29">En op de lijsten, die tussen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een voet boven henen; en onder de leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk.</verse>
				<verse number="30">En een stelling had vier koperen raderen, en koperen platen; en haar vier hoeken hadden schouderen; onder het wasvat waren deze gegoten schouderen ter zijde van ieders bijvoegselen.</verse>
				<verse number="31">En de mond daarvan was van binnen den krans, en daarboven van een el, en de mond hiervan was rond van voetwerk van een el en een halve el; en op de mond daarvan waren ook graveringen, en de lijsten daarvan waren vierkantig, niet rond.</verse>
				<verse number="32">De vier raderen nu waren onder de lijsten, en de assen der raderen aan de stelling; en de hoogte van een rad was een el en een halve el.</verse>
				<verse number="33">En het werk van die raderen was als het werk van een wagenrad; hun assen, en hun naven, en hun randen, en hun spaken waren alle gegoten.</verse>
				<verse number="34">En er waren vier schouderen op de vier hoeken ener stelling; haar schouderen waren uit de stelling.</verse>
				<verse number="35">En op het hoofd ener stelling was een ronde hoogte van een halve el rondom; ook waren op het hoofd der stelling haar handhaven, en haar lijsten uit denzelve.</verse>
				<verse number="36">Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.</verse>
				<verse number="37">Dezen gelijk maakte hij de tien stellingen; enerlei gieting, enerlei maat, enerlei snede hadden zij allen.</verse>
				<verse number="38">Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.</verse>
				<verse number="39">En hij zette vijf dier stellingen aan de rechterzijde van het huis, en vijf aan de linkerzijde van het huis; maar de zee zette hij aan de rechterzijde van het huis, oostwaarts tegen het zuiden.</verse>
				<verse number="40">Daartoe maakte Hiram de wasvaten, en de schoffelen, en de besprengbekkens; en Hiram voleindde al het werk te maken, dat hij voor den koning Sálomo maakte voor het huis des HEEREN;</verse>
				<verse number="41">Te weten de twee pilaren, en bollen der kapitelen, die op het hoofd der twee pilaren waren, en de twee netten, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die op het hoofd der pilaren waren;</verse>
				<verse number="42">En de vierhonderd granaatappelen tot de twee netten, namelijk twee rijen van granaatappelen tot het ene net, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren;</verse>
				<verse number="43">Mitsgaders de tien stellingen, en de tien wasvaten op de stellingen;</verse>
				<verse number="44">Daartoe de enige zee; en de twaalf runderen onder die zee.</verse>
				<verse number="45">De potten ook, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en al deze vaten, die Hiram voor den koning Sálomo tot het huis des HEEREN maakte, alle van gepolijst koper.</verse>
				<verse number="46">In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth en tussen Zarthan.</verse>
				<verse number="47">En Sálomo liet al deze vaten ongewogen vanwege de zeer grote menigte; het gewicht des kopers werd niet onderzocht.</verse>
				<verse number="48">Ook maakte Sálomo al de vaten, die voor het huis des HEEREN waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, op dewelke de toonbroden waren;</verse>
				<verse number="49">En de kandelaren, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand, vóór de aanspraakplaats, van gesloten goud; en de bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud;</verse>
				<verse number="50">Mitsgaders de schalen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; daartoe de herren der deuren van het binnenste huis, van het heilige der heiligen, en der deuren van het huis des tempels, van goud.</verse>
				<verse number="51">Alzo werd al het werk volbracht, dat de koning Sálomo aan het huis des HEEREN maakte. Daarna bracht Sálomo de geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de vaten legde hij onder de schatten van het huis des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Toen vergaderde Sálomo de oudsten van Israël, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen, onder de kinderen Israëls, tot den koning Sálomo te Jeruzalem, om de ark des verbonds des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.</verse>
				<verse number="2">En alle mannen van Israël verzamelden zich tot den koning Sálomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.</verse>
				<verse number="3">En al de oudsten van Israël kwamen; en de priesters namen de ark op.</verse>
				<verse number="4">En zij brachten de ark des HEEREN en de tent der samenkomst opwaarts mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; en de priesters en de Levieten brachten dezelve opwaarts.</verse>
				<verse number="5">De koning Sálomo nu en de ganse vergadering van Israël, die bij hem vergaderd waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden.</verse>
				<verse number="6">Alzo brachten de priesteren de ark des verbonds des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim.</verse>
				<verse number="7">Want de cherubim spreidden beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.</verse>
				<verse number="8">Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden der handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn aldaar tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="9">Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israëls, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde.</verse>
				<verse number="11">En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Sálomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.</verse>
				<verse number="13">Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.</verse>
				<verse number="14">Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israël; en de ganse gemeente van Israël stond.</verse>
				<verse number="15">En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Van dien dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.</verse>
				<verse number="17">Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis den Naam van den HEERE, den God Israëls, te bouwen.</verse>
				<verse number="18">Maar de HEERE zeide tot David, mijn vader: Dewijl dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.</verse>
				<verse number="19">Evenwel gij zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.</verse>
				<verse number="20">Zo heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israël, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.</verse>
				<verse number="21">En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij met onze vaderen maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde.</verse>
				<verse number="22">En Sálomo stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar den hemel;</verse>
				<verse number="23">En hij zeide: HEERE, God van Israël, er is geen God, gelijk Gij, boven in den hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;</verse>
				<verse number="24">Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="25">En nu HEERE, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op den troon van Israël zitte; alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="26">Nu dan, o God van Israël, laat toch Uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David.</verse>
				<verse number="27">Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!</verse>
				<verse number="28">Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt.</verse>
				<verse number="29">Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.</verse>
				<verse number="30">Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats Uwer woning, in den hemel, ja, hoor, en vergeef.</verse>
				<verse number="31">Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed des vloeks voor Uw altaar in dit huis komen zal;</verse>
				<verse number="32">Hoor Gij dan in den hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende den ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.</verse>
				<verse number="33">Wanneer Uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht des vijands, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen;</verse>
				<verse number="34">Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen weder in het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt.</verse>
				<verse number="35">Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonde zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben;</verse>
				<verse number="36">Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israël, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.</verse>
				<verse number="37">Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige krankheid wezen zal;</verse>
				<verse number="38">Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israël, geschieden zal; als zij erkennen, een ieder de plage zijns harten, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;</verse>
				<verse number="39">Hoor Gij dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en doe, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen;</verse>
				<verse number="40">Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt.</verse>
				<verse number="41">Zelfs ook aangaande den vreemde, die van Uw volk Israël niet zal zijn, maar uit verren lande om Uws Naams wil komen zal;</verse>
				<verse number="42">(Want zij zullen horen van Uw groten Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis;</verse>
				<verse number="43">Hoor Gij in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.</verse>
				<verse number="44">Wanneer Uw volk in den krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door den weg, dien Gij hen henen zenden zult, en zullen tot den HEERE bidden naar den weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik Uw Naam gebouwd heb;</verse>
				<verse number="45">Hoor dan in den hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.</verse>
				<verse number="46">Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is.</verse>
				<verse number="47">En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land dergenen, die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld;</verse>
				<verse number="48">En zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart, en met hun ganse ziel, in het land hunner vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar den weg van hun land (hetwelk Gij hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;</verse>
				<verse number="49">Hoor dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit;</verse>
				<verse number="50">En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmede zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich hunner ontfermen;</verse>
				<verse number="51">Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens;</verse>
				<verse number="52">Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht en tot de smeking van Uw volk Israël, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U.</verse>
				<verse number="53">Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken der aarde; gelijk als Gij gesproken hebt door den dienst van Mozes, Uw knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet, Heere HEERE!</verse>
				<verse number="54">Het geschiedde nu, als Sálomo voleind had dit ganse gebed, en deze smeking tot den HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar des HEEREN opstond, van het knielen op zijn knieën, met zijn handen uitgebreid naar den hemel;</verse>
				<verse number="55">Zo stond hij, en zegende de ganse gemeente van Israël, zeggende met luider stem:</verse>
				<verse number="56">Geloofd zij de HEERE, Die aan Zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet één enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door den dienst van Mozes, Zijn knecht.</verse>
				<verse number="57">De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;</verse>
				<verse number="58">Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, dewelke Hij onzen vaderen geboden heeft.</verse>
				<verse number="59">En dat deze mijn woorden, waarmede ik voor den HEERE gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor den HEERE, onzen God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israël, elkeen dagelijks op zijn dag.</verse>
				<verse number="60">Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, niemand meer;</verse>
				<verse number="61">En ulieder hart volkomen zij met den HEERE, onzen God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.</verse>
				<verse number="62">En de koning, en gans Israël met hem, offerden slachtofferen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="63">En Sálomo offerde ten dankoffer, dat hij den HEERE offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Alzo hebben zij het huis des HEEREN ingewijd, de koning en al de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="64">Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste des voorhofs, dat voor het huis des HEEREN was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders het vet der dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet der dankofferen te vatten.</verse>
				<verse number="65">Terzelfder tijd ook hield Sálomo het feest, en gans Israël met hem, een grote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.</verse>
				<verse number="66">Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blijde en goedsmoeds over al het goede, dat de HEERE aan David, Zijn knecht, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, als Sálomo voleind had te bouwen het huis des HEEREN en het huis des konings, en al de begeerten van Sálomo, die hem gelust had te maken;</verse>
				<verse number="2">Dat de HEERE ten anderen male aan Sálomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gíbeon verschenen was.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE zeide tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die gij voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, hetwelk gij gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam aldaar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te allen dage.</verse>
				<verse number="4">En zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid des harten, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;</verse>
				<verse number="5">Zo zal Ik den troon uws koninkrijks over Israël bevestigen in eeuwigheid; gelijk als Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van den troon van Israël.</verse>
				<verse number="6">Maar zo gijlieden u te enen male afkeren zult, gij en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor dezelve nederbuigen zult;</verse>
				<verse number="7">Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, hetwelk Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken.</verse>
				<verse number="8">En aangaande dit huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelve zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan dit land en aan dit huis?</verse>
				<verse number="9">En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Sálomo die twee huizen gebouwd had, het huis des HEEREN en het huis des konings;</verse>
				<verse number="11">(Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Sálomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Sálomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galiléa.</verse>
				<verse number="12">En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien, die Sálomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijn ogen.</verse>
				<verse number="13">Daarom zeide hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="14">En Hiram had den koning gezonden honderd en twintig talenten gouds.</verse>
				<verse number="15">Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Sálomo deed opkomen, om het huis des HEEREN te bouwen, en zijn huis, en Millo, en den muur van Jeruzalem, mitsgaders Hazor, en Megiddo, en Gezer.</verse>
				<verse number="16">Want Faraö, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Sálomo, tot een geschenk gegeven.</verse>
				<verse number="17">Alzo bouwde Sálomo Gezer, en het lage Beth-hóron.</verse>
				<verse number="18">En Baälath, en Tamor in de woestijn, in dat land;</verse>
				<verse number="19">En al de schatsteden, die Sálomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Sálomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.</verse>
				<verse number="20">Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen Israëls;</verse>
				<verse number="21">Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israëls niet hadden kunnen verbannen, die heeft Sálomo gebracht op slaafsen uitschot tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="22">Doch van de kinderen Israëls maakte Sálomo geen slaaf; maar zij waren krijgslieden, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hoofdlieden, en de oversten zijner wagenen, en zijner ruiteren.</verse>
				<verse number="23">Dezen waren de oversten der bestelden, die over het werk van Sálomo waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werk doende was.</verse>
				<verse number="24">Doch de dochter van Faraö toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo.</verse>
				<verse number="25">En Sálomo offerde driemaal des jaars brandofferen en dankofferen, op het altaar, dat hij den HEERE gebouwd had, en rookte op dat, hetwelk voor het aangezicht des HEEREN was, als hij het huis volmaakt had.</verse>
				<verse number="26">De koning Sálomo maakte ook schepen te Ezeon-Geber, dat bij Eloth is, aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom.</verse>
				<verse number="27">En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Sálomo.</verse>
				<verse number="28">En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den koning Sálomo.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En toen de koningin van Scheba het gerucht van Sálomo hoorde, aangaande den Naam des HEEREN, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.</verse>
				<verse number="2">En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Sálomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was.</verse>
				<verse number="3">En Sálomo verklaarde haar al haar woorden; geen ding was er verborgen voor den koning, dat hij haar niet verklaarde.</verse>
				<verse number="4">Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Sálomo, en het huis, hetwelk hij gebouwd had,</verse>
				<verse number="5">En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij henen opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.</verse>
				<verse number="6">En zij zeide tot den koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.</verse>
				<verse number="7">Ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; gij hebt met wijsheid, en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.</verse>
				<verse number="8">Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!</verse>
				<verse number="9">Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op den troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.</verse>
				<verse number="10">En zij gaf den koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Sálomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.</verse>
				<verse number="11">Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.</verse>
				<verse number="12">En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis des HEEREN, en voor het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="13">En de koning Sálomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van den koning Sálomo; zo keerde zij en toog in haar land, zij en haar knechten.</verse>
				<verse number="14">Het gewicht nu van het goud, dat voor Sálomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;</verse>
				<verse number="15">Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de geweldigen van dat land.</verse>
				<verse number="16">Ook maakte de koning Sálomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas.</verse>
				<verse number="17">Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis des wouds van Libanon.</verse>
				<verse number="18">Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud.</verse>
				<verse number="19">Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.</verse>
				<verse number="20">En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.</verse>
				<verse number="21">Ook waren alle drinkvaten van den koning Sálomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Sálomo niet voor enig ding geacht.</verse>
				<verse number="22">Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.</verse>
				<verse number="23">Alzo werd de koning Sálomo groter dan alle koningen der aarde, in rijkdom en in wijsheid.</verse>
				<verse number="24">En de ganse aarde zocht het aangezicht van Sálomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.</verse>
				<verse number="25">En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar.</verse>
				<verse number="26">Daartoe vergaderde Sálomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij den koning in Jeruzalem.</verse>
				<verse number="27">En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.</verse>
				<verse number="28">En het uitbrengen der paarden was hetgeen Sálomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs.</verse>
				<verse number="29">En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en alzo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van Syrië.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En de koning Sálomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Faraö: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;</verse>
				<verse number="2">Van die volken, waarvan de HEERE gezegd had tot de kinderen Israëls: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Sálomo met liefde.</verse>
				<verse number="3">En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven; en zijn vrouwen neigden zijn hart.</verse>
				<verse number="4">Want het geschiedde in den tijd van Sálomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.</verse>
				<verse number="5">Want Sálomo wandelde Astoreth, den god der Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten.</verse>
				<verse number="6">Alzo deed Sálomo dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David.</verse>
				<verse number="7">Toen bouwde Sálomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="8">En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden.</verse>
				<verse number="9">Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Sálomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den HEERE, den God Israëls, Die hem tweemaal verschenen was.</verse>
				<verse number="10">En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat de HEERE geboden had.</verse>
				<verse number="11">Daarom zeide de HEERE tot Sálomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren, en datzelve uw knecht geven.</verse>
				<verse number="12">In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.</verse>
				<verse number="13">Doch Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, dat Ik verkoren heb.</verse>
				<verse number="14">Zo verwekte de HEERE Sálomo een tegenpartijder, Hadad, den Edomiet; hij was van des konings zaad in Edom.</verse>
				<verse number="15">Want het was geschied, als David in Edom was, toen Joab, de krijgsoverste, optoog, om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg;</verse>
				<verse number="16">Want Joab bleef aldaar zes maanden, met het ganse Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.</verse>
				<verse number="17">Doch Hadad was ontvloden, hij en enige Edomietische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een klein jongsken.</verse>
				<verse number="18">En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Faraö, den koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.</verse>
				<verse number="19">En Hadad vond grote genade in de ogen van Faraö, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Táchpenes, de koningin.</verse>
				<verse number="20">En de zuster van Táchpenes baarde hem zijn zoon Genúbath, denwelken Táchpenes optoog in het huis van Faraö; zodat Genúbath in het huis van Faraö was, onder de zonen van Faraö.</verse>
				<verse number="21">Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaderen ontslapen, en dat Joab, de krijgsoverste, dood was, zeide Hadad tot Faraö: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke.</verse>
				<verse number="22">Doch Faraö zeide: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar laat mij evenwel gaan.</verse>
				<verse number="23">Ook verwekte God hem een wederpartijder, Rezon, den zoon van Eljáda, die gevloden was van zijn heer Hadad-ezer, den koning van Zoba,</verse>
				<verse number="24">Tegen welken hij ook mannen vergaderd had, en werd overste ener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damaskus, woonden zij aldaar, en regeerden in Damaskus.</verse>
				<verse number="25">En hij was Israëls tegenpartijder al de dagen van Sálomo, en dat benevens het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië.</verse>
				<verse number="26">Daartoe Jeróbeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zeréda, Sálomo's knecht (wiens moeders naam was Zerúa, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.</verse>
				<verse number="27">Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen den koning ophief. Sálomo bouwde Millo, en sloot de breuk der stad van zijn vader David toe.</verse>
				<verse number="28">En de man Jeróbeam was een dapper held. Toen Sálomo dezen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef.</verse>
				<verse number="29">Het geschiedde nu te dier tijd, als Jeróbeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahía, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;</verse>
				<verse number="30">Zo vatte Ahía het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken.</verse>
				<verse number="31">En hij zeide tot Jeróbeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Sálomo scheuren, en u tien stammen geven.</verse>
				<verse number="32">Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israël.</verse>
				<verse number="33">Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniërs, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.</verse>
				<verse number="34">Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.</verse>
				<verse number="35">Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.</verse>
				<verse number="36">En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te stellen.</verse>
				<verse number="37">Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israël.</verse>
				<verse number="38">En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven.</verse>
				<verse number="39">En Ik zal om diens wil het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd.</verse>
				<verse number="40">Daarom zocht Sálomo Jeróbeam te doden; maar Jeróbeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Sálomo stierf.</verse>
				<verse number="41">Het overige nu der geschiedenissen van Sálomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Sálomo?</verse>
				<verse number="42">De tijd nu, dien Sálomo te Jeruzalem over het ganse Israël regeerde, was veertig jaar.</verse>
				<verse number="43">Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehábeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En Rehábeam toog naar Sichem, want het ganse Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.</verse>
				<verse number="2">Het geschiedde nu, als Jeróbeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Sálomo gevloden; en Jeróbeam woonde in Egypte),</verse>
				<verse number="3">Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jeróbeam en de ganse gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehábeam, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.</verse>
				<verse number="5">En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.</verse>
				<verse number="6">En de koning Rehábeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Sálomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?</verse>
				<verse number="7">En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.</verse>
				<verse number="8">Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.</verse>
				<verse number="9">En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.</verse>
				<verse number="10">En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.</verse>
				<verse number="11">Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.</verse>
				<verse number="12">Zo kwam Jeróbeam en het ganse volk tot Rehábeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.</verse>
				<verse number="13">En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.</verse>
				<verse number="14">En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.</verse>
				<verse number="15">Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahía, den Siloniet, gesproken had tot Jeróbeam, den zoon van Nebat.</verse>
				<verse number="16">Toen gans Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.</verse>
				<verse number="17">Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehábeam ook.</verse>
				<verse number="18">Toen zond de koning Rehábeam Adóram, die over de schatting was; en het ganse Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehábeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.</verse>
				<verse number="19">Alzo vielen de Israëlieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde, als gans Israël hoorde, dat Jeróbeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israël koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.</verse>
				<verse number="21">Toen nu Rehábeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israëls te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehábeam, den zoon van Sálomo, bracht.</verse>
				<verse number="22">Doch het woord van God geschiedde tot Semája, den man Gods, zeggende:</verse>
				<verse number="23">Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en het overige des volks, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israëls; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="25">Jeróbeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penúël.</verse>
				<verse number="26">En Jeróbeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.</verse>
				<verse number="27">Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehábeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehábeam, den koning van Juda, wederkeren.</verse>
				<verse number="28">Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.</verse>
				<verse number="29">En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.</verse>
				<verse number="30">En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.</verse>
				<verse number="31">Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.</verse>
				<verse number="32">En Jeróbeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.</verse>
				<verse number="33">En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israëls een feest, en offerde op dat altaar, rokende.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En ziet, een man Gods kwam uit Juda, door het woord des HEEREN tot Beth-El; en Jeróbeam stond bij het altaar, om te roken.</verse>
				<verse number="2">En hij riep tegen het altaar, door het woord des HEEREN, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, een zoon zal aan het huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josía; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.</verse>
				<verse number="3">En hij gaf ten zelfden dage een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan de HEERE gesproken heeft; ziet, het altaar zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, afgestort worden.</verse>
				<verse number="4">Het geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jeróbeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.</verse>
				<verse number="5">En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man Gods gegeven had, door het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.</verse>
				<verse number="7">En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.</verse>
				<verse number="8">Maar de man Gods zeide tot den koning: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.</verse>
				<verse number="9">Want zo heeft mij de HEERE geboden door Zijn woord, zeggende: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet wederkeren door den weg, dien gij gegaan zijt.</verse>
				<verse number="10">En hij ging door een anderen weg, en keerde niet weder door den weg, door welken hij te Beth-El gekomen was.</verse>
				<verse number="11">Een oud profeet nu woonde te Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man Gods te dien dage in Beth-El gedaan had, met de woorden, die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader.</verse>
				<verse number="12">En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijn zonen hadden den weg gezien, welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide hij tot zijn zonen: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop.</verse>
				<verse number="14">En hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods, die uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben het.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.</verse>
				<verse number="16">Doch hij zeide: Ik kan niet met u wederkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats.</verse>
				<verse number="17">Want een woord is tot mij geschied door het woord des HEEREN: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet wederkeren, gaande door den weg, door denwelken gij gegaan zijt.</verse>
				<verse number="18">En hij zeide tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem.</verse>
				<verse number="19">En hij keerde met hem wederom, en at brood in zijn huis, en dronk water.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord des HEEREN geschiedde tot den profeet, die hem had doen wederkeren;</verse>
				<verse number="21">En hij riep tot den man Gods, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt de HEERE: Daarom dat gij den mond des HEEREN zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u de HEERE, uw God, geboden had,</verse>
				<verse number="22">Maar zijt wedergekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen.</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem den ezel zadelde, te weten voor den profeet, dien hij had doen wederkeren.</verse>
				<verse number="24">Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op den weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.</verse>
				<verse number="25">En ziet, er gingen lieden voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.</verse>
				<verse number="26">Als de profeet, die hem van den weg had doen wederkeren, dit hoorde, zo zeide hij: Het is de man Gods, die den mond des HEEREN wederspannig is geweest; daarom heeft de HEERE hem den leeuw overgegeven die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot hem gesproken had.</verse>
				<verse number="27">Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.</verse>
				<verse number="28">Toen toog hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en den ezel niet gebroken.</verse>
				<verse number="29">Toen nam de profeet het dode lichaam van den man Gods op, en legde dat op den ezel, en voerde het wederom; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.</verse>
				<verse number="30">En hij legde zijn dood lichaam in zijn graf; en zij maakten over hem een weeklage: Ach, mijn broeder!</verse>
				<verse number="31">Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.</verse>
				<verse number="32">Want de zaak zal gewisselijk geschieden, die hij door het woord des HEEREN uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-El is, en tegen al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria zijn.</verse>
				<verse number="33">Na deze geschiedenis keerde zich Jeróbeam niet van zijn bozen weg; maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten des volks; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters der hoogten.</verse>
				<verse number="34">En hij werd in deze zaak het huis van Jeróbeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Te dierzelfder tijd was Abía, de zoon van Jeróbeam, krank.</verse>
				<verse number="2">En Jeróbeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merke, dat gij Jeróbeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahía, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.</verse>
				<verse number="3">En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat dezen jongen geschieden zal.</verse>
				<verse number="4">En Jeróbeams huisvrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahía. Ahía nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom.</verse>
				<verse number="5">Maar de HEERE zeide tot Ahía: Zie, Jeróbeams huisvrouw komt, om een zaak van u te vragen, aangaande haar zoon, want hij is krank; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.</verse>
				<verse number="6">En het geschiedde, als Ahía het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jeróbeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.</verse>
				<verse number="7">Ga heen, zeg Jeróbeam: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden des volks, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;</verse>
				<verse number="8">En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;</verse>
				<verse number="9">Maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen, die voor u geweest zijn, en henengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegotene beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;</verse>
				<verse number="10">Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jeróbeam brengen, en van Jeróbeam uitroeien, wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jeróbeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.</verse>
				<verse number="11">Die van Jeróbeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.</verse>
				<verse number="12">Gij dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.</verse>
				<verse number="13">En gans Israël zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jeróbeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den HEERE, den God Israëls, in het huis van Jeróbeam gevonden is.</verse>
				<verse number="14">Doch de HEERE zal Zich een koning verwekken over Israël, die het huis van Jeróbeam ten zelfden dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn?</verse>
				<verse number="15">De HEERE zal ook Israël slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde der rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, den HEERE tot toorn verwekkende.</verse>
				<verse number="16">En Hij zal Israël overgeven, om Jeróbeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.</verse>
				<verse number="17">Toen maakte zich Jeróbeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op den dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.</verse>
				<verse number="18">En zij begroeven hem, en gans Israël beklaagde hem; naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahía, den profeet.</verse>
				<verse number="19">Het overige nu der geschiedenissen van Jeróbeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.</verse>
				<verse number="20">De dagen nu, die Jeróbeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="21">Rehábeam nu, de zoon van Sálomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehábeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische.</verse>
				<verse number="22">En Juda deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden.</verse>
				<verse number="23">Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom.</verse>
				<verse number="24">Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.</verse>
				<verse number="25">Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehábeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.</verse>
				<verse number="26">En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Sálomo gemaakt had.</verse>
				<verse number="27">En de koning Rehábeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.</verse>
				<verse number="28">En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten dezelve droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.</verse>
				<verse number="29">Het overige nu der geschiedenissen van Rehábeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="30">En er was krijg tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam, al hun dagen.</verse>
				<verse number="31">En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abíam regeerde in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">In het achttiende jaar nu van den koning Jeróbeam, den zoon van Nebat, werd Abíam koning over Juda.</verse>
				<verse number="2">Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Máächa, een dochter van Abísalom.</verse>
				<verse number="3">En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij vóór hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.</verse>
				<verse number="4">Maar om Davids wil, gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem.</verse>
				<verse number="5">Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uría, den Hethiet.</verse>
				<verse number="6">En er was krijg geweest tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam, al de dagen zijns levens.</verse>
				<verse number="7">Het overige nu der geschiedenissen van Abíam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abíam en tussen Jeróbeam.</verse>
				<verse number="8">En Abíam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="9">In het twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd Asa koning over Juda.</verse>
				<verse number="10">En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Máächa, een dochter van Abísalom.</verse>
				<verse number="11">En Asa deed wat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David.</verse>
				<verse number="12">Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.</verse>
				<verse number="13">Ja, zelfs zijn moeder Máächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.</verse>
				<verse number="14">De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met den HEERE, al zijn dagen.</verse>
				<verse number="15">En hij bracht in het huis des HEEREN de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en vaten.</verse>
				<verse number="16">En er was krijg tussen Asa en tussen Báësa, den koning van Israël, al hun dagen.</verse>
				<verse number="17">Want Báësa, de koning van Israël, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="18">Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand zijner knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hézion, den koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende:</verse>
				<verse number="19">Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Báësa, den koning van Israël, dat hij aftrekke van tegen mij.</verse>
				<verse number="20">En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Máächa, en het ganse Cinnerôth, met het ganse land Nafthali.</verse>
				<verse number="21">En het geschiedde, als Báësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza.</verse>
				<verse number="22">Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmede Báësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-Benjamins, en Mizpa.</verse>
				<verse number="23">Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijn voeten.</verse>
				<verse number="24">En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="25">Nadab nu, de zoon van Jeróbeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël.</verse>
				<verse number="26">En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen.</verse>
				<verse number="27">En Báësa, de zoon van Ahía, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Báësa sloeg hem te Gíbbethon, hetwelk der Filistijnen is, als Nadab en gans Israël Gíbbethon belegerden.</verse>
				<verse number="28">En Báësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, den koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="29">Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jeróbeam sloeg; hij liet niets over van Jeróbeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahía, den Siloniet;</verse>
				<verse number="30">Om de zonden van Jeróbeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God Israëls, getergd had.</verse>
				<verse number="31">Het overige nu der geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="32">En er was oorlog tussen Asa en tussen Báësa, den koning van Israël, al hun dagen.</verse>
				<verse number="33">In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Báësa, de zoon van Ahía, koning over gans Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.</verse>
				<verse number="34">En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg van Jeróbeam, en in zijn zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, den zoon van Hanáni, tegen Báësa, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jeróbeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;</verse>
				<verse number="3">Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Báësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jeróbeam, den zoon van Nebat.</verse>
				<verse number="4">Die van Báësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.</verse>
				<verse number="5">Het overige nu der geschiedenissen van Báësa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="6">En Báësa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="7">Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanáni, tegen Báësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jeróbeam, en omdat hij hetzelve verslagen had.</verse>
				<verse number="8">In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Báësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.</verse>
				<verse number="9">En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagenen, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza;</verse>
				<verse number="10">Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het ganse huis van Báësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.</verse>
				<verse number="12">Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Báësa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over Báësa gesproken had, door den dienst van den profeet Jehu;</verse>
				<verse number="13">Om al de zonden van Báësa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israëls, door hun ijdelheden.</verse>
				<verse number="14">Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="15">In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gíbbethon, dat der Filistijnen is.</verse>
				<verse number="16">Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israël ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israël, in het leger.</verse>
				<verse number="17">En Omri toog op, en gans Israël met hem van Gíbbethon, en belegerde Thirza.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde boven zich het huis des konings met vuur, en stierf;</verse>
				<verse number="19">Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jeróbeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen.</verse>
				<verse number="20">Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="21">Toen werd het volk van Israël verdeeld in twee helften; de helft des volks volgde Tibni, den zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.</verse>
				<verse number="22">Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, den zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde.</verse>
				<verse number="23">In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israël, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.</verse>
				<verse number="24">En hij kocht den berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde den berg; en noemde den naam der stad, die hij bouwde, naar den naam van Semer, den heer des bergs, Samaria.</verse>
				<verse number="25">En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; ja, hij deed erger dan allen, die vóór hem geweest waren.</verse>
				<verse number="26">En hij wandelde in alle wegen van Jeróbeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God Israëls, tot toorn, door hun ijdelheden.</verse>
				<verse number="27">Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="28">En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="29">En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee en twintig jaren.</verse>
				<verse number="30">En Achab, den zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen, die vóór hem geweest waren.</verse>
				<verse number="31">En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izébel, de dochter van Eth-Baäl, den koning der Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem.</verse>
				<verse number="32">En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, hetwelk hij te Samaria gebouwd had.</verse>
				<verse number="33">Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om den HEERE, den God Israëls, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die vóór hem geweest waren.</verse>
				<verse number="34">In zijn dagen bouwde Hiël, de Betheliet, Jericho; op Abíram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En Elía, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!</verse>
				<verse number="2">Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.</verse>
				<verse number="4">En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.</verse>
				<verse number="5">Hij ging dan heen, en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.</verse>
				<verse number="6">En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.</verse>
				<verse number="7">En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.</verse>
				<verse number="8">Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude.</verse>
				<verse number="10">Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zeide: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke.</verse>
				<verse number="11">Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.</verse>
				<verse number="12">Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.</verse>
				<verse number="13">En Elía zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.</verse>
				<verse number="14">Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.</verse>
				<verse number="15">En zij ging heen, en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen.</verse>
				<verse number="16">Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.</verse>
				<verse number="18">En zij zeide tot Elía: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Zijt gij bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden?</verse>
				<verse number="19">En hij zeide tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neder op zijn bed.</verse>
				<verse number="20">En hij riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberge, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?</verse>
				<verse number="21">En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen.</verse>
				<verse number="22">En de HEERE verhoorde de stem van Elía; en de ziel van het kind kwam weder in hem, dat het weder levend werd.</verse>
				<verse number="23">En Elía nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elía zeide: Zie, uw zoon leeft.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide die vrouw tot Elía: Nu weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elía, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem.</verse>
				<verse number="2">En Elía ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria.</verse>
				<verse number="3">En Achab had Obadja, den hofmeester, geroepen; en Obadja was den HEERE zeer vrezende.</verse>
				<verse number="4">Want het geschiedde, als Izébel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water.</verse>
				<verse number="5">En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.</verse>
				<verse number="6">En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg.</verse>
				<verse number="7">Als nu Obadja op den weg was, ziet, zo was hem Elía tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heer Elía?</verse>
				<verse number="8">Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.</verse>
				<verse number="9">Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode?</verse>
				<verse number="10">Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden.</verse>
				<verse number="11">En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.</verse>
				<verse number="12">En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees den HEERE van mijn jonkheid af.</verse>
				<verse number="13">Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izébel de profeten des HEEREN doodde? Dat ik van de profeten des HEEREN honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?</verse>
				<verse number="14">En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier, en hij zou mij doodslaan.</verse>
				<verse number="15">En Elía zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!</verse>
				<verse number="16">Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan; en Achab ging Elía tegemoet.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde, als Achab Elía zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder van Israël?</verse>
				<verse number="18">Toen zeide hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des HEEREN verlaten hebt en de Baäls nagevolgd zijt.</verse>
				<verse number="19">Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het ganse Israël op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izébel eten.</verse>
				<verse number="20">Zo zond Achab onder alle kinderen Israëls, en verzamelde de profeten op den berg Karmel.</verse>
				<verse number="21">Toen naderde Elía tot het ganse volk, en zeide: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide Elía tot het volk: Ik ben alleen een profeet des HEEREN overgebleven, en de profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen.</verse>
				<verse number="23">Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zich den enen var kiezen, en denzelven in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal den anderen var bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen.</verse>
				<verse number="24">Roept gij daarna den naam van uw god aan, en ik zal den Naam des HEEREN aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het ganse volk antwoordde en zeide: Dat woord is goed.</verse>
				<verse number="25">En Elía zeide tot de profeten van Baäl: Kiest gijlieden voor u den enen var, en bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen; en roept den naam uws gods aan, en legt geen vuur daaraan.</verse>
				<verse number="26">En zij namen den var, dien hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen den naam van Baäl aan, van den morgen tot op den middag, zeggende: O Baäl, antwoord ons! Maar er was geen stem en geen antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde op den middag, dat Elía met hen spotte, en zeide: Roept met luider stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden.</verse>
				<verse number="28">En zij riepen met luider stem, en zij sneden zichzelven met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten.</verse>
				<verse number="29">Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking.</verse>
				<verse number="30">Toen zeide Elía tot het ganse volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij heelde het altaar des HEEREN, dat verbroken was.</verse>
				<verse number="31">En Elía nam twaalf stenen, naar het getal der stammen van de kinderen Jakobs, tot welke het woord des HEEREN geschied was, zeggende: Israël zal uw naam zijn.</verse>
				<verse number="32">En hij bouwde met die stenen het altaar in den Naam des HEEREN; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads.</verse>
				<verse number="33">En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en leide hem op het hout.</verse>
				<verse number="34">En hij zeide: Vult vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zeide: Doet het ten tweeden male. En zij deden het ten tweeden male. Voorts zeide hij: Doet het ten derden male. En zij deden het ten derden male;</verse>
				<verse number="35">Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water.</verse>
				<verse number="36">Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elía naderde, en zeide: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb.</verse>
				<verse number="37">Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt.</verse>
				<verse number="38">Toen viel het vuur des HEEREN, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, hetwelk in de groeve was.</verse>
				<verse number="39">Als nu het ganse volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God!</verse>
				<verse number="40">En Elía zeide tot hen: Grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elía voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen aldaar.</verse>
				<verse number="41">Daarna zeide Elía tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedigen regen.</verse>
				<verse number="42">Alzo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elía ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën.</verse>
				<verse number="43">En hij zeide tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zeide: Er is niets. Toen zeide hij: Ga weder henen, zevenmaal.</verse>
				<verse number="44">En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude.</verse>
				<verse number="45">En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël.</verse>
				<verse number="46">En de hand des HEEREN was over Elía, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab henen, tot daar men te Jizreël komt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En Achab zeide Izébel aan al wat Elía gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard.</verse>
				<verse number="2">Toen zond Izébel een bode tot Elía, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner.</verse>
				<verse number="3">Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil, en kwam te Ber-séba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar.</verse>
				<verse number="4">Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.</verse>
				<verse number="5">En hij legde zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet;</verse>
				<verse number="6">En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij, en dronk, en legde zich wederom neder.</verse>
				<verse number="7">En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.</verse>
				<verse number="8">Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.</verse>
				<verse number="9">En hij kwam aldaar in een spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elía?</verse>
				<verse number="10">En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.</verse>
				<verse number="11">En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;</verse>
				<verse number="12">En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde, als Elía dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elía?</verse>
				<verse number="14">En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.</verse>
				<verse number="15">En de HEERE zeide tot hem: Ga, keer weder op uwen weg, naar de woestijn van Damaskus; en ga daar in, en zalf Házaël ten koning over Syrië.</verse>
				<verse number="16">Daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elísa, den zoon van Safat, van Abel-mehóla, zult gij tot profeet zalven in uw plaats.</verse>
				<verse number="17">En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van het zwaard van Házaël ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, dien zal Elísa doden.</verse>
				<verse number="18">Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft.</verse>
				<verse number="19">Zo ging hij van daar, en vond Elísa, den zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij het twaalfde; en Elía ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem.</verse>
				<verse number="20">En hij verliet de runderen, en liep Elía na, en zeide: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide tot hem: Ga, keer weder; want wat heb ik u gedaan?</verse>
				<verse number="21">Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees, hetwelk hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elía na, en diende hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">En Benhadad, de koning van Syrië, vergaderde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagenen; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar.</verse>
				<verse number="2">En hij zond boden tot Achab, den koning van Israël, in de stad.</verse>
				<verse number="3">En hij zeide hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is mijn, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn mijn.</verse>
				<verse number="4">En de koning van Israël antwoordde en zeide: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb.</verse>
				<verse number="5">Daarna kwamen de boden weder, en zeiden: Alzo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult gij mij geven;</verse>
				<verse number="6">Maar morgen om dezen tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen uwer knechten bezoeken; en het zal geschieden, dat zij al het begeerlijke uwer ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen.</verse>
				<verse number="7">Toen riep de koning van Israël alle oudsten des lands, en zeide: Merkt toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.</verse>
				<verse number="8">Doch al de oudsten, en het ganse volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet.</verse>
				<verse number="9">Daarom zeide hij tot de boden van Benhadad: Zegt mijn heer den koning: Alles, waarom gij in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid weder.</verse>
				<verse number="10">En Benhadad zond tot hem en zeide: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, indien het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt!</verse>
				<verse number="11">Maar de koning van Israël antwoordde en zeide: Spreekt tot hem: Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich los maakt.</verse>
				<verse number="12">En het geschiedde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zeide tot zijn knechten: Legt aan! En zij legden aan tegen de stad.</verse>
				<verse number="13">En ziet, een profeet trad tot Achab, den koning van Israël, en zeide: Zo zegt de HEERE: Hebt gij gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat gij weet, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="14">En Achab zeide: Door wie? En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Door de jongens van de oversten der landschappen. En hij zeide: Wie zal den strijd aanbinden? En hij zeide: Gij.</verse>
				<verse number="15">Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israëls, zeven duizend.</verse>
				<verse number="16">En zij togen uit op den middag, Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen.</verse>
				<verse number="17">En de jongens van de oversten der landschappen togen eerst uit. Doch Benhadad zond enigen uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen.</verse>
				<verse number="18">En hij zeide: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend.</verse>
				<verse number="19">Zo togen deze jongens van de oversten der landschappen uit de stad, en het heir, dat hen navolgde.</verse>
				<verse number="20">En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriërs vloden, en Israël jaagde hen na. Doch Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met enige ruiteren.</verse>
				<verse number="21">En de koning van Israël toog uit, en sloeg paarden en wagenen, dat hij een groten slag aan de Syriërs sloeg.</verse>
				<verse number="22">Toen trad die profeet tot den koning van Israël, en zeide tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat gij doen zult; want met de wederkomst des jaars zal de koning van Syrië tegen u optrekken.</verse>
				<verse number="23">Want de knechten van den koning van Syrië hadden tot hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij!</verse>
				<verse number="24">Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, elkeen uit zijn plaats, en stel landvoogden in hun plaats.</verse>
				<verse number="25">En gij, tel u een heir, als dat heir, dat van de uwen gevallen is, en paarden, als die paarden, en wagenen, als die wagenen; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed alzo.</verse>
				<verse number="26">Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israël.</verse>
				<verse number="27">De kinderen Israëls werden ook gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de kinderen Israëls legerden zich tegenover hen, als twee blote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het land.</verse>
				<verse number="28">En de man Gods trad toe, en sprak tot den koning van Israël, en zeide: Zo zegt de HEERE: Daarom dat de Syriërs gezegd hebben: De HEERE is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="29">En dezen waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op den zevenden dag, dat de strijd aanging; en de kinderen Israëls sloegen van de Syriërs honderd duizend voetvolks op één dag.</verse>
				<verse number="30">En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.</verse>
				<verse number="31">Toen zeiden zijn knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis Israëls goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den koning van Israël; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden.</verse>
				<verse number="32">Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot den koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.</verse>
				<verse number="33">De mannen nu namen naarstiglijk waar, en vatten het haastelijk, of het van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op den wagen klimmen.</verse>
				<verse number="34">En hij zeide tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damaskus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan.</verse>
				<verse number="35">Toen zeide een man uit de zonen der profeten tot zijn naaste, door het woord des HEEREN: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.</verse>
				<verse number="36">En hij zeide tot hem: Daarom dat gij de stem des HEEREN niet gehoorzaam zijt geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.</verse>
				<verse number="37">Daarna vond hij een anderen man, en zeide: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende.</verse>
				<verse number="38">Toen ging de profeet heen, en stond voor den koning op den weg; en hij verstelde zich met as boven zijn ogen.</verse>
				<verse number="39">En het geschiedde, als de koning voorbijging, dat hij tot den koning riep, en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zeide: Bewaar dezen man, indien hij enigszins gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats zijner ziel zijn, of gij zult een talent zilvers opwegen.</verse>
				<verse number="40">Het geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zeide de koning van Israël tot hem: Zo is uw oordeel; gij hebt zelf het geveld.</verse>
				<verse number="41">Toen haastte hij zich, en deed de as af van zijn ogen; en de koning van Israël kende hem, dat hij een der profeten was.</verse>
				<verse number="42">En hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Omdat gij den man, dien Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.</verse>
				<verse number="43">En de koning van Israël toog henen, gemelijk en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samaria.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Het geschiedde nu na deze dingen, alzo Naboth, een Jizreëliet, een wijngaard had, die te Jizreël was, bij het paleis van Achab, den koning van Samaria.</verse>
				<verse number="2">Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven.</verse>
				<verse number="3">Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou!</verse>
				<verse number="4">Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, de Jizreëliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal u de erve mijner vaderen niet geven. En hij legde zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.</verse>
				<verse number="5">Maar Izébel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat gij geen brood eet?</verse>
				<verse number="6">En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, den Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide Izébel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk over Israël regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, geven.</verse>
				<verse number="8">Zij dan schreef brieven in den naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.</verse>
				<verse number="9">En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats des volks;</verse>
				<verse number="10">En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.</verse>
				<verse number="11">En de mannen zijner stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden gelijk als Izébel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.</verse>
				<verse number="12">Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth in de hoogste plaats des volks.</verse>
				<verse number="13">Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.</verse>
				<verse number="14">Daarna zonden zij tot Izébel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood.</verse>
				<verse number="15">Het geschiedde nu, toen Izébel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izébel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, af te gaan, om dien erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="17">Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Elía, den Thisbiet, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Maak u op, ga henen af, Achab, den koning van Israël, tegemoet, die in Samaria is; zie, hij is in den wijngaard van Naboth, waarhenen hij afgegaan is, om dien erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="19">En gij zult tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: Hebt gij doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult gij tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, ja het uwe!</verse>
				<verse number="20">En Achab zeide tot Elía: Hebt gij mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zeide: Ik heb u gevonden, overmits gij uzelven verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="21">Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, mitsgaders den beslotene en verlatene in Israël.</verse>
				<verse number="22">En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jeróbeam, den zoon van Nebat, en gelijk het huis van Báësa, den zoon van Ahía; om de terging, waarmede gij Mij getergd hebt, en dat gij Israël hebt doen zondigen.</verse>
				<verse number="23">Verder ook over Izébel sprak de HEERE, zeggende: De honden zullen Izébel eten, aan den voorwal van Jizreël.</verse>
				<verse number="24">Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.</verse>
				<verse number="25">Doch er was niemand geweest gelijk Achab, die zichzelven verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN, dewijl Izébel, zijn huisvrouw, hem ophitste.</verse>
				<verse number="26">En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.</verse>
				<verse number="27">Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam.</verse>
				<verse number="28">En het woord des HEEREN geschiedde tot Elía, den Thisbiet, zeggende:</verse>
				<verse number="29">Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Daarom dewijl hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En zij zaten drie jaren stil, dat er geen krijg was tussen Syrië en tussen Israël.</verse>
				<verse number="2">Maar het geschiedde in het derde jaar, als Jósafat, de koning van Juda, tot den koning van Israël afgekomen was,</verse>
				<verse number="3">Dat de koning van Israël tot zijn knechten zeide: Weet gij, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van den koning van Syrië.</verse>
				<verse number="4">Daarna zeide hij tot Jósafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Jósafat zeide tot den koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.</verse>
				<verse number="5">Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zeide tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want de Heere zal ze in de hand des konings geven.</verse>
				<verse number="7">Maar Jósafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij het van hem vragen mochten?</verse>
				<verse number="8">Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Jósafat zeide: De koning zegge niet alzo!</verse>
				<verse number="9">Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.</verse>
				<verse number="10">De koning van Israël nu, en Jósafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.</verse>
				<verse number="11">En Zedekía, de zoon van Kenáäna, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriërs stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.</verse>
				<verse number="12">En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn; want de HEERE zal hen in de hand des konings geven.</verse>
				<verse number="13">De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der profeten zijn uit één mond goed tot den koning; dat toch uw woord zij, gelijk als het woord van één uit hen, en spreek het goede.</verse>
				<verse number="14">Doch Micha zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen de HEERE tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken.</verse>
				<verse number="15">Als hij tot den koning gekomen was, zo zeide de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zeide tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, want de HEERE zal ze in de hand des konings geven.</verse>
				<verse number="16">En de koning zeide tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in den Naam des HEEREN?</verse>
				<verse number="17">En hij zeide: Ik zag het ganse Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de HEERE zeide: Dezen hebben geen heer; een iegelijk kere weder naar zijn huis in vrede.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaads profeteren?</verse>
				<verse number="19">Verder zeide hij: Daarom hoor het woord des HEEREN: Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand.</verse>
				<verse number="20">En de HEERE zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo.</verse>
				<verse number="21">Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede?</verse>
				<verse number="22">En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.</verse>
				<verse number="23">Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van al deze uw profeten gegeven; en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.</verse>
				<verse number="24">Toen trad Zedekía, de zoon van Kenáäna, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zeide: Door wat weg is de geest des HEEREN van mij doorgegaan, om u aan te spreken?</verse>
				<verse number="25">En Micha zeide: Zie, gij zult het zien, op dienzelfden dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.</verse>
				<verse number="26">De koning van Israël nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;</verse>
				<verse number="27">En gij zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet dezen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede weder kom.</verse>
				<verse number="28">En Micha zeide: Indien gij enigszins met vrede wederkomt, zo heeft de HEERE door mij niet gesproken! Verder zeide hij: Hoort, gij volken altegaar!</verse>
				<verse number="29">Alzo toog de koning van Israël en Jósafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.</verse>
				<verse number="30">En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in den strijd.</verse>
				<verse number="31">De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten der wagenen, van welke hij twee en dertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch groten bestrijden, maar den koning van Israël alleen.</verse>
				<verse number="32">Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Jósafat zagen, dat zij zeiden: Gewisselijk, die is de koning van Israël, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Jósafat riep uit.</verse>
				<verse number="33">En het geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat hij de koning van Israël niet was, dat zij zich van achter hem afkeerden.</verse>
				<verse number="34">Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid, en schoot den koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.</verse>
				<verse number="35">En de strijd nam op denzelven dag toe, en de koning werd met den wagen staande gehouden tegenover de Syriërs; maar hij stierf des avonds, en het bloed der wonde vloeide in den bak des wagens.</verse>
				<verse number="36">En er ging een uitroeping door het heirleger, als de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land!</verse>
				<verse number="37">Alzo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven den koning te Samaria.</verse>
				<verse number="38">Als men nu den wagen in den vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren wiesen, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had.</verse>
				<verse number="39">Het overige nu der geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het elpenbenen huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="40">Alzo ontsliep Achab met zijn vaderen; en zijn zoon Aházia werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="41">Jósafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israël.</verse>
				<verse number="42">Jósafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azúba, de dochter van Silchi.</verse>
				<verse number="43">En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="44">Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.</verse>
				<verse number="45">En Jósafat maakte vrede met den koning van Israël.</verse>
				<verse number="46">Het overige nu der geschiedenissen van Jósafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="47">Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.</verse>
				<verse number="48">Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder des konings.</verse>
				<verse number="49">En Jósafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-Geber.</verse>
				<verse number="50">Toen zeide Aházia, de zoon van Achab, tot Jósafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Jósafat wilde niet.</verse>
				<verse number="51">En Jósafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="52">Aházia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.</verse>
				<verse number="53">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde in den weg van zijn vader, en in den weg van zijn moeder, en in den weg van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="54">En hij diende Baäl, en boog zich voor hem, en vertoornde den HEERE, den God Israëls, naar alles, wat zijn vader gedaan had.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="12">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">En Moab viel van Israël af, na Achabs dood.</verse>
				<verse number="2">En Aházia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd krank. En hij zond boden, en zeide tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-Zebub, den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal.</verse>
				<verse number="3">Maar de Engel des HEEREN sprak tot Elía, den Thisbiet: Maak u op, ga op, den boden des konings van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gijlieden heengaat, om Baäl-Zebub, den god van Ekron, te vragen?</verse>
				<verse number="4">Daarom nu zegt de HEERE alzo: Gij zult niet afkomen van dat bed, waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven. En Elía ging weg.</verse>
				<verse number="5">Zo kwamen de boden weder tot hem; en hij zeide tot hen: Wat is dit, dat gij wederkomt?</verse>
				<verse number="6">En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zeide tot ons: Gaat heen, keert weder tot den koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt de HEERE: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt, om Baäl-Zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bed, waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.</verse>
				<verse number="7">En hij sprak tot hen: Hoedanig was de gestalte des mans, die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft?</verse>
				<verse number="8">En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een lederen gordel gegord om zijn lenden. Toen zeide hij: Het is Elía, de Thisbiet.</verse>
				<verse number="9">En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: Gij, man Gods! de koning zegt: Kom af.</verse>
				<verse number="10">Maar Elía antwoordde en sprak tot den hoofdman van vijftigen: Indien ik dan een man Gods ben, zo dale vuur van den hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van den hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen.</verse>
				<verse number="11">En hij zond wederom tot hem een anderen hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. Deze antwoordde en sprak tot hem: Gij, man Gods! zo zegt de koning: Kom haastelijk af.</verse>
				<verse number="12">En Elía antwoordde en sprak tot hen: Ben ik een man Gods, zo dale vuur van den hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde het vuur Gods van den hemel en verteerde hem en zijn vijftigen.</verse>
				<verse number="13">En wederom zond hij een hoofdman van de derde vijftigen met zijn vijftigen. Zo ging de derde hoofdman van vijftigen op, en kwam en boog zich op zijn knieën, voor Elía, en smeekte hem, en sprak tot hem: Gij, man Gods, laat toch mijn ziel en de ziel van uw knechten, van deze vijftigen, dierbaar zijn in uw ogen!</verse>
				<verse number="14">Zie, het vuur is van den hemel gedaald, en heeft die twee eerste hoofdmannen van vijftigen met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen!</verse>
				<verse number="15">Toen sprak de Engel des HEEREN tot Elía: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot den koning.</verse>
				<verse number="16">En hij sprak tot hem: Zo zegt de HEERE: Daarom, dat gij boden gezonden hebt, om Baäl-Zebub, den god van Ekron, te vragen (is het, omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop gij geklommen zijt, zult gij niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.</verse>
				<verse number="17">Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elía gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, den zoon van Jósafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon.</verse>
				<verse number="18">Het overige nu der zaken van Aházia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, als de HEERE Elía met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elía met Elísa ging van Gilgal.</verse>
				<verse number="2">En Elía zeide tot Elísa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo gingen zij af naar Beth-El.</verse>
				<verse number="3">Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-El waren, tot Elísa uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.</verse>
				<verse number="4">En Elía zeide tot hem: Elísa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te Jericho.</verse>
				<verse number="5">Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elísa toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.</verse>
				<verse number="6">En Elía zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen henen.</verse>
				<verse number="7">En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan.</verse>
				<verse number="8">Toen nam Elía zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge.</verse>
				<verse number="9">Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elía zeide tot Elísa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Elísa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn!</verse>
				<verse number="10">En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden.</verse>
				<verse number="11">En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elía met een onweder ten hemel.</verse>
				<verse number="12">En Elísa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken.</verse>
				<verse number="13">Hij hief ook Elía's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan den oever van de Jordaan.</verse>
				<verse number="14">En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging er door.</verse>
				<verse number="15">Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elía rust op Elísa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde.</verse>
				<verse number="16">En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen, en op een der bergen, of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.</verse>
				<verse number="17">Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.</verse>
				<verse number="18">Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?</verse>
				<verse number="19">En de mannen der stad zeiden tot Elísa: Zie toch, de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar.</verse>
				<verse number="20">En hij zeide: Brengt mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.</verse>
				<verse number="21">Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zeide: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.</verse>
				<verse number="22">Alzo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elísa, dat hij gesproken had.</verse>
				<verse number="23">En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!</verse>
				<verse number="24">En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen.</verse>
				<verse number="25">En hij ging van daar naar den berg Karmel; en van daar keerde hij weder naar Samaria.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijn moeder; want hij deed dat opgerichte beeld van Baäl weg, hetwelk zijn vader gemaakt had.</verse>
				<verse number="3">Evenwel hing hij de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.</verse>
				<verse number="4">Mesa nu, de koning der Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan den koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.</verse>
				<verse number="5">Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israël afviel.</verse>
				<verse number="6">Zo toog de koning Joram ter zelfder tijd uit Samaria, en monsterde gans Israël.</verse>
				<verse number="7">En hij ging heen, en zond tot Jósafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.</verse>
				<verse number="8">En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: Door den weg der woestijn van Edom.</verse>
				<verse number="9">Alzo toog de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het leger en het vee, dat hen navolgde, geen water.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide de koning van Israël: Ach, dat de HEERE deze drie koningen geroepen heeft, om die in der Moabieten hand te geven!</verse>
				<verse number="11">En Jósafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israël, en zeide: Hier is Elísa, de zoon van Safat, die water op Elía's handen goot.</verse>
				<verse number="12">En Jósafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van Israël, en Jósafat, en de koning van Edom.</verse>
				<verse number="13">Maar Elísa zeide tot den koning van Israël: Wat heb ik met u te doen? Ga heen tot de profeten uws vaders, en tot de profeten uwer moeder. Doch de koning van Israël zeide tot hem: Neen, want de HEERE heeft deze drie koningen geroepen, om die in der Moabieten hand te geven.</verse>
				<verse number="14">En Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Jósafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!</verse>
				<verse number="15">Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde, als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem kwam.</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten.</verse>
				<verse number="17">Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien, en gij zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij zult drinken, gij, en uw vee, en uw beesten.</verse>
				<verse number="18">Daartoe is dat slecht in de ogen des HEEREN, Hij zal ook de Moabieten in ulieder hand geven.</verse>
				<verse number="19">En gij zult alle vaste steden, en alle uitgelezene steden slaan, en zult alle goede bomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle goede stukken lands zult gij met stenen verderven.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde des morgens, als men het spijsoffer offert, dat er, ziet, water door den weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd.</verse>
				<verse number="21">Toen nu al de Moabieten hoorden, dat de koningen opgetogen waren, om tegen hen te strijden, zo werden zij samen geroepen, van al degenen af, die den gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de landpale.</verse>
				<verse number="22">En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat water oprees, zagen de Moabieten dat water tegenover rood, gelijk bloed.</verse>
				<verse number="23">En zij zeiden: Dit is bloed; de koningen hebben voorzeker zich met het zwaard verdorven, en hebben de een den ander verslagen; nu dan aan den buit, gij Moabieten!</verse>
				<verse number="24">Maar als zij aan het leger van Israël kwamen, maakten zich de Israëlieten op, en sloegen de Moabieten; en zij vloden van hun aangezicht; ja, zij kwamen in het land, slaande ook de Moabieten.</verse>
				<verse number="25">De steden nu braken zij af, en een iegelijk wierp zijn steen op alle goede stukken lands, en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede bomen, totdat zij in Kir-haréseth alleen de stenen daarvan lieten overblijven; en de slingeraars omsingelden en sloegen haar.</verse>
				<verse number="26">Doch als de koning der Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittogen, om door te breken tegen den koning van Edom; maar zij konden niet.</verse>
				<verse number="27">Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op den muur. Daaruit werd een zeer grote toorn in Israël; daarom trokken zij van hem af, en keerden weder in hun land.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elísa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.</verse>
				<verse number="2">En Elísa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben.</verse>
				<verse number="4">Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is.</verse>
				<verse number="5">Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in.</verse>
				<verse number="6">En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil.</verse>
				<verse number="7">Toen kwam zij, en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige.</verse>
				<verse number="8">Het geschiedde ook op een dag, als Elísa naar Sunem doortrok, dat aldaar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Voorts geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.</verse>
				<verse number="9">En zij zeide tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man Gods heilig is, die bij ons altoos doortrekt.</verse>
				<verse number="10">Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neder.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide hij tot zijn jongen Géhazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="13">(Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks.</verse>
				<verse number="14">Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Géhazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud.</verse>
				<verse number="15">Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.)</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Op dezen gezetten tijd, omtrent dezen tijd des levens zult gij een zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, mijn heer, gij, man Gods, lieg tegen uw dienstmaagd niet.</verse>
				<verse number="17">En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op dien gezette tijd, omtrent den tijd des levens, dien Elísa tot haar gesproken had.</verse>
				<verse number="18">Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers.</verse>
				<verse number="19">En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zeide tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder.</verse>
				<verse number="20">En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieën tot aan den middag toe; toen stierf hij.</verse>
				<verse number="21">En zij ging op, en legde hem op het bed van den man Gods; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit.</verse>
				<verse number="22">En zij riep om haar man, en zeide: Zend mij toch een van de jongens, en een van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods lope, en wederkome.</verse>
				<verse number="23">En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wèl zijn.</verse>
				<verse number="24">Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haar jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge.</verse>
				<verse number="25">Alzo toog zij heen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde, als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Géhazi, zijn jongen, zeide: Zie, daar is de Sunamietische.</verse>
				<verse number="26">Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.</verse>
				<verse number="27">Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Géhazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.</verse>
				<verse number="28">En zij zeide: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?</verse>
				<verse number="29">En hij zeide tot Géhazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga henen; zo gij iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van den jongen.</verse>
				<verse number="30">Doch de moeder van den jongen zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na.</verse>
				<verse number="31">Géhazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde den staf op het aangezicht van den jongen; doch er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt.</verse>
				<verse number="32">En toen Elísa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.</verse>
				<verse number="33">Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den HEERE.</verse>
				<verse number="34">En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm.</verse>
				<verse number="35">Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis ééns herwaarts, en ééns derwaarts, en klom weder op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.</verse>
				<verse number="36">En hij riep Géhazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op.</verse>
				<verse number="37">Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit.</verse>
				<verse number="38">Als nu Elísa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten.</verse>
				<verse number="39">Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet.</verse>
				<verse number="40">Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot! En zij konden het niet eten.</verse>
				<verse number="41">Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.</verse>
				<verse number="42">En er kwam een man van Baäl-Salísa, en bracht den man Gods broden der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten.</verse>
				<verse number="43">Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden.</verse>
				<verse number="44">Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Náäman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE den Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.</verse>
				<verse number="2">En er waren benden uit Syrië getogen, en hadden een kleine jonge dochter uit het land van Israël gevankelijk gebracht, die in den dienst der huisvrouw van Náäman was.</verse>
				<verse number="3">Deze zeide tot haar vrouw: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van den profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen.</verse>
				<verse number="4">Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israël is.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan den koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.</verse>
				<verse number="6">En hij bracht den brief tot den koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Náäman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijn melaatsheid.</verse>
				<verse number="7">En het geschiedde, als de koning van Israël den brief gelezen had, dat hij zijn klederen scheurde, en zeide: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want voorwaar, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt.</verse>
				<verse number="8">Maar het geschiedde, als Elísa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, dat hij tot den koning zond, om te zeggen: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is.</verse>
				<verse number="9">Alzo kwam Náäman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elísa.</verse>
				<verse number="10">Toen zond Elísa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen, en gij zult rein zijn.</verse>
				<verse number="11">Maar Náäman werd zeer toornig, en toog weg, en zeide: Zie, ik zeide bij mij zelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den Naam des HEEREN, zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en den melaatse ontledigen.</verse>
				<verse number="12">Zijn niet Abána en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle wateren van Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid.</verse>
				<verse number="13">Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden: Mijn vader, zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij tot u gezegd heeft: Was u, en gij zult rein zijn?</verse>
				<verse number="14">Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van den man Gods; en zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een kleinen jongen; en hij werd rein.</verse>
				<verse number="15">Toen keerde hij weder tot den man Gods, hij en zijn ganse heir, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zeide: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de ganse aarde, dan in Israël! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht.</verse>
				<verse number="16">Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, doch hij weigerde het.</verse>
				<verse number="17">En Náäman zeide: Zo niet; laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar den HEERE.</verse>
				<verse number="18">In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak.</verse>
				<verse number="19">En hij zeide tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem een kleine streek lands.</verse>
				<verse number="20">Géhazi nu, de jongen van Elísa, den man Gods, zeide: Zie, mijn heer heeft Náäman, dien Syriër belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft, wat hij gebracht had; maar zo waarachtig als de HEERE leeft, ik zal hem nalopen, en zal wat van hem nemen!</verse>
				<verse number="21">Zo volgde Géhazi Náäman achterna. En toen Náäman zag, dat hij hem naliep, viel hij van den wagen af, hem tegemoet, en hij zeide: Is het wel?</verse>
				<verse number="22">En hij zeide: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der profeten, van het gebergte van Efraïm gekomen; geef hun toch een talent zilvers en twee wisselklederen.</verse>
				<verse number="23">En Náäman zeide: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen.</verse>
				<verse number="24">Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand, en bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen heen.</verse>
				<verse number="25">Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elísa zeide tot hem: Van waar, Géhazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.</verse>
				<verse number="26">Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden?</verse>
				<verse number="27">Daarom zal u de melaatsheid van Náäman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En de kinderen der profeten zeiden tot Elísa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng.</verse>
				<verse number="2">Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen.</verse>
				<verse number="3">En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.</verse>
				<verse number="4">Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af.</verse>
				<verse number="5">En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend.</verse>
				<verse number="6">En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen.</verse>
				<verse number="7">En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het.</verse>
				<verse number="8">En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.</verse>
				<verse number="9">Maar de man Gods zond henen tot den koning van Israël, zeggende: Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarhenen afgekomen.</verse>
				<verse number="10">Daarom zond de koning van Israël henen aan die plaats, waarvan hem de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet eenmaal, noch tweemaal.</verse>
				<verse number="11">Toen werd het hart des konings van Syrië onstuimig over dezen handel; en hij riep zijn knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israël?</verse>
				<verse number="12">En een van zijn knechten zeide: Neen, mijn heer koning! Maar Elísa, de profeet, die in Israël is, geeft den koning van Israël te kennen de woorden, die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt.</verse>
				<verse number="13">En hij zeide: Gaat heen, en ziet, waar hij is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan.</verse>
				<verse number="14">Toen zond hij daarhenen paarden, en wagenen, en een zwaar heir; welke des nachts kwamen, en omsingelden de stad.</verse>
				<verse number="15">En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen.</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.</verse>
				<verse number="17">En Elísa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elísa.</verse>
				<verse number="18">Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elísa tot den HEERE, en zeide: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elísa.</verse>
				<verse number="19">Toen zeide Elísa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man, dien gij zoekt; en hij leidde hen naar Samaria.</verse>
				<verse number="20">En het geschiedde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elísa zeide: HEERE, open de ogen van dezen, dat zij zien! En de HEERE opende hun ogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in het midden van Samaria.</verse>
				<verse number="21">En de koning van Israël zeide tot Elísa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader?</verse>
				<verse number="22">Doch hij zeide: Gij zult hen niet slaan; zoudt gij ook slaan, die gij met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken.</verse>
				<verse number="23">En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden der Syriërs niet meer in het land van Israël.</verse>
				<verse number="24">En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn gehele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde.</verse>
				<verse number="25">En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen.</verse>
				<verse number="26">En het geschiedde, als de koning op den muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning!</verse>
				<verse number="27">En hij zeide: De HEERE helpt u niet; waarvan zou ik u helpen? Van den dorsvloer of van de wijnpers?</verse>
				<verse number="28">Verder zeide de koning tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten.</verse>
				<verse number="29">Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstoken.</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde, als de koning de woorden dezer vrouw gehoord had, dat hij zijn klederen scheurde, alzo hij op den muur voortging; en het volk zag, dat, ziet, een zak van binnen over zijn vlees was.</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Zo doe mij God, en doe zo daartoe, indien het hoofd van Elísa, den zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan!</verse>
				<verse number="32">(Elísa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt gijlieden gezien, hoe die zoon des moordenaars gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis der voeten van zijn heer achter hem?</verse>
				<verse number="33">Als hij nog met hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en hij zeide: Zie, dat kwaad is van den HEERE; wat zou ik verder op den HEERE wachten?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Toen zeide Elísa: Hoort het woord des HEEREN; zo zegt de HEERE: Morgen omtrent dezen tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria.</verse>
				<verse number="2">Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde den man Gods, en zeide: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou die zaak kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.</verse>
				<verse number="3">Er waren nu vier melaatse mannen voor de deur der poort; die zeiden, de een tot den ander: Wat blijven wij hier, totdat wij sterven?</verse>
				<verse number="4">Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.</verse>
				<verse number="5">En zij stonden op in de schemering, om in het leger der Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger der Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.</verse>
				<verse number="6">Want de Heere had het heir der Syriërs doen horen een geluid van wagenen, en een geluid van paarden, het geluid ener grote heirkracht; zodat zij zeiden de een tot den ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons te komen.</verse>
				<verse number="7">Derhalve hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevloden, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevloden om huns levens wil.</verse>
				<verse number="8">Als nu deze melaatsen aan het uiterste des legers kwamen, zo gingen zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en klederen, en gingen henen, en verborgen het; daarna keerden zij weder, en kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen henen, en verborgen het.</verse>
				<verse number="9">Toen zeiden zij, de een tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Indien wij vertoeven tot den lichten morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis des konings boodschappen.</verse>
				<verse number="10">Zo kwamen zij, en riepen tot den poortier der stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren.</verse>
				<verse number="11">En hij riep de poortiers; en zij deden de boodschap binnen in het huis des konings.</verse>
				<verse number="12">En de koning stond op in den nacht, en zeide tot zijn knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriërs ons gedaan hebben; zij weten, dat wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen.</verse>
				<verse number="13">Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de gehele menigte der Israëlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der Israëlieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien.</verse>
				<verse number="14">Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger der Syriërs achterna, zeggende: Gaat henen, en ziet.</verse>
				<verse number="15">En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de ganse weg was vol van klederen en gereedschap, die de Syriërs in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder, en boodschapten het den koning.</verse>
				<verse number="16">Toen ging het volk uit, en beroofde het leger der Syriërs; en een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="17">De koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, gelijk de man Gods gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen was.</verse>
				<verse number="18">Want het was geschied, gelijk de man Gods gesproken had tot den koning, zeggende: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel verkocht worden, in de poort van Samaria.</verse>
				<verse number="19">En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou het ook naar dit woord geschieden kunnen? En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.</verse>
				<verse number="20">Even alzo geschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Elísa nu had gesproken tot die vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, gij en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar gij verkeren kunt; want de HEERE heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.</verse>
				<verse number="2">En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van den man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling verkeerd in het land der Filistijnen, zeven jaren.</verse>
				<verse number="3">En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot den koning riep, om haar huis en om haar akker.</verse>
				<verse number="4">De koning nu sprak tot Géhazi, den jongen van den man Gods, zeggende: Vertel mij toch al de grote dingen, die Elísa gedaan heeft.</verse>
				<verse number="5">En het geschiedde, als hij den koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, tot den koning, om haar huis en om haar akker. Toen zeide Géhazi: Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, dien Elísa heeft levend gemaakt.</verse>
				<verse number="6">En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van den dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.</verse>
				<verse number="7">Daarna kwam Elísa te Damaskus, als Benhadad, de koning van Syrië, krank was; en men boodschapte hem, zeggende: De man Gods is herwaarts gekomen.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide de koning tot Házaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga den man Gods tegemoet; en vraag door hem den HEERE, zeggende: Zal ik van deze krankheid genezen?</verse>
				<verse number="9">Zo ging Házaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damaskus, een last van veertig kemelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen?</verse>
				<verse number="10">En Elísa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganselijk niet genezen; want de HEERE heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal.</verse>
				<verse number="11">En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man Gods weende.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Házaël: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: omdat ik weet, wat kwaad gij den kinderen Israëls doen zult; gij zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden.</verse>
				<verse number="13">En Házaël zeide: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elísa zeide: De HEERE heeft mij getoond, dat gij koning zijn zult over Syrië.</verse>
				<verse number="14">Zo ging hij weg van Elísa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elísa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde des anderen daags, dat hij een deken nam, en in het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Házaël werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="16">In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.</verse>
				<verse number="17">Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="18">En hij wandelde op den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="19">Doch de HEERE wilde Juda niet verderven, om Davids Zijns knechts wil; gelijk als Hij hem gezegd had, dat Hij hem te allen tijde voor zijn zonen een lamp zou geven.</verse>
				<verse number="20">In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.</verse>
				<verse number="21">Daarom toog Joram over naar Zaïr, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijn hutten.</verse>
				<verse number="22">De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op dezen dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.</verse>
				<verse number="23">Het overige nu der geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="24">En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Aházia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="25">In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.</verse>
				<verse number="26">Twee en twintig jaren was Aházia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athália, de dochter van Omri, den koning van Israël.</verse>
				<verse number="27">En hij wandelde in den weg van het huis van Achab, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want hij was een schoonzoon van het huis van Achab.</verse>
				<verse number="28">En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Házaël, den koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram.</verse>
				<verse number="29">Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Aházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Toen riep de profeet Elísa een van de zonen der profeten, en hij zeide tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead.</verse>
				<verse number="2">Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Jósafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer.</verse>
				<verse number="3">En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt de HEERE: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlied, en vertoef niet.</verse>
				<verse number="4">Zo ging de jongeling, die jongeling van den profeet, naar Ramoth in Gilead.</verse>
				<verse number="5">En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het heir, en hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zeide: Tot wien van ons allen? En hij zeide: Tot u, o hoofdman!</verse>
				<verse number="6">Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk des HEEREN, over Israël.</verse>
				<verse number="7">En gij zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten des HEEREN, wreke van de hand van Izébel.</verse>
				<verse number="8">En het ganse huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israël.</verse>
				<verse number="9">Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jeróbeam, den zoon van Nebat, en als het huis van Báësa, den zoon van Ahía.</verse>
				<verse number="10">Ook zullen de honden Izébel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vlood.</verse>
				<verse number="11">En als Jehu uitging tot de knechten zijns heren, zeide men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot hen: Gij kent den man en zijn spraak.</verse>
				<verse number="12">Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zeide: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël.</verse>
				<verse number="13">Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed, en legde het onder hem, op den hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!</verse>
				<verse number="14">Alzo maakte Jehu, de zoon van Jósafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israël, uit oorzake van Házaël, den koning van Syrië;</verse>
				<verse number="15">Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.</verse>
				<verse number="16">Toen reed Jehu, en toog naar Jizreël; want Joram lag aldaar; en Aházia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.</verse>
				<verse number="17">De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?</verse>
				<verse number="18">En de ruiter te paard toog heen hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder.</verse>
				<verse number="19">Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij.</verse>
				<verse number="20">En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van Nimsi, want hij drijft onzinniglijk.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Aházia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreëliet.</verse>
				<verse number="22">Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izébel, en haar toverijen zo vele zijn?</verse>
				<verse number="23">Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Aházia: Het is bedrog, Aházia!</verse>
				<verse number="24">Maar Jehu spande den boog met volle hand, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.</verse>
				<verse number="25">Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreëliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last opleide, zeggende:</verse>
				<verse number="26">Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijner zonen, zegt de HEERE, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt de HEERE. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">Als Aházia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.</verse>
				<verse number="28">En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids.</verse>
				<verse number="29">In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Aházia koning geworden over Juda.</verse>
				<verse number="30">En Jehu kwam te Jizreël. Als Izébel dat hoorde, zo blankette zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.</verse>
				<verse number="31">Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, doodslager van zijn heer?</verse>
				<verse number="32">En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.</verse>
				<verse number="33">En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar.</verse>
				<verse number="34">Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaft ze; want zij is eens konings dochter.</verse>
				<verse number="35">En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen harer handen.</verse>
				<verse number="36">Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen, en hij zeide: Dit is het woord des HEEREN, dat Hij gesproken heeft door den dienst van Zijn knecht Elía, den Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izébel eten.</verse>
				<verse number="37">En het dode lichaam van Izébel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izébel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Achab nu had zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven, dewelke hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreël, de oudsten, en tot de voedsterheren van Achab, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, dewijl de zonen van uw heer bij u zijn, ook de wagenen en de paarden bij u zijn, mitsgaders een vaste stad, en wapenen;</verse>
				<verse number="3">Zo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet dien op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren.</verse>
				<verse number="4">Doch zij vreesden gans zeer, en zeiden: Ziet, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan?</verse>
				<verse number="5">Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat gij tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="6">Toen schreef hij ten tweeden male tot hen een brief, zeggende: Zo gij mijn zijt, en gij naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent dezen tijd naar Jizreël. (De zonen nu des konings, zeventig mannen, waren bij de groten der stad, die hen opvoedden.)</verse>
				<verse number="7">Het geschiedde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen des konings namen, en zeventig mannen sloegen; en zij legden hun hoofden in korven, die zij tot hem zonden naar Jizreël.</verse>
				<verse number="8">En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen des konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee hopen, aan de deur der poort, tot morgen.</verse>
				<verse number="9">En het geschiedde des morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zeide: Gij zijt rechtvaardig. Ziet, ik heb een verbintenis gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle dezen geslagen?</verse>
				<verse number="10">Weet nu, dat niets van het woord des HEEREN, hetwelk de HEERE tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want de HEERE heeft gedaan, wat Hij door den dienst van Zijn knecht Elía gesproken heeft.</verse>
				<verse number="11">Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreël, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesteren; totdat hij hem geen overigen liet overblijven.</verse>
				<verse number="12">En hij maakte zich op, en toog heen en ging naar Samaria; en zijnde te Beth-Héked der herderen, op den weg,</verse>
				<verse number="13">Vond Jehu de broederen van Aházia, den koning van Juda, en hij zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van Aházia, en zijn afgekomen, om de zonen des konings en de zonen der koningin te groeten.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij den bornput van Beth-Héked, twee en veertig mannen, en hij liet niet een van hen over.</verse>
				<verse number="15">En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jónadab, den zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jónadab zeide: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op den wagen klimmen.</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor den HEERE. Zo deden zij hem rijden op zijn wagen.</verse>
				<verse number="17">En toen hij te Samaria kwam, sloeg hij allen, die aan Achab te Samaria overgebleven waren, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot Elía gesproken had.</verse>
				<verse number="18">En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab heeft Baäl een weinig gediend; Jehu zal hem veel dienen.</verse>
				<verse number="19">Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht.</verse>
				<verse number="20">Verder zeide Jehu: Heiligt Baäl een verbods dag. En zij riepen dien uit.</verse>
				<verse number="21">Ook zond Jehu in het ganse Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet één man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.</verse>
				<verse number="22">Toen zeide hij tot dengene, die over het klederhuis was: Breng voor alle dienaren van Baäl de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit.</verse>
				<verse number="23">En Jehu kwam met Jónadab, den zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zeide tot de dienaren van Baäl: Onderzoekt, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren des HEEREN; maar de dienaren van Baäl alleen.</verse>
				<verse number="24">Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandofferen te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zeide: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor deszelfs ziel zijn.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde, als hij voleind had het brandoffer te doen, dat Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdmannen: Komt in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaard; en de trawanten en hoofdmannen wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het huis van Baäl;</verse>
				<verse number="26">En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze.</verse>
				<verse number="27">Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af; daartoe braken zij het huis van Baäl af, en maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="28">Alzo verdelgde Jehu Baäl uit Israël.</verse>
				<verse number="29">Maar van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren.</verse>
				<verse number="30">De HEERE dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israël zitten.</verse>
				<verse number="31">Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods van Israël, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jeróbeam, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="32">In die dagen begon de HEERE Israël af te korten, want Házaël sloeg ze in alle landpalen van Israël:</verse>
				<verse number="33">Van de Jordaan af, tegen den opgang der zon, het ganse land van Gilead, der Gadieten, en der Rubenieten, en der Manassieten; van Aroër, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.</verse>
				<verse number="34">Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="35">En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Jóahaz werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="36">En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Toen nu Athália, de moeder van Aházia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om.</verse>
				<verse number="2">Maar Joséba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Aházia, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athália, dat hij niet gedood werd.</verse>
				<verse number="3">En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en Athália regeerde over het land.</verse>
				<verse number="4">In het zevende jaar nu zond Jójada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis des HEEREN; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis des HEEREN, en hij toonde hun den zoon des konings.</verse>
				<verse number="5">En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des konings;</verse>
				<verse number="6">En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult gij waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking.</verse>
				<verse number="7">En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis des HEEREN waarnemen bij den koning.</verse>
				<verse number="8">En gij zult den koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en zijt gij bij den koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.</verse>
				<verse number="9">De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jójada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op den sabbat ingingen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; en zij kwamen tot den priester Jójada.</verse>
				<verse number="10">En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis des HEEREN geweest waren.</verse>
				<verse number="11">En de trawanten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis toe, bij den koning rondom.</verse>
				<verse number="12">Daarna bracht hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!</verse>
				<verse number="13">Toen Athália hoorde de stem der trawanten en des volks, zo kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="14">En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij den pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij den koning; en al het volk des lands was blijde, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athália haar klederen, en zij riep: Verraad, verraad!</verse>
				<verse number="15">Maar de priester Jójada gebood aan de oversten van honderd, die over het heir gesteld waren, en zeide tot hen: Brengt haar uit tot buiten de ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had gezegd: Laat ze in het huis des HEEREN niet gedood worden.</verse>
				<verse number="16">En zij legden de handen aan haar; en zij ging den weg van den ingang der paarden naar het huis des konings, en zij werd daar gedood.</verse>
				<verse number="17">En Jójada maakte een verbond tussen den HEERE en tussen den koning, en tussen het volk, dat het den HEERE tot een volk zou zijn; mitsgaders tussen den koning en tussen het volk.</verse>
				<verse number="18">Daarna ging al het volk des lands in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij recht wel; en Mattan, den priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="19">En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de trawanten, en al het volk des lands; en zij brachten den koning af uit het huis des HEEREN, en kwamen door den weg van de poort der trawanten tot het huis des konings, en hij zat op den troon der koningen.</verse>
				<verse number="20">En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athália met het zwaard gedood hadden bij des konings huis.</verse>
				<verse number="21">Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-séba.</verse>
				<verse number="2">En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen, in dewelke de priester Jójada hem onderwees.</verse>
				<verse number="3">Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.</verse>
				<verse number="4">En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis des HEEREN, te weten het geld desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis des HEEREN,</verse>
				<verse number="5">Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden.</verse>
				<verse number="6">Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.</verse>
				<verse number="7">Toen riep de koning Joas den priester Jójada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.</verse>
				<verse number="8">En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.</verse>
				<verse number="9">Maar de priester Jójada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis des HEEREN; en de priesters, die den dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd.</verse>
				<verse number="10">Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat des konings schrijver met den hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis des HEEREN gevonden werd.</verse>
				<verse number="11">En zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis des HEEREN; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des HEEREN vermaakten;</verse>
				<verse number="12">En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis des HEEREN te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.</verse>
				<verse number="13">Evenwel werden niet gemaakt voor het huis des HEEREN zilveren schalen, gaffelen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden vat, of zilveren vat, van het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd.</verse>
				<verse number="14">Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmede het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="15">Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wien zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk.</verse>
				<verse number="16">Het geld van schuldoffer, en het geld van zondofferen werd ten huize des HEEREN niet gebracht; het was voor de priesteren.</verse>
				<verse number="17">Toen trok Házaël, de koning van Syrië, op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Házaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.</verse>
				<verse number="18">Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Jósafat, en Joram, en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="19">Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="20">En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla;</verse>
				<verse number="21">Want Józacar, de zoon van Símeath, en Józabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad Davids; en Amázia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Aházia, den koning van Juda, werd Jóahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af.</verse>
				<verse number="3">Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Házaël, den koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, al die dagen.</verse>
				<verse number="4">Doch Jóahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte.</verse>
				<verse number="5">(Zo gaf de HEERE Israël een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israëls woonden in hun tenten, als te voren.</verse>
				<verse number="6">Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jeróbeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)</verse>
				<verse number="7">Want hij had Jóahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.</verse>
				<verse number="8">Het overige nu der geschiedenissen van Jóahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="9">En Jóahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="10">In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Jóahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren.</verse>
				<verse number="11">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin.</verse>
				<verse number="12">Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="13">En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jeróbeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël.</verse>
				<verse number="14">Elísa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren!</verse>
				<verse number="15">En Elísa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen.</verse>
				<verse number="16">En hij zeide tot den koning van Israël: Leg uw hand aan den boog, en hij legde zijn hand daaraan; en Elísa legde zijn handen op des konings handen.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elísa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriërs; want gij zult de Syriërs slaan in Afek, tot verdoens toe.</verse>
				<verse number="18">Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israël: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.</verse>
				<verse number="19">Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijf- of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan.</verse>
				<verse number="20">Daarna stierf Elísa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.</verse>
				<verse number="21">En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elísa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elísa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.</verse>
				<verse number="22">Házaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Jóahaz.</verse>
				<verse number="23">Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.</verse>
				<verse number="24">En Házaël, de koning van Syrië, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="25">Joas nu, de zoon van Jóahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, die hij uit de hand van Jóahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">In het tweede jaar van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, werd Amázia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="2">Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, nochtans niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had.</verse>
				<verse number="4">Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.</verse>
				<verse number="5">Het geschiedde nu, als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat hij zijn knechten sloeg, die den koning, zijn vader, geslagen hadden,</verse>
				<verse number="6">Doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden.</verse>
				<verse number="7">Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteël, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="8">Toen zond Amázia boden tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.</verse>
				<verse number="9">Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, zeggende: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad den distel.</verse>
				<verse number="10">Gij hebt de Edomieten dapper geslagen, daarom heeft uw hart u verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zoudt gij u in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?</verse>
				<verse number="11">Doch Amázia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amázia, de koning van Juda, elkanders aangezichten zagen te Beth-Sémes, dat in Juda is.</verse>
				<verse number="12">En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël, en zij vloden, een iegelijk in zijn tenten.</verse>
				<verse number="13">En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Aházia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.</verse>
				<verse number="14">En hij nam al het goud, en het zilver, en al de vaten, die gevonden werden in het huis des HEEREN, en in de schatten van des konings huis, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samaria.</verse>
				<verse number="15">Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="16">En Joas ontsliep met zijn vaderen, en werd te Samaria begraven bij de koningen van Israël; en zijn zoon Jeróbeam werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="17">Amázia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.</verse>
				<verse number="18">Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="19">En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.</verse>
				<verse number="20">En zij brachten hem op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven, bij zijn vaderen, in de stad Davids.</verse>
				<verse number="21">En het ganse volk van Juda nam Azária (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amázia.</verse>
				<verse number="22">Die bouwde Elath, en bracht haar weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.</verse>
				<verse number="23">In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jeróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël, en regeerde een en veertig jaren.</verse>
				<verse number="24">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="25">Hij bracht ook weder de landpale van Israël van den ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord des HEEREN, des Gods van Israël, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Jona, den zoon van Amitthai, den profeet, die van Gath-Hefer was.</verse>
				<verse number="26">Want de HEERE zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had.</verse>
				<verse number="27">En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van Israël van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jeróbeam, den zoon van Joas.</verse>
				<verse number="28">Het overige nu der geschiedenissen van Jeróbeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damaskus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israël wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="29">En Jeróbeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharía werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">In het zeven en twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd koning Azária, de zoon van Amázia, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="2">Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amázia gedaan had.</verse>
				<verse number="4">Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.</verse>
				<verse number="6">Het overige nu der geschiedenissen van Azária, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="7">En Azária ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="8">In het acht en dertigste jaar van Azária, den koning van Juda, regeerde Zacharía, de zoon van Jeróbeam, over Israël te Samaria, zes maanden.</verse>
				<verse number="9">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="10">En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="11">Het overige nu der geschiedenissen van Zacharía, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.</verse>
				<verse number="12">Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israël zitten; en het is alzo geschied.</verse>
				<verse number="13">Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.</verse>
				<verse number="14">Want Menáhem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="15">Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.</verse>
				<verse number="16">Toen sloeg Menáhem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.</verse>
				<verse number="17">In het negen en dertigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Menáhem, de zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren te Samaria.</verse>
				<verse number="18">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="19">Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menáhem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.</verse>
				<verse number="20">Menáhem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrië weder, en bleef daar niet in het land.</verse>
				<verse number="21">Het overige nu der geschiedenissen van Menáhem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?</verse>
				<verse number="22">Daarna ontsliep Menáhem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekáhia werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="23">In het vijftigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Pekáhia, de zoon van Menáhem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria.</verse>
				<verse number="24">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="25">En Pekah, de zoon van Remália, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arjé, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="26">Het overige nu der geschiedenissen van Pekáhia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.</verse>
				<verse number="27">In het twee en vijftigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remália, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria.</verse>
				<verse number="28">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.</verse>
				<verse number="29">In de dagen van Pekah, den koning van Israël, kwam Tiglath-Pilézer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Máächa, en Janóah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galiléa, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.</verse>
				<verse number="30">En Hoséa, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remália, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.</verse>
				<verse number="31">Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.</verse>
				<verse number="32">In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="33">Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerûsa, de dochter van Zadok.</verse>
				<verse number="34">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.</verse>
				<verse number="35">Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="36">Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="37">In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrië, en Pekah, den zoon van Remália.</verse>
				<verse number="38">En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remália, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="2">Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods, als zijn vader David.</verse>
				<verse number="3">Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor de kinderen Israëls verdreven had.</verse>
				<verse number="4">Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte.</verse>
				<verse number="5">Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden.</verse>
				<verse number="6">Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weder aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="7">Achaz nu zond boden tot Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van den koning van Syrië, en uit de hand van den koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.</verse>
				<verse number="8">En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings gevonden werd, en hij zond den koning van Assyrië een geschenk.</verse>
				<verse number="9">Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damaskus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.</verse>
				<verse number="10">Toen toog de koning Achaz Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, tegemoet, naar Damaskus; en gezien hebbende een altaar, dat te Damaskus was, zo zond de koning Achaz aan den priester Uría de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn ganse maaksel.</verse>
				<verse number="11">En Uría, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damaskus ontboden had; alzo deed de priester Uría, tegen dat de koning Achaz van Damaskus kwam.</verse>
				<verse number="12">Als nu de koning van Damaskus gekomen was, zag de koning het altaar; en de koning naderde tot het altaar, en offerde daarop.</verse>
				<verse number="13">En hij stak zijn brandoffer aan, en zijn spijsoffer, en goot zijn drankoffer en sprengde het bloed zijner dankofferen op dat altaar.</verse>
				<verse number="14">Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis des HEEREN, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts.</verse>
				<verse number="15">En de koning Achaz gebood Uría, den priester, zeggende: Steek op het grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en des konings brandoffer, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk des lands, en hun spijsoffer, en hun drankofferen; en spreng daarop al het bloed des brandoffers, en al het bloed des slachtoffers; maar het koperen altaar zal mij zijn, om te onderzoeken.</verse>
				<verse number="16">En Uría, de priester, deed naar alles, wat de koning Achaz geboden had.</verse>
				<verse number="17">En de koning Achaz sneed de lijsten der stellingen af, en nam die van boven het wasvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer.</verse>
				<verse number="18">Daartoe het deksel des sabbats, dat zij in het huis gebouwd hadden, en den buitensten ingang des konings nam hij weg van het huis des HEEREN, vanwege den koning van Assyrië.</verse>
				<verse number="19">Het overige nu der geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="20">En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Hizkía, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hoséa, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israël, die vóór hem geweest waren.</verse>
				<verse number="3">Tegen hem toog op Salmanéser, koning van Assyrië; en Hoséa werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.</verse>
				<verse number="4">Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hoséa, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis.</verse>
				<verse number="5">Want de koning van Assyrië toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.</verse>
				<verse number="6">In het negende jaar van Hoséa, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.</verse>
				<verse number="7">Want het was geschied, dat de kinderen Israëls gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Faraö, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;</verse>
				<verse number="8">En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdreven had, en der koningen van Israël, die ze gemaakt hadden.</verse>
				<verse number="9">En de kinderen Israëls hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.</verse>
				<verse number="10">En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.</verse>
				<verse number="11">En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="12">En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.</verse>
				<verse number="13">Als nu de HEERE tegen Israël en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;</verse>
				<verse number="14">Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.</verse>
				<verse number="15">Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.</verse>
				<verse number="16">Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baäl.</verse>
				<verse number="17">Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="18">Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.</verse>
				<verse number="19">Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israël, die zij gemaakt hadden.</verse>
				<verse number="20">Zo verwierp de HEERE het ganse zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.</verse>
				<verse number="21">Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jeróbeam, den zoon van Nebat, koning; en Jeróbeam dreef Israël af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.</verse>
				<verse number="22">Alzo wandelden de kinderen Israëls in alle zonden van Jeróbeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;</verse>
				<verse number="23">Totdat de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="24">De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarváïm, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israëls; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.</verse>
				<verse number="25">En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.</verse>
				<verse number="26">Daarom spraken zij tot den koning van Assyrië, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land.</verse>
				<verse number="27">Toen gebood de koning van Assyrië, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.</verse>
				<verse number="28">Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden.</verse>
				<verse number="29">Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.</verse>
				<verse number="30">Want de lieden van Babel maakten Sukkôth Benôth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asíma,</verse>
				<verse number="31">En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramélech en Anamélech, de goden van Sefarváïm, met vuur.</verse>
				<verse number="32">Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.</verse>
				<verse number="33">Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.</verse>
				<verse number="34">Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israël gaf.</verse>
				<verse number="35">Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen.</verse>
				<verse number="36">Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen;</verse>
				<verse number="37">En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dage; en gij zult andere goden niet vrezen.</verse>
				<verse number="38">En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen.</verse>
				<verse number="39">Maar den HEERE, uw God, zult gij vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden.</verse>
				<verse number="40">Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze.</verse>
				<verse number="41">Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Het geschiedde nu in het derde jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël, dat Hizkía koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.</verse>
				<verse number="2">Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Abi, een dochter van Zacharía.</verse>
				<verse number="3">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.</verse>
				<verse number="4">Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehûstan.</verse>
				<verse number="5">Hij betrouwde op den HEERE, den God Israëls, zodat na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die vóór hem geweest waren.</verse>
				<verse number="6">Want hij kleefde den HEERE aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die de HEERE aan Mozes geboden had.</verse>
				<verse number="7">Zo was de HEERE met hem; overal, waar hij henen uittrok, handelde hij kloekelijk; daartoe viel hij af van den koning van Assyrië, dat hij hem niet diende.</verse>
				<verse number="8">Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en haar landpalen, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.</verse>
				<verse number="9">Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkía (hetwelk was het zevende jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmanéser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.</verse>
				<verse number="10">En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkía; het was het negende jaar van Hoséa, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd.</verse>
				<verse number="11">En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden.</verse>
				<verse number="12">Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan.</verse>
				<verse number="13">Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkía kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.</verse>
				<verse number="14">Toen zond Hizkía, de koning van Juda, tot den koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkía, den koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.</verse>
				<verse number="15">Alzo gaf Hizkía al het zilver, dat gevonden werd in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings.</verse>
				<verse number="16">Te dier tijd sneed Hizkía het goud af van de deuren van den tempel des HEEREN, en van de posten, die Hizkía, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf dat aan de koning van Assyrië.</verse>
				<verse number="17">Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsaké, van Lachis tot den koning Hizkía, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hogen weg van het veld des vollers.</verse>
				<verse number="18">En zij riepen tot den koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.</verse>
				<verse number="19">En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?</verse>
				<verse number="20">Gij zegt (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?</verse>
				<verse number="21">Zie, nu vertrouwt gij u op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; alzo is Faraö, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.</verse>
				<verse number="22">Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem?</verse>
				<verse number="23">Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.</verse>
				<verse number="24">Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst van de geringste knechten mijns heren afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren.</verse>
				<verse number="25">Nu, ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen deze plaats, om die te verderven? De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.</verse>
				<verse number="26">Toen zeide Eljakim, de zoon van Hilkía, en Sebna, en Joah tot Rabsaké: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren des volks, dat op den muur is.</verse>
				<verse number="27">Maar Rabsaké zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten, en hun water drinken zullen?</verse>
				<verse number="28">Alzo stond Rabsaké, en riep met luider stem in het Joods; en hij sprak en zeide: Hoort het woord des groten konings, des konings van Assyrië!</verse>
				<verse number="29">Zo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand.</verse>
				<verse number="30">Daartoe dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van den koning van Assyrië gegeven worden.</verse>
				<verse number="31">Hoort naar Hizkía niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water zijns bornputs;</verse>
				<verse number="32">Totdat ik kom, en u haal in een land, als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zo zult gij leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkía, want hij hitst u op, zeggende: De HEERE zal ons redden.</verse>
				<verse number="33">Hebben de goden der volken, ieder zijn land, enigszins gered uit de hand van den koning van Assyrië?</verse>
				<verse number="34">Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarváïm, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?</verse>
				<verse number="35">Welke zijn ze onder alle goden der landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand redden zou?</verse>
				<verse number="36">Doch het volk zweeg stil en antwoordde hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.</verse>
				<verse number="37">Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía, met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En het geschiedde, als de koning Hizkía dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="2">Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesája, den profeet, den zoon van Amoz;</verse>
				<verse number="3">En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.</verse>
				<verse number="4">Misschien zal de HEERE, uw God, horen al de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden, met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.</verse>
				<verse number="5">En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesája.</verse>
				<verse number="6">En Jesája zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van den koning van Assyrië gelasterd hebben.</verse>
				<verse number="7">Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.</verse>
				<verse number="8">Zo kwam Rabsaké weder, en vond den koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.</verse>
				<verse number="9">Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Zo zult gij spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.</verse>
				<verse number="11">Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?</verse>
				<verse number="12">Hebben de goden der volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?</verse>
				<verse number="13">Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarváïm, Hena en Ivva?</verse>
				<verse number="14">Als nu Hizkía de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN, en Hizkía breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="15">En Hizkía bad voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: O HEERE, God Israëls, Die tussen de cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.</verse>
				<verse number="16">O, HEERE! neig Uw oor en hoor, doe, HEERE! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om den levenden God te honen.</verse>
				<verse number="17">Waarlijk, HEERE, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest;</verse>
				<verse number="18">En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.</verse>
				<verse number="19">Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij, HEERE, alleen God zijt.</verse>
				<verse number="20">Toen zond Jesája, de zoon van Amoz, tot Hizkía, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.</verse>
				<verse number="21">Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.</verse>
				<verse number="22">Wien hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls!</verse>
				<verse number="23">Door middel uwer boden hebt gij den HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, de zijden van den Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.</verse>
				<verse number="24">Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.</verse>
				<verse number="25">Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.</verse>
				<verse number="26">Daarom waren haar inwoners handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en de groene grasscheutjes, het hooi der daken, en het brandkoren, eer het over einde staat.</verse>
				<verse number="27">Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.</verse>
				<verse number="28">Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.</verse>
				<verse number="29">En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.</verse>
				<verse number="30">Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen.</verse>
				<verse number="31">Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver van den HEERE der heirscharen zal dit doen.</verse>
				<verse number="32">Daarom zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.</verse>
				<verse number="33">Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="34">Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.</verse>
				<verse number="35">Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.</verse>
				<verse number="36">Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé.</verse>
				<verse number="37">Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramélech en Sarézer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">In die dagen werd Hizkía krank tot stervens toe; en de profeet Jesája, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven.</verse>
				<verse number="2">Toen keerde hij zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Och, HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkía weende gans zeer.</verse>
				<verse number="4">Het gebeurde nu, als Jesája uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord des HEEREN tot hem geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Keer weder en zeg tot Hizkía, den voorganger Mijns volks: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan den derden dag zult gij opgaan in het huis des HEEREN;</verse>
				<verse number="6">En Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen, en zal u uit de hand des konings van Assyrië verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen om Mijnentwil, en om Mijns knechts Davids wil.</verse>
				<verse number="7">Daarna zeide Jesája: Neemt een klomp vijgen; en zij namen ze, en legden ze op de zweer, en hij werd genezen.</verse>
				<verse number="8">Hizkía nu had gezegd tot Jesája: Welk is het teken, dat de HEERE mij gezond maken zal, en dat ik op den derden dag in des HEEREN huis zal opgaan?</verse>
				<verse number="9">En Jesája zeide: Dit zal u een teken van den HEERE zijn, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: Zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan, of tien graden achterwaarts keren?</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Hizkía: Het is der schaduwe licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts kere.</verse>
				<verse number="11">En Jesája, de profeet, riep den HEERE aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer.</verse>
				<verse number="12">Te dier tijd zond Beródach Báladan de zoon van Báladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkía; want hij had gehoord, dat Hizkía krank geweest was.</verse>
				<verse number="13">En Hizkía hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn ganse schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat hij hun niet toonde.</verse>
				<verse number="14">Toen kwam de profeet Jesája tot den koning Hizkía, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkía zeide: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel.</verse>
				<verse number="15">En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkía zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.</verse>
				<verse number="16">Toen zeide Jesája tot Hizkía: Hoor des HEEREN woord.</verse>
				<verse number="17">Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot dezen dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="18">Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel.</verse>
				<verse number="19">Maar Hizkía zeide tot Jesája: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Zou het niet, naardien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?</verse>
				<verse number="20">Het overige nu der geschiedenissen van Hizkía, en al zijn macht, en hoe hij den vijver en den watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="21">En Hizkía ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hefzi-bah.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.</verse>
				<verse number="3">Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkía, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze.</verse>
				<verse number="4">En hij bouwde altaren in het huis des HEEREN, waarvan de HEERE gezegd had: te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.</verse>
				<verse number="5">Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="7">Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis waarvan de HEERE gezegd had tot David, en tot zijn zoon Sálomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal niet voortvaren den voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb; alleenlijk, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de ganse wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft.</verse>
				<verse number="9">Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.</verse>
				<verse number="10">Toen sprak de HEERE door den dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;</verse>
				<verse number="12">Daarom, alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen.</verse>
				<verse number="13">En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, mitsgaders het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist dien uit, en men keert hem om op zijn holligheid.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal het overblijfsel Mijns erfdeels verlaten, en zal ze in de hand hunner vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden.</verse>
				<verse number="15">Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van dien dag, dat hun vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe.</verse>
				<verse number="16">Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="17">Het overige der geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="18">En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="19">Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullémet, een dochter van Haruz van Jotba.</verse>
				<verse number="20">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.</verse>
				<verse number="21">Want hij wandelde in al den weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder.</verse>
				<verse number="22">Zo verliet hij den HEERE, den God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg des HEEREN.</verse>
				<verse number="23">En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis.</verse>
				<verse number="24">Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="25">Het overige nu der geschiedenissen van Amon, die hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="26">En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josía werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jedída, een dochter van Adája, van Bozkath.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; en hij wandelde in al den weg van zijn vader David, en week niet af ter rechter- noch ter linkerhand.</verse>
				<verse number="3">Het geschiedde nu in het achttiende jaar van den koning Josía, dat de koning den schrijver Safan, den zoon van Azália, den zoon van Mesullam, zond in het huis des HEEREN, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Ga op tot Hilkía, den hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis des HEEREN gebracht is, hetwelk de wachters des dorpels van het volk verzameld hebben;</verse>
				<verse number="5">En dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis des HEEREN; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis des HEEREN is, om de breuken van het huis te beteren;</verse>
				<verse number="6">Aan de timmerlieden en de bouwlieden, en de metselaars, en om hout en gehouwene stenen te kopen, om het huis te beteren.</verse>
				<verse number="7">Doch er werd met hen geen rekening gehouden van het geld, dat in hun hand geleverd was, want zij handelden trouwelijk.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide de hogepriester Hilkía tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek in het huis des HEEREN gevonden; en Hilkía gaf dat boek aan Safan, die las het.</verse>
				<verse number="9">Daarna kwam Safan, de schrijver, tot den koning, en bracht den koning bescheid weder, en hij zeide: Uw knechten hebben het geld, dat in het huis gevonden was, samengebracht, en hebben het gegeven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">Ook gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: De priester Hilkía heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="11">Het geschiedde nu, als de koning de woorden des wetboeks hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.</verse>
				<verse number="12">En de koning gebood Hilkía, den priester, en Ahíkam, den zoon van Safan, en Achbor, den zoon van Michája, en Safan, den schrijver, en Asája, den knecht des konings, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Gaat henen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het volk, en voor het ganse Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al wat voor ons geschreven is.</verse>
				<verse number="14">Toen ging de priester Hilkía, en Ahíkam, en Achbor, en Safan, en Asája henen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tikva, den zoon van Harhas, den klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.</verse>
				<verse number="15">En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zegt tot den man, die u tot Mij gezonden heeft:</verse>
				<verse number="16">Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over haar inwoners, namelijk al de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft.</verse>
				<verse number="17">Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zo zal Mijn grimmigheid aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="18">Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft, om den HEERE te vragen, alzo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Aangaande de woorden, die gij gehoord hebt;</verse>
				<verse number="19">Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="20">Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.</verse>
				<verse number="3">De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond.</verse>
				<verse number="4">En de koning gebood den hogepriester Hilkía, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-El dragen.</verse>
				<verse number="5">Daartoe schafte hij de Chemárim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, mitsgaders, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten.</verse>
				<verse number="6">Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks.</verse>
				<verse number="7">Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.</verse>
				<verse number="8">En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-séba toe; en hij brak de hoogten der poorten af, ook die aan de deur der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.</verse>
				<verse number="9">Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.</verse>
				<verse number="10">Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den Molech door het vuur deed gaan.</verse>
				<verse number="11">En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-Mélech, den hoveling, die in Parvárim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.</verse>
				<verse number="12">Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.</verse>
				<verse number="13">De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mashith, die Sálomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel der Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.</verse>
				<verse number="14">Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen.</verse>
				<verse number="15">Daartoe ook het altaar, dat te Beth-El was, en de hoogte, die Jeróbeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.</verse>
				<verse number="16">En als Josía zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.</verse>
				<verse number="17">Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft.</verse>
				<verse number="18">En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomen was.</verse>
				<verse number="19">Daartoe nam Josía ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om den HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-El gedaan had.</verse>
				<verse number="20">En hij slachtte al de priesteren der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="21">En de koning gebood het ganse volk, zeggende: Houdt den HEERE, uw God, pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.</verse>
				<verse number="22">Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israël, noch der koningen van Juda.</verse>
				<verse number="23">Maar in het achttiende jaar van den koning Josía, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden.</verse>
				<verse number="24">En ook deed Josía weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkía in het huis des HEEREN gevonden had.</verse>
				<verse number="25">En vóór hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den HEERE, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.</verse>
				<verse number="26">Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had.</verse>
				<verse number="27">En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.</verse>
				<verse number="28">Het overige nu der geschiedenissen van Josía, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="29">In zijn dagen toog Faraö Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josía toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.</verse>
				<verse number="30">En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Jóahaz, den zoon van Josía, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.</verse>
				<verse number="31">Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamútal, de dochter van Jeremía, van Libna.</verse>
				<verse number="32">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.</verse>
				<verse number="33">Doch Faraö Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.</verse>
				<verse number="34">Ook maakte Faraö Necho Eljákim, den zoon van Josía, koning, in de plaats van zijn vader Josía, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar Jóahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.</verse>
				<verse number="35">En Jójakim gaf dat zilver en dat goud aan Faraö; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Faraö te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Faraö Necho te geven.</verse>
				<verse number="36">Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedája, van Ruma.</verse>
				<verse number="37">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">In zijn dagen toog Nebukadnézar, de koning van Babel, op, en Jójakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.</verse>
				<verse number="2">En de HEERE zond tegen hem de benden der Chaldeeën, en de benden der Syriërs, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten, de profeten.</verse>
				<verse number="3">Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;</verse>
				<verse number="4">Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde de HEERE niet vergeven.</verse>
				<verse number="5">Het overige nu der geschiedenissen van Jójakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?</verse>
				<verse number="6">En Jójakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jójachin werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="7">De koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van den koning van Egypte was.</verse>
				<verse number="8">Jójachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehústa, een dochter van Elnáthan, van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="9">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader gedaan had.</verse>
				<verse number="10">Te dier tijd togen de knechten van Nebukadnézar, den koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.</verse>
				<verse number="11">Zelfs kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden.</verse>
				<verse number="12">Toen ging Jójachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.</verse>
				<verse number="13">En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Sálomo, de koning van Israël, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als de HEERE gesproken had.</verse>
				<verse number="14">En hij voerde gans Jeruzalem weg, mitsgaders al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangenen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk des lands.</verse>
				<verse number="15">Zo voerde hij Jójachin weg naar Babel, mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;</verse>
				<verse number="16">En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.</verse>
				<verse number="17">En de koning van Babel maakte Mattánja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekía.</verse>
				<verse number="18">Zedekía was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamútal, een dochter van Jeremía, van Libna.</verse>
				<verse number="19">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jójakim gedaan had.</verse>
				<verse number="20">Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekía rebelleerde tegen den koning van Babel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.</verse>
				<verse number="2">Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekía.</verse>
				<verse number="3">Op den negenden der vierde maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had,</verse>
				<verse number="4">Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden des nachts door den weg der poort, tussen de twee muren, die aan des konings hof waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door den weg des vlakken velds.</verse>
				<verse number="5">Doch het heir der Chaldeeën jaagde den koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jéricho, en al zijn heir werd van bij hem verstrooid.</verse>
				<verse number="6">Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem.</verse>
				<verse number="7">En zij slachtten de zonen van Zedekía voor zijn ogen, en men verblindde Zedekía's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.</verse>
				<verse number="8">Daarna in de vijfde maand, op den zevenden der maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnézar, den koning van Babel) kwam Nebuzáradan, de overste der trawanten, de knecht des konings van Babel, te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="9">En hij verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur.</verse>
				<verse number="10">En het ganse heir de Chaldeeën, dat met den overste der trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.</verse>
				<verse number="11">Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.</verse>
				<verse number="12">Maar van de armsten des lands liet de overste der trawanten enigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.</verse>
				<verse number="13">Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis des HEEREN waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis des HEEREN was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel.</verse>
				<verse number="14">Zij namen ook de potten, en de schoffelen, en de gaffelen, en de rookschalen, en al de koperen vaten, daar men den dienst mede deed.</verse>
				<verse number="15">En de overste der trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was.</verse>
				<verse number="16">De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Sálomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper van al deze vaten was zonder gewicht.</verse>
				<verse number="17">De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte des kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met het net.</verse>
				<verse number="18">Ook nam de overste der trawanten Serája, den hoofdpriester, en Zefanja, den tweeden priester, en de drie dorpelbewaarders.</verse>
				<verse number="19">En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden.</verse>
				<verse number="20">Als Nebuzáradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot den koning van Babel, naar Ribla.</verse>
				<verse number="21">En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.</verse>
				<verse number="22">Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan.</verse>
				<verse number="23">Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedália tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedália naar Mizpa; namelijk, Ismaël, de zoon van Nethánja, en Jóhanan, de zoon van Karéah, en Serája, de zoon van Tanhúmeth, de Netofathiet, en Jaäzánja, de zoon van den Maächathiet, zij en hun mannen.</verse>
				<verse number="24">En Gedália zwoer hun en hun mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeeën, blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u wel gaan.</verse>
				<verse number="25">Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethánja, den zoon van Elisáma, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedália, dat hij stierf; mitsgaders de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren.</verse>
				<verse number="26">Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën.</verse>
				<verse number="27">Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jójachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmeródach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jójachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.</verse>
				<verse number="28">En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren.</verse>
				<verse number="29">En hij veranderde de klederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.</verse>
				<verse number="30">En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, al de dagen zijns levens.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="13">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Adam, Seth, Enos,</verse>
				<verse number="2">Kenan, Mahalal-el, Jered,</verse>
				<verse number="3">Henoch, Methúsalah, Lamech,</verse>
				<verse number="4">Noach, Sem, Cham en Jafeth.</verse>
				<verse number="5">De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.</verse>
				<verse number="6">En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogárma.</verse>
				<verse number="7">En de kinderen van Javan waren Elísa en Tharsísa, de Chittieten en Dodanieten.</verse>
				<verse number="8">De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraïm, Put, en Kanaän.</verse>
				<verse number="9">En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havíla, en Sabta, en Ráëma, en Sábtecha; en de kinderen van Ráëma waren Scheba en Dedan.</verse>
				<verse number="10">Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.</verse>
				<verse number="11">En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,</verse>
				<verse number="12">En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.</verse>
				<verse number="13">Kanaän nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,</verse>
				<verse number="14">En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,</verse>
				<verse number="15">En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,</verse>
				<verse number="16">En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.</verse>
				<verse number="17">De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.</verse>
				<verse number="18">Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.</verse>
				<verse number="19">Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.</verse>
				<verse number="20">En Joktan gewon Almódad, en Selef, en Hazarmáveth, en Jerah,</verse>
				<verse number="21">En Hadóram, en Uzal, en Dikla,</verse>
				<verse number="22">En Ebal, en Abímaël, en Scheba,</verse>
				<verse number="23">En Ofir, en Havíla, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.</verse>
				<verse number="24">Sem, Arfachsad, Selah,</verse>
				<verse number="25">Heber, Peleg, Rehu,</verse>
				<verse number="26">Serug, Nahor, Terah,</verse>
				<verse number="27">Abram; die is Abraham.</verse>
				<verse number="28">De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël.</verse>
				<verse number="29">Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismaël was Nebájoth, en Kedar, en Adbeël, en Mibsam,</verse>
				<verse number="30">Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,</verse>
				<verse number="31">Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismaël.</verse>
				<verse number="32">De kinderen nu van Ketûra, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Mídian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.</verse>
				<verse number="33">De kinderen van Mídian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abída, en Eldáä. Die allen waren zonen van Ketûra.</verse>
				<verse number="34">Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël.</verse>
				<verse number="35">En de kinderen van Ezau: Elífaz, Rehuël, en Jehus, en Jáëlam, en Korah.</verse>
				<verse number="36">De kinderen van Elífaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gáëtham, Kenaz, en Timna, en Amalek.</verse>
				<verse number="37">De kinderen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.</verse>
				<verse number="38">De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zíbeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.</verse>
				<verse number="39">De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.</verse>
				<verse number="40">De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manáhath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zíbeon waren Aja en Ana.</verse>
				<verse number="41">De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.</verse>
				<verse number="42">De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Záävan, en Jáäkan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.</verse>
				<verse number="43">Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israëls: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhába.</verse>
				<verse number="44">En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.</verse>
				<verse number="45">En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="46">En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam zijner stad was Avith.</verse>
				<verse number="47">En Hadad stierf, en Samla, van Masréka, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="48">En Samla stierf, en Saul, van Rehobôth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="49">En Saul stierf, en Baäl-Hánan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="50">Als Baäl-Hánan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetábeël, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.</verse>
				<verse number="51">Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,</verse>
				<verse number="52">De vorst Aholi-báma, de vorst Ela, de vorst Pinon,</verse>
				<verse number="53">De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,</verse>
				<verse number="54">De vorst Magdiël, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Dezen zijn de kinderen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,</verse>
				<verse number="2">Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.</verse>
				<verse number="3">De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.</verse>
				<verse number="4">Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.</verse>
				<verse number="5">De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.</verse>
				<verse number="6">En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.</verse>
				<verse number="7">En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.</verse>
				<verse number="8">De kinderen van Ethan nu waren Azária.</verse>
				<verse number="9">En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jeráhmeël, en Ram, en Chelúbai.</verse>
				<verse number="10">Ram nu gewon Amminádab, en Amminádab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;</verse>
				<verse number="11">En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.</verse>
				<verse number="12">En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isaï,</verse>
				<verse number="13">En Isaï gewon Elíab, zijn eerstgeborene, en Abinádab, den tweede, en Simea, den derde,</verse>
				<verse number="14">Nethaneël, den vierde, Raddai, den vijfde,</verse>
				<verse number="15">Ozem, den zesde, David, den zevende.</verse>
				<verse number="16">En hun zusters waren Zerúja en Abigáïl. De kinderen nu van Zerúja waren Abísai, en Joab en Asa-El; drie.</verse>
				<verse number="17">En Abigáïl baarde Amása; en de vader van Amása was Jether, een Ismaëliet.</verse>
				<verse number="18">Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azúba, zijn vrouw, en uit Jeríoth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.</verse>
				<verse number="19">Als nu Azúba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.</verse>
				<verse number="20">En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezáleël.</verse>
				<verse number="21">Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.</verse>
				<verse number="22">Segub nu gewon Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.</verse>
				<verse number="23">En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jaïr, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.</verse>
				<verse number="24">En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abía, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekóa.</verse>
				<verse number="25">De kinderen van Jeráhmeël nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahía.</verse>
				<verse number="26">Jeráhmeël had nog een andere vrouw, welker naam was Atára; zij was de moeder van Onam.</verse>
				<verse number="27">En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jeráhmeël waren Maäz, en Jamin, en Eker.</verse>
				<verse number="28">En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abísur.</verse>
				<verse number="29">De naam nu der huisvrouw van Abísur was Abíháïl: die baarde hem Achban en Molid.</verse>
				<verse number="30">En de kinderen van Nadab waren Seled en Appáïm; en Seled stierf zonder kinderen.</verse>
				<verse number="31">En de kinderen van Appáïm waren Jiseï; en de kinderen van Jiseï waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.</verse>
				<verse number="32">En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jónathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.</verse>
				<verse number="33">De kinderen van Jónathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jeráhmeël.</verse>
				<verse number="34">En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.</verse>
				<verse number="35">Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.</verse>
				<verse number="36">Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,</verse>
				<verse number="37">En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,</verse>
				<verse number="38">En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azária,</verse>
				<verse number="39">En Azária gewon Helez, en Helez gewon Elása,</verse>
				<verse number="40">En Elása gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,</verse>
				<verse number="41">En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisáma.</verse>
				<verse number="42">De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jeráhmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Marésa, den vader van Hebron.</verse>
				<verse number="43">De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappúah, en Rekem, en Sema.</verse>
				<verse number="44">Sema nu gewon Raham, den vader van Jórkeam, en Rekem gewon Sammai.</verse>
				<verse number="45">De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.</verse>
				<verse number="46">En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.</verse>
				<verse number="47">De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf.</verse>
				<verse number="48">Uit het bijwijf Máächa gewon Kaleb: Seber en Tirhana.</verse>
				<verse number="49">En de huisvrouw van Saäf, den vader van Madmánna, baarde Seva, den vader van Machbéna, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.</verse>
				<verse number="50">Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jeárim;</verse>
				<verse number="51">Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.</verse>
				<verse number="52">De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jeárim, waren Haroë en Hazihammenúchoth.</verse>
				<verse number="53">En de geslachten van Kirjath-Jeárim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraïeten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraïeten en de Esthaolieten.</verse>
				<verse number="54">De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.</verse>
				<verse number="55">En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinóam, de Jizreëlietische; de tweede Daniël, van Abigáïl, de Karmelietische;</verse>
				<verse number="2">De derde Absalom, de zoon van Máächa, de dochter van Thalmai, den koning te Gesur; de vierde Adónia, de zoon van Haggith;</verse>
				<verse number="3">De vijfde Sefatja, van Abítal; de zesde Jíthream, van zijn huisvrouw Egla.</verse>
				<verse number="4">Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="5">Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Símea, en Sobab, en Nathan, en Sálomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;</verse>
				<verse number="6">Daartoe Jibchar, en Elisáma, en Elifélet,</verse>
				<verse number="7">En Nogah, en Nefeg, en Jafía,</verse>
				<verse number="8">En Elísama, en Eljáda, en Elifélet, negen.</verse>
				<verse number="9">Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.</verse>
				<verse number="10">Sálomo's zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;</verse>
				<verse number="11">Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Aházia; zijn zoon was Joas;</verse>
				<verse number="12">Zijn zoon was Amázia; zijn zoon was Azária; zijn zoon was Jotham;</verse>
				<verse number="13">Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;</verse>
				<verse number="14">Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josía.</verse>
				<verse number="15">De zonen van Josía nu waren dezen: de eerstgeborene Jóhanan, de tweede Jójakim, de derde Zedekía, de vierde Sallum.</verse>
				<verse number="16">De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.</verse>
				<verse number="17">En de kinderen van Jechónia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël;</verse>
				<verse number="18">Dezes zonen waren Malchíram, en Pedája, en Senázar, Jekámja, Hósama en Nedábja.</verse>
				<verse number="19">De kinderen van Pedája nu waren Zerubbábel en Simeï; en de kinderen van Zerubbábel waren Mesullam en Hanánja; en Selomith was hunlieder zuster;</verse>
				<verse number="20">En Hasúba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhésed; vijf.</verse>
				<verse number="21">De kinderen van Hanánja nu waren Pelatja en Jesája. De kinderen van Refája, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.</verse>
				<verse number="22">De kinderen nu van Sechanja waren Semája; en de kinderen van Semája waren Hattus, en Jígeal, en Baríah, en Neárja, en Safat; zes.</verse>
				<verse number="23">En de kinderen van Neárja waren Eljoënai, en Hizkía, en Azríkam; drie.</verse>
				<verse number="24">En de kinderen van Eljoënai waren Hodájeva, en Eljasib, en Pelája, en Akkub, en Jóhanan, en Delája, en Anáni; zeven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.</verse>
				<verse number="2">En Reája, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahúmai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;</verse>
				<verse number="3">En dezen zijn van den vader Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelpóni.</verse>
				<verse number="4">En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.</verse>
				<verse number="5">Asschur nu, de vader van Thekóa, had twee vrouwen, Hela en Náära.</verse>
				<verse number="6">En Náära baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Témeni, en Haähástari. Dit zijn de kinderen van Náära.</verse>
				<verse number="7">En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezóhar, en Ethnan.</verse>
				<verse number="8">En Koz gewon Anub en Hazobéba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.</verse>
				<verse number="9">Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.</verse>
				<verse number="10">Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.</verse>
				<verse number="11">En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.</verse>
				<verse number="12">Eston nu gewon Beth-rafa, en Paséa, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.</verse>
				<verse number="13">En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Serája; en de kinderen van Othniël, Hathath.</verse>
				<verse number="14">En Meónothai gewon Ofra; en Serája gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.</verse>
				<verse number="15">De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.</verse>
				<verse number="16">En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thírea en Asáreël.</verse>
				<verse number="17">En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemóa.</verse>
				<verse number="18">En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekúthiël, den vader van Zanóah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Faraö, die Mered genomen had.</verse>
				<verse number="19">En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehíla, de Garmiet, en Esthemóa, de Maächathiet.</verse>
				<verse number="20">En de kinderen van Simon nu waren Ammon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Iseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.</verse>
				<verse number="21">De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Marésa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbéa.</verse>
				<verse number="22">Daartoe Jokim, en de mannen van Chozéba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasúbiléhem; doch deze dingen zijn oud.</verse>
				<verse number="23">Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.</verse>
				<verse number="24">De kinderen van Simeon waren Nenúël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.</verse>
				<verse number="25">Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.</verse>
				<verse number="26">De kinderen van Misma waren dezen: Hammúël zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simeï zijn zoon.</verse>
				<verse number="27">Simeï nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.</verse>
				<verse number="28">En zij woonden te Ber-séba, en te Mólada, en te Hazar-Sual,</verse>
				<verse number="29">En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,</verse>
				<verse number="30">En te Bethúël, en te Horma, en te Ziklag,</verse>
				<verse number="31">En te Beth-markabôth, en te Hazar-Susim, en te Beth-bíri, en te Saäráïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.</verse>
				<verse number="32">En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.</verse>
				<verse number="33">En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.</verse>
				<verse number="34">Doch Mesóbab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amázia,</verse>
				<verse number="35">En Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël,</verse>
				<verse number="36">En Eljoënai, en Jaäkóba, en Jesóhaja, en Asája, en Adíël, en Jesiméël, en Benája,</verse>
				<verse number="37">En Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedája, den zoon van Simri, den zoon van Semája;</verse>
				<verse number="38">Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.</verse>
				<verse number="39">En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.</verse>
				<verse number="40">En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren.</verse>
				<verse number="41">Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkía, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.</verse>
				<verse number="42">Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Símeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refája, en Izziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden.</verse>
				<verse number="43">En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;</verse>
				<verse number="2">Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.)</verse>
				<verse number="3">De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.</verse>
				<verse number="4">De kinderen van Joël: zijn zoon Semája; zijn zoon Gog; zijn zoon Simeï;</verse>
				<verse number="5">Zijn zoon Micha; zijn zoon Reája; zijn zoon Baäl;</verse>
				<verse number="6">Zijn zoon Béëra, welken Tiglath-Pilnéser, de koning van Assyrië, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.</verse>
				<verse number="7">Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja,</verse>
				<verse number="8">En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo, en Baäl-Meon,</verse>
				<verse number="9">En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.</verse>
				<verse number="10">En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.</verse>
				<verse number="11">De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.</verse>
				<verse number="12">Joël was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jáënai en Safat bleven in Basan.</verse>
				<verse number="13">Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michaël, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.</verse>
				<verse number="14">Dezen zijn de kinderen van Abiháïl, den zoon van Huri, den zoon van Jaróah, den zoon van Gilead, den zoon van Michaël, den zoon van Jesísai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.</verse>
				<verse number="15">Ahi, de zoon van Abdiël, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.</verse>
				<verse number="16">En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.</verse>
				<verse number="17">Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, den koning van Israël.</verse>
				<verse number="18">Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.</verse>
				<verse number="19">En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab.</verse>
				<verse number="20">Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden.</verse>
				<verse number="21">En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.</verse>
				<verse number="22">Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.</verse>
				<verse number="23">De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.</verse>
				<verse number="24">Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jiseï, en Elíël, en Azriël, en Jeremía, en Hodávja, en Jahdíël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.</verse>
				<verse number="25">Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd.</verse>
				<verse number="26">Zo verwekte de God Israëls den geest van Pul, den koning van Assyrië, en den geest van Tiglath-Pilnéser, den koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merári.</verse>
				<verse number="2">De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël.</verse>
				<verse number="3">En de kinderen van Amram waren Aäron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aäron waren Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar.</verse>
				<verse number="4">En Eleázar gewon Pínehas, Pínehas gewon Abisúa;</verse>
				<verse number="5">En Abisúa gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;</verse>
				<verse number="6">En Uzzi gewon Zeráhja, en Zeráhja gewon Merajôth;</verse>
				<verse number="7">En Merajôth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahítub;</verse>
				<verse number="8">En Ahítub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimáäz;</verse>
				<verse number="9">En Ahimáäz gewon Azarja, en Azarja gewon Jóhanan;</verse>
				<verse number="10">En Jóhanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Sálomo te Jeruzalem gebouwd had.</verse>
				<verse number="11">En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahítub;</verse>
				<verse number="12">En Ahítub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;</verse>
				<verse number="13">En Sallum gewon Hilkía, en Hilkía gewon Azarja;</verse>
				<verse number="14">En Azarja gewon Serája, en Serája gewon Józadak;</verse>
				<verse number="15">En Józadak ging mede, als de HEERE Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnézar.</verse>
				<verse number="16">Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merári.</verse>
				<verse number="17">En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simeï.</verse>
				<verse number="18">En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzzíël.</verse>
				<verse number="19">De kinderen van Merári waren Máheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.</verse>
				<verse number="20">Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;</verse>
				<verse number="21">Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeáthrai.</verse>
				<verse number="22">De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminádab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;</verse>
				<verse number="23">Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjásaf; en zijn zoon Assir;</verse>
				<verse number="24">Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uríël; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.</verse>
				<verse number="25">De kinderen van Elkana nu waren Amásia en Ahimôth.</verse>
				<verse number="26">Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;</verse>
				<verse number="27">Zijn zoon Elíab; zijn zoon Jeróham; zijn zoon Elkana.</verse>
				<verse number="28">De zonen van Samuël nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abía.</verse>
				<verse number="29">De kinderen van Merári waren Máheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simeï; zijn zoon Uzza;</verse>
				<verse number="30">Zijn zoon Símea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asája.</verse>
				<verse number="31">Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rust gekomen was.</verse>
				<verse number="32">En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Sálomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.</verse>
				<verse number="33">Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,</verse>
				<verse number="34">Den zoon van Elkana, den zoon van Jeróham, den zoon van Elíël, den zoon van Toah,</verse>
				<verse number="35">Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amásai,</verse>
				<verse number="36">Den zoon van Elkana, den zoon van Joël, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,</verse>
				<verse number="37">Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjásaf, den zoon van Korah,</verse>
				<verse number="38">Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israël.</verse>
				<verse number="39">En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Símea,</verse>
				<verse number="40">Den zoon van Michaël, den zoon van Baëseja, den zoon van Malchija,</verse>
				<verse number="41">Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adája,</verse>
				<verse number="42">Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simeï,</verse>
				<verse number="43">Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.</verse>
				<verse number="44">Hunne broeders nu, de kinderen van Merári, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,</verse>
				<verse number="45">Den zoon van Hasabja, den zoon van Amázia, den zoon van Hilkía,</verse>
				<verse number="46">Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,</verse>
				<verse number="47">Den zoon van Máheli, den zoon van Musi, den zoon van Merári, den zoon van Levi.</verse>
				<verse number="48">Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.</verse>
				<verse number="49">Aäron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israël verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.</verse>
				<verse number="50">Dit nu zijn de kinderen van Aäron: Eleázar, was zijn zoon; Pínehas zijn zoon; Abisúa zijn zoon;</verse>
				<verse number="51">Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon Seráhja zijn zoon;</verse>
				<verse number="52">Merajôth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahítub zijn zoon;</verse>
				<verse number="53">Zadok zijn zoon; Ahimáäz zijn zoon.</verse>
				<verse number="54">En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van Aäron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.</verse>
				<verse number="55">En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve.</verse>
				<verse number="56">Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne.</verse>
				<verse number="57">En den kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemóa, en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="58">En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="59">En Asan en haar voorsteden, en Beth-Sémes en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="60">Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allémeth en haar voorsteden, en Anáthoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.</verse>
				<verse number="61">Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.</verse>
				<verse number="62">En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.</verse>
				<verse number="63">De kinderen van Merári, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden.</verse>
				<verse number="64">Alzo gaven de kinderen Israëls aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="65">En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden.</verse>
				<verse number="66">Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van Efraïm.</verse>
				<verse number="67">Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="68">En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-hóron en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="69">En Ajálon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="70">En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bíleam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden.</verse>
				<verse number="71">De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharôth, en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="72">En van den stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="73">En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="74">En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdon en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="75">En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="76">En van den stam van Nafthali: Kedes in Galiléa, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjatháïm en haar voorsteden.</verse>
				<verse number="77">De overige kinderen van Merári hadden van den stam van Zebulon: Rimmóno en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="78">En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="79">En Kedémoth en haar voorsteden, en Méfaäth en haar voorsteden;</verse>
				<verse number="80">En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanáïm en haar voorsteden,</verse>
				<verse number="81">En Hesbon en haar voorsteden, en Jáëzer en haar voorsteden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.</verse>
				<verse number="2">De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refája, en Jeriël, en Jachmai, en Jibsam, en Samuël; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="3">En de kinderen van Uzzi waren Jizráhja; en de kinderen van Jizráhja waren Michaël, en Obadja, en Joël, en Jisía; deze vijf waren al te zamen hoofden.</verse>
				<verse number="4">En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.</verse>
				<verse number="5">En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.</verse>
				<verse number="6">De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jedíaël; drie.</verse>
				<verse number="7">En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzzíël, en Jerimôth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.</verse>
				<verse number="8">De kinderen van Becher nu waren Zemíra, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Omri, en Jerémoth, en Abíja, en Anáthoth, en Alémeth; deze allen waren kinderen van Becher.</verse>
				<verse number="9">Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.</verse>
				<verse number="10">De kinderen van Jedíaël nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeüs en Benjamin, en Ehud, en Chenáäna, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.</verse>
				<verse number="11">Alle dezen waren kinderen van Jedíaël, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.</verse>
				<verse number="12">Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.</verse>
				<verse number="13">De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.</verse>
				<verse number="14">De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.</verse>
				<verse number="15">Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Máächa; en de naam des tweeden was Zeláfead. Zeláfead nu had dochters.</verse>
				<verse number="16">En Máächa, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.</verse>
				<verse number="17">De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.</verse>
				<verse number="18">Belangende nu zijn zuster Molécheth, zij baarde Ishod, en Abiézer, en Máhela.</verse>
				<verse number="19">De kinderen van Semída nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aníam.</verse>
				<verse number="20">En de kinderen van Efraïm waren Suthélah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Eláda; en zijn zoon Tahath;</verse>
				<verse number="21">En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthélah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.</verse>
				<verse number="22">Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.</verse>
				<verse number="23">Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Bería, omdat zij in ellende was in zijn huis.</verse>
				<verse number="24">Zijn dochter nu was Séëra, die bouwde het lage en het hoge Beth-hóron, en Uzzen-Séëra.</verse>
				<verse number="25">En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;</verse>
				<verse number="26">Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammíhud; zijn zoon Elisáma;</verse>
				<verse number="27">Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.</verse>
				<verse number="28">En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Náäran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.</verse>
				<verse number="29">En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Tháänach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israël, gewoond.</verse>
				<verse number="30">De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Bería, en Sera, hunlieder zuster.</verse>
				<verse number="31">De kinderen van Bería nu waren Heber en Málchiël; hij is de vader van Birzávith.</verse>
				<verse number="32">En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.</verse>
				<verse number="33">De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.</verse>
				<verse number="34">En de zonen van Semer waren Ahi en Róhega, Jehubba en Aram.</verse>
				<verse number="35">En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.</verse>
				<verse number="36">De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnéfer, en Sual, en Beri, en Jimra,</verse>
				<verse number="37">Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beëra.</verse>
				<verse number="38">De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.</verse>
				<verse number="39">En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanníël, en Rizja.</verse>
				<verse number="40">Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,</verse>
				<verse number="2">Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.</verse>
				<verse number="3">Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abíhud,</verse>
				<verse number="4">En Abisúa, en Náäman, en Ahóah,</verse>
				<verse number="5">En Gera, en Sefúfan, en Huram.</verse>
				<verse number="6">Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manáhath;</verse>
				<verse number="7">En Náäman, en Ahía, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahíhud.</verse>
				<verse number="8">En Saharáïm gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Báära, zijn vrouwen;</verse>
				<verse number="9">En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,</verse>
				<verse number="10">En Jeüz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen.</verse>
				<verse number="11">En uit Husim gewon hij Abítub en Elpáäl.</verse>
				<verse number="12">De kinderen van Elpáäl nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar onderhorige plaatsen;</verse>
				<verse number="13">En Bería, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajálon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.</verse>
				<verse number="14">En Ahjo, Sasak en Jerémoth,</verse>
				<verse number="15">En Zebádja, en Arad, en Eder,</verse>
				<verse number="16">En Míchaël, en Jispa, en Joha waren kinderen van Bería.</verse>
				<verse number="17">En Zebádja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,</verse>
				<verse number="18">En Jismerai, en Jizlía en Jobab, de kinderen van Elpáäl.</verse>
				<verse number="19">En Jakim, en Zichri, en Zabdi,</verse>
				<verse number="20">En Eljoënai, en Zillethai, en Elíël,</verse>
				<verse number="21">En Adája, en Berája, en Simrath waren kinderen van Simeï.</verse>
				<verse number="22">En Jispan, en Eber, en Elíël,</verse>
				<verse number="23">En Abdon, en Zichri, en Hanan,</verse>
				<verse number="24">En Hananja, en Elam, en Antothija,</verse>
				<verse number="25">En Jífdeja, en Pnuël waren zonen van Sasak.</verse>
				<verse number="26">En Sámserai, en Seharja, en Athalja,</verse>
				<verse number="27">En Jaäresja, en Elía, en Zichri waren zonen van Jeróham.</verse>
				<verse number="28">Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="29">En te Gíbeon woonde de vader van Gíbeon; en de naam zijner huisvrouw was Máächa.</verse>
				<verse number="30">En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Nadab,</verse>
				<verse number="31">En Gedor, en Ahío, en Zecher.</verse>
				<verse number="32">En Mikloth gewon Símea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.</verse>
				<verse number="33">Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jónathan, en Malchi-sua, Abinádab, en Esbáäl.</verse>
				<verse number="34">En Jónathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl gewon Micha.</verse>
				<verse number="35">De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaäréa, en Achaz.</verse>
				<verse number="36">En Achaz gewon Jehóadda, en Jehóadda gewon Alémeth, en Azmáveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;</verse>
				<verse number="37">En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elása; zijn zoon was Azel.</verse>
				<verse number="38">Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azríkam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.</verse>
				<verse number="39">En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifélet, de derde.</verse>
				<verse number="40">En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, den boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al dezen waren van de kinderen van Benjamin.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En gans Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtredingen wil.</verse>
				<verse number="2">De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de Nethínim.</verse>
				<verse number="3">Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;</verse>
				<verse number="4">Uthai, de zoon van Ammíhud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.</verse>
				<verse number="5">En van de Silonieten was Asája, de eerstgeborene, en zijn kinderen.</verse>
				<verse number="6">En van de kinderen van Zerah was Jeúël, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.</verse>
				<verse number="7">En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodávja, den zoon van Hassenúa;</verse>
				<verse number="8">En Jibnéa, de zoon van Jeróham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reúël, den zoon van Jibnija;</verse>
				<verse number="9">En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.</verse>
				<verse number="10">Van de priesteren nu, Jedája, en Jojárib, en Jachin,</verse>
				<verse number="11">En Azarja, de zoon van Hilkija, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajôth, den zoon van Ahítub, overste van het huis Gods;</verse>
				<verse number="12">En Adája, de zoon van Jeróham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiël, den zoon van Jahzéra, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillémith, den zoon van Immer.</verse>
				<verse number="13">Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.</verse>
				<verse number="14">Van de Levieten nu waren Semája, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merári;</verse>
				<verse number="15">En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;</verse>
				<verse number="16">En Obadja, de zoon van Semája, den zoon van Galal, den zoon van Jedûthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.</verse>
				<verse number="17">De poortiers nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahíman, en hun broeders; Sallum was het hoofd.</verse>
				<verse number="18">Ook tot nog toe, aan de poort des konings oostwaarts, waren dezen de poortiers onder de legers der kinderen van Levi.</verse>
				<verse number="19">En Sallum, de zoon van Koré, den zoon van Ebjásaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korahieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den ingang;</verse>
				<verse number="20">Als Pínehas, de zoon van Eleázar, te voren voorganger bij hen was, met welken de HEERE was.</verse>
				<verse number="21">Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortier aan de deur van de tent der samenkomst.</verse>
				<verse number="22">Allen, die uitgelezen waren tot poortiers aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.</verse>
				<verse number="23">Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis des HEEREN, in het huis der tent, aan de wachten.</verse>
				<verse number="24">Die poortiers waren aan de vier winden, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden.</verse>
				<verse number="25">En hun broeders waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;</verse>
				<verse number="26">Want in dat ambt waren vier overste poortiers, die Levieten waren; en zij waren over de kameren en over de schatten van het huis Gods.</verse>
				<verse number="27">En zij bleven over nacht rondom het huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen.</verse>
				<verse number="28">En enigen van hen waren over de vaten van den dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit.</verse>
				<verse number="29">Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over al de heilige vaten, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerijen.</verse>
				<verse number="30">En uit de zonen der priesteren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.</verse>
				<verse number="31">En Mattithja uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van Sallum, den Korahiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt.</verse>
				<verse number="32">En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren enigen over de broden der toerichting, om die alle sabbatten te bereiden.</verse>
				<verse number="33">Uit dezen zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten in de kameren, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.</verse>
				<verse number="34">Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="35">Maar te Gíbeon hadden gewoond Jeïel, de vader van Gíbeon; de naam zijner zuster nu was Máächa.</verse>
				<verse number="36">En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Ner, en Nadab.</verse>
				<verse number="37">En Gedor, en Ahío, en Zacharja, en Mikloth.</verse>
				<verse number="38">Mikloth nu gewon Símeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.</verse>
				<verse number="39">En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jónathan, en Malchi-sua, en Abinádab, en Esbáäl.</verse>
				<verse number="40">En Jónathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl gewon Micha.</verse>
				<verse number="41">De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaëréa.</verse>
				<verse number="42">En Achaz gewon Jáëra, en Jáëra gewon Alémeth, en Azmáveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;</verse>
				<verse number="43">En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refája; wiens zoon was Elása; wiens zoon was Azel.</verse>
				<verse number="44">Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azríkam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilbóa.</verse>
				<verse number="2">En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jónathan, en Abinádab, en Malchi-sua, de zonen van Saul.</verse>
				<verse number="3">En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan; en hij vreesde zeer voor de schutters.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.</verse>
				<verse number="5">Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in het zwaard en stierf.</verse>
				<verse number="6">Alzo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn ganse huis is tegelijk gestorven.</verse>
				<verse number="7">Als al de mannen van Israël, die in het dal waren, zagen, dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.</verse>
				<verse number="8">Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilbóa.</verse>
				<verse number="9">En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk.</verse>
				<verse number="10">En zij legden zijn wapenen in het huis huns gods; en zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon.</verse>
				<verse number="11">Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,</verse>
				<verse number="12">Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.</verse>
				<verse number="13">Alzo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den HEERE, tegen het woord des HEEREN, hetwelk hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende,</verse>
				<verse number="14">En den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isaï.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Toen vergaderde zich gans Israël tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.</verse>
				<verse number="2">Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israël.</verse>
				<verse number="3">Ook kwamen alle oudsten in Israël tot den koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israël, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuël.</verse>
				<verse number="4">En David toog henen, en gans Israël, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.</verse>
				<verse number="5">En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.</verse>
				<verse number="6">Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zerúja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.</verse>
				<verse number="7">David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.</verse>
				<verse number="8">En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.</verse>
				<verse number="9">En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.</verse>
				<verse number="10">Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israël, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israël.</verse>
				<verse number="11">Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasóbam, de zoon van Hachmóni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.</verse>
				<verse number="12">En na hem was Eleázar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.</verse>
				<verse number="13">Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;</verse>
				<verse number="14">En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.</verse>
				<verse number="15">En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaïm.</verse>
				<verse number="16">En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.</verse>
				<verse number="17">En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?</verse>
				<verse number="18">Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;</verse>
				<verse number="19">En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.</verse>
				<verse number="20">Abísai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.</verse>
				<verse number="21">Uit die drie was hij geëerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de eerste drie niet.</verse>
				<verse number="22">Benája, de zoon van Jójada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeël, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.</verse>
				<verse number="23">Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn eigen spies.</verse>
				<verse number="24">Deze dingen deed Benája, de zoon van Jójada; dies had hij een naam onder die drie helden.</verse>
				<verse number="25">Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.</verse>
				<verse number="26">De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;</verse>
				<verse number="27">Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;</verse>
				<verse number="28">Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoïet; Abiëzer, de Anathothiet;</verse>
				<verse number="29">Sibbechaï, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;</verse>
				<verse number="30">Máharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Báäna, de Netofathiet;</verse>
				<verse number="31">Ithai, de zoon van Ribai, van Gíbea der kinderen Benjamins; Benája, de Pirhathoniet;</verse>
				<verse number="32">Hurai, van de beken van Gaäs; Abíël; de Arbathiet;</verse>
				<verse number="33">Azmáveth, de Baharumiet; Eljáhba, de Saälboniet;</verse>
				<verse number="34">Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jónathan, de zoon van Sagé, de Harariet;</verse>
				<verse number="35">Ahíam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elífal, de zoon van Ur;</verse>
				<verse number="36">Hefer, de Mecherathiet; Ahía, de Peloniet;</verse>
				<verse number="37">Hezro, de Karmeliet; Náäri, de zoon van Ezbai;</verse>
				<verse number="38">Joël, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;</verse>
				<verse number="39">Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zerúja;</verse>
				<verse number="40">Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;</verse>
				<verse number="41">Uría, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;</verse>
				<verse number="42">Adína, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;</verse>
				<verse number="43">Hanan, de zoon van Máächa, en Jósafat, de Mithniet;</verse>
				<verse number="44">Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeïel, de zoon van Hotham, den Aroëriet;</verse>
				<verse number="45">Jedíaël, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;</verse>
				<verse number="46">Elíël Hammáhavim en Jeríbai, en Jósávia, de zonen van Elnáäm; en Jithma, de Moabiet;</verse>
				<verse number="47">Elíël, en Obed, en Jaäzíël van Mezóbaja.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.</verse>
				<verse number="2">Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van de broederen van Saul, uit Benjamin.</verse>
				<verse number="3">Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semáä, den Gibeathiet; daarna Jeziël en Pelet, zonen van Azmáveth, en Berácha, en Jehu, de Anathothiet.</verse>
				<verse number="4">En Jísmaja, de Gíbeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jírmeja, en Jaháziël, en Jóhanan, en Józabad, de Géderathiet;</verse>
				<verse number="5">Elúzai, en Jerimoth, en Beálja, en Semárja, en Sefátja, de Harufiet;</verse>
				<verse number="6">Elkana, en Jissía, en Azáreël, en Joëzer, en Jasóbam, de Korahieten;</verse>
				<verse number="7">En Joëla en Zebadja, de zonen van Jeróham, van Gedor.</verse>
				<verse number="8">Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeën op de bergen in snelheid.</verse>
				<verse number="9">Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Elíab de derde;</verse>
				<verse number="10">Mismánna de vierde; Jirméja de vijfde;</verse>
				<verse number="11">Attai de zesde; Elíël de zevende;</verse>
				<verse number="12">Jóhanan de achtste; Elzábad de negende;</verse>
				<verse number="13">Jirméja de tiende; Machbánnai de elfde.</verse>
				<verse number="14">Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.</verse>
				<verse number="15">Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners der laagten, tegen het oosten en tegen het westen.</verse>
				<verse number="16">Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.</verse>
				<verse number="17">En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!</verse>
				<verse number="18">En de Geest toog Amásai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.</verse>
				<verse number="19">Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.</verse>
				<verse number="20">Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Józabad, en Jedíaël, en Míchaël, en Józabad, en Elíhu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.</verse>
				<verse number="21">En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.</verse>
				<verse number="22">Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods.</verse>
				<verse number="23">En dit zijn de getallen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des HEEREN:</verse>
				<verse number="24">Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten heire;</verse>
				<verse number="25">Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;</verse>
				<verse number="26">Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;</verse>
				<verse number="27">En Jehójada was overste der Aäronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd.</verse>
				<verse number="28">En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;</verse>
				<verse number="29">En van de kinderen van Benjamin, de broederen van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden;</verse>
				<verse number="30">En van de kinderen van Efraïm, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;</verse>
				<verse number="31">En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;</verse>
				<verse number="32">En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders pasten op hun woord;</verse>
				<verse number="33">Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;</verse>
				<verse number="34">En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.</verse>
				<verse number="35">En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;</verse>
				<verse number="36">En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;</verse>
				<verse number="37">En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.</verse>
				<verse number="38">Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israël. En ook was al het overige van Israël één hart, om David tot koning te maken.</verse>
				<verse number="39">En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broeders hadden voor hen wat toebereid.</verse>
				<verse number="40">En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En David hield raad met de oversten der duizenden en der honderden, en met alle vorsten.</verse>
				<verse number="2">En David zeide tot de ganse gemeente van Israël: Indien het ulieden goeddunkt, en van den HEERE, onzen God, te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israël, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden.</verse>
				<verse number="3">En laat ons de ark onzes Gods tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de ganse gemeente, dat men alzo doen zou; want die zaak was recht in de ogen des gansen volks.</verse>
				<verse number="5">David dan vergaderde gans Israël van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark Gods te brengen van Kirjath-Jeárim.</verse>
				<verse number="6">Toen toog David op met het ganse Israël naar Baäla, dat is, Kirjath-Jeárim, hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark Gods, des HEEREN, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen.</verse>
				<verse number="7">En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinádab. Uza nu en Ahío leidden den wagen.</verse>
				<verse number="8">En David en gans Israël speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten.</verse>
				<verse number="9">Toen zij aan den dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.</verse>
				<verse number="10">Toen ontstak de toorn des HEEREN over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.</verse>
				<verse number="11">En David ontstak, dat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij diezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="12">En David vreesde den HEERE te dien dage, zeggende: Hoe zal ik de ark Gods tot mij brengen?</verse>
				<verse number="13">Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.</verse>
				<verse number="14">Alzo bleef de ark Gods bij het huisgezin van Obed-Edom, in zijn huis, drie maanden; en de HEERE zegende het huis van Obed-Edom, en alles, wat hij had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.</verse>
				<verse number="2">En David merkte, dat hem de HEERE tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, om Zijns volks Israëls wil.</verse>
				<verse number="3">En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="4">Dit nu zijn de namen der kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammúa, en Sobab, Nathan en Sálomo,</verse>
				<verse number="5">En Jibchar, en Elisúa, en Elpélet,</verse>
				<verse number="6">En Nogah, en Nefeg, en Jafia,</verse>
				<verse number="7">En Elisáma, en Beëljada, en Elifélet.</verse>
				<verse number="8">Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het ganse Israël, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.</verse>
				<verse number="9">Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaïm.</verse>
				<verse number="10">Toen vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven.</verse>
				<verse number="11">Toen zij nu optogen naar Baäl-Perázim, zo sloeg hen David daar; en David zeide: God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemden zij den naam derzelver plaats Baäl-Perázim.</verse>
				<verse number="12">En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.</verse>
				<verse number="13">Doch de Filistijnen voeren nog voort, en zij verspreidden zich in dat dal.</verse>
				<verse number="14">En David vraagde God nog eens; en God zeide tot hem: Gij zult niet optrekken achter hen heen; maar omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover de moerbeziënbomen.</verse>
				<verse number="15">En het zal geschieden, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbeziënbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger der Filistijnen te slaan.</verse>
				<verse number="16">David nu deed, gelijk als hem God geboden had; en zij sloegen het heir der Filistijnen van Gíbeon af tot aan Gezer.</verse>
				<verse number="17">Alzo ging Davids naam uit in al die landen; en de HEERE gaf zijn verschrikking over al die heidenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde der ark Gods een plaats, en spande een tent voor haar.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide David: Niemand mag de ark Gods dragen, dan de Levieten; want die heeft de HEERE verkoren, om de ark Gods te dragen, en om Hem te dienen tot in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="3">Ook vergaderde David gans Israël te Jeruzalem, om de ark des HEEREN op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had.</verse>
				<verse number="4">En David verzamelde de kinderen van Aäron en de Levieten.</verse>
				<verse number="5">Van de kinderen van Kehath was Uríël overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.</verse>
				<verse number="6">Van de kinderen van Merári was Asája overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.</verse>
				<verse number="7">Van de kinderen van Gersom was Joël overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.</verse>
				<verse number="8">Uit de kinderen van Elízafan was overste Semája, en van zijn broederen waren tweehonderd.</verse>
				<verse number="9">Uit de kinderen van Hebron was Elíël overste, en zijn broederen waren tachtig.</verse>
				<verse number="10">Uit de kinderen van Uzzíël was Amminádab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.</verse>
				<verse number="11">En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uríël, Asája en Joël, Semája, en Elíël, en Amminádab.</verse>
				<verse number="12">En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij en uw broeders, dat gij de ark des HEEREN, des Gods van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb.</verse>
				<verse number="13">Want omdat gijlieden ten eerste dit niet deedt, heeft de HEERE, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht.</verse>
				<verse number="14">Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark des HEEREN, des Gods van Israël, op te brengen.</verse>
				<verse number="15">En de kinderen der Levieten droegen de ark Gods op hun schouderen, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="16">En David zeide tot de oversten der Levieten, dat zij hun broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.</verse>
				<verse number="17">Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joël, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merári, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusája;</verse>
				<verse number="18">En met hen hun broeders van de tweede orde: Zechárja, Ben en Jaäzíël, en Semíramoth, en Jehíël, en Unni, Elíab, en Benája, en Maäséja, en Mattithja, en Eliféle, en Miknéja, en Obed-Edom, en Jeíël, de poortiers.</verse>
				<verse number="19">De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen;</verse>
				<verse number="20">En Zechárja, en Aziël, en Semíramoth, en Jehíël, en Unni, en Elíab, en Maäséja, en Benája, met luiten op Alámoth.</verse>
				<verse number="21">En Mattithja, en Eliféle, en Miknéja, en Obed-Edom, en Jeíël, en Azázja, met harpen op de Scheminíth, om den toon te versterken.</verse>
				<verse number="22">En Chenánja, de overste der Levieten, was over het opheffen; hij onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig.</verse>
				<verse number="23">En Berechja en Elkana waren poortiers der ark.</verse>
				<verse number="24">En Sebánja, en Jósafat, en Nethánaël, en Amásai, en Zechárja, en Benája, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehía waren poortiers der ark.</verse>
				<verse number="25">Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israël, en de oversten der duizenden, henengingen, om de ark des verbonds des HEEREN op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde;</verse>
				<verse number="26">Zo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.</verse>
				<verse number="27">David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenánja, de overste van het opheffen der zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.</verse>
				<verse number="28">Alzo bracht gans Israël de ark des verbonds des HEEREN op, met gejuich, en met geluid der bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen.</verse>
				<verse number="29">Het geschiedde nu, toen de ark des verbonds des HEEREN tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en den koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Toen zij de ark Gods inbrachten, zo stelden zij ze in het midden der tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht Gods.</verse>
				<verse number="2">Als David het brandoffer en de dankofferen geëindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in den Naam des HEEREN.</verse>
				<verse number="3">En hij deelde een iegelijk in Israël, van den man tot de vrouw, een iegelijk een bol broods, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn.</verse>
				<verse number="4">En hij stelde voor de ark des HEEREN sommigen uit de Levieten tot dienaars, en dat, om den HEERE, den God Israëls, te vermelden, en te loven, en te prijzen.</verse>
				<verse number="5">Asaf was het hoofd, en Zechárja de tweede na hem; Jeíël, en Semíramoth, en Jehíël, en Mattithja, en Elíab, en Benája, en Obed-Edom, en Jeíël, met instrumenten der luiten en met harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen;</verse>
				<verse number="6">Maar Benája en Jaháziël, de priesters, steeds met trompetten voor de ark des verbonds van God.</verse>
				<verse number="7">Te dienzelven dage gaf David ten eerste dezen psalm, om den HEERE te loven, door den dienst van Asaf, en zijn broederen.</verse>
				<verse number="8">Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.</verse>
				<verse number="9">Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.</verse>
				<verse number="10">Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde.</verse>
				<verse number="11">Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.</verse>
				<verse number="12">Gedenkt Zijner wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en de oordelen Zijns monds;</verse>
				<verse number="13">Gij, zaad van Israël, Zijn dienaar, gij, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!</verse>
				<verse number="14">Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.</verse>
				<verse number="15">Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijns verbonds, des woords, dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht;</verse>
				<verse number="16">Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;</verse>
				<verse number="17">Welken Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond;</verse>
				<verse number="18">Zeggende: Ik zal u het land Kanaän geven, een snoer van ulieder erfdeel;</verse>
				<verse number="19">Als gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.</verse>
				<verse number="20">En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.</verse>
				<verse number="21">Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:</verse>
				<verse number="22">Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.</verse>
				<verse number="23">Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.</verse>
				<verse number="24">Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.</verse>
				<verse number="25">Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.</verse>
				<verse number="26">Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.</verse>
				<verse number="27">Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.</verse>
				<verse number="28">Geeft den HEERE, gij, geslachten der volken, geeft den HEERE eer en sterkte.</verse>
				<verse number="29">Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, brengt offer, en komt voor Zijn aangezicht; aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.</verse>
				<verse number="30">Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.</verse>
				<verse number="31">Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.</verse>
				<verse number="32">Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.</verse>
				<verse number="33">Dan zullen de bomen des wouds juichen voor het aangezicht des HEEREN, omdat Hij komt, om de aarde te richten.</verse>
				<verse number="34">Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="35">En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.</verse>
				<verse number="36">Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den HEERE.</verse>
				<verse number="37">Alzo liet hij daar, voor de ark des verbonds des HEEREN, Asaf en zijn broederen, om geduriglijk te dienen voor de ark, naardat op elken dag besteld was.</verse>
				<verse number="38">Obed-Edom nu, met hunlieder broederen, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-Edom, den zoon van Jedúthun, en Hosa, tot poortiers;</verse>
				<verse number="39">En den priester Zadok, en zijn broederen, de priesters, voor den tabernakel des HEEREN op de hoogte, welke te Gíbeon is;</verse>
				<verse number="40">Om den HEERE de brandofferen geduriglijk te offeren op het brandofferaltaar, des morgens en des avonds; en zulks naar alles, wat er geschreven staat in de wet des HEEREN, die Hij Israël geboden had.</verse>
				<verse number="41">En met hen Heman en Jedúthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om den HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="42">Met hen dan waren Heman en Jedúthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten der muziek Gods; maar de zonen van Jedúthun waren aan de poort.</verse>
				<verse number="43">Alzo toog het ganse volk henen, een iegelijk in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, den profeet, zeide: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark des verbonds des HEEREN onder gordijnen.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u.</verse>
				<verse number="3">Maar het geschiedde in denzelven nacht, dat het woord Gods tot Nathan kwam, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Alzo zegt de HEERE: Gij zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen.</verse>
				<verse number="5">Want Ik heb in geen huis gewoond van dien dag af, dat Ik Israël heb opgevoerd tot dezen dag toe; maar Ik ben gegaan van tent tot tent, en van tabernakel tot tabernakel.</verse>
				<verse number="6">Overal, waar Ik gewandeld heb met geheel Israël, heb Ik wel een woord gesproken tot een van de richters van Israël, denwelken Ik gebood Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt gijlieden Mij geen cederen huis?</verse>
				<verse number="7">Nu dan, alzo zult gij zeggen tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat gij een voorganger over Mijn volk Israël zoudt zijn;</verse>
				<verse number="8">En Ik ben met u geweest overal, waar gij heengegaan zijt, en Ik heb al uw vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en Ik heb u een naam gemaakt, gelijk de naam is der groten, die op de aarde zijn.</verse>
				<verse number="9">En Ik heb voor Mijn volk Israël een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, gelijk als in het eerst.</verse>
				<verse number="10">En van die dagen af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël; en heb al uw vijanden vernederd; ook heb Ik u te kennen gegeven, dat u de HEERE een huis bouwen zal.</verse>
				<verse number="11">En het zal geschieden, als uw dagen zullen vervuld zijn, dat gij heengaat tot uw vaderen, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, hetwelk uit uw zonen zijn zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.</verse>
				<verse number="12">Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="13">Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn; en Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wenden, gelijk als Ik die weggenomen heb van dien, die vóór u geweest is;</verse>
				<verse number="14">Maar Ik zal hem in Mijn huis bestendig maken, en in Mijn Koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="15">Naar al deze woorden, en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.</verse>
				<verse number="16">Toen kwam de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?</verse>
				<verse number="17">En dit is klein in Uw ogen geweest, o God! daarom hebt Gij van het huis Uws knechts tot van verre heen gesproken, en Gij hebt mij naar menselijke wijze voorzien met deze verhoging, o HEERE God!</verse>
				<verse number="18">Wat zal David meer bij U daartoe voegen, vanwege de eer aan Uw knecht? Doch Gij kent Uw knecht wel.</verse>
				<verse number="19">HEERE, om Uws knechts wil, en naar Uw hart, hebt Gij al deze grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken.</verse>
				<verse number="20">HEERE, er is niemand gelijk Gij, en er is geen God behalve Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.</verse>
				<verse number="21">En wie is als Uw volk Israël, een enig volk op de aarde, hetwelk God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat Gij U een Naam maaktet van grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht Uws volks, hetwelk Gij uit Egypte verlost hebt?</verse>
				<verse number="22">En Gij hebt Uw volk Israël U ten volk gemaakt tot in der eeuwigheid; en Gij, HEERE, zijt hun tot een God geworden.</verse>
				<verse number="23">Nu dan, HEERE, het woord, dat Gij over Uw knecht gesproken hebt, en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid; en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="24">Ja, het worde waar, en Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der heirscharen, de God van Israël, is Israëls God; en het huis van David, Uw knecht, zij bestendig voor Uw aangezicht.</verse>
				<verse number="25">Want Gij, mijn God, hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, dat Gij hem een huis bouwen zoudt; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, om voor Uw aangezicht te bidden.</verse>
				<verse number="26">Nu dan, HEERE, Gij zijt die God; en Gij hebt dit goede over Uw knecht gesproken.</verse>
				<verse number="27">Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het huis Uws knechts, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want Gij, HEERE, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Het geschiedde nu na dezen, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onderbracht; en hij nam Gath, en haar onderhorige plaatsen, uit der Filistijnen hand.</verse>
				<verse number="2">Hij sloeg ook de Moabieten, alzo dat de Moabieten Davids knechten werden, brengende geschenken.</verse>
				<verse number="3">David sloeg ook Hadar-ézer, den koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath.</verse>
				<verse number="4">En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagen paarden; doch hij behield honderd wagens daarvan over.</verse>
				<verse number="5">En de Syriërs van Damaskus kwamen, om Hadar-ézer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.</verse>
				<verse number="6">En David legde bezettingen in Syrië van Damaskus, alzo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende. En de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.</verse>
				<verse number="7">En David nam de gouden schilden, die bij Hadar-ézers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="8">Ook nam David zeer veel kopers uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ézer; daarvan heeft Sálomo de koperen zee, en de pilaren, en de koperen vaten gemaakt.</verse>
				<verse number="9">Toen Thoü, de koning van Hamath, hoorde, dat David de ganse heirkracht van Hadar-ézer, den koning van Zoba, geslagen had;</verse>
				<verse number="10">Zo zond hij zijn zoon Hadóram tot den koning David, om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadar-ézer gestreden, en hem verslagen had (want Hadar-ézer voerde oorlog tegen Thoü), en alle gouden, en zilveren, en koperen vaten;</verse>
				<verse number="11">Deze heiligde de koning David ook den HEERE, met het zilver en het goud, hetwelk hij medegebracht had van al de heidenen: van de Edomieten, en van de Moabieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekieten.</verse>
				<verse number="12">Ook sloeg Abísai, de zoon van Zerúja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend.</verse>
				<verse number="13">En hij legde bezettingen in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.</verse>
				<verse number="14">Alzo regeerde David over gans Israël, en hij deed zijn gansen volke recht en gerechtigheid.</verse>
				<verse number="15">Joab nu, de zoon van Zerúja, was over het heir; en Jósafat, de zoon van Ahílud, was kanselier;</verse>
				<verse number="16">En Zadok, de zoon van Ahítub, en Abimélech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en Sausa schrijver;</verse>
				<verse number="17">En Benája, de zoon van Jójada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand des konings.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En het geschiedde na dezen, dat Nahas, de koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas; want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijn vader. Toen de knechten van David in het land der kinderen Ammons tot Hanun kwamen, om hem te troosten,</verse>
				<verse number="3">Zo zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijn knechten tot u gekomen, om te doorzoeken, en om om te keren, en om het land te verspieden?</verse>
				<verse number="4">Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij beschoor hen, en sneed hun klederen half af tot aan de heupen, en liet hen henengaan.</verse>
				<verse number="5">Zij nu gingen henen, en men boodschapte David van deze mannen; en hij zond hun tegemoet; want die mannen waren zeer beschaamd. De koning dan zeide: Blijft te Jericho, totdat ulieder baard weder gewassen zij; komt dan wederom.</verse>
				<verse number="6">Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagenen en ruiters te huren uit Mesopotámië, en uit Syrië-Máächa, en uit Zoba;</verse>
				<verse number="7">Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagenen; en de koning van Máächa en zijn volk kwamen en legerden zich voor Médeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde.</verse>
				<verse number="8">Toen het David hoorde, zo zond hij Joab en het ganse heir met de helden.</verse>
				<verse number="9">Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zo stelden zij de slagorde voor de poort der stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld.</verse>
				<verse number="10">Toen Joab zag, dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zo verkoos hij enigen uit alle uitgelezenen in Israël, en hij stelde hen in orde tegen de Syriërs aan.</verse>
				<verse number="11">En het overige des volks gaf hij in de hand van zijn broeder Abísai, en zij stelden hen in orde tegen de kinderen Ammons aan.</verse>
				<verse number="12">En hij zeide: Indien mij de Syriërs te sterk worden, zo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen.</verse>
				<verse number="13">Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.</verse>
				<verse number="14">Toen naderde Joab en het volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezicht der Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="15">Toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vloden, zo vloden zij ook voor het aangezicht van Abísai, zijn broeder, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="16">Als de Syriërs zagen, dat zij voor het aangezicht van Israël geslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uit, die aan gene zijde der rivier woonden; en Sofach, de krijgsoverste van Hadar-ézer, toog voor hun aangezicht heen.</verse>
				<verse number="17">Toen het David werd aangezegd, zo vergaderde hij gans Israël, en hij toog over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen de Syriërs gesteld had, zo streden zij met hem.</verse>
				<verse number="18">Doch de Syriërs vloden voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagenen, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, den krijgsoverste.</verse>
				<verse number="19">Toen de knechten van Hadar-ézer zagen, dat zij geslagen waren, voor het aangezicht van Israël, zo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriërs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst des jaars, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land der kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze.</verse>
				<verse number="2">En David nam de kroon huns konings van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel roofs uit de stad.</verse>
				<verse number="3">Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en alzo deed David aan al de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David wederom met al het volk naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.</verse>
				<verse number="5">Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.</verse>
				<verse number="6">Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;</verse>
				<verse number="7">En hij hoonde Israël, maar Jónathan, de zoon van Símea, den broeder van David, versloeg hem.</verse>
				<verse number="8">Dezen waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.</verse>
				<verse number="2">En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israël van Ber-séba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun getal wete.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Joab: De HEERE doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden?</verse>
				<verse number="4">Doch het woord des konings nam de overhand tegen Joab; derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde gans Israël; daarna kwam hij weder te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="5">En Joab gaf David de som van het getelde volk; en gans Israël was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.</verse>
				<verse number="6">Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet; want des konings woord was Joab een gruwel.</verse>
				<verse number="7">En deze zaak was kwaad in de ogen Gods; daarom sloeg Hij Israël.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld.</verse>
				<verse number="9">De HEERE nu sprak tot Gad, den ziener van David, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Ga heen, en spreek tot David, zeggende: Aldus zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies u een uit die, dat Ik u doe.</verse>
				<verse number="11">En Gad kwam tot David, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Neem u uit:</verse>
				<verse number="12">Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht uwer wederpartij, en dat het zwaard uwer vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard des HEEREN, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervenden engel des HEEREN in al de landpalen van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Dien zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des HEEREN vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der mensen niet vallen.</verse>
				<verse number="14">De HEERE dan gaf pestilentie in Israël; en er vielen van Israël zeventig duizend man.</verse>
				<verse number="15">En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag het de HEERE, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zeide tot den verdervenden engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel des HEEREN nu stond bij den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.</verse>
				<verse number="16">Als David zijn ogen ophief, zo zag hij den engel des HEEREN, staande tussen de aarde en tussen den hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.</verse>
				<verse number="17">En David zeide tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O HEERE, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen Uw volk ter plage.</verse>
				<verse number="18">Toen zeide de engel des HEEREN tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om den HEERE een altaar op te richten op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.</verse>
				<verse number="19">Zo ging dan David op naar het woord van Gad, dat hij in den Naam des HEEREN gesproken had.</verse>
				<verse number="20">Toen zich Ornan wendde, zo zag hij den engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verstaken zich; en Ornan dorste tarwe.</verse>
				<verse number="21">En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit den dorsvloer, en boog zich neder voor David, met het aangezicht ter aarde.</verse>
				<verse number="22">En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaats des dorsvloers, dat ik op dezelve den HEERE een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.</verse>
				<verse number="23">Toen zeide Ornan tot David: Neem ze maar henen, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef deze runderen tot brandofferen, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer; ik geef het al.</verse>
				<verse number="24">En de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor den HEERE niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere.</verse>
				<verse number="25">En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht.</verse>
				<verse number="26">Toen bouwde David aldaar den HEERE een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij den HEERE aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit den hemel, op het brandofferaltaar.</verse>
				<verse number="27">En de HEERE zeide tot den engel, dat hij zijn zwaard weder in zijn schede steken zou.</verse>
				<verse number="28">Ter zelfder tijd, toen David zag, dat de HEERE hem geantwoord had op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet, zo offerde hij aldaar;</verse>
				<verse number="29">Want de tabernakel des HEEREN, dien Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar des brandoffers, was te dier tijd op de hoogte te Gíbeon.</verse>
				<verse number="30">David nu kon niet heengaan voor hetzelve, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van den engel des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En David zeide: Hier zal het huis Gods des HEEREN zijn, en hier zal het altaar des brandoffers voor Israël zijn.</verse>
				<verse number="2">En David zeide, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land Israëls waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, welke men behouwen zou, om het huis Gods te bouwen.</verse>
				<verse number="3">En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan de deuren der poorten, en tot de samenvoegingen; ook koper in menigte, zonder gewicht;</verse>
				<verse number="4">En cederenhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten tot David cederenhout in menigte.</verse>
				<verse number="5">Want David zeide: Mijn zoon Sálomo is een jongeling en teder; en het huis, dat men den HEERE bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzo bereidde David voorraad in menigte vóór zijn dood.</verse>
				<verse number="6">Toen riep hij zijn zoon Sálomo, en gebood hem den HEERE, den God Israëls, een huis te bouwen.</verse>
				<verse number="7">En David zeide tot Sálomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, het was in mijn hart den Naam des HEEREN, mijns Gods, een huis te bouwen;</verse>
				<verse number="8">Doch het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende: Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt grote krijgen gevoerd; gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, dewijl gij veel bloeds op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.</verse>
				<verse number="9">Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man der rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom henen; want zijn naam zal Sálomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen.</verse>
				<verse number="10">Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal den troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="11">Nu, mijn zoon, de HEERE zal met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult het huis des HEEREN, uws Gods, bouwen, gelijk als Hij van u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="12">Alleenlijk de HEERE geve u kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet des HEEREN, uws Gods.</verse>
				<verse number="13">Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen de inzettingen en de rechten, die de HEERE aan Mozes geboden heeft over Israël. Wees sterk en heb goeden moed, vrees niet, en wees niet verslagen!</verse>
				<verse number="14">Zie daar, ik heb in mijn verdrukking voor het huis des HEEREN bereid honderd duizend talenten gouds, en duizend maal duizend talenten zilvers; en des kopers en des ijzers is geen gewicht, want het is er in menigte; ik heb ook hout en stenen bereid; doe gij er nog meer bij.</verse>
				<verse number="15">Ook zijn er bij u in menigte, die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze lieden in allerlei werk.</verse>
				<verse number="16">Des gouds, des zilvers, en des kopers, en des ijzers is geen getal; maak u op, en doe het, en de HEERE zal met u zijn.</verse>
				<verse number="17">Ook gebood David aan alle vorsten van Israël, dat zij zijn zoon Sálomo helpen zouden, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Is niet de HEERE, uw God, met ulieden, en heeft u rust gegeven rondom henen? Want Hij heeft de inwoners des lands in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezicht des HEEREN, en voor het aangezicht Zijns volks.</verse>
				<verse number="19">Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel, om te zoeken den HEERE, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom Gods des HEEREN; dat men de ark des verbonds des HEEREN en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat den Naam des HEEREN zal gebouwd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Sálomo tot koning over Israël.</verse>
				<verse number="2">En hij vergaderde al de vorsten van Israël, ook de priesters en de Levieten.</verse>
				<verse number="3">En de Levieten werden geteld, van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hun hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend.</verse>
				<verse number="4">Uit dezen waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis des HEEREN aan te drijven; en zes duizend ambtlieden en rechters;</verse>
				<verse number="5">En vier duizend poortiers, en vier duizend lofzangers des HEEREN, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zeide David, om lof te zingen.</verse>
				<verse number="6">En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merári.</verse>
				<verse number="7">Uit de Gersonieten waren Ladan en Simeï.</verse>
				<verse number="8">De kinderen van Ladan waren dezen: Jehíël, het hoofd, en Zetham, en Joël; drie.</verse>
				<verse number="9">De kinderen van Simeï waren Selómith, en Hazíël, en Haran, drie; dezen waren de hoofden der vaderen van Ladan.</verse>
				<verse number="10">De kinderen van Simeï nu waren Jahath, Zina, en Jeüs, en Bería; dezen waren de kinderen van Simeï; vier.</verse>
				<verse number="11">En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeüs en Bería hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.</verse>
				<verse number="12">De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; vier.</verse>
				<verse number="13">De kinderen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht des HEEREN, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.</verse>
				<verse number="14">Aangaande nu Mozes, den man Gods, zijn kinderen werden genoemd onder den stam van Levi.</verse>
				<verse number="15">De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliézer.</verse>
				<verse number="16">Van de kinderen van Gersom was Sebúël het hoofd.</verse>
				<verse number="17">De kinderen van Eliëzer nu waren dezen: Rehábja het hoofd; en Eliëzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehábja vermeerderden ten hoogste.</verse>
				<verse number="18">Van de kinderen van Jizhar was Selómith het hoofd.</verse>
				<verse number="19">Aangaande de kinderen van Hebron: Jería was het hoofd, Amárja de tweede, Jaháziël de derde, en Jekámeam de vierde.</verse>
				<verse number="20">Aangaande de kinderen van Uzziël: Micha was het hoofd, en Jissía de tweede.</verse>
				<verse number="21">De kinderen van Merári waren Máheli en Musi; de kinderen van Máheli waren Eleázar en Kis.</verse>
				<verse number="22">En Eleázar stierf, en hij had geen zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, haar broeders, namen ze.</verse>
				<verse number="23">De kinderen van Musi waren Máheli, en Eder, en Jerémôth; drie.</verse>
				<verse number="24">Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis hunner vaderen, de hoofden der vaderen, naar hun gerekenden in het getal der namen naar hun hoofden, doende het werk van den dienst van het huis des HEEREN van twintig jaren oud en daarboven.</verse>
				<verse number="25">Want David had gezegd: De HEERE, de God Israëls, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="26">En ook aangaande de Levieten, dat zij den tabernakel, noch enig van deszelfs gereedschap, tot deszelfs dienst behorende, niet meer zouden dragen.</verse>
				<verse number="27">Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven;</verse>
				<verse number="28">Omdat hun standplaats was aan de hand der zonen van Aäron in den dienst van het huis des HEEREN, over de voorhoven, en over de kameren, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van den dienst van het huis Gods;</verse>
				<verse number="29">Te weten tot het brood der toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting;</verse>
				<verse number="30">En om alle morgens te staan, om den HEERE te loven en te prijzen; en desgelijks des avonds;</verse>
				<verse number="31">En tot al het offeren der brandofferen des HEEREN, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezicht des HEEREN;</verse>
				<verse number="32">En dat zij de wacht van de tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen van Aäron, hun broederen, in den dienst van het huis des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Aangaande nu de kinderen van Aäron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, en Abíhu, Eleázar en Ithamar.</verse>
				<verse number="2">Maar Nadab stierf, en Abíhu, voor het aangezicht huns vaders, en zij hadden geen kinderen. En Eleázar en Ithamar bedienden het priesterambt.</verse>
				<verse number="3">David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleázar, en Abimélech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst.</verse>
				<verse number="4">En van de kinderen van Eleázar werden meer gevonden tot hoofden der mannen, dan van de kinderen van Ithamar, als zij hen afdeelden; van de kinderen van Eleázar waren zestien hoofden der vaderlijke huizen, maar van de kinderen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht.</verse>
				<verse number="5">En zij deelden hen door loten af, dezen met genen; want de oversten des heiligdoms en de oversten Gods waren uit de kinderen van Eleázar en van de kinderen van Ithamar.</verse>
				<verse number="6">En Semája, de zoon van Netháneël, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht des konings, en van de vorsten, en van den priester Zadok, en van Achimélech, den zoon van Abjathar, en van de hoofden der vaderen onder de priesters en onder de Levieten; één vaderlijk huis werd genomen voor Eleázar, en desgelijks werd genomen voor Ithamar.</verse>
				<verse number="7">Het eerste lot nu ging uit voor Jójarib, het tweede voor Jedája,</verse>
				<verse number="8">Het derde voor Harim, het vierde voor Séorim,</verse>
				<verse number="9">Het vijfde voor Malchía, het zesde voor Mijámin,</verse>
				<verse number="10">Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abía,</verse>
				<verse number="11">Het negende voor Jésua, het tiende voor Sechánja,</verse>
				<verse number="12">Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,</verse>
				<verse number="13">Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesébeab,</verse>
				<verse number="14">Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,</verse>
				<verse number="15">Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happízzes,</verse>
				<verse number="16">Het negentiende voor Petáhja, het twintigste voor Jehézkel,</verse>
				<verse number="17">Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,</verse>
				<verse number="18">Het drie en twintigste voor Delája, het vier en twintigste voor Maäzja.</verse>
				<verse number="19">Het ambt van dezen in hun dienst was te gaan in het huis des HEEREN, naar hun ordening door de hand van Aäron, huns vaders; gelijk als hem de HEERE, de God Israëls, geboden had.</verse>
				<verse number="20">Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Súbaël, van de kinderen van Súbaël was Jéchdeja.</verse>
				<verse number="21">Aangaande Rehábja: van de kinderen van Rehábja was Jissía het hoofd.</verse>
				<verse number="22">Van de Jizharieten was Selomôth; van de kinderen van Selomôth was Jahath.</verse>
				<verse number="23">En van de kinderen van Hebron was Jería de eerste, Amárja de tweede, Jaháziël de derde, Jekámeam de vierde.</verse>
				<verse number="24">Van de kinderen van Uzziël was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;</verse>
				<verse number="25">De broeder van Micha was Jissía; van de kinderen van Jissía was Zechárja.</verse>
				<verse number="26">De kinderen van Merári waren Máheli en Musi. De kinderen van Jaäzía waren Beno.</verse>
				<verse number="27">De kinderen van Merári van Jaäzía waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri.</verse>
				<verse number="28">Van Máheli was Eleázar; en die had geen kinderen.</verse>
				<verse number="29">Aangaande Kis: de kinderen van Kis waren Jeráhmeël.</verse>
				<verse number="30">En de kinderen van Musi waren Máheli, en Eder, en Jerimôth. Dezen zijn de kinderen der Levieten, naar hun vaderlijke huizen.</verse>
				<verse number="31">En zij wierpen ook loten, nevens hun broederen, de zonen van Aäron, voor het aangezicht van den koning David, en Zadok, en Achimélech, en van de hoofden der vaderen onder de priesteren en onder de Levieten; het hoofd der vaderen tegen zijn kleinsten broeder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">En David, mitsgaders de oversten des heirs, scheidde af tot den dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jedúthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst.</verse>
				<verse number="2">Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethánja, en Asaréla, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan des konings handen profeteerde.</verse>
				<verse number="3">Aangaande Jedúthun: de kinderen van Jedúthun waren Gedálja, en Zeri, en Jesája, Hasábja en Mattíthja, zes; aan de handen van hun vader Jedúthun, op harpen profeterende met den HEERE te danken en te loven.</verse>
				<verse number="4">Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattánja, Uzzíël, Sebúël, en Jerimôth, Hanánja, Hanáni, Eliátha, Giddálti, en Romámthi-Ezer, Josbekása, Mallóthi, Hothir, Maházioth.</verse>
				<verse number="5">Deze allen waren kinderen van Heman, den ziener des konings, in de woorden Gods, om den hoorn te verheffen; want God had Heman veertien zonen gegeven, en drie dochters.</verse>
				<verse number="6">Dezen waren altemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis des HEEREN, op cimbalen, luiten, en harpen, tot den dienst van het huis Gods, aan de handen van den koning, van Asaf, Jedúthun, en van Heman.</verse>
				<verse number="7">En hun getal met hun broederen, die geleerd waren in het gezang des HEEREN, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig.</verse>
				<verse number="8">En zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkander, zo de kleinen, als de groten, den meester met den leerling.</verse>
				<verse number="9">Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedálja; hij en zijn broederen, en zijn zonen, waren twaalf.</verse>
				<verse number="10">Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="11">Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="12">Het vijfde voor Nethánja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="13">Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="14">Het zevende voor Jesaréla; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="15">Het achtste voor Jesája; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="16">Het negende voor Mattánja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="17">Het tiende voor Simeï; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="18">Het elfde voor Azáreël; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="19">Het twaalfde voor Hasábja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="20">Het dertiende voor Súbaël; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="21">Het veertiende voor Mattíthja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="22">Het vijftiende voor Jerémôth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="23">Het zestiende voor Hanánja; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="24">Het zeventiende voor Josbekása; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="25">Het achttiende voor Hanáni; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="26">Het negentiende voor Mallóthi; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.</verse>
				<verse number="27">Het twintigste voor Eliátha; zijn zonen en zijn broederen; twaalf.</verse>
				<verse number="28">Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="29">Het twee en twintigste voor Giddálti; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="30">Het drie en twintigste voor Maházioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
				<verse number="31">Het vier en twintigste voor Romámthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Aangaande de verdelingen der poortiers: van de Korahieten was Meselémja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf.</verse>
				<verse number="2">Meselémja nu had kinderen; Zechárja was de eerstgeborene, Jedíaël de tweede, Zebádja de derde, Játhniël de vierde,</verse>
				<verse number="3">Elam de vijfde, Jóhanan de zesde, Eljóënai de zevende.</verse>
				<verse number="4">Obed-Edom had ook kinderen: Semája was de eerstgeborene, Józabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Netháneël de vijfde.</verse>
				<verse number="5">Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peúllethai de achtste; want God had hem gezegend.</verse>
				<verse number="6">Ook werden zijn zoon Semája kinderen geboren, heersende over het huis huns vaders; want zij waren kloeke helden.</verse>
				<verse number="7">De kinderen van Semája waren Othni, en Refaël, en Obed, en Elzabad, zijn broeders, kloeke lieden; Elíhu, en Semáchja.</verse>
				<verse number="8">Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broeders, kloeke mannen in kracht tot den dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom.</verse>
				<verse number="9">Meselémja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien.</verse>
				<verse number="10">En Hosa, uit de kinderen van Merári, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd).</verse>
				<verse number="11">Hilkía was de tweede, Tebálja de derde, Zechárja de vierde; al de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.</verse>
				<verse number="12">Uit dezen waren de verdelingen der poortiers onder de hoofden der mannen, tot de wachten tegen hun broederen, om te dienen in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">En zij wierpen de loten, zo de kleinen als de groten, naar hun vaderlijke huizen, tot elke poort.</verse>
				<verse number="14">Het lot nu tegen het oosten viel op Salémja; maar voor zijn zoon Zechárja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden;</verse>
				<verse number="15">Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen het huis der schatkameren.</verse>
				<verse number="16">Suppim en Hosa tegen het westen, met de poort Schalléchet, bij den opgaanden hogen weg, wacht tegenover wacht.</verse>
				<verse number="17">Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden des daags vier; tegen het zuiden des daags vier; maar bij de schatkameren twee en twee.</verse>
				<verse number="18">Aan Parbar tegen het westen waren er vier bij den hogen weg, twee bij Parbar.</verse>
				<verse number="19">Dit zijn de verdelingen der poortiers van de kinderen der Korahieten, en der kinderen van Merári.</verse>
				<verse number="20">Ook was, van de Levieten, Ahía over de schatten van het huis Gods, en over de schatten der geheiligde dingen.</verse>
				<verse number="21">Van de kinderen van Ladan, kinderen van den Gersoniet Ladan; van Ladan, den Gersoniet, waren hoofden der vaderen Jehíëli.</verse>
				<verse number="22">De kinderen van Jehíëli waren Zetham en Joël, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="23">Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzziëlieten,</verse>
				<verse number="24">En Sebúël, de zoon van Gersom, den zoon van Mozes, was overste over de schatten.</verse>
				<verse number="25">Maar zijn broeders van Eliézer waren dezen: Rehábja was zijn zoon, en Jesája zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selómith zijn zoon.</verse>
				<verse number="26">Deze Selómith en zijn broeders waren over al de schatten der heilige dingen, die de koning David geheiligd had, mitsgaders de hoofden der vaderen, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten des heirs;</verse>
				<verse number="27">Van de krijgen en van den buit hadden zij het geheiligd, om het huis des HEEREN te onderhouden.</verse>
				<verse number="28">Ook alles, wat Samuël, de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zerúja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selómith en zijn broederen.</verse>
				<verse number="29">Van de Jizharieten waren Chenánja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters.</verse>
				<verse number="30">Van de Hebronieten was Hasábja, en zijn broeders, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israël op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk des HEEREN, en tot den dienst des konings.</verse>
				<verse number="31">Van de Hebronieten was Jería het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jáëzer in Gilead.</verse>
				<verse number="32">En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Dit nu zijn de kinderen Israëls naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, met hun ambtlieden, den koning dienende in alle zaken der verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden des jaars; elke verdeling was vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="2">Over de eerste verdeling in de eerste maand was Jásobam, de zoon van Zabdíël; en in zijn verdeling waren er vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="3">Hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al de oversten der heiren in de eerste maand.</verse>
				<verse number="4">En over de verdeling in de tweede maand was Dodai, de Ahohiet, en over zijn verdeling was Mikloth ook voorganger; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="5">De derde overste des heirs in de derde maand was Benája, de zoon van Jójada, den opperambtman; die was het hoofd; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="6">Deze Benája was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijn verdeling was Ammízabad, zijn zoon.</verse>
				<verse number="7">De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broeder van Joab, en na hem Zebádja, zijn zoon; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="8">De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de overste; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="9">De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoïet; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="10">De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="11">De achtste, in de achtste maand, was Síbbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="12">De negende, in de negende maand, was Abiézer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="13">De tiende, in de tiende maand, was Máharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="14">De elfde, in de elfde maand, was Benája, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="15">De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniël; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.</verse>
				<verse number="16">Doch over de stammen van Israël waren dezen: over de Rubenieten was Eliézer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefátja, de zoon van Máächa;</verse>
				<verse number="17">Over de Levieten was Hasábja, de zoon van Kemúël; over de Aäronieten was Zadok;</verse>
				<verse number="18">Over Juda was Elíhu, uit de broederen van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Míchaël;</verse>
				<verse number="19">Over Zebulon was Jísmaja, de zoon van Obádja; over Nafthali was Jerímôth, de zoon van Azriël;</verse>
				<verse number="20">Over de kinderen van Efraïm was Hoséa, de zoon van Azázja; over den halven stam van Manasse was Joël, de zoon van Pedája;</verse>
				<verse number="21">Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zechárja; over Benjamin was Jaäsiël, de zoon van Abner;</verse>
				<verse number="22">Over Dan was Azarel, de zoon van Jeróham. Dezen waren de oversten der stammen van Israël.</verse>
				<verse number="23">Maar David nam het getal van die niet op, die twintig jaren oud en daar beneden waren; omdat de HEERE gezegd had, dat Hij Israël vermenigvuldigen zou als de sterren des hemels.</verse>
				<verse number="24">Joab, de zoon van Zerúja, had begonnen te tellen, maar hij voleindde het niet, omdat er deshalve een grote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening der kronieken van den koning David.</verse>
				<verse number="25">En over de schatten des konings was Azmáveth, de zoon van Adíël; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jónathan, de zoon van Uzzia.</verse>
				<verse number="26">En over die, die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Ezri, de zoon van Chelub.</verse>
				<verse number="27">En over de wijngaarden was Simeï, de Ramathiet; maar over hetgeen dat van de wijnstokken kwam tot de schatten des wijns, was Zabdi, de Sifmiet.</verse>
				<verse number="28">En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baäl-Hánan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie.</verse>
				<verse number="29">En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai.</verse>
				<verse number="30">En over de kemelen was Obil, de Ismaëliet; en over de ezelinnen was Jéchdeja, de Meronothiet.</verse>
				<verse number="31">En over het kleine vee was Jaziz, de Hageriet. Alle dezen waren oversten over de have, die de koning David had.</verse>
				<verse number="32">En Jónathan, Davids oom, was raad, een verstandig man; hij was ook schrijver; Jehíël nu, de zoon van Hachmóni, was bij de zonen des konings.</verse>
				<verse number="33">En Achitófel was raad des konings; en Husai, de Archiet, was des konings vriend.</verse>
				<verse number="34">En na Achitófel was Jójada, de zoon van Benája, en Abjathar; maar Joab was des konings krijgsoverste.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten der stammen, en de oversten der verdelingen, den koning dienende, en de oversten der duizenden, en de oversten der honderden, en de oversten van alle have en vee des konings en zijner zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, allen kloeken held.</verse>
				<verse number="2">En de koning David stond op zijn voeten, en hij zeide: Hoort mij, mijn broeders, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis der rust voor de ark des verbonds des HEEREN te bouwen, en voor de voetbank der voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.</verse>
				<verse number="3">Maar God heeft tot mij gezegd: Gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman, en gij hebt veel bloeds vergoten.</verse>
				<verse number="4">Nu heeft mij de HEERE, de God Israëls, verkoren uit mijns vaders ganse huis, dat ik tot koning over Israël wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger verkoren, en mijns vaders huis in het huis van Juda; en onder de zonen mijns vaders heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij ten koning maakte over gans Israël.</verse>
				<verse number="5">En uit al mijn zonen (want de HEERE heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Sálomo verkoren, dat hij zitten zou op den stoel des koninkrijks des HEEREN over Israël.</verse>
				<verse number="6">En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Sálomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid, indien hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, gelijk te dezen dage.</verse>
				<verse number="8">Nu dan, voor de ogen van het ganse Israël, de gemeente des HEEREN, en voor de oren onzes Gods, houdt en zoekt al de geboden des HEEREN, uws Gods; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.</verse>
				<verse number="9">En gij, mijn zoon Sálomo, ken den God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want de HEERE doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsel der gedachten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.</verse>
				<verse number="10">Zie nu toe, want de HEERE heeft u verkoren, dat gij een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het.</verse>
				<verse number="11">En David gaf zijn zoon Sálomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis des verzoendeksels;</verse>
				<verse number="12">En een voorbeeld van alles, wat bij hem door den Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis des HEEREN, en van alle kameren rondom; tot de schatten van het huis Gods, en tot de schatten der heilige dingen;</verse>
				<verse number="13">En van de verdelingen der priesteren en der Levieten, en van alle werk van den dienst van het huis des HEEREN, en van alle vaten van den dienst van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="14">Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle vaten van elken dienst; ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot al de vaten van elken dienst;</verse>
				<verse number="15">En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elken kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar den dienst van elken kandelaar.</verse>
				<verse number="16">Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen der toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen;</verse>
				<verse number="17">En louter goud tot de krauwelen, en tot de sprengbekkens, en tot de schotelen, en tot gouden bekers, het gewicht tot elken beker, desgelijks tot zilveren bekers, tot elken beker het gewicht;</verse>
				<verse number="18">En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld des wagens, te weten der cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark des verbonds des HEEREN overdekken.</verse>
				<verse number="19">Dit alles heeft men mij, zeide David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand des HEEREN, te weten al de werken dezes voorbeelds.</verse>
				<verse number="20">En David zeide tot zijn zoon Sálomo: Wees sterk, en heb goeden moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want de HEERE God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot den dienst van het huis des HEEREN zult volbracht hebben.</verse>
				<verse number="21">En zie, daar zijn de verdelingen der priesteren en der Levieten, tot allen dienst van het huis Gods; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot allen dienst, ook de vorsten, en het ganse volk, bereid tot al uw bevelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Verder zeide de koning David tot de ganse gemeente: God heeft mijn zoon Sálomo alleen verkoren, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, den HEERE.</verse>
				<verse number="2">Ik heb nu uit al mijn kracht bereid tot het huis mijns Gods, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken; sardónixstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen, en marmerstenen in menigte.</verse>
				<verse number="3">En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten huize des heiligdoms bereid heb;</verse>
				<verse number="4">Drie duizend talenten gouds, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver, om de wanden der huizen te overtrekken;</verse>
				<verse number="5">Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand der werkmeesteren te maken. En wie is er willig, heden zijn hand den HEERE te vullen?</verse>
				<verse number="6">Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen, en de oversten der stammen van Israël, en de oversten der duizenden en der honderden, en de oversten van het werk des konings;</verse>
				<verse number="7">En zij gaven, tot den dienst van het huis Gods, vijf duizend talenten gouds, en tien duizend drachmen, en tien duizend talenten zilvers, en achttien duizend talenten kopers, en honderd duizend talenten ijzers.</verse>
				<verse number="8">En bij wien stenen gevonden werden, die gaven zij in den schat van het huis des HEEREN, onder de hand van Jehíël, den Gersoniet.</verse>
				<verse number="9">En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap.</verse>
				<verse number="10">Daarom loofde David den HEERE voor de ogen der ganse gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, HEERE, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="11">Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles.</verse>
				<verse number="12">En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.</verse>
				<verse number="13">Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.</verse>
				<verse number="14">Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand.</verse>
				<verse number="15">Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting.</verse>
				<verse number="16">HEERE, onze God, al deze menigte, die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, den Naam Uwer heiligheid, dat is van Uw hand, en het is alles Uw.</verse>
				<verse number="17">En ik weet, mijn God, dat Gij het hart proeft, en dat Gij een welgevallen hebt aan oprechtigheden. Ik heb in oprechtigheid mijns harten al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde Uw volk, dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich jegens U vrijwillig gedragen heeft.</verse>
				<verse number="18">O HEERE, Gij, God onzer vaderen, Abraham, Izak en Israël, bewaar dit in der eeuwigheid in den zin der gedachten van het hart Uws volks, en richt hun hart tot U.</verse>
				<verse number="19">En geef mijn zoon Sálomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb.</verse>
				<verse number="20">Daarna zeide David tot de ganse gemeente: Looft nu den HEERE, uw God! Toen loofde de ganse gemeente den HEERE, den God hunner vaderen; en zij neigden het hoofd, en zij bogen zich neder voor den HEERE, en voor den koning.</verse>
				<verse number="21">En zij offerden den HEERE slachtofferen; ook offerden zij den HEERE brandofferen, des anderen morgens van dien dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun drankofferen; en slachtofferen in menigte, voor gans Israël.</verse>
				<verse number="22">En zij aten en dronken deszelven daags voor het aangezicht des HEEREN met grote vreugde; en zij maakten Sálomo, den zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem den HEERE tot voorganger, en Zadok tot priester.</verse>
				<verse number="23">Alzo zat Sálomo op den troon des HEEREN, als koning in zijns vaders Davids plaats, en hij was voorspoedig; en gans Israël hoorde naar hem.</verse>
				<verse number="24">En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van den koning David, gaven de hand, dat zij onder den koning Sálomo zijn zouden.</verse>
				<verse number="25">En de HEERE maakte Sálomo groot ten hoogste voor de ogen van gans Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israël vóór hem geweest is.</verse>
				<verse number="26">Zo heeft dan David, de zoon van Isaï, geregeerd over gans Israël.</verse>
				<verse number="27">De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig.</verse>
				<verse number="28">En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Sálomo regeerde in zijn plaats.</verse>
				<verse number="29">De geschiedenissen nu van den koning David, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Samuël, den ziener, en in de geschiedenissen van den profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, den ziener;</verse>
				<verse number="30">Met al zijn koninkrijk, en zijn macht, en de tijden, die over hem verlopen zijn, en over Israël, en over al de koninkrijken der landen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="14">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">En Sálomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want de HEERE, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.</verse>
				<verse number="2">En Sálomo sprak tot het ganse Israël, tot de oversten der duizenden en der honderden, en tot de richteren, en tot alle oversten in gans Israël, de hoofden der vaderen;</verse>
				<verse number="3">En zij gingen henen, Sálomo en de ganse gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gíbeon was; want daar was de tent der samenkomst Gods, die Mozes, de knecht des HEEREN, in de woestijn gemaakt had.</verse>
				<verse number="4">(Maar de ark Gods had David van Kirjath-Jeárim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.)</verse>
				<verse number="5">Ook was het koperen altaar, dat Bezáleël, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor den tabernakel des HEEREN; Sálomo nu en de gemeente bezochten hetzelve.</verse>
				<verse number="6">En Sálomo offerde daar, voor het aangezicht des HEEREN, op het koperen altaar, dat aan de tent der samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandofferen.</verse>
				<verse number="7">In dienzelfden nacht verscheen God aan Sálomo; en Hij zeide tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal.</verse>
				<verse number="8">En Sálomo zeide tot God: Gij hebt aan mijn vader David grote weldadigheid gedaan; en Gij hebt mij koning gemaakt in zijn plaats;</verse>
				<verse number="9">Nu, HEERE God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof der aarde;</verse>
				<verse number="10">Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten?</verse>
				<verse number="11">Toen zeide God tot Sálomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en gij niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel uwer haters, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat gij Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb;</verse>
				<verse number="12">De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die vóór u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.</verse>
				<verse number="13">Alzo kwam Sálomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gíbeon is, van voor de tent der samenkomst; en hij regeerde over Israël.</verse>
				<verse number="14">En Sálomo vergaderde wagenen en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="15">En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte.</verse>
				<verse number="16">En het uitbrengen der paarden was hetgeen Sálomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden des konings namen het linnengaren voor den prijs.</verse>
				<verse number="17">En zij brachten op, en voerden een wagen uit van Egypte voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en alzo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van Syrië.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Sálomo nu dacht voor den Naam des HEEREN een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk.</verse>
				<verse number="2">En Sálomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; mitsgaders drie duizend en zeshonderd opzieners over dezelve.</verse>
				<verse number="3">En Sálomo zond tot Huram, den koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij.</verse>
				<verse number="4">Zie, ik zal een huis voor den Naam des HEEREN, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk der welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting des gedurigen broods, en voor de brandofferen des morgens en des avonds, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden des HEEREN, onzes Gods; hetwelk voor eeuwig is in Israël.</verse>
				<verse number="5">En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn; want onze God is groter dan alle goden.</verse>
				<verse number="6">Doch wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, dewijl de hemelen, ja, de hemel der hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, ten ware om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken?</verse>
				<verse number="7">Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.</verse>
				<verse number="8">Zend mij ook cederen, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn.</verse>
				<verse number="9">En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en wonderlijk zijn.</verse>
				<verse number="10">En zie, ik zal uw knechten, den houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie.</verse>
				<verse number="11">Huram nu, de koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Sálomo: Daarom dat de HEERE Zijn volk lief heeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld.</verse>
				<verse number="12">Verder zeide Huram: Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij den koning David een wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor den HEERE, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe!</verse>
				<verse number="13">Zo zend ik nu een wijzen man, kloek van verstand, Huram Abi;</verse>
				<verse number="14">Den zoon ener vrouw uit de dochteren van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David.</verse>
				<verse number="15">Zo zende nu mijn heer zijn knechten de tarwe en de gerst, de olie en den wijn, die hij gezegd heeft.</verse>
				<verse number="16">En wij zullen hout houwen uit den Libanon, naar al uw nooddruft, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en gij zult het laten ophalen naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="17">En Sálomo telde al de vreemde mannen, die in het land van Israël waren, achtervolgens de telling, met dewelke zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="18">En hij maakte uit dezelve zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, mitsgaders drie duizend en zeshonderd opzieners, om het volk te doen arbeiden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En Sálomo begon het huis des HEEREN te bouwen te Jeruzalem, op den berg Moría, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.</verse>
				<verse number="2">Hij begon nu te bouwen in de tweede maand, op den tweeden dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk.</verse>
				<verse number="3">En deze zijn de grondleggingen van Sálomo, om het huis Gods te bouwen: de lengte in ellen, naar de eerste mate, was zestig ellen, en de breedte twintig ellen.</verse>
				<verse number="4">En het voorhuis, hetwelk vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; hetwelk hij van binnen overtrok met louter goud.</verse>
				<verse number="5">Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.</verse>
				<verse number="6">Hij overtoog ook het huis met kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van Parváïm.</verse>
				<verse number="7">Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden.</verse>
				<verse number="8">Verder maakte hij het huis van het heilige der heiligen, welks lengte, naar de breedte van het huis, was twintig ellen, en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zeshonderd talenten.</verse>
				<verse number="9">En het gewicht der nagelen was tot vijftig sikkelen gouds; en hij overtoog de opperzalen met goud.</verse>
				<verse number="10">Ook maakte hij, in het huis van het heilige der heiligen, twee cherubim van uittrekkend werk, en hij overtoog die met goud.</verse>
				<verse number="11">Aangaande de vleugelen der cherubim, hun lengte was twintig ellen; des enen vleugel was van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan den vleugel des anderen cherubs.</verse>
				<verse number="12">Insgelijks was de vleugel des anderen cherubs van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs.</verse>
				<verse number="13">De vleugelen dezer cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren huiswaarts.</verse>
				<verse number="14">Hij maakte ook den voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.</verse>
				<verse number="15">Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.</verse>
				<verse number="16">Ook maakte hij ketenen, als in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappelen, en zette ze tussen de ketenen.</verse>
				<verse number="17">En hij richtte de pilaren op voor aan den tempel, een ter rechterhand, en een ter linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin, en den naam van den linker Boaz.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijn lengte, en twintig ellen in zijn breedte, en tien ellen in zijn hoogte.</verse>
				<verse number="2">Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.</verse>
				<verse number="3">Onder dezelve nu was de gelijkenis van runderen, rondom henen, die omsingelende, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen dezer runderen waren in haar gieting gegoten.</verse>
				<verse number="4">Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelve; en al hun achterdelen waren inwaarts.</verse>
				<verse number="5">Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of ener leliebloem, bevattende vele bathen; zij hield drie duizend.</verse>
				<verse number="6">En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechter- en vijf ter linkerhand, om daarin te wassen; wat ten brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen.</verse>
				<verse number="7">Hij maakte ook tien gouden kandelaren, naar hun wijze, en hij stelde ze in den tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand.</verse>
				<verse number="8">Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in den tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens.</verse>
				<verse number="9">Verder maakte hij het voorhof der priesteren, en het grote voorhof, mitsgaders de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.</verse>
				<verse number="10">De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het oosten, tegenover het zuiden.</verse>
				<verse number="11">Daartoe maakte Huram de potten, en de schoffelen, en de sprengbekkens; alzo voleindde Huram het werk te maken, dat hij voor den koning Sálomo aan het huis Gods maakte.</verse>
				<verse number="12">De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapitelen, op het hoofd der pilaren; en de twee netten, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die op der pilaren hoofd waren;</verse>
				<verse number="13">En de vierhonderd granaatappelen tot de twee netten: twee rijen van granaatappelen tot elk net, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren.</verse>
				<verse number="14">Hij maakte ook de stellingen; en wasvaten maakte hij op de stellingen;</verse>
				<verse number="15">Eén zee, en de twaalf runderen daaronder.</verse>
				<verse number="16">Insgelijks de potten, en de schoffelen, en de krauwelen, en al hun vaten maakte Huram Abi voor den koning Sálomo, voor het huis des HEEREN, van gepolijst koper.</verse>
				<verse number="17">In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth, en tussen Zeredátha.</verse>
				<verse number="18">En Sálomo maakte al deze vaten, in grote menigte; want het gewicht des kopers werd niet onderzocht.</verse>
				<verse number="19">Ook maakte Sálomo alle vaten, die voor het huis Gods waren, en het gouden altaar, en de tafelen, waarop de toonbroden zijn;</verse>
				<verse number="20">En de kandelaren met hun lampen, van gesloten goud, om die naar de wijze aan te steken, vóór de aanspraakplaats;</verse>
				<verse number="21">En de bloemen, en de lampen, en de snuiters, van goud; het was het volmaaktste goud;</verse>
				<verse number="22">Mitsgaders de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; aangaande den ingang van het huis, zijn binnenste deuren, van het heilige der heiligen, en de deuren van het huis des tempels waren van goud.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Alzo werd al het werk volbracht, dat Sálomo aan het huis des HEEREN maakte. Daarna bracht Sálomo de geheiligde dingen van zijn vader David; en het zilver, en het goud, en al de vaten legde hij onder de schatten van het huis Gods.</verse>
				<verse number="2">Toen vergaderde Sálomo de oudsten van Israël, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israëls, te Jeruzalem, om de ark des verbonds des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.</verse>
				<verse number="3">En alle mannen van Israël verzamelden zich tot den koning op het feest, hetwelk was in de zevende maand.</verse>
				<verse number="4">En al de oudsten van Israël kwamen, en de Levieten namen de ark op.</verse>
				<verse number="5">En zij brachten de ark, en de tent der samenkomst opwaarts, mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten opwaarts.</verse>
				<verse number="6">De koning Sálomo nu, en de ganse vergadering van Israël, die bij hem vergaderd waren voor de ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden.</verse>
				<verse number="7">Alzo brachten de priesters de ark des verbonds des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim.</verse>
				<verse number="8">Want de cherubim spreidden de beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.</verse>
				<verse number="9">Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden der handbomen gezien werden uit de ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="10">Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte uitgetogen waren.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen; (want al de priesters, die gevonden werden, hadden zich geheiligd, zonder de verdelingen te houden;</verse>
				<verse number="12">En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jedúthun, en van hun zonen, en van hun broederen, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, en met luiten, en harpen, stonden tegen het oosten des altaars, en met hen tot honderd en twintig priesteren toe, trompettende met trompetten.)</verse>
				<verse number="13">Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende den HEERE; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij den HEERE prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="14">En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis Gods vervuld.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Toen zeide Sálomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.</verse>
				<verse number="2">En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.</verse>
				<verse number="3">Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israël; en de ganse gemeente van Israël stond.</verse>
				<verse number="4">En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Van dien dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man verkoren om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël.</verse>
				<verse number="6">Maar Ik heb Jeruzalem verkoren, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.</verse>
				<verse number="7">Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.</verse>
				<verse number="8">Maar de HEERE zeide tot mijn vader David: Dewijl dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.</verse>
				<verse number="9">Evenwel, gij zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lenden voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.</verse>
				<verse number="10">Zo heeft de HEERE Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israël, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.</verse>
				<verse number="11">En ik heb daar de ark gesteld, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij maakte met de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="12">En hij stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israël; en hij breidde zijn handen uit;</verse>
				<verse number="13">(Want Sálomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden des voorhofs; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de ganse gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar den hemel.)</verse>
				<verse number="14">En hij zeide: HEERE, God van Israël, er is geen God gelijk Gij, in den hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;</verse>
				<verse number="15">Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.</verse>
				<verse number="16">En nu, HEERE, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op den troon van Israël; alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="17">Nu dan, o HEERE, God van Israël! Laat Uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot Uw knecht, tot David.</verse>
				<verse number="18">Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel der hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb?</verse>
				<verse number="19">Wend U dan nog tot het gebed Uws knechts, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht voor Uw aangezicht bidt.</verse>
				<verse number="20">Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over de plaats, van dewelke Gij gezegd hebt, Uw Naam daar te zullen zetten; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.</verse>
				<verse number="21">Hoor dan naar de smekingen van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en hoor Gij uit de plaats Uwer woning, uit den hemel, ja, hoor, en vergeef.</verse>
				<verse number="22">Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en die hem een eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken, en de eed des vloeks voor Uw altaar in dit huis komen zal;</verse>
				<verse number="23">Hoor Gij dan uit den hemel, en doe, en richt Uw knechten, vergeldende den goddeloze, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den rechtvaardige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.</verse>
				<verse number="24">Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen,</verse>
				<verse number="25">Hoor Gij dan uit den hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël, en breng hen weder in het land, dat Gij hun en hun vaderen gegeven hebt.</verse>
				<verse number="26">Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonde zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben;</verse>
				<verse number="27">Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonden Uwer knechten en van Uw volk Israël, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg, in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.</verse>
				<verse number="28">Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden in het land zijner poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige krankheid wezen zal;</verse>
				<verse number="29">Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plage en zijn smarte, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;</verse>
				<verse number="30">Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.</verse>
				<verse number="31">Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt.</verse>
				<verse number="32">Zelfs ook aangaande den vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit verren lande, om Uws groten Naams, en Uwer sterke hand, en Uws uitgestrekten arms wil, komen zal; als zij komen, en bidden zullen in dit huis;</verse>
				<verse number="33">Hoor Gij dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.</verse>
				<verse number="34">Wanneer Uw volk in den krijg tegen zijn vijanden uittrekken zal door den weg, dien Gij hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden naar den weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik Uw Naam gebouwd heb;</verse>
				<verse number="35">Hoor dan uit den hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.</verse>
				<verse number="36">Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is;</verse>
				<verse number="37">En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land hunner gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld;</verse>
				<verse number="38">En zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart en met hun ganse ziel, in het land hunner gevangenis, waar zij hen gevankelijk weggevoerd hebben, en bidden zullen naar den weg huns lands, dat Gij hun vaderen gegeven hebt, en naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;</verse>
				<verse number="39">Hoor dan uit den hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben.</verse>
				<verse number="40">Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed dezer plaats.</verse>
				<verse number="41">En nu, HEERE God, maak U op tot Uw rust, Gij en de ark Uwer kracht; laat Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blijde zijn.</verse>
				<verse number="42">O HEERE God! wend het aangezicht Uws gezalfden niet af; gedenk der weldadigheden van David, Uw knecht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Als nu Sálomo voleind had te bidden, zo daalde het vuur van den hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde het huis.</verse>
				<verse number="2">En de priesters konden niet ingaan in het huis des HEEREN; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.</verse>
				<verse number="3">En als al de kinderen Israëls dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid des HEEREN over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op den vloer, en aanbaden en loofden den HEERE, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">De koning nu en al het volk offerden slachtofferen voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="5">En de koning Sálomo offerde slachtofferen van runderen, twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Alzo hebben de koning en het ganse volk het huis Gods ingewijd.</verse>
				<verse number="6">Ook stonden de priesters in hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten des HEEREN, die de koning David gemaakt had, om den HEERE te loven, dat Zijn weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en gans Israël stond.</verse>
				<verse number="7">En Sálomo heiligde het middelste des voorhofs, hetwelk voor het huis des HEEREN was, dewijl hij daar de brandofferen en het vette der dankofferen bereid had; want het koperen altaar, dat Sálomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette niet vatten.</verse>
				<verse number="8">Sálomo hield ook ter zelfder tijd het feest zeven dagen, en gans Israël met hem, een zeer grote gemeente, van den ingang af van Hamath, tot de rivier van Egypte.</verse>
				<verse number="9">En ten achtsten dage hielden zij een verbodsdag; want zij hielden de inwijding des altaars zeven dagen, en het feest zeven dagen.</verse>
				<verse number="10">Doch op den drie en twintigsten dag der zevende maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, blijde en goedsmoeds over het goede, dat de HEERE aan David en Sálomo, en Zijn volk Israël gedaan had.</verse>
				<verse number="11">Alzo volbracht Sálomo het huis des HEEREN, en het huis des konings; en al wat in Sálomo's hart gekomen was, om in het huis des HEEREN en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.</verse>
				<verse number="12">En de HEERE verscheen Sálomo des nachts, en Hij zeide tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats verkoren tot een offerhuis.</verse>
				<verse number="13">Zo Ik den hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik den sprinkhaan gebiede, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zende;</verse>
				<verse number="14">En Mijn volk, over dewelken Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit den hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.</verse>
				<verse number="15">Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed dezer plaats.</verse>
				<verse number="16">Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn.</verse>
				<verse number="17">En u aangaande, zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;</verse>
				<verse number="18">Zo zal Ik den troon uws koninkrijks bevestigen, gelijk als Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israël heerse.</verse>
				<verse number="19">Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en henengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;</verse>
				<verse number="20">Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.</verse>
				<verse number="21">En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land en aan dit huis alzo gedaan?</verse>
				<verse number="22">En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hunner vaderen God, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Sálomo het huis des HEEREN en zijn huis gebouwd had,</verse>
				<verse number="2">Dat Sálomo de steden, welke Huram hem gegeven had, bouwde, en de kinderen Israëls aldaar deed wonen.</verse>
				<verse number="3">Daarna toog Sálomo naar Hamath-Zoba, en hij overweldigde het.</verse>
				<verse number="4">Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatsteden, die hij bouwde in Hamath.</verse>
				<verse number="5">Ook bouwde hij het hoge Beth-hóron en het neder Beth-hóron, vaste steden met muren, deuren en grendelen;</verse>
				<verse number="6">Mitsgaders Baälath, en al de schatsteden, die Sálomo had, en alle wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Sálomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.</verse>
				<verse number="7">Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren;</verse>
				<verse number="8">Uit hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, welke de kinderen Israëls niet verdaan hadden, die bracht Sálomo op uitschot tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="9">Doch uit de kinderen Israëls, die Sálomo niet maakte tot slaven in zijn werk; (want zij waren krijgslieden, en oversten zijner hoofdlieden, en oversten zijner wagenen en zijner ruiteren);</verse>
				<verse number="10">Uit dezen dan waren oversten der bestelden, die de koning Sálomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden.</verse>
				<verse number="11">Sálomo nu deed de dochter van Faraö opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal in het huis van David, den koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark des HEEREN gekomen is.</verse>
				<verse number="12">Toen offerde Sálomo den HEERE brandofferen op het altaar des HEEREN, hetwelk hij vóór het voorhuis gebouwd had;</verse>
				<verse number="13">Zelfs naar den eis van elken dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden, drie malen in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten.</verse>
				<verse number="14">Hij stelde ook, naar de wijze zijns vaders Davids, de verdelingen der priesteren over hun dienst, en der Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesteren te dienen, naar den eis van elken dag; en de poortiers in hun verdelingen, aan elke poort; want alzo was het gebod van David, den man Gods.</verse>
				<verse number="15">En men week niet van des konings gebod aan de priesteren en de Levieten, aangaande alle zaken, en aangaande de schatten.</verse>
				<verse number="16">Alzo werd al het werk van Sálomo bereid tot den dag der grondlegging van het huis des HEEREN, en tot het volbrengen van hetzelve, dat het huis des HEEREN volmaakt werd.</verse>
				<verse number="17">Toen toog Sálomo naar Ezeon-Geber, en naar Eloth, aan den oever der zee, in het land van Edom.</verse>
				<verse number="18">En Huram zond hem, door de hand zijner knechten, schepen, mitsgaders knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Sálomo's knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten gouds, dewelke zij brachten tot den koning Sálomo.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En toen de koningin van Scheba het gerucht van Sálomo hoorde, kwam zij, om Sálomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en kemelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Sálomo, en sprak met hem al wat in haar hart was.</verse>
				<verse number="2">En Sálomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Sálomo, dat hij haar niet verklaarde.</verse>
				<verse number="3">Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Sálomo, en het huis, dat hij gebouwd had,</verse>
				<verse number="4">En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.</verse>
				<verse number="5">En zij zeide tot den koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.</verse>
				<verse number="6">En ik heb hun woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd; gij hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.</verse>
				<verse number="7">Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die geduriglijk voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen.</verse>
				<verse number="8">Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, den HEERE, uw God, tot een koning te zetten; overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.</verse>
				<verse number="9">En zij gaf den koning honderd en twintig talenten gouds, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was gelijk deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Sálomo gaf, geen geweest.</verse>
				<verse number="10">Verder ook Hurams knechten, en Sálomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente.</verse>
				<verse number="11">En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis des HEEREN en tot het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers; desgelijks ook was te voren in het land van Juda niet gezien geweest.</verse>
				<verse number="12">En de koning Sálomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve hetgeen zij tot den koning gebracht had; zo keerde zij, en toog naar haar land, zij en haar knechten.</verse>
				<verse number="13">Het gewicht nu van het goud, dat voor Sálomo op een jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;</verse>
				<verse number="14">Behalve dat zij van de kramers en de kooplieden inbrachten; ook brachten alle koningen van Arabië, en de vorsten deszelven lands, goud en zilver aan Sálomo.</verse>
				<verse number="15">Daartoe maakte de koning Sálomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen van geslagen goud liet hij opwegen tot elke rondas.</verse>
				<verse number="16">Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis des wouds van den Libanon.</verse>
				<verse number="17">Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud.</verse>
				<verse number="18">En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen.</verse>
				<verse number="19">En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.</verse>
				<verse number="20">Ook waren alle drinkvaten van den koning Sálomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van den Libanon waren van gesloten goud; het zilver was in de dagen van Sálomo niet voor iets geacht.</verse>
				<verse number="21">Want des konings schepen voeren naar Tharsis, met de knechten van Huram; eens in drie jaren kwamen de schepen van Tharsis in, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.</verse>
				<verse number="22">Alzo werd de koning Sálomo groter dan alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid.</verse>
				<verse number="23">En alle koningen der aarde zochten Sálomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.</verse>
				<verse number="24">En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, elk van jaar tot jaar.</verse>
				<verse number="25">Ook had Sálomo vier duizend paardenstallen, en wagenen, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="26">En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.</verse>
				<verse number="27">Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.</verse>
				<verse number="28">En zij brachten voor Sálomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.</verse>
				<verse number="29">Het overige nu der geschiedenissen van Sálomo, der eerste en der laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, den profeet, en in de profetie van Ahía, den Siloniet, en in de gezichten van Jedi, den ziener, aangaande Jeróbeam, den zoon van Nebat?</verse>
				<verse number="30">En Sálomo regeerde te Jeruzalem over gans Israël, veertig jaren.</verse>
				<verse number="31">En Sálomo ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Rehábeam werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En Rehábeam toog naar Sichem; want het ganse Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.</verse>
				<verse number="2">Het geschiedde nu, als Jeróbeam, de zoon van Nebat, dat hoorde (dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van den koning Sálomo gevloden was), dat Jeróbeam uit Egypte wederkeerde;</verse>
				<verse number="3">Want zij zonden henen, en lieten hem roepen; zo kwam Jeróbeam met het ganse Israël, en zij spraken tot Rehábeam, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Uw vader heeft ons juk hard gemaakt, nu dan, maak gij uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.</verse>
				<verse number="5">En hij zeide tot hen: Komt over drie dagen weder tot mij. En het volk ging heen.</verse>
				<verse number="6">En de koning Rehábeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Sálomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?</verse>
				<verse number="7">En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.</verse>
				<verse number="8">Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.</verse>
				<verse number="9">En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?</verse>
				<verse number="10">En de jongelingen die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.</verse>
				<verse number="11">Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.</verse>
				<verse number="12">Zo kwam Jeróbeam en al het volk tot Rehábeam, op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.</verse>
				<verse number="13">En de koning antwoordde hun hardelijk; want de koning Rehábeam verliet den raad der oudsten.</verse>
				<verse number="14">En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.</verse>
				<verse number="15">Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat de HEERE Zijn woord bevestigde, hetwelk Hij door den dienst van Ahía, den Siloniet, gesproken had tot Jeróbeam, den zoon van Nebat.</verse>
				<verse number="16">Toen het ganse volk Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk den koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isaï; een ieder naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het ganse Israël naar zijn tenten.</verse>
				<verse number="17">Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehábeam ook.</verse>
				<verse number="18">Toen zond de koning Rehábeam Hadóram, die over de schatting was; en de kinderen Israëls stenigden hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehábeam verkloekte zich, om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.</verse>
				<verse number="19">Alzo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op dezen dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Toen nu Rehábeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend, uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehábeam bracht.</verse>
				<verse number="2">Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Semája, den man Gods, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse Israël in Juda en Benjamin, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jeróbeam te trekken.</verse>
				<verse number="5">Rehábeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.</verse>
				<verse number="6">Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekóa,</verse>
				<verse number="7">En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,</verse>
				<verse number="8">En Gath, en Marésa, en Zif,</verse>
				<verse number="9">En Adoráïm, en Lachis, en Azéka,</verse>
				<verse number="10">En Zóra, en Ajálon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.</verse>
				<verse number="11">En hij sterkte deze vastigheden, en legde oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn;</verse>
				<verse number="12">En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne.</verse>
				<verse number="13">Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse Israël waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen.</verse>
				<verse number="14">Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jeróbeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.</verse>
				<verse number="15">En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.</verse>
				<verse number="16">Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden.</verse>
				<verse number="17">Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehábeam, den zoon van Sálomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Sálomo.</verse>
				<verse number="18">En Rehábeam nam zich, benevens Máhalath, de dochter van Jerimôth, den zoon van David, ter vrouwe Abiháïl, de dochter van Elíab, den zoon van Isaï,</verse>
				<verse number="19">Dewelke hem zonen baarde, Jeüs, en Semária, en Zaham.</verse>
				<verse number="20">En na haar nam hij Máächa, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abía, en Attai, en Ziza, en Selómith.</verse>
				<verse number="21">En Rehábeam had Máächa, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.</verse>
				<verse number="22">En Rehábeam stelde Abía, den zoon van Máächa, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.</verse>
				<verse number="23">En hij handelde verstandelijk, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Het geschiedde nu, als Rehábeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israël met hem.</verse>
				<verse number="2">Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehábeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE),</verse>
				<verse number="3">Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libiërs, Suchieten en Moren;</verse>
				<verse number="4">En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe.</verse>
				<verse number="5">Toen kwam Semája, de profeet, tot Rehábeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak.</verse>
				<verse number="6">Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig.</verse>
				<verse number="7">Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semája, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden.</verse>
				<verse number="8">Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen.</verse>
				<verse number="9">Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Sálomo gemaakt had.</verse>
				<verse number="10">En de koning Rehábeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten kwamen, en die droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.</verse>
				<verse number="12">En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn des HEEREN van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen.</verse>
				<verse number="13">Zo versterkte zich de koning Rehábeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehábeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de HEERE uit alle stammen van Israël verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, een Ammonietische.</verse>
				<verse number="14">En hij deed dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet richtte, om den HEERE te zoeken.</verse>
				<verse number="15">De geschiedenissen nu van Rehábeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semája, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehábeam en Jeróbeam in al hun dagen?</verse>
				<verse number="16">En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abía werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">In het achttiende jaar van den koning Jeróbeam, zo werd Abía koning over Juda.</verse>
				<verse number="2">Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michája, de dochter van Uríël, van Gíbea; en er was krijg tussen Abía en tussen Jeróbeam.</verse>
				<verse number="3">En Abía bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jeróbeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.</verse>
				<verse number="4">En Abía maakte zich op van boven den berg Zemaráïm, dewelke is in het gebergte van Efraïm; en hij zeide: Hoort mij toe, Jeróbeam, en gans Israël!</verse>
				<verse number="5">Staat het u niet toe te weten, dat de HEERE, de God Israëls, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond?</verse>
				<verse number="6">Evenwel is Jeróbeam, de zoon van Nebat, de knecht van Sálomo, den zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.</verse>
				<verse number="7">Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehábeam, den zoon van Sálomo, als Rehábeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.</verse>
				<verse number="8">En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des HEEREN, hetwelk in de hand is der zonen van David; gij zijt wel een grote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jeróbeam tot goden gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="9">Hebt gij niet de priesteren des HEEREN, de zonen van Aäron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesteren gemaakt, gelijk de volken der landen? Een iegelijk, die komt om zijn hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester dergenen, die geen goden zijn.</verse>
				<verse number="10">Maar ons aangaande, de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die den HEERE dienen, zijn de zonen van Aäron, en de Levieten zijn in het werk.</verse>
				<verse number="11">En zij steken aan voor den HEERE brandofferen, op elken morgen en op elken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de toerichting des broods op de reine tafel, en den gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elken avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht des HEEREN, onzes Gods; maar gij hebt Hem verlaten.</verse>
				<verse number="12">Daarom ziet, God is met ons aan de spitse, en Zijn priesteren met de trompetten des geklanks, om tegen u alarmgeklank te maken; o kinderen Israëls, strijdt niet tegen den HEERE, den God uwer vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben.</verse>
				<verse number="13">Maar Jeróbeam deed een achterlage omwenden, om van achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter hen.</verse>
				<verse number="14">Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij den strijd voor en achter; en zij riepen tot den HEERE, en de priesters trompetten met de trompetten.</verse>
				<verse number="15">En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jeróbeam en het ganse Israël sloeg voor Abía en Juda.</verse>
				<verse number="16">En de kinderen Israëls vloden voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand.</verse>
				<verse number="17">Abía dan, en zijn volk, sloeg hen met een groten slag; want uit Israël vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.</verse>
				<verse number="18">Alzo werden de kinderen Israëls vernederd te dier tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, dewijl zij op den HEERE, hunner vaderen God, gesteund hadden.</verse>
				<verse number="19">En Abía jaagde Jeróbeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-El met haar onderhorige plaatsen, en Jesána met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.</verse>
				<verse number="20">En Jeróbeam behield geen kracht meer in de dagen van Abía; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.</verse>
				<verse number="21">Zo versterkte zich Abía; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochteren.</verse>
				<verse number="22">Het overige nu der geschiedenissen van Abía, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van den profeet Iddo.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Zo ontsliep Abía met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.</verse>
				<verse number="2">En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.</verse>
				<verse number="3">Want hij nam de altaren der vreemden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af.</verse>
				<verse number="4">En hij zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.</verse>
				<verse number="5">Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.</verse>
				<verse number="6">Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de HEERE hem rust gaf.</verse>
				<verse number="7">Want hij zeide tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den HEERE, onzen God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom henen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.</verse>
				<verse number="8">Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.</verse>
				<verse number="9">En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Marésa toe.</verse>
				<verse number="10">Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefátha bij Marésa.</verse>
				<verse number="11">En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.</verse>
				<verse number="12">En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.</verse>
				<verse number="13">Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor den HEERE en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.</verse>
				<verse number="14">En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking des HEEREN was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs in dezelve was.</verse>
				<verse number="15">En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemelen; en kwamen weder te Jeruzalem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Toen kwam de Geest Gods op Azária, den zoon van Oded.</verse>
				<verse number="2">En hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa, en gans Juda, en Benjamin! De HEERE is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt; en zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten.</verse>
				<verse number="3">Israël nu is vele dagen geweest zonder den waren God, en zonder een lerenden priester, en zonder de wet.</verse>
				<verse number="4">Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot den HEERE, den God Israëls, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden.</verse>
				<verse number="5">En in die tijden was er geen vrede voor dengene, die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen;</verse>
				<verse number="6">Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had hen met allen angst verschrikt.</verse>
				<verse number="7">Daarom weest gij sterk, en laat uw handen niet verslappen; want er is loon naar uw werk.</verse>
				<verse number="8">Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van den profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het ganse land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar des HEEREN, dat voor het voorhuis des HEEREN was.</verse>
				<verse number="9">En hij vergaderde het ganse Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was.</verse>
				<verse number="10">En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa.</verse>
				<verse number="11">En zij offerden den HEERE ten zelfden dage van den roof, dien zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen.</verse>
				<verse number="12">En zij traden in een verbond, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel.</verse>
				<verse number="13">En al wie den HEERE, den God Israëls, niet zou zoeken, zou gedood worden, van den kleine tot den grote, en van den man tot de vrouw toe.</verse>
				<verse number="14">En zij zwoeren den HEERE met luider stem en met gejuich, desgelijks met trompetten en met bazuinen.</verse>
				<verse number="15">En gans Juda was verblijd over dezen eed; want zij hadden met hun ganse hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust rondom henen.</verse>
				<verse number="16">Aangaande ook Máächa, de moeder van den koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijken afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.</verse>
				<verse number="17">De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen.</verse>
				<verse number="18">En hij bracht in het huis Gods de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en vaten.</verse>
				<verse number="19">En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Báësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="2">Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis des HEEREN en van het huis des konings, en zond tot Benhadad, den koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Er is een verbond tussen mij en tussen u, en tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen, maak uw verbond te niet met Báësa, den koning van Israël, dat hij van tegen mij aftrekke.</verse>
				<verse number="4">En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maïm, en alle schatsteden van Nafthali.</verse>
				<verse number="5">En het geschiedde, als Báësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.</verse>
				<verse number="6">Toen nam de koning Asa gans Juda, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmede Báësa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Geba en Mizpa.</verse>
				<verse number="7">En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanáni tot Asa, den koning van Juda, en hij zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den koning van Syrië, en niet gesteund hebt op den HEERE, uw God, daarom is het heir des konings van Syrië uit uw hand ontkomen.</verse>
				<verse number="8">Waren niet de Moren en de Libiërs een groot heir met zeer veel wagenen en ruiteren? Toen gij nochtans op den HEERE steundet, heeft Hij hen in uw hand gegeven.</verse>
				<verse number="9">Want den HEERE aangaande, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, welker hart volkomen is tot Hem; gij hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn.</verse>
				<verse number="10">Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en leidde hem in het gevangenhuis; want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa enigen uit het volk ter zelfder tijd.</verse>
				<verse number="11">En ziet, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.</verse>
				<verse number="12">Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, krank aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn krankheid; daartoe ook zocht hij den HEERE niet in zijn krankheid, maar de medicijnmeesters.</verse>
				<verse number="13">Alzo ontsliep Asa met zijn vaderen; en hij stierf in het een en veertigste jaar zijner regering.</verse>
				<verse number="14">En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en legden hem op het bed, hetwelk hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een gans grote branding.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israël.</verse>
				<verse number="2">En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE was met Jósafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baäls niet.</verse>
				<verse number="4">Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israël.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Jósafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.</verse>
				<verse number="6">En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.</verse>
				<verse number="7">In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chaïl, en tot Obadja, en tot Zechárja, en tot Natháneël, en tot Michája, opdat men zou leren in de steden van Juda.</verse>
				<verse number="8">En met hen de Levieten, Semája en Nethánja, en Zebádja, en Asaël, en Semiramôth, en Jónathan, en Adonia, en Tobia, en Tôb-Adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisáma en Joram.</verse>
				<verse number="9">En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.</verse>
				<verse number="10">En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Jósafat.</verse>
				<verse number="11">En van de Filistijnen brachten zij Jósafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.</verse>
				<verse number="12">Alzo nam Jósafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.</verse>
				<verse number="13">En hij had veel werks in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem.</verse>
				<verse number="14">Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.</verse>
				<verse number="15">Naast hem nu was de overste Jóhanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend;</verse>
				<verse number="16">En naast hem was Amásia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.</verse>
				<verse number="17">En uit Benjamin was Eljáda, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.</verse>
				<verse number="18">En naast hem was Józabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust.</verse>
				<verse number="19">Dezen waren in den dienst des konings; behalve degenen, die de koning in de vaste steden door gans Juda gezet had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Jósafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.</verse>
				<verse number="2">En ten einde van enige jaren toog hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead.</verse>
				<verse number="3">Want Achab, de koning van Israël, zeide tot Jósafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.</verse>
				<verse number="4">Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="5">Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, vierhonderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand des konings geven.</verse>
				<verse number="6">Maar Jósafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij van hem vragen mochten?</verse>
				<verse number="7">Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Jósafat zeide: de koning zegge niet alzo.</verse>
				<verse number="8">Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.</verse>
				<verse number="9">De koning van Israël nu en Jósafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.</verse>
				<verse number="10">En Zedekía, de zoon van Kenáäna, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriërs stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.</verse>
				<verse number="11">En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de HEERE zal hen in de hand des konings geven.</verse>
				<verse number="12">De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden der profeten zijn, uit één mond, goed tot den koning; dat nu toch uw woord zij, gelijk als van een uit hen, en spreek het goede.</verse>
				<verse number="13">Doch Micha zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken!</verse>
				<verse number="14">Als hij tot den koning gekomen was, zo zeide de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En hij zeide: Trekt op, en gijlieden zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uw hand gegeven worden.</verse>
				<verse number="15">En de koning zeide tot hem: Tot hoevele reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt, dan de waarheid, in den Naam des HEEREN?</verse>
				<verse number="16">En hij zeide: Ik zag het ganse Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de HEERE zeide: Dezen hebben geen heer; een iegelijk kere weder naar zijn huis in vrede.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?</verse>
				<verse number="18">Verder zeide hij: Daarom hoort het woord des HEEREN: Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir, staande aan Zijn rechter- en Zijn linkerhand.</verse>
				<verse number="19">En de HEERE zeide: Wie zal Achab, den koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zeide Hij: Deze zegt aldus, en die zegt alzo.</verse>
				<verse number="20">Toen kwam een geest voort, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede?</verse>
				<verse number="21">En Hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult ook vermogen; ga uit, en doe alzo.</verse>
				<verse number="22">Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van deze uw profeten gegeven, en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.</verse>
				<verse number="23">Toen trad Zedekía, de zoon van Kenáäna, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken, en hij zeide: Door wat weg is de Geest des HEEREN van mij doorgegaan, om u aan te spreken?</verse>
				<verse number="24">En Micha zeide: Zie, gij zult het zien aan dienzelfden dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.</verse>
				<verse number="25">De koning van Israël nu zeide: Neemt Micha, en brengt hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;</verse>
				<verse number="26">En gijlieden zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet dezen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom.</verse>
				<verse number="27">En Micha zeide: Indien gij enigszins met vrede wederkomt, zo heeft de HEERE door mij niet gesproken. Verder zeide hij: Hoort, gij volken altegaar!</verse>
				<verse number="28">Alzo toog de koning van Israël, en Jósafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.</verse>
				<verse number="29">En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in den strijd.</verse>
				<verse number="30">De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten der wagenen, die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen den koning van Israël alleen.</verse>
				<verse number="31">Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Jósafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Jósafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.</verse>
				<verse number="32">Want het geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat het de koning van Israël niet was, dat zij van achter hem afkeerden.</verse>
				<verse number="33">Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid, en schoot den koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot den voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.</verse>
				<verse number="34">En de strijd nam op dien dag toe, en de koning van Israël deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En Jósafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En Jehu, de zoon van Hanáni, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Jósafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.</verse>
				<verse number="3">Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.</verse>
				<verse number="4">Jósafat nu woonde te Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-séba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.</verse>
				<verse number="5">En hij stelde richters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad.</verse>
				<verse number="6">En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.</verse>
				<verse number="7">Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.</verse>
				<verse number="8">Daartoe stelde Jósafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van Israël, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.</verse>
				<verse number="9">En hij gebood hun, zeggende: Doet alzo in de vreze des HEEREN, met getrouwheid en met een volkomen hart.</verse>
				<verse number="10">En in alle geschil, hetwelk van uw broederen, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan den HEERE, en een grote toornigheid over u en over uw broederen zij; doet alzo, en gij zult niet schuldig worden.</verse>
				<verse number="11">En ziet, Amárja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak des HEEREN; en Zebádja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met den goede zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen benevens de Ammonieten, kwamen tegen Jósafat ten strijde.</verse>
				<verse number="2">Toen kwamen er, die Jósafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrië, en zie, zij zijn te Házezon-Thamar, hetwelk is Engedi.</verse>
				<verse number="3">Jósafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om den HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda.</verse>
				<verse number="4">En Juda werd vergaderd, om van den HEERE hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om den HEERE te zoeken.</verse>
				<verse number="5">En Jósafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.</verse>
				<verse number="6">En hij zeide: O, HEERE, God onzer vaderen, zijt Gij niet die God in den hemel? Ja, Gij zijt de Heerser over alle koninkrijken der heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan.</verse>
				<verse number="7">Hebt Gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor het aangezicht van Uw volk Israël verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven?</verse>
				<verse number="8">Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor Uw Naam, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Indien over ons enig kwaad komt, het zwaard des oordeels, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, dewijl Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en Gij zult verhoren en verlossen.</verse>
				<verse number="10">En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seïr, door dewelken Gij Israël niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet;</verse>
				<verse number="11">Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.</verse>
				<verse number="12">O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.</verse>
				<verse number="13">En gans Juda stond voor het aangezicht des HEEREN, ook hun kinderkens, hun vrouwen en hun zonen.</verse>
				<verse number="14">Toen kwam de Geest des HEEREN in het midden der gemeente, op Jaháziël, den zoon van Zechárja, den zoon van Benája, den zoon van Jehiël, den zoon van Matthánja, den Leviet, uit de zonen van Asaf;</verse>
				<verse number="15">En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Jósafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods.</verse>
				<verse number="16">Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij den opgang van Ziz; en gij zult hen vinden in het einde des dals, voor aan de woestijn van Jerúël.</verse>
				<verse number="17">Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil des HEEREN met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want de HEERE zal met u wezen.</verse>
				<verse number="18">Toen neigde zich Jósafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende den HEERE.</verse>
				<verse number="19">En de Levieten uit de kinderen der Kahathieten, en uit de kinderen der Korahieten, stonden op, om den HEERE, den God Israëls, met luider stem ten hoogste te prijzen.</verse>
				<verse number="20">En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekóa; en als zij uittogen, stond Jósafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.</verse>
				<verse number="21">Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den HEERE zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaande en zeggende: Looft den HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="22">Ter tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de HEERE achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.</verse>
				<verse number="23">Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander ten verderve.</verse>
				<verse number="24">Als nu Juda tot den wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen.</verse>
				<verse number="25">Jósafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.</verse>
				<verse number="26">En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Berácha, want daar loofden zij den HEERE; daarom noemden zij den naam dierzelver plaats het dal van Berácha, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="27">Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Jósafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.</verse>
				<verse number="28">En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="29">En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had.</verse>
				<verse number="30">Alzo was het koninkrijk van Jósafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.</verse>
				<verse number="31">Zo regeerde Jósafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azúba, een dochter van Silhi.</verse>
				<verse number="32">En hij wandelde in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="33">Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God zijner vaderen.</verse>
				<verse number="34">Het overige nu der geschiedenissen van Jósafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanáni, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van Israël.</verse>
				<verse number="35">Doch na dezen vergezelschapte zich Jósafat, de koning van Juda, met Aházia, den koning van Israël; die handelde goddelooslijk in zijn doen.</verse>
				<verse number="36">En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-Géber.</verse>
				<verse number="37">Maar Eliëzer, de zoon van Dódava, van Marésa, profeteerde tegen Jósafat, zeggende: Omdat gij u met Aházia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Daarna ontsliep Jósafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="2">En hij had broederen, Jósafats zonen, Azárja, en Jehíël, en Zechárja, en Azarjáhu, en Michaël, en Sefátja; deze allen waren zonen van Jósafat, den koning van Israël.</verse>
				<verse number="3">En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.</verse>
				<verse number="4">Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broederen met het zwaard, mitsgaders ook enige van de vorsten van Israël.</verse>
				<verse number="5">Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="6">En hij wandelde in den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="7">Doch de HEERE wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wil, dat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij gezegd had, hem en zijn zonen te allen dage een lamp te zullen geven.</verse>
				<verse number="8">In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.</verse>
				<verse number="9">Daarom toog Joram voort met zijn oversten, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten der wagenen.</verse>
				<verse number="10">Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag; toen ter zelfder tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had den HEERE, den God zijner vaderen, verlaten.</verse>
				<verse number="11">Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe.</verse>
				<verse number="12">Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elía, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Jósafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;</verse>
				<verse number="13">Maar hebt gewandeld in den weg der koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broederen, van uws vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan gij;</verse>
				<verse number="14">Zie, de HEERE zal u plagen met een grote plage aan uw volk, en aan uw kinderen, en aan uw vrouwen, en aan al uw have.</verse>
				<verse number="15">Gij zult ook in grote krankheden zijn, door de krankheid uwer ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de krankheid, jaar op jaar.</verse>
				<verse number="16">Zo verwekte de HEERE tegen Joram den geest der Filistijnen en der Arabieren, die aan de zijde der Moren zijn.</verse>
				<verse number="17">Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle have weg, die in het huis des konings gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Jóahaz, de kleinste zijner zonen.</verse>
				<verse number="18">En na dit alles plaagde hem de HEERE in zijn ingewand met een krankheid, daar geen genezen aan was.</verse>
				<verse number="19">Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde der twee jaren uitging, zijn ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van boze krankheden; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding zijner vaderen.</verse>
				<verse number="20">Hij was twee en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging henen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der koningen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En de inwoners van Jeruzalem maakten Aházia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Aházia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.</verse>
				<verse number="2">Twee en veertig jaar was Aházia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athália, een dochter van Omri.</verse>
				<verse number="3">Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddelooslijk te handelen.</verse>
				<verse number="4">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na den dood zijns vaders, hem ten verderve.</verse>
				<verse number="5">Hij wandelde ook in hun raad, en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, tot den strijd tegen Házaël, den koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs sloegen Joram.</verse>
				<verse number="6">En hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Azárja, de zoon van Joram, den koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.</verse>
				<verse number="7">De vertreding nu van Aházia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de HEERE gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.</verse>
				<verse number="8">Zo geschiedde het, als Jehu oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen der broederen van Aházia, die Aházia dienden, vond, en die doodde.</verse>
				<verse number="9">Daarna zocht hij Aházia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Jósafat, die den HEERE met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Aházia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.</verse>
				<verse number="10">Toen Athália, de moeder van Aházia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.</verse>
				<verse number="11">Maar Józabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Józabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jójada (want zij was de zuster van Aházia), voor Athália, dat zij hem niet doodde.</verse>
				<verse number="12">En hij was bij hen verstoken in het huis Gods zes jaren; en Athália regeerde over het land.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Doch in het zevende jaar versterkte zich Jójada, en nam de oversten der honderden, Azárja, den zoon van Jeróham, en Ismaël, den zoon van Jóhanan, en Azárja, den zoon van Obed, en Maäséja, den zoon van Adája, en Elisáfat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond;</verse>
				<verse number="2">Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En die ganse gemeente maakte een verbond in het huis Gods, met den koning; en hij zeide tot hen: Ziet, de zoon des konings zal koning zijn, gelijk als de HEERE van de zonen van David gesproken heeft.</verse>
				<verse number="4">Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de priesteren en van de Levieten, zullen tot poortiers der dorpelen zijn;</verse>
				<verse number="5">En een derde deel zal zijn aan het huis des konings; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Maar dat niemand kome in het huis des HEEREN, dan de priesteren en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des HEEREN waarnemen.</verse>
				<verse number="7">De Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden; doch weest gijlieden bij den koning, als hij inkomt en uitgaat.</verse>
				<verse number="8">En de Levieten en gans Juda deden naar alles, wat de priester Jójada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op den sabbat inkwamen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; want de priester Jójada had aan de verdelingen geen verlof gegeven.</verse>
				<verse number="9">Verder gaf de priester Jójada aan de oversten der honderden de spiesen, en de rondassen, en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.</verse>
				<verse number="10">En hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij den koning rondom.</verse>
				<verse number="11">Toen brachten zij des konings zoon voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jójada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve!</verse>
				<verse number="12">Toen nu Athália hoorde de stem des volks, dat toeliep en den koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">En zij zag toe; en ziet, de koning stond bij zijn pilaar, aan den ingang; en de oversten en de trompetten waren bij den koning; en al het volk des lands was blijde, en blies met trompetten; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat men lofzingen zou; toen verscheurde Athália haar klederen, en zij riep: Verraad, verraad!</verse>
				<verse number="14">Maar de priester Jójada bracht de oversten der honderden, die over het heir gesteld waren, uit, en zeide tot hen: Brengt ze uit tot buiten de ordeningen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: Gij zult ze in het huis des HEEREN niet doden.</verse>
				<verse number="15">En zij legden de handen aan haar, en zij ging naar den ingang van de Paardenpoort, naar het huis des konings; en zij doodden ze daar.</verse>
				<verse number="16">En Jójada maakte een verbond tussen Hem, en tussen al het volk, en tussen den koning, dat zij den HEERE tot een volk zouden zijn.</verse>
				<verse number="17">Daarna ging al het volk in het huis van Baäl, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, den priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren.</verse>
				<verse number="18">Jójada nu bestelde de ambten in het huis des HEEREN, onder de hand der Levietische priesteren, die David in het huis des HEEREN afgedeeld had, om de brandofferen des HEEREN te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David.</verse>
				<verse number="19">En hij stelde de poortiers aan de poorten van het huis des HEEREN, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame.</verse>
				<verse number="20">En hij nam de oversten der honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk des lands, en bracht den koning van het huis des HEEREN af, en zij kwamen door het midden der hoge poort in het huis des konings; en zij zetten den koning op den troon des koninkrijks.</verse>
				<verse number="21">En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athália met het zwaard gedood hadden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja, van Ber-séba.</verse>
				<verse number="2">En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al de dagen van den priester Jójada.</verse>
				<verse number="3">En Jójada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochteren.</verse>
				<verse number="4">Het geschiedde nu na dezen, dat het in het hart van Joas was, het huis des HEEREN te vernieuwen.</verse>
				<verse number="5">Zo vergaderde hij de priesteren en de Levieten, en zeide tot hen: Trekt uit tot de steden van Juda, en vergadert geld van het ganse Israël, om het huis uws Gods te beteren van jaar tot jaar; en gijlieden, haast tot deze zaak; maar de Levieten haastten niet.</verse>
				<verse number="6">En de koning riep Jójada, het hoofd, en zeide tot hem: Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, den knecht des HEEREN, en van de gemeente van Israël, voor de tent der getuigenis?</verse>
				<verse number="7">Want als Athália goddelooslijk handelde, hadden haar zonen het huis Gods opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis des HEEREN besteed aan de Baäls.</verse>
				<verse number="8">En de koning gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten aan de poort van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="9">En men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men den HEERE inbrengen zou de schatting van Mozes, den knecht Gods, over Israël in de woestijn.</verse>
				<verse number="10">Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in, en wierpen in de kist, totdat men voleind had.</verse>
				<verse number="11">Het geschiedde nu ter tijd, als hij de kist, naar des konings bevel, door de hand der Levieten, inbracht, en als zij zagen, dat er veel gelds was, dat de schrijver des konings kwam, en de bestelde van den hoofdpriester, en de kist ledig maakten, en die opnamen, en die wederbrachten aan haar plaats; alzo deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte;</verse>
				<verse number="12">Hetwelk de koning en Jójada gaven aan degenen, die het werk van den dienst van het huis des HEEREN verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis des HEEREN te vernieuwen, mitsgaders ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis des HEEREN te beteren.</verse>
				<verse number="13">Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering des werks door hun hand toenam; en zij herstelden het huis Gods in zijn gestaltenis, en maakten het vast.</verse>
				<verse number="14">Als zij nu voleind hadden, brachten zij voor den koning en Jójada het overige des gelds, waarvan hij vaten maakte voor het huis des HEEREN, vaten om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden geduriglijk brandofferen in het huis des HEEREN al de dagen van Jójada.</verse>
				<verse number="15">En Jójada werd oud en zat van dagen, en stierf; hij was honderd en dertig jaren oud, toen hij stierf.</verse>
				<verse number="16">En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de koningen; want hij had goed gedaan in Israël, beide aan God en Zijn huis.</verse>
				<verse number="17">Maar na den dood van Jójada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor den koning; toen hoorde de koning naar hen.</verse>
				<verse number="18">Zo verlieten zij het huis des HEEREN, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.</verse>
				<verse number="19">Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot den HEERE te doen wederkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet.</verse>
				<verse number="20">En de Geest Gods toog Zacharía aan, den zoon van Jójada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.</verse>
				<verse number="21">En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod des konings, in het voorhof van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="22">Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jójada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De HEERE zal het zien en zoeken!</verse>
				<verse number="23">Daarom geschiedde het met den omgang des jaars, dat de heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten des volks; en zij zonden al hun roof tot den koning van Damaskus.</verse>
				<verse number="24">Hoewel de heirkracht van Syrië met weinig mannen kwam, evenwel gaf de HEERE in hun hand een heirkracht van grote menigte, dewijl zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden; alzo voerden zij de oordelen uit tegen Joas.</verse>
				<verse number="25">En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote krankheden), maakten zijn knechten, om het bloed der zonen van den priester Jójada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar zij begroeven hem niet in de graven der koningen.</verse>
				<verse number="26">Dezen nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Símeath, de Ammonietische, en Józabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.</verse>
				<verse number="27">Aangaande nu zijn zonen, en de grootheid van den last, hem opgelegd, en het gebouw van het huis Gods, ziet, zij zijn geschreven in de historie van het boek der koningen; en zijn zoon Amázia werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Amázia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan, van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.</verse>
				<verse number="3">Het geschiedde nu, als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijn knechten, die den koning, zijn vader, geslagen hadden, doodde.</verse>
				<verse number="4">Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.</verse>
				<verse number="5">En Amázia vergaderde Juda, en stelde hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gans Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas.</verse>
				<verse number="6">Daartoe huurde hij uit Israël honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilvers.</verse>
				<verse number="7">Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het heir van Israël met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm.</verse>
				<verse number="8">Maar zo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor den vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen.</verse>
				<verse number="9">En Amázia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man Gods zeide: De HEERE heeft meer dan dit, om u te geven.</verse>
				<verse number="10">Toen scheidde Amázia die af, te weten de benden, die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hun plaats in hittigheid des toorns.</verse>
				<verse number="11">Amázia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tien duizend.</verse>
				<verse number="12">Daartoe vingen de kinderen van Juda tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte der steenrots, en stieten hen van de spits der steenrots af, dat zij allen barstten.</verse>
				<verse number="13">Maar de mannen der benden, die Amázia had doen wederkeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-hóron toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel roofs.</verse>
				<verse number="14">Het geschiedde nu, nadat Amázia van het slaan der Edomieten gekomen was, en dat hij de goden der kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich voor dezelve nederboog, en dien rookte.</verse>
				<verse number="15">Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Amázia; en Hij zond tot hem een profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand?</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zeide: Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Houd gij op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zeide: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt.</verse>
				<verse number="17">En Amázia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.</verse>
				<verse number="18">Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, om te zeggen: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel.</verse>
				<verse number="19">Gij zegt: Zie, gij hebt de Edomieten geslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om te roemen; nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in het kwaad mengen, dat gij vallen zoudt; gij en Juda met u?</verse>
				<verse number="20">Doch Amázia hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, overmits zij de goden der Edomieten gezocht hadden.</verse>
				<verse number="21">Zo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amázia, de koning van Juda, zagen elkanders aangezichten te Beth-Sémes, dat in Juda is.</verse>
				<verse number="22">En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël; en zij vloden een iegelijk in zijn tenten.</verse>
				<verse number="23">En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Jóahaz, te Beth-Sémes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.</verse>
				<verse number="24">Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de vaten, die in het huis Gods gevonden werden, bij Obed-Edom, en de schatten van het huis des konings, mitsgaders gijzelaars, en hij keerde weder naar Samaria.</verse>
				<verse number="25">Amázia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.</verse>
				<verse number="26">Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël?</verse>
				<verse number="27">Van den tijd nu af, dat Amázia afgeweken was van achter den HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.</verse>
				<verse number="28">En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van Juda.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amázia.</verse>
				<verse number="2">Dezelve bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.</verse>
				<verse number="3">Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="4">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Amázia gedaan had.</verse>
				<verse number="5">Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharía, die verstandig was in de gezichten Gods; in de dagen nu, dat hij den HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig.</verse>
				<verse number="6">Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen.</verse>
				<verse number="7">En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-Baäl woonden, en tegen de Meünieten.</verse>
				<verse number="8">En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.</verse>
				<verse number="9">Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze.</verse>
				<verse number="10">Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van den land bouw.</verse>
				<verse number="11">Verder had Uzzia een heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering, door de hand van Jeíël, den schrijver, en Mahaséja, den ambtman; onder de hand van Hanánja, een van de vorsten des konings.</verse>
				<verse number="12">Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="13">En onder hun hand was een krijgsheir van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorlog oefenden, om den koning tegen den vijand te helpen.</verse>
				<verse number="14">En Uzzia bereidde voor hen, voor het ganse heir, schilden, en spiesen, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe.</verse>
				<verse number="15">Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten; zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was.</verse>
				<verse number="16">Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen den HEERE, zijn God; want hij ging in den tempel des HEEREN, om te roken op het reukaltaar.</verse>
				<verse number="17">Doch Azária, de priester, ging hem na, en met hem des HEEREN priesters, tachtig kloeke mannen.</verse>
				<verse number="18">En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God.</verse>
				<verse number="19">Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren, in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar.</verse>
				<verse number="20">Alstoen zag de hoofdpriester Azária op hem, en al de priesteren, en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met der haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de HEERE hem geplaagd had.</verse>
				<verse number="21">Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan den dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands.</verse>
				<verse number="22">Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesája, de zoon van Amos, beschreven.</verse>
				<verse number="23">En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den tempel des HEEREN niet ging; en het volk verdierf zich nog.</verse>
				<verse number="3">Dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN; hij bouwde ook veel aan den muur van Ofel.</verse>
				<verse number="4">Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens.</verse>
				<verse number="5">Hij krijgde ook tegen den koning der kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilvers, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten hem de kinderen Ammons wederom, ook in het tweede en in het derde jaar.</verse>
				<verse number="6">Alzo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.</verse>
				<verse number="7">Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al zijn krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda.</verse>
				<verse number="8">Hij was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="9">En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David;</verse>
				<verse number="2">Maar hij wandelde in de wegen der koningen van Israël; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baäls.</verse>
				<verse number="3">Dezelve rookte ook in het dal des zoons van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.</verse>
				<verse number="4">Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte.</verse>
				<verse number="5">Daarom gaf hem de HEERE, zijn God, in de hand des konings van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij te Damaskus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand des konings van Israël, die hem sloeg met een groten slag.</verse>
				<verse number="6">Want Pekah, de zoon van Remália, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op één dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden.</verse>
				<verse number="7">En Zichri, een geweldig man van Efraïm, sloeg Maäséja, den zoon des konings, dood, en Azríkam, den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den koning.</verse>
				<verse number="8">En de kinderen Israëls voerden van hun broederen gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij brachten den roof te Samaria.</verse>
				<verse number="9">Aldaar nu was een profeet des HEEREN, wiens naam was Oded; die ging uit, het heir tegen, dat naar Samaria kwam, en zeide tot hen: Ziet, door de grimmigheid des HEEREN, des Gods uwer vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan den hemel raakt.</verse>
				<verse number="10">Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk? Bij ulieden zijn schulden tegen den HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="11">Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder, die gij van uw broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.</verse>
				<verse number="12">Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van Efraïm, Azária, de zoon van Jóhanan, Berechja, de zoon van Mesillémoth, en Jehizkía, de zoon van Sallum, en Amása, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen.</verse>
				<verse number="13">En zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen den HEERE; denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij veel schuld hebben, en de hitte des toorns over Israël is?</verse>
				<verse number="14">Toen lieten de toegerusten de gevangenen en den roof voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente.</verse>
				<verse number="15">De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broederen; daarna keerden zij weder naar Samaria.</verse>
				<verse number="16">Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden.</verse>
				<verse number="17">Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.</verse>
				<verse number="18">Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Sémes, en Ajálon, en Gedéroth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.</verse>
				<verse number="19">Want de HEERE vernederde Juda, om der wille van Achaz, den koning Israëls; want hij had Juda afgetrokken, dat het gans zeer overtrad tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="20">En Tiglath-Pilnéser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet.</verse>
				<verse number="21">Want Achaz nam een deel van het huis des HEEREN, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet.</verse>
				<verse number="22">Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij des overtredens tegen den HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.</verse>
				<verse number="23">Want hij offerde den goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, en zeide: Omdat de goden der koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, mitsgaders aan gans Israël.</verse>
				<verse number="24">En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des HEEREN toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="25">Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om anderen goden te roken; alzo verwekte hij den HEERE, zijner vaderen God, tot toorn.</verse>
				<verse number="26">Het overige nu zijner geschiedenissen, en al zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.</verse>
				<verse number="27">En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkía werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Jehizkía werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Abía, een dochter van Zacharía.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.</verse>
				<verse number="3">Dezelve deed in het eerste jaar zijner regering, in de eerste maand, de deuren van het huis des HEEREN open, en beterde ze.</verse>
				<verse number="4">En hij bracht de priesteren en de Levieten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat.</verse>
				<verse number="5">En hij zeide tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis des HEEREN, des Gods uwer vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.</verse>
				<verse number="6">Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN, onzes Gods, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van den tabernakel des HEEREN omgewend, en hebben den nek toegekeerd.</verse>
				<verse number="7">Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan den God Israëls niet geofferd.</verse>
				<verse number="8">Daarom is een grote toorn des HEEREN over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als gij ziet met uw ogen.</verse>
				<verse number="9">Want ziet, onze vaders zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochteren, en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest.</verse>
				<verse number="10">Nu is het in mijn hart een verbond te maken met den HEERE, den God Israëls, opdat de hitte Zijns toorns van ons afkere.</verse>
				<verse number="11">Mijn zonen, weest nu niet traag; want de HEERE heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht staan zoudt, om Hem te dienen; en opdat gij Hem dienaars en wierokers zoudt wezen.</verse>
				<verse number="12">Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amásai, en Joël, de zoon van Azárja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merári, Kis, de zoon van Abdi, en Azárja, de zoon van Jeháleël; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;</verse>
				<verse number="13">En van de kinderen van Elízafan, Simri en Jeíël; en van de kinderen van Asaf, Zechárja en Mattánja;</verse>
				<verse number="14">En van de kinderen van Heman, Jehíël en Simeï; en van de kinderen van Jedúthun, Semája en Uzzíël.</verse>
				<verse number="15">En zij verzamelden hun broederen, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des konings, door de woorden des HEEREN, om het huis des HEEREN te reinigen.</verse>
				<verse number="16">Maar de priesteren gingen binnen in het huis des HEEREN, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis des HEEREN al de onreinigheid, die zij in den tempel des HEEREN vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron.</verse>
				<verse number="17">Zij begonnen nu te heiligen op den eersten der eerste maand, en op den achtsten dag der maand kwamen zij in het voorhuis des HEEREN, en heiligden het huis des HEEREN in acht dagen; en op den zestienden dag der eerste maand maakten zij een einde.</verse>
				<verse number="18">Daarna kwamen zij binnen tot den koning Hizkía, en zeiden: Wij hebben het gehele huis des HEEREN gereinigd, mitsgaders het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toerichting met al haar gereedschap.</verse>
				<verse number="19">Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar des HEEREN.</verse>
				<verse number="20">Toen maakte zich de koning Jehizkía vroeg op, en verzamelde de oversten der stad, en hij ging op in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="21">En zij brachten zeven varren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken ten zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zeide tot de zonen van Aäron, de priesteren, dat zij die op het altaar des HEEREN zouden offeren.</verse>
				<verse number="22">Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.</verse>
				<verse number="23">Daarna brachten zij de bokken bij, ten zondoffer, voor het aangezicht des konings en der gemeente, en zij legden hun handen op dezelve.</verse>
				<verse number="24">En de priesteren slachtten ze, en ontzondigden met derzelver bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het ganse Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gans Israël bevolen.</verse>
				<verse number="25">En hij stelde de Levieten in het huis des HEEREN, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, den ziener des konings, en van Nathan, den profeet; want dit gebod was van de hand des HEEREN, door de hand Zijner profeten.</verse>
				<verse number="26">De Levieten nu stonden met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten.</verse>
				<verse number="27">En Hizkía beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, den koning van Israël.</verse>
				<verse number="28">De ganse gemeente nu boog zich neder, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voleind was.</verse>
				<verse number="29">Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neder.</verse>
				<verse number="30">Daarna zeide de koning Jehizkía, en de oversten, tot de Levieten, dat zij den HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, den ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder.</verse>
				<verse number="31">En Jehizkía antwoordde en zeide: Nu hebt gij uw handen den HEERE gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis des HEEREN; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen, en alle vrijwilligen van harte brandofferen.</verse>
				<verse number="32">En het getal der brandofferen, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle den HEERE ten brandoffer.</verse>
				<verse number="33">Nog waren der geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen.</verse>
				<verse number="34">Doch van de priesteren waren er te weinig, en zij konden al den brandofferen de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broederen, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesteren.</verse>
				<verse number="35">En ook waren de brandofferen in menigte, met het vet der dankofferen, en met de drankofferen, voor de brandofferen; alzo werd de dienst van het huis des HEEREN besteld.</verse>
				<verse number="36">Jehizkía nu en al het volk verblijdden zich over hetgeen God het volk voorbereid had; want deze zaak geschiedde haastelijk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Daarna zond Jehizkía tot het ganse Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis des HEEREN te Jeruzalem, om den HEERE, den God Israëls, pascha te houden.</verse>
				<verse number="2">Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de ganse gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.</verse>
				<verse number="3">Want zij hadden het niet kunnen houden te dierzelfder tijd, omdat de priesteren zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="4">En deze zaak was recht in de ogen des konings, en in de ogen der ganse gemeente.</verse>
				<verse number="5">Zo stelden zij zulks, dat men een stem door gans Israël, van Ber-séba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha den HEERE, den God Israëls, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk het geschreven was.</verse>
				<verse number="6">De lopers dan gingen henen met de brieven van de hand des konings en zijner vorsten, door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij, kinderen Israëls, bekeert u tot den HEERE, den God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die ulieden overgebleven zijn uit de hand der koningen van Assyrië.</verse>
				<verse number="7">En zijt niet als uw vaders en als uw broeders, die tegen den HEERE, den God hunner vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet.</verse>
				<verse number="8">Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen; geeft den HEERE de hand, en komt tot Zijn heiligdom, hetwelk Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den HEERE, uw God; zo zal de hitte Zijns toorns van u afkeren.</verse>
				<verse number="9">Want als gij u bekeert tot den HEERE, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht dergenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen wederkomen; want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo gij u tot Hem bekeert.</verse>
				<verse number="10">Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen.</verse>
				<verse number="11">Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="12">Ook was de hand Gods in Juda, hun enerlei hart gevende, dat zij het gebod des konings en der vorsten deden, naar het woord des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks, om het feest der ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote gemeente.</verse>
				<verse number="14">En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg, hetwelk zij in de beek Kidron wierpen.</verse>
				<verse number="15">Toen slachtten zij het pascha, op den veertienden der tweede maand; en de priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, en hadden zich geheiligd, en hadden brandofferen gebracht in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="16">En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, den man Gods; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand der Levieten.</verse>
				<verse number="17">Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting der paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die den HEERE te heiligen.</verse>
				<verse number="18">Want een menigte des volks, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Doch Jehizkía bad voor hen, zeggende: De HEERE, die goed is, make verzoening voor dien,</verse>
				<verse number="19">Die zijn ganse hart gericht heeft, om God den HEERE, den God zijner vaderen, te zoeken, hoewel niet naar de reinigheid des heiligdoms.</verse>
				<verse number="20">En de HEERE verhoorde Jehizkía, en heelde het volk.</verse>
				<verse number="21">Zo hielden de kinderen Israëls, die te Jeruzalem gevonden werden, het feest der ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesteren prezen den HEERE, dag op dag, met sterk luidende instrumenten des HEEREN.</verse>
				<verse number="22">En Jehizkía sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis des HEEREN; en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen, offerende dankofferen, en lovende den HEERE, den God hunner vaderen.</verse>
				<verse number="23">Als nu de ganse gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap.</verse>
				<verse number="24">Want Jehizkía, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesteren nu hadden zich in menigte geheiligd.</verse>
				<verse number="25">En de ganse gemeente van Juda verblijdde zich, mitsgaders de priesteren en de Levieten, en de gehele gemeente dergenen, die uit Israël gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israël gekomen waren, en die in Juda woonden.</verse>
				<verse number="26">Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Sálomo, den zoon van David, den koning van Israël, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest.</verse>
				<verse number="27">Toen stonden de Levietische priesteren op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in den hemel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Als zij nu dit alles voleind hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gans Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen Israëls weder, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.</verse>
				<verse number="2">En Hizkía bestelde de verdelingen der priesteren en der Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar zijn dienst, de priesteren en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankofferen, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poort van de legers des HEEREN;</verse>
				<verse number="3">Ook het deel des konings van zijn have tot de brandofferen, tot de brandofferen des morgens en des avonds, en de brandofferen der sabbatten, en der nieuwe maanden, en der gezette hoogtijden; gelijk geschreven is in de wet des HEEREN.</verse>
				<verse number="4">En hij zeide tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel der priesteren en Levieten geven zouden, opdat zij versterkt mochten worden in de wet des HEEREN.</verse>
				<verse number="5">Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen Israëls vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al de inkomst des velds; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte.</verse>
				<verse number="6">En de kinderen van Israël en Juda, die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden der runderen en der schapen, en tienden der heilige dingen, die den HEERE, hun God, geheiligd waren, en maakten vele hopen.</verse>
				<verse number="7">In de derde maand begonnen zij den grond van die hopen te leggen, en in de zevende maand voleindden zij.</verse>
				<verse number="8">Toen nu Jehizkía en de vorsten kwamen en die hopen zagen, zegenden zij den HEERE en Zijn volk Israël.</verse>
				<verse number="9">En Jehizkía ondervraagde de priesteren en de Levieten aangaande die hopen.</verse>
				<verse number="10">En Azária, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des HEEREN te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want de HEERE heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Jehizkía, dat men kameren aan het huis des HEEREN bereiden zou; en zij bereidden ze.</verse>
				<verse number="12">Daarin brachten zij die heffing, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonánja, de Leviet, overste, en Simeï, zijn broeder, de tweede.</verse>
				<verse number="13">Maar Jehíël, en Azázja, en Nahath, en Asahel, en Jerimôth, en Józabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahath, en Benája, waren opzieners, onder de hand van Chonánja en Simeï, zijn broeder; door het bevel van den koning Jehizkía en van Azária, den overste van het huis Gods.</verse>
				<verse number="14">En Koré, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortier tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des HEEREN en het allerheiligste uit te delen.</verse>
				<verse number="15">En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jésua, en Semája, Amárja en Sechánja, in de steden der priesteren, met getrouwigheid, om aan hun broederen in de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen:</verse>
				<verse number="16">(Benevens die gesteld waren in het geslachtsregister der manspersonen, drie jaren oud en daarboven) allen, die in het huis des HEEREN gingen, tot het dagelijkse werk op elken dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen.</verse>
				<verse number="17">En met die gesteld waren in het geslachtsregister der priesteren, naar het huis hunner vaderen, ook de Levieten van twintig jaren oud en daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen;</verse>
				<verse number="18">Ook tot de geslachtsrekening met al hun kinderkens, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren, door de ganse gemeente; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd.</verse>
				<verse number="19">Ook waren onder de kinderen van Aäron, de priesteren, op de velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de priesteren, en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven.</verse>
				<verse number="20">En alzo deed Jehizkía in geheel Juda; en hij deed dat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.</verse>
				<verse number="21">En in alle werk, dat hij begon in den dienst van het huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn ganse hart, en had voorspoed.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Na deze geschiedenissen en derzelver bevestiging, kwam Sanherib, de koning van Assyrië, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en dacht ze tot zich af te scheuren.</verse>
				<verse number="2">Jehizkía nu ziende, dat Sanherib kwam, en zijn aangezicht was tot den krijg tegen Jeruzalem;</verse>
				<verse number="3">Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem.</verse>
				<verse number="4">Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, mitsgaders de beek, die door het midden des lands henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel waters vinden?</verse>
				<verse number="5">Zo versterkte hij zich, en bouwde den gehelen muur op, die gebroken was, dien hij optrok tot aan de torens, met een anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en hij maakte geweer en schilden in menigte.</verse>
				<verse number="6">En hij stelde krijgsoversten over het volk, en hij vergaderde hen tot zich in de straat der stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende:</verse>
				<verse number="7">Zijt sterk, en hebt een goeden moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht des konings van Assyrië, noch voor het aangezicht der ganse menigte, die met hem is; want met ons is er meer, dan met hem.</verse>
				<verse number="8">Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HEERE, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkía, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="9">Na dezen zond Sanherib, de koning van Assyrië, zijn knechten naar Jeruzalem, (doch hij zelf was voor Lachis, en al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkía, den koning van Juda, en tot het ganse Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarop vertrouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in de vesting?</verse>
				<verse number="11">Ruit u Jehizkía niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand des konings van Assyrië redden?</verse>
				<verse number="12">Heeft niet dezelfde Jehizkía Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult gij u nederbuigen, en daarop roken?</verse>
				<verse number="13">Weet gij niet, wat ik gedaan heb, en mijn vaderen aan alle volken der landen? Hebben de goden van de natiën dier landen hun land enigszins kunnen redden uit mijn hand?</verse>
				<verse number="14">Wie is er onder alle goden derzelver natiën, dewelke mijn vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden?</verse>
				<verse number="15">Nu dan, dat Jehizkía ulieden niet bedriege, en dat hij u op zulk een wijze niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en mijner vaderen hand kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn hand kunnen redden?</verse>
				<verse number="16">Daartoe spraken zijn knechten nog meer tegen God, den HEERE, en tegen Zijn knecht Jehizkía.</verse>
				<verse number="17">Ook schreef hij brieven, om den HEERE, den God Israëls, te honen en om tegen Hem te spreken, zeggende: Gelijk de goden van de natiën der landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, alzo zal de God van Jehizkía Zijn volk uit mijn hand niet redden.</verse>
				<verse number="18">En zij riepen met luider stem, in het Joods, tegen het volk van Jeruzalem, dat op den muur was, om die bevreesd te maken en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen.</verse>
				<verse number="19">En zij spraken van den God van Jeruzalem, als van de goden der volkeren der aarde, een werk van mensenhanden.</verse>
				<verse number="20">Maar de koning Jehizkía en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar den hemel.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger des konings van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte des aangezichts in zijn land wedergekeerd; en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren.</verse>
				<verse number="22">Alzo verloste de HEERE Jehizkía en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, den koning van Assyrië, en uit de hand van allen; en Hij geleidde hen rondom heen.</verse>
				<verse number="23">En velen brachten geschenken tot den HEERE te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jehizkía, den koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd.</verse>
				<verse number="24">In die dagen werd Jehizkía krank tot stervens toe, en hij bad tot den HEERE, Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteken.</verse>
				<verse number="25">Maar Jehizkía deed gene vergelding, naar de weldaad aan hem geschied, dewijl zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote toornigheid.</verse>
				<verse number="26">Doch Jehizkía verootmoedigde zich om de verheffing zijns harten, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de grote toornigheid des HEEREN over hen niet kwam in de dagen van Jehizkía.</verse>
				<verse number="27">Jehizkía nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;</verse>
				<verse number="28">Ook schathuizen voor de inkomst van koren, en most, en olie; en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden.</verse>
				<verse number="29">Daartoe had hij zich steden gemaakt, mitsgaders bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer grote have.</verse>
				<verse number="30">Doch Jehizkía stopte ook den opperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen der stad Davids; want Jehizkía had voorspoed in al zijn werk.</verse>
				<verse number="31">Maar het is alzo, als de gezanten der vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.</verse>
				<verse number="32">Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkía, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van den profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israël.</verse>
				<verse number="33">En Jehizkía ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.</verse>
				<verse number="3">Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkía afgebroken had, en richtte den Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze;</verse>
				<verse number="4">En bouwde altaren in het huis des HEEREN, van hetwelk de HEERE gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="5">Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal des zoons van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="7">Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijn zoon Sálomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal den voet van Israël niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleenlijk zo zij waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb, naar de ganse wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes.</verse>
				<verse number="9">Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.</verse>
				<verse number="10">De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.</verse>
				<verse number="11">Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.</verse>
				<verse number="12">En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen,</verse>
				<verse number="13">En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.</verse>
				<verse number="14">En na dezen bouwde hij den buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot den ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief dien zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.</verse>
				<verse number="15">En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des HEEREN weg, mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den berg van het huis des HEEREN, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad.</verse>
				<verse number="16">En hij richtte het altaar des HEEREN toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God Israëls, dienen zouden.</verse>
				<verse number="17">Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan den HEERE, hun God.</verse>
				<verse number="18">Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den Naam van den HEERE, den God Israëls, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israël;</verse>
				<verse number="19">En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden der zieners.</verse>
				<verse number="20">En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="21">Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="22">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.</verse>
				<verse number="23">Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.</verse>
				<verse number="24">En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.</verse>
				<verse number="25">Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter-, noch ter linkerhand.</verse>
				<verse number="3">Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.</verse>
				<verse number="4">En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.</verse>
				<verse number="5">En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.</verse>
				<verse number="6">Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,</verse>
				<verse number="7">Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israël; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="8">In het achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azália, en Maäséja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Jóahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren.</verse>
				<verse number="9">En zij kwamen tot Hilkía, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het ganse overblijfsel van Israël, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;</verse>
				<verse number="10">Zij nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te vermaken en te verbeteren.</verse>
				<verse number="11">Want zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die de koningen van Juda verdorven hadden.</verse>
				<verse number="12">En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merári, mitsgaders Zacharía en Mesullam, van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.</verse>
				<verse number="13">Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortiers.</verse>
				<verse number="14">En als zij het geld uitnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkía het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van Mozes.</verse>
				<verse number="15">En Hilkía antwoordde en zeide tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkía gaf Safan dat boek.</verse>
				<verse number="16">En Safan droeg dat boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij;</verse>
				<verse number="17">En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden, en in de hand dergenen, die het werk maakten.</verse>
				<verse number="18">Voorts gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: Hilkía, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="19">Het geschiedde nu, als de koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.</verse>
				<verse number="20">En de koning gebood Hilkía, en Ahíkam, den zoon van Safan, en Abdon, den zoon van Micha, en Safan, den schrijver, en Asája, den knecht des konings, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Gaat heen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen in dat boek geschreven is.</verse>
				<verse number="22">Toen ging Hilkía henen, en die des konings waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tokhath, den zoon van Hasra, den klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken zulks tot haar.</verse>
				<verse number="23">En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zegt den man, die ulieden tot mij gezonden heeft:</verse>
				<verse number="24">Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezicht des konings van Juda gelezen heeft.</verse>
				<verse number="25">Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen; zo zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="26">Maar tot den koning van Juda, die ulieden gezonden heeft, om den HEERE te vragen, tot hem zult gij alzo zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Aangaande de woorden, die gij hebt gehoord;</verse>
				<verse number="27">Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw klederen gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="28">Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten den koning dit antwoord weder.</verse>
				<verse number="29">Toen zond de koning henen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.</verse>
				<verse number="30">En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, van den grote tot den kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.</verse>
				<verse number="31">En de koning stond in zijn standplaats, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel, te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.</verse>
				<verse number="32">En hij deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, den God hunner vaderen.</verse>
				<verse number="33">Josía dan deed alle gruwelen weg uit alle landen, die der kinderen Israëls waren, en maakte allen, die in Israël gevonden werden, te dienen; te dienen den HEERE, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Daarna hield Josía het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.</verse>
				<verse number="2">En hij stelde de priesters op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="3">En hij zeide tot de Levieten, die gans Israël onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Sálomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israël;</verse>
				<verse number="4">En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Sálomo;</verse>
				<verse number="5">En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;</verse>
				<verse number="6">En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.</verse>
				<verse number="7">En Josía gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.</verse>
				<verse number="8">Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkía, en Zacharía, en Jehíël, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.</verse>
				<verse number="9">Daartoe Chonánja, en Semája, en Netháneël, zijn broeders, mitsgaders Hasábja, en Jeíël, en Józabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.</verse>
				<verse number="10">Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.</verse>
				<verse number="11">Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.</verse>
				<verse number="12">En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.</verse>
				<verse number="13">En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.</verse>
				<verse number="14">Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aäron.</verse>
				<verse number="15">En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jedúthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.</verse>
				<verse number="16">Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josía.</verse>
				<verse number="17">En de kinderen Israëls, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.</verse>
				<verse number="18">Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, den profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josía hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="19">In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josía, werd dit pascha gehouden.</verse>
				<verse number="20">Na dit alles, toen Josía het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Kárchemis, aan den Frath; en Josía toog uit hem tegemoet.</verse>
				<verse number="21">Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.</verse>
				<verse number="22">Doch Josía keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.</verse>
				<verse number="23">En de schutters schoten den koning Josía. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.</verse>
				<verse number="24">En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josía.</verse>
				<verse number="25">En Jeremía maakte een klaaglied over Josía; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josía, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.</verse>
				<verse number="26">Het overige nu der geschiedenissen van Josía, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;</verse>
				<verse number="27">Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">Toen nam het volk des lands Jóahaz, den zoon van Josía, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.</verse>
				<verse number="4">En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar zijn broeder Jóahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.</verse>
				<verse number="5">Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.</verse>
				<verse number="6">Nebukadnézar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.</verse>
				<verse number="7">Nebukadnézar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.</verse>
				<verse number="8">Het overige nu van de geschiedenissen van Jójakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
				<verse number="9">Acht jaren was Jójachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnézar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekía koning over Juda en Jeruzalem.</verse>
				<verse number="11">Eén en twintig jaren was Zedekía oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="12">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremía, sprekende uit den mond des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnézar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israëls.</verse>
				<verse number="14">Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="15">En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.</verse>
				<verse number="16">Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.</verse>
				<verse number="17">Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.</verse>
				<verse number="18">En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.</verse>
				<verse number="19">En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.</verse>
				<verse number="20">En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzië;</verse>
				<verse number="21">Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.</verse>
				<verse number="22">Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremía, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:</verse>
				<verse number="23">Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="15">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, uit den mond van Jeremía, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is.</verse>
				<verse number="3">Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis des HEEREN, des Gods van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont.</verse>
				<verse number="4">En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te Jeruzalem woont.</verse>
				<verse number="5">Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te Jeruzalem woont.</verse>
				<verse number="6">Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd.</verse>
				<verse number="7">Ook bracht de koning Kores uit, de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnézar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis zijns gods.</verse>
				<verse number="8">En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, den schatmeester, die ze aan Sesbazar, den vorst van Juda, toetelde.</verse>
				<verse number="9">En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen;</verse>
				<verse number="10">Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten, duizend.</verse>
				<verse number="11">Alle vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;</verse>
				<verse number="2">Dewelken kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Serája, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Báëna. Dit is het getal der mannen des volks van Israël.</verse>
				<verse number="3">De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.</verse>
				<verse number="4">De kinderen van Sefátja, driehonderd twee en zeventig.</verse>
				<verse number="5">De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.</verse>
				<verse number="6">De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jésua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.</verse>
				<verse number="7">De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.</verse>
				<verse number="8">De kinderen van Zatthu, negenhonderd vijf en veertig.</verse>
				<verse number="9">De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.</verse>
				<verse number="10">De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.</verse>
				<verse number="11">De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.</verse>
				<verse number="12">De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.</verse>
				<verse number="13">De kinderen van Adónikam, zeshonderd zes en zestig.</verse>
				<verse number="14">De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig.</verse>
				<verse number="15">De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig.</verse>
				<verse number="16">De kinderen van Ater, van Hizkía, acht en negentig.</verse>
				<verse number="17">De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.</verse>
				<verse number="18">De kinderen van Jora, honderd en twaalf.</verse>
				<verse number="19">De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.</verse>
				<verse number="20">De kinderen van Gibbar, vijf en negentig.</verse>
				<verse number="21">De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.</verse>
				<verse number="22">De mannen van Netófa, zes en vijftig.</verse>
				<verse number="23">De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.</verse>
				<verse number="24">De kinderen van Azmáveth, twee en veertig.</verse>
				<verse number="25">De kinderen van Kirjath-Arim, Cefíra en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig.</verse>
				<verse number="26">De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd één en twintig.</verse>
				<verse number="27">De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.</verse>
				<verse number="28">De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.</verse>
				<verse number="29">De kinderen van Nebo, twee en vijftig.</verse>
				<verse number="30">De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig.</verse>
				<verse number="31">De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.</verse>
				<verse number="32">De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.</verse>
				<verse number="33">De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.</verse>
				<verse number="34">De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.</verse>
				<verse number="35">De kinderen van Senáä, drie duizend zeshonderd en dertig.</verse>
				<verse number="36">De priesters. De kinderen van Jedája, van het huis van Jésua, negenhonderd drie en zeventig.</verse>
				<verse number="37">De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.</verse>
				<verse number="38">De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.</verse>
				<verse number="39">De kinderen van Harim, duizend en zeventien.</verse>
				<verse number="40">De Levieten. De kinderen van Jésua en Kadmiël, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.</verse>
				<verse number="41">De zangers. De kinderen van Asaf, honderd acht en twintig.</verse>
				<verse number="42">De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatíta, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.</verse>
				<verse number="43">De Nethínim. De kinderen van Zíha, de kinderen van Hasúfa, de kinderen van Tabbaoth;</verse>
				<verse number="44">De kinderen van Keros, de kinderen van Síaha, de kinderen van Padon;</verse>
				<verse number="45">De kinderen van Lebána, de kinderen van Hagába, de kinderen van Akkub;</verse>
				<verse number="46">De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan;</verse>
				<verse number="47">De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reája;</verse>
				<verse number="48">De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekóda, de kinderen van Gazzam;</verse>
				<verse number="49">De kinderen van Uza, de kinderen van Paséah, de kinderen van Bezai;</verse>
				<verse number="50">De kinderen van Asna, de kinderen der Mehunim, de kinderen der Nefúsim;</verse>
				<verse number="51">De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakúfa, de kinderen van Harhur;</verse>
				<verse number="52">De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehída, de kinderen van Harsa;</verse>
				<verse number="53">De kinderen van Barkos, de kinderen van Sísera, de kinderen van Thamah;</verse>
				<verse number="54">De kinderen van Nezíah, de kinderen van Hatífa.</verse>
				<verse number="55">De kinderen der knechten van Sálomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, de kinderen van Perúda;</verse>
				<verse number="56">De kinderen van Jáäla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;</verse>
				<verse number="57">De kinderen van Sefátja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéret-Hazebáïm, de kinderen van Ami.</verse>
				<verse number="58">Al de Nethínim, en de kinderen der knechten van Sálomo, waren driehonderd twee en negentig.</verse>
				<verse number="59">Dezen togen ook op van Tel-mélah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren.</verse>
				<verse number="60">De kinderen van Delája, de kinderen van Tóbia, de kinderen van Nekóda, zeshonderd twee en vijftig.</verse>
				<verse number="61">En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habája, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was.</verse>
				<verse number="62">Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.</verse>
				<verse number="63">En Hattirsátha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.</verse>
				<verse number="64">Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.</verse>
				<verse number="65">Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.</verse>
				<verse number="66">Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;</verse>
				<verse number="67">Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.</verse>
				<verse number="68">En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats.</verse>
				<verse number="69">Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.</verse>
				<verse number="70">En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethínim woonden in hun steden, en gans Israël in zijn steden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israëls in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En Jésua, de zoon van Józadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.</verse>
				<verse number="3">En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.</verse>
				<verse number="4">En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.</verse>
				<verse number="5">Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.</verse>
				<verse number="6">Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd.</verse>
				<verse number="7">Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen.</verse>
				<verse number="8">In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.</verse>
				<verse number="9">Toen stond Jésua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiël met zijn zonen, kinderen van Juda, als één man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Hénadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.</verse>
				<verse number="10">Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israël.</verse>
				<verse number="11">En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="12">Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.</verse>
				<verse number="13">Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenis den HEERE, den God Israëls, den tempel bouwden;</verse>
				<verse number="2">Zo kwamen zij aan tot Zerubbábel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.</verse>
				<verse number="3">Maar Zerubbábel, en Jésua, en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israëls, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.</verse>
				<verse number="4">Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;</verse>
				<verse number="5">En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Daríus, den koning van Perzië.</verse>
				<verse number="6">En onder het koninkrijk van Ahasvéros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.</verse>
				<verse number="7">En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tábeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.</verse>
				<verse number="8">Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:</verse>
				<verse number="9">Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaïeten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,</verse>
				<verse number="10">En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.</verse>
				<verse number="11">Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.</verse>
				<verse number="12">Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.</verse>
				<verse number="13">Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, en tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomst der koningen schade aanbrengen.</verse>
				<verse number="14">Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit den koning bekend gemaakt;</verse>
				<verse number="15">Opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen, zo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.</verse>
				<verse number="16">Wij maken dan den koning bekend, dat, zo dezelve stad zal worden opgebouwd, en haar muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.</verse>
				<verse number="17">De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; mitsgaders aan de overigen van deze zijde der rivier aldus: Vrede, en op zulken tijd.</verse>
				<verse number="18">De brief, dien gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen.</verse>
				<verse number="19">En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.</verse>
				<verse number="20">Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.</verse>
				<verse number="21">Geeft dan nu bevel, om diezelve mannen te beletten, dat diezelve stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.</verse>
				<verse number="22">Weest gewaarschuwd, van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?</verse>
				<verse number="23">Toen, van dat het afschrift des briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld.</verse>
				<verse number="24">Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Daríus, den koning van Perzië.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Haggaï nu, de profeet, en Zacharía, de zoon van Iddo, profeten, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam des Gods van Israël profeteerden zij tot hen.</verse>
				<verse number="2">Toen maakten zich op Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.</verse>
				<verse number="3">Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?</verse>
				<verse number="4">Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden.</verse>
				<verse number="5">Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Daríus kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten.</verse>
				<verse number="6">Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaïeten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Daríus zond.</verse>
				<verse number="7">Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Daríus zij alle vrede.</verse>
				<verse number="8">Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.</verse>
				<verse number="9">Toen hebben wij denzelven oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?</verse>
				<verse number="10">Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.</verse>
				<verse number="11">En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren vóór dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israël had het gebouwd en voltrokken.</verse>
				<verse number="12">Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnézar, den koning van Babel, den Chaldeeër; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.</verse>
				<verse number="13">Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen.</verse>
				<verse number="14">Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot landvoogd had gesteld.</verse>
				<verse number="15">En hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren in den tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijn plaats.</verse>
				<verse number="16">Toen kwam dezelve Sesbazar; hij legde de fondamenten van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht.</verse>
				<verse number="17">Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des konings believen hiervan tot ons zende.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Toen gaf de koning Daríus bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.</verse>
				<verse number="2">En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS:</verse>
				<verse number="3">In het eerste jaar van den koning Kores, gaf den koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;</verse>
				<verse number="4">Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.</verse>
				<verse number="5">Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.</verse>
				<verse number="6">Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïeten, die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar!</verse>
				<verse number="7">Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.</verse>
				<verse number="8">Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.</verse>
				<verse number="9">En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;</verse>
				<verse number="10">Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen.</verse>
				<verse number="11">Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.</verse>
				<verse number="12">De God nu, Die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Daríus, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.</verse>
				<verse number="13">Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Daríus gezonden had.</verse>
				<verse number="14">En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggaï en Zacharía, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië.</verse>
				<verse number="15">En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Daríus.</verse>
				<verse number="16">En de kinderen Israëls, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.</verse>
				<verse number="17">En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal der stammen Israëls.</verse>
				<verse number="18">En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes.</verse>
				<verse number="19">Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.</verse>
				<verse number="20">Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven.</verse>
				<verse number="21">Alzo aten de kinderen Israëls, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken.</verse>
				<verse number="22">En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis Gods, des Gods van Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra, de zoon van Serája, den zoon van Azárja, den zoon van Hilkía,</verse>
				<verse number="2">Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahítub,</verse>
				<verse number="3">Den zoon van Amárja, den zoon van Azárja, den zoon van Merájoth,</verse>
				<verse number="4">Den zoon van Zeráhja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,</verse>
				<verse number="5">Den zoon van Abísua, den zoon van Pínehas, den zoon van Eleázar, den zoon van Aäron, den hoofdpriester.</verse>
				<verse number="6">Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israëls, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.</verse>
				<verse number="7">Ook sommigen van de kinderen Israëls, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethínim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta.</verse>
				<verse number="8">En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings.</verse>
				<verse number="9">Want op den eersten der eerste maand was het begin des optochts uit Babel, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem.</verse>
				<verse number="10">Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten.</verse>
				<verse number="11">Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israël:</verse>
				<verse number="12">Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd.</verse>
				<verse number="13">Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.</verse>
				<verse number="14">Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judéa, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is;</verse>
				<verse number="15">En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israëls, Wiens woning te Jeruzalem is;</verse>
				<verse number="16">Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is;</verse>
				<verse number="17">Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert op het altaar van het huis van ulieder God, dat te Jeruzalem is.</verse>
				<verse number="18">Daartoe, wat u en uw broederen goeddunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods.</verse>
				<verse number="19">En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="20">Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings.</verse>
				<verse number="21">En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde;</verse>
				<verse number="22">Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.</verse>
				<verse number="23">Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?</verse>
				<verse number="24">Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethínim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.</verse>
				<verse number="25">En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten uws Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken.</verse>
				<verse number="26">En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.</verse>
				<verse number="27">Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.</verse>
				<verse number="28">En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht des konings en zijner raadsheren, en aller geweldige vorsten des konings! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des HEEREN, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.</verse>
				<verse number="2">Van de kinderen van Pínehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus.</verse>
				<verse number="3">Van de kinderen van Sechánja, van de kinderen van Paros, Zachárja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig.</verse>
				<verse number="4">Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehóënai, de zoon van Zeráhja; en met hem tweehonderd manspersonen.</verse>
				<verse number="5">Van de kinderen van Sechánja, de zoon van Jaháziël; en met hem driehonderd manspersonen.</verse>
				<verse number="6">En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jónathan; en met hem vijftig manspersonen.</verse>
				<verse number="7">En van de kinderen van Elam, Jesája, de zoon van Athálja; en met hem zeventig manspersonen.</verse>
				<verse number="8">En van de kinderen van Sefátja, Zebádja, de zoon van Michaël; en met hem tachtig manspersonen.</verse>
				<verse number="9">Van de kinderen van Joab, Obádja, de zoon van Jehíël; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.</verse>
				<verse number="10">En van de kinderen van Selómith, de zoon van Josífja; en met hem honderd en zestig manspersonen.</verse>
				<verse number="11">En van de kinderen van Babai, Zachárja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig manspersonen.</verse>
				<verse number="12">En van de kinderen van Azgad, Jóhanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien manspersonen.</verse>
				<verse number="13">En van de laatste kinderen van Adónikam, welker namen deze waren: Elifélet, Jehíël, en Semája; en met hen zestig manspersonen.</verse>
				<verse number="14">En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.</verse>
				<verse number="15">En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesteren, en vond aldaar geen van de kinderen van Levi.</verse>
				<verse number="16">Zo zond ik tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semája, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zachárja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jójarib en tot Elnathan, de leraars;</verse>
				<verse number="17">En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasífja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethínim, in de plaats Chasífja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis onzes Gods.</verse>
				<verse number="18">En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israël; namelijk Sérebja, met zijn zonen en broederen, achttien;</verse>
				<verse number="19">En Hasábja, en met hem Jesája, van de kinderen van Merári, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;</verse>
				<verse number="20">En van Nethínim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethínim, die allen bij namen genoemd werden.</verse>
				<verse number="21">Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechten weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have.</verse>
				<verse number="22">Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.</verse>
				<verse number="23">Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden.</verse>
				<verse number="24">Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Sérebja, Hasábja, en tien van hun broederen met hen.</verse>
				<verse number="25">En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden;</verse>
				<verse number="26">Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig talenten zilvers, en honderd zilveren vaten in talenten; aan goud, honderd talenten;</verse>
				<verse number="27">En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud.</verse>
				<verse number="28">En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig den HEERE, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den HEERE, den God uwer vaderen.</verse>
				<verse number="29">Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der priesteren en Levieten, en der vorsten der vaderen van Israël, te Jeruzalem, in de kameren van des HEEREN huis.</verse>
				<verse number="30">Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht des zilvers en des gouds, en der vaten, om te brengen te Jeruzalem, ten huize onzes Gods.</verse>
				<verse number="31">Alzo verreisden wij van de rivier Ahava, op den twaalfden der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands, en desgenen, die ons lagen legde op den weg.</verse>
				<verse number="32">En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven aldaar drie dagen.</verse>
				<verse number="33">Op den vierden dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de vaten, in het huis onzes Gods, aan de hand van Merémoth, den zoon van Uría, den priester, en met hem Eleázar, de zoon van Pínehas; en met hem Józabad, de zoon van Jésua, en Noádja, de zoon van Binnui, de Levieten.</verse>
				<verse number="34">Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het ganse gewicht werd ter zelfder tijd opgeschreven.</verse>
				<verse number="35">En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israëls brandofferen; twaalf varren voor gans Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.</verse>
				<verse number="36">Daarna gaven zij de wetten des konings aan des konings stadhouders en landvoogden aan deze zijde der rivier; en zij bevorderden het volk en het huis Gods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.</verse>
				<verse number="2">Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken dezer landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding.</verse>
				<verse number="3">Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.</verse>
				<verse number="4">Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van den God Israëls beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.</verse>
				<verse number="5">En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieën, en breidde mijn handen uit tot den HEERE, mijn God.</verse>
				<verse number="6">En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.</verse>
				<verse number="7">Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op dezen dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.</verse>
				<verse number="8">En nu is er, als een klein ogenblik, een genade geschied van den HEERE, onzen God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid.</verse>
				<verse number="9">Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der koningen van Perzië, dat Hij ons een weinig levens gave, om het huis onzes Gods te verhogen, en de woestigheden van hetzelve op te richten, en om ons een tuin te geven in Juda en te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="10">En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na dezen? Want wij hebben Uw geboden verlaten,</verse>
				<verse number="11">Die Gij geboden hadt door den dienst Uwer knechten, de profeten, zeggende: Het land, waar gijlieden inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken der landen, om hun gruwelen, waarmede zij dat vervuild hebben, van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinigheid.</verse>
				<verse number="12">Zo zult gij nu uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren niet nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt, en het goede des lands eet, en uw kinderen doet erven tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="13">En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is;</verse>
				<verse number="14">Zullen wij nu wederkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen? Zoudt Gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij?</verse>
				<verse number="15">O HEERE, God van Israël! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Als Ezra alzo bad, en als hij deze belijdenis deed, wenende en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israël een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen; want het volk weende met groot geween.</verse>
				<verse number="2">Toen antwoordde Sechánja, de zoon van Jehíël, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israël, dezen aangaande.</verse>
				<verse number="3">Laat ons dan nu een verbond maken met onzen God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar den raad des Heeren, en dergenen, die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet.</verse>
				<verse number="4">Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.</verse>
				<verse number="5">Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesteren, de Levieten en gans Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren.</verse>
				<verse number="6">En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Jóhanan, den zoon van Eljásib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding der weggevoerden.</verse>
				<verse number="7">En zij lieten een stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen der gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen.</verse>
				<verse number="8">En al wie niet kwam in drie dagen, naar den raad der vorsten en der oudsten, al zijn have zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden.</verse>
				<verse number="9">Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op den twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen.</verse>
				<verse number="10">Toen stond Ezra, de priester, op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israëls schuld te vermeerderen.</verse>
				<verse number="11">Nu dan, doet den HEERE, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.</verse>
				<verse number="12">En de ganse gemeente antwoordde en zeide met luider stem: Naar uw woorden, alzo komt het ons toe te doen.</verse>
				<verse number="13">Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee; want velen onzer hebben overtreden in deze zaak.</verse>
				<verse number="14">Laat toch onze vorsten der ganse gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods, om dezer zake wil.</verse>
				<verse number="15">Alleenlijk Jónathan, de zoon van Asahel, en Jeházia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sábbethai, de Leviet, hielpen hen.</verse>
				<verse number="16">En de kinderen der gevangenis deden alzo; en Ezra, de priester, met de mannen, de hoofden der vaderen, naar het huis hunner vaderen, en zij allen, bij namen genoemd, scheidden zich af, en zij zaten op den eersten dag der tiende maand, om deze zaak te onderzoeken.</verse>
				<verse number="17">En zij voleindden het met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op den eersten dag der eerste maand.</verse>
				<verse number="18">En er werden gevonden van de zonen der priesteren, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jésua, den zoon van Józadak, en zijn broederen, Maäséja, en Eliézer, en Jarib, en Gedálja.</verse>
				<verse number="19">En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde voor hun schuld.</verse>
				<verse number="20">En van de kinderen van Immer: Hanáni en Zebádja.</verse>
				<verse number="21">En van de kinderen van Harim: Maäséja, en Elía, en Semája, en Jehíël, en Uzia,</verse>
				<verse number="22">En van de kinderen van Pashur: Eljoënai, Maäséja, Ismaël, Netháneël, Józabad en Elása.</verse>
				<verse number="23">En van de Levieten: Józabad, en Simeï, en Kélaja (deze is Kelíta), Petháhja, Juda en Eliézer.</verse>
				<verse number="24">En van de zangers: Eljásib; en van de poortiers: Sallum, en Telem, en Uri.</verse>
				<verse number="25">En van Israël: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezía, en Malchía, en Mijamin, en Eleázar, en Malchía, en Benája.</verse>
				<verse number="26">En van de kinderen van Elam: Mattánja, Zachárja, en Jehíël, en Abdi, en Jeremôth, en Elía.</verse>
				<verse number="27">En van de kinderen van Zatthu: Eljoënai, Eljásib, Mattánja, en Jeremôth, en Zabad, en Azíza.</verse>
				<verse number="28">En van de kinderen van Bebai: Jóhanan, Hanánja, Sabbai, en Athlai.</verse>
				<verse number="29">En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adája, Jasub en Seal, Jeramôth.</verse>
				<verse number="30">En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benája, Maäséja, Mattánja, Bezáleël, en Binnui, en Manasse.</verse>
				<verse number="31">En van de kinderen van Harim: Eliézer, Jissía, Malchía, Semája, Símeon,</verse>
				<verse number="32">Benjamin, Malluch, Semárja.</verse>
				<verse number="33">Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Máttata, Zabad, Elifélet, Jerémai, Manasse, Simeï.</verse>
				<verse number="34">Van de kinderen van Bani: Máädai, Amram, en Uël,</verse>
				<verse number="35">Benája, Bédeja, Chelúhu,</verse>
				<verse number="36">Vanja, Merémoth, Eljásib,</verse>
				<verse number="37">Mattánja, Mathnai, en Jáäsai,</verse>
				<verse number="38">En Bani, en Binnui, Simeï,</verse>
				<verse number="39">En Selémja, en Nathan, en Adája,</verse>
				<verse number="40">Machnádbai, Sasai, Sarai,</verse>
				<verse number="41">Azáreël, Selémja, Semárja,</verse>
				<verse number="42">Sallum, Amárja, Jozef.</verse>
				<verse number="43">Van de kinderen van Nebo: Jeíël, Mattithja, Zabad, Zebína, Jaddai, en Joël, Benája.</verse>
				<verse number="44">Alle dezen hadden vreemde vrouwen genomen; en sommigen van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="16">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De geschiedenissen van Nehemía, zoon van Hachálja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;</verse>
				<verse number="2">Zo kwam Hanáni, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.</verse>
				<verse number="5">En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.</verse>
				<verse number="6">Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israëls, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.</verse>
				<verse number="7">Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.</verse>
				<verse number="8">Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.</verse>
				<verse number="9">En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.</verse>
				<verse number="10">Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.</verse>
				<verse number="11">Och, Heere, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="2">Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer.</verse>
				<verse number="3">En ik zeide tot den koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn?</verse>
				<verse number="4">En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel.</verse>
				<verse number="5">En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.</verse>
				<verse number="6">Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had.</verse>
				<verse number="7">Voorts zeide ik tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;</verse>
				<verse number="8">Ook een brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot den stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.</verse>
				<verse number="9">Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des konings. En de koning had oversten des heirs en ruiteren met mij gezonden.</verse>
				<verse number="10">Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobía, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="11">En ik kwam te Jeruzalem, en was daar drie dagen.</verse>
				<verse number="12">Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinig mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik reed.</verse>
				<verse number="13">En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.</verse>
				<verse number="14">En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des konings vijver; doch daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan.</verse>
				<verse number="15">Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur; en ik keerde weder, en kwam in de Dalpoort; alzo keerde ik wederom.</verse>
				<verse number="16">En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe den Joden, en den priesteren, en den edelen, en overheden, en den anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en haar poorten met vuur verbrand zijn; komt, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen; opdat wij niet meer een versmaadheid zijn.</verse>
				<verse number="18">En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, Die goed over mij geweest was, als ook de woorden des konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen; en zij sterkten hun handen ten goede.</verse>
				<verse number="19">Als nu Sanballat, de Horoniet, en Tobía, de Ammonietische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zo bespotten zij ons, en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? Wilt gijlieden tegen den koning rebelleren?</verse>
				<verse number="20">Toen gaf ik hun tot antwoord, en zeide tot hen: God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En Eljásib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hanáneël.</verse>
				<verse number="2">En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri.</verse>
				<verse number="3">De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senáä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.</verse>
				<verse number="4">En aan hun hand verbeterde Merémoth, de zoon van Uría, den zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, den zoon van Mesezábeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Báëna.</verse>
				<verse number="5">Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoïeten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot den dienst van hun heer.</verse>
				<verse number="6">En de Oude poort verbeterden Jójada, de zoon van Paséah, en Mesullam, de zoon van Besódja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.</verse>
				<verse number="7">En aan hun hand verbeterden Melátja, de Gíbeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Gíbeon en van Mizpa; tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier.</verse>
				<verse number="8">Aan zijn hand verbeterde Uzzíël, de zoon van Harhója, een der goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hanánja, de zoon van een der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breden muur.</verse>
				<verse number="9">En aan hun hand verbeterde Refája, de zoon van Hur, overste des halven deels van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="10">Voorts aan hun hand verbeterde Jedája, de zoon van Herúmaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasábneja.</verse>
				<verse number="11">De andere mate verbeterden Malchía, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakoventoren.</verse>
				<verse number="12">En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochteren.</verse>
				<verse number="13">De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanóah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe duizend ellen aan den muur, tot aan de Mistpoort.</verse>
				<verse number="14">De Mistpoort nu verbeterde Malchía, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-Chérem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.</verse>
				<verse number="15">En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-Hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe den muur des vijvers Schelah bij des konings hof, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.</verse>
				<verse number="16">Na hem verbeterde Nehemía, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-Zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten vijver, en tot aan het huis der helden.</verse>
				<verse number="17">Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijn hand verbeterde Hasábja, de overste van het halve deel van Kehíla, in zijn deel.</verse>
				<verse number="18">Na hem verbeterden hun broederen, Bavai, de zoon van Hénadad, de overste van het andere halve deel van Kehíla.</verse>
				<verse number="19">Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jésua, de overste van Mizpa, een andere maat; tegenover den opgang naar het wapenhuis, aan den hoek.</verse>
				<verse number="20">Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, een andere maat; van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljásib, den hogepriester.</verse>
				<verse number="21">Na hem verbeterde Merémoth, de zoon van Uría, den zoon van Koz, een andere maat; van de huisdeur van Eljásib af, tot aan het einde van Eljásibs huis.</verse>
				<verse number="22">En na hem verbeterden de priesteren, wonende in de vlakke velden.</verse>
				<verse number="23">Daarna verbeterden Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem verbeterde Azárja, de zoon van Maäséja, den zoon van Hanánja, bij zijn huis.</verse>
				<verse number="24">Na hem verbeterde Binnui, de zoon van Hénadad, een andere maat; van het huis van Azárja tot aan den hoek en tot aan het punt;</verse>
				<verse number="25">Palal, de zoon van Uzai, tegen den hoek, en den hogen toren over, die van des konings huis uitsteekt, die bij den voorhof der gevangenis is; na hem Pedája, de zoon van Paros;</verse>
				<verse number="26">De Nethínim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en den uitstekenden toren.</verse>
				<verse number="27">Daarna verbeterden de Thekoïeten een andere maat; tegenover den groten uitstekenden toren, en tot aan den muur van Ofel.</verse>
				<verse number="28">Van boven de Paardenpoort verbeterden de priesteren, een iegelijk tegenover zijn huis.</verse>
				<verse number="29">Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semája, de zoon van Sechánja, de bewaarder van de Oostpoort.</verse>
				<verse number="30">Na hem verbeterden Hanánja, de zoon van Selémja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de zesde, een andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, tegenover zijn kamer.</verse>
				<verse number="31">Na hem verbeterde Malchía, de zoon eens goudsmids, tot aan het huis der Nethínim en der kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van het punt.</verse>
				<verse number="32">En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij den muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden.</verse>
				<verse number="2">En sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van Samaria, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voleinden? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?</verse>
				<verse number="3">En Tobía, de Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren.</verse>
				<verse number="4">Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis.</verse>
				<verse number="5">En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden.</verse>
				<verse number="6">Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart des volks was om te werken.</verse>
				<verse number="7">En het geschiedde, als Sanballat, en Tobía, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer;</verse>
				<verse number="8">En zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken.</verse>
				<verse number="9">Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen.</verse>
				<verse number="11">Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, totdat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; alzo zullen wij het werk doen ophouden.</verse>
				<verse number="12">En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij tot ons wederkeert.</verse>
				<verse number="13">Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter den muur, en op de hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en hun bogen.</verse>
				<verse number="14">En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken Heere, en strijdt voor uw broederen, uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.</verse>
				<verse number="15">Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het ganse huis van Juda.</verse>
				<verse number="17">Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.</verse>
				<verse number="18">En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.</verse>
				<verse number="19">En ik zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op den muur afgezonderd, de een ver van den ander;</verse>
				<verse number="20">Ter plaatse, waar gij het geluid der bazuin zult horen, daarheen zult gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.</verse>
				<verse number="21">Alzo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen, van het opgaan des dageraads tot het voortkomen der sterren toe.</verse>
				<verse number="22">Ook zeide ik te dier tijd tot het volk: Een iegelijk vernachte met zijn jongen binnen Jeruzalem, opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk.</verse>
				<verse number="23">Voorts noch ik, noch mijn broederen, noch mijn jongelingen, noch de mannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze klederen niet uit; een iegelijk had zijn geweer en water.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hun broederen, de Joden.</verse>
				<verse number="2">Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven.</verse>
				<verse number="3">Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen.</verse>
				<verse number="4">Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden.</verse>
				<verse number="5">Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.</verse>
				<verse number="6">Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer.</verse>
				<verse number="7">En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.</verse>
				<verse number="8">En ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederen, de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zoudt gijlieden ook uw broederen verkopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord.</verse>
				<verse number="9">Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze vijanden?</verse>
				<verse number="10">Ik, mijn broederen, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten.</verse>
				<verse number="11">Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.</verse>
				<verse number="12">Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen alzo doen, als gij zegt. En ik riep de priesteren, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord.</verse>
				<verse number="13">Ook schudde ik mijn boezem uit, en zeide: Alzo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij alzo uitgeschud en ledig. En de ganse gemeente zeide: Amen! En zij prezen den HEERE. En het volk deed naar dit woord.</verse>
				<verse number="14">Ook van dien dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van den koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broederen, het brood des landvoogds niet gegeten.</verse>
				<verse number="15">En de vorige landvoogden, die vóór mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil.</verse>
				<verse number="16">Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk.</verse>
				<verse number="17">Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel geweest.</verse>
				<verse number="18">En wat voor één dag bereid werd, was één os en zes uitgelezen schapen; ook werden mij vogelen bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel; nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk.</verse>
				<verse number="19">Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobía, en van Gesem, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;</verse>
				<verse number="2">Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.</verse>
				<verse number="3">En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot ulieden afkomen?</verse>
				<verse number="4">Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze.</verse>
				<verse number="5">Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, ten vijfden male, zijn jongen, met een open brief in zijn hand.</verse>
				<verse number="6">Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn.</verse>
				<verse number="7">Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons te zamen raadslaan.</verse>
				<verse number="8">Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart.</verse>
				<verse number="9">Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!</verse>
				<verse number="10">Als ik nu kwam in het huis van Semája, den zoon van Delája, den zoon van Mehetábeël (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.</verse>
				<verse number="11">Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan.</verse>
				<verse number="12">Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobía en Sanballat hem gehuurd hadden.</verse>
				<verse number="13">Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwaden naam, opdat zij mij zouden honen.</verse>
				<verse number="14">Gedenk, mijn God, aan Tobía en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noádja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken.</verse>
				<verse number="15">De muur nu werd volbracht, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onzen God gedaan was.</verse>
				<verse number="17">Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobía gingen; en die van Tobía kwamen tot hen.</verse>
				<verse number="18">Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechánja, den zoon van Arah; en zijn zoon Jóhanan had genomen de dochter van Mesullam, den zoon van Beréchja.</verse>
				<verse number="19">Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem. Tobía dan zond brieven, om mij vreesachtig te maken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.</verse>
				<verse number="2">En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanáni, en aan Hanánja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.</verse>
				<verse number="3">En ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover zijn huis.</verse>
				<verse number="4">De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.</verse>
				<verse number="5">Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:</verse>
				<verse number="6">Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;</verse>
				<verse number="7">Dewelke kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Azária, Raämja, Nahamáni, Mórdechai, Bilsan, Mispéreth, Bigvai, Nehim en Báëna. Dit is het getal der mannen van het volk van Israël.</verse>
				<verse number="8">De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;</verse>
				<verse number="9">De kinderen van Sefátja, driehonderd twee en zeventig;</verse>
				<verse number="10">De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;</verse>
				<verse number="11">De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jésua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;</verse>
				<verse number="12">De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;</verse>
				<verse number="13">De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;</verse>
				<verse number="14">De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;</verse>
				<verse number="15">De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;</verse>
				<verse number="16">De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;</verse>
				<verse number="17">De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;</verse>
				<verse number="18">De kinderen van Adónikam, zeshonderd zeven en zestig;</verse>
				<verse number="19">De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;</verse>
				<verse number="20">De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;</verse>
				<verse number="21">De kinderen van Ater, van Hizkía, acht en negentig;</verse>
				<verse number="22">De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;</verse>
				<verse number="23">De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;</verse>
				<verse number="24">De kinderen van Harif, honderd en twaalf;</verse>
				<verse number="25">De kinderen van Gíbeon, vijf en negentig;</verse>
				<verse number="26">De mannen van Bethlehem en Netófa, honderd acht en tachtig;</verse>
				<verse number="27">De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;</verse>
				<verse number="28">De mannen van Beth-Azmáveth, twee en veertig;</verse>
				<verse number="29">De mannen van Kirjath-Jeárim, Cefíra en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig;</verse>
				<verse number="30">De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;</verse>
				<verse number="31">De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;</verse>
				<verse number="32">De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;</verse>
				<verse number="33">De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;</verse>
				<verse number="34">De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;</verse>
				<verse number="35">De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;</verse>
				<verse number="36">De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;</verse>
				<verse number="37">De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd één en twintig;</verse>
				<verse number="38">De kinderen van Senáä, drie duizend, negenhonderd en dertig;</verse>
				<verse number="39">De priesters: de kinderen van Jedája, van het huis van Jésua, negenhonderd drie en zeventig;</verse>
				<verse number="40">De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;</verse>
				<verse number="41">De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;</verse>
				<verse number="42">De kinderen van Harim, duizend en zeventien;</verse>
				<verse number="43">De Levieten: de kinderen van Jésua, van Kadmiël, van de kinderen van Hódeva, vier en zeventig;</verse>
				<verse number="44">De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;</verse>
				<verse number="45">De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Tálmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatíta, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;</verse>
				<verse number="46">De Nethínim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasúfa, de kinderen van Tabbaôth;</verse>
				<verse number="47">De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;</verse>
				<verse number="48">De kinderen van Lebána, de kinderen van Hagába, de kinderen van Salmai;</verse>
				<verse number="49">De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;</verse>
				<verse number="50">De kinderen van Reája, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekóda;</verse>
				<verse number="51">De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paséah;</verse>
				<verse number="52">De kinderen van Bezai, de kinderen van Meünim, de kinderen van Nefussim;</verse>
				<verse number="53">De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakúfa, de kinderen van Harhur;</verse>
				<verse number="54">De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehída, de kinderen van Harsa;</verse>
				<verse number="55">De kinderen van Barkos, de kinderen van Sísera, de kinderen van Thamah;</verse>
				<verse number="56">De kinderen van Nezíah, de kinderen van Hatífa;</verse>
				<verse number="57">De kinderen der knechten van Sálomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, de kinderen van Perída;</verse>
				<verse number="58">De kinderen van Jáëla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;</verse>
				<verse number="59">De kinderen van Sefátja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéreth van Zebáïm, de kinderen van Amon;</verse>
				<verse number="60">Al de Nethínim, en de kinderen der knechten van Sálomo, waren driehonderd twee en negentig.</verse>
				<verse number="61">Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israël waren;</verse>
				<verse number="62">De kinderen van Delája, de kinderen van Tobía, de kinderen van Nekóda, zeshonderd twee en veertig.</verse>
				<verse number="63">En van de priesteren, de kinderen van Habája, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.</verse>
				<verse number="64">Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.</verse>
				<verse number="65">En Hattirsátha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.</verse>
				<verse number="66">Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;</verse>
				<verse number="67">Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.</verse>
				<verse number="68">Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;</verse>
				<verse number="69">Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.</verse>
				<verse number="70">Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsátha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.</verse>
				<verse number="71">En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden.</verse>
				<verse number="72">En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.</verse>
				<verse number="73">En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethínim, en gans Israël, woonden in hun steden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israëls in hun steden waren,</verse>
				<verse number="2">Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die de HEERE Israël geboden had.</verse>
				<verse number="3">En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten dag der zevende maand.</verse>
				<verse number="4">En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgen licht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.</verse>
				<verse number="5">En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattíthja, en Sema, en Anája, en Uría, en Hilkía, en Maäséja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedája, en Mísaël, en Malchía, en Hasum, en Hasbaddána, Zachárja en Mesullam.</verse>
				<verse number="6">En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.</verse>
				<verse number="7">En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den HEERE, met de aangezichten ter aarde.</verse>
				<verse number="8">Jésua nu, en Bani, en Serébja, Jamin, Akkub, Sábbethai, Hodía, Maäséja, Kelíta, Azárja, Józabad, Hanan, Pelája, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.</verse>
				<verse number="9">En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.</verse>
				<verse number="10">En Nehemía (dezelve is Hattirsátha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.</verse>
				<verse number="11">Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte.</verse>
				<verse number="12">En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.</verse>
				<verse number="13">Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.</verse>
				<verse number="14">En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.</verse>
				<verse number="15">En zij vonden in de wet geschreven, dat de HEERE door de hand van Mozes geboden had, dat de kinderen Israëls in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand;</verse>
				<verse number="16">En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.</verse>
				<verse number="17">Alzo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, een iegelijk op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat der Waterpoort, en op de straat van Efraïmspoort.</verse>
				<verse number="18">En de ganse gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de kinderen Israëls hadden alzo niet gedaan sinds de dagen van Jésua, den zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer grote blijdschap.</verse>
				<verse number="19">En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Voorts op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israëls met vasten en met zakken, en aarde was op hen.</verse>
				<verse number="2">En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.</verse>
				<verse number="3">Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN, huns Gods, een vierendeel van den dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den HEERE, hun God.</verse>
				<verse number="4">Jésua nu, en Bani, Kadmiël, Sebánja, Bunni, Sérebja, Bani en Chenáni, stonden op het hoge gestoelte der Levieten, en riepen met luider stem tot den HEERE, hun God;</verse>
				<verse number="5">En de Levieten, Jésua, en Kadmiël, Bani, Hasábneja; Sérebja, Hodía, Sebánja, Petáhja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs!</verse>
				<verse number="6">Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.</verse>
				<verse number="7">Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeeën uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.</verse>
				<verse number="8">En Gij hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat Gij zoudt geven het land der Kanaänieten, der Hethieten, der Amorieten, en der Ferezieten, en der Jebusieten, en der Girgasieten, dat Gij het zijn zade zoudt geven; en Gij hebt Uw woorden bevestigd, omdat Gij rechtvaardig zijt.</verse>
				<verse number="9">En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;</verse>
				<verse number="10">En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.</verse>
				<verse number="11">En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.</verse>
				<verse number="12">En Gij hebt ze des daags geleid met een wolkkolom, en des nachts met een vuurkolom, om hen te lichten op den weg, waarin zij zouden wandelen.</verse>
				<verse number="13">En Gij zijt neergedaald op den berg Sinaï, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en Gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten, en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden.</verse>
				<verse number="14">En Gij hebt Uw heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes.</verse>
				<verse number="15">En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.</verse>
				<verse number="16">Maar zij en onze vaders hebben trotselijk gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden;</verse>
				<verse number="17">En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die Gij bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun wederspannigheid een hoofd gesteld, om weder te keren tot hun dienstbaarheid. Doch Gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten.</verse>
				<verse number="18">Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden;</verse>
				<verse number="19">Hebt Gij hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen des daags, om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen.</verse>
				<verse number="20">En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.</verse>
				<verse number="21">Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.</verse>
				<verse number="22">Voorts hebt Gij hun koninkrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in hoeken. Alzo hebben zij erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten, het land des konings van Hesbon, en het land van Og, koning van Basan.</verse>
				<verse number="23">Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren des hemels; en Gij hebt hen gebracht in het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.</verse>
				<verse number="24">Alzo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en Gij hebt de inwoners des lands, de Kanaänieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, mitsgaders hun koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen.</verse>
				<verse number="25">En zij hebben vaste steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen, vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen van spijze, in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn zat en vet geworden, en hebben in wellust geleefd, door Uw grote goedigheid.</verse>
				<verse number="26">Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.</verse>
				<verse number="27">Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand hunner benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand hunner benauwers verlosten.</verse>
				<verse number="28">Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.</verse>
				<verse number="29">En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord.</verse>
				<verse number="30">Doch Gij vertoogt het vele jaren over hen, en betuigdet tegen hen door Uw Geest, door den dienst Uwer profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt Gij hen gegeven in de hand van de volken der landen.</verse>
				<verse number="31">Doch door Uw grote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield, noch hen verlaten; want Gij zijt een genadig en barmhartig God.</verse>
				<verse number="32">Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="33">Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.</verse>
				<verse number="34">En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet.</verse>
				<verse number="35">Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.</verse>
				<verse number="36">Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.</verse>
				<verse number="37">En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.</verse>
				<verse number="38">En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesteren zullen het verzegelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Tot de verzegelingen nu waren: Nehemía Hattirsátha, zoon van Hachálja, en Zidkía,</verse>
				<verse number="2">Serája, Azárja, Jeremía,</verse>
				<verse number="3">Pashur, Amárja, Malchía,</verse>
				<verse number="4">Hattus, Sebánja, Malluch,</verse>
				<verse number="5">Harim, Merémoth, Obádja,</verse>
				<verse number="6">Daniël, Ginnethon, Baruch,</verse>
				<verse number="7">Mesullam, Abía, Mijámin,</verse>
				<verse number="8">Maäzía, Bilgai, Semája. Dit waren de priesters.</verse>
				<verse number="9">En de Levieten, namelijk: Jésua, zoon van Azánja, Binnui; van de zonen van Hénadad, Kadmiël;</verse>
				<verse number="10">En hun broederen: Sebánja, Hodía, Kelíta, Pelája, Hanan,</verse>
				<verse number="11">Micha, Rehob, Hasábja,</verse>
				<verse number="12">Zakkur, Serébja, Sebánja,</verse>
				<verse number="13">Hodía, Bani, Benínu;</verse>
				<verse number="14">De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,</verse>
				<verse number="15">Bunni, Azgad, Bebai,</verse>
				<verse number="16">Adónia, Bigvai, Adin,</verse>
				<verse number="17">Ater, Hizkía, Azzur,</verse>
				<verse number="18">Hodía, Hasum, Bezai,</verse>
				<verse number="19">Harif, Anathoth, Nebai,</verse>
				<verse number="20">Magpías, Mesullam, Hezir,</verse>
				<verse number="21">Mesezábeël, Zadok, Jaddúa,</verse>
				<verse number="22">Pelátja, Hanan, Anája,</verse>
				<verse number="23">Hoséa, Hanánja, Hassub,</verse>
				<verse number="24">Hallóhes, Pilha, Sobek,</verse>
				<verse number="25">Rehum, Hasábna, Maäséja,</verse>
				<verse number="26">En Ahía, Hanan, Anan,</verse>
				<verse number="27">Malluch, Harim, Báäna.</verse>
				<verse number="28">En het overige des volks, de priesteren, de Levieten, de poortiers, de zangers, de Nethínim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren, al wie wetenschap en verstand had;</verse>
				<verse number="29">Die hielden zich aan hun broederen, hun voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden des HEEREN, onzes Heeren, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;</verse>
				<verse number="30">En dat wij onze dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hun dochteren nemen voor onze zonen.</verse>
				<verse number="31">Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op den sabbat, of op een anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis.</verse>
				<verse number="32">Voorts zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot den dienst van het huis onzes Gods;</verse>
				<verse number="33">Tot het brood der toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, der sabbatten, der nieuwe maanden, tot de gezette hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis onzes Gods.</verse>
				<verse number="34">Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar des HEEREN, onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is;</verse>
				<verse number="35">Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des HEEREN;</verse>
				<verse number="36">En de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten huize onzes Gods, tot de priesteren, die in het huis onzes Gods dienen.</verse>
				<verse number="37">En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesteren, in de kameren van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij;</verse>
				<verse number="38">En dat er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de tienden der tienden zouden opbrengen ten huize onzes Gods, in de kameren van het schathuis.</verse>
				<verse number="39">Want de kinderen Israëls en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kameren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en de priesteren, die dienen, en de poortiers, en de zangers; dat wij alzo het huis onzes Gods niet zouden verlaten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.</verse>
				<verse number="2">En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.</verse>
				<verse number="3">En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun steden, Israël, de priesters, en de Levieten, en de Nethínim, en de kinderen der knechten van Sálomo).</verse>
				<verse number="4">Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athája, de zoon van Uzzía, den zoon van Zachárja, den zoon van Amárja, den zoon van Sefátja, den zoon van Mahaláleël, van de kinderen van Perez;</verse>
				<verse number="5">En Maäséja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazája, den zoon van Adája, den zoon van Jójarib, den zoon van Zachárja, den zoon van Silóni.</verse>
				<verse number="6">Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en zestig dappere mannen.</verse>
				<verse number="7">En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joëd, den zoon van Pedája, den zoon van Kolája, den zoon van Maäséja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jesája;</verse>
				<verse number="8">En na hem Gabbai, Sallai; negenhonderd acht en twintig.</verse>
				<verse number="9">En Joël, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van Senúa, was de tweede over de stad.</verse>
				<verse number="10">Van de priesteren: Jedája, de zoon van Jójarib, Jachin;</verse>
				<verse number="11">Serája, de zoon van Hilkía, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merájoth, den zoon van Ahítub, was voorganger van Gods huis;</verse>
				<verse number="12">En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adája, de zoon van Jeróham, den zoon van Pelálja, den zoon van Amzi, den zoon van Zachárja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchía;</verse>
				<verse number="13">En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azáreël, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillémoth, den zoon van Immer;</verse>
				<verse number="14">En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdíël, de zoon van Gedólim.</verse>
				<verse number="15">En van de Levieten: Semája, de zoon van Hassub, den zoon van Azríkam, den zoon van Hasábja, den zoon van Buni.</verse>
				<verse number="16">En Sábbethai, en Józabad, van de hoofden der Levieten, waren over het buitenwerk van het huis Gods.</verse>
				<verse number="17">En Matthánja, de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broederen; en Abda, de zoon van Sammúa, den zoon van Galal, den zoon van Jedúthun.</verse>
				<verse number="18">Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig.</verse>
				<verse number="19">En de poortiers: Akkub, Talmon, met hun broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig.</verse>
				<verse number="20">Het overige nu van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, een iegelijk in zijn erfdeel.</verse>
				<verse number="21">En de Nethínim woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de Nethínim.</verse>
				<verse number="22">En der Levieten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasábja, den zoon van Matthánja, den zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers tegenover het werk van Gods huis.</verse>
				<verse number="23">Want er was een gebod des konings van hen, te weten, een zeker onderhoud voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag.</verse>
				<verse number="24">En Petáhja, de zoon van Mesezábeël, van de kinderen van Zerah, den zoon van Juda, was aan des konings hand, in alle zaken tot het volk.</verse>
				<verse number="25">In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-Arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekábzeël en haar dorpen;</verse>
				<verse number="26">En te Jésua, en te Mólada, en te Beth-Pelet,</verse>
				<verse number="27">En te Hazar-Sual, en in Ber-séba, en haar onderhorige plaatsen,</verse>
				<verse number="28">En te Ziklag, en in Mechóna en haar onderhorige plaatsen,</verse>
				<verse number="29">En te En-Rimmon, en te Zora, en te Jarmuth,</verse>
				<verse number="30">Zanóah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azéka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-séba af tot aan het dal Hinnom.</verse>
				<verse number="31">De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,</verse>
				<verse number="32">Anathoth, Nob, Anánja,</verse>
				<verse number="33">Hazor, Rama, Gitthaïm,</verse>
				<verse number="34">Hadid, Zebóim, Nebállat,</verse>
				<verse number="35">Lod, en Ono, in het dal der werkmeesters.</verse>
				<verse number="36">Van de Levieten nu, woonden sommigen in de verdelingen van Juda, en van Benjamin.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbábel, den zoon van Sealthiël, en Jésua, optogen: Serája, Jeremía, Ezra,</verse>
				<verse number="2">Amárja, Malluch, Hattus,</verse>
				<verse number="3">Sechánja, Rehum, Merémoth,</verse>
				<verse number="4">Iddo, Ginnethoi, Abía,</verse>
				<verse number="5">Mijámin, Máädja, Bilga,</verse>
				<verse number="6">Semája, en Jójarib, Jedája,</verse>
				<verse number="7">Sallu, Amok, Hilkía, Jedája; dat waren de hoofden der priesteren, en hun broederen, in de dagen van Jésua.</verse>
				<verse number="8">En de Levieten waren: Jésua, Binnui, Kadmiël, Sérebja, Juda, Matthánja; hij en zijn broederen waren over de dankzeggingen.</verse>
				<verse number="9">En Bakbukja, en Unni, hun broederen, waren tegen hen over in de wachten.</verse>
				<verse number="10">Jésua nu gewon Jójakim, en Jójakim gewon Eljásib, en Eljásib gewon Jójada,</verse>
				<verse number="11">En Jójada gewon Jónathan, en Jónathan gewon Jaddua.</verse>
				<verse number="12">En in de dagen van Jójakim waren priesters, hoofden der vaderen: van Serája was Merája; van Jeremía, Hanánja;</verse>
				<verse number="13">Van Ezra, Mesullam; van Amárja, Jóhanan;</verse>
				<verse number="14">Van Melíchu, Jónathan; van Sebánja, Jozef;</verse>
				<verse number="15">Van Harim, Adna; van Merájoth, Helkai;</verse>
				<verse number="16">Van Iddo, Zacharía; van Gínnethon, Mesullam;</verse>
				<verse number="17">Van Abía, Zichri; van Minjámin, van Moádja, Piltai;</verse>
				<verse number="18">Van Bilga, Sammúa; van Semája, Jónathan;</verse>
				<verse number="19">En van Jójarib, Mátthenai; van Jedája, Uzzi;</verse>
				<verse number="20">Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;</verse>
				<verse number="21">Van Hilkía, Hasábja; van Jedája, Netháneël.</verse>
				<verse number="22">Van de Levieten werden in de dagen van Eljásib, Jójada, en Jóhanan, en Jaddua, de hoofden der vaderen beschreven; mitsgaders de priesteren, tot het koninkrijk van Daríus, den Perziaan.</verse>
				<verse number="23">De kinderen van Levi, de hoofden der vaderen, werden beschreven in het boek der kronieken, tot de dagen van Jóhanan, den zoon van Eljásib, toe.</verse>
				<verse number="24">De hoofden dan der Levieten waren Hasábja, Sérebja, en Jésua, de zoon van Kadmiël, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht.</verse>
				<verse number="25">Matthánja en Bakbukja, Obádja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortiers, de wacht waarnemende bij de schatkamers der poorten.</verse>
				<verse number="26">Dezen waren in de dagen van Jójakim, den zoon van Jésua, den zoon van Józadak, en in de dagen van Nehemía, den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde.</verse>
				<verse number="27">In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen.</verse>
				<verse number="28">Alzo werden de kinderen der zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten;</verse>
				<verse number="29">En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmáveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.</verse>
				<verse number="30">En de priesters en de Levieten reinigden zichzelven; daarna reinigden zij het volk, en de poorten, en den muur.</verse>
				<verse number="31">Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op den muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op den muur, naar de Mistpoort toe.</verse>
				<verse number="32">En achter hen ging Hosája, en de helft der vorsten van Juda.</verse>
				<verse number="33">En van Azárja, Ezra, en Mesullam,</verse>
				<verse number="34">Juda, en Benjamin, en Semája, en Jeremía;</verse>
				<verse number="35">En van de priesters kinderen met trompetten: Zechárja, de zoon van Jónathan, den zoon van Semája, den zoon van Matthánja, den zoon van Michája, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;</verse>
				<verse number="36">En zijn broeders, Semája, en Azáreël, Mílalai, Gílalai, Maái, Netháneël, en Juda, Hanáni, met muziekinstrumenten van David, den man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen.</verse>
				<verse number="37">Voorts naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten.</verse>
				<verse number="38">Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik achter hetzelve, met de helft des volks, op den muur, van boven den Bakoventoren, tot aan den breden muur;</verse>
				<verse number="39">En van boven de poort van Efraïm, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en den toren Hanáneël, en den toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort.</verse>
				<verse number="40">Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis; ook ik en de helft der overheden met mij.</verse>
				<verse number="41">En de priesters, Eljákim, Maäséja, Minjámin, Michája, Eljoënai, Zachárja, Hanánja, met trompetten;</verse>
				<verse number="42">Voorts Maäséja, en Semája, en Eleázar, en Uzzi, en Jóhanan, en Malchía, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers horen, met Jizráhja, den opziener.</verse>
				<verse number="43">En zij offerden deszelven daags grote slachtofferen, en waren vrolijk; want God had hen vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vrolijk; zodat de vrolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd.</verse>
				<verse number="44">Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kameren, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers der steden te verzamelen de delen der wet, voor de priesteren en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesteren en over de Levieten, die daar stonden.</verse>
				<verse number="45">En de wacht huns Gods waarnamen, en de wacht der reiniging, ook de zangers, en de poortiers, naar het gebod van David en zijn zoon Sálomo.</verse>
				<verse number="46">Want in de dagen van David en Asaf, van ouds, waren er hoofden der zangers, en des lofgezangs, en der dankzeggingen tot God.</verse>
				<verse number="47">Daarom gaf gans Israël, in de dagen van Zerubbábel, en in de dagen van Nehemía, de delen der zangers en der poortiers, van elk dagelijks op zijn dag; en zij heiligden voor de Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Aäron.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Te dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren des volks; en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de gemeente Gods, tot in eeuwigheid;</verse>
				<verse number="2">Omdat zij den kinderen Israëls niet waren tegengekomen met brood en met water, ja, Bíleam tegen hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel onze God den vloek omkeerde in een zegen.</verse>
				<verse number="3">Zo geschiedde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israël afscheidden.</verse>
				<verse number="4">Eljásib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was vóór dezen nabestaande van Tobía geworden.</verse>
				<verse number="5">En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortiers, mitsgaders het hefoffer der priesteren.</verse>
				<verse number="6">Doch in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot den koning; maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning.</verse>
				<verse number="7">En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljásib voor Tobía gedaan had, makende hem een kamer in de voorhoven van Gods huis.</verse>
				<verse number="8">En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobía buiten, uit de kamer.</verse>
				<verse number="9">Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden de kameren; en ik bracht daar weder in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook.</verse>
				<verse number="10">Ook vernam ik, dat der Levieten deel hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het werk deden, gevloden waren, een iegelijk naar zijn akker.</verse>
				<verse number="11">En ik twistte met de overheden, en zeide: Waarom is het huis Gods verlaten? Doch ik vergaderde hen, en herstelde ze in hun stand.</verse>
				<verse number="12">Toen bracht gans Juda de tienden van het koren, en van den most, en van de olie, in de schatten.</verse>
				<verse number="13">En ik stelde tot schatmeesters over de schatten, Selémja, den priester, en Zadok, den schrijver, en Pedája, uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Matthánja; want zij werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broederen uit te delen.</verse>
				<verse number="14">Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan zijn wachten gedaan heb.</verse>
				<verse number="15">In dezelfde dagen zag ik in Juda, die persen traden op den sabbat, en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik betuigde tegen hen ten dage, als zij eetwaren verkochten.</verse>
				<verse number="16">Daar waren ook Tyriërs binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="17">Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag?</verse>
				<verse number="18">Deden niet uw vaders alzo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt de hittige gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat.</verse>
				<verse number="19">Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag.</verse>
				<verse number="20">Toen vernachtten de kramers, en de verkopers van alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal.</verse>
				<verse number="21">Zo betuigde ik tegen hen, en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat.</verse>
				<verse number="22">Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid.</verse>
				<verse number="23">Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.</verse>
				<verse number="24">En hun kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joods spreken, maar naar de taal eens iegelijken volks.</verse>
				<verse number="25">Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uw dochteren hun zonen zult geven, en indien gij van hun dochteren voor uw zonen of voor u zult nemen!</verse>
				<verse number="26">Heeft niet Sálomo, de koning van Israël, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israël gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.</verse>
				<verse number="27">Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?</verse>
				<verse number="28">Ook was er een van de kinderen van Jójada, den zoon van Eljásib, den hogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, den Horoniet; daarom jaagde ik hem van mij weg.</verse>
				<verse number="29">Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het priesterdom hebben verontreinigd, ja, het verbond des priesterdoms en der Levieten.</verse>
				<verse number="30">Alzo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik bestelde de wachten der priesteren en der Levieten, elk op zijn werk;</verse>
				<verse number="31">Ook tot het offer des houts, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God, ten goede.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="17">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het geschiedde nu in de dagen van Ahasvéros, (hij is die Ahasvéros, dewelke regeerde van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig landschappen).</verse>
				<verse number="2">In die dagen, als de koning Ahasvéros op den troon zijns koninkrijks zat, die op den burg Susan was;</verse>
				<verse number="3">In het derde jaar zijner regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de grootste heren en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht;</verse>
				<verse number="4">Als hij vertoonde den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijner grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.</verse>
				<verse number="5">Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd al den volke, dat gevonden werd op den burg Susan, van den grootste tot den kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van den hof van het koninklijk paleis.</verse>
				<verse number="6">Er waren witte, groene en hemelsblauwe behangselen, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfier steen, en van marmer, en albast, en kostelijke stenen.</verse>
				<verse number="7">En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ene vat was anders dan het andere vat; en er was veel koninklijke wijn, naar des konings vermogen.</verse>
				<verse number="8">En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; want alzo had de koning vastelijk bevolen aan alle groten zijns huizes, dat zij doen zouden naar den wil van een iegelijk.</verse>
				<verse number="9">De koningin Vasthi maakte ook een maaltijd voor de vrouwen in het koninklijk huis, hetwelk de koning Ahasvéros had.</verse>
				<verse number="10">Op den zevenden dag, toen des konings hart vrolijk was van den wijn, zeide hij tot Mehúman, Biztha, Charbóna, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven kamerlingen, dienende voor het aangezicht van den koning Ahasvéros,</verse>
				<verse number="11">Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht des konings, met de koninklijke kroon, om den volken en den vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was schoon van aangezicht.</verse>
				<verse number="12">Doch de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord des konings, hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer verbolgen, en zijn grimmigheid ontstak in hem.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want alzo moest des konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten;</verse>
				<verse number="14">De naasten nu bij hem waren Cársena, Sethar, Admátha, Tharsis, Meres, Mársena, Memúchan, zeven vorsten der Perzen en der Meden, die het aangezicht des konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),</verse>
				<verse number="15">Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan had het woord van den koning Ahasvéros, door den dienst der kamerlingen?</verse>
				<verse number="16">Toen zeide Memúchan voor het aangezicht des konings en der vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen tegen den koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de landschappen van den koning Ahasvéros zijn.</verse>
				<verse number="17">Want deze daad der koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasvéros zeide, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet.</verse>
				<verse number="18">Te dezen zelfden dage zullen de vorstinnen van Perzië en Medië ook alzo zeggen tot al de vorsten des konings, als zij deze daad der koningin zullen horen, en er zal verachtens en toorns genoeg wezen.</verse>
				<verse number="19">Indien het den koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van den koning Ahasvéros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij.</verse>
				<verse number="20">Als het bevel des konings, hetwelk hij doen zal in zijn ganse koninkrijk, (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen eer geven, van de grootste tot de kleinste toe.</verse>
				<verse number="21">Dit woord nu was goed in de ogen des konings en der vorsten; en de koning deed naar het woord van Memúchan.</verse>
				<verse number="22">En hij zond brieven aan al de landschappen des konings, aan een iegelijk landschap naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn spraak, dat elk man overheer in zijn huis wezen zou, en spreken naar de spraak zijns volks.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Na deze geschiedenissen, toen de grimmigheid van den koning Ahasvéros gestild was, gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was.</verse>
				<verse number="2">Toen zeiden de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht.</verse>
				<verse number="3">En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koninkrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, tot den burg Susan, tot het huis der vrouwen, onder de hand van Hegai, des konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar haar versierselen.</verse>
				<verse number="4">En de jonge dochter, die in des konings oog schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen des konings, en hij deed alzo.</verse>
				<verse number="5">Er was een Joods man op den burg Susan, wiens naam was Mórdechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simeï, den zoon van Kis, een man van Jemini;</verse>
				<verse number="6">Die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden, die weggevoerd waren met Jechónia, den koning van Juda, denwelken Nebukadnézar, de koning van Babel, had weggevoerd.</verse>
				<verse number="7">En hij was het, die opvoedde Hadássa (deze is Esther, de dochter zijns ooms); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mórdechai ze zich tot een dochter aangenomen.</verse>
				<verse number="8">Het geschiedde nu, toen het woord des konings en zijn wet ruchtbaar was, en toen vele jonge dochters samenvergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in des konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen.</verse>
				<verse number="9">En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis des konings; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen.</verse>
				<verse number="10">Esther had haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven; want Mórdechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven.</verse>
				<verse number="11">Mórdechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou.</verse>
				<verse number="12">Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot den koning Ahasvéros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzo werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen;</verse>
				<verse number="13">Daarmede kwam dan de jonge dochter tot den koning; al wat zij zeide, werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen tot het huis des konings.</verse>
				<verse number="14">Des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Sáäsgaz, den kamerling des konings, bewaarder der bijwijven, zij kwam niet weder tot den koning, ten ware de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd.</verse>
				<verse number="15">Als de beurt van Esther, de dochter van Abicháïl, den oom van Mórdechai, (die hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther verkreeg genade in de ogen van allen, die haar zagen.</verse>
				<verse number="16">Alzo werd Esther genomen tot den koning Ahasvéros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, welke is de maand Tebeth, in het zevende jaar zijns rijks.</verse>
				<verse number="17">En de koning beminde Esther boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi.</verse>
				<verse number="18">Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten, den maaltijd van Esther; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf geschenken naar des konings vermogen.</verse>
				<verse number="19">Toen ten anderen male maagden vergaderd werden, zo zat Mórdechai in de poort des konings.</verse>
				<verse number="20">Esther nu had haar maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk als Mórdechai haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mórdechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd.</verse>
				<verse number="21">In die dagen, als Mórdechai in de poort des konings zat, werden Bigthan en Theres, twee kamerlingen des konings van de dorpelwachters, zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasvéros.</verse>
				<verse number="22">En deze zaak werd Mórdechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zeide het den koning in Mórdechai's naam.</verse>
				<verse number="23">Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan een galg gehangen; en het werd in de kronieken geschreven voor het aangezicht des konings.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasvéros Haman groot, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel boven al de vorsten, die bij hem waren.</verse>
				<verse number="2">En al de knechten des konings, die in de poort des konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman; want de koning had alzo van hem bevolen; maar Mórdechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.</verse>
				<verse number="3">Toen zeiden de knechten des konings, die in de poort des konings waren, tot Mórdechai: Waarom overtreedt gij des konings gebod?</verse>
				<verse number="4">Het geschiedde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen, of de woorden van Mórdechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij een Jood was.</verse>
				<verse number="5">Toen Haman zag, dat Mórdechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.</verse>
				<verse number="6">Doch hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mórdechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mórdechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het ganse koninkrijk van Ahasvéros waren, namelijk het volk van Mórdechai, te verdelgen.</verse>
				<verse number="7">In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van den koning Ahasvéros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.</verse>
				<verse number="8">Want Haman had tot den koning Ahasvéros gezegd: Er is één volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen zij des konings wetten niet; daarom is het den koning niet oorbaar hen te laten blijven.</verse>
				<verse number="9">Indien het den koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen.</verse>
				<verse number="10">Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, der Joden tegenpartijder.</verse>
				<verse number="11">En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.</verse>
				<verse number="12">Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den naam van den koning Ahasvéros, en het werd met des konings ring verzegeld.</verse>
				<verse number="13">De brieven nu werden gezonden door de hand der lopers tot al de landschappen des konings, dat men zou verdelgen, doden en verdoen al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven.</verse>
				<verse number="14">De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelfden dag zouden gereed zijn.</verse>
				<verse number="15">De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord des konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Als Mórdechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mórdechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.</verse>
				<verse number="2">En hij kwam tot voor de poort des konings; want niemand mocht in des konings poort inkomen, bekleed met een zak.</verse>
				<verse number="3">En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.</verse>
				<verse number="4">Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen om Mórdechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.</verse>
				<verse number="5">Toen riep Esther Hatach, een van de kamerlingen des konings, welke hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mórdechai, om te weten wat dit, en waarom dit ware.</verse>
				<verse number="6">Als Hatach uitging tot Mórdechai, op de straat der stad, die voor de poort des konings was,</verse>
				<verse number="7">Zo gaf Mórdechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des konings, voor de Joden, om dezelve om te brengen.</verse>
				<verse number="8">En hij gaf hem het afschrift der geschrevene wet, die te Susan gegeven was, om hen te verdelgen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot den koning ging, om hem te smeken, en van hem te verzoeken voor haar volk.</verse>
				<verse number="9">Hatach nu kwam, en gaf Esther de woorden van Mórdechai te kennen.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mórdechai:</verse>
				<verse number="11">Alle knechten des konings, en het volk, der landschappen des konings, weten wel dat al wie tot den koning ingaat, in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning den gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen.</verse>
				<verse number="12">En zij gaven de woorden van Esther aan Mórdechai te kennen.</verse>
				<verse number="13">Zo zeide Mórdechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden.</verse>
				<verse number="14">Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar gij en uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt.</verse>
				<verse number="15">Toen zeide Esther, dat men Mórdechai weder aanzeggen zou:</verse>
				<verse number="16">Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook alzo vasten, en alzo zal ik tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.</verse>
				<verse number="17">Toen ging Mórdechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem geboden had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Het geschiedde nu aan den derden dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des konings huis, tegenover het huis des konings; de koning nu zat op zijn koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.</verse>
				<verse number="2">En het geschiedde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning den gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits des scepters aan.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks.</verse>
				<verse number="4">Esther nu zeide: Indien het den koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide de koning: Doet Haman spoeden, dat hij het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot den maaltijd, dien Esther bereid had, gekomen was,</verse>
				<verse number="6">Zo zeide de koning tot Esther op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.</verse>
				<verse number="7">Toen antwoordde Esther, en zeide: Mijn bede en verzoek is:</verse>
				<verse number="8">Indien ik genade gevonden heb in de ogen des konings, en indien het den koning goeddunkt, mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot den maaltijd, dien ik hem bereiden zal; zo zal ik morgen doen naar het bevel des konings.</verse>
				<verse number="9">Toen ging Haman ten zelfden dage uit, vrolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mórdechai zag in de poort des konings, en dat hij niet opstond, noch zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mórdechai.</verse>
				<verse number="10">Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond henen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw.</verse>
				<verse number="11">En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings.</verse>
				<verse number="12">Verder zeide Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met den koning doen komen tot den maaltijd, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met den koning genodigd.</verse>
				<verse number="13">Doch dit alles baat mij niet, zo langen tijd als ik den Jood Mórdechai zie zitten in de poort des konings.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide zijn huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan den koning, dat men Mórdechai daaraan hange; ga dan vrolijk met den koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">In denzelfden nacht was de slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de tegenwoordigheid des konings gelezen.</verse>
				<verse number="2">En men vond geschreven, dat Mórdechai had te kennen gegeven van Bigthána en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasvéros.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide de koning: Wat eer en verhoging is Mórdechai hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.</verse>
				<verse number="4">Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mórdechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)</verse>
				<verse number="5">En des konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zeide de koning: Dat hij inkome.</verse>
				<verse number="6">Als Haman ingekomen was, zo zeide de koning tot hem: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij?</verse>
				<verse number="7">Daarom zeide Haman tot den koning: Den man, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft,</verse>
				<verse number="8">Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.</verse>
				<verse number="9">En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!</verse>
				<verse number="10">Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mórdechai, den Jood, die aan de poort des konings zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt.</verse>
				<verse number="11">En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mórdechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!</verse>
				<verse number="12">Daarna keerde Mórdechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.</verse>
				<verse number="13">En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indien Mórdechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.</verse>
				<verse number="14">Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen, dien Esther bereid had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Toen de koning met Haman gekomen was, om te drinken met de koningin Esther;</verse>
				<verse number="2">Zo zeide de koning tot Esther, ook op den tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede, koningin Esther? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.</verse>
				<verse number="3">Toen antwoordde de koningin Esther, en zeide: Indien ik, o koning, genade in uw ogen gevonden heb, en indien het den koning goeddunkt, men geve mij mijn leven, om mijner bede wil, en mijn volk, om mijns verzoeks wil.</verse>
				<verse number="4">Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdelge, dode en ombrenge. Indien wij nog tot knechten en tot dienstmaagden waren verkocht geweest, ik zou gezwegen hebben, ofschoon de onderdrukker de schade des konings geenszins zou kunnen vergoeden.</verse>
				<verse number="5">Toen sprak de koning Ahasvéros, en zeide tot de koningin Esther: Wie is die, en waar is diezelve, die zijn hart vervuld heeft, om alzo te doen?</verse>
				<verse number="6">En Esther zeide: De man, de onderdrukker en vijand, is deze boze Haman! Toen verschrikte Haman voor het aangezicht des konings en der koningin.</verse>
				<verse number="7">En de koning stond op in zijn grimmigheid van den maaltijd des wijns, en ging naar den hof van het paleis. En Haman bleef staan, om van de koningin Esther, aangaande zijn leven verzoek te doen; want hij zag, dat het kwaad van de koning over hem ten volle besloten was.</verse>
				<verse number="8">Toen de koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zeide de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.</verse>
				<verse number="9">En Charbóna, een van de kamerlingen, voor het aanschijn des konings staande, zeide: Ook zie, de galg, welke Haman gemaakt heeft voor Mórdechai, die goed voor den koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zeide de koning: Hang hem daaraan.</verse>
				<verse number="10">Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mórdechai had doen bereiden; en de grimmigheid des konings werd gestild.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasvéros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mórdechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.</verse>
				<verse number="2">En de koning toog zijn ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mórdechai; en Esther stelde Mórdechai over het huis van Haman.</verse>
				<verse number="3">En Esther sprak verder voor het aangezicht des konings, en zij viel voor zijn voeten, en zij weende, en zij smeekte hem, dat hij de boosheid van Haman, den Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen.</verse>
				<verse number="4">De koning nu reikte den gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="5">En zij zeide: Indien het den koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb en deze zaak voor den koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de landschappen des konings zijn.</verse>
				<verse number="6">Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?</verse>
				<verse number="7">Toen zeide de koning Ahasvéros tot de koningin Esther en tot Mórdechai, den Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.</verse>
				<verse number="8">Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring; want het schrift, dat in des konings naam geschreven, en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.</verse>
				<verse number="9">Toen werden des konings schrijvers geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op den drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mórdechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten der landschappen, die van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak.</verse>
				<verse number="10">En men schreef in den naam van den koning Ahasvéros, en men verzegelde het met des konings ring; en men zond de brieven door de hand der lopers te paard, rijdende op snelle kemelen, op muildieren, van merriën geteeld;</verse>
				<verse number="11">Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, om te doden en om om te brengen alle macht des volks en des landschaps, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven;</verse>
				<verse number="12">Op één dag in al de landschappen van den koning Ahasvéros, op den dertienden der twaalfde maand; deze is de maand Adar.</verse>
				<verse number="13">De inhoud van dit schrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hun vijanden.</verse>
				<verse number="14">De lopers, die op snelle kemelen reden en op muildieren, togen snellijk uit, aangedreven zijnde door het woord des konings. Deze wet nu werd gegeven op den burg Susan.</verse>
				<verse number="15">En Mórdechai ging uit van voor het aangezicht des konings in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk.</verse>
				<verse number="16">Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer;</verse>
				<verse number="17">Ook in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar des konings woord en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">In de twaalfde maand nu (dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten over hun haters.</verse>
				<verse number="2">Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasvéros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.</verse>
				<verse number="3">En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mórdechai was op hen gevallen.</verse>
				<verse number="4">Want Mórdechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Mórdechai, werd doorgaans groter.</verse>
				<verse number="5">De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen.</verse>
				<verse number="6">En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen.</verse>
				<verse number="7">En Parsandátha, en Dalfon, en Asfáta,</verse>
				<verse number="8">En Porátha, en Adália, en Aridátha,</verse>
				<verse number="9">En Parmástha, en Arísai, en Arídai, en Vaizátha,</verse>
				<verse number="10">De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedátha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.</verse>
				<verse number="11">Ten zelfden dage kwam voor den koning het getal der gedoden op den burg Susan.</verse>
				<verse number="12">En de koning zeide tot de koningin Esther: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij in al de andere landschappen des konings gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Esther: Dunkt het den koning goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide de koning, dat men alzo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op.</verse>
				<verse number="15">En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.</verse>
				<verse number="16">De overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.</verse>
				<verse number="17">Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertienden derzelve rustten zij, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.</verse>
				<verse number="18">En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.</verse>
				<verse number="19">Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en der zending van delen aan elkander.</verse>
				<verse number="20">En Mórdechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de landschappen van den koning Ahasvéros waren, dien, die nabij, en dien, die verre waren,</verse>
				<verse number="21">Om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar, en den vijftienden dag derzelve, in alle en in ieder jaar;</verse>
				<verse number="22">Naar de dagen, in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijken dag; dat zij dezelve dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van delen aan elkander, en der gaven aan de armen.</verse>
				<verse number="23">En de Joden namen aan te doen, wat zij begonnen hadden, en dat Mórdechai aan hen geschreven had.</verse>
				<verse number="24">Omdat Haman, de zoon van Hammedátha, den Agagiet, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pur, dat is, het lot had geworpen, om hen te verslaan, en om hen om te brengen.</verse>
				<verse number="25">Maar als zij voor den koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.</verse>
				<verse number="26">Daarom noemt men die dagen Purim, van den naam van dat Pur. Hierom, vanwege al de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelven daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was,</verse>
				<verse number="27">Bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad, en op allen, die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade, dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve, en naar den bestemden tijd derzelve, in alle en ieder jaar;</verse>
				<verse number="28">Dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in alle en elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad; en dat deze dagen van Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de gedachtenis derzelve geen einde nemen zou bij hun zaad.</verse>
				<verse number="29">Daarna schreef de koningin Esther, de dochter van Abicháïl, en Mórdechai, de Jood, met alle macht, om dezen brief van Purim ten tweeden male te bevestigen.</verse>
				<verse number="30">En hij zond de brieven aan al de Joden, in de honderd zeven en twintig landschappen van het koninkrijk van Ahasvéros, met woorden van vrede en trouw;</verse>
				<verse number="31">Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, gelijk als Mórdechai, de Jood, over hen bevestigd had, en Esther, de koningin, en gelijk als zij het bevestigd hadden voor zichzelven en voor hun zaad; de zaken van het vasten en hunlieder geroep.</verse>
				<verse number="32">En het bevel van Esther bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Daarna legde de koning Ahasvéros schatting op het land, en de eilanden der zee.</verse>
				<verse number="2">Al de werken nu zijner macht en zijns gewelds, en de verklaring der grootheid van Mórdechai, denwelken de koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Medië en Perzië?</verse>
				<verse number="3">Want de Jood Mórdechai was de tweede bij den koning Ahasvéros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte zijner broederen, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor den welstand van zijn ganse zaad.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="18">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.</verse>
				<verse number="2">En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.</verse>
				<verse number="3">Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.</verse>
				<verse number="4">En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.</verse>
				<verse number="5">Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde, en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.</verse>
				<verse number="6">Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.</verse>
				<verse number="7">Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.</verse>
				<verse number="9">Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?</verse>
				<verse number="10">Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.</verse>
				<verse number="11">Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?</verse>
				<verse number="12">En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.</verse>
				<verse number="14">Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.</verse>
				<verse number="15">Doch de Sabeeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.</verse>
				<verse number="16">Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.</verse>
				<verse number="17">Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.</verse>
				<verse number="18">Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;</verse>
				<verse number="19">En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.</verse>
				<verse number="20">Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;</verse>
				<verse number="21">En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!</verse>
				<verse number="22">In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.</verse>
				<verse number="4">Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.</verse>
				<verse number="5">Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen!</verse>
				<verse number="6">En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven.</verse>
				<verse number="7">Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.</verse>
				<verse number="8">En hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der as.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf.</verse>
				<verse number="10">Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.</verse>
				<verse number="11">Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elífaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.</verse>
				<verse number="12">En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel.</verse>
				<verse number="13">Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.</verse>
				<verse number="2">Want Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="3">De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;</verse>
				<verse number="4">Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;</verse>
				<verse number="5">Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!</verse>
				<verse number="6">Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!</verse>
				<verse number="7">Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;</verse>
				<verse number="8">Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;</verse>
				<verse number="9">Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!</verse>
				<verse number="10">Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.</verse>
				<verse number="11">Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?</verse>
				<verse number="12">Waarom zijn mij de knieën voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?</verse>
				<verse number="13">Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;</verse>
				<verse number="14">Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;</verse>
				<verse number="15">Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.</verse>
				<verse number="16">Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.</verse>
				<verse number="17">Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;</verse>
				<verse number="18">Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.</verse>
				<verse number="19">De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.</verse>
				<verse number="20">Waarom geeft Hij den ellendige het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?</verse>
				<verse number="21">Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;</verse>
				<verse number="22">Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;</verse>
				<verse number="23">Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?</verse>
				<verse number="24">Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.</verse>
				<verse number="25">Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.</verse>
				<verse number="26">Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Toen antwoordde Elífaz, de Themaniet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?</verse>
				<verse number="3">Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;</verse>
				<verse number="4">Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieën hebt gij vastgesteld;</verse>
				<verse number="5">Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.</verse>
				<verse number="6">Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?</verse>
				<verse number="7">Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?</verse>
				<verse number="8">Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.</verse>
				<verse number="9">Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.</verse>
				<verse number="10">De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.</verse>
				<verse number="11">De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.</verse>
				<verse number="12">Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;</verse>
				<verse number="13">Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;</verse>
				<verse number="14">Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.</verse>
				<verse number="15">Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.</verse>
				<verse number="16">Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?</verse>
				<verse number="18">Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.</verse>
				<verse number="19">Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.</verse>
				<verse number="20">Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="21">Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?</verse>
				<verse number="2">Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.</verse>
				<verse number="3">Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.</verse>
				<verse number="4">Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.</verse>
				<verse number="5">Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.</verse>
				<verse number="6">Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;</verse>
				<verse number="7">Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.</verse>
				<verse number="8">Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;</verse>
				<verse number="9">Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;</verse>
				<verse number="10">Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;</verse>
				<verse number="11">Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.</verse>
				<verse number="12">Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet één ding uitrichten.</verse>
				<verse number="13">Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.</verse>
				<verse number="14">Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in den middag.</verse>
				<verse number="15">Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.</verse>
				<verse number="16">Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.</verse>
				<verse number="17">Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.</verse>
				<verse number="18">Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.</verse>
				<verse number="19">In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.</verse>
				<verse number="20">In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.</verse>
				<verse number="21">Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.</verse>
				<verse number="22">Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.</verse>
				<verse number="23">Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.</verse>
				<verse number="24">En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen.</verse>
				<verse number="25">Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid der aarde.</verse>
				<verse number="26">Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.</verse>
				<verse number="27">Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!</verse>
				<verse number="3">Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeën; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.</verse>
				<verse number="4">Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.</verse>
				<verse number="5">Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?</verse>
				<verse number="6">Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?</verse>
				<verse number="7">Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.</verse>
				<verse number="8">Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;</verse>
				<verse number="9">En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!</verse>
				<verse number="10">Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.</verse>
				<verse number="11">Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?</verse>
				<verse number="12">Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?</verse>
				<verse number="13">Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?</verse>
				<verse number="14">Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.</verse>
				<verse number="15">Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;</verse>
				<verse number="16">Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.</verse>
				<verse number="17">Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.</verse>
				<verse number="18">De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.</verse>
				<verse number="19">De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.</verse>
				<verse number="20">Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood.</verse>
				<verse number="21">Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.</verse>
				<verse number="22">Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?</verse>
				<verse number="23">Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?</verse>
				<verse number="24">Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.</verse>
				<verse number="25">O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?</verse>
				<verse number="26">Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?</verse>
				<verse number="27">Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.</verse>
				<verse number="28">Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.</verse>
				<verse number="29">Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.</verse>
				<verse number="30">Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?</verse>
				<verse number="2">Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon;</verse>
				<verse number="3">Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.</verse>
				<verse number="4">Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.</verse>
				<verse number="5">Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.</verse>
				<verse number="6">Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.</verse>
				<verse number="7">Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.</verse>
				<verse number="8">Het oog Desgenen, Die mij nu ziet, zal mij niet zien; Uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.</verse>
				<verse number="9">Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.</verse>
				<verse number="10">Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.</verse>
				<verse number="11">Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.</verse>
				<verse number="12">Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij een wacht zet?</verse>
				<verse number="13">Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;</verse>
				<verse number="14">Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;</verse>
				<verse number="15">Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.</verse>
				<verse number="16">Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.</verse>
				<verse number="17">Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?</verse>
				<verse number="18">En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?</verse>
				<verse number="19">Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?</verse>
				<verse number="20">Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?</verse>
				<verse number="21">En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?</verse>
				<verse number="3">Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?</verse>
				<verse number="4">Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.</verse>
				<verse number="5">Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;</verse>
				<verse number="6">Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.</verse>
				<verse number="7">Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.</verse>
				<verse number="8">Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.</verse>
				<verse number="9">Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.</verse>
				<verse number="10">Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?</verse>
				<verse number="11">Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?</verse>
				<verse number="12">Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het vóór alle gras.</verse>
				<verse number="13">Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.</verse>
				<verse number="14">Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.</verse>
				<verse number="15">Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.</verse>
				<verse number="16">Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.</verse>
				<verse number="17">Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.</verse>
				<verse number="18">Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.</verse>
				<verse number="19">Zie, dat is de vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.</verse>
				<verse number="20">Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;</verse>
				<verse number="21">Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.</verse>
				<verse number="22">Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?</verse>
				<verse number="3">Zo hij lust heeft, om met Hem te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden.</verse>
				<verse number="4">Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?</verse>
				<verse number="5">Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;</verse>
				<verse number="6">Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;</verse>
				<verse number="7">Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;</verse>
				<verse number="8">Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;</verse>
				<verse number="9">Die den Wagen maakt, den Oríon, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;</verse>
				<verse number="10">Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.</verse>
				<verse number="11">Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.</verse>
				<verse number="12">Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?</verse>
				<verse number="13">God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.</verse>
				<verse number="14">Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?</verse>
				<verse number="15">Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.</verse>
				<verse number="16">Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.</verse>
				<verse number="17">Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.</verse>
				<verse number="18">Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.</verse>
				<verse number="19">Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?</verse>
				<verse number="20">Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.</verse>
				<verse number="21">Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.</verse>
				<verse number="22">Dat is één ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.</verse>
				<verse number="23">Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.</verse>
				<verse number="24">De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?</verse>
				<verse number="25">En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.</verse>
				<verse number="26">Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.</verse>
				<verse number="27">Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;</verse>
				<verse number="28">Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.</verse>
				<verse number="29">Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?</verse>
				<verse number="30">Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;</verse>
				<verse number="31">Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.</verse>
				<verse number="32">Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.</verse>
				<verse number="33">Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.</verse>
				<verse number="34">Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;</verse>
				<verse number="35">Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.</verse>
				<verse number="2">Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.</verse>
				<verse number="3">Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?</verse>
				<verse number="4">Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?</verse>
				<verse number="5">Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?</verse>
				<verse number="6">Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?</verse>
				<verse number="7">Het is in Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.</verse>
				<verse number="8">Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.</verse>
				<verse number="9">Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.</verse>
				<verse number="10">Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?</verse>
				<verse number="11">Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;</verse>
				<verse number="12">Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.</verse>
				<verse number="13">Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.</verse>
				<verse number="14">Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.</verse>
				<verse number="15">Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.</verse>
				<verse number="16">Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.</verse>
				<verse number="17">Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.</verse>
				<verse number="18">En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!</verse>
				<verse number="19">Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.</verse>
				<verse number="20">Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;</verse>
				<verse number="21">Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;</verse>
				<verse number="22">Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?</verse>
				<verse number="3">Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?</verse>
				<verse number="4">Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in Uw ogen.</verse>
				<verse number="5">Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;</verse>
				<verse number="6">En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="7">Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?</verse>
				<verse number="8">Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?</verse>
				<verse number="9">Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.</verse>
				<verse number="10">Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?</verse>
				<verse number="11">Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?</verse>
				<verse number="12">Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.</verse>
				<verse number="13">Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.</verse>
				<verse number="14">Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.</verse>
				<verse number="15">Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.</verse>
				<verse number="16">Want gij zult de moeite vergeten, en harer gedenken als der wateren, die voorbijgegaan zijn.</verse>
				<verse number="17">Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.</verse>
				<verse number="18">En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;</verse>
				<verse number="19">En gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.</verse>
				<verse number="20">Maar de ogen der goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing der ziel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!</verse>
				<verse number="3">Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?</verse>
				<verse number="4">Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.</verse>
				<verse number="5">Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.</verse>
				<verse number="6">De tenten der verwoesters hebben rust, en die God tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.</verse>
				<verse number="7">En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.</verse>
				<verse number="8">Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.</verse>
				<verse number="9">Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?</verse>
				<verse number="10">In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.</verse>
				<verse number="11">Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?</verse>
				<verse number="12">In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.</verse>
				<verse number="13">Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.</verse>
				<verse number="14">Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.</verse>
				<verse number="15">Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.</verse>
				<verse number="16">Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.</verse>
				<verse number="17">Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,</verse>
				<verse number="18">Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.</verse>
				<verse number="19">Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.</verse>
				<verse number="20">Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.</verse>
				<verse number="21">Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.</verse>
				<verse number="22">Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.</verse>
				<verse number="23">Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.</verse>
				<verse number="24">Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.</verse>
				<verse number="25">Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.</verse>
				<verse number="2">Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.</verse>
				<verse number="3">Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.</verse>
				<verse number="4">Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.</verse>
				<verse number="5">Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.</verse>
				<verse number="6">Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.</verse>
				<verse number="7">Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?</verse>
				<verse number="8">Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?</verse>
				<verse number="9">Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?</verse>
				<verse number="10">Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.</verse>
				<verse number="11">Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?</verse>
				<verse number="12">Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.</verse>
				<verse number="13">Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.</verse>
				<verse number="14">Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?</verse>
				<verse number="15">Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.</verse>
				<verse number="16">Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.</verse>
				<verse number="17">Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.</verse>
				<verse number="18">Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.</verse>
				<verse number="19">Wie is Hij, Die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.</verse>
				<verse number="20">Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.</verse>
				<verse number="21">Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.</verse>
				<verse number="22">Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.</verse>
				<verse number="23">Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.</verse>
				<verse number="24">Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?</verse>
				<verse number="25">Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?</verse>
				<verse number="26">Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.</verse>
				<verse number="27">Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,</verse>
				<verse number="28">En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.</verse>
				<verse number="2">Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.</verse>
				<verse number="3">Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.</verse>
				<verse number="4">Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één.</verse>
				<verse number="5">Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;</verse>
				<verse number="6">Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.</verse>
				<verse number="7">Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.</verse>
				<verse number="8">Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;</verse>
				<verse number="9">Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.</verse>
				<verse number="10">Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?</verse>
				<verse number="11">De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;</verse>
				<verse number="12">Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.</verse>
				<verse number="13">Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!</verse>
				<verse number="14">Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.</verse>
				<verse number="15">Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.</verse>
				<verse number="16">Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.</verse>
				<verse number="17">Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.</verse>
				<verse number="18">En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;</verse>
				<verse number="19">De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat vanzelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.</verse>
				<verse number="20">Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg.</verse>
				<verse number="21">Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.</verse>
				<verse number="22">Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Toen antwoordde Elífaz, de Themaniet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?</verse>
				<verse number="3">Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?</verse>
				<verse number="4">Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.</verse>
				<verse number="5">Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.</verse>
				<verse number="6">Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.</verse>
				<verse number="7">Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij vóór de heuvelen voortgebracht?</verse>
				<verse number="8">Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?</verse>
				<verse number="9">Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?</verse>
				<verse number="10">Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.</verse>
				<verse number="11">Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?</verse>
				<verse number="12">Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?</verse>
				<verse number="13">Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.</verse>
				<verse number="14">Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?</verse>
				<verse number="15">Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.</verse>
				<verse number="16">Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?</verse>
				<verse number="17">Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;</verse>
				<verse number="18">Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;</verse>
				<verse number="19">Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.</verse>
				<verse number="20">Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.</verse>
				<verse number="21">Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.</verse>
				<verse number="22">Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.</verse>
				<verse number="23">Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.</verse>
				<verse number="24">Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.</verse>
				<verse number="25">Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.</verse>
				<verse number="26">Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden;</verse>
				<verse number="27">Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;</verse>
				<verse number="28">En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.</verse>
				<verse number="29">Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.</verse>
				<verse number="30">Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.</verse>
				<verse number="31">Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.</verse>
				<verse number="32">Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.</verse>
				<verse number="33">Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom.</verse>
				<verse number="34">Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken.</verse>
				<verse number="35">Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.</verse>
				<verse number="3">Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?</verse>
				<verse number="4">Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?</verse>
				<verse number="5">Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.</verse>
				<verse number="6">Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?</verse>
				<verse number="7">Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.</verse>
				<verse number="8">Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="9">Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn Wederpartijder scherpt Zijn ogen tegen mij.</verse>
				<verse number="10">Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.</verse>
				<verse number="11">God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.</verse>
				<verse number="12">Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.</verse>
				<verse number="13">Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.</verse>
				<verse number="14">Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.</verse>
				<verse number="15">Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.</verse>
				<verse number="16">Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.</verse>
				<verse number="17">Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.</verse>
				<verse number="18">O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.</verse>
				<verse number="19">Ook nu, zie, in den hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten.</verse>
				<verse number="20">Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.</verse>
				<verse number="21">Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.</verse>
				<verse number="22">Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henengaan, waardoor ik niet zal wederkeren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.</verse>
				<verse number="2">Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?</verse>
				<verse number="3">Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.</verse>
				<verse number="4">Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.</verse>
				<verse number="5">Die met vleiïng den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.</verse>
				<verse number="6">Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.</verse>
				<verse number="7">Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.</verse>
				<verse number="8">De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;</verse>
				<verse number="9">En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.</verse>
				<verse number="10">Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.</verse>
				<verse number="11">Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.</verse>
				<verse number="12">Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.</verse>
				<verse number="13">Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.</verse>
				<verse number="14">Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!</verse>
				<verse number="15">Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?</verse>
				<verse number="16">Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.</verse>
				<verse number="3">Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?</verse>
				<verse number="4">O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?</verse>
				<verse number="5">Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.</verse>
				<verse number="6">Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="7">De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.</verse>
				<verse number="8">Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.</verse>
				<verse number="9">De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.</verse>
				<verse number="10">Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.</verse>
				<verse number="11">De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.</verse>
				<verse number="12">Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.</verse>
				<verse number="13">De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.</verse>
				<verse number="14">Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.</verse>
				<verse number="15">Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden.</verse>
				<verse number="16">Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.</verse>
				<verse number="17">Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.</verse>
				<verse number="18">Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.</verse>
				<verse number="19">Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn.</verse>
				<verse number="20">Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.</verse>
				<verse number="21">Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?</verse>
				<verse number="3">Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.</verse>
				<verse number="4">Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.</verse>
				<verse number="5">Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;</verse>
				<verse number="6">Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.</verse>
				<verse number="7">Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.</verse>
				<verse number="8">Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.</verse>
				<verse number="9">Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.</verse>
				<verse number="10">Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.</verse>
				<verse number="11">Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.</verse>
				<verse number="12">Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.</verse>
				<verse number="13">Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.</verse>
				<verse number="14">Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.</verse>
				<verse number="15">Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.</verse>
				<verse number="16">Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.</verse>
				<verse number="17">Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.</verse>
				<verse number="18">Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.</verse>
				<verse number="19">Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.</verse>
				<verse number="20">Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.</verse>
				<verse number="21">Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.</verse>
				<verse number="22">Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?</verse>
				<verse number="23">Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!</verse>
				<verse number="24">Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!</verse>
				<verse number="25">Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;</verse>
				<verse number="26">En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;</verse>
				<verse number="27">Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.</verse>
				<verse number="28">Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.</verse>
				<verse number="29">Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.</verse>
				<verse number="3">Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.</verse>
				<verse number="4">Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,</verse>
				<verse number="5">Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?</verse>
				<verse number="6">Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;</verse>
				<verse number="7">Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?</verse>
				<verse number="8">Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.</verse>
				<verse number="9">Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.</verse>
				<verse number="10">Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten wederuitkeren.</verse>
				<verse number="11">Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.</verse>
				<verse number="12">Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,</verse>
				<verse number="13">Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;</verse>
				<verse number="14">Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.</verse>
				<verse number="15">Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.</verse>
				<verse number="16">Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.</verse>
				<verse number="17">De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.</verse>
				<verse number="18">Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.</verse>
				<verse number="19">Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;</verse>
				<verse number="20">Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.</verse>
				<verse number="21">Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.</verse>
				<verse number="22">Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.</verse>
				<verse number="23">Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.</verse>
				<verse number="24">Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.</verse>
				<verse number="25">Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.</verse>
				<verse number="26">Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.</verse>
				<verse number="27">De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.</verse>
				<verse number="28">De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.</verse>
				<verse number="29">Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.</verse>
				<verse number="3">Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.</verse>
				<verse number="4">Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?</verse>
				<verse number="5">Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.</verse>
				<verse number="6">Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.</verse>
				<verse number="7">Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?</verse>
				<verse number="8">Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.</verse>
				<verse number="9">Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.</verse>
				<verse number="10">Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.</verse>
				<verse number="11">Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.</verse>
				<verse number="12">Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.</verse>
				<verse number="13">In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.</verse>
				<verse number="14">Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.</verse>
				<verse number="15">Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?</verse>
				<verse number="16">Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.</verse>
				<verse number="17">Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!</verse>
				<verse number="18">Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;</verse>
				<verse number="19">Dat God zijn geweld weglegt voor zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;</verse>
				<verse number="20">Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!</verse>
				<verse number="21">Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?</verse>
				<verse number="22">Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?</verse>
				<verse number="23">Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;</verse>
				<verse number="24">Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.</verse>
				<verse number="25">De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.</verse>
				<verse number="26">Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.</verse>
				<verse number="27">Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.</verse>
				<verse number="28">Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?</verse>
				<verse number="29">Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?</verse>
				<verse number="30">Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.</verse>
				<verse number="31">Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?</verse>
				<verse number="32">Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.</verse>
				<verse number="33">De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die vóór hem geweest zijn, is geen getal.</verse>
				<verse number="34">Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.</verse>
				<verse number="3">Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?</verse>
				<verse number="4">Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?</verse>
				<verse number="5">Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?</verse>
				<verse number="6">Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.</verse>
				<verse number="7">Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.</verse>
				<verse number="8">Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.</verse>
				<verse number="9">De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.</verse>
				<verse number="10">Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.</verse>
				<verse number="11">Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.</verse>
				<verse number="12">Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.</verse>
				<verse number="13">Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?</verse>
				<verse number="14">De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.</verse>
				<verse number="15">Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?</verse>
				<verse number="16">Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;</verse>
				<verse number="17">Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan?</verse>
				<verse number="18">Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.</verse>
				<verse number="19">De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;</verse>
				<verse number="20">Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.</verse>
				<verse number="21">Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.</verse>
				<verse number="22">Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.</verse>
				<verse number="23">Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.</verse>
				<verse number="24">Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;</verse>
				<verse number="25">Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;</verse>
				<verse number="26">Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.</verse>
				<verse number="27">Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.</verse>
				<verse number="28">Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.</verse>
				<verse number="29">Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.</verse>
				<verse number="30">Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.</verse>
				<verse number="3">Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;</verse>
				<verse number="4">Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.</verse>
				<verse number="5">Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.</verse>
				<verse number="6">Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.</verse>
				<verse number="7">Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.</verse>
				<verse number="8">Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.</verse>
				<verse number="9">Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.</verse>
				<verse number="10">Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.</verse>
				<verse number="11">Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.</verse>
				<verse number="12">Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.</verse>
				<verse number="13">Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.</verse>
				<verse number="14">Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.</verse>
				<verse number="15">Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;</verse>
				<verse number="16">Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;</verse>
				<verse number="17">Omdat ik niet uitgedelgd ben vóór de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?</verse>
				<verse number="2">Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.</verse>
				<verse number="3">Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand.</verse>
				<verse number="4">Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.</verse>
				<verse number="5">Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren.</verse>
				<verse number="6">Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af.</verse>
				<verse number="7">Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.</verse>
				<verse number="8">Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.</verse>
				<verse number="9">Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.</verse>
				<verse number="10">Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.</verse>
				<verse number="11">Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.</verse>
				<verse number="12">Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.</verse>
				<verse number="13">Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden.</verse>
				<verse number="14">Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.</verse>
				<verse number="15">Ook neemt het oog des overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht.</verse>
				<verse number="16">In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.</verse>
				<verse number="17">Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.</verse>
				<verse number="18">Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.</verse>
				<verse number="19">De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.</verse>
				<verse number="20">De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.</verse>
				<verse number="21">De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.</verse>
				<verse number="22">Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.</verse>
				<verse number="23">Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.</verse>
				<verse number="24">Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle anderen worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden.</verse>
				<verse number="25">Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten.</verse>
				<verse number="3">Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?</verse>
				<verse number="4">Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?</verse>
				<verse number="5">Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.</verse>
				<verse number="6">Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Maar Job antwoordde en zeide:</verse>
				<verse number="2">Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is?</verse>
				<verse number="3">Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?</verse>
				<verse number="4">Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?</verse>
				<verse number="5">De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.</verse>
				<verse number="6">De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.</verse>
				<verse number="7">Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.</verse>
				<verse number="8">Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.</verse>
				<verse number="9">Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.</verse>
				<verse number="10">Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.</verse>
				<verse number="11">De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.</verse>
				<verse number="12">Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.</verse>
				<verse number="13">Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.</verse>
				<verse number="14">Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!</verse>
				<verse number="3">Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;</verse>
				<verse number="4">Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!</verse>
				<verse number="5">Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.</verse>
				<verse number="6">Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.</verse>
				<verse number="7">Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.</verse>
				<verse number="8">Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?</verse>
				<verse number="9">Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?</verse>
				<verse number="10">Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?</verse>
				<verse number="11">Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.</verse>
				<verse number="12">Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?</verse>
				<verse number="13">Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.</verse>
				<verse number="14">Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.</verse>
				<verse number="15">Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.</verse>
				<verse number="16">Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;</verse>
				<verse number="17">Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.</verse>
				<verse number="18">Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.</verse>
				<verse number="19">Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.</verse>
				<verse number="20">Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.</verse>
				<verse number="21">De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.</verse>
				<verse number="22">En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.</verse>
				<verse number="23">Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.</verse>
				<verse number="2">Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.</verse>
				<verse number="3">Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.</verse>
				<verse number="4">Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.</verse>
				<verse number="5">Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.</verse>
				<verse number="6">Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.</verse>
				<verse number="7">De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.</verse>
				<verse number="8">De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.</verse>
				<verse number="9">Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.</verse>
				<verse number="10">In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.</verse>
				<verse number="11">Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.</verse>
				<verse number="12">Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?</verse>
				<verse number="13">De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.</verse>
				<verse number="14">De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.</verse>
				<verse number="15">Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.</verse>
				<verse number="16">Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.</verse>
				<verse number="17">Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.</verse>
				<verse number="18">De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.</verse>
				<verse number="19">Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.</verse>
				<verse number="20">De wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?</verse>
				<verse number="21">Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.</verse>
				<verse number="22">Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.</verse>
				<verse number="23">God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.</verse>
				<verse number="24">Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.</verse>
				<verse number="25">Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;</verse>
				<verse number="26">Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;</verse>
				<verse number="27">Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.</verse>
				<verse number="28">Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!</verse>
				<verse number="3">Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;</verse>
				<verse number="4">Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;</verse>
				<verse number="5">Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;</verse>
				<verse number="6">Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;</verse>
				<verse number="7">Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.</verse>
				<verse number="8">De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.</verse>
				<verse number="9">De oversten hielden de woorden in, en legden de hand op hun mond.</verse>
				<verse number="10">De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.</verse>
				<verse number="11">Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.</verse>
				<verse number="12">Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.</verse>
				<verse number="13">De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.</verse>
				<verse number="14">Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.</verse>
				<verse number="15">Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.</verse>
				<verse number="16">Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.</verse>
				<verse number="17">En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.</verse>
				<verse number="18">En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.</verse>
				<verse number="19">Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.</verse>
				<verse number="20">Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.</verse>
				<verse number="21">Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.</verse>
				<verse number="22">Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.</verse>
				<verse number="23">Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.</verse>
				<verse number="24">Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.</verse>
				<verse number="25">Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.</verse>
				<verse number="2">Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.</verse>
				<verse number="3">Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.</verse>
				<verse number="4">Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.</verse>
				<verse number="5">Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),</verse>
				<verse number="6">Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.</verse>
				<verse number="7">Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.</verse>
				<verse number="8">Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.</verse>
				<verse number="9">Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.</verse>
				<verse number="10">Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="11">Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.</verse>
				<verse number="12">Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.</verse>
				<verse number="13">Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.</verse>
				<verse number="14">Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.</verse>
				<verse number="15">Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.</verse>
				<verse number="16">Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.</verse>
				<verse number="17">Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.</verse>
				<verse number="18">Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.</verse>
				<verse number="19">Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.</verse>
				<verse number="20">Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.</verse>
				<verse number="21">Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.</verse>
				<verse number="22">Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.</verse>
				<verse number="23">Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.</verse>
				<verse number="24">Maar Hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in Zijn verdrukking?</verse>
				<verse number="25">Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?</verse>
				<verse number="26">Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.</verse>
				<verse number="27">Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.</verse>
				<verse number="28">Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.</verse>
				<verse number="29">Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.</verse>
				<verse number="30">Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.</verse>
				<verse number="31">Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?</verse>
				<verse number="2">Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?</verse>
				<verse number="3">Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?</verse>
				<verse number="4">Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?</verse>
				<verse number="5">Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;</verse>
				<verse number="6">Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.</verse>
				<verse number="7">Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;</verse>
				<verse number="8">Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!</verse>
				<verse number="9">Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;</verse>
				<verse number="10">Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!</verse>
				<verse number="11">Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.</verse>
				<verse number="12">Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.</verse>
				<verse number="13">Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;</verse>
				<verse number="14">(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?</verse>
				<verse number="15">Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Eén ons in de baarmoeder bereid?)</verse>
				<verse number="16">Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;</verse>
				<verse number="17">En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;</verse>
				<verse number="18">(Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)</verse>
				<verse number="19">Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;</verse>
				<verse number="20">Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;</verse>
				<verse number="21">Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;</verse>
				<verse number="22">Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!</verse>
				<verse number="23">Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.</verse>
				<verse number="24">Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;</verse>
				<verse number="25">Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;</verse>
				<verse number="26">Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;</verse>
				<verse number="27">En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;</verse>
				<verse number="28">Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.</verse>
				<verse number="29">Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;</verse>
				<verse number="30">(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).</verse>
				<verse number="31">Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;</verse>
				<verse number="32">De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar den weg;</verse>
				<verse number="33">Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!</verse>
				<verse number="34">Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.</verse>
				<verse number="35">Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.</verse>
				<verse number="36">Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.</verse>
				<verse number="37">Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.</verse>
				<verse number="38">Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;</verse>
				<verse number="39">Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;</verse>
				<verse number="40">Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.</verse>
				<verse number="2">Zo ontstak de toorn van Elíhu, den zoon van Barácheël, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.</verse>
				<verse number="3">Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.</verse>
				<verse number="4">Doch Elíhu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.</verse>
				<verse number="5">Als dan Elíhu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.</verse>
				<verse number="6">Hierom antwoordde Elíhu, de zoon van Barácheël, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.</verse>
				<verse number="7">Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.</verse>
				<verse number="8">Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.</verse>
				<verse number="9">De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.</verse>
				<verse number="10">Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.</verse>
				<verse number="11">Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.</verse>
				<verse number="12">Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;</verse>
				<verse number="13">Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.</verse>
				<verse number="14">Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.</verse>
				<verse number="15">Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.</verse>
				<verse number="16">Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.</verse>
				<verse number="17">Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.</verse>
				<verse number="18">Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij.</verse>
				<verse number="19">Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe lederen zakken zou hij bersten.</verse>
				<verse number="20">Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.</verse>
				<verse number="21">Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!</verse>
				<verse number="22">Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.</verse>
				<verse number="2">Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.</verse>
				<verse number="3">Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.</verse>
				<verse number="4">De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.</verse>
				<verse number="5">Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.</verse>
				<verse number="6">Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden.</verse>
				<verse number="7">Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.</verse>
				<verse number="8">Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;</verse>
				<verse number="9">Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.</verse>
				<verse number="10">Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.</verse>
				<verse number="11">Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.</verse>
				<verse number="12">Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.</verse>
				<verse number="13">Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.</verse>
				<verse number="14">Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.</verse>
				<verse number="15">In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;</verse>
				<verse number="16">Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;</verse>
				<verse number="17">Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;</verse>
				<verse number="18">Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.</verse>
				<verse number="19">Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;</verse>
				<verse number="20">Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;</verse>
				<verse number="21">Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;</verse>
				<verse number="22">En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.</verse>
				<verse number="23">Is er dan bij hem een gezant, een uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen;</verse>
				<verse number="24">Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.</verse>
				<verse number="25">Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.</verse>
				<verse number="26">Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.</verse>
				<verse number="27">Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;</verse>
				<verse number="28">Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.</verse>
				<verse number="29">Zie, dit alles werkt God twee- of driemaal met een man;</verse>
				<verse number="30">Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.</verse>
				<verse number="31">Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.</verse>
				<verse number="32">Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="33">Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Verder antwoordde Elíhu, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.</verse>
				<verse number="3">Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.</verse>
				<verse number="4">Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.</verse>
				<verse number="5">Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.</verse>
				<verse number="6">Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.</verse>
				<verse number="7">Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;</verse>
				<verse number="8">En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.</verse>
				<verse number="9">Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.</verse>
				<verse number="10">Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!</verse>
				<verse number="11">Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.</verse>
				<verse number="12">Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.</verse>
				<verse number="13">Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?</verse>
				<verse number="14">Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;</verse>
				<verse number="15">Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.</verse>
				<verse number="16">Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.</verse>
				<verse number="17">Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?</verse>
				<verse number="18">Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!</verse>
				<verse number="19">Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.</verse>
				<verse number="20">In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.</verse>
				<verse number="21">Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.</verse>
				<verse number="22">Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.</verse>
				<verse number="23">Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.</verse>
				<verse number="24">Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.</verse>
				<verse number="25">Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.</verse>
				<verse number="26">Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;</verse>
				<verse number="27">Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;</verse>
				<verse number="28">Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.</verse>
				<verse number="29">Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?</verse>
				<verse number="30">Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn.</verse>
				<verse number="31">Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.</verse>
				<verse number="32">Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.</verse>
				<verse number="33">Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet Ik? Wat weet gij dan? Spreek.</verse>
				<verse number="34">De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen:</verse>
				<verse number="35">Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.</verse>
				<verse number="36">Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.</verse>
				<verse number="37">Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Elíhu antwoordde verder, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?</verse>
				<verse number="3">Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?</verse>
				<verse number="4">Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.</verse>
				<verse number="5">Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.</verse>
				<verse number="6">Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?</verse>
				<verse number="7">Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?</verse>
				<verse number="8">Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.</verse>
				<verse number="9">Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.</verse>
				<verse number="10">Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?</verse>
				<verse number="11">Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?</verse>
				<verse number="12">Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.</verse>
				<verse number="13">Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.</verse>
				<verse number="14">Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.</verse>
				<verse number="15">Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;</verse>
				<verse number="16">Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">Elíhu ging nog voort, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.</verse>
				<verse number="3">Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.</verse>
				<verse number="4">Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.</verse>
				<verse number="5">Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.</verse>
				<verse number="6">Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.</verse>
				<verse number="7">Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.</verse>
				<verse number="8">En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vastgehouden worden met banden der ellende;</verse>
				<verse number="9">Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;</verse>
				<verse number="10">En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.</verse>
				<verse number="11">Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.</verse>
				<verse number="12">Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis.</verse>
				<verse number="13">En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.</verse>
				<verse number="14">Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.</verse>
				<verse number="15">Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.</verse>
				<verse number="16">Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.</verse>
				<verse number="17">Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.</verse>
				<verse number="18">Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.</verse>
				<verse number="19">Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?</verse>
				<verse number="20">Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.</verse>
				<verse number="21">Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren hebt, uit oorzake van de ellende.</verse>
				<verse number="22">Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?</verse>
				<verse number="23">Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?</verse>
				<verse number="24">Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.</verse>
				<verse number="25">Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.</verse>
				<verse number="26">Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.</verse>
				<verse number="27">Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;</verse>
				<verse number="28">Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.</verse>
				<verse number="29">Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?</verse>
				<verse number="30">Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.</verse>
				<verse number="31">Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.</verse>
				<verse number="32">Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.</verse>
				<verse number="33">Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.</verse>
				<verse number="2">Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!</verse>
				<verse number="3">Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.</verse>
				<verse number="4">Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.</verse>
				<verse number="5">God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.</verse>
				<verse number="6">Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregen des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.</verse>
				<verse number="7">Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden zijns werks.</verse>
				<verse number="8">En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.</verse>
				<verse number="9">Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.</verse>
				<verse number="10">Door Zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.</verse>
				<verse number="11">Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.</verse>
				<verse number="12">Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.</verse>
				<verse number="13">Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.</verse>
				<verse number="14">Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.</verse>
				<verse number="15">Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?</verse>
				<verse number="16">Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?</verse>
				<verse number="17">Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?</verse>
				<verse number="18">Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?</verse>
				<verse number="19">Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.</verse>
				<verse number="20">Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.</verse>
				<verse number="21">En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;</verse>
				<verse number="22">Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!</verse>
				<verse number="23">Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.</verse>
				<verse number="24">Daarom vrezen Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?</verse>
				<verse number="3">Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.</verse>
				<verse number="4">Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.</verse>
				<verse number="5">Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?</verse>
				<verse number="6">Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?</verse>
				<verse number="7">Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.</verse>
				<verse number="8">Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?</verse>
				<verse number="9">Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;</verse>
				<verse number="10">Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;</verse>
				<verse number="11">En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.</verse>
				<verse number="12">Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats gewezen;</verse>
				<verse number="13">Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?</verse>
				<verse number="14">Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?</verse>
				<verse number="15">En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?</verse>
				<verse number="16">Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?</verse>
				<verse number="17">Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?</verse>
				<verse number="18">Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.</verse>
				<verse number="19">Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?</verse>
				<verse number="20">Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?</verse>
				<verse number="21">Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.</verse>
				<verse number="22">Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?</verse>
				<verse number="23">Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!</verse>
				<verse number="24">Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?</verse>
				<verse number="25">Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?</verse>
				<verse number="26">Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;</verse>
				<verse number="27">Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.</verse>
				<verse number="28">Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?</verse>
				<verse number="29">Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?</verse>
				<verse number="30">Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.</verse>
				<verse number="31">Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Oríons losmaken?</verse>
				<verse number="32">Kunt gij de Mazzarôth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?</verse>
				<verse number="33">Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?</verse>
				<verse number="34">Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?</verse>
				<verse number="35">Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?</verse>
				<verse number="36">Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?</verse>
				<verse number="37">Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?</verse>
				<verse number="38">Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?</verse>
				<verse number="2">Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?</verse>
				<verse number="3">Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?</verse>
				<verse number="4">Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?</verse>
				<verse number="5">Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?</verse>
				<verse number="6">Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?</verse>
				<verse number="7">Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.</verse>
				<verse number="8">Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?</verse>
				<verse number="9">Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.</verse>
				<verse number="10">Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.</verse>
				<verse number="11">Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.</verse>
				<verse number="12">Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?</verse>
				<verse number="13">Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?</verse>
				<verse number="14">Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?</verse>
				<verse number="15">Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?</verse>
				<verse number="16">Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?</verse>
				<verse number="17">Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt,</verse>
				<verse number="18">En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?</verse>
				<verse number="19">Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is tevergeefs, omdat zij zonder vreze is.</verse>
				<verse number="20">Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niets medegedeeld.</verse>
				<verse number="21">Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.</verse>
				<verse number="22">Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?</verse>
				<verse number="23">Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.</verse>
				<verse number="24">Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.</verse>
				<verse number="25">Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.</verse>
				<verse number="26">Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.</verse>
				<verse number="27">Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.</verse>
				<verse number="28">In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.</verse>
				<verse number="29">Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?</verse>
				<verse number="30">Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?</verse>
				<verse number="31">Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.</verse>
				<verse number="32">Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.</verse>
				<verse number="33">Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.</verse>
				<verse number="34">En de HEERE antwoordde Job, en zeide:</verse>
				<verse number="35">Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.</verse>
				<verse number="36">Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:</verse>
				<verse number="37">Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.</verse>
				<verse number="38">Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.</verse>
				<verse number="3">Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?</verse>
				<verse number="4">Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?</verse>
				<verse number="5">Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!</verse>
				<verse number="6">Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!</verse>
				<verse number="7">Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!</verse>
				<verse number="8">Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!</verse>
				<verse number="9">Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.</verse>
				<verse number="10">Zie nu Behémoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.</verse>
				<verse number="11">Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.</verse>
				<verse number="12">Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.</verse>
				<verse number="13">Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.</verse>
				<verse number="14">Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.</verse>
				<verse number="15">Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.</verse>
				<verse number="16">Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.</verse>
				<verse number="17">De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.</verse>
				<verse number="18">Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.</verse>
				<verse number="19">Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?</verse>
				<verse number="20">Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?</verse>
				<verse number="21">Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?</verse>
				<verse number="22">Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?</verse>
				<verse number="23">Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?</verse>
				<verse number="24">Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?</verse>
				<verse number="25">Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?</verse>
				<verse number="26">Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?</verse>
				<verse number="27">Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.</verse>
				<verse number="28">Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="41">
				<verse number="1">Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?</verse>
				<verse number="2">Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.</verse>
				<verse number="3">Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.</verse>
				<verse number="4">Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?</verse>
				<verse number="5">Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.</verse>
				<verse number="6">Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.</verse>
				<verse number="7">Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.</verse>
				<verse number="8">Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.</verse>
				<verse number="9">Elkeen zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.</verse>
				<verse number="10">Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.</verse>
				<verse number="11">Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel.</verse>
				<verse number="12">Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.</verse>
				<verse number="13">In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelve de droefheid van vreugde op.</verse>
				<verse number="14">De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.</verse>
				<verse number="15">Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.</verse>
				<verse number="16">Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.</verse>
				<verse number="17">Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.</verse>
				<verse number="18">Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.</verse>
				<verse number="19">De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.</verse>
				<verse number="20">De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.</verse>
				<verse number="21">Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.</verse>
				<verse number="22">Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.</verse>
				<verse number="23">Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.</verse>
				<verse number="24">Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.</verse>
				<verse number="25">Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="42">
				<verse number="1">Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:</verse>
				<verse number="2">Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.</verse>
				<verse number="3">Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.</verse>
				<verse number="4">Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.</verse>
				<verse number="5">Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.</verse>
				<verse number="6">Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.</verse>
				<verse number="7">Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elífaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk als Mijn knecht Job.</verse>
				<verse number="8">Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.</verse>
				<verse number="9">Toen gingen Elífaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.</verse>
				<verse number="10">En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.</verse>
				<verse number="11">Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.</verse>
				<verse number="12">En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.</verse>
				<verse number="13">Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren.</verse>
				<verse number="14">En hij noemde den naam der eerste Jemíma, en den naam der tweede Kezía, en den naam der derde Keren-Happûch.</verse>
				<verse number="15">En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen.</verse>
				<verse number="16">En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten.</verse>
				<verse number="17">En Job stierf, oud en der dagen zat.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="19">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Gelukkig is de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaars, noch zit in de kring van de spotters;</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws אשרי (ashrei) = gelukkig, gezegend — een meervoudsvorm die een staat van diep geluk uitdrukt; מושב (moshav) = zetel, zitplaats, kring — "gestoelte" is verouderd</note>
				<ref verse="1">Ps 26:4-5; Spr 1:10, 15; Jer 15:17</ref>
				<verse number="2">Maar zijn vreugde is in de wet van Jahweh, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws תורה (torah) = wet, onderwijzing, instructie — breder dan alleen "wet"; חפץ (chefets) = vreugde, verlangen, welgevallen — "lust" is verouderd in deze positieve betekenis</note>
				<ref verse="2">Ps 19:8-11; 119:1, 97; Joz 1:8</ref>
				<verse number="3">Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en waarvan het blad niet verwelkt; en al wat hij doet, zal tot bloei komen.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws שתול (shatul) = geplant, overgeplant — niet wild gegroeid maar bewust geplant; פלגי מים (palgei mayim) = waterstromen, beken</note>
				<ref verse="3">Jer 17:8; Ez 47:12; Openb 22:2</ref>
				<verse number="4">Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf dat de wind wegblaast.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws מץ (mots) = kaf — het lichte omhulsel van graan dat bij het wannen wegwaait</note>
				<verse number="5">Daarom zullen de goddelozen niet standhouden in het gericht, noch de zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws יקמו (yaqumu) = standhouden, opstaan — "bestaan" is hier verouderd in de zin van standhouden</note>
				<verse number="6">Want Jahweh kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen zal vergaan.</verse>
				<ref verse="6">Ps 37:18; Spr 10:29; Nah 1:7</ref>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Waarom woeden de heidenvolken, en bedenken de volken wat leegheid is?</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws רגשו (ragshu) = woeden, in opschudding zijn — een woelig samenscholen; גוים (gojim) = heidenvolken; ריק (riq) = ijdelheid, leegte — hun plannen zijn vruchteloos</note>
				<ref verse="1">Hand 4:25-26; Openb 11:18</ref>
				<verse number="2">De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen samen tegen Jahweh en tegen Zijn Gezalfde:</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws יתיצבו (jityatssebu) = zich opstellen — een militaire term; נוסדו (nosdu) = beraadslagen, samenspannen — in het geheim overleggen; משיח (mashiach) = gezalfde, messias</note>
				<ref verse="2">Hand 4:26-27; Openb 19:19</ref>
				<verse number="3">Laten wij hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.</verse>
				<verse number="4">Die in de hemel woont, zal lachen; de Heer zal hen bespotten.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws ישחק (jischaq) = lachen — Gods lach drukt Zijn soevereine minachting uit voor menselijke opstandigheid; אדני (Adonai) = Heer — hier onderscheiden van יהוה (YHWH) in vers 2</note>
				<verse number="5">Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn brandende toorn zal Hij hen verschrikken.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws חרון (charon) = brandende toorn, grimmigheid — "grimmigheid" vervangen door "brandende toorn" voor helderheid; יבהלמו (jebahalemo) = hen verschrikken, in verwarring brengen</note>
				<verse number="6">Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, Mijn heilige berg.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws נסכתי (nasakhti) = Ik heb gezalfd/aangesteld — de plechtige inhuldiging van de Messiaanse Koning; הר קדשי (har qodshi) = Mijn heilige berg — niet "berg Mijner heiligheid"</note>
				<ref verse="6">Ps 110:1-2; Dan 9:25</ref>
				<verse number="7">Ik zal het besluit bekendmaken: Jahweh heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.</verse>
				<note verse="7">Hebreeuws חק (choq) = besluit, verordening — Gods eeuwig decreet; ספר (safar) = verhalen, bekendmaken; ילדתיך (jelidtikha) = Ik heb U verwekt/gegenereerd — "gegenereerd" is verouderd; dit vers wordt in Hand 13:33 en Heb 1:5 op Christus toegepast</note>
				<ref verse="7">Hand 13:33; Heb 1:5; 5:5</ref>
				<verse number="8">Eis van Mij, en Ik zal de heidenvolken geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezit.</verse>
				<note verse="8">Hebreeuws אחזה (achuzzah) = bezit, eigendom — "bezitting" vervangen door "bezit"</note>
				<ref verse="8">Ps 72:8; Dan 7:14; Openb 11:15</ref>
				<verse number="9">U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een kruik van een pottenbakker.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws תרעם (tero'em) = u zult hen verpletteren — met een ijzeren herdersstaf; כלי יוצר (keli jotser) = pottenbakkersvaatwerk, aardewerk — "pottenbakkersvaas" vervangen door "aardewerk"</note>
				<ref verse="9">Openb 2:27; 12:5; 19:15</ref>
				<verse number="10">Nu dan, koningen, handel verstandig; laat u onderwijzen, rechters van de aarde.</verse>
				<note verse="10">Hebreeuws השכילו (haskilu) = handel verstandig, wees wijs — een oproep aan de machthebbers; הוסרו (hiwwasru) = laat u onderwijzen/tuchtigen</note>
				<verse number="11">Dien Jahweh met vrees, en verheug u met huiver.</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws יראה (jir'ah) = vrees, ontzag — "vreze" vervangen door "ontzag"; רעדה (re'adah) = huivering, beving — ontzag gemengd met vreugde</note>
				<ref verse="11">Fil 2:12; Heb 12:28-29</ref>
				<verse number="12">Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn slechts even zou ontbranden. Gelukkig zijn allen die bij Hem schuilen.</verse>
				<note verse="12">Hebreeuws נשקו בר (nashqu bar) = kus de zoon — בר (bar) = zoon (Aramees); חוסי (chose) = schuilen, toevlucht nemen — "betrouwen" vervangen door "schuilen"; אשרי (ashrei) = gelukkig — zelfde woord als in Ps 1:1; "welgelukzalig" vervangen door "gelukkig"</note>
				<ref verse="12">Ps 34:9; Jes 30:18; Jer 17:7</ref>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws מזמור (mizmor) = psalm, lied met muzikale begeleiding — van זמר (zamar) = zingen, musiceren; historische context: 2 Sam 15-17</note>
				<ref verse="1">2 Sam 15:13-17</ref>
				<verse number="2">Jahweh! Hoe zijn mijn tegenstanders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws צרי (tsarai) = mijn tegenstanders, mijn benauwers — van צרר (tsarar) = benauwen, in het nauw brengen; "tegenpartijders" vervangen door "tegenstanders"</note>
				<ref verse="2">2 Sam 15:12; 16:15</ref>
				<verse number="3">Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws ישועה (jeshu'ah) = heil, verlossing, redding — verwant aan de naam Jezus (Jeshua); סלה (selah) = sela — vermoedelijk een muzikale of liturgische aanwijzing; pauze of verhoging</note>
				<ref verse="3">2 Sam 16:8; Ps 71:11</ref>
				<verse number="4">Maar U, Jahweh, bent een schild om mij heen, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws מגן (magen) = schild — God als beschermer; בעדי (ba'adi) = om mij heen, rondom mij — niet slechts "voor mij" maar aan alle kanten; מרים ראשי (merim roshi) = Die mijn hoofd opheft — beeld van herstel van eer</note>
				<ref verse="4">Gen 15:1; Ps 28:7; 84:12</ref>
				<verse number="5">Ik riep met mijn stem tot Jahweh, en Hij verhoorde mij vanaf Zijn heilige berg. Sela.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws הר קדשו (har qodsho) = Zijn heilige berg — niet "berg Zijner heiligheid"; verwijst naar Sion/de tempel</note>
				<ref verse="5">Ps 4:4; 34:5; 120:1</ref>
				<verse number="6">Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte, want Jahweh ondersteunde mij.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws שכבתי (shakhavti) = ik lag neer; ויישנתי (wa'ishaneti) = en ik sliep — Davids vertrouwen te midden van gevaar; יסמכני (jismekheni) = Hij ondersteunt/schraagt mij</note>
				<ref verse="6">Ps 4:9; Spr 3:24; Lev 26:6</ref>
				<verse number="7">Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van het volk, die zich rondom tegen mij opstellen.</verse>
				<note verse="7">Hebreeuws רבבות (revavot) = tienduizenden, myriaden — een enorm aantal; שתו (shatu) = zich opstellen, zich legeren — een militaire term</note>
				<ref verse="7">Ps 27:3; 118:6</ref>
				<verse number="8">Sta op, Jahweh! Verlos mij, mijn God! Want U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen; U hebt de tanden van de goddelozen gebroken.</verse>
				<note verse="8">Hebreeuws לחי (lechi) = kaak, wang — slaan op de kaak is een daad van vernedering; שברת (shibbarta) = u hebt gebroken/verbrijzeld — "verbroken" vervangen door "gebroken"</note>
				<ref verse="8">Ps 35:23; 44:27; 74:22</ref>
				<verse number="9">Het heil is van Jahweh; Uw zegen is over Uw volk. Sela.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws ליהוה הישועה (la-YHWH hajjeshu'ah) = van Jahweh is het heil — de verlossing behoort exclusief aan God toe</note>
				<ref verse="9">Ps 37:39; Jona 2:10; Openb 7:10</ref>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws למנצח (lamenatseach) = voor de koorleider; נגינות (neginot) = snarenspel, muziek op snaarinstrumenten</note>
				<verse number="2">Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid! In benauwdheid hebt U mij ruimte gemaakt; wees mij genadig en hoor mijn gebed.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws אלהי צדקי (elohai tsidqi) = God van mijn gerechtigheid — God als verdediger van het recht van de psalmist; בצר (batsar) = in benauwdheid; הרחבת (hirchavta) = U hebt ruimte gemaakt</note>
				<ref verse="2">Ps 3:5Ps 17:1Ps 18:7</ref>
				<verse number="3">Mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws בני איש (benei ish) = zonen van een man — aanzienlijken, mannen van standing; ריק (riq) = leegte, ijdelheid; כזב (kazav) = leugen, bedrog</note>
				<verse number="4">Weet toch dat Jahweh Zich een getrouwe heeft afgezonderd; Jahweh zal horen als ik tot Hem roep.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws חסיד (chasid) = godvruchtige, getrouwe — iemand die in Gods verbondstrouw (חסד chesed) deelt; הפלה (hiflah) = afgezonderd, apart gezet — God heeft Zijn getrouwe bijzonder bestemd</note>
				<verse number="5">Wees toornig en zondig niet; spreek in uw hart op uw bed en wees stil. Sela.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws רגזו (rigzu) = beef, sidder — kan ook "wees toornig" betekenen (vgl. Ef 4:26 waar de LXX ὀργίζεσθε heeft); משכב (mishkav) = bed, ligplaats — niet "leger" in moderne zin</note>
				<ref verse="5">Ef 4:26</ref>
				<verse number="6">Breng offers van gerechtigheid en vertrouw op Jahweh.</verse>
				<ref verse="6">Ps 51:21Deut 33:19</ref>
				<verse number="7">Velen zeggen: Wie zal ons het goede laten zien? Verhef over ons het licht van Uw aangezicht, Jahweh!</verse>
				<note verse="7">Hebreeuws אור פניך (or panekha) = het licht van Uw aangezicht — beeld van Gods gunst en zegen (vgl. de priesterlijke zegen Num 6:25-26)</note>
				<ref verse="7">Num 6:25-26Ps 31:17Ps 67:2Ps 80:4</ref>
				<verse number="8">U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan wanneer hun koren en hun nieuwe wijn overvloedig zijn.</verse>
				<ref verse="8">Ps 63:6Deut 33:28</ref>
				<verse number="9">Ik zal in vrede neerliggen en slapen; want U alleen, Jahweh, doet mij veilig wonen.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws לבטח (lavetach) = in veiligheid — "zeker wonen" in de SV betekent "veilig wonen"; יחדו (yachdav) = tezamen, tegelijkertijd — David ligt neer en slaapt meteen in</note>
				<ref verse="9">Ps 3:6Lev 26:6Spr 3:24</ref>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws נחילות (nechiloth) = blaasinstrumenten, fluiten — vandaar 'bij fluitspel' (vgl. de Neginôth/snaren in Psalm 4); למנצח (lamenatseach) = voor de koorleider</note>
				<verse number="2">O Jahweh, neem mijn woorden ter ore; sla acht op mijn overpeinzing.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws אמרי (amaray) = mijn woorden, uitspraken — niet 'redenen' in de zin van argumenten; הגיג (hagig) = stil overpeinzen, binnensmonds prevelen; בינה (binah) = sla acht op, doorgrond</note>
				<verse number="3">Luister naar de stem van mijn hulpgeroep, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws שועי (shav'i) = mijn hulpgeroep, noodkreet; הקשיבה (haqshivah) = luister aandachtig</note>
				<ref verse="3">Ps 84:4</ref>
				<verse number="4">'s Morgens, Jahweh, zult U mijn stem horen; 's morgens leg ik mijn gebed voor U klaar en zie ik verwachtingsvol uit.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws ערך ('arach) = ordenen, klaarleggen — zoals het offer op het altaar wordt klaargelegd, zo legt David zijn gebed voor God klaar; צפה (tsafah) = uitzien als een wachter, verwachtingsvol uitkijken</note>
				<ref verse="4">Ps 59:17Ps 88:14Ps 130:6</ref>
				<verse number="5">Want U bent geen God die behagen schept in goddeloosheid; de boze zal bij U niet verblijven.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws חפץ (chafets) = behagen scheppen in, genoegen hebben in; רע (ra) = het kwaad, de boze — die bij U niet als gast mag verblijven (יגרך, van גור = als vreemdeling verblijven)</note>
				<ref verse="5">Ps 11:5Hab 1:13</ref>
				<verse number="6">De hoogmoedigen zullen voor Uw ogen niet standhouden; U haat allen die onrecht bedrijven.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws הוללים (holelim) = pochers, overmoedigen, verdwaasden — niet 'onzinnigen'; יתיצבו (jitjatsvu) = standhouden, blijven staan; פעלי און (po'alei awen) = wie onrecht bedrijven</note>
				<ref verse="6">Ps 1:5Ps 11:5</ref>
				<verse number="7">U zult de leugensprekers ombrengen; van de man van bloedvergieten en bedrog heeft Jahweh een afschuw.</verse>
				<note verse="7">Hebreeuws איש דמים (iesh damim) = man van bloed(vergieten); מרמה (mirmah) = bedrog, list; תעב (ta'av) = verafschuwen, walgen van</note>
				<ref verse="7">Ps 55:24Ps 101:7</ref>
				<verse number="8">Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid Uw huis binnengaan; ik buig mij neer naar Uw heilige tempel, in ontzag voor U.</verse>
				<note verse="8">Hebreeuws חסד (chesed) = goedertierenheid, verbondstrouw; היכל קדשך (heichal qodshecha) = Uw heilige tempel; יראה (jir'ah) = ontzag, eerbiedige vrees</note>
				<ref verse="8">Ps 138:2Ps 26:8</ref>
				<verse number="9">Jahweh, leid mij in Uw gerechtigheid vanwege mijn belagers; maak Uw weg recht voor mijn aangezicht.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws שוררי (shorerai) = wie mij begluren, mijn belagers — vijanden die op de loer liggen; הישר (hajshar) = maak recht, effen</note>
				<ref verse="9">Ps 27:11Ps 25:5</ref>
				<verse number="10">Want in hun mond is niets betrouwbaars, hun binnenste is enkel verderf; hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.</verse>
				<note verse="10">Hebreeuws נכונה (nechonah) = wat betrouwbaar en vast is; הוות (hawwot) = verderf, onheil; de regel 'hun keel is een open graf' wordt door Paulus aangehaald in Romeinen 3:13</note>
				<ref verse="10">Rom 3:13Ps 12:3</ref>
				<verse number="11">Verklaar hen schuldig, o God; laat hen ten val komen door hun eigen plannen; verdrijf hen vanwege hun vele overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U.</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws הדיחמו (hadichemo) = verstoot hen, drijf hen weg; פשע (pesha) = overtreding, opstandige daad; מרה (marah) = opstandig zijn, zich verzetten</note>
				<ref verse="11">Ps 7:16Hos 11:6</ref>
				<verse number="12">Maar laat allen die op U vertrouwen, zich verblijden; laat hen tot in eeuwigheid jubelen, omdat U hen beschut; en laat wie Uw Naam liefhebben, in U van vreugde opspringen.</verse>
				<note verse="12">Hebreeuws חסה (chasah) = schuilen, toevlucht zoeken — 'op U vertrouwen'; סכך (sachach) = beschutten, overdekken, als een beschermend dak boven iemand</note>
				<ref verse="12">Ps 2:12Ps 34:23</ref>
				<verse number="13">Want U, Jahweh, zult de rechtvaardige zegenen; U zult hem met welbehagen kronen als met een schild.</verse>
				<note verse="13">Hebreeuws צנה (tsinnah) = groot, lichaamsdekkend schild — vandaar 'als met een schild' (de SV heeft 'rondas'); רצון (ratson) = welbehagen, gunst, welgevallen</note>
				<ref verse="13">Ps 84:12Deut 33:29</ref>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth, op de Scheminîth.</verse>
				<verse number="2">O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!</verse>
				<verse number="3">Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.</verse>
				<verse number="4">Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?</verse>
				<verse number="5">Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.</verse>
				<verse number="6">Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?</verse>
				<verse number="7">Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.</verse>
				<verse number="8">Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.</verse>
				<verse number="9">Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.</verse>
				<verse number="10">De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.</verse>
				<verse number="11">Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Davids Schiggajôn, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.</verse>
				<verse number="2">HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.</verse>
				<verse number="3">Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.</verse>
				<verse number="4">HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;</verse>
				<verse number="5">Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)</verse>
				<verse number="6">Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.</verse>
				<verse number="7">Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.</verse>
				<verse number="8">Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.</verse>
				<verse number="9">De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.</verse>
				<verse number="10">Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!</verse>
				<verse number="11">Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.</verse>
				<verse number="12">God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.</verse>
				<verse number="13">Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid,</verse>
				<verse number="14">En heeft dodelijke wapenen voor Zich gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.</verse>
				<verse number="15">Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.</verse>
				<verse number="16">Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="17">Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.</verse>
				<verse number="18">Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.</verse>
				<verse number="2">O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.</verse>
				<verse number="3">Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.</verse>
				<verse number="4">Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;</verse>
				<verse number="5">Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?</verse>
				<verse number="6">En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?</verse>
				<verse number="7">Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;</verse>
				<verse number="8">Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.</verse>
				<verse number="9">Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.</verse>
				<verse number="10">O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Mûth-Labben.</verse>
				<verse number="2">Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.</verse>
				<verse number="3">In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!</verse>
				<verse number="4">Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.</verse>
				<verse number="5">Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtzaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.</verse>
				<verse number="6">Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.</verse>
				<verse number="7">O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.</verse>
				<verse number="8">Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.</verse>
				<verse number="9">En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.</verse>
				<verse number="10">En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.</verse>
				<verse number="11">En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.</verse>
				<verse number="12">Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.</verse>
				<verse number="13">Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.</verse>
				<verse number="14">Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;</verse>
				<verse number="15">Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.</verse>
				<verse number="16">De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.</verse>
				<verse number="17">De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.</verse>
				<verse number="18">De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.</verse>
				<verse number="19">Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.</verse>
				<verse number="20">Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.</verse>
				<verse number="21">O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?</verse>
				<verse number="2">De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed den ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.</verse>
				<verse number="3">Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.</verse>
				<verse number="4">De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.</verse>
				<verse number="5">Zijn wegen maken te allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.</verse>
				<verse number="6">Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.</verse>
				<verse number="7">Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="8">Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.</verse>
				<verse number="9">Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.</verse>
				<verse number="10">Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.</verse>
				<verse number="11">Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="12">Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.</verse>
				<verse number="13">Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?</verse>
				<verse number="14">Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.</verse>
				<verse number="15">Breek den arm des goddelozen en bozen; zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.</verse>
				<verse number="16">De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.</verse>
				<verse number="17">HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;</verse>
				<verse number="18">Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?</verse>
				<verse number="2">Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.</verse>
				<verse number="3">Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?</verse>
				<verse number="4">De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.</verse>
				<verse number="5">De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.</verse>
				<verse number="6">Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.</verse>
				<verse number="7">Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminîth.</verse>
				<verse number="2">Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.</verse>
				<verse number="3">Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.</verse>
				<verse number="4">De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.</verse>
				<verse number="5">Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?</verse>
				<verse number="6">Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.</verse>
				<verse number="7">De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.</verse>
				<verse number="8">Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="9">De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?</verse>
				<verse number="3">Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?</verse>
				<verse number="4">Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in den dood niet ontslape;</verse>
				<verse number="5">Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.</verse>
				<verse number="6">Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.</verse>
				<verse number="2">De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.</verse>
				<verse number="3">Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.</verse>
				<verse number="4">Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.</verse>
				<verse number="5">Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="6">Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.</verse>
				<verse number="7">Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?</verse>
				<verse number="2">Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;</verse>
				<verse number="3">Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezel geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;</verse>
				<verse number="4">In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;</verse>
				<verse number="5">Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.</verse>
				<verse number="2">O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de Heere, mijn goedheid raakt niet tot U;</verse>
				<verse number="3">Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.</verse>
				<verse number="4">De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.</verse>
				<verse number="5">De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.</verse>
				<verse number="6">De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.</verse>
				<verse number="7">Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.</verse>
				<verse number="8">Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.</verse>
				<verse number="9">Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.</verse>
				<verse number="10">Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.</verse>
				<verse number="11">Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.</verse>
				<verse number="2">Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.</verse>
				<verse number="3">Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.</verse>
				<verse number="4">Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;</verse>
				<verse number="5">Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.</verse>
				<verse number="6">Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.</verse>
				<verse number="7">Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!</verse>
				<verse number="8">Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,</verse>
				<verse number="9">Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.</verse>
				<verse number="10">Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.</verse>
				<verse number="11">In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.</verse>
				<verse number="12">Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.</verse>
				<verse number="13">Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;</verse>
				<verse number="14">Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.</verse>
				<verse number="15">Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.</verse>
				<verse number="2">Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!</verse>
				<verse number="3">De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.</verse>
				<verse number="4">Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.</verse>
				<verse number="5">Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.</verse>
				<verse number="6">Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.</verse>
				<verse number="7">Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.</verse>
				<verse number="8">Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.</verse>
				<verse number="9">Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.</verse>
				<verse number="10">En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.</verse>
				<verse number="11">En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.</verse>
				<verse number="12">Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.</verse>
				<verse number="13">Van den glans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.</verse>
				<verse number="15">En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.</verse>
				<verse number="16">En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.</verse>
				<verse number="17">Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.</verse>
				<verse number="18">Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.</verse>
				<verse number="19">Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.</verse>
				<verse number="20">En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.</verse>
				<verse number="21">De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.</verse>
				<verse number="22">Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.</verse>
				<verse number="23">Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.</verse>
				<verse number="24">Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="25">Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.</verse>
				<verse number="26">Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.</verse>
				<verse number="27">Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.</verse>
				<verse number="28">Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.</verse>
				<verse number="29">Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.</verse>
				<verse number="30">Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.</verse>
				<verse number="31">Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.</verse>
				<verse number="32">Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?</verse>
				<verse number="33">Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.</verse>
				<verse number="34">Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.</verse>
				<verse number="35">Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.</verse>
				<verse number="36">Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.</verse>
				<verse number="37">Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.</verse>
				<verse number="38">Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.</verse>
				<verse number="39">Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.</verse>
				<verse number="40">Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.</verse>
				<verse number="41">En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.</verse>
				<verse number="42">Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.</verse>
				<verse number="43">Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.</verse>
				<verse number="44">Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.</verse>
				<verse number="45">Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.</verse>
				<verse number="46">Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.</verse>
				<verse number="47">De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!</verse>
				<verse number="48">De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;</verse>
				<verse number="49">Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.</verse>
				<verse number="50">Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;</verse>
				<verse number="51">Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.</verse>
				<verse number="3">De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.</verse>
				<verse number="4">Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.</verse>
				<verse number="5">Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.</verse>
				<verse number="6">En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.</verse>
				<verse number="7">Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.</verse>
				<verse number="8">De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechte wijsheid gevende.</verse>
				<verse number="9">De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.</verse>
				<verse number="10">De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.</verse>
				<verse number="11">Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.</verse>
				<verse number="12">Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.</verse>
				<verse number="13">Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.</verse>
				<verse number="14">Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.</verse>
				<verse number="15">Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.</verse>
				<verse number="3">Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.</verse>
				<verse number="4">Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.</verse>
				<verse number="5">Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.</verse>
				<verse number="6">Wij zullen juichen over uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.</verse>
				<verse number="7">Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.</verse>
				<verse number="8">Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.</verse>
				<verse number="9">Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven.</verse>
				<verse number="10">O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!</verse>
				<verse number="3">Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.</verse>
				<verse number="4">Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.</verse>
				<verse number="5">Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.</verse>
				<verse number="6">Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.</verse>
				<verse number="7">Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.</verse>
				<verse number="8">Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.</verse>
				<verse number="9">Uw hand zal al Uw vijanden vinden; Uw rechterhand zal Uw haters vinden.</verse>
				<verse number="10">Gij zult hen zetten als een vurigen oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.</verse>
				<verse number="11">Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.</verse>
				<verse number="12">Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.</verse>
				<verse number="13">Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen.</verse>
				<verse number="14">Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasscháchar.</verse>
				<verse number="2">Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?</verse>
				<verse number="3">Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.</verse>
				<verse number="4">Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls.</verse>
				<verse number="5">Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.</verse>
				<verse number="6">Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.</verse>
				<verse number="7">Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.</verse>
				<verse number="8">Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!</verse>
				<verse number="10">Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.</verse>
				<verse number="11">Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.</verse>
				<verse number="12">Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.</verse>
				<verse number="13">Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.</verse>
				<verse number="14">Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.</verse>
				<verse number="15">Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.</verse>
				<verse number="16">Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.</verse>
				<verse number="17">Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.</verse>
				<verse number="18">Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.</verse>
				<verse number="19">Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.</verse>
				<verse number="20">Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.</verse>
				<verse number="21">Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.</verse>
				<verse number="22">Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.</verse>
				<verse number="23">Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.</verse>
				<verse number="24">Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israël!</verse>
				<verse number="25">Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.</verse>
				<verse number="26">Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.</verse>
				<verse number="27">De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.</verse>
				<verse number="28">Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.</verse>
				<verse number="29">Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.</verse>
				<verse number="30">Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.</verse>
				<verse number="31">Het zaad zal Hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.</verse>
				<verse number="32">Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.</verse>
				<verse number="2">Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.</verse>
				<verse number="3">Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.</verse>
				<verse number="4">Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.</verse>
				<verse number="5">Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.</verse>
				<verse number="6">Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.</verse>
				<verse number="2">Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.</verse>
				<verse number="3">Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?</verse>
				<verse number="4">Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;</verse>
				<verse number="5">Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.</verse>
				<verse number="6">Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.</verse>
				<verse number="7">Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!</verse>
				<verse number="8">Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.</verse>
				<verse number="9">Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!</verse>
				<verse number="10">Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Een psalm van David. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.</verse>
				<verse number="2">Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.</verse>
				<verse number="3">Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.</verse>
				<verse number="4">HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.</verse>
				<verse number="5">Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den gansen dag.</verse>
				<verse number="6">Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.</verse>
				<verse number="7">Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!</verse>
				<verse number="8">De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.</verse>
				<verse number="9">Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.</verse>
				<verse number="10">Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.</verse>
				<verse number="11">Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.</verse>
				<verse number="12">Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.</verse>
				<verse number="13">Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven.</verse>
				<verse number="14">Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.</verse>
				<verse number="15">Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.</verse>
				<verse number="16">Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.</verse>
				<verse number="17">De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.</verse>
				<verse number="18">Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.</verse>
				<verse number="19">Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.</verse>
				<verse number="20">Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.</verse>
				<verse number="21">Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.</verse>
				<verse number="22">O God! verlos Israël uit al zijn benauwdheden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.</verse>
				<verse number="2">Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.</verse>
				<verse number="3">Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.</verse>
				<verse number="4">Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.</verse>
				<verse number="5">Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.</verse>
				<verse number="6">Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!</verse>
				<verse number="7">Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.</verse>
				<verse number="8">HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.</verse>
				<verse number="9">Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;</verse>
				<verse number="10">In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.</verse>
				<verse number="11">Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.</verse>
				<verse number="12">Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?</verse>
				<verse number="2">Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.</verse>
				<verse number="3">Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.</verse>
				<verse number="4">Eén ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.</verse>
				<verse number="5">Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.</verse>
				<verse number="6">Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.</verse>
				<verse number="7">Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.</verse>
				<verse number="8">Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoekt Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!</verse>
				<verse number="9">Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!</verse>
				<verse number="10">Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.</verse>
				<verse number="11">HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.</verse>
				<verse number="12">Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.</verse>
				<verse number="13">Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.</verse>
				<verse number="14">Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.</verse>
				<verse number="2">Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.</verse>
				<verse number="3">Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.</verse>
				<verse number="4">Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.</verse>
				<verse number="5">Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.</verse>
				<verse number="6">Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.</verse>
				<verse number="7">De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.</verse>
				<verse number="8">De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.</verse>
				<verse number="9">Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.</verse>
				<verse number="2">Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.</verse>
				<verse number="3">De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.</verse>
				<verse number="4">De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.</verse>
				<verse number="5">De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.</verse>
				<verse number="6">En Hij doet ze huppelen als een kalf, den Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.</verse>
				<verse number="7">De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.</verse>
				<verse number="8">De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.</verse>
				<verse number="9">De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.</verse>
				<verse number="10">De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="11">De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.</verse>
				<verse number="2">Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.</verse>
				<verse number="3">HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.</verse>
				<verse number="4">HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.</verse>
				<verse number="5">Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.</verse>
				<verse number="6">Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.</verse>
				<verse number="7">Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="8">Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.</verse>
				<verse number="9">Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:</verse>
				<verse number="10">Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?</verse>
				<verse number="11">Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.</verse>
				<verse number="12">Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;</verse>
				<verse number="13">Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.</verse>
				<verse number="3">Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterken Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.</verse>
				<verse number="4">Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.</verse>
				<verse number="5">Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.</verse>
				<verse number="6">In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!</verse>
				<verse number="7">Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.</verse>
				<verse number="8">Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;</verse>
				<verse number="9">En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.</verse>
				<verse number="10">Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.</verse>
				<verse number="11">Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.</verse>
				<verse number="12">Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.</verse>
				<verse number="13">Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.</verse>
				<verse number="14">Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.</verse>
				<verse number="15">Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.</verse>
				<verse number="16">Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.</verse>
				<verse number="17">Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.</verse>
				<verse number="18">HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.</verse>
				<verse number="19">Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.</verse>
				<verse number="20">O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!</verse>
				<verse number="21">Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor den twist der tongen.</verse>
				<verse number="22">Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.</verse>
				<verse number="23">Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.</verse>
				<verse number="24">Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.</verse>
				<verse number="25">Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.</verse>
				<verse number="2">Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.</verse>
				<verse number="3">Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.</verse>
				<verse number="4">Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.</verse>
				<verse number="5">Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.</verse>
				<verse number="6">Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.</verse>
				<verse number="7">Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.</verse>
				<verse number="8">Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.</verse>
				<verse number="9">Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.</verse>
				<verse number="10">De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.</verse>
				<verse number="11">Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.</verse>
				<verse number="2">Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit en het tiensnarig instrument.</verse>
				<verse number="3">Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.</verse>
				<verse number="4">Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.</verse>
				<verse number="5">Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.</verse>
				<verse number="7">Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.</verse>
				<verse number="8">Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.</verse>
				<verse number="9">Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.</verse>
				<verse number="10">De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.</verse>
				<verse number="11">Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="12">Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.</verse>
				<verse number="13">De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.</verse>
				<verse number="14">Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.</verse>
				<verse number="15">Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.</verse>
				<verse number="16">Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;</verse>
				<verse number="17">Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.</verse>
				<verse number="18">Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.</verse>
				<verse number="19">Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.</verse>
				<verse number="20">Onze ziel verbeidt den HEERE; Hij is onze Hulp en ons Schild.</verse>
				<verse number="21">Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.</verse>
				<verse number="22">Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.</verse>
				<verse number="2">Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.</verse>
				<verse number="3">Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.</verse>
				<verse number="4">Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.</verse>
				<verse number="5">Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.</verse>
				<verse number="6">Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.</verse>
				<verse number="7">Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.</verse>
				<verse number="8">Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.</verse>
				<verse number="9">Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.</verse>
				<verse number="10">Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.</verse>
				<verse number="11">De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.</verse>
				<verse number="12">Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.</verse>
				<verse number="13">Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?</verse>
				<verse number="14">Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.</verse>
				<verse number="15">Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.</verse>
				<verse number="16">De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.</verse>
				<verse number="17">Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.</verse>
				<verse number="18">Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.</verse>
				<verse number="19">De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.</verse>
				<verse number="20">Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.</verse>
				<verse number="21">Hij bewaart al zijn beenderen; niet één van die wordt gebroken.</verse>
				<verse number="22">De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.</verse>
				<verse number="23">De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.</verse>
				<verse number="2">Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.</verse>
				<verse number="3">En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.</verse>
				<verse number="4">Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.</verse>
				<verse number="5">Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.</verse>
				<verse number="6">Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.</verse>
				<verse number="7">Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.</verse>
				<verse number="8">De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.</verse>
				<verse number="9">Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.</verse>
				<verse number="10">Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.</verse>
				<verse number="11">Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.</verse>
				<verse number="12">Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.</verse>
				<verse number="13">Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.</verse>
				<verse number="14">Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.</verse>
				<verse number="15">Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.</verse>
				<verse number="16">Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.</verse>
				<verse number="17">Heere! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.</verse>
				<verse number="18">Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.</verse>
				<verse number="19">Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijand zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.</verse>
				<verse number="20">Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.</verse>
				<verse number="21">En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!</verse>
				<verse number="22">HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; Heere! wees niet verre van mij.</verse>
				<verse number="23">Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en Heere! tot mijn twistzaak.</verse>
				<verse number="24">Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.</verse>
				<verse number="25">Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!</verse>
				<verse number="26">Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.</verse>
				<verse number="27">Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!</verse>
				<verse number="28">Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.</verse>
				<verse number="3">Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.</verse>
				<verse number="4">De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.</verse>
				<verse number="5">Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.</verse>
				<verse number="6">O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.</verse>
				<verse number="7">Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.</verse>
				<verse number="8">Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.</verse>
				<verse number="9">Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.</verse>
				<verse number="10">Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.</verse>
				<verse number="11">Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.</verse>
				<verse number="12">De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.</verse>
				<verse number="13">Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">Een psalm van David. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.</verse>
				<verse number="2">Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.</verse>
				<verse number="3">Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.</verse>
				<verse number="4">En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.</verse>
				<verse number="5">Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;</verse>
				<verse number="6">En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.</verse>
				<verse number="7">Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.</verse>
				<verse number="8">Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.</verse>
				<verse number="9">Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="10">Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.</verse>
				<verse number="11">De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.</verse>
				<verse number="12">De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.</verse>
				<verse number="13">De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.</verse>
				<verse number="14">Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.</verse>
				<verse number="15">Maar hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.</verse>
				<verse number="16">Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.</verse>
				<verse number="17">Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="18">De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.</verse>
				<verse number="19">Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.</verse>
				<verse number="20">Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.</verse>
				<verse number="21">De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.</verse>
				<verse number="22">Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="23">Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.</verse>
				<verse number="24">Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.</verse>
				<verse number="25">Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.</verse>
				<verse number="26">Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.</verse>
				<verse number="27">Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="28">Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.</verse>
				<verse number="29">De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.</verse>
				<verse number="30">Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.</verse>
				<verse number="31">De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.</verse>
				<verse number="32">De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.</verse>
				<verse number="33">Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.</verse>
				<verse number="34">Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.</verse>
				<verse number="35">Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.</verse>
				<verse number="36">Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.</verse>
				<verse number="37">Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.</verse>
				<verse number="38">Maar de overtreders worden te zamen verdelgd; het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.</verse>
				<verse number="39">Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.</verse>
				<verse number="40">En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">Een psalm van David, om te doen gedenken.</verse>
				<verse number="2">O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.</verse>
				<verse number="3">Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.</verse>
				<verse number="4">Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.</verse>
				<verse number="5">Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.</verse>
				<verse number="6">Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.</verse>
				<verse number="7">Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.</verse>
				<verse number="8">Want mijn darmen zijn vol van verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.</verse>
				<verse number="9">Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.</verse>
				<verse number="10">Heere! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.</verse>
				<verse number="11">Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.</verse>
				<verse number="12">Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.</verse>
				<verse number="13">En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.</verse>
				<verse number="14">Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.</verse>
				<verse number="15">Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.</verse>
				<verse number="16">Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, Heere, mijn God!</verse>
				<verse number="17">Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.</verse>
				<verse number="18">Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.</verse>
				<verse number="19">Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.</verse>
				<verse number="20">Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.</verse>
				<verse number="21">En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.</verse>
				<verse number="22">Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij.</verse>
				<verse number="23">Haast U tot mijn hulp, Heere, mijn heil!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jedúthun.</verse>
				<verse number="2">Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.</verse>
				<verse number="3">Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.</verse>
				<verse number="4">Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:</verse>
				<verse number="5">HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.</verse>
				<verse number="6">Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.</verse>
				<verse number="7">Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.</verse>
				<verse number="8">En nu, wat verwacht ik, o Heere! Mijn hoop, die is op U.</verse>
				<verse number="9">Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.</verse>
				<verse number="10">Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.</verse>
				<verse number="11">Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.</verse>
				<verse number="12">Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.</verse>
				<verse number="13">Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.</verse>
				<verse number="14">Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">Davids psalm, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.</verse>
				<verse number="3">En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.</verse>
				<verse number="4">En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.</verse>
				<verse number="5">Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.</verse>
				<verse number="6">Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.</verse>
				<verse number="7">Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.</verse>
				<verse number="9">Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.</verse>
				<verse number="10">Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.</verse>
				<verse number="11">Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.</verse>
				<verse number="12">Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.</verse>
				<verse number="13">Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.</verse>
				<verse number="14">Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.</verse>
				<verse number="15">Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.</verse>
				<verse number="16">Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!</verse>
				<verse number="17">Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!</verse>
				<verse number="18">Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="41">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.</verse>
				<verse number="3">De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.</verse>
				<verse number="4">De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.</verse>
				<verse number="5">Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.</verse>
				<verse number="6">Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?</verse>
				<verse number="7">En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.</verse>
				<verse number="8">Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.</verse>
				<verse number="10">Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.</verse>
				<verse number="11">Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.</verse>
				<verse number="12">Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.</verse>
				<verse number="13">Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtigheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="42">
				<verse number="1">Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!</verse>
				<verse number="3">Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?</verse>
				<verse number="4">Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?</verse>
				<verse number="5">Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.</verse>
				<verse number="6">Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.</verse>
				<verse number="7">O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.</verse>
				<verse number="8">De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.</verse>
				<verse number="9">Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.</verse>
				<verse number="10">Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?</verse>
				<verse number="11">Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?</verse>
				<verse number="12">Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="43">
				<verse number="1">Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.</verse>
				<verse number="2">Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?</verse>
				<verse number="3">Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;</verse>
				<verse number="4">En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!</verse>
				<verse number="5">Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="44">
				<verse number="1">Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.</verse>
				<verse number="3">Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.</verse>
				<verse number="4">Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.</verse>
				<verse number="5">Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.</verse>
				<verse number="6">Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.</verse>
				<verse number="7">Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.</verse>
				<verse number="8">Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.</verse>
				<verse number="9">In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.</verse>
				<verse number="10">Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.</verse>
				<verse number="11">Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.</verse>
				<verse number="12">Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.</verse>
				<verse number="13">Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.</verse>
				<verse number="14">Gij stelt ons onzen naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.</verse>
				<verse number="15">Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.</verse>
				<verse number="16">Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;</verse>
				<verse number="17">Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.</verse>
				<verse number="18">Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.</verse>
				<verse number="19">Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.</verse>
				<verse number="20">Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.</verse>
				<verse number="21">Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden god uitgebreid,</verse>
				<verse number="22">Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.</verse>
				<verse number="23">Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.</verse>
				<verse number="24">Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="25">Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?</verse>
				<verse number="26">Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde.</verse>
				<verse number="27">Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="45">
				<verse number="1">Een onderwijzing, een lied der liefden, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schóschannim.</verse>
				<verse number="2">Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.</verse>
				<verse number="3">Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.</verse>
				<verse number="5">En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het Woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.</verse>
				<verse number="6">Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.</verse>
				<verse number="7">Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.</verse>
				<verse number="8">Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.</verse>
				<verse number="9">Al Uw klederen zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.</verse>
				<verse number="10">Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.</verse>
				<verse number="11">Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.</verse>
				<verse number="12">Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.</verse>
				<verse number="13">En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.</verse>
				<verse number="14">Des konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.</verse>
				<verse number="15">In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.</verse>
				<verse number="16">Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.</verse>
				<verse number="17">In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.</verse>
				<verse number="18">Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="46">
				<verse number="1">Een lied op Alamôth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.</verse>
				<verse number="3">Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën;</verse>
				<verse number="4">Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.</verse>
				<verse number="5">De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.</verse>
				<verse number="6">God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.</verse>
				<verse number="7">De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.</verse>
				<verse number="8">De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.</verse>
				<verse number="9">Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.</verse>
				<verse number="10">Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.</verse>
				<verse number="11">Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.</verse>
				<verse number="12">De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="47">
				<verse number="1">Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.</verse>
				<verse number="3">Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.</verse>
				<verse number="4">Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten.</verse>
				<verse number="5">Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.</verse>
				<verse number="6">God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.</verse>
				<verse number="7">Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!</verse>
				<verse number="8">Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!</verse>
				<verse number="9">God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.</verse>
				<verse number="10">De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="48">
				<verse number="1">Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.</verse>
				<verse number="3">Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.</verse>
				<verse number="4">God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.</verse>
				<verse number="5">Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.</verse>
				<verse number="6">Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.</verse>
				<verse number="7">Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.</verse>
				<verse number="8">Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.</verse>
				<verse number="9">Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.</verse>
				<verse number="10">O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.</verse>
				<verse number="11">Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.</verse>
				<verse number="12">Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil.</verse>
				<verse number="13">Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;</verse>
				<verse number="14">Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt.</verse>
				<verse number="15">Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="49">
				<verse number="1">Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,</verse>
				<verse number="3">Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!</verse>
				<verse number="4">Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.</verse>
				<verse number="5">Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.</verse>
				<verse number="6">Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?</verse>
				<verse number="7">Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;</verse>
				<verse number="8">Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;</verse>
				<verse number="9">(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);</verse>
				<verse number="10">Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.</verse>
				<verse number="11">Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.</verse>
				<verse number="12">Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.</verse>
				<verse number="13">De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.</verse>
				<verse number="14">Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.</verse>
				<verse number="15">Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.</verse>
				<verse number="16">Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.</verse>
				<verse number="17">Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;</verse>
				<verse number="18">Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.</verse>
				<verse number="19">Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;</verse>
				<verse number="20">Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.</verse>
				<verse number="21">De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="50">
				<verse number="1">Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.</verse>
				<verse number="2">Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.</verse>
				<verse number="3">Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.</verse>
				<verse number="4">Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.</verse>
				<verse number="5">Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!</verse>
				<verse number="6">En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.</verse>
				<verse number="7">Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israël! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.</verse>
				<verse number="8">Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.</verse>
				<verse number="9">Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;</verse>
				<verse number="10">Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.</verse>
				<verse number="11">Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.</verse>
				<verse number="12">Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.</verse>
				<verse number="13">Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?</verse>
				<verse number="14">Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.</verse>
				<verse number="15">En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.</verse>
				<verse number="16">Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?</verse>
				<verse number="17">Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.</verse>
				<verse number="18">Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.</verse>
				<verse number="19">Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.</verse>
				<verse number="20">Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.</verse>
				<verse number="21">Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.</verse>
				<verse number="22">Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.</verse>
				<verse number="23">Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="51">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathséba was ingegaan.</verse>
				<verse number="3">Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.</verse>
				<verse number="4">Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.</verse>
				<verse number="5">Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.</verse>
				<verse number="6">Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.</verse>
				<verse number="7">Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.</verse>
				<verse number="8">Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.</verse>
				<verse number="9">Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.</verse>
				<verse number="10">Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.</verse>
				<verse number="11">Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.</verse>
				<verse number="12">Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.</verse>
				<verse number="13">Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.</verse>
				<verse number="14">Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.</verse>
				<verse number="15">Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.</verse>
				<verse number="16">Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.</verse>
				<verse number="17">Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.</verse>
				<verse number="18">Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.</verse>
				<verse number="19">De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.</verse>
				<verse number="20">Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.</verse>
				<verse number="21">Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="52">
				<verse number="1">Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimélech.</verse>
				<verse number="3">Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.</verse>
				<verse number="4">Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.</verse>
				<verse number="5">Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.</verse>
				<verse number="6">Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.</verse>
				<verse number="7">God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.</verse>
				<verse number="8">En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Zie den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.</verse>
				<verse number="10">Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.</verse>
				<verse number="11">Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="53">
				<verse number="1">Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Máchalath.</verse>
				<verse number="2">De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.</verse>
				<verse number="3">God heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.</verse>
				<verse number="4">Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet één.</verse>
				<verse number="5">Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.</verse>
				<verse number="6">Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.</verse>
				<verse number="7">Och, dat Israëls verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="54">
				<verse number="1">Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth;</verse>
				<verse number="2">Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?</verse>
				<verse number="3">O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.</verse>
				<verse number="4">O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.</verse>
				<verse number="5">Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.</verse>
				<verse number="6">Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.</verse>
				<verse number="7">Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.</verse>
				<verse number="8">Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed.</verse>
				<verse number="9">Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="55">
				<verse number="1">Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.</verse>
				<verse number="2">O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.</verse>
				<verse number="3">Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;</verse>
				<verse number="4">Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.</verse>
				<verse number="5">Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.</verse>
				<verse number="6">Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;</verse>
				<verse number="7">Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.</verse>
				<verse number="8">Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.</verse>
				<verse number="9">Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.</verse>
				<verse number="10">Verslind hen, Heere! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.</verse>
				<verse number="11">Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.</verse>
				<verse number="12">Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.</verse>
				<verse number="13">Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.</verse>
				<verse number="14">Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!</verse>
				<verse number="15">Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.</verse>
				<verse number="16">Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.</verse>
				<verse number="17">Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.</verse>
				<verse number="18">Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.</verse>
				<verse number="19">Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigten zijn zij tegen mij geweest.</verse>
				<verse number="20">God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.</verse>
				<verse number="21">Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met hem hadden; hij ontheiligt zijn verbond.</verse>
				<verse number="22">Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.</verse>
				<verse number="23">Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.</verse>
				<verse number="24">Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="56">
				<verse number="1">Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.</verse>
				<verse number="2">Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.</verse>
				<verse number="3">Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!</verse>
				<verse number="4">Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.</verse>
				<verse number="5">In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?</verse>
				<verse number="6">Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.</verse>
				<verse number="7">Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.</verse>
				<verse number="8">Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!</verse>
				<verse number="9">Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?</verse>
				<verse number="10">Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.</verse>
				<verse number="11">In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.</verse>
				<verse number="12">Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?</verse>
				<verse number="13">O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden;</verse>
				<verse number="14">Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="57">
				<verse number="1">Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.</verse>
				<verse number="2">Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.</verse>
				<verse number="3">Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.</verse>
				<verse number="4">Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.</verse>
				<verse number="5">Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.</verse>
				<verse number="6">Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.</verse>
				<verse number="7">Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.</verse>
				<verse number="8">Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.</verse>
				<verse number="9">Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.</verse>
				<verse number="10">Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natiën.</verse>
				<verse number="11">Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.</verse>
				<verse number="12">Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="58">
				<verse number="1">Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth.</verse>
				<verse number="2">Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij mensenkinderen?</verse>
				<verse number="3">Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.</verse>
				<verse number="4">De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.</verse>
				<verse number="5">Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;</verse>
				<verse number="6">Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.</verse>
				<verse number="7">O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!</verse>
				<verse number="8">Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.</verse>
				<verse number="9">Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.</verse>
				<verse number="10">Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.</verse>
				<verse number="11">De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.</verse>
				<verse number="12">En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="59">
				<verse number="1">Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden,</verse>
				<verse number="2">Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.</verse>
				<verse number="3">Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.</verse>
				<verse number="4">Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!</verse>
				<verse number="5">Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.</verse>
				<verse number="6">Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israëls! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.</verse>
				<verse number="7">Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.</verse>
				<verse number="8">Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?</verse>
				<verse number="9">Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.</verse>
				<verse number="10">Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.</verse>
				<verse number="11">De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.</verse>
				<verse number="12">Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!</verse>
				<verse number="13">Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.</verse>
				<verse number="14">Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God Heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.</verse>
				<verse number="15">Laat hen dan tegen den avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;</verse>
				<verse number="16">Laat hen zelven omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.</verse>
				<verse number="17">Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was.</verse>
				<verse number="18">Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="60">
				<verse number="1">Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schûsan Eduth;</verse>
				<verse number="2">Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.</verse>
				<verse number="3">O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.</verse>
				<verse number="4">Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.</verse>
				<verse number="5">Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.</verse>
				<verse number="6">Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.</verse>
				<verse number="7">Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.</verse>
				<verse number="8">God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.</verse>
				<verse number="9">Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.</verse>
				<verse number="10">Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!</verse>
				<verse number="11">Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?</verse>
				<verse number="12">Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?</verse>
				<verse number="13">Geef ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid.</verse>
				<verse number="14">In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="61">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.</verse>
				<verse number="2">O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.</verse>
				<verse number="3">Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.</verse>
				<verse number="4">Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.</verse>
				<verse number="5">Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.</verse>
				<verse number="6">Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.</verse>
				<verse number="7">Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;</verse>
				<verse number="8">Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.</verse>
				<verse number="9">Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="62">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jedúthun.</verse>
				<verse number="2">Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.</verse>
				<verse number="3">Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.</verse>
				<verse number="4">Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.</verse>
				<verse number="5">Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.</verse>
				<verse number="6">Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.</verse>
				<verse number="7">Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.</verse>
				<verse number="8">In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.</verse>
				<verse number="9">Vertrouwt op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.</verse>
				<verse number="10">Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.</verse>
				<verse number="11">Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.</verse>
				<verse number="12">God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is.</verse>
				<verse number="13">En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="63">
				<verse number="1">Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.</verse>
				<verse number="2">O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.</verse>
				<verse number="3">Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;</verse>
				<verse number="4">Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.</verse>
				<verse number="5">Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.</verse>
				<verse number="6">Mij ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.</verse>
				<verse number="7">Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.</verse>
				<verse number="8">Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.</verse>
				<verse number="9">Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.</verse>
				<verse number="10">Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.</verse>
				<verse number="11">Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen den vossen ten deel worden.</verse>
				<verse number="12">Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="64">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.</verse>
				<verse number="3">Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="4">Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;</verse>
				<verse number="5">Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.</verse>
				<verse number="6">Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?</verse>
				<verse number="7">Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.</verse>
				<verse number="8">Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.</verse>
				<verse number="9">En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.</verse>
				<verse number="10">En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken.</verse>
				<verse number="11">De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="65">
				<verse number="1">Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.</verse>
				<verse number="3">Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.</verse>
				<verse number="4">Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.</verse>
				<verse number="5">Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.</verse>
				<verse number="6">Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!</verse>
				<verse number="7">Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.</verse>
				<verse number="8">Die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.</verse>
				<verse number="9">En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.</verse>
				<verse number="10">Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.</verse>
				<verse number="11">Gij maakt zijn opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.</verse>
				<verse number="12">Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.</verse>
				<verse number="13">Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging.</verse>
				<verse number="14">De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="66">
				<verse number="1">Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!</verse>
				<verse number="2">Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.</verse>
				<verse number="3">Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.</verse>
				<verse number="4">De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.</verse>
				<verse number="5">Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.</verse>
				<verse number="6">Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.</verse>
				<verse number="7">Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.</verse>
				<verse number="8">Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.</verse>
				<verse number="9">Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.</verse>
				<verse number="10">Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;</verse>
				<verse number="11">Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;</verse>
				<verse number="12">Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.</verse>
				<verse number="13">Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,</verse>
				<verse number="14">Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.</verse>
				<verse number="15">Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.</verse>
				<verse number="16">Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.</verse>
				<verse number="17">Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.</verse>
				<verse number="18">Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.</verse>
				<verse number="19">Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.</verse>
				<verse number="20">Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="67">
				<verse number="1">Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.</verse>
				<verse number="2">God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.</verse>
				<verse number="3">Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.</verse>
				<verse number="4">De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.</verse>
				<verse number="5">De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natiën op de aarde die zult Gij leiden. Sela.</verse>
				<verse number="6">De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.</verse>
				<verse number="7">De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen.</verse>
				<verse number="8">God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="68">
				<verse number="1">Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.</verse>
				<verse number="3">Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.</verse>
				<verse number="4">Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="5">Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="6">Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.</verse>
				<verse number="7">Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.</verse>
				<verse number="8">O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela.</verse>
				<verse number="9">Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.</verse>
				<verse number="10">Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.</verse>
				<verse number="11">Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!</verse>
				<verse number="12">De Heere gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.</verse>
				<verse number="13">De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.</verse>
				<verse number="14">Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.</verse>
				<verse number="15">Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.</verse>
				<verse number="16">De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.</verse>
				<verse number="17">Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Dezen berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="18">Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid!</verse>
				<verse number="19">Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!</verse>
				<verse number="20">Geloofd zij de Heere; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.</verse>
				<verse number="21">Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.</verse>
				<verse number="22">Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.</verse>
				<verse number="23">De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee;</verse>
				<verse number="24">Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.</verse>
				<verse number="25">O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.</verse>
				<verse number="26">De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.</verse>
				<verse number="27">Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israël!</verse>
				<verse number="28">Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.</verse>
				<verse number="29">Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt!</verse>
				<verse number="30">Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.</verse>
				<verse number="31">Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.</verse>
				<verse number="32">Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.</verse>
				<verse number="33">Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.</verse>
				<verse number="34">Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.</verse>
				<verse number="35">Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de bovenste wolken.</verse>
				<verse number="36">O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israëls, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="69">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schóschannim.</verse>
				<verse number="2">Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.</verse>
				<verse number="3">Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.</verse>
				<verse number="4">Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.</verse>
				<verse number="5">Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.</verse>
				<verse number="6">O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.</verse>
				<verse number="7">Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls!</verse>
				<verse number="8">Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.</verse>
				<verse number="9">Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.</verse>
				<verse number="10">Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.</verse>
				<verse number="11">En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.</verse>
				<verse number="12">En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.</verse>
				<verse number="13">Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.</verse>
				<verse number="14">Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.</verse>
				<verse number="15">Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.</verse>
				<verse number="16">Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.</verse>
				<verse number="17">Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.</verse>
				<verse number="18">En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.</verse>
				<verse number="19">Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.</verse>
				<verse number="20">Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.</verse>
				<verse number="21">De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.</verse>
				<verse number="22">Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.</verse>
				<verse number="23">Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.</verse>
				<verse number="24">Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.</verse>
				<verse number="25">Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.</verse>
				<verse number="26">Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.</verse>
				<verse number="27">Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.</verse>
				<verse number="28">Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.</verse>
				<verse number="29">Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.</verse>
				<verse number="30">Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.</verse>
				<verse number="31">Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.</verse>
				<verse number="32">En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.</verse>
				<verse number="33">De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.</verse>
				<verse number="34">Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.</verse>
				<verse number="35">Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wriemelt.</verse>
				<verse number="36">Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;</verse>
				<verse number="37">En het zaad Zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="70">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.</verse>
				<verse number="2">Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.</verse>
				<verse number="3">Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.</verse>
				<verse number="4">Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!</verse>
				<verse number="5">Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt!</verse>
				<verse number="6">Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="71">
				<verse number="1">Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.</verse>
				<verse number="3">Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.</verse>
				<verse number="4">Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.</verse>
				<verse number="5">Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.</verse>
				<verse number="6">Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.</verse>
				<verse number="7">Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.</verse>
				<verse number="8">Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.</verse>
				<verse number="9">Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.</verse>
				<verse number="10">Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,</verse>
				<verse number="11">Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.</verse>
				<verse number="12">O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.</verse>
				<verse number="13">Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.</verse>
				<verse number="14">Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.</verse>
				<verse number="15">Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.</verse>
				<verse number="16">Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.</verse>
				<verse number="17">O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.</verse>
				<verse number="18">Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.</verse>
				<verse number="19">Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?</verse>
				<verse number="20">Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.</verse>
				<verse number="21">Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.</verse>
				<verse number="22">Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israëls!</verse>
				<verse number="23">Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.</verse>
				<verse number="24">Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="72">
				<verse number="1">Voor Sálomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.</verse>
				<verse number="2">Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.</verse>
				<verse number="3">De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.</verse>
				<verse number="4">Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.</verse>
				<verse number="5">Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="6">Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.</verse>
				<verse number="7">In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.</verse>
				<verse number="8">En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.</verse>
				<verse number="9">De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.</verse>
				<verse number="10">De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.</verse>
				<verse number="11">Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.</verse>
				<verse number="12">Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.</verse>
				<verse number="13">Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.</verse>
				<verse number="14">Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.</verse>
				<verse number="15">En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.</verse>
				<verse number="16">Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.</verse>
				<verse number="17">Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.</verse>
				<verse number="18">Geloofd zij de HEERE God, de God Israëls, Die alleen wonderen doet.</verse>
				<verse number="19">En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.</verse>
				<verse number="20">De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="73">
				<heading verse="1">Het voorspoed van de goddelozen</heading>
				<verse number="1">Een psalm van Asaf. Zeker, God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws מזמור לאסף (mizmor le'asaf) = een psalm van Asaf — Asaf was een Levitische zanger (1 Kron 6:39). אך (akh) = zeker, waarlijk — sterker dan "immers". ברי לבב (barei levav) = reinen van hart.</note>
				<ref verse="1">Ps 24:4; Mt 5:8</ref>
				<verse number="2">Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden; mijn schreden waren haast uitgeschoten.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws נטוי (natui) = uitgegleden, afgeweken — beeld van voeten die bijna van het pad glijden. כאין (ke'ayin) = als niets, bijna — versterkt het bijna-karakter.</note>
				<verse number="3">Want ik was jaloers op de dwazen, toen ik de vrede van de goddelozen zag.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws קנאתי (qin'ati) = ik was jaloers/nijdig — van קנא (qana) = jaloers zijn. שלום רשעים (shalom resha'im) = vrede/welzijn van de goddelozen.</note>
				<ref verse="3">Ps 37:1; Spr 23:17; Jer 12:1</ref>
				<verse number="4">Want er zijn geen boeien tot aan hun dood, en hun kracht is fris.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws חרצבות (chartsubboth) = boeien, banden — het woord duidt op ketenen of kwellingen. בריא אולם (bari' ulam) = fris/gezond en sterk.</note>
				<verse number="5">Zij delen niet in de moeite van stervelingen, en worden met andere mensen niet geplaagd.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws עמל אנוש (amal enosh) = moeite van de sterveling — אנוש (enosh) benadrukt de zwakheid van de mens.</note>
				<verse number="6">Daarom omringt de hoogmoed hen als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws גאוה (ga'avah) = hoogmoed, trots — "hovaardij" is verouderd. ענקתמו (anaqtamo) = hun halsketen — van ענק (anaq) = halsketen.</note>
				<verse number="7">Hun ogen puilen uit van vet; zij overtreffen de verbeeldingen van het hart.</verse>
				<note verse="7">Hebreeuws יצא מחלב עינמו (yatsa mechelev enemo) = hun oog treedt uit van vet — beeld van welvaart en overvloed. משכיות לבב (maskiyyoth levav) = verbeeldingen/plannen van het hart.</note>
				<verse number="8">Zij spotten en spreken boosaardig over onderdrukking; zij spreken vanuit de hoogte.</verse>
				<note verse="8">Hebreeuws ימיקו (yamiku) = zij spotten/honen — van מוק (muq) = spotten. עשק (osheq) = onderdrukking, afpersing — "verdrukking" is verouderd in deze context.</note>
				<verse number="9">Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt over de aarde.</verse>
				<verse number="10">Daarom keert Zijn volk zich hierheen, en water van een volle beker wordt door hen uitgedronken,</verse>
				<verse number="11">En zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er kennis zijn bij de Allerhoogste?</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws דעה (de'ah) = kennis, wetenschap — "wetenschap" hier vervangen door het algemenere "kennis". עליון (elyon) = de Allerhoogste — behouden als titel van God.</note>
				<ref verse="11">Job 22:13; Ps 10:11; Jes 29:15</ref>
				<verse number="12">Zie, dit zijn goddelozen; toch hebben zij rust in de wereld, zij vermeerderen hun vermogen.</verse>
				<note verse="12">Hebreeuws שלוי עולם (shalvei olam) = rust in de wereld, ongestoord welzijn. השגו חיל (hisgu chayil) = zij vermeerderen vermogen/rijkdom.</note>
				<verse number="13">Zeker, tevergeefs heb ik mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.</verse>
				<verse number="14">Want ik werd de hele dag geplaagd, en mijn bestraffing was er elke morgen.</verse>
				<note verse="14">Hebreeuws כל היום (kol hayyom) = de hele dag. לבקרים (labbeqarim) = elke morgen, morgen aan morgen — "alle morgens" wordt "elke morgen".</note>
				<heading verse="15">Inzicht in Gods heiligdom</heading>
				<verse number="15">Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken — zie, dan zou ik ontrouw zijn aan het geslacht van Uw kinderen.</verse>
				<verse number="16">Toch heb ik nagedacht om dit te begrijpen; maar het was moeite in mijn ogen,</verse>
				<note verse="16">Hebreeuws ואחשבה לדעת (va'achashvah lada'ath) = ik dacht na om te begrijpen — "verstaan" vervangen door "begrijpen".</note>
				<verse number="17">Totdat ik in Gods heiligdommen binnenging en op hun einde lette.</verse>
				<note verse="17">Hebreeuws מקדשי אל (miqdeshei el) = heiligdommen van God. אחריתם (acharitam) = hun einde, hun lot — van אחרית (acharith) = einde, toekomst.</note>
				<ref verse="17">Ps 77:14; Hab 2:20</ref>
				<verse number="18">Zeker, U zet hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen.</verse>
				<verse number="19">Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting! Zij komen om, zij vergaan van verschrikkingen!</verse>
				<verse number="20">Als een droom na het ontwaken! Heer, als U ontwaakt, dan zult U hun beeld verachten.</verse>
				<note verse="20">Hebreeuws אדני (adonai) = Heer — hier staat אדני, niet יהוה, daarom "Heer" en niet "Jahweh". כחלום מהקיץ (kachalom mehaqits) = als een droom bij het ontwaken.</note>
				<ref verse="20">Ps 90:5; Jes 29:7-8</ref>
				<verse number="21">Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,</verse>
				<verse number="22">Toen was ik onverstandig en wist niets; ik was als een redeloos dier bij U.</verse>
				<note verse="22">Hebreeuws בער (ba'ar) = onverstandig, dom als een beest — "onvernuftig" is verouderd. בהמות (behemoth) = groot dier, beest — als zelfstandig naamwoord. הייתי עמך (hayiti immakh) = ik was bij U.</note>
				<heading verse="23">God als eeuwig deel</heading>
				<verse number="23">Maar ik zal voortdurend bij U zijn; U hebt mijn rechterhand gegrepen.</verse>
				<ref verse="23">Ps 16:8; Ps 63:9</ref>
				<verse number="24">U zult mij leiden door Uw raad, en daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.</verse>
				<ref verse="24">Ps 48:15; Ps 49:16</ref>
				<verse number="25">Wie heb ik naast U in de hemel? Naast U verlang ik niets op de aarde!</verse>
				<note verse="25">Hebreeuws מי לי בשמים (mi li bashamayim) = wie heb ik in de hemel — retorische vraag. חפצתי (chafatsti) = ik verlang — van חפץ (chafats) = verlangen, behagen.</note>
				<ref verse="25">Ps 16:5; Ps 142:6; Fil 3:8</ref>
				<verse number="26">Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, dan is God de rots van mijn hart en mijn deel voor eeuwig.</verse>
				<note verse="26">Hebreeuws צור לבבי (tsur levavi) = rots van mijn hart — "Rotssteen" vervangen door "rots". חלקי (chelqi) = mijn deel, mijn erfdeel.</note>
				<ref verse="26">Ps 18:3; Ps 62:3, 7</ref>
				<verse number="27">Want zie, wie ver van U zijn, zullen vergaan; U verdelgt allen die van U afhoereren.</verse>
				<note verse="27">Hebreeuws זונה (zoneh) = hoererend, ontrouw — beeld van geestelijke ontrouw aan God. הצמתה (hitsmattah) = U verdelgt, U roeit uit.</note>
				<verse number="28">Maar wat mij betreft, het is mij goed dichtbij God te zijn; ik stel mijn vertrouwen op de Heer Jahweh, om al Uw werken te vertellen.</verse>
				<note verse="28">Hebreeuws קרבת אלהים (qirvath elohim) = nabijheid van God — "nabij" vervangen door "dichtbij". אדני יהוה (adonai YHWH) = Heer Jahweh — combinatie van beide Godsnamen. מחסי (machasi) = mijn toevlucht — van חסה (chasah) = schuilen. "betrouwen" vervangen door "vertrouwen".</note>
				<ref verse="28">Ps 65:5; Jak 4:8</ref>
			</chapter>
			<chapter number="74">
				<verse number="1">Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?</verse>
				<verse number="2">Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.</verse>
				<verse number="3">Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.</verse>
				<verse number="4">Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.</verse>
				<verse number="5">Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.</verse>
				<verse number="6">Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.</verse>
				<verse number="7">Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.</verse>
				<verse number="8">Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.</verse>
				<verse number="9">Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.</verse>
				<verse number="10">Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?</verse>
				<verse number="11">Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.</verse>
				<verse number="12">Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.</verse>
				<verse number="13">Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.</verse>
				<verse number="14">Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.</verse>
				<verse number="15">Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.</verse>
				<verse number="16">De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.</verse>
				<verse number="17">Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.</verse>
				<verse number="18">Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.</verse>
				<verse number="19">Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="20">Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.</verse>
				<verse number="21">Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.</verse>
				<verse number="22">Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den ganse dag.</verse>
				<verse number="23">Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="75">
				<verse number="1">Voor den opperzangmeester, Altáscheth; een psalm, een lied, voor Asaf.</verse>
				<verse number="2">Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.</verse>
				<verse number="3">Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.</verse>
				<verse number="4">Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.</verse>
				<verse number="5">Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.</verse>
				<verse number="6">Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.</verse>
				<verse number="7">Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;</verse>
				<verse number="8">Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.</verse>
				<verse number="9">Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.</verse>
				<verse number="10">En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen.</verse>
				<verse number="11">En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="76">
				<verse number="1">Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.</verse>
				<verse number="2">God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël.</verse>
				<verse number="3">En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.</verse>
				<verse number="4">Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.</verse>
				<verse number="5">Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.</verse>
				<verse number="6">De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.</verse>
				<verse number="7">Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.</verse>
				<verse number="8">Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?</verse>
				<verse number="9">Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil.</verse>
				<verse number="10">Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.</verse>
				<verse number="11">Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.</verse>
				<verse number="12">Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;</verse>
				<verse number="13">Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="77">
				<verse number="1">Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedúthun.</verse>
				<verse number="2">Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.</verse>
				<verse number="3">Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.</verse>
				<verse number="4">Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.</verse>
				<verse number="5">Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.</verse>
				<verse number="6">Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.</verse>
				<verse number="7">Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:</verse>
				<verse number="8">Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?</verse>
				<verse number="9">Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?</verse>
				<verse number="10">Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.</verse>
				<verse number="11">Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.</verse>
				<verse number="12">Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;</verse>
				<verse number="13">En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.</verse>
				<verse number="14">O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?</verse>
				<verse number="15">Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.</verse>
				<verse number="16">Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.</verse>
				<verse number="17">De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.</verse>
				<verse number="18">De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.</verse>
				<verse number="19">Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.</verse>
				<verse number="20">Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.</verse>
				<verse number="21">Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="78">
				<verse number="1">Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.</verse>
				<verse number="2">Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;</verse>
				<verse number="3">Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.</verse>
				<verse number="4">Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.</verse>
				<verse number="5">Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;</verse>
				<verse number="6">Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;</verse>
				<verse number="7">En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;</verse>
				<verse number="8">En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.</verse>
				<verse number="9">(De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)</verse>
				<verse number="10">Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.</verse>
				<verse number="11">En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.</verse>
				<verse number="12">Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.</verse>
				<verse number="13">Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.</verse>
				<verse number="14">En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.</verse>
				<verse number="15">Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.</verse>
				<verse number="16">Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.</verse>
				<verse number="17">Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.</verse>
				<verse number="18">En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.</verse>
				<verse number="19">En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?</verse>
				<verse number="20">Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?</verse>
				<verse number="21">Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël;</verse>
				<verse number="22">Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.</verse>
				<verse number="23">Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;</verse>
				<verse number="24">En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.</verse>
				<verse number="25">Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.</verse>
				<verse number="26">Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;</verse>
				<verse number="27">En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën;</verse>
				<verse number="28">En deed het vallen in het midden Zijns legers, rondom Zijn woningen.</verse>
				<verse number="29">Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.</verse>
				<verse number="30">Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,</verse>
				<verse number="31">Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël nedervelde.</verse>
				<verse number="32">Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.</verse>
				<verse number="33">Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.</verse>
				<verse number="34">Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;</verse>
				<verse number="35">En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.</verse>
				<verse number="36">En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.</verse>
				<verse number="37">Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.</verse>
				<verse number="38">Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.</verse>
				<verse number="39">En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.</verse>
				<verse number="40">Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!</verse>
				<verse number="41">Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israëls een perk.</verse>
				<verse number="42">Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;</verse>
				<verse number="43">Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;</verse>
				<verse number="44">En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.</verse>
				<verse number="45">Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.</verse>
				<verse number="46">En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.</verse>
				<verse number="47">Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.</verse>
				<verse number="48">Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.</verse>
				<verse number="49">Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.</verse>
				<verse number="50">Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.</verse>
				<verse number="51">En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.</verse>
				<verse number="52">En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.</verse>
				<verse number="53">Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.</verse>
				<verse number="54">En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.</verse>
				<verse number="55">En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israëls in hun tenten wonen.</verse>
				<verse number="56">Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.</verse>
				<verse number="57">En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.</verse>
				<verse number="58">En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.</verse>
				<verse number="59">God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël zeer.</verse>
				<verse number="60">Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.</verse>
				<verse number="61">En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.</verse>
				<verse number="62">En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.</verse>
				<verse number="63">Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.</verse>
				<verse number="64">Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.</verse>
				<verse number="65">Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.</verse>
				<verse number="66">En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.</verse>
				<verse number="67">Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraïm verkoos Hij niet.</verse>
				<verse number="68">Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.</verse>
				<verse number="69">En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="70">En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;</verse>
				<verse number="71">Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.</verse>
				<verse number="72">Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="79">
				<verse number="1">Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.</verse>
				<verse number="2">Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.</verse>
				<verse number="3">Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.</verse>
				<verse number="4">Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.</verse>
				<verse number="5">Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?</verse>
				<verse number="6">Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.</verse>
				<verse number="7">Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.</verse>
				<verse number="8">Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.</verse>
				<verse number="9">Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.</verse>
				<verse number="10">Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.</verse>
				<verse number="11">Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.</verse>
				<verse number="12">En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.</verse>
				<verse number="13">Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="80">
				<verse number="1">Voor den opperzangmeester, op Schóschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.</verse>
				<verse number="2">O Herder Israëls! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.</verse>
				<verse number="3">Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.</verse>
				<verse number="4">O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.</verse>
				<verse number="5">O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?</verse>
				<verse number="6">Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.</verse>
				<verse number="7">Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder elkander.</verse>
				<verse number="8">O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.</verse>
				<verse number="9">Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant;</verse>
				<verse number="10">Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.</verse>
				<verse number="11">De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods.</verse>
				<verse number="12">Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.</verse>
				<verse number="13">Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?</verse>
				<verse number="14">Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.</verse>
				<verse number="15">O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,</verse>
				<verse number="16">En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den Zoon, Dien Gij U gesterkt hebt!</verse>
				<verse number="17">Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.</verse>
				<verse number="18">Uw hand zij over den Man Uwer rechterhand, over des mensen Zoon, Dien Gij U gesterkt hebt.</verse>
				<verse number="19">Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen.</verse>
				<verse number="20">O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="81">
				<verse number="1">Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.</verse>
				<verse number="2">Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.</verse>
				<verse number="3">Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.</verse>
				<verse number="4">Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.</verse>
				<verse number="5">Want dit is een inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs.</verse>
				<verse number="6">Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;</verse>
				<verse number="7">Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.</verse>
				<verse number="8">In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Mériba. Sela.</verse>
				<verse number="9">Mijn volk, zeide Ik, hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israël, of gij naar Mij hoordet!</verse>
				<verse number="10">Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.</verse>
				<verse number="11">Ik ben de HEERE, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.</verse>
				<verse number="12">Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Mijner niet gewild.</verse>
				<verse number="13">Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.</verse>
				<verse number="14">Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!</verse>
				<verse number="15">In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.</verse>
				<verse number="16">Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.</verse>
				<verse number="17">En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="82">
				<verse number="1">Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;</verse>
				<verse number="2">Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.</verse>
				<verse number="3">Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.</verse>
				<verse number="4">Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.</verse>
				<verse number="5">Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.</verse>
				<verse number="6">Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;</verse>
				<verse number="7">Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.</verse>
				<verse number="8">Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natiën.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="83">
				<verse number="1">Een lied, een psalm van Asaf.</verse>
				<verse number="2">O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!</verse>
				<verse number="3">Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.</verse>
				<verse number="4">Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.</verse>
				<verse number="5">Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israëls niet meer gedacht worde.</verse>
				<verse number="6">Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;</verse>
				<verse number="7">De tenten van Edom en der Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen;</verse>
				<verse number="8">Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.</verse>
				<verse number="9">Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.</verse>
				<verse number="10">Doe hun als Midian, als Sísera, als Jabin aan de beek Kison;</verse>
				<verse number="11">Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.</verse>
				<verse number="12">Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmûna;</verse>
				<verse number="13">Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.</verse>
				<verse number="14">Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.</verse>
				<verse number="15">Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;</verse>
				<verse number="16">Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.</verse>
				<verse number="17">Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.</verse>
				<verse number="18">Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen;</verse>
				<verse number="19">Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="84">
				<verse number="1">Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!</verse>
				<verse number="3">Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.</verse>
				<verse number="4">Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!</verse>
				<verse number="5">Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.</verse>
				<verse number="6">Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.</verse>
				<verse number="7">Als zij door het dal der moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.</verse>
				<verse number="8">Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.</verse>
				<verse number="9">HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.</verse>
				<verse number="10">O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.</verse>
				<verse number="11">Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.</verse>
				<verse number="12">Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.</verse>
				<verse number="13">HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="85">
				<verse number="1">Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.</verse>
				<verse number="2">Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.</verse>
				<verse number="3">De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.</verse>
				<verse number="4">Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.</verse>
				<verse number="5">Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.</verse>
				<verse number="6">Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?</verse>
				<verse number="7">Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?</verse>
				<verse number="8">Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.</verse>
				<verse number="9">Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.</verse>
				<verse number="10">Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.</verse>
				<verse number="11">De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.</verse>
				<verse number="12">De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.</verse>
				<verse number="13">Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven.</verse>
				<verse number="14">De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="86">
				<verse number="1">Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.</verse>
				<verse number="2">Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt.</verse>
				<verse number="3">Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.</verse>
				<verse number="4">Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, Heere! verhef ik mijn ziel.</verse>
				<verse number="5">Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen.</verse>
				<verse number="6">HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.</verse>
				<verse number="7">In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.</verse>
				<verse number="8">Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.</verse>
				<verse number="9">Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.</verse>
				<verse number="10">Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.</verse>
				<verse number="11">Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.</verse>
				<verse number="12">Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;</verse>
				<verse number="13">Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.</verse>
				<verse number="14">O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.</verse>
				<verse number="15">Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.</verse>
				<verse number="16">Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.</verse>
				<verse number="17">Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="87">
				<verse number="1">Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.</verse>
				<verse number="2">De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.</verse>
				<verse number="3">Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela.</verse>
				<verse number="4">Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met den Moor, deze is aldaar geboren.</verse>
				<verse number="5">En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal haar bevestigen.</verse>
				<verse number="6">De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela.</verse>
				<verse number="7">En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="88">
				<verse number="1">Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Máchalath Leánnôth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.</verse>
				<verse number="2">O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.</verse>
				<verse number="3">Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.</verse>
				<verse number="4">Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.</verse>
				<verse number="5">Ik ben gerekend met degenen, die in den kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;</verse>
				<verse number="6">Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.</verse>
				<verse number="7">Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.</verse>
				<verse number="8">Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.</verse>
				<verse number="9">Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.</verse>
				<verse number="10">Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.</verse>
				<verse number="11">Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.</verse>
				<verse number="12">Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?</verse>
				<verse number="13">Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?</verse>
				<verse number="14">Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.</verse>
				<verse number="15">HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?</verse>
				<verse number="16">Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.</verse>
				<verse number="17">Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.</verse>
				<verse number="18">Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij.</verse>
				<verse number="19">Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="89">
				<verse number="1">Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet.</verse>
				<verse number="2">Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="3">Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:</verse>
				<verse number="5">Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.</verse>
				<verse number="6">Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.</verse>
				<verse number="7">Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?</verse>
				<verse number="8">God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.</verse>
				<verse number="9">O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.</verse>
				<verse number="10">Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.</verse>
				<verse number="11">Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.</verse>
				<verse number="12">De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.</verse>
				<verse number="13">Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.</verse>
				<verse number="14">Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.</verse>
				<verse number="15">Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.</verse>
				<verse number="16">Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.</verse>
				<verse number="17">Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.</verse>
				<verse number="18">Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.</verse>
				<verse number="19">Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israëls.</verse>
				<verse number="20">Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.</verse>
				<verse number="21">Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;</verse>
				<verse number="22">Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.</verse>
				<verse number="23">De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.</verse>
				<verse number="24">Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.</verse>
				<verse number="25">En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.</verse>
				<verse number="27">Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!</verse>
				<verse number="28">Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.</verse>
				<verse number="29">Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.</verse>
				<verse number="30">En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.</verse>
				<verse number="31">Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;</verse>
				<verse number="32">Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;</verse>
				<verse number="33">Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.</verse>
				<verse number="34">Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.</verse>
				<verse number="35">Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.</verse>
				<verse number="36">Ik heb ééns gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!</verse>
				<verse number="37">Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.</verse>
				<verse number="38">Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de getuige in den hemel is getrouw. Sela.</verse>
				<verse number="39">Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.</verse>
				<verse number="40">Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.</verse>
				<verse number="41">Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.</verse>
				<verse number="42">Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.</verse>
				<verse number="43">Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.</verse>
				<verse number="44">Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.</verse>
				<verse number="45">Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.</verse>
				<verse number="46">Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.</verse>
				<verse number="47">Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?</verse>
				<verse number="48">Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?</verse>
				<verse number="49">Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.</verse>
				<verse number="50">Heere! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?</verse>
				<verse number="51">Gedenk, Heere! aan den smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.</verse>
				<verse number="52">Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden.</verse>
				<verse number="53">Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="90">
				<verse number="1">Een gebed van Mozes, den man Gods. Heere! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="2">Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.</verse>
				<verse number="3">Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!</verse>
				<verse number="4">Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.</verse>
				<verse number="5">Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;</verse>
				<verse number="6">In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.</verse>
				<verse number="7">Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.</verse>
				<verse number="8">Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.</verse>
				<verse number="9">Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.</verse>
				<verse number="10">Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.</verse>
				<verse number="11">Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?</verse>
				<verse number="12">Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.</verse>
				<verse number="13">Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.</verse>
				<verse number="14">Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.</verse>
				<verse number="15">Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.</verse>
				<verse number="16">Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.</verse>
				<verse number="17">En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="91">
				<verse number="1">Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.</verse>
				<verse number="2">Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!</verse>
				<verse number="3">Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.</verse>
				<verse number="4">Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.</verse>
				<verse number="5">Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;</verse>
				<verse number="6">Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.</verse>
				<verse number="7">Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.</verse>
				<verse number="8">Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.</verse>
				<verse number="9">Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;</verse>
				<verse number="10">U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.</verse>
				<verse number="11">Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.</verse>
				<verse number="12">Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.</verse>
				<verse number="13">Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.</verse>
				<verse number="14">Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.</verse>
				<verse number="15">Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.</verse>
				<verse number="16">Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="92">
				<verse number="1">Een psalm, een lied, op den sabbatdag.</verse>
				<verse number="2">Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!</verse>
				<verse number="3">Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;</verse>
				<verse number="4">Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.</verse>
				<verse number="5">Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.</verse>
				<verse number="6">O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.</verse>
				<verse number="7">Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;</verse>
				<verse number="8">Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.</verse>
				<verse number="9">Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!</verse>
				<verse number="10">Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.</verse>
				<verse number="11">Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.</verse>
				<verse number="12">En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.</verse>
				<verse number="13">De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.</verse>
				<verse number="14">Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.</verse>
				<verse number="15">In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,</verse>
				<verse number="16">Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="93">
				<verse number="1">De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.</verse>
				<verse number="2">Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af.</verse>
				<verse number="3">De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.</verse>
				<verse number="4">Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.</verse>
				<verse number="5">Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="94">
				<verse number="1">O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.</verse>
				<verse number="2">Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.</verse>
				<verse number="3">Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?</verse>
				<verse number="4">Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?</verse>
				<verse number="5">O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.</verse>
				<verse number="6">De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.</verse>
				<verse number="7">En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.</verse>
				<verse number="8">Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?</verse>
				<verse number="9">Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?</verse>
				<verse number="10">Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?</verse>
				<verse number="11">De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.</verse>
				<verse number="12">Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,</verse>
				<verse number="13">Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.</verse>
				<verse number="14">Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.</verse>
				<verse number="15">Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.</verse>
				<verse number="16">Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?</verse>
				<verse number="17">Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.</verse>
				<verse number="18">Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.</verse>
				<verse number="19">Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.</verse>
				<verse number="20">Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?</verse>
				<verse number="21">Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.</verse>
				<verse number="22">Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.</verse>
				<verse number="23">En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="95">
				<verse number="1">Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.</verse>
				<verse number="2">Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.</verse>
				<verse number="3">Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;</verse>
				<verse number="4">In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;</verse>
				<verse number="5">Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.</verse>
				<verse number="6">Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="7">Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,</verse>
				<verse number="8">Verhardt uw hart niet, gelijk te Meríba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;</verse>
				<verse number="9">Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.</verse>
				<verse number="10">Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.</verse>
				<verse number="11">Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="96">
				<verse number="1">Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt den HEERE, gij ganse aarde!</verse>
				<verse number="2">Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.</verse>
				<verse number="3">Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.</verse>
				<verse number="4">Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.</verse>
				<verse number="5">Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.</verse>
				<verse number="6">Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.</verse>
				<verse number="7">Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.</verse>
				<verse number="8">Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.</verse>
				<verse number="9">Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.</verse>
				<verse number="10">Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.</verse>
				<verse number="11">Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.</verse>
				<verse number="12">Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.</verse>
				<verse number="13">Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="97">
				<verse number="1">De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.</verse>
				<verse number="2">Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.</verse>
				<verse number="3">Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.</verse>
				<verse number="4">Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.</verse>
				<verse number="5">De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des Heeren der ganse aarde.</verse>
				<verse number="6">De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.</verse>
				<verse number="7">Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden!</verse>
				<verse number="8">Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!</verse>
				<verse number="9">Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.</verse>
				<verse number="10">Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.</verse>
				<verse number="11">Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.</verse>
				<verse number="12">Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="98">
				<verse number="1">Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.</verse>
				<verse number="2">De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.</verse>
				<verse number="3">Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israëls; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.</verse>
				<verse number="4">Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.</verse>
				<verse number="5">Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,</verse>
				<verse number="6">Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.</verse>
				<verse number="7">De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.</verse>
				<verse number="8">Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,</verse>
				<verse number="9">Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="99">
				<verse number="1">De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.</verse>
				<verse number="2">De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.</verse>
				<verse number="3">Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;</verse>
				<verse number="4">En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.</verse>
				<verse number="5">Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!</verse>
				<verse number="6">Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.</verse>
				<verse number="7">Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.</verse>
				<verse number="8">O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.</verse>
				<verse number="9">Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="100">
				<verse number="1">Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.</verse>
				<verse number="2">Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.</verse>
				<verse number="3">Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.</verse>
				<verse number="4">Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.</verse>
				<verse number="5">Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="101">
				<verse number="1">Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!</verse>
				<verse number="2">Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.</verse>
				<verse number="3">Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.</verse>
				<verse number="4">Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.</verse>
				<verse number="5">Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, dien zal ik niet vermogen.</verse>
				<verse number="6">Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.</verse>
				<verse number="7">Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.</verse>
				<verse number="8">Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="102">
				<verse number="1">Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="2">O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.</verse>
				<verse number="3">Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk.</verse>
				<verse number="4">Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.</verse>
				<verse number="5">Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.</verse>
				<verse number="6">Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.</verse>
				<verse number="7">Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.</verse>
				<verse number="8">Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.</verse>
				<verse number="9">Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.</verse>
				<verse number="10">Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.</verse>
				<verse number="11">Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.</verse>
				<verse number="12">Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.</verse>
				<verse number="13">Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="14">Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.</verse>
				<verse number="15">Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.</verse>
				<verse number="16">Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.</verse>
				<verse number="17">Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,</verse>
				<verse number="18">Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;</verse>
				<verse number="19">Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;</verse>
				<verse number="20">Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;</verse>
				<verse number="21">Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;</verse>
				<verse number="22">Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;</verse>
				<verse number="23">Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.</verse>
				<verse number="24">Hij heeft mijn kracht op den weg ter neder gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.</verse>
				<verse number="25">Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="26">Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;</verse>
				<verse number="27">Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.</verse>
				<verse number="28">Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden.</verse>
				<verse number="29">De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="103">
				<verse number="1">Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.</verse>
				<verse number="2">Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;</verse>
				<verse number="3">Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;</verse>
				<verse number="4">Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;</verse>
				<verse number="5">Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.</verse>
				<verse number="6">De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.</verse>
				<verse number="7">Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, den kinderen Israëls Zijn daden.</verse>
				<verse number="8">Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.</verse>
				<verse number="9">Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.</verse>
				<verse number="10">Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.</verse>
				<verse number="11">Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.</verse>
				<verse number="12">Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.</verse>
				<verse number="13">Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.</verse>
				<verse number="14">Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.</verse>
				<verse number="15">De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.</verse>
				<verse number="16">Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.</verse>
				<verse number="17">Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;</verse>
				<verse number="18">Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.</verse>
				<verse number="19">De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.</verse>
				<verse number="20">Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.</verse>
				<verse number="21">Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!</verse>
				<verse number="22">Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="104">
				<verse number="1">Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.</verse>
				<verse number="2">Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.</verse>
				<verse number="3">Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.</verse>
				<verse number="4">Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.</verse>
				<verse number="5">Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.</verse>
				<verse number="6">Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.</verse>
				<verse number="7">Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.</verse>
				<verse number="8">De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.</verse>
				<verse number="9">Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.</verse>
				<verse number="10">Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.</verse>
				<verse number="11">Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.</verse>
				<verse number="12">Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.</verse>
				<verse number="13">Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.</verse>
				<verse number="14">Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.</verse>
				<verse number="15">En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.</verse>
				<verse number="16">De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;</verse>
				<verse number="17">Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.</verse>
				<verse number="18">De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.</verse>
				<verse number="19">Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.</verse>
				<verse number="20">Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:</verse>
				<verse number="21">De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.</verse>
				<verse number="22">De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.</verse>
				<verse number="23">De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.</verse>
				<verse number="24">Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.</verse>
				<verse number="25">Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.</verse>
				<verse number="26">Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.</verse>
				<verse number="27">Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.</verse>
				<verse number="28">Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.</verse>
				<verse number="29">Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.</verse>
				<verse number="30">Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.</verse>
				<verse number="31">De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.</verse>
				<verse number="32">Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.</verse>
				<verse number="33">Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.</verse>
				<verse number="34">Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.</verse>
				<verse number="35">De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="105">
				<verse number="1">Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.</verse>
				<verse number="2">Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.</verse>
				<verse number="3">Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.</verse>
				<verse number="4">Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.</verse>
				<verse number="5">Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.</verse>
				<verse number="6">Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!</verse>
				<verse number="7">Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.</verse>
				<verse number="8">Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;</verse>
				<verse number="9">Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;</verse>
				<verse number="10">Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond,</verse>
				<verse number="11">Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van ulieder erfdeel.</verse>
				<verse number="12">Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;</verse>
				<verse number="13">En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;</verse>
				<verse number="14">Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:</verse>
				<verse number="15">Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.</verse>
				<verse number="16">Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.</verse>
				<verse number="17">Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.</verse>
				<verse number="18">Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.</verse>
				<verse number="19">Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.</verse>
				<verse number="20">De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.</verse>
				<verse number="21">Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;</verse>
				<verse number="22">Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.</verse>
				<verse number="23">Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.</verse>
				<verse number="24">En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.</verse>
				<verse number="25">Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.</verse>
				<verse number="26">Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aäron, dien Hij verkoren had.</verse>
				<verse number="27">Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.</verse>
				<verse number="28">Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.</verse>
				<verse number="29">Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.</verse>
				<verse number="30">Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.</verse>
				<verse number="31">Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.</verse>
				<verse number="32">Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.</verse>
				<verse number="33">En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.</verse>
				<verse number="34">Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;</verse>
				<verse number="35">Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landouwe op.</verse>
				<verse number="36">Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.</verse>
				<verse number="37">En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.</verse>
				<verse number="38">Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.</verse>
				<verse number="39">Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.</verse>
				<verse number="40">Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.</verse>
				<verse number="41">Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.</verse>
				<verse number="42">Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.</verse>
				<verse number="43">Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.</verse>
				<verse number="44">En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;</verse>
				<verse number="45">Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="106">
				<verse number="1">Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?</verse>
				<verse number="3">Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.</verse>
				<verse number="4">Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;</verse>
				<verse number="5">Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.</verse>
				<verse number="6">Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.</verse>
				<verse number="7">Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.</verse>
				<verse number="8">Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.</verse>
				<verse number="9">En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.</verse>
				<verse number="10">En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.</verse>
				<verse number="11">En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.</verse>
				<verse number="12">Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.</verse>
				<verse number="13">Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.</verse>
				<verse number="14">Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.</verse>
				<verse number="15">Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.</verse>
				<verse number="16">En zij benijdden Mozes in het leger, en Aäron, den heilige des HEEREN.</verse>
				<verse number="17">De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abíram.</verse>
				<verse number="18">En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.</verse>
				<verse number="19">Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.</verse>
				<verse number="20">En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.</verse>
				<verse number="21">Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;</verse>
				<verse number="22">Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.</verse>
				<verse number="23">Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.</verse>
				<verse number="24">Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.</verse>
				<verse number="25">Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.</verse>
				<verse number="26">Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;</verse>
				<verse number="27">En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.</verse>
				<verse number="28">Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.</verse>
				<verse number="29">En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.</verse>
				<verse number="30">Toen stond Pínehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.</verse>
				<verse number="31">En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="32">Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.</verse>
				<verse number="33">Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.</verse>
				<verse number="34">Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;</verse>
				<verse number="35">Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.</verse>
				<verse number="36">En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.</verse>
				<verse number="37">Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.</verse>
				<verse number="38">En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaän hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.</verse>
				<verse number="39">En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.</verse>
				<verse number="40">Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.</verse>
				<verse number="41">En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.</verse>
				<verse number="42">En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.</verse>
				<verse number="43">Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="44">Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.</verse>
				<verse number="45">En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.</verse>
				<verse number="46">Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.</verse>
				<verse number="47">Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.</verse>
				<verse number="48">Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="107">
				<verse number="1">Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.</verse>
				<verse number="3">En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.</verse>
				<verse number="4">Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;</verse>
				<verse number="5">Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.</verse>
				<verse number="6">Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;</verse>
				<verse number="7">En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.</verse>
				<verse number="8">Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;</verse>
				<verse number="9">Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;</verse>
				<verse number="10">Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;</verse>
				<verse number="11">Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.</verse>
				<verse number="12">Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.</verse>
				<verse number="13">Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.</verse>
				<verse number="14">Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.</verse>
				<verse number="15">Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;</verse>
				<verse number="16">Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.</verse>
				<verse number="17">De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;</verse>
				<verse number="18">Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.</verse>
				<verse number="19">Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.</verse>
				<verse number="20">Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.</verse>
				<verse number="21">Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;</verse>
				<verse number="22">En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.</verse>
				<verse number="23">Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op grote wateren;</verse>
				<verse number="24">Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.</verse>
				<verse number="25">Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.</verse>
				<verse number="26">Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.</verse>
				<verse number="27">Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.</verse>
				<verse number="28">Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.</verse>
				<verse number="29">Hij doet den storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.</verse>
				<verse number="30">Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft.</verse>
				<verse number="31">Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;</verse>
				<verse number="32">En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.</verse>
				<verse number="33">Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot een dorstig land.</verse>
				<verse number="34">Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.</verse>
				<verse number="35">Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.</verse>
				<verse number="36">En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;</verse>
				<verse number="37">En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.</verse>
				<verse number="38">En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.</verse>
				<verse number="39">Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.</verse>
				<verse number="40">Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.</verse>
				<verse number="41">Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.</verse>
				<verse number="42">De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.</verse>
				<verse number="43">Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="108">
				<verse number="1">Een lied, een psalm van David.</verse>
				<verse number="2">O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.</verse>
				<verse number="3">Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.</verse>
				<verse number="4">Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natiën.</verse>
				<verse number="5">Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.</verse>
				<verse number="6">Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.</verse>
				<verse number="7">Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.</verse>
				<verse number="8">God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.</verse>
				<verse number="9">Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.</verse>
				<verse number="10">Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.</verse>
				<verse number="11">Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?</verse>
				<verse number="12">Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?</verse>
				<verse number="13">Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid.</verse>
				<verse number="14">In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="109">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.</verse>
				<verse number="2">Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.</verse>
				<verse number="3">En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.</verse>
				<verse number="4">Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.</verse>
				<verse number="5">En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.</verse>
				<verse number="6">Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.</verse>
				<verse number="7">Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.</verse>
				<verse number="8">Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;</verse>
				<verse number="9">Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.</verse>
				<verse number="10">En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.</verse>
				<verse number="11">Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.</verse>
				<verse number="12">Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.</verse>
				<verse number="13">Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.</verse>
				<verse number="14">De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.</verse>
				<verse number="15">Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.</verse>
				<verse number="16">Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.</verse>
				<verse number="17">Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.</verse>
				<verse number="18">En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.</verse>
				<verse number="19">Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.</verse>
				<verse number="20">Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.</verse>
				<verse number="21">Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.</verse>
				<verse number="22">Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.</verse>
				<verse number="23">Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.</verse>
				<verse number="24">Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.</verse>
				<verse number="25">Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.</verse>
				<verse number="26">Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.</verse>
				<verse number="27">Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.</verse>
				<verse number="28">Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.</verse>
				<verse number="29">Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.</verse>
				<verse number="30">Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.</verse>
				<verse number="31">Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="110">
				<verse number="1">Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.</verse>
				<verse number="2">De HEERE zal den scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.</verse>
				<verse number="3">Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.</verse>
				<verse number="4">De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.</verse>
				<verse number="5">De Heere is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.</verse>
				<verse number="6">Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.</verse>
				<verse number="7">Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="111">
				<verse number="1">Hallelujah! Ik zal den HEERE loven van ganser harte; In den raad en vergadering der oprechten.</verse>
				<verse number="2">De werken des HEEREN zijn groot; zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.</verse>
				<verse number="3">Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; en Zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; de HEERE is genadig en barmhartig.</verse>
				<verse number="5">Hij heeft dengenen, die Hem vrezen, spijs gegeven; Hij gedenkt in der eeuwigheid aan Zijn verbond.</verse>
				<verse number="6">Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; hun gevende de erve der heidenen.</verse>
				<verse number="7">De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; al Zijn bevelen zijn getrouw.</verse>
				<verse number="8">Zij zijn ondersteund voor altoos en in eeuwigheid; zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.</verse>
				<verse number="9">Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden; Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Zijn Naam is heilig en vreselijk.</verse>
				<verse number="10">De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; allen, die ze doen, hebben goed verstand; Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="112">
				<verse number="1">Hallelujah! Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; die groten lust heeft in Zijn geboden.</verse>
				<verse number="2">Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; het geslacht der oprechten zal gezegend worden.</verse>
				<verse number="3">In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.</verse>
				<verse number="5">Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; hij beschikt zijn zaken met recht.</verse>
				<verse number="6">Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.</verse>
				<verse number="7">Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.</verse>
				<verse number="8">Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; totdat hij op zijn wederpartijen zie.</verse>
				<verse number="9">Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.</verse>
				<verse number="10">De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; hij zal met zijn tanden knersen en smelten. de wens der goddelozen zal vergaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="113">
				<verse number="1">Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.</verse>
				<verse number="2">De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="3">Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.</verse>
				<verse number="4">De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.</verse>
				<verse number="5">Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.</verse>
				<verse number="6">Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde;</verse>
				<verse number="7">Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;</verse>
				<verse number="8">Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.</verse>
				<verse number="9">Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="114">
				<verse number="1">Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;</verse>
				<verse number="2">Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomene heerschappij.</verse>
				<verse number="3">De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.</verse>
				<verse number="4">De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.</verse>
				<verse number="5">Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?</verse>
				<verse number="6">Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?</verse>
				<verse number="7">Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;</verse>
				<verse number="8">Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="115">
				<verse number="1">Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.</verse>
				<verse number="2">Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?</verse>
				<verse number="3">Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.</verse>
				<verse number="4">Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;</verse>
				<verse number="5">Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;</verse>
				<verse number="6">Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;</verse>
				<verse number="7">Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.</verse>
				<verse number="8">Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.</verse>
				<verse number="9">Israël! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.</verse>
				<verse number="10">Gij huis van Aäron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.</verse>
				<verse number="11">Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.</verse>
				<verse number="12">De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.</verse>
				<verse number="13">Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.</verse>
				<verse number="14">De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.</verse>
				<verse number="15">Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="16">Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven.</verse>
				<verse number="17">De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.</verse>
				<verse number="18">Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="116">
				<verse number="1">Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;</verse>
				<verse number="2">Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.</verse>
				<verse number="3">De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.</verse>
				<verse number="4">Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.</verse>
				<verse number="5">De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.</verse>
				<verse number="6">De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.</verse>
				<verse number="7">Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.</verse>
				<verse number="8">Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van den dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.</verse>
				<verse number="9">Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.</verse>
				<verse number="10">Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.</verse>
				<verse number="11">Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.</verse>
				<verse number="12">Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?</verse>
				<verse number="13">Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.</verse>
				<verse number="14">Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.</verse>
				<verse number="15">Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.</verse>
				<verse number="16">Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.</verse>
				<verse number="17">Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.</verse>
				<verse number="18">Ik zal mijn gelofte den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk;</verse>
				<verse number="19">In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="117">
				<verse number="1">Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!</verse>
				<verse number="2">Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="118">
				<verse number="1">Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">Dat Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.</verse>
				<verse number="3">Het huis van Aäron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.</verse>
				<verse number="4">Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.</verse>
				<verse number="5">Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.</verse>
				<verse number="6">De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?</verse>
				<verse number="7">De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.</verse>
				<verse number="8">Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.</verse>
				<verse number="9">Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.</verse>
				<verse number="10">Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.</verse>
				<verse number="11">Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.</verse>
				<verse number="12">Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.</verse>
				<verse number="13">Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.</verse>
				<verse number="14">De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.</verse>
				<verse number="15">In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.</verse>
				<verse number="16">De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.</verse>
				<verse number="17">Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.</verse>
				<verse number="18">De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.</verse>
				<verse number="19">Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.</verse>
				<verse number="20">Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.</verse>
				<verse number="21">Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.</verse>
				<verse number="22">De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.</verse>
				<verse number="23">Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.</verse>
				<verse number="24">Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.</verse>
				<verse number="25">Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.</verse>
				<verse number="26">Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.</verse>
				<verse number="28">Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.</verse>
				<verse number="29">Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="119">
				<verse number="1">Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.</verse>
				<verse number="2">Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;</verse>
				<verse number="3">Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.</verse>
				<verse number="4">HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.</verse>
				<verse number="5">Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!</verse>
				<verse number="6">Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.</verse>
				<verse number="7">Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.</verse>
				<verse number="8">Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.</verse>
				<verse number="9">Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.</verse>
				<verse number="10">Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.</verse>
				<verse number="11">Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.</verse>
				<verse number="12">HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.</verse>
				<verse number="13">Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.</verse>
				<verse number="14">Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.</verse>
				<verse number="15">Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.</verse>
				<verse number="16">Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.</verse>
				<verse number="17">Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.</verse>
				<verse number="18">Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.</verse>
				<verse number="19">Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.</verse>
				<verse number="20">Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.</verse>
				<verse number="21">Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.</verse>
				<verse number="22">Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.</verse>
				<verse number="23">Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.</verse>
				<verse number="24">Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen en mijn raadslieden.</verse>
				<verse number="25">Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.</verse>
				<verse number="26">Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.</verse>
				<verse number="27">Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.</verse>
				<verse number="28">Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.</verse>
				<verse number="29">Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.</verse>
				<verse number="30">Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.</verse>
				<verse number="31">Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.</verse>
				<verse number="32">Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.</verse>
				<verse number="33">HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.</verse>
				<verse number="34">Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.</verse>
				<verse number="35">Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.</verse>
				<verse number="36">Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.</verse>
				<verse number="37">Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.</verse>
				<verse number="38">Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.</verse>
				<verse number="39">Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.</verse>
				<verse number="40">Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.</verse>
				<verse number="41">Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;</verse>
				<verse number="42">Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.</verse>
				<verse number="43">En ruk het Woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.</verse>
				<verse number="44">Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.</verse>
				<verse number="45">En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.</verse>
				<verse number="46">Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.</verse>
				<verse number="47">En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.</verse>
				<verse number="48">En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.</verse>
				<verse number="49">Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.</verse>
				<verse number="50">Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.</verse>
				<verse number="51">De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.</verse>
				<verse number="52">Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.</verse>
				<verse number="53">Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.</verse>
				<verse number="54">Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.</verse>
				<verse number="55">HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.</verse>
				<verse number="56">Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.</verse>
				<verse number="57">De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.</verse>
				<verse number="58">Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.</verse>
				<verse number="59">Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.</verse>
				<verse number="60">Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.</verse>
				<verse number="61">De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.</verse>
				<verse number="62">Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.</verse>
				<verse number="63">Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.</verse>
				<verse number="64">HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.</verse>
				<verse number="65">Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.</verse>
				<verse number="66">Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.</verse>
				<verse number="67">Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.</verse>
				<verse number="68">Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.</verse>
				<verse number="69">De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.</verse>
				<verse number="70">Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.</verse>
				<verse number="71">Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.</verse>
				<verse number="72">De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.</verse>
				<verse number="73">Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.</verse>
				<verse number="74">Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.</verse>
				<verse number="75">Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.</verse>
				<verse number="76">Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.</verse>
				<verse number="77">Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.</verse>
				<verse number="78">Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.</verse>
				<verse number="79">Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.</verse>
				<verse number="80">Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.</verse>
				<verse number="81">Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.</verse>
				<verse number="82">Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?</verse>
				<verse number="83">Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.</verse>
				<verse number="84">Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?</verse>
				<verse number="85">De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.</verse>
				<verse number="86">Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.</verse>
				<verse number="87">Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.</verse>
				<verse number="88">Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.</verse>
				<verse number="89">O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.</verse>
				<verse number="90">Uw getrouwheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;</verse>
				<verse number="91">Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.</verse>
				<verse number="92">Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.</verse>
				<verse number="93">Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.</verse>
				<verse number="94">Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.</verse>
				<verse number="95">De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.</verse>
				<verse number="96">In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.</verse>
				<verse number="97">Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.</verse>
				<verse number="98">Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.</verse>
				<verse number="99">Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.</verse>
				<verse number="100">Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.</verse>
				<verse number="101">Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.</verse>
				<verse number="102">Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.</verse>
				<verse number="103">Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!</verse>
				<verse number="104">Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.</verse>
				<verse number="105">Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.</verse>
				<verse number="106">Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.</verse>
				<verse number="107">Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.</verse>
				<verse number="108">Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.</verse>
				<verse number="109">Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.</verse>
				<verse number="110">De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.</verse>
				<verse number="111">Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.</verse>
				<verse number="112">Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.</verse>
				<verse number="113">Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.</verse>
				<verse number="114">Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.</verse>
				<verse number="115">Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.</verse>
				<verse number="116">Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.</verse>
				<verse number="117">Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.</verse>
				<verse number="118">Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.</verse>
				<verse number="119">Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.</verse>
				<verse number="120">Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.</verse>
				<verse number="121">Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.</verse>
				<verse number="122">Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.</verse>
				<verse number="123">Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.</verse>
				<verse number="124">Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.</verse>
				<verse number="125">Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.</verse>
				<verse number="126">Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.</verse>
				<verse number="127">Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.</verse>
				<verse number="128">Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.</verse>
				<verse number="129">Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.</verse>
				<verse number="130">De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.</verse>
				<verse number="131">Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.</verse>
				<verse number="132">Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.</verse>
				<verse number="133">Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.</verse>
				<verse number="134">Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.</verse>
				<verse number="135">Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.</verse>
				<verse number="136">Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.</verse>
				<verse number="137">HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.</verse>
				<verse number="138">Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.</verse>
				<verse number="139">Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.</verse>
				<verse number="140">Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.</verse>
				<verse number="141">Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.</verse>
				<verse number="142">Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.</verse>
				<verse number="143">Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.</verse>
				<verse number="144">De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.</verse>
				<verse number="145">Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.</verse>
				<verse number="146">Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.</verse>
				<verse number="147">Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.</verse>
				<verse number="148">Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.</verse>
				<verse number="149">Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.</verse>
				<verse number="150">Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.</verse>
				<verse number="151">Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.</verse>
				<verse number="152">Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.</verse>
				<verse number="153">Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.</verse>
				<verse number="154">Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.</verse>
				<verse number="155">Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.</verse>
				<verse number="156">HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.</verse>
				<verse number="157">Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.</verse>
				<verse number="158">Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.</verse>
				<verse number="159">Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.</verse>
				<verse number="160">Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.</verse>
				<verse number="161">De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.</verse>
				<verse number="162">Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.</verse>
				<verse number="163">Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.</verse>
				<verse number="164">Ik loof U zevenmaal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.</verse>
				<verse number="165">Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.</verse>
				<verse number="166">O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.</verse>
				<verse number="167">Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.</verse>
				<verse number="168">Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.</verse>
				<verse number="169">O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.</verse>
				<verse number="170">Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.</verse>
				<verse number="171">Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.</verse>
				<verse number="172">Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.</verse>
				<verse number="173">Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.</verse>
				<verse number="174">O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.</verse>
				<verse number="175">Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.</verse>
				<verse number="176">Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="120">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.</verse>
				<verse number="2">O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.</verse>
				<verse number="3">Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?</verse>
				<verse number="4">Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.</verse>
				<verse number="5">O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.</verse>
				<verse number="6">Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.</verse>
				<verse number="7">Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="121">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.</verse>
				<verse number="2">Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="3">Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.</verse>
				<verse number="4">Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.</verse>
				<verse number="5">De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.</verse>
				<verse number="6">De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.</verse>
				<verse number="7">De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.</verse>
				<verse number="8">De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="122">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.</verse>
				<verse number="2">Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!</verse>
				<verse number="3">Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;</verse>
				<verse number="4">Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israëls, om den Naam des HEEREN te danken.</verse>
				<verse number="5">Want dáár zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.</verse>
				<verse number="6">Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.</verse>
				<verse number="7">Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.</verse>
				<verse number="8">Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!</verse>
				<verse number="9">Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="123">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.</verse>
				<verse number="2">Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onzen God, totdat Hij ons genadig zij.</verse>
				<verse number="3">Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.</verse>
				<verse number="4">Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="124">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israël,</verse>
				<verse number="2">Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;</verse>
				<verse number="3">Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.</verse>
				<verse number="4">Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.</verse>
				<verse number="5">Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.</verse>
				<verse number="6">De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.</verse>
				<verse number="7">Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.</verse>
				<verse number="8">Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="125">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="3">Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.</verse>
				<verse number="4">HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.</verse>
				<verse number="5">Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="126">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.</verse>
				<verse number="2">Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.</verse>
				<verse number="3">De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.</verse>
				<verse number="4">O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.</verse>
				<verse number="5">Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.</verse>
				<verse number="6">Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="127">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth, van Sálomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.</verse>
				<verse number="2">Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.</verse>
				<verse number="3">Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.</verse>
				<verse number="4">Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.</verse>
				<verse number="5">Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="128">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.</verse>
				<verse number="2">Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.</verse>
				<verse number="3">Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.</verse>
				<verse number="4">Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.</verse>
				<verse number="5">De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;</verse>
				<verse number="6">En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israël!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="129">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israël;</verse>
				<verse number="2">Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.</verse>
				<verse number="3">Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.</verse>
				<verse number="4">De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.</verse>
				<verse number="5">Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.</verse>
				<verse number="6">Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;</verse>
				<verse number="7">Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;</verse>
				<verse number="8">En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="130">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!</verse>
				<verse number="2">Heere! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.</verse>
				<verse number="3">Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; Heere! wie zal bestaan?</verse>
				<verse number="4">Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.</verse>
				<verse number="5">Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.</verse>
				<verse number="6">Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.</verse>
				<verse number="7">Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.</verse>
				<verse number="8">En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="131">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.</verse>
				<verse number="2">Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.</verse>
				<verse number="3">Israël hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="132">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;</verse>
				<verse number="2">Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!</verse>
				<verse number="4">Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;</verse>
				<verse number="5">Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!</verse>
				<verse number="6">Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaär.</verse>
				<verse number="7">Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.</verse>
				<verse number="8">Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!</verse>
				<verse number="9">Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.</verse>
				<verse number="10">Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.</verse>
				<verse number="11">De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.</verse>
				<verse number="12">Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.</verse>
				<verse number="13">Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:</verse>
				<verse number="14">Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.</verse>
				<verse number="15">Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.</verse>
				<verse number="16">En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.</verse>
				<verse number="17">Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn gezalfde een lamp toegericht.</verse>
				<verse number="18">Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="133">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.</verse>
				<verse number="2">Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aäron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.</verse>
				<verse number="3">Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="134">
				<verse number="1">Een lied Hammaälôth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.</verse>
				<verse number="2">Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.</verse>
				<verse number="3">De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="135">
				<verse number="1">Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!</verse>
				<verse number="2">Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!</verse>
				<verse number="3">Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.</verse>
				<verse number="4">Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.</verse>
				<verse number="5">Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.</verse>
				<verse number="6">Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.</verse>
				<verse number="7">Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.</verse>
				<verse number="8">Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.</verse>
				<verse number="9">Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Faraö en tegen al zijn knechten.</verse>
				<verse number="10">Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;</verse>
				<verse number="11">Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,</verse>
				<verse number="12">En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël.</verse>
				<verse number="13">O HEERE! Uw Naam is in eeuwigheid; HEERE! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="14">Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.</verse>
				<verse number="15">De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.</verse>
				<verse number="16">Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;</verse>
				<verse number="17">Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.</verse>
				<verse number="18">Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.</verse>
				<verse number="19">Gij huis Israëls! looft den HEERE; gij huis Aärons! looft den HEERE.</verse>
				<verse number="20">Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.</verse>
				<verse number="21">Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="136">
				<verse number="1">Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;</verse>
				<verse number="2">Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="3">Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="5">Dien, Die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="6">Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="7">Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="8">De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="9">De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="10">Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="11">En heeft Israël uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="12">Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="13">Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">En voerde Israël door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="15">Hij heeft Faraö met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="16">Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="17">Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="18">En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="19">Sihon, den Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="20">En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="21">En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="22">Ten erve aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="23">Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="24">En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="25">Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="26">Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="137">
				<verse number="1">Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.</verse>
				<verse number="2">Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.</verse>
				<verse number="3">Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions;</verse>
				<verse number="4">Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?</verse>
				<verse number="5">Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!</verse>
				<verse number="6">Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!</verse>
				<verse number="7">HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!</verse>
				<verse number="8">O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.</verse>
				<verse number="9">Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="138">
				<verse number="1">Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.</verse>
				<verse number="2">Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.</verse>
				<verse number="3">Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.</verse>
				<verse number="4">Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.</verse>
				<verse number="5">En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.</verse>
				<verse number="6">Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij den nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.</verse>
				<verse number="7">Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.</verse>
				<verse number="8">De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="139">
				<heading verse="1">God kent mij volkomen</heading>
				<verse number="1">Een psalm van David, voor de koorleider. Jahweh! U doorgrondt en kent mij.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws למנצח (lamenatseach) = voor de koorleider/muziekmeester. Hebreeuws חקר (chaqar) = doorzoeken, doorvorsen.</note>
				<verse number="2">U weet mijn zitten en mijn opstaan, U begrijpt van verre mijn gedachten.</verse>
				<ref verse="2">Ps 56:7; Ps 94:11; Ps 147:5</ref>
				<verse number="3">U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, en U bent met al mijn wegen vertrouwd.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws זרית (zerita) van זרה (zarah) = wannen, ziften, nauwkeurig onderzoeken — de SV vertaalt interpreterend met “omringen”.</note>
				<verse number="4">Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Jahweh! U weet het alles.</verse>
				<verse number="5">U sluit mij in van achteren en van voren, en U legt Uw hand op mij.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws צרתני (tsartani) van צור (tsur) = insluiten, omringen, belegeren. כפכה (kappekha) = Uw handpalm.</note>
				<verse number="6">De kennis is mij te wonderlijk, zij is hoog, ik kan er niet bij.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws פלאיה (peli'ah) = te wonderlijk, te verheven. נשגבה (nisgavah) = onbereikbaar hoog.</note>
				<heading verse="7">Gods alomtegenwoordigheid</heading>
				<verse number="7">Waar zou ik heengaan voor Uw Geest, en waar zou ik vluchten voor Uw aangezicht?</verse>
				<ref verse="7">Jer 23:24; Am 9:2-4; Jona 1:3</ref>
				<verse number="8">Als ik opsteeg naar de hemel, U bent daar; of spreidde ik mijn bed uit in het dodenrijk, zie, U bent daar.</verse>
				<note verse="8">Hebreeuws שאול (sje'ol) = dodenrijk, niet “hel” in de christelijke zin — het is de verblijfplaats van alle gestorvenen.</note>
				<verse number="9">Nam ik vleugels van de dageraad, woonde ik aan het uiterste van de zee,</verse>
				<verse number="10">Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.</verse>
				<verse number="11">Als ik zei: De duisternis zal mij immers bedekken — dan is de nacht een licht om mij.</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws ישופני (jesjufeni) van שוף (sjuf) = vermorzelen, of: bedekken, overvallen — de exacte betekenis is onzeker.</note>
				<verse number="12">Ook verduistert de duisternis voor U niet, maar de nacht is licht als de dag; de duisternis is als het licht.</verse>
				<ref verse="12">Dan 2:22; 1 Joh 1:5; Jak 1:17</ref>
				<heading verse="13">Wonderlijk gevormd in de moederschoot</heading>
				<verse number="13">Want U vormde mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik bedekt.</verse>
				<note verse="13">Hebreeuws קנה (qanah) = verwerven, maar ook: vormen, scheppen (vgl. Gen 14:19; Deut 32:6). כליות (kelayot) = nieren — in Hebreeuws een beeld voor het diepste innerlijk en de zetel van het geweten. סכך (sakak) = weven, bedekken, omhullen.</note>
				<verse number="14">Ik loof U, omdat ik op een ontzagwekkende wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, en mijn ziel weet dat zeer wel.</verse>
				<note verse="14">Hebreeuws נוראות (noraot) = ontzagwekkend, eerbiedwekkend — niet “vreselijk” in de moderne negatieve zin. נפלאים (nifla'im) = wonderlijk, bovenmenselijk.</note>
				<verse number="15">Mijn gebeente was voor U niet verborgen, toen ik in het verborgene gemaakt werd, en als een borduursel geweven werd, in de diepste delen van de aarde.</verse>
				<note verse="15">Hebreeuws רקם (ruqqam) = geweven met kleuren, geborduurd. “Gewrocht” is verouderd — vervangen door “geweven”. De “nederste delen van de aarde” is een poëtisch beeld voor de moederschoot.</note>
				<verse number="16">Uw ogen hebben mijn ongevormde embryo gezien, en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen toen zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die er was.</verse>
				<note verse="16">Hebreeuws גלם (golem) = ongevormde massa, embryo — dit is het enige voorkomen van dit woord in de Bijbel.</note>
				<verse number="17">Daarom, hoe kostbaar zijn mij, o God, Uw gedachten! Hoe machtig veel zijn hun sommen!</verse>
				<ref verse="17">Ps 40:6; Ps 92:6; Jes 55:8-9</ref>
				<verse number="18">Zou ik ze tellen? Ze zijn meer dan het zand; word ik wakker, dan ben ik nog bij U.</verse>
				<ref verse="18">Ps 40:13; Ps 104:34</ref>
				<heading verse="19">Gebed tegen de goddelozen</heading>
				<verse number="19">O God, dat U de goddeloze ombracht! En u, mannen van bloed, ga weg van mij!</verse>
				<note verse="19">Hebreeuws אנשי דמים (ansje damim) = mannen van bloedvergieten, d.w.z. bloeddorstige mannen.</note>
				<verse number="20">Die schandelijk van U spreken en Uw vijanden tevergeefs verheffen.</verse>
				<note verse="20">Hebreeuws נשא לשוא (nasa lasjav) = verheffen tot ijdelheid/zinloosheid. Het woord עריך is moeilijk — mogelijk “Uw tegenstanders” of een verbastering van “Uw naam”.</note>
				<verse number="21">Zou ik niet haten, Jahweh, wie U haten? En walgen van wie tegen U opstaan?</verse>
				<note verse="21">Hebreeuws אתקוטט ('etqotat) van קוט (qut) = walgen, een diepe afkeer voelen — sterker dan het SV-woord “verdriet hebben in”.</note>
				<verse number="22">Ik haat hen met volkomen haat, zij zijn mij tot vijanden.</verse>
				<note verse="22">Hebreeuws תכלית שנאה (taklit sin'ah) = volmaakte/uiterste haat — een haat die niets uitsluit.</note>
				<heading verse="23">Doorgrond mij, o God</heading>
				<verse number="23">Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.</verse>
				<note verse="23">Hebreeuws שרעפי (sar'appai) = mijn onrustige/angstige gedachten — specifieker dan het algemene “gedachten”.</note>
				<verse number="24">En zie of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg.</verse>
				<note verse="24">Hebreeuws דרך עצב (derekh otsev) = weg van smart/afgodij — עצב kan zowel “pijn” als “afgod” betekenen. דרך עולם (derekh olam) = eeuwige weg, de weg van het eeuwige leven.</note>
			</chapter>
			<chapter number="140">
				<verse number="1">Een psalm van David, voor den opperzangmeester.</verse>
				<verse number="2">Red mij HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;</verse>
				<verse number="3">Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.</verse>
				<verse number="4">Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.</verse>
				<verse number="5">Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.</verse>
				<verse number="6">De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.</verse>
				<verse number="7">Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.</verse>
				<verse number="8">HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.</verse>
				<verse number="9">Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.</verse>
				<verse number="10">Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.</verse>
				<verse number="11">Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.</verse>
				<verse number="12">Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.</verse>
				<verse number="13">Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren.</verse>
				<verse number="14">Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="141">
				<verse number="1">Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.</verse>
				<verse number="2">Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.</verse>
				<verse number="3">HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.</verse>
				<verse number="4">Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.</verse>
				<verse number="5">De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.</verse>
				<verse number="6">Hun rechters zijn aan de zijden der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.</verse>
				<verse number="7">Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.</verse>
				<verse number="8">Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.</verse>
				<verse number="9">Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="10">Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="142">
				<verse number="1">Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.</verse>
				<verse number="2">Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.</verse>
				<verse number="3">Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.</verse>
				<verse number="4">Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.</verse>
				<verse number="5">Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.</verse>
				<verse number="6">Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.</verse>
				<verse number="7">Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.</verse>
				<verse number="8">Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="143">
				<verse number="1">Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.</verse>
				<verse number="2">En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.</verse>
				<verse number="3">Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.</verse>
				<verse number="4">Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.</verse>
				<verse number="5">Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen.</verse>
				<verse number="6">Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.</verse>
				<verse number="7">Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen.</verse>
				<verse number="8">Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.</verse>
				<verse number="9">Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.</verse>
				<verse number="10">Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.</verse>
				<verse number="11">O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.</verse>
				<verse number="12">En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="144">
				<verse number="1">Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;</verse>
				<verse number="2">Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!</verse>
				<verse number="3">O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?</verse>
				<verse number="4">De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.</verse>
				<verse number="5">Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.</verse>
				<verse number="6">Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.</verse>
				<verse number="7">Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;</verse>
				<verse number="8">Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.</verse>
				<verse number="9">O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.</verse>
				<verse number="10">Gij, Die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;</verse>
				<verse number="11">Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;</verse>
				<verse number="12">Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.</verse>
				<verse number="13">Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.</verse>
				<verse number="14">Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.</verse>
				<verse number="15">Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God de HEERE is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="145">
				<verse number="1">Een lofzang van David. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.</verse>
				<verse number="2">Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.</verse>
				<verse number="3">De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.</verse>
				<verse number="4">Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.</verse>
				<verse number="5">Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.</verse>
				<verse number="6">Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.</verse>
				<verse number="7">Zij zullen de gedachtenis der grootheid Uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.</verse>
				<verse number="8">Cheth. Genadig en barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.</verse>
				<verse number="9">De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.</verse>
				<verse number="10">Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.</verse>
				<verse number="11">Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.</verse>
				<verse number="12">Om den mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.</verse>
				<verse number="13">Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.</verse>
				<verse number="14">Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.</verse>
				<verse number="15">Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.</verse>
				<verse number="16">Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.</verse>
				<verse number="17">De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.</verse>
				<verse number="18">De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.</verse>
				<verse number="19">Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.</verse>
				<verse number="20">De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.</verse>
				<verse number="21">Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="146">
				<verse number="1">Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.</verse>
				<verse number="2">Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.</verse>
				<verse number="3">Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.</verse>
				<verse number="4">Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.</verse>
				<verse number="5">Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;</verse>
				<verse number="6">Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="7">Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.</verse>
				<verse number="8">De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.</verse>
				<verse number="9">De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.</verse>
				<verse number="10">De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="147">
				<verse number="1">Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.</verse>
				<verse number="2">De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen.</verse>
				<verse number="3">Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.</verse>
				<verse number="4">Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.</verse>
				<verse number="5">Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.</verse>
				<verse number="6">De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.</verse>
				<verse number="7">Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.</verse>
				<verse number="8">Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;</verse>
				<verse number="9">Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.</verse>
				<verse number="10">Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.</verse>
				<verse number="11">De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.</verse>
				<verse number="12">O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.</verse>
				<verse number="13">Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.</verse>
				<verse number="14">Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.</verse>
				<verse number="15">Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.</verse>
				<verse number="16">Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.</verse>
				<verse number="17">Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?</verse>
				<verse number="18">Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.</verse>
				<verse number="19">Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.</verse>
				<verse number="20">Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="148">
				<verse number="1">Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!</verse>
				<verse number="2">Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!</verse>
				<verse number="3">Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!</verse>
				<verse number="4">Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!</verse>
				<verse number="5">Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.</verse>
				<verse number="6">En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.</verse>
				<verse number="7">Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!</verse>
				<verse number="8">Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!</verse>
				<verse number="9">Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!</verse>
				<verse number="10">Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!</verse>
				<verse number="11">Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!</verse>
				<verse number="12">Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!</verse>
				<verse number="13">Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.</verse>
				<verse number="14">En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israëls, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="149">
				<verse number="1">Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de Gemeente Zijner gunstgenoten.</verse>
				<verse number="2">Dat Israël zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.</verse>
				<verse number="3">Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.</verse>
				<verse number="4">Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.</verse>
				<verse number="5">Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.</verse>
				<verse number="6">De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;</verse>
				<verse number="7">Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;</verse>
				<verse number="8">Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;</verse>
				<verse number="9">Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="150">
				<verse number="1">Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!</verse>
				<verse number="2">Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!</verse>
				<verse number="3">Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!</verse>
				<verse number="4">Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!</verse>
				<verse number="5">Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid!</verse>
				<verse number="6">Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="20">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De spreuken van Sálomo, den zoon van David, den koning van Israël,</verse>
				<verse number="2">Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;</verse>
				<verse number="3">Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;</verse>
				<verse number="4">Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.</verse>
				<verse number="5">Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen;</verse>
				<verse number="6">Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.</verse>
				<verse number="7">De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.</verse>
				<verse number="8">Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;</verse>
				<verse number="9">Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.</verse>
				<verse number="10">Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;</verse>
				<verse number="11">Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;</verse>
				<verse number="12">Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;</verse>
				<verse number="13">Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.</verse>
				<verse number="14">Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.</verse>
				<verse number="15">Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.</verse>
				<verse number="16">Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.</verse>
				<verse number="17">Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;</verse>
				<verse number="18">En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.</verse>
				<verse number="19">Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.</verse>
				<verse number="20">De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft Haar stem op de straten.</verse>
				<verse number="21">Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;</verse>
				<verse number="22">Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?</verse>
				<verse number="23">Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.</verse>
				<verse number="24">Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;</verse>
				<verse number="25">En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;</verse>
				<verse number="26">Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.</verse>
				<verse number="27">Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;</verse>
				<verse number="28">Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;</verse>
				<verse number="29">Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.</verse>
				<verse number="30">Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;</verse>
				<verse number="31">Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.</verse>
				<verse number="32">Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.</verse>
				<verse number="33">Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;</verse>
				<verse number="2">Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;</verse>
				<verse number="3">Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;</verse>
				<verse number="4">Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;</verse>
				<verse number="5">Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.</verse>
				<verse number="6">Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.</verse>
				<verse number="7">Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;</verse>
				<verse number="8">Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.</verse>
				<verse number="9">Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goede pad.</verse>
				<verse number="10">Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;</verse>
				<verse number="11">Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;</verse>
				<verse number="12">Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;</verse>
				<verse number="13">Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;</verse>
				<verse number="14">Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;</verse>
				<verse number="15">Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;</verse>
				<verse number="16">Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;</verse>
				<verse number="17">Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;</verse>
				<verse number="18">Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.</verse>
				<verse number="19">Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;</verse>
				<verse number="20">Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="21">Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;</verse>
				<verse number="22">Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.</verse>
				<verse number="2">Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.</verse>
				<verse number="3">Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; en bind ze aan uw hals, schrijf ze op de tafel uws harten.</verse>
				<verse number="4">En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.</verse>
				<verse number="5">Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.</verse>
				<verse number="6">Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.</verse>
				<verse number="7">Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.</verse>
				<verse number="8">Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.</verse>
				<verse number="9">Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;</verse>
				<verse number="10">Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.</verse>
				<verse number="11">Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;</verse>
				<verse number="12">Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.</verse>
				<verse number="13">Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!</verse>
				<verse number="14">Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.</verse>
				<verse number="15">Zij is kostelijker dan robijnen; en al wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.</verse>
				<verse number="16">Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.</verse>
				<verse number="17">Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.</verse>
				<verse number="18">Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.</verse>
				<verse number="19">De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.</verse>
				<verse number="20">Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.</verse>
				<verse number="21">Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.</verse>
				<verse number="22">Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.</verse>
				<verse number="23">Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.</verse>
				<verse number="24">Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.</verse>
				<verse number="25">Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.</verse>
				<verse number="26">Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.</verse>
				<verse number="27">Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.</verse>
				<verse number="28">Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.</verse>
				<verse number="29">Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.</verse>
				<verse number="30">Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.</verse>
				<verse number="31">Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.</verse>
				<verse number="32">Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.</verse>
				<verse number="33">De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.</verse>
				<verse number="34">Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.</verse>
				<verse number="35">De wijzen zullen eer beërven; maar elk een der zotten neemt schande op zich.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.</verse>
				<verse number="2">Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.</verse>
				<verse number="3">Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.</verse>
				<verse number="4">Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.</verse>
				<verse number="5">Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.</verse>
				<verse number="6">Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.</verse>
				<verse number="7">De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.</verse>
				<verse number="8">Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.</verse>
				<verse number="9">Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.</verse>
				<verse number="10">Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.</verse>
				<verse number="11">Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.</verse>
				<verse number="12">In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.</verse>
				<verse number="13">Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.</verse>
				<verse number="14">Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.</verse>
				<verse number="15">Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.</verse>
				<verse number="16">Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.</verse>
				<verse number="17">Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.</verse>
				<verse number="18">Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.</verse>
				<verse number="19">De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.</verse>
				<verse number="20">Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.</verse>
				<verse number="21">Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.</verse>
				<verse number="22">Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.</verse>
				<verse number="23">Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.</verse>
				<verse number="24">Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.</verse>
				<verse number="25">Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.</verse>
				<verse number="26">Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.</verse>
				<verse number="27">Wijk niet ter rechter- of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;</verse>
				<verse number="2">Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.</verse>
				<verse number="3">Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.</verse>
				<verse number="4">Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.</verse>
				<verse number="5">Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.</verse>
				<verse number="6">Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.</verse>
				<verse number="7">Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.</verse>
				<verse number="8">Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;</verse>
				<verse number="9">Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;</verse>
				<verse number="10">Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;</verse>
				<verse number="11">En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;</verse>
				<verse number="12">En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!</verse>
				<verse number="13">En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!</verse>
				<verse number="14">Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!</verse>
				<verse number="15">Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;</verse>
				<verse number="16">Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;</verse>
				<verse number="17">Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.</verse>
				<verse number="18">Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;</verse>
				<verse number="19">Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.</verse>
				<verse number="20">En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?</verse>
				<verse number="21">Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.</verse>
				<verse number="22">Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.</verse>
				<verse number="23">Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;</verse>
				<verse number="2">Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.</verse>
				<verse number="3">Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.</verse>
				<verse number="4">Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.</verse>
				<verse number="5">Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.</verse>
				<verse number="6">Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;</verse>
				<verse number="7">Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,</verse>
				<verse number="8">Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.</verse>
				<verse number="9">Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?</verse>
				<verse number="10">Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;</verse>
				<verse number="11">Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.</verse>
				<verse number="12">Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;</verse>
				<verse number="13">Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;</verse>
				<verse number="14">In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.</verse>
				<verse number="15">Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.</verse>
				<verse number="16">Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:</verse>
				<verse number="17">Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;</verse>
				<verse number="18">Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;</verse>
				<verse number="19">Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.</verse>
				<verse number="20">Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.</verse>
				<verse number="21">Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.</verse>
				<verse number="22">Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.</verse>
				<verse number="23">Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;</verse>
				<verse number="24">Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.</verse>
				<verse number="25">Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.</verse>
				<verse number="26">Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.</verse>
				<verse number="27">Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?</verse>
				<verse number="28">Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?</verse>
				<verse number="29">Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.</verse>
				<verse number="30">Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;</verse>
				<verse number="31">En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.</verse>
				<verse number="32">Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;</verse>
				<verse number="33">Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.</verse>
				<verse number="34">Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.</verse>
				<verse number="35">Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.</verse>
				<verse number="2">Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.</verse>
				<verse number="3">Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.</verse>
				<verse number="4">Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;</verse>
				<verse number="5">Opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.</verse>
				<verse number="6">Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;</verse>
				<verse number="7">En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;</verse>
				<verse number="8">Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.</verse>
				<verse number="9">In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;</verse>
				<verse number="10">En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;</verse>
				<verse number="11">Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;</verse>
				<verse number="12">Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;</verse>
				<verse number="13">En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:</verse>
				<verse number="14">Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;</verse>
				<verse number="15">Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.</verse>
				<verse number="16">Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;</verse>
				<verse number="17">Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;</verse>
				<verse number="18">Kom, laat ons dronken worden van minne tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.</verse>
				<verse number="19">Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;</verse>
				<verse number="20">Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.</verse>
				<verse number="21">Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.</verse>
				<verse number="22">Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.</verse>
				<verse number="23">Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.</verse>
				<verse number="24">Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.</verse>
				<verse number="25">Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaal niet op haar paden.</verse>
				<verse number="26">Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.</verse>
				<verse number="27">Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?</verse>
				<verse number="2">Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;</verse>
				<verse number="3">Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:</verse>
				<verse number="4">Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.</verse>
				<verse number="5">Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.</verse>
				<verse number="6">Hoort, want Ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.</verse>
				<verse number="7">Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.</verse>
				<verse number="8">Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.</verse>
				<verse number="9">Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.</verse>
				<verse number="10">Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.</verse>
				<verse number="11">Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.</verse>
				<verse number="12">Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.</verse>
				<verse number="13">De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.</verse>
				<verse number="14">Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.</verse>
				<verse number="15">Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.</verse>
				<verse number="16">Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.</verse>
				<verse number="17">Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.</verse>
				<verse number="18">Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.</verse>
				<verse number="19">Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.</verse>
				<verse number="20">Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;</verse>
				<verse number="21">Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.</verse>
				<verse number="22">De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, vóór Zijn werken, van toen aan.</verse>
				<verse number="23">Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.</verse>
				<verse number="24">Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;</verse>
				<verse number="25">Aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen was Ik geboren.</verse>
				<verse number="26">Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch den aanvang van de stofjes der wereld.</verse>
				<verse number="27">Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;</verse>
				<verse number="28">Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;</verse>
				<verse number="29">Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;</verse>
				<verse number="30">Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;</verse>
				<verse number="31">Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.</verse>
				<verse number="32">Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.</verse>
				<verse number="33">Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.</verse>
				<verse number="34">Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.</verse>
				<verse number="35">Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.</verse>
				<verse number="36">Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.</verse>
				<verse number="2">Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.</verse>
				<verse number="3">Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:</verse>
				<verse number="4">Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:</verse>
				<verse number="5">Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.</verse>
				<verse number="6">Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.</verse>
				<verse number="7">Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.</verse>
				<verse number="8">Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.</verse>
				<verse number="9">Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.</verse>
				<verse number="10">De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.</verse>
				<verse number="11">Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.</verse>
				<verse number="12">Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.</verse>
				<verse number="13">Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.</verse>
				<verse number="14">En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;</verse>
				<verse number="15">Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:</verse>
				<verse number="17">De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.</verse>
				<verse number="18">Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">De spreuken van Sálomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.</verse>
				<verse number="2">Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.</verse>
				<verse number="3">De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.</verse>
				<verse number="4">Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.</verse>
				<verse number="5">Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.</verse>
				<verse number="6">Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.</verse>
				<verse number="7">De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten.</verse>
				<verse number="8">Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.</verse>
				<verse number="9">Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.</verse>
				<verse number="10">Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.</verse>
				<verse number="11">De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.</verse>
				<verse number="12">Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.</verse>
				<verse number="13">In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.</verse>
				<verse number="14">De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.</verse>
				<verse number="15">Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.</verse>
				<verse number="16">Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.</verse>
				<verse number="17">Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.</verse>
				<verse number="18">Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.</verse>
				<verse number="19">In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.</verse>
				<verse number="20">De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.</verse>
				<verse number="21">De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.</verse>
				<verse number="22">De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.</verse>
				<verse number="23">Het is voor den zot als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.</verse>
				<verse number="24">De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal God geven.</verse>
				<verse number="25">Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.</verse>
				<verse number="26">Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is, zo is de luie dengenen die hem uitzenden.</verse>
				<verse number="27">De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.</verse>
				<verse number="28">De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.</verse>
				<verse number="29">De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.</verse>
				<verse number="30">De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.</verse>
				<verse number="31">De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="32">De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.</verse>
				<verse number="2">Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.</verse>
				<verse number="3">De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheden der trouwelozen verstoort hen.</verse>
				<verse number="4">Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.</verse>
				<verse number="5">De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.</verse>
				<verse number="6">De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.</verse>
				<verse number="7">Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.</verse>
				<verse number="8">De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.</verse>
				<verse number="9">De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.</verse>
				<verse number="10">Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.</verse>
				<verse number="11">Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.</verse>
				<verse number="12">Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.</verse>
				<verse number="13">Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.</verse>
				<verse number="14">Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.</verse>
				<verse number="15">Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.</verse>
				<verse number="16">Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.</verse>
				<verse number="17">Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.</verse>
				<verse number="18">De goddeloze doet een vals werk; maar voor dengene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.</verse>
				<verse number="19">Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.</verse>
				<verse number="20">De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.</verse>
				<verse number="21">Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.</verse>
				<verse number="22">Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.</verse>
				<verse number="23">De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.</verse>
				<verse number="24">Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.</verse>
				<verse number="25">De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.</verse>
				<verse number="26">Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.</verse>
				<verse number="27">Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.</verse>
				<verse number="28">Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.</verse>
				<verse number="29">Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.</verse>
				<verse number="30">De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.</verse>
				<verse number="31">Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.</verse>
				<verse number="2">De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.</verse>
				<verse number="3">De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.</verse>
				<verse number="4">Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.</verse>
				<verse number="5">Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.</verse>
				<verse number="6">De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.</verse>
				<verse number="7">De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.</verse>
				<verse number="8">Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.</verse>
				<verse number="9">Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.</verse>
				<verse number="10">De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.</verse>
				<verse number="11">Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.</verse>
				<verse number="12">De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.</verse>
				<verse number="13">In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.</verse>
				<verse number="14">Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.</verse>
				<verse number="15">De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.</verse>
				<verse number="16">De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.</verse>
				<verse number="17">Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.</verse>
				<verse number="18">Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.</verse>
				<verse number="19">Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.</verse>
				<verse number="20">Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.</verse>
				<verse number="21">Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.</verse>
				<verse number="22">Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.</verse>
				<verse number="23">Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.</verse>
				<verse number="24">De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.</verse>
				<verse number="25">Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.</verse>
				<verse number="26">De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.</verse>
				<verse number="27">Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.</verse>
				<verse number="28">In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.</verse>
				<verse number="2">Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.</verse>
				<verse number="3">Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.</verse>
				<verse number="4">De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.</verse>
				<verse number="5">De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.</verse>
				<verse number="6">De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.</verse>
				<verse number="7">Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.</verse>
				<verse number="8">Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.</verse>
				<verse number="9">Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="10">Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.</verse>
				<verse number="11">Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.</verse>
				<verse number="12">De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.</verse>
				<verse number="13">Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.</verse>
				<verse number="14">Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.</verse>
				<verse number="15">Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.</verse>
				<verse number="16">Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.</verse>
				<verse number="17">Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.</verse>
				<verse number="18">Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geëerd worden.</verse>
				<verse number="19">De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.</verse>
				<verse number="20">Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.</verse>
				<verse number="21">Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.</verse>
				<verse number="22">De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor den rechtvaardige weggelegd.</verse>
				<verse number="23">Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.</verse>
				<verse number="24">Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.</verse>
				<verse number="25">De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.</verse>
				<verse number="2">Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.</verse>
				<verse number="3">In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.</verse>
				<verse number="4">Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.</verse>
				<verse number="5">Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.</verse>
				<verse number="6">De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.</verse>
				<verse number="7">Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.</verse>
				<verse number="8">De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.</verse>
				<verse number="9">Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.</verse>
				<verse number="10">Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.</verse>
				<verse number="11">Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.</verse>
				<verse number="12">Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.</verse>
				<verse number="13">Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.</verse>
				<verse number="14">Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zich zelven.</verse>
				<verse number="15">De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.</verse>
				<verse number="16">De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.</verse>
				<verse number="17">Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.</verse>
				<verse number="18">De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.</verse>
				<verse number="19">De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="20">De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.</verse>
				<verse number="21">Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.</verse>
				<verse number="22">Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.</verse>
				<verse number="23">In allen smartelijken arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.</verse>
				<verse number="24">Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.</verse>
				<verse number="25">Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger.</verse>
				<verse number="26">In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.</verse>
				<verse number="27">De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.</verse>
				<verse number="28">In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.</verse>
				<verse number="29">De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.</verse>
				<verse number="30">Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.</verse>
				<verse number="31">Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.</verse>
				<verse number="32">De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.</verse>
				<verse number="33">Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.</verse>
				<verse number="34">Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natiën.</verse>
				<verse number="35">Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.</verse>
				<verse number="2">De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.</verse>
				<verse number="3">De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.</verse>
				<verse number="4">De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.</verse>
				<verse number="5">Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.</verse>
				<verse number="6">In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.</verse>
				<verse number="7">De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.</verse>
				<verse number="8">Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen.</verse>
				<verse number="9">De weg des goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.</verse>
				<verse number="10">De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.</verse>
				<verse number="11">De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensen kinderen?</verse>
				<verse number="12">De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.</verse>
				<verse number="13">Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.</verse>
				<verse number="14">Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.</verse>
				<verse number="15">Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.</verse>
				<verse number="16">Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.</verse>
				<verse number="17">Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.</verse>
				<verse number="18">Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.</verse>
				<verse number="19">De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is welgebaand.</verse>
				<verse number="20">Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.</verse>
				<verse number="21">De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.</verse>
				<verse number="22">De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.</verse>
				<verse number="23">Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!</verse>
				<verse number="24">De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.</verse>
				<verse number="25">Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.</verse>
				<verse number="26">Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.</verse>
				<verse number="27">Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.</verse>
				<verse number="28">Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.</verse>
				<verse number="29">De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.</verse>
				<verse number="30">Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.</verse>
				<verse number="31">Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.</verse>
				<verse number="32">Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.</verse>
				<verse number="33">De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.</verse>
				<verse number="2">Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.</verse>
				<verse number="3">Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.</verse>
				<verse number="4">De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads.</verse>
				<verse number="5">Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.</verse>
				<verse number="6">Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.</verse>
				<verse number="7">Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.</verse>
				<verse number="8">Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.</verse>
				<verse number="9">Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.</verse>
				<verse number="10">Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.</verse>
				<verse number="11">Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.</verse>
				<verse number="12">Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.</verse>
				<verse number="13">De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.</verse>
				<verse number="14">De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.</verse>
				<verse number="15">In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.</verse>
				<verse number="16">Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!</verse>
				<verse number="17">De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.</verse>
				<verse number="18">Hovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid des geestes vóór den val.</verse>
				<verse number="19">Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.</verse>
				<verse number="20">Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.</verse>
				<verse number="21">De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.</verse>
				<verse number="22">Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.</verse>
				<verse number="23">Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.</verse>
				<verse number="24">Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.</verse>
				<verse number="25">Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.</verse>
				<verse number="26">De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.</verse>
				<verse number="27">Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.</verse>
				<verse number="28">Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.</verse>
				<verse number="29">Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.</verse>
				<verse number="30">Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.</verse>
				<verse number="31">De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.</verse>
				<verse number="32">De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.</verse>
				<verse number="33">Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.</verse>
				<verse number="2">Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.</verse>
				<verse number="3">De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.</verse>
				<verse number="4">De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.</verse>
				<verse number="5">Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.</verse>
				<verse number="6">De kroon der ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.</verse>
				<verse number="7">Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.</verse>
				<verse number="8">Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.</verse>
				<verse number="9">Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.</verse>
				<verse number="10">De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan.</verse>
				<verse number="11">Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.</verse>
				<verse number="12">Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.</verse>
				<verse number="13">Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.</verse>
				<verse number="14">Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.</verse>
				<verse number="15">Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.</verse>
				<verse number="16">Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?</verse>
				<verse number="17">Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.</verse>
				<verse number="18">Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.</verse>
				<verse number="19">Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.</verse>
				<verse number="20">Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.</verse>
				<verse number="21">Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.</verse>
				<verse number="22">Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.</verse>
				<verse number="23">De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.</verse>
				<verse number="24">In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.</verse>
				<verse number="25">Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.</verse>
				<verse number="26">Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.</verse>
				<verse number="27">Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.</verse>
				<verse number="28">Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.</verse>
				<verse number="2">De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.</verse>
				<verse number="3">Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.</verse>
				<verse number="4">De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.</verse>
				<verse number="5">Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.</verse>
				<verse number="6">De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.</verse>
				<verse number="7">De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.</verse>
				<verse number="8">De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.</verse>
				<verse number="9">Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.</verse>
				<verse number="10">De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.</verse>
				<verse number="11">Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.</verse>
				<verse number="12">Vóór de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat vóór de eer.</verse>
				<verse number="13">Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.</verse>
				<verse number="14">De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?</verse>
				<verse number="15">Het hart des verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.</verse>
				<verse number="16">De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.</verse>
				<verse number="17">Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.</verse>
				<verse number="18">Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.</verse>
				<verse number="19">Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.</verse>
				<verse number="20">Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.</verse>
				<verse number="21">Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.</verse>
				<verse number="22">Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.</verse>
				<verse number="23">De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.</verse>
				<verse number="24">Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.</verse>
				<verse number="2">Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.</verse>
				<verse number="3">De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.</verse>
				<verse number="4">Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.</verse>
				<verse number="5">Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugenen blaast, zal niet ontkomen.</verse>
				<verse number="6">Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.</verse>
				<verse number="7">Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden, die niets zijn.</verse>
				<verse number="8">Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.</verse>
				<verse number="9">Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugenen blaast, zal vergaan.</verse>
				<verse number="10">De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!</verse>
				<verse number="11">Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.</verse>
				<verse number="12">Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.</verse>
				<verse number="13">Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.</verse>
				<verse number="14">Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.</verse>
				<verse number="15">Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.</verse>
				<verse number="16">Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.</verse>
				<verse number="17">Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.</verse>
				<verse number="18">Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.</verse>
				<verse number="19">Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.</verse>
				<verse number="20">Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.</verse>
				<verse number="21">In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.</verse>
				<verse number="22">De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.</verse>
				<verse number="23">De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.</verse>
				<verse number="24">Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.</verse>
				<verse number="25">Sla den spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.</verse>
				<verse number="26">Wie den vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.</verse>
				<verse number="27">Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.</verse>
				<verse number="28">Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.</verse>
				<verse number="29">Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.</verse>
				<verse number="2">De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.</verse>
				<verse number="3">Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.</verse>
				<verse number="4">Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.</verse>
				<verse number="5">De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.</verse>
				<verse number="6">Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?</verse>
				<verse number="7">De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.</verse>
				<verse number="8">Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.</verse>
				<verse number="9">Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?</verse>
				<verse number="10">Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide.</verse>
				<verse number="11">Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.</verse>
				<verse number="12">Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.</verse>
				<verse number="13">Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.</verse>
				<verse number="14">Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.</verse>
				<verse number="15">Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen der wetenschap zijn een kostelijk kleinood.</verse>
				<verse number="16">Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.</verse>
				<verse number="17">Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.</verse>
				<verse number="18">Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.</verse>
				<verse number="19">Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.</verse>
				<verse number="20">Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.</verse>
				<verse number="21">Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.</verse>
				<verse number="22">Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.</verse>
				<verse number="23">Tweeërlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.</verse>
				<verse number="24">De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?</verse>
				<verse number="25">Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.</verse>
				<verse number="26">Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.</verse>
				<verse number="27">De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.</verse>
				<verse number="28">Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.</verse>
				<verse number="29">Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.</verse>
				<verse number="30">Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.</verse>
				<verse number="2">Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.</verse>
				<verse number="3">Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.</verse>
				<verse number="4">Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.</verse>
				<verse number="5">De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.</verse>
				<verse number="6">Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.</verse>
				<verse number="7">De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.</verse>
				<verse number="8">De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.</verse>
				<verse number="9">Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.</verse>
				<verse number="10">De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.</verse>
				<verse number="11">Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.</verse>
				<verse number="12">De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.</verse>
				<verse number="13">Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.</verse>
				<verse number="14">Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.</verse>
				<verse number="15">Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.</verse>
				<verse number="16">Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.</verse>
				<verse number="17">Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.</verse>
				<verse number="18">De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.</verse>
				<verse number="19">Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.</verse>
				<verse number="20">In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.</verse>
				<verse number="21">Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.</verse>
				<verse number="22">De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.</verse>
				<verse number="23">Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.</verse>
				<verse number="24">Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.</verse>
				<verse number="25">De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.</verse>
				<verse number="26">Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.</verse>
				<verse number="27">Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!</verse>
				<verse number="28">Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.</verse>
				<verse number="29">Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.</verse>
				<verse number="30">Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="31">Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.</verse>
				<verse number="2">Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.</verse>
				<verse number="3">Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.</verse>
				<verse number="4">Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.</verse>
				<verse number="5">Doornen en strikken zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.</verse>
				<verse number="6">Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.</verse>
				<verse number="7">De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.</verse>
				<verse number="8">Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.</verse>
				<verse number="9">Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.</verse>
				<verse number="10">Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.</verse>
				<verse number="11">Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.</verse>
				<verse number="12">De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.</verse>
				<verse number="13">De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!</verse>
				<verse number="14">De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.</verse>
				<verse number="15">De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.</verse>
				<verse number="16">Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.</verse>
				<verse number="17">Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;</verse>
				<verse number="18">Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.</verse>
				<verse number="19">Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.</verse>
				<verse number="20">Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?</verse>
				<verse number="21">Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.</verse>
				<verse number="22">Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.</verse>
				<verse number="23">Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.</verse>
				<verse number="24">Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;</verse>
				<verse number="25">Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.</verse>
				<verse number="26">Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.</verse>
				<verse number="27">Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?</verse>
				<verse number="28">Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.</verse>
				<verse number="29">Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.</verse>
				<verse number="2">En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;</verse>
				<verse number="3">Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.</verse>
				<verse number="4">Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.</verse>
				<verse number="5">Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.</verse>
				<verse number="6">Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;</verse>
				<verse number="7">Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;</verse>
				<verse number="8">Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.</verse>
				<verse number="9">Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.</verse>
				<verse number="10">Zet de oude paal niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;</verse>
				<verse number="11">Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten.</verse>
				<verse number="12">Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.</verse>
				<verse number="13">Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.</verse>
				<verse number="14">Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.</verse>
				<verse number="15">Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.</verse>
				<verse number="16">En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.</verse>
				<verse number="17">Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreze des HEEREN.</verse>
				<verse number="18">Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.</verse>
				<verse number="19">Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.</verse>
				<verse number="20">Zijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters;</verse>
				<verse number="21">Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.</verse>
				<verse number="22">Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.</verse>
				<verse number="23">Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand.</verse>
				<verse number="24">De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.</verse>
				<verse number="25">Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.</verse>
				<verse number="26">Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.</verse>
				<verse number="27">Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.</verse>
				<verse number="28">Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.</verse>
				<verse number="29">Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?</verse>
				<verse number="30">Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank na te zoeken.</verse>
				<verse number="31">Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;</verse>
				<verse number="32">In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.</verse>
				<verse number="33">Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.</verse>
				<verse number="34">En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt.</verse>
				<verse number="35">Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.</verse>
				<verse number="2">Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.</verse>
				<verse number="3">Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;</verse>
				<verse number="4">En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.</verse>
				<verse number="5">Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.</verse>
				<verse number="6">Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.</verse>
				<verse number="7">Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.</verse>
				<verse number="8">Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.</verse>
				<verse number="9">De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.</verse>
				<verse number="10">Vertoont gij u slap ten dage der benauwdheid, uw kracht is nauw.</verse>
				<verse number="11">Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.</verse>
				<verse number="12">Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.</verse>
				<verse number="13">Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.</verse>
				<verse number="14">Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.</verse>
				<verse number="15">Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.</verse>
				<verse number="16">Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.</verse>
				<verse number="17">Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;</verse>
				<verse number="18">Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.</verse>
				<verse number="19">Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.</verse>
				<verse number="20">Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="21">Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;</verse>
				<verse number="22">Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?</verse>
				<verse number="23">Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.</verse>
				<verse number="24">Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn.</verse>
				<verse number="25">Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hen komen.</verse>
				<verse number="26">Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.</verse>
				<verse number="27">Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.</verse>
				<verse number="28">Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lippen?</verse>
				<verse number="29">Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.</verse>
				<verse number="30">Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;</verse>
				<verse number="31">En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.</verse>
				<verse number="32">Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;</verse>
				<verse number="33">Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;</verse>
				<verse number="34">Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Dit zijn ook spreuken van Sálomo, die de mannen van Hizkía, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.</verse>
				<verse number="2">Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.</verse>
				<verse number="3">Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.</verse>
				<verse number="4">Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;</verse>
				<verse number="5">Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.</verse>
				<verse number="6">Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;</verse>
				<verse number="7">Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.</verse>
				<verse number="8">Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.</verse>
				<verse number="9">Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;</verse>
				<verse number="10">Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.</verse>
				<verse number="11">Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.</verse>
				<verse number="12">Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.</verse>
				<verse number="13">Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.</verse>
				<verse number="14">Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.</verse>
				<verse number="15">Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.</verse>
				<verse number="16">Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.</verse>
				<verse number="17">Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.</verse>
				<verse number="18">Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.</verse>
				<verse number="19">Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.</verse>
				<verse number="20">Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en als edik op salpeter.</verse>
				<verse number="21">Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;</verse>
				<verse number="22">Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.</verse>
				<verse number="23">De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.</verse>
				<verse number="24">Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.</verse>
				<verse number="25">Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.</verse>
				<verse number="26">De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.</verse>
				<verse number="27">Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.</verse>
				<verse number="28">Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.</verse>
				<verse number="2">Gelijk een mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.</verse>
				<verse number="3">Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.</verse>
				<verse number="4">Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.</verse>
				<verse number="5">Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.</verse>
				<verse number="6">Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.</verse>
				<verse number="7">Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.</verse>
				<verse number="8">Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.</verse>
				<verse number="9">Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.</verse>
				<verse number="10">De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.</verse>
				<verse number="11">Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid.</verse>
				<verse number="12">Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.</verse>
				<verse number="13">De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.</verse>
				<verse number="14">Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.</verse>
				<verse number="15">De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.</verse>
				<verse number="16">De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.</verse>
				<verse number="17">De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.</verse>
				<verse number="18">Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;</verse>
				<verse number="19">Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?</verse>
				<verse number="20">Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.</verse>
				<verse number="21">De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.</verse>
				<verse number="22">De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.</verse>
				<verse number="23">Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.</verse>
				<verse number="24">Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.</verse>
				<verse number="25">Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.</verse>
				<verse number="26">Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.</verse>
				<verse number="27">Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.</verse>
				<verse number="28">Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.</verse>
				<verse number="2">Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.</verse>
				<verse number="3">Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.</verse>
				<verse number="4">Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?</verse>
				<verse number="5">Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.</verse>
				<verse number="6">De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.</verse>
				<verse number="7">Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.</verse>
				<verse number="8">Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.</verse>
				<verse number="9">Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.</verse>
				<verse number="10">Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.</verse>
				<verse number="11">Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.</verse>
				<verse number="12">De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.</verse>
				<verse number="13">Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.</verse>
				<verse number="14">Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.</verse>
				<verse number="15">Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.</verse>
				<verse number="16">Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.</verse>
				<verse number="17">IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.</verse>
				<verse number="18">Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geëerd worden.</verse>
				<verse number="19">Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.</verse>
				<verse number="20">De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.</verse>
				<verse number="21">De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.</verse>
				<verse number="22">Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.</verse>
				<verse number="23">Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.</verse>
				<verse number="24">Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?</verse>
				<verse number="25">Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.</verse>
				<verse number="26">De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.</verse>
				<verse number="27">Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.</verse>
				<verse number="2">Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.</verse>
				<verse number="3">Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.</verse>
				<verse number="4">Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.</verse>
				<verse number="5">De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.</verse>
				<verse number="6">De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.</verse>
				<verse number="7">Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.</verse>
				<verse number="8">Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.</verse>
				<verse number="9">Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.</verse>
				<verse number="10">Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven.</verse>
				<verse number="11">Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.</verse>
				<verse number="12">Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.</verse>
				<verse number="13">Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.</verse>
				<verse number="14">Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.</verse>
				<verse number="15">De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.</verse>
				<verse number="16">Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.</verse>
				<verse number="17">Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!</verse>
				<verse number="18">Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.</verse>
				<verse number="19">Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.</verse>
				<verse number="20">Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.</verse>
				<verse number="21">De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.</verse>
				<verse number="22">Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.</verse>
				<verse number="23">Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.</verse>
				<verse number="24">Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel.</verse>
				<verse number="25">Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.</verse>
				<verse number="26">Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.</verse>
				<verse number="27">Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.</verse>
				<verse number="28">Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.</verse>
				<verse number="2">Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.</verse>
				<verse number="3">Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.</verse>
				<verse number="4">Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.</verse>
				<verse number="5">Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.</verse>
				<verse number="6">In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.</verse>
				<verse number="7">De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.</verse>
				<verse number="8">Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.</verse>
				<verse number="9">Een wijs man, met een dwaas man in rechte zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.</verse>
				<verse number="10">Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.</verse>
				<verse number="11">Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.</verse>
				<verse number="12">Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.</verse>
				<verse number="13">De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.</verse>
				<verse number="14">Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.</verse>
				<verse number="15">De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zich zelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.</verse>
				<verse number="16">Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien.</verse>
				<verse number="17">Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.</verse>
				<verse number="18">Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.</verse>
				<verse number="19">Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.</verse>
				<verse number="20">Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.</verse>
				<verse number="21">Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.</verse>
				<verse number="22">Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.</verse>
				<verse number="23">De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.</verse>
				<verse number="24">Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.</verse>
				<verse number="25">De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.</verse>
				<verse number="26">Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.</verse>
				<verse number="27">Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.</verse>
				<verse number="2">Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;</verse>
				<verse number="3">En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.</verse>
				<verse number="4">Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?</verse>
				<verse number="5">Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.</verse>
				<verse number="6">Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.</verse>
				<verse number="7">Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve;</verse>
				<verse number="8">IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;</verse>
				<verse number="9">Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.</verse>
				<verse number="10">Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.</verse>
				<verse number="11">Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;</verse>
				<verse number="12">Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;</verse>
				<verse number="13">Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;</verse>
				<verse number="14">Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.</verse>
				<verse number="15">De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!</verse>
				<verse number="16">Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!</verse>
				<verse number="17">Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.</verse>
				<verse number="18">Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:</verse>
				<verse number="19">De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.</verse>
				<verse number="20">Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!</verse>
				<verse number="21">Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:</verse>
				<verse number="22">Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;</verse>
				<verse number="23">Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.</verse>
				<verse number="24">Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.</verse>
				<verse number="25">De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in den zomer haar spijs.</verse>
				<verse number="26">De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.</verse>
				<verse number="27">De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.</verse>
				<verse number="28">De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.</verse>
				<verse number="29">Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;</verse>
				<verse number="30">De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;</verse>
				<verse number="31">Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.</verse>
				<verse number="32">Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!</verse>
				<verse number="33">Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">De woorden van den koning Lemuël; de last, waarmede zijn moeder hem onderwees.</verse>
				<verse number="2">Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?</verse>
				<verse number="3">Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.</verse>
				<verse number="4">Het komt den koningen niet toe, o Lemuël! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;</verse>
				<verse number="5">Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.</verse>
				<verse number="6">Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;</verse>
				<verse number="7">Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.</verse>
				<verse number="8">Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.</verse>
				<verse number="9">Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.</verse>
				<verse number="10">Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.</verse>
				<verse number="11">Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.</verse>
				<verse number="12">Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.</verse>
				<verse number="13">Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.</verse>
				<verse number="14">Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.</verse>
				<verse number="15">Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.</verse>
				<verse number="16">Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.</verse>
				<verse number="17">Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.</verse>
				<verse number="18">Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.</verse>
				<verse number="19">Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.</verse>
				<verse number="20">Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.</verse>
				<verse number="21">Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.</verse>
				<verse number="22">Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.</verse>
				<verse number="23">Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.</verse>
				<verse number="24">Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.</verse>
				<verse number="25">Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.</verse>
				<verse number="26">Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.</verse>
				<verse number="27">Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.</verse>
				<verse number="28">Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:</verse>
				<verse number="29">Vele dochteren hebben deugdelijk gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.</verse>
				<verse number="30">De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.</verse>
				<verse number="31">Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="21">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De woorden van den prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.</verse>
				<verse number="3">Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?</verse>
				<verse number="4">Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="5">Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.</verse>
				<verse number="6">Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.</verse>
				<verse number="7">Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder.</verse>
				<verse number="8">Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.</verse>
				<verse number="9">Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.</verse>
				<verse number="10">Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die vóór ons geweest zijn.</verse>
				<verse number="11">Er is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen.</verse>
				<verse number="12">Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="13">En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.</verse>
				<verse number="14">Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.</verse>
				<verse number="15">Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.</verse>
				<verse number="16">Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.</verse>
				<verse number="17">En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.</verse>
				<verse number="18">Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.</verse>
				<verse number="2">Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?</verse>
				<verse number="3">Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens.</verse>
				<verse number="4">Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.</verse>
				<verse number="5">Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van allerlei vrucht.</verse>
				<verse number="6">Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met bomen groende.</verse>
				<verse number="7">Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest waren.</verse>
				<verse number="8">Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinoden der koningen en der landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel.</verse>
				<verse number="9">En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die vóór mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.</verse>
				<verse number="10">En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik wederhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.</verse>
				<verse number="11">Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon.</verse>
				<verse number="12">Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die den koning nakomen zal, doen hetgeen alrede gedaan is?</verse>
				<verse number="13">Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis.</verse>
				<verse number="14">De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.</verse>
				<verse number="15">Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.</verse>
				<verse number="16">Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?</verse>
				<verse number="17">Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes.</verse>
				<verse number="18">Ik haatte ook al mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal.</verse>
				<verse number="19">Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen over al mijn arbeid, dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid.</verse>
				<verse number="20">Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid heb onder de zon.</verse>
				<verse number="21">Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschikkelijkheid is; nochtans zal hij dien overgeven tot zijn deel, aan een mens, die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en een groot kwaad.</verse>
				<verse number="22">Wat heeft toch die mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen zijns harten, dien hij is bearbeidende onder de zon?</verse>
				<verse number="23">Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Datzelve is ook ijdelheid.</verse>
				<verse number="24">Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.</verse>
				<verse number="25">(Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?)</verse>
				<verse number="26">Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde den mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar den zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat hij het geve dien, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd.</verse>
				<verse number="2">Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien;</verse>
				<verse number="3">Een tijd om om te doden, en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken, en een tijd om te bouwen;</verse>
				<verse number="4">Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om te springen;</verse>
				<verse number="5">Een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te vergaderen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen;</verse>
				<verse number="6">Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen;</verse>
				<verse number="7">Een tijd om te scheuren, en een tijd om toe te naaien; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken;</verse>
				<verse number="8">Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.</verse>
				<verse number="9">Wat voordeel heeft hij, die werkt, van hetgeen hij bearbeidt?</verse>
				<verse number="10">Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.</verse>
				<verse number="11">Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe.</verse>
				<verse number="12">Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.</verse>
				<verse number="13">Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave Gods.</verse>
				<verse number="14">Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="15">Hetgeen geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is alrede geweest; en God zoekt het weggedrevene;</verse>
				<verse number="16">Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.</verse>
				<verse number="17">Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.</verse>
				<verse number="18">Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.</verse>
				<verse number="19">Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.</verse>
				<verse number="20">Zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.</verse>
				<verse number="21">Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?</verse>
				<verse number="22">Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Daarna wende ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden; en ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster.</verse>
				<verse number="2">Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.</verse>
				<verse number="3">Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.</verse>
				<verse number="4">Verder zag ik al den arbeid en alle geschikkelijkheid des werks, dat het den mens nijd van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes.</verse>
				<verse number="5">De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.</verse>
				<verse number="6">Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.</verse>
				<verse number="7">Ik wendde mij wederom, en ik zag een ijdelheid onder de zon;</verse>
				<verse number="8">Daar is er een, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broeder; nochtans is van al zijn arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en zegt niet: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is een moeilijke bezigheid.</verse>
				<verse number="9">Twee zijn beter dan één; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid;</verse>
				<verse number="10">Want indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op; maar wee den ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen.</verse>
				<verse number="11">Ook, indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?</verse>
				<verse number="12">En indien iemand den een mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.</verse>
				<verse number="13">Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.</verse>
				<verse number="14">Want een komt uit het gevangenhuis, om koning te zijn; daar ook een, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt.</verse>
				<verse number="15">Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, met den jongeling, den tweede, die in diens plaats staan zal.</verse>
				<verse number="16">Er is geen einde van al het volk, van allen, die vóór hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes.</verse>
				<verse number="17">Bewaar uw voet, als gij tot het huis Gods ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.</verse>
				<verse number="2">Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.</verse>
				<verse number="3">Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het.</verse>
				<verse number="4">Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt.</verse>
				<verse number="5">Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht des engels, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen?</verse>
				<verse number="6">Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!</verse>
				<verse number="7">Indien gij de onderdrukking des armen, en de beroving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hoger is dan de hoge, neemt er acht op; en daar zijn hogen boven henlieden.</verse>
				<verse number="8">Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelf wordt van het veld gediend.</verse>
				<verse number="9">Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie den overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid.</verse>
				<verse number="10">Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen?</verse>
				<verse number="11">De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen.</verse>
				<verse number="12">Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.</verse>
				<verse number="13">Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.</verse>
				<verse number="14">Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.</verse>
				<verse number="15">Daarom is dit ook een kwaad, dat krankheid aanbrengt; dat hij in alle manier, gelijk hij gekomen is, alzo heengaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in den wind gearbeid heeft?</verse>
				<verse number="16">Dat hij ook al zijn dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriets gehad heeft, ook zijn krankheid, en onstuimigen toorn?</verse>
				<verse number="17">Ziet, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal der dagen zijns levens, hetwelk God hem geeft; want dat is zijn deel.</verse>
				<verse number="18">Ook een iegelijk mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave van God.</verse>
				<verse number="19">Want hij zal niet veel gedenken aan de dagen zijns levens, dewijl hem God verhoort in de blijdschap zijns harten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen:</verse>
				<verse number="2">Een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is ook ijdelheid en een kwade smart.</verse>
				<verse number="3">Indien een man honderd kinderen gewon, en vele jaren leefde, zodat de dagen zijner jaren veel waren, doch zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij.</verse>
				<verse number="4">Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.</verse>
				<verse number="5">Ook heeft zij de zon niet gezien, noch bekend; zij heeft meer rust dan hij.</verse>
				<verse number="6">Ja, al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar één plaats?</verse>
				<verse number="7">Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.</verse>
				<verse number="8">Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?</verse>
				<verse number="9">Beter is het aanzien der ogen, dan het wandelen der begeerlijkheid. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.</verse>
				<verse number="10">Wat ook iemand zij, alrede is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mens is; en dat hij niet kan rechten met dien, die sterker is dan hij.</verse>
				<verse number="11">Voorwaar, er zijn veel dingen, die de ijdelheid vermeerderen; wat heeft de mens te meer daarvan?</verse>
				<verse number="12">Want wie weet, wat goed is voor den mens in dit leven, gedurende het getal der dagen van het leven zijner ijdelheid, welke hij doorbrengt als een schaduw? Want wie kan den mens aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt.</verse>
				<verse number="2">Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.</verse>
				<verse number="3">Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.</verse>
				<verse number="4">Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.</verse>
				<verse number="5">Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.</verse>
				<verse number="6">Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.</verse>
				<verse number="7">Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.</verse>
				<verse number="8">Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.</verse>
				<verse number="9">Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.</verse>
				<verse number="10">Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.</verse>
				<verse number="11">De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.</verse>
				<verse number="12">Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.</verse>
				<verse number="13">Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?</verse>
				<verse number="14">Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.</verse>
				<verse number="15">Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.</verse>
				<verse number="16">Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?</verse>
				<verse number="17">Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?</verse>
				<verse number="18">Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, die ontgaat dat al.</verse>
				<verse number="19">De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.</verse>
				<verse number="20">Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.</verse>
				<verse number="21">Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.</verse>
				<verse number="22">Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat gij ook anderen gevloekt hebt.</verse>
				<verse number="23">Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.</verse>
				<verse number="24">Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?</verse>
				<verse number="25">Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te speuren, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.</verse>
				<verse number="26">En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.</verse>
				<verse number="27">Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;</verse>
				<verse number="28">Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: één man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.</verse>
				<verse number="29">Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben veel vonden gezocht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid des mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd.</verse>
				<verse number="2">Ik zeg: Neem acht op den mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.</verse>
				<verse number="3">Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.</verse>
				<verse number="4">Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?</verse>
				<verse number="5">Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.</verse>
				<verse number="6">Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des mensen veel is over hem.</verse>
				<verse number="7">Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?</verse>
				<verse number="8">Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.</verse>
				<verse number="9">Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.</verse>
				<verse number="10">Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.</verse>
				<verse number="11">Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen.</verse>
				<verse number="12">Hoewel een zondaar honderd maal kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.</verse>
				<verse number="13">Maar den goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.</verse>
				<verse number="14">Er is nog een ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen, dien het wedervaart naar het werk der goddelozen, en er zijn goddelozen, dien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is.</verse>
				<verse number="15">Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon.</verse>
				<verse number="16">Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;</verse>
				<verse number="17">Toen zag ik al het werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Zekerlijk, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.</verse>
				<verse number="2">Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen; enerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddeloze, den goede en den reine, als den onreine; zo dien, die offert, als dien, die niet offert; gelijk den goede, alzo ook den zondaar, dien, die zweert, gelijk dien, die den eed vreest.</verse>
				<verse number="3">Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe.</verse>
				<verse number="4">Want voor dengene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop; want een levende hond is beter dan een dode leeuw.</verse>
				<verse number="5">Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.</verse>
				<verse number="6">Ook is alrede hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles, wat onder de zon geschiedt.</verse>
				<verse number="7">Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn van goeder harte; want God heeft alrede een behagen aan uw werken.</verse>
				<verse number="8">Laat uw klederen te allen tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken.</verse>
				<verse number="9">Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen uws ijdelen levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, dien gij arbeidt onder de zon.</verse>
				<verse number="10">Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.</verse>
				<verse number="11">Ik keerde mij, en zag onder de zon, dat de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden, noch ook de spijs der wijzen, noch ook de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der welwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart;</verse>
				<verse number="12">Dat ook de mens zijn tijd niet weet, gelijk de vissen, die gevangen worden met het boze net; en gelijk de vogelen, die gevangen worden met den strik; gelijk die, alzo worden de kinderen der mensen verstrikt, ter bozer tijd, wanneer derzelve haastelijk over hen valt.</verse>
				<verse number="13">Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij:</verse>
				<verse number="14">Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.</verse>
				<verse number="15">En men vond daar een armen wijzen man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven armen man.</verse>
				<verse number="16">Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.</verse>
				<verse number="17">De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.</verse>
				<verse number="18">De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een enig zondaar verderft veel goeds.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Een dode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer.</verse>
				<verse number="2">Het hart des wijzen is tot zijn rechter-, maar het hart eens zots is tot zijn linkerhand.</verse>
				<verse number="3">En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.</verse>
				<verse number="4">Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.</verse>
				<verse number="5">Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.</verse>
				<verse number="6">Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.</verse>
				<verse number="7">Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.</verse>
				<verse number="8">Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.</verse>
				<verse number="9">Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.</verse>
				<verse number="10">Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.</verse>
				<verse number="11">Indien de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.</verse>
				<verse number="12">De woorden van den mond eens wijzen zijn aangenaam; maar de lippen eens zots verslinden hemzelven.</verse>
				<verse number="13">Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.</verse>
				<verse number="14">De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?</verse>
				<verse number="15">De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.</verse>
				<verse number="16">Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!</verse>
				<verse number="17">Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.</verse>
				<verse number="18">Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.</verse>
				<verse number="19">Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.</verse>
				<verse number="20">Vloek den koning niet, zelfs in uw gedachte, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.</verse>
				<verse number="2">Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht; want gij weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal.</verse>
				<verse number="3">Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen.</verse>
				<verse number="4">Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien.</verse>
				<verse number="5">Gelijk gij niet weet, welke de weg des winds zij, of hoedanig de beenderen zijn in den buik van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, Die het alles maakt.</verse>
				<verse number="6">Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af; want gij weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide te zamen goed zijn zullen.</verse>
				<verse number="7">Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;</verse>
				<verse number="8">Maar indien de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat gekomen is, is ijdelheid.</verse>
				<verse number="9">Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.</verse>
				<verse number="10">Zo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.</verse>
				<verse number="2">Eer dan de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen.</verse>
				<verse number="3">In den dag, wanneer de wachters des huizes zullen beven, en de sterke mannen zichzelven zullen krommen, en de maalsters zullen stilstaan, omdat zij minder geworden zijn, en die door de vensteren zien, verduisterd zullen worden;</verse>
				<verse number="4">En de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid der maling, en hij opstaat op de stem van het vogeltje, en al de zangeressen nedergebogen zullen worden.</verse>
				<verse number="5">Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vrezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan.</verse>
				<verse number="6">Eer dat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan den bornput in stukken gestoten wordt;</verse>
				<verse number="7">En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.</verse>
				<verse number="8">IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; het is al ijdelheid!</verse>
				<verse number="9">En voorts, dewijl de prediker wijs geweest is, zo leerde hij het volk nog wetenschap, en merkte op, en onderzocht; hij stelde vele spreuken in orde.</verse>
				<verse number="10">De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid.</verse>
				<verse number="11">De woorden der wijzen zijn gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen van de meesters der verzamelingen, die gegeven zijn van den enigen Herder.</verse>
				<verse number="12">En wat boven dezelve is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleses.</verse>
				<verse number="13">Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.</verse>
				<verse number="14">Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="22">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het Hooglied, hetwelk van Sálomo is.</verse>
				<verse number="2">Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.</verse>
				<verse number="3">Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.</verse>
				<verse number="4">Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.</verse>
				<verse number="5">Ik ben zwart, doch lieflijk, gij dochters van Jeruzalem, gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Sálomo.</verse>
				<verse number="6">Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.</verse>
				<verse number="7">Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?</verse>
				<verse number="8">Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.</verse>
				<verse number="9">Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Faraö.</verse>
				<verse number="10">Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.</verse>
				<verse number="11">Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.</verse>
				<verse number="12">Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.</verse>
				<verse number="13">Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.</verse>
				<verse number="14">Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.</verse>
				<verse number="15">Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.</verse>
				<verse number="16">Zie, Gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.</verse>
				<verse number="17">De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.</verse>
				<verse number="2">Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.</verse>
				<verse number="3">Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.</verse>
				<verse number="4">Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.</verse>
				<verse number="5">Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.</verse>
				<verse number="6">Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.</verse>
				<verse number="7">Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!</verse>
				<verse number="8">Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!</verse>
				<verse number="9">Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën.</verse>
				<verse number="10">Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!</verse>
				<verse number="11">Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;</verse>
				<verse number="12">De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.</verse>
				<verse number="13">De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!</verse>
				<verse number="14">Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.</verse>
				<verse number="15">Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.</verse>
				<verse number="16">Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën,</verse>
				<verse number="17">Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:</verse>
				<verse number="2">Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.</verse>
				<verse number="3">De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?</verse>
				<verse number="4">Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.</verse>
				<verse number="5">Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!</verse>
				<verse number="6">Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?</verse>
				<verse number="7">Ziet, het bed, dat Sálomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël;</verse>
				<verse number="8">Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts.</verse>
				<verse number="9">De koning Sálomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.</verse>
				<verse number="10">De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="11">Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Sálomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren.</verse>
				<verse number="2">Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.</verse>
				<verse number="3">Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.</verse>
				<verse number="4">Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden.</verse>
				<verse number="5">Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.</verse>
				<verse number="6">Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel.</verse>
				<verse number="7">Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.</verse>
				<verse number="8">Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amána, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.</verse>
				<verse number="9">Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals.</verse>
				<verse number="10">Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen!</verse>
				<verse number="11">Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.</verse>
				<verse number="12">Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.</verse>
				<verse number="13">Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;</verse>
				<verse number="14">Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen.</verse>
				<verse number="15">O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!</verse>
				<verse number="16">Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!</verse>
				<verse number="2">Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.</verse>
				<verse number="3">Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?</verse>
				<verse number="4">Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil.</verse>
				<verse number="5">Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handhaven des slots.</verse>
				<verse number="6">Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.</verse>
				<verse number="7">De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.</verse>
				<verse number="8">Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde.</verse>
				<verse number="9">Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat gij ons zo bezworen hebt!</verse>
				<verse number="10">Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.</verse>
				<verse number="11">Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.</verse>
				<verse number="12">Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen.</verse>
				<verse number="13">Zijn wangen zijn als een bed van specerij, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.</verse>
				<verse number="14">Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.</verse>
				<verse number="15">Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.</verse>
				<verse number="16">Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?</verse>
				<verse number="2">Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen.</verse>
				<verse number="3">Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt.</verse>
				<verse number="4">Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.</verse>
				<verse number="5">Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.</verse>
				<verse number="6">Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen jongeloos.</verse>
				<verse number="7">Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.</verse>
				<verse number="8">Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal.</verse>
				<verse number="9">Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergene, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.</verse>
				<verse number="10">Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?</verse>
				<verse number="11">Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.</verse>
				<verse number="12">Eer ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.</verse>
				<verse number="13">Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.</verse>
				<verse number="2">Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën.</verse>
				<verse number="3">Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.</verse>
				<verse number="4">Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet.</verse>
				<verse number="5">Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen.</verse>
				<verse number="6">Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!</verse>
				<verse number="7">Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druif trossen.</verse>
				<verse number="8">Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, Ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druif trossen aan den wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.</verse>
				<verse number="9">En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot Mijn beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.</verse>
				<verse number="10">Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij.</verse>
				<verse number="11">Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.</verse>
				<verse number="12">Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven.</verse>
				<verse number="13">De dûdaïm geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Och, dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten.</verse>
				<verse number="2">Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen.</verse>
				<verse number="3">Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.</verse>
				<verse number="4">Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust!</verse>
				<verse number="5">Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik U opgewekt, daar heeft U Uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij U met smart voortgebracht, die U gebaard heeft.</verse>
				<verse number="6">Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.</verse>
				<verse number="7">Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.</verse>
				<verse number="8">Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?</verse>
				<verse number="9">Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.</verse>
				<verse number="10">Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt.</verse>
				<verse number="11">Sálomo had een wijngaard, te Baäl-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen.</verse>
				<verse number="12">Mijn wijngaard, dien Ik heb, is voor Mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Sálomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht.</verse>
				<verse number="13">O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.</verse>
				<verse number="14">Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="23">
			<chapter number="1">
				<heading verse="1">Opschrift en aanklacht tegen Israël</heading>
				<verse number="1">Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws חזון (chazon) = visioen, profetisch gezicht — niet “gezicht” in de moderne betekenis van gelaat</note>
				<ref verse="1">2 Kron 26:22; Hos 1:1; Micha 1:1</ref>
				<verse number="2">Hoor, hemelen! En luister, aarde! Want Jahweh spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en verhoogd, maar zij zijn tegen Mij in opstand gekomen.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws פשעו (pash’u) = in opstand komen, rebelleren — sterker dan “overtreden”</note>
				<ref verse="2">Deut 32:1; Jer 2:12</ref>
				<verse number="3">Een os kent zijn bezitter, en een ezel de voederbak van zijn heer; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk begrijpt het niet.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws לא התבונן (lo hitbonen) = begrijpt niet, heeft geen inzicht — “verstaat” hier in de zin van begrijpen</note>
				<ref verse="3">Jer 8:7</ref>
				<verse number="4">Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het nageslacht van kwaaddoeners, de verderfelijke kinderen! Zij hebben Jahweh verlaten, zij hebben de Heilige van Israël veracht, zij zijn vervreemd en van Hem afgeweken.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws נאצו (na’atsu) = verachten, versmaden — sterker dan “lasteren”; משחיתים (mashchitim) = verderfelijke, die verderf brengen</note>
				<ref verse="4">Deut 32:5-6</ref>
				<verse number="5">Waarom zou u nog meer geslagen worden? U zou de afvalligheid alleen maar vermeerderen. Het hele hoofd is ziek, en het hele hart is zwak.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws לחלי (lacholi) = ziek; דוי (dawwai) = zwak, lijdend</note>
				<ref verse="5">Jer 2:30</ref>
				<verse number="6">Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets heel aan; alleen wonden, striemen en zweren, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en niet met olie verzacht.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws מכה טריה (makkah teriyyah) = verse, open wond; פצע (petsa) = wond; חבורה (chabburah) = striem</note>
				<verse number="7">Uw land is een woestenij, uw steden zijn met vuur verbrand; uw akkerland — vreemden verteren het voor uw ogen, en het is een verwoesting, als omvergeworpen door vreemden.</verse>
				<ref verse="7">Deut 28:51-52</ref>
				<verse number="8">En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommertuin, als een belegerde stad.</verse>
				<ref verse="8">Job 27:18; Klaagl 2:6</ref>
				<verse number="9">Als Jahweh van de legermachten ons niet een klein overblijfsel had gelaten, waren wij als Sodom geworden; wij zouden aan Gomorra gelijk zijn geworden.</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws יהוה צבאות (YHWH tsebaoth) = Jahweh van de legermachten; שריד (sarid) = overblijfsel, rest</note>
				<ref verse="9">Gen 19:24; Rom 9:29; Klaagl 3:22</ref>
				<heading verse="10">Tegen holle eredienst</heading>
				<verse number="10">Hoor het woord van Jahweh, leiders van Sodom! Luister naar de wet van onze God, volk van Gomorra!</verse>
				<ref verse="10">Deut 32:32; Ez 16:46</ref>
				<verse number="11">Wat heb Ik aan de veelheid van uw slachtoffers? zegt Jahweh. Ik ben verzadigd van de brandoffers van rammen en het vet van mestbeesten, en heb geen behagen in het bloed van stieren, lammeren of bokken.</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws שבעתי (sabba’ti) = ik ben verzadigd, ik heb er genoeg van; פרים (parim) = stieren; חלב (cheleb) = vet</note>
				<ref verse="11">Ps 50:8-13; Am 5:21-22; Jer 6:20</ref>
				<verse number="12">Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen, wie heeft dit van uw hand geëist, dat u Mijn voorhoven zou betreden?</verse>
				<ref verse="12">Ex 23:17; Deut 16:16</ref>
				<verse number="13">Breng niet langer nutteloze offers; reukwerk is Mij een gruwel. Nieuwemaansdagen en sabbatten, het bijeenroepen van samenkomsten — Ik verdraag het niet: onrecht samen met de heilige samenkomsten.</verse>
				<note verse="13">Hebreeuws מנחת שוא (minchat shaw) = nutteloos/ijdel offer; עצרה (atsarah) = feestelijke bijeenkomst, plechtige samenkomst — niet “verbodsdag”</note>
				<ref verse="13">Am 5:21; Spr 15:8</ref>
				<verse number="14">Uw nieuwemaansdagen en uw vastgestelde feesten haat Mijn ziel; zij zijn Mij tot een last, het dragen ervan heeft Mij uitgeput.</verse>
				<note verse="14">Hebreeuws מועדים (mo’adim) = vastgestelde feesten, aangewezen tijden</note>
				<ref verse="14">Num 28:11-15</ref>
				<verse number="15">En wanneer u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u veel bidt, hoor Ik niet, want uw handen zijn vol bloed.</verse>
				<ref verse="15">Ps 66:18; Spr 1:28; Jer 14:12</ref>
				<heading verse="16">Oproep tot bekering</heading>
				<verse number="16">Was u, reinig u, doe de slechtheid van uw daden weg van voor Mijn ogen, houd op met kwaad doen.</verse>
				<ref verse="16">Ps 34:15; Jer 4:14</ref>
				<verse number="17">Leer goed te doen, zoek het recht, help de verdrukte, doe de wees recht, verdedig de zaak van de weduwe.</verse>
				<note verse="17">Hebreeuws אשרו חמוץ (ashsheru chamots) = help de verdrukte; ריבו אלמנה (ribu almanah) = verdedig de zaak van de weduwe</note>
				<ref verse="17">Deut 10:18; Ps 82:3; Jer 22:3</ref>
				<verse number="18">Kom dan, en laten wij de zaak samen uitspreken, zegt Jahweh; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.</verse>
				<note verse="18">Hebreeuws נוכחה (nokh’chah) = laten wij samen redeneren, laten wij de zaak bespreken — een juridische term</note>
				<ref verse="18">Ps 51:9; Jes 43:25-26; Jes 44:22</ref>
				<verse number="19">Als u gewillig bent en gehoorzaamt, zult u het goede van het land eten;</verse>
				<ref verse="19">Deut 28:1-2</ref>
				<verse number="20">Maar als u weigert en opstandig bent, zult u door het zwaard verteerd worden, want de mond van Jahweh heeft het gesproken.</verse>
				<note verse="20">Hebreeuws חרב תאכלו (chereb to’khelu) = het zwaard zal u verteren — woordspel met “eten” uit vers 19</note>
				<ref verse="20">Lev 26:25; Deut 28:15</ref>
				<heading verse="21">De ontrouwe stad en haar loutering</heading>
				<verse number="21">Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid woonde daarin, maar nu moordenaars.</verse>
				<note verse="21">Hebreeuws קריה נאמנה (qirjah ne’emanah) = getrouwe, betrouwbare stad; מרצחים (meratstsechim) = moordenaars</note>
				<ref verse="21">Jer 2:20-21; Ez 16:15</ref>
				<verse number="22">Uw zilver is tot schuim geworden; uw wijn is vermengd met water.</verse>
				<verse number="23">Uw vorsten zijn opstandelingen en metgezellen van dieven; ieder van hen houdt van geschenken en jaagt beloningen na. De wees doen zij geen recht, en de zaak van de weduwe komt niet voor hen.</verse>
				<note verse="23">Hebreeuws סוררים (sorerim) = opstandelingen, weerspannigen — niet simpelweg “afvalligen”; שלמנים (shalmonim) = beloningen, steekpenningen</note>
				<ref verse="23">Jer 5:28; Ez 22:27; Hos 9:15</ref>
				<verse number="24">Daarom spreekt de Heer, Jahweh van de legermachten, de Machtige van Israël: Wee! Ik zal Mij troosten over Mijn tegenstanders en Mij wreken op Mijn vijanden.</verse>
				<note verse="24">Hebreeuws אדון (Adon) = Heer; יהוה צבאות (YHWH tsebaoth) = Jahweh van de legermachten; אביר ישראל (Abir Yisra’el) = de Machtige van Israël; אנחם (enachem) = Ik zal Mij verlichting verschaffen — troost door vergelding</note>
				<ref verse="24">Deut 28:63</ref>
				<verse number="25">En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en uw schuim grondig uitzuiveren, en al uw tin verwijderen.</verse>
				<note verse="25">Hebreeuws כבר (kabor) = als met loog — een zuiveringsmiddel; בדיל (bedil) = tin, onzuiver metaal dat verwijderd moet worden</note>
				<ref verse="25">Zach 13:9; Mal 3:3</ref>
				<verse number="26">En Ik zal u uw rechters teruggeven als voorheen, en uw raadslieden als in het begin; daarna zult u een stad van gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.</verse>
				<ref verse="26">Jer 33:7; Zach 8:3</ref>
				<verse number="27">Sion zal door recht verlost worden, en haar terugkerenden door gerechtigheid.</verse>
				<note verse="27">Hebreeuws שביה (shaveha) = haar terugkerenden, bekeerlingen — zij die zich bekeren tot God</note>
				<ref verse="27">Jes 46:13; Jes 59:20</ref>
				<heading verse="28">Het oordeel over de afvalligen</heading>
				<verse number="28">Maar overtreders en zondaars zullen samen verbroken worden; en wie Jahweh verlaten, zullen omkomen.</verse>
				<ref verse="28">Ps 1:6; Ps 37:20</ref>
				<verse number="29">Want zij zullen beschaamd worden om de eiken die u begeerd hebt, en u zult blozen van schaamte om de tuinen die u gekozen hebt.</verse>
				<note verse="29">Hebreeuws אילים (elim) = eiken, terebinten — heilige bomen bij afgodendienst; גנות (gannot) = tuinen — afgodische offertuinen</note>
				<ref verse="29">Jes 57:5; Hos 4:13</ref>
				<verse number="30">Want u zult zijn als een eik waarvan de bladeren afvallen, en als een tuin die geen water heeft.</verse>
				<ref verse="30">Jer 17:5-6</ref>
				<verse number="31">En de sterke zal tot werk worden, en zijn daad tot een vonk, en zij zullen beiden samen branden, en er zal niemand zijn die blust.</verse>
				<note verse="31">Hebreeuws נערת (ne’oret) = werk, vlasvezels — brandbaar materiaal; פעלו (po’alo) = zijn werk/daad — niet “werkmeester” (geen persoon)</note>
				<ref verse="31">Jes 66:24</ref>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.</verse>
				<note verse="1">Hebreeuws דבר (dabar) = woord — maar ook: zaak, gebeurtenis; חזה (chazah) = zien, schouwen — profetisch zien, niet gewoon kijken</note>
				<verse number="2">En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis van Jahweh vaststaan zal op de top van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels; en alle heidenvolken zullen ernaartoe stromen.</verse>
				<note verse="2">Hebreeuws באחרית הימים (be'acharit hajamim) = in het laatste/einde der dagen — eschatologische term; נהרו (naharu) = toestromen — als een rivier die naar een punt stroomt; "heidenen" vervangen door "heidenvolken" (Hebr. גוים gojim)</note>
				<ref verse="2">Micha 4:1-3Dan 2:28Hos 3:5</ref>
				<verse number="3">En vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van Jahweh, naar het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons onderwijst in Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Jahweh uit Jeruzalem.</verse>
				<note verse="3">Hebreeuws יורנו (jorenu) = Hij zal ons onderwijzen, leren — van ירה (jarah) = onderwijzen; תורה (torah) = wet, onderwijzing — dezelfde wortel</note>
				<ref verse="3">Micha 4:2Zach 8:20-23</ref>
				<verse number="4">En Hij zal rechtspreken onder de heidenvolken, en vele volken terechtwijzen; en zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen, en hun speren tot snoeimessen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.</verse>
				<note verse="4">Hebreeuws שפט (shafat) = rechtspreken, oordelen; הוכיח (hochiach) = terechtwijzen, bestraffen; אתותיהם (ittotehem) = hun ploegscharen — niet "spaden"; חניתותיהם (chanitotehem) = hun speren — niet "spiesen" (verouderd); מזמרות (mazmerot) = snoeimessen — niet "sikkelen"</note>
				<ref verse="4">Micha 4:3Joël 3:10Ps 46:10</ref>
				<verse number="5">Kom, huis van Jakob, en laten wij wandelen in het licht van Jahweh.</verse>
				<note verse="5">Hebreeuws אור (or) = licht — Gods openbaring en leiding als licht om in te wandelen</note>
				<ref verse="5">Ef 5:81 Joh 1:7</ref>
				<verse number="6">Maar U hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vol geworden van het oosten, en zij bedrijven waarzeggerij zoals de Filistijnen, en met de kinderen van vreemden slaan zij de handen ineen.</verse>
				<note verse="6">Hebreeuws מקדם (miqqedem) = van het oosten — oosterse waarzeggerij en bijgeloof; עננים (onenim) = waarzeggers, wolkenduidrrs — "guichelaars" is verouderd; ישפיקו (jaspiku) = zij slaan de handen ineen met — zij verbinden zich met vreemden</note>
				<ref verse="6">Deut 18:10-122 Kon 21:6</ref>
				<verse number="7">En hun land is vol zilver en goud, en er is geen einde aan hun schatten; hun land is ook vol paarden, en er is geen einde aan hun wagens.</verse>
				<verse number="8">Ook is hun land vol afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor wat hun vingers gemaakt hebben.</verse>
				<note verse="8">Hebreeuws אלילים (elilim) = afgoden, nietigheden — woordspel: klinkt als אלהים (elohim/God) maar betekent "nietsjes"</note>
				<ref verse="8">Deut 4:28Ps 115:4-8</ref>
				<verse number="9">Zo bukt de gewone mens zich, en de aanzienlijke vernedert zich; vergeef het hun niet!</verse>
				<note verse="9">Hebreeuws אדם (adam) = mens, gewone man; איש (ish) = man, aanzienlijke — het contrast benadrukt dat niemand wordt uitgezonderd; אל תשא להם (al tissa lahem) = vergeef het hun niet — een bevel, geen beschrijving</note>
				<verse number="10">Ga de rots in, en verberg u in het stof, vanwege de verschrikking van Jahweh, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit.</verse>
				<note verse="10">Hebreeuws פחד יהוה (pachad YHWH) = verschrikking/ontzag van Jahweh — "schrik" vervangen door "verschrikking"; הדר גאונו (hadar ge'ono) = glans/heerlijkheid van Zijn majesteit/verhevenheid</note>
				<ref verse="10">Openb 6:15-16Hos 10:8</ref>
				<verse number="11">De trotse ogen van de mensen zullen vernederd worden, en de hoogmoed van de mannen zal neergebogen worden; en Jahweh alleen zal in die dag verheven zijn.</verse>
				<note verse="11">Hebreeuws עיני גבהות (ene gabhut) = ogen van hoogheid/trots — "hoge ogen" vervangen door "trotse ogen"; שפל (shafal) = vernederen, verlagen</note>
				<ref verse="11">Jes 5:15-16Fil 2:10-11</ref>
				<verse number="12">Want de dag van Jahweh van de legermachten zal zijn tegen al wie trots en hoogmoedig is, en tegen al wie verheven is, opdat hij vernederd wordt;</verse>
				<note verse="12">Hebreeuws יהוה צבאות (YHWH tsebaoth) = Jahweh van de legermachten — niet "heirscharen" (verouderd); גאה (ge'eh) = trots, hoogmoedig; רם (ram) = hoog, verheven</note>
				<ref verse="12">Jes 13:6Joël 1:15Zef 1:14-18</ref>
				<verse number="13">En tegen alle hoge en verheven ceders van de Libanon, en tegen alle eiken van Basan;</verse>
				<verse number="14">En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verheven heuvels;</verse>
				<verse number="15">En tegen elke hoge toren, en tegen elke versterkte muur;</verse>
				<verse number="16">En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle kostbare kunstwerken.</verse>
				<note verse="16">Hebreeuws אניות תרשיש (onijot Tarshish) = schepen van Tarsis — grote zeeschepen; שכיות החמדה (sekijot hacbemdah) = kostbare kunstwerken, begeerlijke schilderijen — "gewenste schilderijen" is onduidelijk</note>
				<verse number="17">En de hoogmoed van de mensen zal gebogen worden, en de trots van de mannen zal vernederd worden; en Jahweh alleen zal in die dag verheven zijn.</verse>
				<ref verse="17">Jes 5:15-16</ref>
				<verse number="18">En de afgoden zullen geheel en al vergaan.</verse>
				<verse number="19">Dan zullen zij de grotten van de rotsen ingaan, en de holen van de aarde, vanwege de verschrikking van Jahweh en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te verschrikken.</verse>
				<note verse="19">Hebreeuws מערות (me'arot) = grotten, spelonken; מחלות (mechillot) = holen, gangen — schuilplaatsen in de rotsen</note>
				<ref verse="19">Openb 6:15Luk 23:30</ref>
				<verse number="20">Op die dag zal de mens zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, die hij voor zichzelf gemaakt had om zich ervoor neer te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen;</verse>
				<note verse="20">Hebreeuws חפרפרות (chafarperot) = mollen — gravende dieren; עטלפים (atalefim) = vleermuizen — beide symboliseren duisternis en onreinheid</note>
				<ref verse="20">Jes 30:22Jes 31:7</ref>
				<verse number="21">Om in de spleten van de rotsen te gaan en in de kloven van de steenrotsen, vanwege de verschrikking van Jahweh en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te verschrikken.</verse>
				<verse number="22">Laat toch af van de mens, wiens adem in zijn neus is; want waarin is hij te achten?</verse>
				<note verse="22">Hebreeuws חדלו (chidlu) = laat af, houd op — imperativus; נשמה (neshamah) = adem, levensadem — de mens is broos en vergankelijk; במה נחשב הוא (bammeh nechshab hu) = waarin is hij te achten? — retorische vraag: de mens is niets vergeleken bij God</note>
				<ref verse="22">Ps 146:3-4Jer 17:5</ref>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters;</verse>
				<verse number="2">Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;</verse>
				<verse number="3">Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;</verse>
				<verse number="5">En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.</verse>
				<verse number="6">Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;</verse>
				<verse number="7">Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.</verse>
				<verse number="8">Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en zijn handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.</verse>
				<verse number="9">Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sódom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.</verse>
				<verse number="10">Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.</verse>
				<verse number="11">Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.</verse>
				<verse number="12">De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.</verse>
				<verse number="13">De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.</verse>
				<verse number="14">De HEERE komt ten gerichte tegen de oudsten Zijns volks en deszelfs vorsten, want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd; de roof des ellendigen is in uwe huizen.</verse>
				<verse number="15">Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="16">Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.</verse>
				<verse number="17">Zo zal de Heere den schedel der dochteren van Sion schurftig maken, en de HEERE zal haar schaamte ontbloten.</verse>
				<verse number="18">Ten zelfden dage zal de Heere wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes,</verse>
				<verse number="19">De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,</verse>
				<verse number="20">De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,</verse>
				<verse number="21">De ringen en de voorhoofdsierselen,</verse>
				<verse number="22">De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,</verse>
				<verse number="23">De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.</verse>
				<verse number="24">En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.</verse>
				<verse number="25">Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.</verse>
				<verse number="26">En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En te dien dage zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.</verse>
				<verse number="2">Te dien dage zal des HEEREN SPRUIT zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de Vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël.</verse>
				<verse number="3">En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iegelijk, die geschreven is ten leven te Jeruzalem;</verse>
				<verse number="4">Als de Heere zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels, en door den Geest der uitbranding.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE zal over alle woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.</verse>
				<verse number="6">En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.</verse>
				<verse number="2">En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.</verse>
				<verse number="3">Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.</verse>
				<verse number="4">Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?</verse>
				<verse number="5">Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.</verse>
				<verse number="7">Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.</verse>
				<verse number="8">Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands!</verse>
				<verse number="9">Voor mijn oren heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke zonder inwoner!</verse>
				<verse number="10">Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.</verse>
				<verse number="11">Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!</verse>
				<verse number="12">En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen.</verse>
				<verse number="13">Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.</verse>
				<verse number="14">Daarom zal het graf zichzelf wijd opsperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.</verse>
				<verse number="15">Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.</verse>
				<verse number="16">Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.</verse>
				<verse number="17">En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen der vetten eten.</verse>
				<verse number="18">Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!</verse>
				<verse number="19">Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!</verse>
				<verse number="20">Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!</verse>
				<verse number="21">Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!</verse>
				<verse number="22">Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!</verse>
				<verse number="23">Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.</verse>
				<verse number="24">Daarom, gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet des HEEREN der heirscharen, en de rede des Heiligen van Israël versmaden.</verse>
				<verse number="25">Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.</verse>
				<verse number="26">Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde der aarde; en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen.</verse>
				<verse number="27">Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden.</verse>
				<verse number="28">Welker pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hunner paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind.</verse>
				<verse number="29">Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.</verse>
				<verse number="30">En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in haar verwoestingen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.</verse>
				<verse number="2">De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.</verse>
				<verse number="3">En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!</verse>
				<verse number="4">Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.</verse>
				<verse number="6">Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.</verse>
				<verse number="7">En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.</verse>
				<verse number="8">Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.</verse>
				<verse number="10">Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde.</verse>
				<verse number="12">Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.</verse>
				<verse number="13">Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remália, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.</verse>
				<verse number="2">Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriërs rusten op Efraïm, zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;</verse>
				<verse number="4">En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriërs, en van den zoon van Remália;</verse>
				<verse number="5">Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en den zoon van Remália, zeggende:</verse>
				<verse number="6">Laat ons optrekken tegen Juda, en haar verdriet aandoen, en haar onder ons delen, en den zoon van Tábeal koning maken in het midden van haar.</verse>
				<verse number="7">Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden.</verse>
				<verse number="8">Maar Damaskus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij.</verse>
				<verse number="9">Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remália het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.</verse>
				<verse number="10">En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Eis u een teken van den HEERE, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.</verse>
				<verse number="12">Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet verzoeken.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij, huis van David! is het ulieden te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt?</verse>
				<verse number="14">Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.</verse>
				<verse number="15">Boter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.</verse>
				<verse number="16">Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijn twee koningen.</verse>
				<verse number="17">Doch de HEERE zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door den koning van Assyrië.</verse>
				<verse number="18">Want het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE zal toesissen de vliegen, die aan het einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.</verse>
				<verse number="19">En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.</verse>
				<verse number="20">Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, hetwelk aan gene zijde der rivier is, door den koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar der voeten; ja, het zal ook den baard gans wegnemen.</verse>
				<verse number="21">En het zal geschieden te dien dage, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen;</verse>
				<verse number="22">En het zal geschieden, dat hij vanwege de veelheid der melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.</verse>
				<verse number="23">Ook zal het te dienzelfden dage geschieden, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;</verse>
				<verse number="24">Dat men met pijlen en met den boog aldaar zal moeten gaan; want het ganse land zal doornen en distelen zijn.</verse>
				<verse number="25">Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees der doornen en der distelen; maar die zullen wezen tot inzending van den os, en tot vertreding van het kleinvee.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Verder zeide de HEERE tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit!</verse>
				<verse number="2">Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uría, den priester, en Zachariá, den zoon van Jeberechja.</verse>
				<verse number="3">En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en de HEERE zeide tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL CHAZ-BAZ.</verse>
				<verse number="4">Want eer dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men den rijkdom van Damaskus, en den buit van Samaria dragen voor het aangezicht van den koning van Assur.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE sprak nog verder tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="6">Dewijl dit volk veracht de wateren van Silóah, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en den zoon van Remália;</verse>
				<verse number="7">Daarom ziet, zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;</verse>
				<verse number="8">En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken; en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël!</verse>
				<verse number="9">Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken; omgordt u, doch wordt verbroken!</verse>
				<verse number="10">Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!</verse>
				<verse number="11">Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet.</verse>
				<verse number="13">Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking.</verse>
				<verse number="14">Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="15">En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.</verse>
				<verse number="16">Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder Mijn leerlingen.</verse>
				<verse number="17">Daarom zal ik den HEERE verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.</verse>
				<verse number="18">Ziet, Ik en de kinderen, die Mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.</verse>
				<verse number="19">Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?</verse>
				<verse number="20">Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.</verse>
				<verse number="21">En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;</verse>
				<verse number="22">Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.</verse>
				<verse number="23">Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galiléa der heidenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.</verse>
				<verse number="2">Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.</verse>
				<verse number="3">Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten;</verse>
				<verse number="4">Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.</verse>
				<verse number="5">Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;</verse>
				<verse number="6">Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.</verse>
				<verse number="7">De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israël.</verse>
				<verse number="8">En al dit volk zal het gewaar worden, Efraïm en de inwoner van Samaria; in hoogmoed en grootsheid des harten, zeggende:</verse>
				<verse number="9">De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;</verse>
				<verse number="10">Want de HEERE zal Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen:</verse>
				<verse number="11">De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.</verse>
				<verse number="12">Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet.</verse>
				<verse number="13">Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israël den kop en den staart, den tak en de bieze, op één dag.</verse>
				<verse number="14">(De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.)</verse>
				<verse number="15">Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt.</verse>
				<verse number="16">Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.</verse>
				<verse number="17">Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.</verse>
				<verse number="18">Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.</verse>
				<verse number="19">Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten;</verse>
				<verse number="20">Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en den schrijvers, die moeite voorschrijven;</verse>
				<verse number="2">Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!</verse>
				<verse number="3">Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking, en der verwoesting, die van verre komen zal? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?</verse>
				<verse number="4">Dat elkeen zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.</verse>
				<verse number="5">Wee den Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!</verse>
				<verse number="6">Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk Mijner verbolgenheid; opdat hij den roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk der straten.</verse>
				<verse number="7">Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.</verse>
				<verse number="8">Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?</verse>
				<verse number="9">Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damaskus?</verse>
				<verse number="10">Gelijk als mijn hand gevonden heeft de koninkrijken der afgoden, ofschoon hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria;</verse>
				<verse number="11">Gelijk als ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik alzo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden?</verse>
				<verse number="12">Want het zal geschieden, als de Heere een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op den berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid des harten van den koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijner ogen.</verse>
				<verse number="13">Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;</verse>
				<verse number="14">En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.</verse>
				<verse number="15">Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?</verse>
				<verse number="16">Daarom zal de Heere HEERE der heirscharen onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als den brand des vuurs.</verse>
				<verse number="17">Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op één dag.</verse>
				<verse number="18">Ook zal Hij verteren de heerlijkheid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt.</verse>
				<verse number="19">En de overgebleven bomen zijns wouds zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.</verse>
				<verse number="20">En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op den HEERE, den Heilige Israëls, oprechtelijk.</verse>
				<verse number="21">Het overblijfsel zal wederkeren, het overblijfsel van Jakob, tot den sterken God!</verse>
				<verse number="22">Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.</verse>
				<verse number="23">Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden dezes gansen lands.</verse>
				<verse number="24">Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren;</verse>
				<verse number="25">Want nog een klein weinig, zo zal volbracht worden de gramschap, en Mijn toorn tot hun vernieling.</verse>
				<verse number="26">Want de HEERE der heirscharen zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, denwelken Hij verheffen zal, naar de wijze der Egyptenaren.</verse>
				<verse number="27">En het zal geschieden ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, om des Gezalfden wil.</verse>
				<verse number="28">Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af.</verse>
				<verse number="29">Zij trekken door den doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gíbea Sauls vlucht.</verse>
				<verse number="30">Roep luide met uw stem, gij dochter van Gallim! laat ze horen tot Laïs toe, o ellendige Anathoth!</verse>
				<verse number="31">Madména vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.</verse>
				<verse number="32">Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal zijn hand bewegen tegen den berg der dochter van Sion, den heuvel van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="33">Doch ziet, de Heere HEERE der heirscharen zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen nedergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden.</verse>
				<verse number="34">En Hij zal met ijzer de verwarde struiken des wouds omhouwen; en de Libanon zal vallen door den Heerlijke.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.</verse>
				<verse number="2">En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.</verse>
				<verse number="3">En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.</verse>
				<verse number="4">Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.</verse>
				<verse number="5">Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.</verse>
				<verse number="6">En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.</verse>
				<verse number="7">De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.</verse>
				<verse number="8">En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in den kuil van den basilisk.</verse>
				<verse number="9">Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.</verse>
				<verse number="10">Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.</verse>
				<verse number="11">Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sínear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.</verse>
				<verse number="12">En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.</verse>
				<verse number="13">En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen.</verse>
				<verse number="14">Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="15">Ook zal de HEERE den inham der zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte Zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan.</verse>
				<verse number="16">En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.</verse>
				<verse number="2">Zie, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de HEERE HEERE is mijn Sterkte en Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.</verse>
				<verse number="3">En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;</verse>
				<verse number="4">En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.</verse>
				<verse number="5">Psalmzingt den HEERE, want Hij heeft heerlijke dingen gedaan; zulks zij bekend op den gansen aardbodem.</verse>
				<verse number="6">Juich en zing vrolijk, gij inwoners van Sion! want de Heilige Israëls is groot in het midden van u.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">De last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.</verse>
				<verse number="2">Heft op een banier, op een hogen berg; verheft een stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen.</verse>
				<verse number="3">Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken Mijner hoogheid.</verse>
				<verse number="4">Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk eens groten volks; een stem van gedruis der koninkrijken, der verzamelde heidenen; de HEERE der heirscharen monstert het krijgsheir.</verse>
				<verse number="5">Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels; de HEERE en de instrumenten Zijner gramschap, om dat ganse land te verderven.</verse>
				<verse number="6">Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.</verse>
				<verse number="7">Daarom zullen alle handen slap worden, en aller mensen hart zal versmelten;</verse>
				<verse number="8">En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iegelijk zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.</verse>
				<verse number="9">Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen;</verse>
				<verse number="10">Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.</verse>
				<verse number="11">Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.</verse>
				<verse number="12">Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.</verse>
				<verse number="13">Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.</verse>
				<verse number="14">En een iegelijk zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vluchten.</verse>
				<verse number="15">Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen.</verse>
				<verse number="16">Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden.</verse>
				<verse number="17">Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben.</verse>
				<verse number="18">Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks; hun oog zal de kinderen niet verschonen.</verse>
				<verse number="19">Alzo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid der Chaldeeën, zijn gelijk als God Sódom en Gomórra omgekeerd heeft.</verse>
				<verse number="20">Daar zal geen woonplaats zijn in der eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren.</verse>
				<verse number="21">Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.</verse>
				<verse number="22">En wilde dieren der eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israël nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen.</verse>
				<verse number="2">En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis Israëls zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.</verse>
				<verse number="3">En het zal geschieden ten dage, wanneer u de HEERE rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen;</verse>
				<verse number="4">Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op?</verse>
				<verse number="5">De HEERE heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers.</verse>
				<verse number="6">Die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan.</verse>
				<verse number="7">De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.</verse>
				<verse number="8">Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe.</verse>
				<verse number="9">De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.</verse>
				<verse number="10">Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden.</verse>
				<verse number="11">Uw hovaardij is in de hel nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.</verse>
				<verse number="12">Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!</verse>
				<verse number="13">En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.</verse>
				<verse number="14">Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.</verse>
				<verse number="15">Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil!</verse>
				<verse number="16">Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?</verse>
				<verse number="17">Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?</verse>
				<verse number="18">Al de koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis;</verse>
				<verse number="19">Maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.</verse>
				<verse number="20">Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden.</verse>
				<verse number="21">Maakt de slachting voor zijn kinderen gereed, om hunner vaderen ongerechtigheid wil; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden;</verse>
				<verse number="22">Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal van Babel uitroeien den naam en het overblijfsel, en den zoon en den zoonszoon, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="23">En Ik zal haar stellen tot een erve der nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal haar met een bezem des verderfs uitvagen, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="24">De HEERE der heirscharen heeft gezworen, zeggende: Indien niet, gelijk Ik gedacht heb, het alzo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal!</verse>
				<verse number="25">Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hun schouder wijke.</verse>
				<verse number="26">Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat ganse land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken.</verse>
				<verse number="27">Want de HEERE der heirscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?</verse>
				<verse number="28">In het jaar, toen de koning Achaz stierf, geschiedde deze last.</verse>
				<verse number="29">Verheug u niet, gij gans Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.</verse>
				<verse number="30">En de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door den honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.</verse>
				<verse number="31">Huil, gij poort, schreeuw, gij stad! gij zijt gesmolten, gij gans Palestina! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten.</verse>
				<verse number="32">Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de HEERE Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten Zijns volks een toevlucht daarin hebben zouden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">De last van Moab. Zekerlijk, in den nacht is Ar-Moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in den nacht is Kir-Moabs verwoest, zij is uitgeroeid!</verse>
				<verse number="2">Hij gaat op naar Baïth en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Médeba zal Moab huilen; op al haar hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden.</verse>
				<verse number="3">Op haar wijken hebben zij zakken aangegord; op haar daken en op haar straten huilen zij altemaal, afgaande met geween.</verse>
				<verse number="4">Zo Hesbon als Eleále schreeuwt, hun stem wordt gehoord tot Jahaz toe; daarom maken de toegerusten van Moab een geschrei, eens iegelijks ziel in hem is kwalijk gesteld.</verse>
				<verse number="5">Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar den opgang van Luhith, want op den weg naar Horonáïm verwekken zij een jammergeschrei.</verse>
				<verse number="6">Want de wateren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen; want het gras is verdord, het tedere gras is vergaan, er is geen groente.</verse>
				<verse number="7">Daarom zullen zij den overvloed, dien zij vergaderd hebben, en hetgeen zij weggelegd hebben, aan de beek der wilgen voeren.</verse>
				<verse number="8">Want dat geschreeuw zal omgaan door de landpale van Moab, haar gehuil tot Eglaïm toe, ja, tot Beër-Elim toe zal haar gehuil zijn.</verse>
				<verse number="9">Want de wateren van Dimon zijn vol bloeds, want Ik zal Dimon nog meer toeschikken: te weten leeuwen over de ontkomenen van Moab, mitsgaders over het overblijfsel des lands.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Zendt de lammeren van den heerser des lands van Sela af, naar de woestijn henen, tot den berg der dochter van Sion.</verse>
				<verse number="2">Anderszins zal het geschieden, dat de dochteren van Moab aan de veren van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.</verse>
				<verse number="3">Brengt een raad aan, houd gericht, maak uw schaduw op het midden van den middag, gelijk den nacht; verberg de verdrevenen, en meld den omzwervende niet.</verse>
				<verse number="4">Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees gij hun een schuilplaats voor het aangezicht der verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.</verse>
				<verse number="5">Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en op denzelven zal bestendig Een zitten in de tent van David, Een, Die oordeelt en het recht zoekt, en vaardig is ter gerechtigheid.</verse>
				<verse number="6">Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn verbolgenheid, zijn alzo zijn grendelen niet.</verse>
				<verse number="7">Daarom zal Moab over Moab huilen, altemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Haréseth zult gijlieden zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.</verse>
				<verse number="8">Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren der heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jáëzer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee.</verse>
				<verse number="9">Daarom beween ik, in de wening over Jáëzer, den wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleále! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen;</verse>
				<verse number="10">Alzo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiven treder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, Ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.</verse>
				<verse number="11">Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-héres.</verse>
				<verse number="12">En het zal geschieden, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niet vermogen.</verse>
				<verse number="13">Dit is het woord, dat de HEERE tegen Moab gesproken heeft, van toen af.</verse>
				<verse number="14">Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">De last van Damaskus. Ziet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn.</verse>
				<verse number="2">De steden van Aroër zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken.</verse>
				<verse number="3">En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israëls, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="4">En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal.</verse>
				<verse number="5">Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refraïm.</verse>
				<verse number="6">Doch een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie beziën in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de HEERE, de God Israëls.</verse>
				<verse number="7">Te dien dage zal de mens zien naar Dien, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op den Heilige Israëls zien.</verse>
				<verse number="8">En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, ook hetgeen zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden.</verse>
				<verse number="9">Te dien dage zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben, om der kinderen Israëls wil, hoewel daar verwoesting zal wezen.</verse>
				<verse number="10">Want gij hebt den God uws heils vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte; daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandse ranken bezetten;</verse>
				<verse number="11">Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij die doen wassen, en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien; doch het zal maar een hoop van het gemaaide zijn, in den dag der krankheid en der pijnlijke smart.</verse>
				<verse number="12">Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeën bruisen; en wee het geruis der natiën, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen!</verse>
				<verse number="13">De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van den wind, en gelijk een kloot van den wervelwind.</verse>
				<verse number="14">Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Wee het land, dat schaduwachtig is aan de frontieren, dat aan de zijde der rivieren van Morenland is;</verse>
				<verse number="2">Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat henen, gij snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven.</verse>
				<verse number="3">Allen gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden het horen.</verse>
				<verse number="4">Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte op den regen, als een wolk des dauws in de hitte des oogstes;</verse>
				<verse number="5">Want vóór den oogst, als de botte volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt na den bloesem, zo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen.</verse>
				<verse number="6">Zij zullen te zamen gelaten worden den roofvogelen der bergen, en den dieren der aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren.</verse>
				<verse number="7">Te dien tijd zal den HEERE der heirscharen een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van den Naam des HEEREN der heirscharen, tot den berg Sion.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">De last van Egypte. Ziet, de HEERE rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart der Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.</verse>
				<verse number="2">Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijn broeder, en een iegelijk tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.</verse>
				<verse number="3">En de geest der Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hun raad zal Ik verslinden; dan zullen zij hun afgoden vragen, en den bezweerders, en den waarzeggers, en den duivelskunstenaars.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="5">En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.</verse>
				<verse number="6">Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken.</verse>
				<verse number="7">Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers der stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn.</verse>
				<verse number="8">En de vissers zullen treuren, en allen, die den angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen.</verse>
				<verse number="9">En de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van de witte stof.</verse>
				<verse number="10">En zij zullen met hun fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken.</verse>
				<verse number="11">Gewisselijk, de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Faraö, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Faraö; Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude koningen?</verse>
				<verse number="12">Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat de HEERE der heirscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte.</verse>
				<verse number="13">De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot den uitersten hoek zijner stammen.</verse>
				<verse number="14">De HEERE heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel.</verse>
				<verse number="15">En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, hetwelk het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen mag.</verse>
				<verse number="16">Te dien dage zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand des HEEREN der heirscharen, welke Hij tegen hen bewegen zal.</verse>
				<verse number="17">En het land van Juda zal den Egyptenaren tot een schrik zijn; zo wie het vermelden zal, die zal in zichzelven bevreesd wezen vanwege den raad des HEEREN der heirscharen, dien Hij tegen hen beraadslaagd heeft.</verse>
				<verse number="18">Te dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak van Kanaän, en zwerende den HEERE der heirscharen; een zal genoemd zijn een stad der verstoring.</verse>
				<verse number="19">Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar landpalen voor den HEERE.</verse>
				<verse number="20">En het zal zijn tot een teken, en tot een getuigenis den HEERE der heirscharen in Egypteland, want zij zullen tot den HEERE roepen vanwege de verdrukkers, en Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen.</verse>
				<verse number="21">En de HEERE zal den Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen den HEERE kennen te dien dage; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen den HEERE een gelofte beloven en betalen.</verse>
				<verse number="22">En de HEERE zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen; en zij zullen zich tot den HEERE bekeren, en Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen.</verse>
				<verse number="23">Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs den HEERE dienen.</verse>
				<verse number="24">Te dien dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land.</verse>
				<verse number="25">Want de HEERE der heirscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen, en Israël, Mijn erfdeel!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">In het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van Assyrië gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod, en het innam;</verse>
				<verse number="2">Ter zelfder tijd sprak de HEERE, door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind den zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande naakt en barrevoets.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland;</verse>
				<verse number="4">Alzo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, den Egyptenaren tot schaamte.</verse>
				<verse number="5">En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem.</verse>
				<verse number="6">En de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzo is het gegaan dien, op welken wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht des konings van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.</verse>
				<verse number="2">Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.</verse>
				<verse number="3">Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.</verse>
				<verse number="4">Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.</verse>
				<verse number="5">Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild!</verse>
				<verse number="6">Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.</verse>
				<verse number="7">En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte er zeer nauw op, met grote opmerking.</verse>
				<verse number="8">En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten.</verse>
				<verse number="9">En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.</verse>
				<verse number="10">O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israëls, dat heb ik ulieden aangezegd.</verse>
				<verse number="11">De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht?</verse>
				<verse number="12">De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt.</verse>
				<verse number="13">De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult gijlieden vernachten, o gij reizende gezelschappen van Dedanieten!</verse>
				<verse number="14">Komt den dorstige tegemoet met water; de inwoners des lands van Thema zijn den vluchtende met zijn brood bejegend.</verse>
				<verse number="15">Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor den gespannen boog, en voor de zwarigheid des krijgs.</verse>
				<verse number="16">Want alzo heeft de Heere tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan.</verse>
				<verse number="17">En het overgebleven getal der schutters, de helden der Kedarenen, zullen minder worden, want de HEERE, de God Israëls, heeft het gesproken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">De last van het dal des gezichts. Wat is u nu, dat gij altegader op de daken klimt?</verse>
				<verse number="2">Gij, die vol van groot gedruis waart, gij woelige stad, gij, vrolijk huppelende stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in den strijd.</verse>
				<verse number="3">Al uw oversten zijn te zamen weggevlucht; zij zijn van de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij zijn van verre gevloden.</verse>
				<verse number="4">Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring der dochter mijns volks.</verse>
				<verse number="5">Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het dal des gezichts, een dag van ontmuring des muurs, en van geschreeuw naar het gebergte toe.</verse>
				<verse number="6">Want Elam heeft den pijlkoker genomen, de man is op den wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild.</verse>
				<verse number="7">En het zal geschieden, dat uw uitgelezen dalen vol wagenen zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorte aan.</verse>
				<verse number="8">En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult gij zien naar de wapenen in het huis des wouds.</verse>
				<verse number="9">En gijlieden zult bezien de reten der stad Davids, omdat zij vele zijn; en gij zult de wateren des ondersten vijvers vergaderen.</verse>
				<verse number="10">Gij zult ook de huizen van Jeruzalem tellen; en gij zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen.</verse>
				<verse number="11">Ook zult gij een gracht maken tussen beide de muren, voor de wateren des ouden vijvers; maar gij zult niet opwaarts zien op Dien, Die zulks gedaan heeft, noch aanmerken Dien, Die dat van verre tijden geformeerd heeft.</verse>
				<verse number="12">En te dien dage zal de Heere, de HEERE der heirscharen, roepen tot geween, en tot rouwklage, en tot kaalheid, en tot omgording des zaks.</verse>
				<verse number="13">Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.</verse>
				<verse number="14">Maar de HEERE der heirscharen heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat gij sterft! zegt de Heere, de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="15">Alzo zegt de Heere, de HEERE der heirscharen: Ga heen, ga in tot dien schatmeester, tot Sebna, den hofmeester, en spreek:</verse>
				<verse number="16">Wat hebt gij hier, of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen?</verse>
				<verse number="17">Zie, de HEERE zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en Hij zal u ganselijk overdekken.</verse>
				<verse number="18">Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uw heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het huis uws heren!</verse>
				<verse number="19">En Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal Hij u verstoren.</verse>
				<verse number="20">En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, den zoon van Hilkía, roepen zal.</verse>
				<verse number="21">En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn.</verse>
				<verse number="22">En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen.</verse>
				<verse number="23">En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel der eer voor het huis zijns vaders.</verse>
				<verse number="24">En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitelingen en der afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flessen.</verse>
				<verse number="25">Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal die nagel, die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last, die daaraan is, zal afgesneden worden; want de HEERE heeft het gesproken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">De last van Tyrus. Huilt, gij schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden.</verse>
				<verse number="2">Zwijgt, gij inwoners des eilands! gij, die de kooplieden van Sidon, over zee varende, vervulden,</verse>
				<verse number="3">En wiens inkomst was het zaad van Sichor over de grote wateren, de oogst der rivier; en zij was de markt der heidenen.</verse>
				<verse number="4">Word beschaamd, o Sidon! want de zee spreekt, ja, de sterkte der zee, zeggende: Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongelingen groot gemaakt, en geen jonge dochters opgebracht.</verse>
				<verse number="5">Gelijk als geweest is de tijding van Egypte, zal men ook in weedom zijn, als men van Tyrus horen zal.</verse>
				<verse number="6">Vaart over naar Tarsis, huilt, gij inwoners des eilands!</verse>
				<verse number="7">Is dit uw vrolijk huppelende stad? welker oudheid wel van oude dagen af is; maar haar eigen voeten zullen haar verre wegdragen, om in vreemdelingschap te verkeren.</verse>
				<verse number="8">Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, welker kooplieden vorsten zijn, welker handelaars de heerlijkste in het land zijn?</verse>
				<verse number="9">De HEERE der heirscharen heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hovaardij van alle sieraad, om al de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken.</verse>
				<verse number="10">Ga door naar uw land, als een rivier, gij dochter van Tarsis! er is geen gordel meer.</verse>
				<verse number="11">Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken beroerd; de HEERE heeft bevel gegeven tegen Kanaän, om haar sterkten te verdelgen.</verse>
				<verse number="12">En Hij heeft gezegd: Gij zult niet meer vrolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult gij aldaar geen rust hebben.</verse>
				<verse number="13">Ziet, het land der Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefondeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld.</verse>
				<verse number="14">Huilt, gij schepen van Tarsis! want ulieder sterkte is verstoord.</verse>
				<verse number="15">En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, gelijk eens konings dagen; maar ten einde van zeventig jaren zal in Tyrus als een hoerenlied zijn:</verse>
				<verse number="16">Neem de harp, ga in de stad rondom, gij vergeten hoer! speel wel, zing veel liederen, opdat uwer gedacht worde!</verse>
				<verse number="17">Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaren, dat de HEERE Tyrus zal bezoeken, en dat zij wederkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn.</verse>
				<verse number="18">En haar koophandel en haar hoerenloon zal den HEERE heilig zijn, het zal niet ten schat vergaderd noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen, die voor den HEERE wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij durig deksel hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Ziet, de HEERE maakt het land ledig, en Hij maakt het woest; en Hij keert deszelfs gestaltenis om, en Hij verstrooit zijn inwoners.</verse>
				<verse number="2">En gelijk het volk, alzo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, alzo haar vrouw; gelijk de koper, alzo de verkoper; gelijk de lener, alzo de ontlener; gelijk de woekeraar, alzo die, van welken hij woeker ontvangt.</verse>
				<verse number="3">Dat land zal ganselijk ledig gemaakt worden, en het zal ganselijk beroofd worden; want de HEERE heeft dit woord gesproken.</verse>
				<verse number="4">Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kweelt, het verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwelen.</verse>
				<verse number="5">Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzetting, zij vernietigen het eeuwig verbond.</verse>
				<verse number="6">Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners des lands verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven.</verse>
				<verse number="7">De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten.</verse>
				<verse number="8">De vreugde der trommelen rust; het geluid der vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde der harp rust.</verse>
				<verse number="9">Zij zullen geen wijn drinken met gezang; de sterke drank zal bitter zijn dengenen, die hem drinken.</verse>
				<verse number="10">De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan.</verse>
				<verse number="11">Er is een klagelijk geroep op de straten, om des wijns wil; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde des lands is heengevaren.</verse>
				<verse number="12">Verwoesting is in de stad overgebleven, en met gekraak wordt de poort in stukken verbroken.</verse>
				<verse number="13">Want in het binnenste van het land, in het midden dezer volken, zal het alzo wezen, gelijk de afschudding des olijfbooms, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is.</verse>
				<verse number="14">Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des HEEREN zullen zij juichen van de zee af.</verse>
				<verse number="15">Daarom eert den HEERE in de valleien, in de eilanden der zee den Naam des HEEREN, des Gods van Israël.</verse>
				<verse number="16">Van het uiterste einde der aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouwelooslijk.</verse>
				<verse number="17">De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoner des lands!</verse>
				<verse number="18">En het zal geschieden, zo wie voor de stem der vreze vlieden zal, die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten der aarde zullen beven.</verse>
				<verse number="19">De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden.</verse>
				<verse number="20">De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weder opstaan.</verse>
				<verse number="21">En het zal geschieden te dien dage, dat de HEERE bezoeking doen zal over de heirscharen des hogen in de hoogte, en over de koningen des aardbodems op den aardbodem.</verse>
				<verse number="22">En zij zullen samenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weder bezocht worden.</verse>
				<verse number="23">En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de HEERE der heirscharen regeren zal op den berg Sion en te Jeruzalem, en voor Zijn oudsten zal heerlijkheid zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.</verse>
				<verse number="2">Want Gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de vaste stad tot een vervallen hoop; het paleis der vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.</verse>
				<verse number="3">Daarom zal U een machtig volk eren, de stad der tirannische volken zal U vrezen.</verse>
				<verse number="4">Want Gij zijt den arme een Sterkte geweest, een Sterkte den nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen den vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen der tirannen is als een vloed tegen een wand.</verse>
				<verse number="5">Gelijk de hitte in een dorre plaats, zult Gij de onstuimigheid der vreemdelingen nederdrukken; gelijk de hitte door de schaduw ener dikke wolk, zal het gezang der tirannen vernederd worden.</verse>
				<verse number="6">En de HEERE der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.</verse>
				<verse number="7">En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn.</verse>
				<verse number="8">Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.</verse>
				<verse number="9">En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.</verse>
				<verse number="10">Want de hand des HEEREN zal op dezen berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest.</verse>
				<verse number="11">En Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en Hij zal hun hoogmoed vernederen met de lagen hunner handen.</verse>
				<verse number="12">En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.</verse>
				<verse number="2">Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.</verse>
				<verse number="3">Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.</verse>
				<verse number="4">Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.</verse>
				<verse number="5">Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.</verse>
				<verse number="6">De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen.</verse>
				<verse number="7">Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.</verse>
				<verse number="8">Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.</verse>
				<verse number="9">Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.</verse>
				<verse number="10">Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.</verse>
				<verse number="11">HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.</verse>
				<verse number="12">HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.</verse>
				<verse number="13">HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams.</verse>
				<verse number="14">Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan.</verse>
				<verse number="15">Gij, o HEERE! hadt dit volk vermeerderd, Gij hadt dit volk vermeerderd; Gij waart verheerlijkt geworden; maar Gij hebt hen in al de einden des aardrijks verre weggedaan.</verse>
				<verse number="16">HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.</verse>
				<verse number="17">Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeën, alzo zijn wij geweest, o HEERE! vanwege Uw aangezicht.</verse>
				<verse number="18">Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners der wereld vielen niet neder.</verse>
				<verse number="19">Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.</verse>
				<verse number="20">Ga henen, Mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.</verse>
				<verse number="21">Want ziet, de HEERE zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.</verse>
				<verse number="2">Te dien dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.</verse>
				<verse number="3">Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.</verse>
				<verse number="4">Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?</verse>
				<verse number="5">Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.</verse>
				<verse number="6">In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen.</verse>
				<verse number="7">Heeft Hij hem geslagen, gelijk Hij dien geslagen heeft, die hem sloeg? Is hij gedood, gelijk zijn gedoden gedood zijn geworden?</verse>
				<verse number="8">Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.</verse>
				<verse number="9">Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de ganse vrucht, dat Hij deszelfs zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen des altaars maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan.</verse>
				<verse number="10">Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstoten en verlaten worden, gelijk een woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen, en zullen haar takken verslinden.</verse>
				<verse number="11">Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze aansteken; want het is geen volk van enig verstand; daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft, Zich deszelven niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft, zal aan hetzelve geen genade bewijzen.</verse>
				<verse number="12">En het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE dorsen zal, van den stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte; doch gijlieden zult opgelezen worden, een bij een, o gij kinderen Israëls!</verse>
				<verse number="13">En het zal te dien dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de heengedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen den HEERE aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Wee de hovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, welks heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn.</verse>
				<verse number="2">Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren; die overvloeien, zal hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.</verse>
				<verse number="3">De hovaardige kronen der dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden.</verse>
				<verse number="4">En de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor den zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op.</verse>
				<verse number="5">Te dien dage zal de HEERE der heirscharen tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn den overgeblevenen Zijns volks;</verse>
				<verse number="6">En tot een Geest des oordeels dien, die ten oordeel zit, en tot een sterkte dengenen, die den strijd afkeren tot de poort toe.</verse>
				<verse number="7">En ook dwalen dezen van den wijn, en zij dolen van den sterken drank; de priester en de profeet dwalen van den sterken drank; zij zijn verslonden van den wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezicht; zij waggelen in het gericht.</verse>
				<verse number="8">Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van drek, zodat er geen plaats schoon is.</verse>
				<verse number="9">Wien zou Hij dan de kennis leren, en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten?</verse>
				<verse number="10">Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig.</verse>
				<verse number="11">Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;</verse>
				<verse number="12">Tot dewelken Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft den moeden rust, en dit is de verkwikking; doch zij hebben niet willen horen.</verse>
				<verse number="13">Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.</verse>
				<verse number="14">Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!</verse>
				<verse number="15">Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.</verse>
				<verse number="16">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een Grondsteen in Sion, een beproefden Steen, een kostelijken Hoeksteen, Die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.</verse>
				<verse number="17">En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.</verse>
				<verse number="18">En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden.</verse>
				<verse number="19">Van den tijd af, als hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, want allen morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal geschieden, dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal.</verse>
				<verse number="20">Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.</verse>
				<verse number="21">Want de HEERE zal Zich opmaken, gelijk op den berg Perázim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!</verse>
				<verse number="22">Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.</verse>
				<verse number="23">Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!</verse>
				<verse number="24">Ploegt de ploeger den gehelen dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land den gehelen dag?</verse>
				<verse number="25">Is het niet alzo? Wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst, of spelt, elk aan zijn plaats.</verse>
				<verse number="26">En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.</verse>
				<verse number="27">Want men dorst de wikken niet met den dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;</verse>
				<verse number="28">Het brood koren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden.</verse>
				<verse number="29">Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Wee Aríël, Aríël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten.</verse>
				<verse number="2">Evenwel zal Ik Aríël beangstigen, en er zal treuring en droefheid wezen, en die stad zal Mij gelijk Aríël zijn.</verse>
				<verse number="3">Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen.</verse>
				<verse number="4">Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen.</verse>
				<verse number="5">En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastelijk geschieden.</verse>
				<verse number="6">Gij zult van den HEERE der heirscharen bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweder, en de vlam eens verterenden vuurs.</verse>
				<verse number="7">En gelijk de droom van een nachtgezicht is, alzo zal de veelheid aller heidenen zijn, die tegen Aríël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar beangstigen zullen.</verse>
				<verse number="8">Het zal alzo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; alzo zal de menigte aller heidenen zijn, die tegen den berg Sion krijgen.</verse>
				<verse number="9">Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank.</verse>
				<verse number="10">Want de HEERE heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.</verse>
				<verse number="11">Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, hetwelk men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.</verse>
				<verse number="12">Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.</verse>
				<verse number="13">Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;</verse>
				<verse number="14">Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen.</verse>
				<verse number="15">Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?</verse>
				<verse number="16">Ulieder omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijn pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet.</verse>
				<verse number="17">Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?</verse>
				<verse number="18">En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.</verse>
				<verse number="19">En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in den Heilige Israëls verheugen.</verse>
				<verse number="20">Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;</verse>
				<verse number="21">Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.</verse>
				<verse number="22">Daarom zegt de HEERE, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob alzo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden;</verse>
				<verse number="23">Want als hij zijn kinderen, het werk Mijner handen, zien zal in het midden van hem, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen den Heilige Jakobs heiligen, en den God van Israël vrezen.</verse>
				<verse number="24">En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de lering aannemen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Wee den kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen;</verse>
				<verse number="2">Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Faraö, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte.</verse>
				<verse number="3">Want de sterkte van Faraö zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande.</verse>
				<verse number="4">Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes;</verse>
				<verse number="5">Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal.</verse>
				<verse number="6">De last der beesten, van het zuiden, naar het land des angstes, en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut zal doen.</verse>
				<verse number="7">Want Egypte zal ijdellijk en tevergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn.</verse>
				<verse number="8">Nu dan, ga henen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos, tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="9">Want het is een wederspannig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die des HEEREN wet niet horen willen.</verse>
				<verse number="10">Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen.</verse>
				<verse number="11">Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israëls van ons ophouden!</verse>
				<verse number="12">Daarom, zo zegt de Heilige Israëls: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop:</verse>
				<verse number="13">Daarom zal ulieden deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hogen muur, welks breuk haastelijk in een ogenblik komen zal.</verse>
				<verse number="14">Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet verschonen; alzo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.</verse>
				<verse number="15">Want alzo zegt de Heere HEERE, de Heilige Israëls: Door wederkering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild.</verse>
				<verse number="16">En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden; daarom zult gij vlieden! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!</verse>
				<verse number="17">Eén duizend van het schelden van enige, van het schelden van vijf zult gij allen vlieden; totdat gij overgelaten wordt, gelijk een mast op den top van een berg, en als een banier op een heuvel.</verse>
				<verse number="18">En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.</verse>
				<verse number="19">Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; gij zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.</verse>
				<verse number="20">De Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid, en wateren der verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;</verse>
				<verse number="21">En uw oren zullen horen het woord Desgenen, Die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand.</verse>
				<verse number="22">En gijlieden zult voor onrein houden het deksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Henen uit!</verse>
				<verse number="23">Dan zal Hij uw zaad, waarmede gij het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van des lands inkomen, en hetzelve zal vet en smoutig zijn; uw vee zal te dien dage in een wijde landouwe weiden.</verse>
				<verse number="24">En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan.</verse>
				<verse number="25">En er zullen op allen hogen berg, en op allen verhevenen heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der grote slachting, wanneer de torens vallen zullen.</verse>
				<verse number="26">En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; ten dage als de HEERE de breuk Zijns volks zal verbinden, en de wonde, waarmede het geslagen is, genezen.</verse>
				<verse number="27">Ziet, de Naam des HEEREN komt van verre, Zijn toorn brandt, en de last is zwaar; Zijn lippen zijn vol gramschap, en Zijn tong, als een verterend vuur;</verse>
				<verse number="28">En Zijn adem is als een overlopende beek, die tot aan den hals toe raakt; om de heidenen te schudden met een schudding der ijdelheid, en als een misleidende toom in de kinnebakkens der volken.</verse>
				<verse number="29">Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in den nacht, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap des harten, gelijk van een, die met pijpen wandelt, om te komen tot den berg des HEEREN, tot den Rotssteen van Israël.</verse>
				<verse number="30">En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.</verse>
				<verse number="31">Want door de stem des HEEREN zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.</verse>
				<verse number="32">En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn (op welken de HEERE dien zal hebben doen rusten), daar zal men met trommelen en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal Hij tegen hen strijden.</verse>
				<verse number="33">Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor den koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op den Heilige Israëls, en zoeken den HEERE niet.</verse>
				<verse number="2">Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.</verse>
				<verse number="3">Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en de HEERE zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen.</verse>
				<verse number="4">Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer schoon een volle menigte der herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; alzo zal de HEERE der heirscharen nederdalen, om te strijden voor den berg Sions en voor haar heuvel.</verse>
				<verse number="5">Gelijk vliegende vogelen, alzo zal de HEERE der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen.</verse>
				<verse number="6">Bekeert u tot Hem, van Denwelken de kinderen Israëls diep afgeweken zijn.</verse>
				<verse number="7">Want te dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke u uw handen tot zonde gemaakt hadden;</verse>
				<verse number="8">En Assur zal vallen door het zwaard, niet eens mans, en het zwaard, niet eens mensen, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden, en zijn jongelingen zullen versmelten.</verse>
				<verse number="9">En hij zal van vreze doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de HEERE, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Ziet, een Koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.</verse>
				<verse number="2">En die Man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.</verse>
				<verse number="3">En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.</verse>
				<verse number="4">En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn, om bescheidenlijk te spreken.</verse>
				<verse number="5">De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden.</verse>
				<verse number="6">Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen den HEERE, om de ziel des hongerigen ledig te laten, en den dorstige drank te doen ontbreken.</verse>
				<verse number="7">En eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.</verse>
				<verse number="8">Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden.</verse>
				<verse number="9">Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijn stem; gij dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore.</verse>
				<verse number="10">Vele dagen over het jaar zult gij beroerd zijn, gij dochters, die zo zeker zijt, want de wijnoogst zal uit zijn, er zal geen inzameling komen.</verse>
				<verse number="11">Beeft, gij geruste vrouwen; weest beroerd, dochters, die zo zeker zijt; trekt u uit, en ontbloot u, en gordt zakken om uw lendenen.</verse>
				<verse number="12">Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken.</verse>
				<verse number="13">Op het land mijns volks zal de doorn en de distel opgaan; ja, op alle vreugdehuizen, in de vrolijk huppelende stad.</verse>
				<verse number="14">Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel der stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn, tot in der eeuwigheid, een vreugde der woudezelen, een weide der kudden.</verse>
				<verse number="15">Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden.</verse>
				<verse number="16">En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven.</verse>
				<verse number="17">En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="18">En mijn volk zal in een woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen.</verse>
				<verse number="19">Maar het zal hagelen, waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte.</verse>
				<verse number="20">Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait; gij, die den voet des osses en des ezels derwaarts henenzendt!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Wee u, gij verwoester, die niet verwoest zijt, en gij, die trouwelooslijk handelt, waar men niet trouwelooslijk tegen u gehandeld heeft! Als gij het verwoesten zult volbracht hebben, zult gij verwoest worden; als gij het trouweloos handelen zult voleind hebben, zal men trouwelooslijk tegen u handelen.</verse>
				<verse number="2">HEERE, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm allen morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde der benauwdheid.</verse>
				<verse number="3">Van het geluid des rumoers zullen de volken wegvlieden; van Uw verhoging zullen de heidenen verstrooid worden.</verse>
				<verse number="4">Dan zal ulieder buit verzameld worden, gelijk de kevers verzameld worden; men zal daarin ginds en weder huppelen, gelijk de sprinkhanen ginds en weder huppelen.</verse>
				<verse number="5">De HEERE is verheven, want Hij woont in de hoogte; Hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid.</verse>
				<verse number="6">En het zal geschieden, dat de vastigheid uwer tijden, de sterkte van uw behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis; de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.</verse>
				<verse number="7">Ziet, hun allersterksten roepen daar buiten; de boden des vredes wenen bitterlijk.</verse>
				<verse number="8">De gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op; hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mens.</verse>
				<verse number="9">Het land treurt, het kweelt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud.</verse>
				<verse number="10">Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE, nu zal Ik verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden.</verse>
				<verse number="11">Gijlieden gaat met stro zwanger, gij zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden.</verse>
				<verse number="12">En de volken zullen zijn als de verbrandingen des kalks; als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden.</verse>
				<verse number="13">Hoort gijlieden, die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gijlieden, die nabij zijt, bekent Mijn macht!</verse>
				<verse number="14">De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?</verse>
				<verse number="15">Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;</verse>
				<verse number="16">Die zal in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis.</verse>
				<verse number="17">Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien.</verse>
				<verse number="18">Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? Waar is de betaalsheer? Waar is hij, die de torens telt?</verse>
				<verse number="19">Gij zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke tong, hetwelk men niet verstaan kan.</verse>
				<verse number="20">Schouw Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geen verscheurd worden.</verse>
				<verse number="21">Maar de HEERE zal aldaar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn een plaats van rivieren, van wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren, en geen treffelijk schip zal daar overvaren.</verse>
				<verse number="22">Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning. Hij zal ons behouden.</verse>
				<verse number="23">Uw touwen zijn slap geworden, zij zullen hun mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, zelfs zullen de lammen den roof roven.</verse>
				<verse number="24">En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Nadert, gij heidenen, om te horen, en gij volken! luistert toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.</verse>
				<verse number="2">Want de verbolgenheid des HEEREN is over al de heidenen, en grimmigheid over al hun heir; Hij heeft hen verbannen, Hij heeft ze ter slachting overgegeven.</verse>
				<verse number="3">En hun verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed.</verse>
				<verse number="4">En al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun heir zal afvallen, gelijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van den vijgeboom.</verse>
				<verse number="5">Want Mijn zwaard is dronken geworden in den hemel; ziet, het zal ten oordeel nederdalen op Edom, en op het volk, hetwelk Ik verbannen heb.</verse>
				<verse number="6">Het zwaard des HEEREN is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed der lammeren en der bokken, van het smeer der nieren van de rammen; want de HEERE heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land der Edomieten.</verse>
				<verse number="7">En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.</verse>
				<verse number="8">Want het zal zijn de dag der wraak des HEEREN, een jaar der vergeldingen, om Sions twistzaak.</verse>
				<verse number="9">En haar beken zullen in pek verkeerd worden, en haar stof in zwavel; ja, haar aarde zal tot brandend pek worden.</verse>
				<verse number="10">Het zal des nachts of des daags niet uitgeblust worden, tot in der eeuwigheid zal haar rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan.</verse>
				<verse number="11">Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestigheid over haar trekken, en een richtlood der ledigheid.</verse>
				<verse number="12">Haar edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al haar vorsten zullen niets zijn.</verse>
				<verse number="13">En in haar paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in haar vestingen; en het zal een woning der draken zijn, een zaal voor de jongen der struisen.</verse>
				<verse number="14">En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.</verse>
				<verse number="15">Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.</verse>
				<verse number="16">Zoekt in het boek des HEEREN, en leest; niet een van dezen zal er feilen, het een noch het ander zal men missen; want Mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen.</verse>
				<verse number="17">Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer; tot in der eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.</verse>
				<verse number="2">Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad onzes Gods.</verse>
				<verse number="3">Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast.</verse>
				<verse number="4">Zegt den onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en ulieden verlossen.</verse>
				<verse number="5">Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden.</verse>
				<verse number="6">Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.</verse>
				<verse number="7">En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woning der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.</verse>
				<verse number="8">En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.</verse>
				<verse number="9">Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen.</verse>
				<verse number="10">En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkía, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.</verse>
				<verse number="2">En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot den koning Hizkía, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers.</verse>
				<verse number="3">Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.</verse>
				<verse number="4">En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt;</verse>
				<verse number="5">Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?</verse>
				<verse number="6">Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Faraö, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.</verse>
				<verse number="7">Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u nederbuigen?</verse>
				<verse number="8">Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.</verse>
				<verse number="9">Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst, van de geringste knechten mijns heren, afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren.</verse>
				<verse number="10">En nu ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen dit land, om dat te verderven. De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods, voor de oren des volks, dat op den muur is.</verse>
				<verse number="12">Maar Rabsake zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten, en hun water drinken zullen?</verse>
				<verse number="13">Alzo stond Rabsake, en riep met luider stem in het Joods, en zeide: Hoort de woorden des groten konings, des konings van Assyrië!</verse>
				<verse number="14">Alzo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden.</verse>
				<verse number="15">Daartoe, dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden; deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden.</verse>
				<verse number="16">Hoort naar Hizkía niet; want alzo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs;</verse>
				<verse number="17">Totdat ik kom en u haal in een land, als ulieder land is, een land van koren en most, een land van brood en van wijngaarden.</verse>
				<verse number="18">Dat Hizkía ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden; hebben de goden der volken, een ieder zijn land, gered uit de hand des konings van Assyrië?</verse>
				<verse number="19">Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarváïm? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered?</verse>
				<verse number="20">Welke zijn ze onder al de goden dezer landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand zou redden?</verse>
				<verse number="21">Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.</verse>
				<verse number="22">Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">En het geschiedde, als de koning Hizkía dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="2">Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz;</verse>
				<verse number="3">En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.</verse>
				<verse number="4">Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.</verse>
				<verse number="5">En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesaja.</verse>
				<verse number="6">En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrië gelasterd hebben.</verse>
				<verse number="7">Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.</verse>
				<verse number="8">Zo kwam Rabsake weder, en hij vond den koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.</verse>
				<verse number="9">Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Zo zult gijlieden spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.</verse>
				<verse number="11">Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?</verse>
				<verse number="12">Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelven gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?</verse>
				<verse number="13">Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarváïm, Hena en Ivva?</verse>
				<verse number="14">Als nu Hizkía de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN; en Hizkía breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="15">En Hizkía bad tot den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="16">O HEERE der heirscharen, Gij, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde; Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt!</verse>
				<verse number="17">O HEERE! neig uw oor en hoor, HEERE! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om den levenden God te honen.</verse>
				<verse number="18">Waarlijk, HEERE! hebben de koningen van Assyrië al de landen, mitsgaders derzelver landerijen verwoest;</verse>
				<verse number="19">En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.</verse>
				<verse number="20">Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij alleen de HEERE zijt.</verse>
				<verse number="21">Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkía, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.</verse>
				<verse number="22">Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.</verse>
				<verse number="23">Wien hebt gij gehoond, en gelasterd, en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls!</verse>
				<verse number="24">Door middel uwer dienstknechten hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.</verse>
				<verse number="25">Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.</verse>
				<verse number="26">Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.</verse>
				<verse number="27">Daarom waren haar inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds en de groene grasscheutjes, als het hooi der daken, en het brandkoren, eer het overeind staat.</verse>
				<verse number="28">Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.</verse>
				<verse number="29">Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.</verse>
				<verse number="30">En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.</verse>
				<verse number="31">Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.</verse>
				<verse number="32">Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver des HEEREN der heirscharen zal dit doen.</verse>
				<verse number="33">Daarom, zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.</verse>
				<verse number="34">Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="35">Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.</verse>
				<verse number="36">Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.</verse>
				<verse number="37">Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé.</verse>
				<verse number="38">Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramélech en Sarézer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">In die dagen werd Hizkía krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven.</verse>
				<verse number="2">Toen keerde Hizkía zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE.</verse>
				<verse number="3">En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkía weende gans zeer.</verse>
				<verse number="4">Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Ga henen, en zeg tot Hizkía: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen;</verse>
				<verse number="6">En Ik zal u uit de hand des konings van Assyrië verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen.</verse>
				<verse number="7">En dit zal u een teken zijn van den HEERE, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal:</verse>
				<verse number="8">Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was.</verse>
				<verse number="9">Dit is het schrift van Hizkía, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.</verse>
				<verse number="10">Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.</verse>
				<verse number="11">Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.</verse>
				<verse number="12">Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.</verse>
				<verse number="13">Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.</verse>
				<verse number="14">Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.</verse>
				<verse number="15">Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.</verse>
				<verse number="16">Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.</verse>
				<verse number="17">Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.</verse>
				<verse number="18">Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.</verse>
				<verse number="19">De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.</verse>
				<verse number="20">De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="21">Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.</verse>
				<verse number="22">En Hizkía had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des HEEREN zal opgaan?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">Te dien tijd zond Meródach Báladan, de zoon van Báladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkía; want hij had gehoord dat hij krank geweest en weder sterk geworden was.</verse>
				<verse number="2">En Hizkía verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn ganse wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat Hizkía hun niet toonde.</verse>
				<verse number="3">Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkía, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkía zeide: Zij zijn uit verren lande tot mij gekomen, uit Babel.</verse>
				<verse number="4">En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkía zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide Jesaja tot Hizkía: Hoor het woord des HEEREN der heirscharen.</verse>
				<verse number="6">Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="7">Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel.</verse>
				<verse number="8">Maar Hizkía zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijn dagen!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.</verse>
				<verse number="2">Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.</verse>
				<verse number="3">Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!</verse>
				<verse number="4">Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.</verse>
				<verse number="5">En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.</verse>
				<verse number="6">Een stem zegt: Roep! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.</verse>
				<verse number="7">Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.</verse>
				<verse number="8">Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="9">O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!</verse>
				<verse number="10">Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="11">Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.</verse>
				<verse number="12">Wie heeft de wateren met zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?</verse>
				<verse number="13">Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?</verse>
				<verse number="14">Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?</verse>
				<verse number="15">Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!</verse>
				<verse number="16">En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer.</verse>
				<verse number="17">Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.</verse>
				<verse number="18">Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?</verse>
				<verse number="19">De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.</verse>
				<verse number="20">Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.</verse>
				<verse number="21">Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?</verse>
				<verse number="22">Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;</verse>
				<verse number="23">Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.</verse>
				<verse number="24">Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.</verse>
				<verse number="25">Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.</verse>
				<verse number="26">Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.</verse>
				<verse number="27">Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?</verse>
				<verse number="28">Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.</verse>
				<verse number="29">Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.</verse>
				<verse number="30">De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;</verse>
				<verse number="31">Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="41">
				<verse number="1">Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.</verse>
				<verse number="2">Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel?</verse>
				<verse number="3">Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had?</verse>
				<verse number="4">Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en met den laatsten ben Ik Dezelfde.</verse>
				<verse number="5">De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;</verse>
				<verse number="6">De een hielp den ander, en zeide tot zijn metgezel: Wees sterk!</verse>
				<verse number="7">En de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.</verse>
				<verse number="8">Maar gij, Israël, Mijn knecht! gij Jakob, dien Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!</verse>
				<verse number="9">Gij, welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zeide tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.</verse>
				<verse number="10">Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid.</verse>
				<verse number="11">Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, die met u twisten, zullen vergaan.</verse>
				<verse number="12">Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de lieden, die met u kijven, zullen worden als niet, en die lieden, die met u oorlogen, als een nietig ding.</verse>
				<verse number="13">Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.</verse>
				<verse number="14">Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israëls!</verse>
				<verse number="15">Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf.</verse>
				<verse number="16">Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den HEERE; in den Heilige Israëls zult gij u roemen.</verse>
				<verse number="17">De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, de HEERE zal hen verhoren, Ik, de God Israëls, zal hen niet verlaten.</verse>
				<verse number="18">Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.</verse>
				<verse number="19">Ik zal in de woestijn den cederboom, den sittimboom, en den mirteboom, en den olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen den denneboom, den beuk, en den busboom te gelijk;</verse>
				<verse number="20">Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand des HEEREN zulks gedaan, en dat de Heilige Israëls zulks geschapen heeft.</verse>
				<verse number="21">Brengt ulieder twistzaak voor, zegt de HEERE; brengt uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob.</verse>
				<verse number="22">Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.</verse>
				<verse number="23">Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien.</verse>
				<verse number="24">Ziet, gijlieden zijt minder dan niet, en ulieder werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest.</verse>
				<verse number="25">Ik verwek Een van het noorden, en Hij zal komen van den opgang der zon; Hij zal Mijn Naam aanroepen; en Hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt.</verse>
				<verse number="26">Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.</verse>
				<verse number="27">Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een Blijde-boodschapper geven.</verse>
				<verse number="28">Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.</verse>
				<verse number="29">Ziet, zij zijn altemaal ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="42">
				<verse number="1">Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.</verse>
				<verse number="2">Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.</verse>
				<verse number="3">Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.</verse>
				<verse number="4">Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.</verse>
				<verse number="5">Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen:</verse>
				<verse number="6">Ik, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid, en Ik zal U bij uw hand grijpen; en Ik zal U behoeden, en Ik zal U geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen.</verse>
				<verse number="7">Om te openen de blinde ogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.</verse>
				<verse number="8">Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.</verse>
				<verse number="9">Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.</verse>
				<verse number="10">Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.</verse>
				<verse number="11">Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.</verse>
				<verse number="12">Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.</verse>
				<verse number="13">De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.</verse>
				<verse number="14">Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.</verse>
				<verse number="15">Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.</verse>
				<verse number="16">En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.</verse>
				<verse number="17">Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden; die zullen achterwaarts keren, en met schaamte beschaamd worden.</verse>
				<verse number="18">Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.</verse>
				<verse number="19">Wie is er blind dan Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?</verse>
				<verse number="20">Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.</verse>
				<verse number="21">De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.</verse>
				<verse number="22">Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder.</verse>
				<verse number="23">Wie onder ulieden neemt zulks ter ore? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?</verse>
				<verse number="24">Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.</verse>
				<verse number="25">Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="43">
				<verse number="1">Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.</verse>
				<verse number="2">Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.</verse>
				<verse number="3">Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.</verse>
				<verse number="4">Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.</verse>
				<verse number="5">Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang.</verse>
				<verse number="6">Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;</verse>
				<verse number="7">Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.</verse>
				<verse number="8">Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben.</verse>
				<verse number="9">Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.</verse>
				<verse number="10">Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat vóór Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.</verse>
				<verse number="11">Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Ik.</verse>
				<verse number="12">Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.</verse>
				<verse number="13">Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?</verse>
				<verse number="14">Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, te weten de Chaldeeën, in de schepen, op welke zij juichten.</verse>
				<verse number="15">Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israël, ulieder Koning.</verse>
				<verse number="16">Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;</verse>
				<verse number="17">Die wagenen en paarden, heir en macht voortbracht; te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.</verse>
				<verse number="18">Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.</verse>
				<verse number="19">Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.</verse>
				<verse number="20">Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.</verse>
				<verse number="21">Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.</verse>
				<verse number="22">Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël!</verse>
				<verse number="23">Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.</verse>
				<verse number="24">Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.</verse>
				<verse number="25">Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.</verse>
				<verse number="26">Maak Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertel gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.</verse>
				<verse number="27">Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden.</verse>
				<verse number="28">Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="44">
				<verse number="1">Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israël, dien Ik verkoren heb!</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE, uw Maker, en uw Formeerder van den buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en gij, Jeschurun, dien Ik uitverkoren heb!</verse>
				<verse number="3">Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.</verse>
				<verse number="4">En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.</verse>
				<verse number="5">Deze zal zeggen: Ik ben des HEEREN; en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben des HEEREN, en zich toenoemen met den naam van Israël.</verse>
				<verse number="6">Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Ik is er geen God.</verse>
				<verse number="7">En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sedert dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen.</verse>
				<verse number="8">Verschrikt niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want gijlieden zijt Mijn getuigen: is er ook een God behalve Ik? Immers, is er geen andere rotssteen: Ik ken er geen?</verse>
				<verse number="9">De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelven zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.</verse>
				<verse number="10">Wie formeert een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?</verse>
				<verse number="11">Ziet, al hun medegenoten zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich altemaal vergaderen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen te zamen beschaamd worden.</verse>
				<verse number="12">De ijzersmid maakt een bijl, en werkt in den gloed, en formeert het met hamers, en werkt het met zijn sterken arm; ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water, totdat hij amechtig wordt.</verse>
				<verse number="13">De timmerman trekt het richtsnoer uit, hij tekent het af met den draad, hij maakt het effen met de schaven, en tekent het met den passer, en maakt het naar de beeltenis eens mans, naar de schoonheid van een mens, dat het in het huis blijve.</verse>
				<verse number="14">Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cipressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen des wouds; hij plant een olmboom, en de regen maakt dien groot.</verse>
				<verse number="15">Dan is het voor den mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neder.</verse>
				<verse number="16">Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelven, en hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien!</verse>
				<verse number="17">Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neder, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god!</verse>
				<verse number="18">Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.</verse>
				<verse number="19">En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik nederknielen voor hetgeen van een boom gekomen is?</verse>
				<verse number="20">Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?</verse>
				<verse number="21">Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël! Want gij zijt Mijn knecht, Ik heb u geformeerd; gij zijt Mijn knecht, Israël, gij zult van Mij niet vergeten worden.</verse>
				<verse number="22">Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.</verse>
				<verse number="23">Zingt met vreugde, gij hemelen! want de HEERE heeft het gedaan; juicht, gij benedenste delen der aarde! gij bergen! maakt een groot gedreun met vreugdegezang, gij bossen, en alle geboomte daarin! Want de HEERE heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israël.</verse>
				<verse number="24">Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van den buik af: Ik ben de HEERE, Die alles doet, Die den hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelven;</verse>
				<verse number="25">Die de tekenen der leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast;</verse>
				<verse number="26">Die het woord Zijns knechts bevestigt, en den raad Zijner boden volbrengt; Die tot Jeruzalem zegt: Gij zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: Gij zult herbouwd worden, en Ik zal haar verwoeste plaatsen oprichten.</verse>
				<verse number="27">Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen.</verse>
				<verse number="28">Die van Kores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot den tempel: Word gegrond.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="45">
				<verse number="1">Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:</verse>
				<verse number="2">Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.</verse>
				<verse number="3">En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël;</verse>
				<verse number="4">Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israëls, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet.</verse>
				<verse number="5">Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.</verse>
				<verse number="6">Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer.</verse>
				<verse number="7">Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen.</verse>
				<verse number="8">Drupt, gij hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruiten; Ik, de HEERE, heb ze geschapen.</verse>
				<verse number="9">Wee dien, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt gij? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?</verse>
				<verse number="10">Wee dien, die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?</verse>
				<verse number="11">Alzo zegt de HEERE, de Heilige Israëls, en deszelfs Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zoudt gij Mij van het werk Mijner handen bevel geven?</verse>
				<verse number="12">Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb den mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun heir bevel gegeven.</verse>
				<verse number="13">Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="14">Alzo zegt de HEERE: De arbeid der Egyptenaren en de koophandel der Moren en der Sabeeërs, der mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer.</verse>
				<verse number="15">Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland.</verse>
				<verse number="16">Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken.</verse>
				<verse number="17">Maar Israël wordt verlost door den HEERE, met een eeuwige verlossing; gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden.</verse>
				<verse number="18">Want alzo zegt de HEERE, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de HEERE, en niemand meer.</verse>
				<verse number="19">Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats der aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs; Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.</verse>
				<verse number="20">Verzamelt u, en komt, treedt hier toe samen, gijlieden, die van de heidenen ontkomen zijt! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan.</verse>
				<verse number="21">Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, de HEERE? en er is geen God meer behalve Ik, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.</verse>
				<verse number="22">Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.</verse>
				<verse number="23">Ik heb gezworen bij Mijzelven, er is een woord der gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.</verse>
				<verse number="24">Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn.</verse>
				<verse number="25">Maar in den HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="46">
				<verse number="1">Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.</verse>
				<verse number="2">Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.</verse>
				<verse number="3">Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.</verse>
				<verse number="4">En tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.</verse>
				<verse number="5">Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en evengelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden?</verse>
				<verse number="6">Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor.</verse>
				<verse number="7">Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.</verse>
				<verse number="8">Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders!</verse>
				<verse number="9">Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik;</verse>
				<verse number="10">Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.</verse>
				<verse number="11">Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.</verse>
				<verse number="12">Hoort naar Mij, gij stijven van harte, gij, die verre van de gerechtigheid zijt!</verse>
				<verse number="13">Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="47">
				<verse number="1">Daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, gij dochter der Chaldeeën! want gij zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige.</verse>
				<verse number="2">Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren.</verse>
				<verse number="3">Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.</verse>
				<verse number="4">Onzes Verlossers Naam is HEERE der heirscharen, de Heilige Israëls.</verse>
				<verse number="5">Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeeën! want gij zult niet meer genoemd worden koningin der koninkrijken.</verse>
				<verse number="6">Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; doch gij beweest hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar.</verse>
				<verse number="7">En gij zeidet: Ik zal koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt gij deze dingen niet in uw hart genomen, gij hebt aan het einde daarvan niet gedacht.</verse>
				<verse number="8">Nu dan, hoor dit, gij weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.</verse>
				<verse number="9">Doch deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op één dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomenlijk zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid uwer toverijen, vanwege de menigte uwer bezweringen.</verse>
				<verse number="10">Want gij hebt op uw boosheid vertrouwd; gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en gij hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.</verse>
				<verse number="11">Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen; want er zal snellijk een onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult.</verse>
				<verse number="12">Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid uwer toverijen, waarin gij gearbeid hebt van uw jeugd af; of gij misschien voordeel kondet doen, of gij misschien u kondet sterken.</verse>
				<verse number="13">Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen; laat nu opstaan, die den hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen.</verse>
				<verse number="14">Ziet, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten.</verse>
				<verse number="15">Alzo zullen zij u zijn, met dewelke gij gearbeid hebt, uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="48">
				<verse number="1">Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israëls, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.</verse>
				<verse number="2">Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israëls; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="3">De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;</verse>
				<verse number="4">Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;</verse>
				<verse number="5">Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.</verse>
				<verse number="6">Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.</verse>
				<verse number="7">Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.</verse>
				<verse number="8">Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.</verse>
				<verse number="9">Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.</verse>
				<verse number="10">Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.</verse>
				<verse number="11">Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.</verse>
				<verse number="12">Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.</verse>
				<verse number="13">Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.</verse>
				<verse number="14">Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn.</verse>
				<verse number="15">Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.</verse>
				<verse number="16">Nadert gijlieden tot mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft mij gezonden.</verse>
				<verse number="17">Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.</verse>
				<verse number="18">Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.</verse>
				<verse number="19">Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="20">Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!</verse>
				<verse number="21">En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.</verse>
				<verse number="22">Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="49">
				<verse number="1">Hoort naar Mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen van den buik af, van Mijner moeders ingewand af heeft Hij Mijn Naam gemeld.</verse>
				<verse number="2">En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.</verse>
				<verse number="3">En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israël, door Welken Ik verheerlijkt zal worden.</verse>
				<verse number="4">Doch Ik zeide: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdellijk toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij den HEERE, en Mijn werkloon is bij Mijn God.</verse>
				<verse number="5">En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.</verse>
				<verse number="6">Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.</verse>
				<verse number="7">Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, tot den Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om den Heilige Israëls, Die U verkoren heeft.</verse>
				<verse number="8">Alzo zegt de HEERE: In den tijd des welbehagens heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;</verse>
				<verse number="9">Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.</verse>
				<verse number="10">Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden.</verse>
				<verse number="11">En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.</verse>
				<verse number="12">Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en genen uit het land Sinim.</verse>
				<verse number="13">Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich; want de HEERE heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.</verse>
				<verse number="14">Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten.</verse>
				<verse number="15">Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon dezen vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten.</verse>
				<verse number="16">Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.</verse>
				<verse number="17">Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan.</verse>
				<verse number="18">Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zekerlijk, gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.</verse>
				<verse number="19">Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult gij benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken.</verse>
				<verse number="20">Nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk voor mij, dat ik wonen moge.</verse>
				<verse number="21">En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie heeft mij dan dezen opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren dezen?</verse>
				<verse number="22">Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op den schouder gedragen worden.</verse>
				<verse number="23">En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.</verse>
				<verse number="24">Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen?</verse>
				<verse number="25">Doch alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="50">
				<verse number="1">Alzo zegt de HEERE: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmede Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wien Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.</verse>
				<verse number="2">Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus gans kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.</verse>
				<verse number="3">Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.</verse>
				<verse number="4">De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met den moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt allen morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden.</verse>
				<verse number="5">De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts.</verse>
				<verse number="6">Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.</verse>
				<verse number="7">Want de Heere HEERE helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden.</verse>
				<verse number="8">Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.</verse>
				<verse number="9">Ziet, de Heere HEERE helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen altemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten.</verse>
				<verse number="10">Wie is er onder ulieden, die den HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des HEEREN, en steune op zijn God.</verse>
				<verse number="11">Ziet, gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="51">
				<verse number="1">Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den HEERE zoekt! aanschouwt den rotssteen, waaruit gijlieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt.</verse>
				<verse number="2">Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.</verse>
				<verse number="3">Want de HEERE zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als den hof des HEEREN; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem des gezangs.</verse>
				<verse number="4">Luistert naar Mij, Mijn volk! en Mijn lieden, neigt naar Mij het oor! want een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn recht doen rusten tot een licht der volken.</verse>
				<verse number="5">Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen.</verse>
				<verse number="6">Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.</verse>
				<verse number="7">Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.</verse>
				<verse number="8">Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.</verse>
				<verse number="9">Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de verledene dagen, als in de geslachten van ouds; zijt Gij het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die den zeedraak verwond hebt?</verse>
				<verse number="10">Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?</verse>
				<verse number="11">Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden.</verse>
				<verse number="12">Ik, Ik ben het, Die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor den mens, die sterven zal? en voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?</verse>
				<verse number="13">En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers?</verse>
				<verse number="14">De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.</verse>
				<verse number="15">Want Ik ben de HEERE, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="16">En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om den hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk.</verse>
				<verse number="17">Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN den beker Zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja, uitgezogen.</verse>
				<verse number="18">Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.</verse>
				<verse number="19">Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wien zal Ik u troosten?</verse>
				<verse number="20">Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid des HEEREN, van de schelding uws Gods.</verse>
				<verse number="21">Daarom hoort nu dit, gij bedrukten! en gij dronkenen, maar niet van wijn!</verse>
				<verse number="22">Alzo zegt de Heere, de HEERE en uw God, Die Zijns volks zaak twisten zal: Zie, Ik neem den beker der zwijmeling van uw hand, den droesem van den beker Mijner grimmigheid; gij zult dien voortaan niet meer drinken.</verse>
				<verse number="23">Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="52">
				<verse number="1">Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad, want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.</verse>
				<verse number="2">Schud u uit het stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene dochter van Sion!</verse>
				<verse number="3">Want zo zegt de HEERE; Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.</verse>
				<verse number="4">Want zo zegt de Heere HEERE: In vorige tijden trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling aldaar te verkeren; en Assur heeft hetzelve om niet onderdrukt.</verse>
				<verse number="5">En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt de HEERE, dewijl Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die over hetzelve heersen, het doen huilen, spreekt de HEERE, en Mijn Naam geduriglijk den gansen dag gelasterd wordt;</verse>
				<verse number="6">Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in dien dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.</verse>
				<verse number="7">Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.</verse>
				<verse number="8">Er is een stem uwer wachters; zij verheffen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als de HEERE Sion wederbrengen zal.</verse>
				<verse number="9">Maakt een geschal, juicht te zamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem! want de HEERE heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.</verse>
				<verse number="10">De HEERE heeft Zijn heiligen arm ontbloot voor de ogen aller heidenen; en al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods.</verse>
				<verse number="11">Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten des HEEREN draagt!</verse>
				<verse number="12">Want gijlieden zult niet met haast uitgaan, noch met der vlucht henengaan; want de HEERE zal voor ulieder aangezicht henentrekken, en de God van Israël zal uw achtertocht wezen.</verse>
				<verse number="13">Ziet, Mijn Knecht zal verstandelijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden.</verse>
				<verse number="14">Gelijk als velen zich over U ontzet hebben, alzo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen;</verse>
				<verse number="15">Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="53">
				<verse number="1">Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?</verse>
				<verse number="2">Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.</verse>
				<verse number="3">Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.</verse>
				<verse number="4">Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.</verse>
				<verse number="5">Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.</verse>
				<verse number="6">Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.</verse>
				<verse number="7">Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.</verse>
				<verse number="8">Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding mijns volks is de plage op Hem geweest.</verse>
				<verse number="9">En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.</verse>
				<verse number="10">Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.</verse>
				<verse number="11">Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.</verse>
				<verse number="12">Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="54">
				<verse number="1">Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="2">Maak de plaats uwer tenten wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in.</verse>
				<verse number="3">Want gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.</verse>
				<verse number="4">Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten, en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken.</verse>
				<verse number="5">Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.</verse>
				<verse number="6">Want de HEERE heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.</verse>
				<verse number="7">Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.</verse>
				<verse number="8">In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.</verse>
				<verse number="9">Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.</verse>
				<verse number="10">Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.</verse>
				<verse number="11">Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.</verse>
				<verse number="12">En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpale van aangename stenen.</verse>
				<verse number="13">En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.</verse>
				<verse number="14">Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vrezen; en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken.</verse>
				<verse number="15">Ziet, zij zullen zich zekerlijk vergaderen, doch niet uit Mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen.</verse>
				<verse number="16">Zie, Ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik den verderver geschapen, om te vernielen.</verse>
				<verse number="17">Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des HEEREN, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="55">
				<verse number="1">O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!</verse>
				<verse number="2">Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.</verse>
				<verse number="3">Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.</verse>
				<verse number="4">Ziet, Ik heb Hem tot een Getuige der volken gegeven, een Vorst en Gebieder der volken.</verse>
				<verse number="5">Ziet, Gij zult een volk roepen, dat Gij niet kendet, en het volk, dat U niet kende, zal tot U lopen, om des HEEREN Uws Gods wil, en om des Heiligen Israëls wil, want Hij heeft U verheerlijkt.</verse>
				<verse number="6">Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.</verse>
				<verse number="7">De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.</verse>
				<verse number="8">Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="9">Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.</verse>
				<verse number="10">Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter;</verse>
				<verse number="11">Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.</verse>
				<verse number="12">Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen.</verse>
				<verse number="13">Voor een doorn zal een dennenboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="56">
				<verse number="1">Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.</verse>
				<verse number="2">Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.</verse>
				<verse number="3">En de vreemde, die zich tot den HEERE gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.</verse>
				<verse number="4">Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;</verse>
				<verse number="5">Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.</verse>
				<verse number="6">En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;</verse>
				<verse number="7">Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.</verse>
				<verse number="8">De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot Hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot Hem vergaderd zijn.</verse>
				<verse number="9">Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!</verse>
				<verse number="10">Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.</verse>
				<verse number="11">En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde.</verse>
				<verse number="12">Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="57">
				<verse number="1">De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.</verse>
				<verse number="2">Hij zal ingaan in den vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een iegelijk, die in zijn oprechtheid gewandeld heeft.</verse>
				<verse number="3">Doch nadert gijlieden hier toe, gij kinderen der guichelares! gij overspelig zaad, en gij, die hoererij bedrijft!</verse>
				<verse number="4">Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valsheid?</verse>
				<verse number="5">Die hittig zijt in de eikenbossen, onder allen groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken der steenrotsen.</verse>
				<verse number="6">Aan de gladde stenen der beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort gij denzelven drankoffer uit, gij offert hun spijsoffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?</verse>
				<verse number="7">Gij stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt gij derwaarts op, om slachtoffer te offeren.</verse>
				<verse number="8">En achter de deur en posten zet gij uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt gij u, en klimt op; gij maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enigen uit dezelve, gij hebt hun leger lief in elke plaats, die gij ziet.</verse>
				<verse number="9">En gij trekt met olie tot den koning, en gij vermenigvuldigt uw welriekende zalven; en gij zendt uw gezanten verre weg, en vernedert u tot de hel toe.</verse>
				<verse number="10">Gij zijt vermoeid door uw grote reis, maar gij zegt niet: Het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek.</verse>
				<verse number="11">Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?</verse>
				<verse number="12">Ik zal uw gerechtigheid bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen.</verse>
				<verse number="13">Wanneer gij roepen zult, zo laat die, die van u vergaderd zijn, u redden; doch de wind zal hen allen wegvoeren, de ijdelheid zal hen wegnemen. Maar die op Mij betrouwt, die zal het aardrijk erven, en Mijn heiligen berg erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="14">En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg Mijns volks.</verse>
				<verse number="15">Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.</verse>
				<verse number="16">Want Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.</verse>
				<verse number="17">Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten.</verse>
				<verse number="18">Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.</verse>
				<verse number="19">Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.</verse>
				<verse number="20">Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.</verse>
				<verse number="21">De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="58">
				<verse number="1">Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.</verse>
				<verse number="2">Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis Mijner wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten der gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen;</verse>
				<verse number="3">Zeggende: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet? Ziet, ten dage, wanneer gijlieden vast, zo vindt gij uw lust, en gij eist strengelijk al uw arbeid.</verse>
				<verse number="4">Ziet, tot twist en gekijf vast gijlieden, en om goddelooslijk met de vuist te slaan; vast niet gelijk heden, om uw stem te doen horen in de hoogte.</verse>
				<verse number="5">Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heten, en een dag den HEERE aangenaam?</verse>
				<verse number="6">Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks, en dat gij vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt?</verse>
				<verse number="7">Is het niet, dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?</verse>
				<verse number="8">Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snellijk uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid des HEEREN zal uw achtertocht wezen.</verse>
				<verse number="9">Dan zult gij roepen, en de HEERE zal antwoorden; gij zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken des vingers, en het spreken der ongerechtigheid;</verse>
				<verse number="10">En zo gij uw ziel opent voor den hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.</verse>
				<verse number="12">En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen.</verse>
				<verse number="13">Indien gij uw voet van den sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt een verlustiging, opdat de HEERE geheiligd worde, die te eren is; en indien gij dien eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;</verse>
				<verse number="14">Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="59">
				<verse number="1">Ziet, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen.</verse>
				<verse number="2">Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.</verse>
				<verse number="3">Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.</verse>
				<verse number="4">Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="5">Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, er berst een adder uit.</verse>
				<verse number="6">Hun webben deugen niet tot klederen, en zij zullen zichzelven niet kunnen dekken met hun werken; hun werken zijn werken der ongerechtigheid, en een maaksel des wrevels is in hun handen.</verse>
				<verse number="7">Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.</verse>
				<verse number="8">Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zichzelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.</verse>
				<verse number="9">Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een groten glans, maar wij wandelen in donkerheden.</verse>
				<verse number="10">Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op den middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden.</verse>
				<verse number="11">Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is verre van ons.</verse>
				<verse number="12">Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij;</verse>
				<verse number="13">Het overtreden en het liegen tegen den HEERE, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.</verse>
				<verse number="14">Daarom is het recht achterwaarts geweken, en de gerechtigheid staat van verre; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is, kan er niet ingaan.</verse>
				<verse number="15">Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en de HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.</verse>
				<verse number="16">Dewijl Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem.</verse>
				<verse number="17">Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en den helm des heils zette Hij op Zijn hoofd, en de klederen der wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed den ijver aan als een mantel.</verse>
				<verse number="18">Even naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, grimmigheid aan Zijn wederpartijders, vergelding aan Zijn vijanden; den eilanden zal Hij het loon vergelden.</verse>
				<verse number="19">Dan zullen zij den Naam des HEEREN vrezen van den nedergang, en Zijn heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des HEEREN de banier tegen hen oprichten.</verse>
				<verse number="20">En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="21">Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op U is, en Mijn woorden, die Ik in Uw mond gelegd heb, die zullen van Uw mond niet wijken, noch van den mond van Uw zaad, noch van den mond van het zaad Uws zaads, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="60">
				<verse number="1">Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.</verse>
				<verse number="2">Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.</verse>
				<verse number="3">En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan.</verse>
				<verse number="4">Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.</verse>
				<verse number="5">Dan zult gij het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen.</verse>
				<verse number="6">Een hoop kemelen zal u bedekken, de snelle kemelen van Mídian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen den overvloedigen lof des HEEREN boodschappen.</verse>
				<verse number="7">Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebájoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken.</verse>
				<verse number="8">Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?</verse>
				<verse number="9">Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den Naam des HEEREN uws Gods, en tot den Heilige Israëls, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="10">En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.</verse>
				<verse number="11">En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.</verse>
				<verse number="12">Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gans verwoest worden.</verse>
				<verse number="13">De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke- en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken.</verse>
				<verse number="14">Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des HEEREN, het Sion van den Heilige Israëls.</verse>
				<verse number="15">In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zodat niemand door u henen ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="16">En gij zult de melk der heidenen zuigen, en gij zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.</verse>
				<verse number="17">Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal uw opzieners vreedzaam maken, en uw drijvers rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="18">Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw landpale; maar uw muren zult gij Heil heten, en uw poorten Lof.</verse>
				<verse number="19">De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de HEERE zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.</verse>
				<verse number="20">Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want de HEERE zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uwer treuring zullen een einde nemen.</verse>
				<verse number="21">En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde.</verse>
				<verse number="22">De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, de HEERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="61">
				<verse number="1">De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;</verse>
				<verse number="2">Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten;</verse>
				<verse number="3">Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikenbomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.</verse>
				<verse number="4">En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="5">En uitlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn.</verse>
				<verse number="6">Doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen.</verse>
				<verse number="7">Voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben.</verse>
				<verse number="8">Want Ik, de HEERE, heb het recht lief, Ik haat den roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat hun werk in der waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken.</verse>
				<verse number="9">En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volken; allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de HEERE gezegend heeft.</verse>
				<verse number="10">Ik ben zeer vrolijk in den HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap.</verse>
				<verse number="11">Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten; alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="62">
				<verse number="1">Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt.</verse>
				<verse number="2">En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, welken des HEEREN mond uitdrukkelijk noemen zal.</verse>
				<verse number="3">En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.</verse>
				<verse number="4">Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want de HEERE heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden.</verse>
				<verse number="5">Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="6">O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!</verse>
				<verse number="7">En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde.</verse>
				<verse number="8">De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij den arm Zijner sterkte: indien Ik uw koren meer zal geven tot spijs voor uw vijanden, en indien de vreemden zullen drinken van uw most, waaraan gij gearbeid hebt!</verse>
				<verse number="9">Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen den HEERE prijzen; en die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven Mijns heiligdoms.</verse>
				<verse number="10">Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken!</verse>
				<verse number="11">Ziet, de HEERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt der dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.</verse>
				<verse number="12">En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="63">
				<verse number="1">Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.</verse>
				<verse number="2">Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt?</verse>
				<verse number="3">Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.</verse>
				<verse number="4">Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen.</verse>
				<verse number="5">En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,</verse>
				<verse number="6">En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.</verse>
				<verse number="7">Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudigen lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden.</verse>
				<verse number="8">Want Hij zeide: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland.</verse>
				<verse number="9">In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.</verse>
				<verse number="10">Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.</verse>
				<verse number="11">Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders Zijner kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heiligen Geest in het midden van hen stelde?</verse>
				<verse number="12">Die den arm Zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hunlieder aangezichten kliefde opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte?</verse>
				<verse number="13">Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.</verse>
				<verse number="14">Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijken Naam zoudt maken.</verse>
				<verse number="15">Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.</verse>
				<verse number="16">Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.</verse>
				<verse number="17">HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels.</verse>
				<verse number="18">Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden.</verse>
				<verse number="19">Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="64">
				<verse number="1">Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;</verse>
				<verse number="2">Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam aan Uw wederpartijders bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.</verse>
				<verse number="3">Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.</verse>
				<verse number="4">Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.</verse>
				<verse number="5">Gij ontmoet den vrolijke, en die gerechtigheid doet, degenen, die Uwer gedenken op Uw wegen; zie, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden.</verse>
				<verse number="6">Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.</verse>
				<verse number="7">En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.</verse>
				<verse number="8">Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.</verse>
				<verse number="9">HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.</verse>
				<verse number="10">Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting.</verse>
				<verse number="11">Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden.</verse>
				<verse number="12">HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="65">
				<verse number="1">Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.</verse>
				<verse number="2">Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten.</verse>
				<verse number="3">Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op tichelstenen;</verse>
				<verse number="4">Zittende bij de graven, zo vernachten zij bij degenen, die bewaard worden, etende zwijnenvlees, en er is sop van gruwelijke dingen in hun vaten.</verse>
				<verse number="5">Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Deze zijn een rook in Mijn neus, een vuur, den gansen dag brandende.</verse>
				<verse number="6">Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden;</verse>
				<verse number="7">Uw ongerechtigheden, en uwer vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt de HEERE, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weder toemeten.</verse>
				<verse number="8">Alzo zegt de HEERE: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve.</verse>
				<verse number="9">En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen aldaar wonen.</verse>
				<verse number="10">En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.</verse>
				<verse number="11">Maar gij verlaters des HEEREN, gij vergeters van den berg Mijner heiligheid, gij aanrichters ener tafel voor die bende, en gij opvullers des dranks voor dat getal!</verse>
				<verse number="12">Ik zal ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt verkoren hetgeen, waaraan Ik geen lust heb.</verse>
				<verse number="13">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn.</verse>
				<verse number="14">Ziet, Mijn knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen.</verse>
				<verse number="15">En gijlieden zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heere HEERE zal ulieden doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;</verse>
				<verse number="16">Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn.</verse>
				<verse number="17">Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.</verse>
				<verse number="18">Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws.</verse>
				<verse number="20">Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.</verse>
				<verse number="21">En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten.</verse>
				<verse number="22">Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en Mijn uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten.</verse>
				<verse number="23">Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des HEEREN, en hun nakomelingen met hen.</verse>
				<verse number="24">En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.</verse>
				<verse number="25">De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn gansen heiligen berg, zegt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="66">
				<verse number="1">Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?</verse>
				<verse number="2">Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.</verse>
				<verse number="3">Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond den hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Dezen verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen.</verse>
				<verse number="4">Ik zal ook verkiezen het loon hunner handelingen, en hun vrezen zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en verkoren hetgeen waartoe Ik geen lust had.</verse>
				<verse number="5">Hoort des HEEREN woord, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.</verse>
				<verse number="6">Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit den tempel, de stem des HEEREN, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt.</verse>
				<verse number="7">Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.</verse>
				<verse number="8">Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enigen dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard.</verse>
				<verse number="9">Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt de HEERE; zou Ik, Die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God.</verse>
				<verse number="10">Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!</verse>
				<verse number="11">Opdat gij moogt zuigen, en verzadigd worden van de borsten harer vertroostingen; opdat gij moogt uitzuigen, en u verlusten met den glans harer heerlijkheid.</verse>
				<verse number="12">Want alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal den vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid der heidenen als een overlopende beek; dan zult gijlieden zuigen; gij zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden.</verse>
				<verse number="13">Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.</verse>
				<verse number="14">En gij zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uw beenderen zullen groenen als het tedere gras; dan zal de hand des HEEREN bekend worden aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden gram worden.</verse>
				<verse number="15">Want ziet, de HEERE zal met vuur komen, en Zijn wagenen als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn schelding met vuurvlammen.</verse>
				<verse number="16">Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn.</verse>
				<verse number="17">Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="18">Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.</verse>
				<verse number="20">En zij zullen al uw broeders uit alle heidenen den HEERE ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagenen, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israëls het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des HEEREN.</verse>
				<verse number="21">En ook zal Ik uit dezelve enigen tot priesters en tot Levieten nemen, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="22">Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan.</verse>
				<verse number="23">En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="24">En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen allen vlees een afgrijzing wezen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="24">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De woorden van Jeremía, den zoon van Hilkía, uit de priesteren, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;</verse>
				<verse number="2">Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josía, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.</verse>
				<verse number="3">Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekía, zoon van Josía, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.</verse>
				<verse number="4">Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld.</verse>
				<verse number="6">Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.</verse>
				<verse number="7">Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken.</verse>
				<verse number="8">Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.</verse>
				<verse number="10">Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.</verse>
				<verse number="11">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij, Jeremía? En ik zeide: Ik zie een amandelroede.</verse>
				<verse number="12">En de HEERE zeide tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.</verse>
				<verse number="13">En des HEEREN woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE zeide tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.</verse>
				<verse number="15">Want zie, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het noorden, spreekt de HEERE; en zij zullen komen, en zetten een iegelijk zijn troon voor de deur der poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.</verse>
				<verse number="16">En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken hunner handen.</verse>
				<verse number="17">Gij dan, gord uw lendenen, en maak u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.</verse>
				<verse number="18">Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesteren, en tegen het volk van het land.</verse>
				<verse number="19">En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u uit te helpen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.</verse>
				<verse number="3">Israël was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="4">Hoort des HEEREN woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van het huis Israëls!</verse>
				<verse number="5">Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden?</verse>
				<verse number="6">En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?</verse>
				<verse number="7">En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij Mijn land, en steldet Mijn erfenis tot een gruwel.</verse>
				<verse number="8">De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.</verse>
				<verse number="9">Daarom zal Ik nog met ulieden twisten, spreekt de HEERE; ja, met uw kindskinderen zal Ik twisten.</verse>
				<verse number="10">Want, gaat over in de eilanden der Chitteërs, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?</verse>
				<verse number="11">Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in hetgeen geen nut doet.</verse>
				<verse number="12">Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="13">Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.</verse>
				<verse number="14">Is dan Israël een knecht, of is hij een ingeborene des huizes? Waarom is hij dan ten roof geworden?</verse>
				<verse number="15">De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.</verse>
				<verse number="16">Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes den schedel afgeweid.</verse>
				<verse number="17">Doet gij dit niet zelven, doordien gij den HEERE, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt?</verse>
				<verse number="18">En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken?</verse>
				<verse number="19">Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="20">Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder allen groenen boom loopt gij om, hoererende.</verse>
				<verse number="21">Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok?</verse>
				<verse number="22">Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="23">Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!</verse>
				<verse number="24">Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden.</verse>
				<verse number="25">Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!</verse>
				<verse number="26">Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, alzo zijn die van het huis Israëls beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten;</verse>
				<verse number="27">Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.</verse>
				<verse number="28">Waar zijn dan uw goden, die gij u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal uwer steden zijn uw goden, o Juda!</verse>
				<verse number="29">Waarom twist gij tegen Mij? Gij hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="30">Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw.</verse>
				<verse number="31">O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?</verse>
				<verse number="32">Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.</verse>
				<verse number="33">Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.</verse>
				<verse number="34">Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uw zomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle die.</verse>
				<verse number="35">Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.</verse>
				<verse number="36">Wat reist gij veel uit, veranderende uw weg? Gij zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt.</verse>
				<verse number="37">Gij zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want de HEERE heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat gij daarmede niet zult gedijen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="2">Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.</verse>
				<verse number="3">Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.</verse>
				<verse number="4">Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!</verse>
				<verse number="5">Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.</verse>
				<verse number="6">Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josía: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.</verse>
				<verse number="7">En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zuster Juda.</verse>
				<verse number="8">En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.</verse>
				<verse number="9">Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht harer hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout.</verse>
				<verse number="10">En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar ganse hart, maar valselijk, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="11">Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.</verse>
				<verse number="12">Ga henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden.</verse>
				<verse number="13">Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="14">Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand.</verse>
				<verse number="16">En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de HEERE, zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des HEEREN, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.</verse>
				<verse number="17">Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen, des HEEREN troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des HEEREN Naams wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.</verse>
				<verse number="18">In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.</verse>
				<verse number="19">Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeren.</verse>
				<verse number="20">Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israëls! spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="21">Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israëls, omdat zij hun weg verkeerd, en den HEERE, hun God, vergeten hebben.</verse>
				<verse number="22">Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!</verse>
				<verse number="23">Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israëls heil!</verse>
				<verse number="24">Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren.</verse>
				<verse number="25">Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Zo gij u bekeren zult, Israël! spreekt de HEERE, bekeer u tot Mij; en zo gij uw verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet om.</verse>
				<verse number="2">Maar zweer: Zo waarachtig als de HEERE leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen.</verse>
				<verse number="3">Want zo zegt de HEERE tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen.</verse>
				<verse number="4">Besnijdt u den HEERE en doet weg de voorhuiden uws harten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.</verse>
				<verse number="5">Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden!</verse>
				<verse number="6">Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.</verse>
				<verse number="7">De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver der heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in wone.</verse>
				<verse number="8">Hierom, gordt zakken aan, bedrijft misbaar en huilt; want de hittigheid van des HEEREN toorn is niet van ons afgekeerd.</verse>
				<verse number="9">En het zal te dier tijd geschieden, spreekt de HEERE, dat het hart des konings en het hart der vorsten vergaan zal; en de priesters zullen zich ontzetten, en de profeten zich verwonderen.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! waarlijk, Gij hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt.</verse>
				<verse number="11">Te dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van den weg der dochter Mijns volks; niet om te wannen, noch om te zuiveren.</verse>
				<verse number="12">Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.</verse>
				<verse number="13">Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagenen zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, want wij zijn verwoest!</verse>
				<verse number="14">Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat gij behouden wordt; hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten?</verse>
				<verse number="15">Want een stem verkondigt van Dan af, en doet ellende horen van het gebergte van Efraïm.</verse>
				<verse number="16">Vermeldt den volken, zie, doet het horen tegen Jeruzalem; daar komen hoeders uit verren lande en zij verheffen hun stem tegen de steden van Juda.</verse>
				<verse number="17">Als de wachters der velden zijn zij rondom tegen haar; omdat zij tegen Mij wederspannig geweest is, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="18">Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw boosheid, dat het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt.</verse>
				<verse number="19">O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want gij, mijn ziel! hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei.</verse>
				<verse number="20">Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het ganse land is verstoord; haastelijk zijn mijn tenten verstoord, mijn gordijnen in een ogenblik!</verse>
				<verse number="21">Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid der bazuin horen?</verse>
				<verse number="22">Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.</verse>
				<verse number="23">Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn licht was er niet.</verse>
				<verse number="24">Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden.</verse>
				<verse number="25">Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogelen des hemels waren weggevlogen.</verse>
				<verse number="26">Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege den HEERE, vanwege de hittigheid Zijns toorns.</verse>
				<verse number="27">Want zo zegt de HEERE: Dit ganse land zal een woestijn zijn (doch Ik zal geen voleinding maken);</verse>
				<verse number="28">Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven zwart zijn; omdat Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkeren.</verse>
				<verse number="29">Van het geroep der ruiteren en boogschutters vluchten al de steden; zij gaan in de wolken, en klimmen op de rotsen; al de steden zijn verlaten, zodat niemand in dezelve woont.</verse>
				<verse number="30">Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? Al kleeddet gij u met scharlaken, al versierdet gij u met gouden sieraad, al schuurdet gij uw ogen met blanketsel, zo zoudt gij u toch tevergeefs oppronken; de boelen versmaden u, zij zullen uw ziel zoeken.</verse>
				<verse number="31">Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in des eersten kinds nood is, de stem van de dochter Sions; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moede vanwege de doodslagers!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of gij iemand vindt, of er één is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.</verse>
				<verse number="2">En of zij al zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft! zo zweren zij toch valselijk.</verse>
				<verse number="3">O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.</verse>
				<verse number="4">Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.</verse>
				<verse number="5">Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten den weg des HEEREN, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd.</verse>
				<verse number="6">Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.</verse>
				<verse number="7">Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.</verse>
				<verse number="8">Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een iegelijk naar zijns naasten huisvrouw.</verse>
				<verse number="9">Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?</verse>
				<verse number="10">Beklimt haar muren, en verderft ze (doch maakt geen voleinding); doet haar spitsen weg, want zij zijn des HEEREN niet.</verse>
				<verse number="11">Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben gans trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="12">Zij verloochenen den HEERE, en zeggen: Hij is het niet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien.</verse>
				<verse number="13">Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hun zelven zal zo geschieden.</verse>
				<verse number="14">Daarom zegt de HEERE, de God der heirscharen, alzo, omdat gijlieden dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.</verse>
				<verse number="15">Ziet, Ik zal over ulieden een volk van verre brengen, o huis Israëls! spreekt de HEERE; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak gij niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal.</verse>
				<verse number="16">Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden.</verse>
				<verse number="17">En het zal uw oogst en uw brood opeten, dat uw zonen en uw dochteren zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw vaste steden, op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard.</verse>
				<verse number="18">Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt de HEERE, geen voleinding met ulieden maken.</verse>
				<verse number="19">En het zal geschieden, wanneer gij zult zeggen: Waarom heeft ons de HEERE, onze God, al deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, alzo zult gij de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is.</verse>
				<verse number="20">Verkondigt dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.</verse>
				<verse number="22">Zult gijlieden Mij niet vrezen? spreekt de HEERE; zult gij voor Mijn aangezicht niet beven? Die der zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.</verse>
				<verse number="23">Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;</verse>
				<verse number="24">En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den HEERE, onzen God, vrezen, Die den regen geeft, zo vroegen regen als spaden regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de gezette tijden van den oogst, bewaart.</verse>
				<verse number="25">Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van ulieden.</verse>
				<verse number="26">Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de mensen.</verse>
				<verse number="27">Gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden.</verse>
				<verse number="28">Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.</verse>
				<verse number="29">Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?</verse>
				<verse number="30">Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.</verse>
				<verse number="31">De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde van dien maken?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Vlucht met hopen, gij kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekóa, en heft een vuurteken op te Beth-Cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk.</verse>
				<verse number="2">Ik heb wel de dochter Sions bij een schone en wellustige vrouw vergeleken;</verse>
				<verse number="3">Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iegelijk zijn ruimte afweiden.</verse>
				<verse number="4">Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op den middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.</verse>
				<verse number="5">Maakt u op, en laat ons optrekken in den nacht, en haar paleizen verderven!</verse>
				<verse number="6">Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Houwt bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking.</verse>
				<verse number="7">Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="8">Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken worde, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land.</verse>
				<verse number="9">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtiglijk nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weder, gelijk een wijnlezer, aan de korven.</verse>
				<verse number="10">Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe.</verse>
				<verse number="11">Daarom ben ik vol van des HEEREN grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen.</verse>
				<verse number="12">En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="13">Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.</verse>
				<verse number="14">En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.</verse>
				<verse number="15">Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="16">Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.</verse>
				<verse number="17">Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren.</verse>
				<verse number="18">Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is.</verse>
				<verse number="19">Hoor toe, gij aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij.</verse>
				<verse number="20">Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit verren lande? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.</verse>
				<verse number="21">Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal dit volk allerlei aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stoten te zamen vaders en kinderen, de nabuur en zijn metgezel, en zullen omkomen.</verse>
				<verse number="22">Zo zegt de HEERE: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde.</verse>
				<verse number="23">Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion!</verse>
				<verse number="24">Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.</verse>
				<verse number="25">Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg; want des vijands zwaard is er, schrik van rondom!</verse>
				<verse number="26">O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen.</verse>
				<verse number="27">Ik heb u onder Mijn volk gesteld tot een wachttoren, tot een vesting; opdat gij hun weg zoudt weten en proeven.</verse>
				<verse number="28">Zij zijn allen de afvalligsten der afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn altemaal verdervers.</verse>
				<verse number="29">De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; tevergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen niet afgetrokken zijn.</verse>
				<verse number="30">Men noemt ze een verworpen zilver; want de HEERE heeft hen verworpen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is, van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Sta in de poort van des HEEREN huis, en roep aldaar dit woord uit, en zeg: Hoort des HEEREN woord, o gans Juda! gij, die door deze poorten ingaat, om den HEERE aan te bidden.</verse>
				<verse number="3">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik ulieden doen wonen in deze plaats.</verse>
				<verse number="4">Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!</verse>
				<verse number="5">Maar indien gij uw wegen en uw handelingen waarlijk goed zult maken; indien gij waarlijk zult recht doen tussen den man en tussen zijn naaste;</verse>
				<verse number="6">De vreemdeling, wees en weduwe niet zult verdrukken, en geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen, ulieden ten kwade;</verse>
				<verse number="7">Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw.</verse>
				<verse number="8">Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.</verse>
				<verse number="9">Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent?</verse>
				<verse number="10">En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?</verse>
				<verse number="11">Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk der moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="12">Want gaat nu henen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël.</verse>
				<verse number="13">En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de HEERE, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar gij niet geantwoord hebt;</verse>
				<verse number="14">Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal ulieden van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broederen, het ganse zaad van Efraïm, weggeworpen heb.</verse>
				<verse number="16">Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen.</verse>
				<verse number="17">Ziet gij niet, wat zij doen in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem?</verse>
				<verse number="18">De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melécheth des hemels, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.</verse>
				<verse number="19">Doen zij Mij verdriet aan? spreekt de HEERE. Doen zij het zichzelven niet aan, tot beschaming huns aangezichts?</verse>
				<verse number="20">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte des velds, en over de vrucht des aardrijks; en zal branden, en niet uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="21">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Doet uw brandofferen tot uw slachtofferen, en eet vlees.</verse>
				<verse number="22">Want Ik heb met uw vaderen, ten dage als Ik hen uit Egypteland uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken des brandoffers of slachtoffers.</verse>
				<verse number="23">Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoort naar Mijn stem, zo zal Ik u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al den weg, dien Ik u gebieden zal, opdat het u welga.</verse>
				<verse number="24">Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts.</verse>
				<verse number="25">Van dien dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op dezen dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende.</verse>
				<verse number="26">Doch zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders.</verse>
				<verse number="27">Ook zult gij al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.</verse>
				<verse number="28">Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem des HEEREN, zijns Gods, niet hoort, en de tucht niet aanneemt; de waarheid is ondergegaan, en uitgeroeid van hun mond.</verse>
				<verse number="29">Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem! en werp het weg, en verhef een weeklacht op de hoge plaatsen; want de HEERE heeft het geslacht Zijner verbolgenheid verworpen en verlaten.</verse>
				<verse number="30">Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE; zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.</verse>
				<verse number="31">En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons van Hinnom is, om hun zonen en hun dochteren met vuur te verbranden; hetwelk Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.</verse>
				<verse number="32">Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal des zoons van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.</verse>
				<verse number="33">En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken.</verse>
				<verse number="34">En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid; want het land zal tot een verwoesting worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen der koningen van Juda, en de beenderen hunner vorsten, en de beenderen der priesteren, en de beenderen der profeten, en de beenderen der inwoners van Jeruzalem, uit hun graven uithalen.</verse>
				<verse number="2">En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het ganse heir des hemels, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor dewelke zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op den aardbodem zullen zij zijn.</verse>
				<verse number="3">En de dood zal voor het leven verkoren worden, bij het ganse overblijfsel der overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen der overgeblevenen, waar Ik hen henengedreven zal hebben, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="4">Zeg wijders tot hen: Zo zegt de HEERE: Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren?</verse>
				<verse number="5">Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren.</verse>
				<verse number="6">Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in den strijd.</verse>
				<verse number="7">Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.</verse>
				<verse number="8">Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs en de wet des HEEREN is bij ons! Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen der schriftgeleerden.</verse>
				<verse number="9">De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?</verse>
				<verse number="10">Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.</verse>
				<verse number="11">En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.</verse>
				<verse number="12">Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde hunner bezoeking zullen zij struikelen, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="13">Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de HEERE; er zijn geen druiven aan den wijnstok, en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij.</verse>
				<verse number="14">Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen; immers heeft ons de HEERE, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den HEERE gezondigd hebben.</verse>
				<verse number="15">Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.</verse>
				<verse number="16">Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen.</verse>
				<verse number="17">Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="18">Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.</verse>
				<verse number="19">Ziet, de stem van het geschrei der dochteren mijns volks is uit zeer verren lande: Is dan de HEERE niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met ijdelheden der vreemden?</verse>
				<verse number="20">De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost.</verse>
				<verse number="21">Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter mijns volks; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen.</verse>
				<verse number="22">Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks.</verse>
				<verse number="2">Och, dat ik in de woestijn een herberg der wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop.</verse>
				<verse number="3">En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen; zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="4">Wacht u, een iegelijk van zijn vriend, en vertrouwt niet op enigen broeder; want elk broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.</verse>
				<verse number="5">En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.</verse>
				<verse number="6">Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="7">Daarom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Ziet, Ik zal hen smelten en zal hen beproeven; want hoe zou Ik anders doen ten aanzien der dochter Mijns volks?</verse>
				<verse number="8">Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.</verse>
				<verse number="9">Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?</verse>
				<verse number="10">Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten der woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!</verse>
				<verse number="11">En Ik zal Jeruzalem stellen tot steen hopen, tot een woning der draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner.</verse>
				<verse number="12">Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wien heeft de mond des HEEREN gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat?</verse>
				<verse number="13">En de HEERE zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;</verse>
				<verse number="14">Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baäls, hetwelk hun vaders hun geleerd hadden.</verse>
				<verse number="15">Daarom zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, alzo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater;</verse>
				<verse number="16">En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.</verse>
				<verse number="17">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.</verse>
				<verse number="18">En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.</verse>
				<verse number="19">Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten, omdat zij onze woningen hebben omgeworpen.</verse>
				<verse number="20">Hoort dan des HEEREN woord, gij vrouwen! en uw oor ontvange het woord Zijns monds, en leert uw dochters weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen.</verse>
				<verse number="21">Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderkens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten.</verse>
				<verse number="22">Spreek: Zo spreekt de HEERE: Ja, een dood lichaam des mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter den maaier, die niemand opzamelt.</verse>
				<verse number="23">Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;</verse>
				<verse number="24">Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de HEERE ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="25">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben;</verse>
				<verse number="26">Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het ganse huis Israëls heeft de voorhuid des harten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israëls!</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.</verse>
				<verse number="3">Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.</verse>
				<verse number="4">Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.</verse>
				<verse number="5">Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook zo is er geen goeddoen bij hen.</verse>
				<verse number="6">Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.</verse>
				<verse number="7">Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.</verse>
				<verse number="8">In één ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.</verse>
				<verse number="9">Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.</verse>
				<verse number="10">Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.</verse>
				<verse number="11">(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)</verse>
				<verse number="12">Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.</verse>
				<verse number="13">Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.</verse>
				<verse number="14">Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.</verse>
				<verse number="15">IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.</verse>
				<verse number="16">Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="17">Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!</verse>
				<verse number="18">Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.</verse>
				<verse number="19">O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!</verse>
				<verse number="20">Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.</verse>
				<verse number="21">Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.</verse>
				<verse number="22">Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.</verse>
				<verse number="23">Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.</verse>
				<verse number="24">Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.</verse>
				<verse number="25">Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is, van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;</verse>
				<verse number="3">Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden dezes verbonds,</verse>
				<verse number="4">Dat Ik uw vaderen geboden heb, ten dage als Ik hen uit Egypteland, uit den ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Zijt Mijner stem gehoorzaam, en doet dezelve, naar alles wat Ik ulieden gebiede; zo zult gij Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn;</verse>
				<verse number="5">Opdat Ik den eed bevestige, dien Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o HEERE!</verse>
				<verse number="6">En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.</verse>
				<verse number="7">Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem!</verse>
				<verse number="8">Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.</verse>
				<verse number="9">Voorts zeide de HEERE tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="10">Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis Israëls en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb.</verse>
				<verse number="11">Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen.</verse>
				<verse number="12">Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen gans niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.</verse>
				<verse number="13">Want naar het getal uwer steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die schaamte, altaren om den Baäl te roken.</verse>
				<verse number="14">Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.</verse>
				<verse number="15">Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen, dewijl zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde.</verse>
				<verse number="16">De HEERE had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.</verse>
				<verse number="17">Want de HEERE der heirscharen, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken; om der boosheid wil van het huis Israëls en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rokende den Baäl.</verse>
				<verse number="18">De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.</verse>
				<verse number="19">En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.</verse>
				<verse number="20">Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.</verse>
				<verse number="21">Daarom, zo zegt de HEERE van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in den Naam des HEEREN, opdat gij van onze handen niet sterft.</verse>
				<verse number="22">Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal bezoeking over hen doen: de jongelingen zullen door het zwaard sterven, hun zonen en hun dochteren zullen van honger sterven.</verse>
				<verse number="23">En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar hunner bezoeking.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?</verse>
				<verse number="2">Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren.</verse>
				<verse number="3">Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.</verse>
				<verse number="4">Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des gansen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.</verse>
				<verse number="5">Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?</verse>
				<verse number="6">Want ook uw broeders en uws vaders huis, ook diezelve handelen trouwelooslijk tegen u; ook diezelve roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.</verse>
				<verse number="7">Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven.</verse>
				<verse number="8">Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat.</verse>
				<verse number="9">Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te eten!</verse>
				<verse number="10">Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis.</verse>
				<verse number="11">Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het ganse land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt.</verse>
				<verse number="12">Op alle hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het zwaard des HEEREN verteert van het ene einde des lands tot aan het andere einde des lands; er is geen vrede voor enig vlees.</verse>
				<verse number="13">Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar niet gevorderd; wordt alzo beschaamd vanwege ulieder inkomsten, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.</verse>
				<verse number="14">Alzo zegt de HEERE: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis aanroeren, dewelke Ik Mijn volke Israël erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken.</verse>
				<verse number="15">En het zal geschieden, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik wederkeren, en Mij hunner ontfermen; en Ik zal hen wederbrengen, een iegelijk tot zijn erfenis, en een iegelijk tot zijn land.</verse>
				<verse number="16">En het zal geschieden, indien zij de wegen Mijns volks vlijtiglijk zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als de HEERE leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden Mijns volks gebouwd worden.</verse>
				<verse number="17">Maar indien zij niet zullen horen, zo zal Ik diezelve natie ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen, en koop u een linnen gordel, en doe dien aan uw lenden, maar breng hem niet in het water.</verse>
				<verse number="2">En ik kocht een gordel naar het woord des HEEREN, en ik deed dien aan mijn lenden.</verse>
				<verse number="3">Toen geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Neem den gordel, dien gij gekocht hebt, die aan uw lenden is, en maak u op, en ga henen naar den Frath, en versteek dien aldaar in de klove ener steenrots.</verse>
				<verse number="5">Zo ging ik henen, en verstak dien bij den Frath, gelijk als de HEERE mij geboden had.</verse>
				<verse number="6">Het geschiedde nu ten einde van vele dagen, dat de HEERE tot mij zeide: Maak u op, ga henen naar den Frath, en neem den gordel van daar, dien Ik u geboden heb aldaar te versteken.</verse>
				<verse number="7">Zo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats, alwaar ik dien verstoken had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde nergens toe.</verse>
				<verse number="8">Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verderven de hovaardij van Juda, en die grote hovaardij van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="10">Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt.</verse>
				<verse number="11">Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzo heb Ik het ganse huis Israëls en het ganse huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt de HEERE, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.</verse>
				<verse number="12">Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?</verse>
				<verse number="13">Maar gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal alle inwoners dezes lands, zelfs de koningen, die den David op zijn troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal hen in stukken slaan, den een tegen den ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE; Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven.</verse>
				<verse number="15">Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.</verse>
				<verse number="16">Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette.</verse>
				<verse number="17">Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd.</verse>
				<verse number="18">Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.</verse>
				<verse number="19">De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het ganse Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd.</verse>
				<verse number="20">Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?</verse>
				<verse number="21">Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar gij hen geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw?</verse>
				<verse number="22">Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uwer ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.</verse>
				<verse number="23">Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.</verse>
				<verse number="24">Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind der woestijn.</verse>
				<verse number="25">Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn van Mij, spreekt de HEERE; gij, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt.</verse>
				<verse number="26">Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.</verse>
				<verse number="27">Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, dat tot Jeremía geschied is, over de zaken der grote droogte.</verse>
				<verse number="2">Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op.</verse>
				<verse number="3">En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd.</verse>
				<verse number="4">Omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd.</verse>
				<verse number="5">Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.</verse>
				<verse number="6">En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.</verse>
				<verse number="7">Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE! doe het om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd.</verse>
				<verse number="8">O Israëls Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?</verse>
				<verse number="9">Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.</verse>
				<verse number="10">Alzo zegt de HEERE van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft de HEERE geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken.</verse>
				<verse number="11">Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.</verse>
				<verse number="12">Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie zal Ik hen verteren.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, die profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en gij zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewissen vrede geven in deze plaats.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.</verse>
				<verse number="15">Daarom zegt de HEERE alzo: Aangaande de profeten, die in Mijn Naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan nog zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; diezelve profeten zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden.</verse>
				<verse number="16">En het volk, tot hetwelk zij profeteren, zullen op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege den honger en het zwaard; en er zal niemand zijn, die hen begrave, hen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren; alzo zal Ik hun boosheid over hen uitstorten.</verse>
				<verse number="17">Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw der dochter Mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.</verse>
				<verse number="18">Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad komen, ziet daar de kranken van honger! Ja, zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet.</verse>
				<verse number="19">Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking.</verse>
				<verse number="20">HEERE! wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd.</verse>
				<verse number="21">Versmaad ons niet, om Uws Naams wil; werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons.</verse>
				<verse number="22">Zijn er onder de ijdelheden der heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt Gij die niet, o HEERE, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.</verse>
				<verse number="2">En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde; en wie tot den honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!</verse>
				<verse number="3">Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt de HEERE: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te eten en te verderven.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkía, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.</verse>
				<verse number="5">Want wie zou u verschonen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen?</verse>
				<verse number="6">Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEERE; gij zijt achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben des berouwens moede geworden.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd.</verse>
				<verse number="8">Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.</verse>
				<verse number="9">Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hunlieder overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="10">Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.</verse>
				<verse number="11">De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!</verse>
				<verse number="12">Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?</verse>
				<verse number="13">Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw landpalen.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat gij niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.</verse>
				<verse number="15">O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.</verse>
				<verse number="16">Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!</verse>
				<verse number="17">Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld.</verse>
				<verse number="18">Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?</verse>
				<verse number="19">Daarom zegt de HEERE alzo: Zo gij zult wederkeren, zo zal Ik u doen wederkeren; gij zult voor Mijn aangezicht staan; en zo gij het kostelijke van het snode uittrekt, zult gij als Mijn mond zijn; laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren.</verse>
				<verse number="20">Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="21">Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm der tirannen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gij zult u geen vrouw nemen, en gij zult geen zonen noch dochteren hebben in deze plaats.</verse>
				<verse number="3">Want zo zegt de HEERE van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:</verse>
				<verse number="4">Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op den aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.</verse>
				<verse number="5">Want zo zegt de HEERE: Ga niet in het huis desgenen, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt de HEERE) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden;</verse>
				<verse number="6">Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.</verse>
				<verse number="7">Ook zal men hun niets uitdelen over den rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit den troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.</verse>
				<verse number="8">Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.</verse>
				<verse number="9">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem der vreugde en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid.</verse>
				<verse number="10">En het zal geschieden, als gij dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt de HEERE al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen den HEERE, onzen God, gezondigd hebben?</verse>
				<verse number="11">Dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt de HEERE, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die nedergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben;</verse>
				<verse number="12">En gijlieden erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, gijlieden wandelt, een iegelijk naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.</verse>
				<verse number="13">Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven.</verse>
				<verse number="14">Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd!</verse>
				<verse number="15">Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.</verse>
				<verse number="16">Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt de HEERE, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der steenrotsen.</verse>
				<verse number="17">Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.</verse>
				<verse number="18">Dies zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld.</verse>
				<verse number="19">O HEERE! Gij zijt mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht ten dage der benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.</verse>
				<verse number="20">Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.</verse>
				<verse number="21">Daarom, ziet, Ik zal hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend maken Mijn hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn Naam is HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer altaren;</verse>
				<verse number="2">Gelijk hun kinderen hunner altaren gedenken, en hunner bossen, bij het groen geboomte, op de hoge heuvelen.</verse>
				<verse number="3">Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, mitsgaders uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen.</verse>
				<verse number="4">Alzo zult gij aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat gij niet kent; want gijlieden hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.</verse>
				<verse number="5">Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!</verse>
				<verse number="6">Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.</verse>
				<verse number="7">Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!</verse>
				<verse number="8">Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.</verse>
				<verse number="9">Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?</verse>
				<verse number="10">Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.</verse>
				<verse number="11">Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.</verse>
				<verse number="12">Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms.</verse>
				<verse number="13">O HEERE, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten den HEERE, den Springader des levenden waters.</verse>
				<verse number="14">Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.</verse>
				<verse number="15">Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!</verse>
				<verse number="16">Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.</verse>
				<verse number="17">Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten dage des kwaads.</verse>
				<verse number="18">Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele verbreking.</verse>
				<verse number="19">Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;</verse>
				<verse number="20">En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!</verse>
				<verse number="21">Zo zegt de HEERE: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="22">Ook zult gijlieden geen last uitvoeren uit uw huizen op den sabbatdag, noch enig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uw vaderen geboden heb.</verse>
				<verse number="23">Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen.</verse>
				<verse number="24">Het zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult horen, spreekt de HEERE, dat gij geen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet;</verse>
				<verse number="25">Zo zullen door de poorten dezer stad ingaan koningen en vorsten, zittende op den troon van David, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="26">En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">Maar indien gij naar Mij niet zult horen, om den sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als gij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Maak u op, en ga af in het huis des pottenbakkers, en aldaar zal Ik u Mijn woorden doen horen.</verse>
				<verse number="3">Zo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op de schijven.</verse>
				<verse number="4">En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken.</verse>
				<verse number="5">Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="6">Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israëls? spreekt de HEERE; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israëls!</verse>
				<verse number="7">In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen;</verse>
				<verse number="8">Maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen.</verse>
				<verse number="9">Ook zal Ik in een ogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten;</verse>
				<verse number="10">Maar indien het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede, met hetwelk Ik gezegd had hetzelve te zullen weldoen.</verse>
				<verse number="11">Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.</verse>
				<verse number="12">Doch zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van zijn boos hart.</verse>
				<verse number="13">Daarom, zo zegt de HEERE: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft alzulks gehoord? De jonkvrouw Israëls doet een zeer afschuwelijke zaak.</verse>
				<verse number="14">Zal men ook om een rotssteen des velds verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden?</verse>
				<verse number="15">Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken der ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is;</verse>
				<verse number="16">Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.</verse>
				<verse number="17">Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht des vijands; Ik zal hun den nek en niet het aangezicht laten zien, ten dage huns verderfs.</verse>
				<verse number="18">Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremía denken; want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden!</verse>
				<verse number="19">HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.</verse>
				<verse number="20">Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden.</verse>
				<verse number="21">Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.</verse>
				<verse number="22">Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.</verse>
				<verse number="23">Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Zo zegt de HEERE: Ga henen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten des volks, en van de oudsten der priesteren.</verse>
				<verse number="2">En ga uit naar het dal des zoons van Hinnom, dat voor de deur der Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal;</verse>
				<verse number="3">En zeg: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van hetwelk een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;</verse>
				<verse number="4">Omdat zij Mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en anderen goden daarin gerookt hebben die zij niet gekend hebben, zij, noch hun vaders, noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld met bloed der onschuldigen.</verse>
				<verse number="5">Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; hetwelk Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen?</verse>
				<verse number="6">Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal des zoons van Hinnom, maar Moorddal.</verse>
				<verse number="7">Want Ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezicht hunner vijanden doen vallen door het zwaard, en door de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze geven.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen.</verse>
				<verse number="9">En Ik zal hunlieden het vlees hunner zonen en het vlees hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten, een iegelijk het vlees zijns naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen.</verse>
				<verse number="10">Dan zult gij de kruik verbreken voor de ogen der mannen, die met u gegaan zijn;</verse>
				<verse number="11">En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Alzo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.</verse>
				<verse number="12">Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt de HEERE, en haar inwoners; en dat om deze stad te stellen als een Tofeth.</verse>
				<verse number="13">En de huizen van Jeruzalem en de huizen der koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op welker daken zij aan al het heir des hemels gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben.</verse>
				<verse number="14">Toen nu Jeremía van Tofeth kwam, waarhenen hem de HEERE gezonden had, om te profeteren, stond hij in het voorhof van des HEEREN huis, en zeide tot al het volk:</verse>
				<verse number="15">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis des HEEREN), Jeremía hoorde, diezelve woorden profeterende,</verse>
				<verse number="2">Zo sloeg Pashur den profeet Jeremía, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis des HEEREN is.</verse>
				<verse number="3">Maar het geschiedde des anderen daags, dat Pashur Jeremía uit de gevangenis voortbracht; toen zeide Jeremía tot hem: De HEERE noemt uw naam niet Pashur, maar Magôr-missabib.</verse>
				<verse number="4">Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal gans Juda geven in de hand des konings van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard.</verse>
				<verse number="5">Ook zal Ik geven al het vermogen dezer stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel.</verse>
				<verse number="6">En gij, Pashur, en alle inwoners van uw huis! gijlieden zult gaan in de gevangenis; en gij zult te Babel komen, en aldaar sterven, en aldaar begraven worden, gij en al uw vrienden, denwelken gij valselijk geprofeteerd hebt.</verse>
				<verse number="7">HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.</verse>
				<verse number="8">Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij des HEEREN woord den gansen dag tot smaad en tot schimp is.</verse>
				<verse number="9">Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.</verse>
				<verse number="10">Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magôr-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.</verse>
				<verse number="11">Maar de HEERE is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.</verse>
				<verse number="12">Gij dan, o HEERE der heirscharen, Die den rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.</verse>
				<verse number="13">Zingt den HEERE, prijst den HEERE; want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost.</verse>
				<verse number="14">Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!</verse>
				<verse number="15">Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks!</verse>
				<verse number="16">Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei.</verse>
				<verse number="17">Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van een, die eeuwiglijk zwanger is!</verse>
				<verse number="18">Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Het woord, dat van den HEERE geschied is tot Jeremía, als de koning Zedekía tot hem zond Pashur, den zoon van Malchía, en Zefanja, den zoon van Maäséja, den priester, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Vraag toch den HEERE voor ons, want Nebukadrézar, de koning van Babel, strijdt tegen ons; misschien zal de HEERE met ons doen naar al Zijn wonderen, dat hij van ons optrekke.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Jeremía tot hen: Zo zult gijlieden tot Zedekía zeggen:</verse>
				<verse number="4">Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ziet, Ik zal de krijgswapenen omwenden, die in ulieder hand zijn, met dewelke gij strijdt tegen den koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u belegeren, van buiten aan den muur; en Ik zal ze verzamelen in het midden van deze stad.</verse>
				<verse number="5">En Ik Zelf zal tegen ulieden strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote verbolgenheid.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zowel de mensen als de beesten; door een grote pestilentie zullen zij sterven.</verse>
				<verse number="7">En daarna spreekt de HEERE, zal Ik Zedekía, den koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen.</verse>
				<verse number="8">En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik stel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods.</verse>
				<verse number="9">Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door den honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die ulieden belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn.</verse>
				<verse number="10">Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade, en niet ten goede, spreekt de HEERE; zij zal gegeven worden in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="11">En aangaande het huis des konings van Juda, hoort des HEEREN woord.</verse>
				<verse number="12">O huis Davids! zo zegt de HEERE: Richt des morgens recht, en verlost den beroofde uit den hand des verdrukkers; opdat Mijn gramschap niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.</verse>
				<verse number="13">Ziet, Ik wil aan u, gij inwoneres des dals, gij rots van het plein! spreekt de HEERE; gijlieden, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?</verse>
				<verse number="14">En Ik zal over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, spreekt de HEERE; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Alzo zegt de HEERE: Ga af in het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord.</verse>
				<verse number="2">En zeg: Hoor het woord des HEEREN, gij koning van Juda, gij, die zit op Davids troon, gij, en uw knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan!</verse>
				<verse number="3">Zo zegt de HEERE: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers; en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.</verse>
				<verse number="4">Want indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende den David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk.</verse>
				<verse number="5">Indien gij daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt de HEERE, dat dit huis tot een woestheid worden zal.</verse>
				<verse number="6">Want zo zegt de HEERE van het huis des konings van Juda: Gij zijt Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden!</verse>
				<verse number="7">Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen.</verse>
				<verse number="8">Dan zullen veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan deze grote stad?</verse>
				<verse number="9">En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond des HEEREN, huns Gods, hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden nedergebogen, en die gediend.</verse>
				<verse number="10">Weent niet over den dode, en beklaagt hem niet; weent vrij over dien, die weggegaan is, want hij zal nimmermeer wederkomen, dat hij het land zijner geboorte zie.</verse>
				<verse number="11">Want zo zegt de HEERE van Sallum, den zoon van Josía, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josía regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen.</verse>
				<verse number="12">Maar in de plaats, waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.</verse>
				<verse number="13">Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!</verse>
				<verse number="14">Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.</verse>
				<verse number="15">Zoudt gij regeren, omdat gij u mengt met den ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel?</verse>
				<verse number="16">Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="17">Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen.</verse>
				<verse number="18">Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broeder! of, och zuster! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!</verse>
				<verse number="19">Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="20">Klim op den Libanon en roep, en verhef uw stem op den Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.</verse>
				<verse number="21">Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.</verse>
				<verse number="22">De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult gij zekerlijk beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid.</verse>
				<verse number="23">O gij, die nu op den Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult gij zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als ener barende vrouw!</verse>
				<verse number="24">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, ofschoon Chónia, de zoon van Jójakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.</verse>
				<verse number="25">En Ik zal u geven in de hand dergenen, die uw ziel zoeken, en in de hand dergenen, voor welker aangezicht gij schrikt, namelijk in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en in de hand der Chaldeeën.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal u, en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij sterven.</verse>
				<verse number="27">En in het land, naar hetwelk hun ziel verlangt om daar weder te komen, daarhenen zullen zij niet wederkomen.</verse>
				<verse number="28">Is dan deze man Chónia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?</verse>
				<verse number="29">O land, land, land! hoor des HEEREN woord!</verse>
				<verse number="30">Zo zegt de HEERE: Schrijft dezen zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids, en heersende meer in Juda.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="2">Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="3">En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="5">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige SPRUIT zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.</verse>
				<verse number="6">In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.</verse>
				<verse number="7">Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd.</verse>
				<verse number="8">Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.</verse>
				<verse number="9">Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.</verse>
				<verse number="10">Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.</verse>
				<verse number="11">Want beiden profeten en priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="12">Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="13">Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl, profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden.</verse>
				<verse number="14">Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sódom, en haar inwoners als Gomórra.</verse>
				<verse number="15">Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.</verse>
				<verse number="16">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.</verse>
				<verse number="17">Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.</verse>
				<verse number="18">Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?</verse>
				<verse number="19">Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.</verse>
				<verse number="20">Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.</verse>
				<verse number="21">Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.</verse>
				<verse number="22">Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.</verse>
				<verse number="23">Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?</verse>
				<verse number="24">Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="25">Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.</verse>
				<verse number="26">Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.</verse>
				<verse number="27">Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baäl.</verse>
				<verse number="28">De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="29">Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?</verse>
				<verse number="30">Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;</verse>
				<verse number="31">Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;</verse>
				<verse number="32">Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="33">Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="34">En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.</verse>
				<verse number="35">Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?</verse>
				<verse number="36">Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.</verse>
				<verse number="37">Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?</verse>
				<verse number="38">Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;</verse>
				<verse number="39">Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.</verse>
				<verse number="40">En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrézar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechónia, den zoon van Jójakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.</verse>
				<verse number="2">In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremía? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.</verse>
				<verse number="4">Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeeën heb weggeschikt, ten goede.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal Mijn ogen op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.</verse>
				<verse number="8">En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekía, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;</verse>
				<verse number="9">En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;</verse>
				<verse number="10">En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel);</verse>
				<verse number="2">Hetwelk de profeet Jeremía gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Van het dertiende jaar van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.</verse>
				<verse number="4">Ook heeft de HEERE tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);</verse>
				<verse number="5">Zeggende: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw;</verse>
				<verse number="6">En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.</verse>
				<verse number="7">Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, u zelven ten kwade.</verse>
				<verse number="8">Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;</verse>
				<verse number="9">Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrézar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.</verse>
				<verse number="11">En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.</verse>
				<verse number="12">Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.</verse>
				<verse number="13">En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremía geprofeteerd heeft over al deze volken.</verse>
				<verse number="14">Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; alzo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen.</verse>
				<verse number="15">Want alzo heeft de HEERE, de God Israëls, tot mij gezegd: Neem dezen beker des wijns der grimmigheid van Mijn hand, en geef dien te drinken al den volken, tot welke Ik u zende;</verse>
				<verse number="16">Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden.</verse>
				<verse number="17">En ik nam den beker van des HEEREN hand, en ik gaf te drinken al den volken, tot welke de HEERE mij gezonden had;</verse>
				<verse number="18">Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te dezen dage;</verse>
				<verse number="19">Faraö, den koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk;</verse>
				<verse number="20">En den gansen gemengden hoop, en allen koningen des lands van Uz; en allen koningen van der Filistijnen land, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;</verse>
				<verse number="21">Edom, en Moab, en den kinderen Ammons;</verse>
				<verse number="22">En allen koningen van Tyrus, en allen koningen van Sidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.</verse>
				<verse number="23">Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;</verse>
				<verse number="24">En allen koningen van Arabië; en allen koningen des gemengden hoops, die in de woestijn wonen;</verse>
				<verse number="25">En allen koningen van Zimri, en allen koningen van Elam, en allen koningen van Medië;</verse>
				<verse number="26">En allen koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, den een met den anderen; ja, allen koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.</verse>
				<verse number="27">Gij zult dan tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat gij niet weder opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden.</verse>
				<verse number="28">En het zal geschieden, wanneer zij weigeren zullen den beker van uw hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Gij zult zekerlijk drinken!</verse>
				<verse number="29">Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners der aarde, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="30">Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zeggen: De HEERE zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijner heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiven treders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde.</verse>
				<verse number="31">Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de HEERE heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="32">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk. en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.</verse>
				<verse number="33">En de verslagenen des HEEREN zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op den aardbodem zullen zij zijn.</verse>
				<verse number="34">Huilt, gij herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, gij heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult gij vervallen als een kostelijk vat.</verse>
				<verse number="35">En de vlucht zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken der kudde.</verse>
				<verse number="36">Er zal zijn een stem des geroeps der herderen, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de HEERE hun weide verstoort.</verse>
				<verse number="37">Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden, vanwege de hittigheid des toorns des HEEREN.</verse>
				<verse number="38">Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hunlieder land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hittigheid des verdrukkers, ja, vanwege de hittigheid Zijns toorns.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">In het begin des koninkrijks van Jójakim, den zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE: Sta in het voorhof van het huis des HEEREN, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het huis des HEEREN, al de woorden, die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet één woord af.</verse>
				<verse number="3">Misschien zullen zij horen, en zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; zo zou Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun denk te doen vanwege de boosheid hunner handelingen.</verse>
				<verse number="4">Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE: Zo gijlieden naar Mij niet zult horen, dat gij wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb;</verse>
				<verse number="5">Horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zende, zelfs vroeg op zijnde en zendende; doch gij niet gehoord hebt;</verse>
				<verse number="6">Zo zal Ik dit huis stellen als Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek allen volken der aarde.</verse>
				<verse number="7">En de priesters, en de profeten, en al het volk, hoorden Jeremía deze woorden spreken in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="8">Zo geschiedde het, als Jeremía geëindigd had te spreken alles, wat de HEERE geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: Gij zult den dood sterven!</verse>
				<verse number="9">Waarom hebt gij in den Naam des HEEREN geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand wone? En het ganse volk werd vergaderd tegen Jeremía, in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis des konings naar het huis des HEEREN; en zij zetten zich bij de deur der nieuwe poort des HEEREN.</verse>
				<verse number="11">Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan dezen man is een oordeel des doods, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als gij met uw oren gehoord hebt.</verse>
				<verse number="12">Maar Jeremía sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: De HEERE heeft mij gezonden, om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die gij gehoord hebt;</verse>
				<verse number="13">Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem des HEEREN, uws Gods; zo zal het den HEERE berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft.</verse>
				<verse number="14">Doch ik, ziet, ik ben in uw handen; doet mij, als het goed, en als het recht is in uw ogen;</verse>
				<verse number="15">Maar weet voorzeker, dat gij, zo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in der waarheid, de HEERE heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken.</verse>
				<verse number="16">Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesteren en tot de profeten: Aan dezen man is geen oordeel des doods, want hij heeft tot ons gesproken in den Naam des HEEREN, onzes Gods.</verse>
				<verse number="17">Ook stonden er mannen op, van de oudsten des lands, en spraken tot de ganse gemeente des volks, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkía, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE des heirscharen: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steen hopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten des wouds.</verse>
				<verse number="19">Hebben ook Hizkía, de koning van Juda, en gans Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet den HEERE, en smeekte des HEEREN aangezicht, zodat het den HEERE berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen.</verse>
				<verse number="20">Er was ook een man, die in den Naam des HEEREN profeteerde, Uría, de zoon van Semája, van Kirjath-Jeárim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar al de woorden van Jeremía.</verse>
				<verse number="21">En als de koning Jójakim, mitsgaders al zijn geweldigen, en al de vorsten zijn woorden hoorden, zocht de koning hem te doden; als Uría dat hoorde, zo vreesde hij, en vluchtte, en kwam in Egypte;</verse>
				<verse number="22">Maar de koning Jójakim zond mannen naar Egypte, Elnathan, den zoon van Achbor, en andere mannen met hem, in Egypte;</verse>
				<verse number="23">Die voerden Uría uit Egypte, en brachten hem tot den koning Jójakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen des volks.</verse>
				<verse number="24">Maar de hand van Ahíkam, den zoon van Safan, was met Jeremía, dat men hem niet overgaf in de hand des volks, om hem te doden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">In het begin des koninkrijks van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremía, van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Alzo zeide de HEERE tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals.</verse>
				<verse number="3">En zend ze tot den koning van Edom, en tot den koning van Moab, en tot den koning der kinderen Ammons, en tot den koning van Tyrus, en tot den koning van Sidon; door de hand der boden, die te Jeruzalem tot Zedekía, den koning van Juda, komen.</verse>
				<verse number="4">En beveel hun aan hun heren te zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Zo zult gij tot uw heren zeggen:</verse>
				<verse number="5">Ik heb gemaakt de aarde, den mens en het vee, die op den aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welken het recht is in Mijn ogen.</verse>
				<verse number="6">En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnézar, den koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.</verse>
				<verse number="7">En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen.</verse>
				<verse number="8">En het zal geschieden, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnézar, den koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijn hals niet zal geven onder het juk des konings van Babel; over datzelve volk zal Ik, spreekt de HEERE, bezoeking doen door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn hand.</verse>
				<verse number="9">Gijlieden dan, hoort niet naar uw profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw dromers, en naar uw guichelaars, en naar uw tovenaars, dewelke tot u spreken, zeggende: Gij zult den koning van Babel niet dienen.</verse>
				<verse number="10">Want zij profeteren u valsheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en gij omkomt.</verse>
				<verse number="11">Maar het volk, dat zijn hals zal brengen onder het juk des konings van Babel, en hem dienen, datzelve zal Ik in zijn land laten, spreekt de HEERE, en het zal dat bouwen en daarin wonen.</verse>
				<verse number="12">Daarna sprak ik tot Zedekía, den koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk des konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult gij leven.</verse>
				<verse number="13">Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, gelijk als de HEERE gesproken heeft van het volk, dat den koning van Babel niet zal dienen.</verse>
				<verse number="14">Hoort dan niet naar de woorden der profeten, die tot u spreken, zeggende: Gij zult den koning van Babel niet dienen; want zij profeteren u valsheid.</verse>
				<verse number="15">Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt de HEERE, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en gij omkomt, gij en de profeten, die u profeteren.</verse>
				<verse number="16">Ook sprak ik tot de priesteren, en tot dit ganse volk, zeggende: Zo zegt de HEERE: Hoort niet naar de woorden uwer profeten, die u profeteren, zeggende: Ziet, de vaten van des HEEREN huis zullen nu haast uit Babel wedergebracht worden; want zij profeteren u valsheid.</verse>
				<verse number="17">Hoort niet naar hen, maar dient den koning van Babel, zo zult gijlieden leven; waarom zou deze stad tot een woestheid worden?</verse>
				<verse number="18">Maar zo zij profeten zijn, en zo des HEEREN woord bij hen is, laat hen nu bij den HEERE der heirscharen voorbidden, opdat de vaten, die in het huis des HEEREN, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen.</verse>
				<verse number="19">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige der vaten, die in deze stad zijn overgebleven.</verse>
				<verse number="20">Die Nebukadnézar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, van Jeruzalem, naar Babel gevankelijk wegvoerde, mitsgaders al de edelen van Juda en Jeruzalem;</verse>
				<verse number="21">Ja, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, van de vaten, die in het huis des HEEREN, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven:</verse>
				<verse number="22">Naar Babel zullen zij gebracht worden, en aldaar zullen zij zijn, tot den dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt de HEERE; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze wederbrengen tot deze plaats.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Voorts geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin des koninkrijks van Zedekía, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hanánja, zoon van Azur, de profeet, die van Gíbeon was, tot mij sprak, in het huis des HEEREN, voor de ogen der priesteren en des gansen volks, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken.</verse>
				<verse number="3">In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnézar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelve naar Babel gebracht.</verse>
				<verse number="4">Ook zal Ik Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken.</verse>
				<verse number="5">Toen sprak de profeet Jeremía tot den profeet Hanánja, voor de ogen der priesteren, en voor de ogen des gansen volks, die in het huis des HEEREN stonden;</verse>
				<verse number="6">En de profeet Jeremía zeide: Amen, de HEERE doe alzo! de HEERE bevestige uw woorden, die gij geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van des HEEREN huis, en allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats!</verse>
				<verse number="7">Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren des gansen volks:</verse>
				<verse number="8">De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben tegen veel landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd, van krijg, en van kwaad, en van pestilentie.</verse>
				<verse number="9">De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van dien profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem de HEERE in der waarheid gezonden heeft.</verse>
				<verse number="10">Toen nam de profeet Hanánja het juk van den hals van den profeet Jeremía, en verbrak het.</verse>
				<verse number="11">En Hanánja sprak voor de ogen des gansen volks, zeggende: Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnézar, den koning van Babel, in nog twee volle jaren, van den hals al der volken. En de profeet Jeremía ging zijns weegs.</verse>
				<verse number="12">Doch des HEEREN woord geschiedde tot Jeremía (nadat de profeet Hanánja het juk van den hals van den profeet Jeremía verbroken had), zeggende:</verse>
				<verse number="13">Ga henen en spreek tot Hanánja, zeggende: Zo zegt de HEERE: Houten jukken hebt gij verbroken, nu zult gij in plaats van die, ijzeren jukken maken.</verse>
				<verse number="14">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan den hals van al deze volken, om Nebukadnézar, den koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte des velds gegeven.</verse>
				<verse number="15">En de profeet Jeremía zeide tot den profeet Hanánja: Hoor nu, Hanánja! de HEERE heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt.</verse>
				<verse number="16">Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij sterven, omdat gij een afval gesproken hebt tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="17">Alzo stierf de profeet Hanánja in datzelfde jaar, in de zevende maand.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremía zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnézar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.</verse>
				<verse number="2">(Nadat de koning Jechónia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);</verse>
				<verse number="3">Door de hand van Elása, den zoon van Safan, en Gemárja, den zoon van Hilkía, die Zedekía, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnézar, den koning van Babel, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel:</verse>
				<verse number="5">Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;</verse>
				<verse number="6">Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.</verse>
				<verse number="7">En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.</verse>
				<verse number="8">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.</verse>
				<verse number="9">Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="10">Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.</verse>
				<verse number="11">Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.</verse>
				<verse number="12">Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.</verse>
				<verse number="13">En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.</verse>
				<verse number="15">Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt;</verse>
				<verse number="16">Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;</verse>
				<verse number="17">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.</verse>
				<verse number="18">En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben;</verse>
				<verse number="19">Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="20">Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!</verse>
				<verse number="21">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, van Achab, zoon van Kolája, en van Zedekía, zoon van Maäséja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.</verse>
				<verse number="22">En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekía, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;</verse>
				<verse number="23">Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="24">Tot Semája nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende:</verse>
				<verse number="25">Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefánja, den zoon van Maäséja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende:</verse>
				<verse number="26">De HEERE heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jójada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok.</verse>
				<verse number="27">Nu dan, waarom hebt gij Jeremía, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft?</verse>
				<verse number="28">Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin, en plant hoven, en eet de vrucht daarvan.</verse>
				<verse number="29">Zefánja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremía.</verse>
				<verse number="30">Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, zeggende:</verse>
				<verse number="31">Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt de HEERE van Semája, den Nechelamiet: Omdat Semája ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij op leugen vertrouwt;</verse>
				<verse number="32">Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semája, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo spreekt de HEERE, de God Israëls, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.</verse>
				<verse number="3">Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="4">En dit zijn de woorden, die de HEERE gesproken heeft van Israël en van Juda.</verse>
				<verse number="5">Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede.</verse>
				<verse number="6">Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?</verse>
				<verse number="7">O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.</verse>
				<verse number="8">Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.</verse>
				<verse number="9">Maar zij zullen dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.</verse>
				<verse number="10">Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.</verse>
				<verse number="11">Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.</verse>
				<verse number="12">Want zo zegt de HEERE: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk.</verse>
				<verse number="13">Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.</verse>
				<verse number="14">Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.</verse>
				<verse number="15">Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.</verse>
				<verse number="16">Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven.</verse>
				<verse number="17">Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.</verse>
				<verse number="18">Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.</verse>
				<verse number="19">En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem der spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.</verse>
				<verse number="20">En zijn zonen zullen zijn als eertijds, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.</verse>
				<verse number="21">En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="22">En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.</verse>
				<verse number="23">Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.</verse>
				<verse number="24">De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.</verse>
				<verse number="3">De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.</verse>
				<verse number="4">Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.</verse>
				<verse number="5">Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.</verse>
				<verse number="6">Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!</verse>
				<verse number="7">Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël.</verse>
				<verse number="8">Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.</verse>
				<verse number="9">Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.</verse>
				<verse number="10">Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.</verse>
				<verse number="11">Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.</verse>
				<verse number="12">Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.</verse>
				<verse number="13">Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="15">Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.</verse>
				<verse number="16">Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.</verse>
				<verse number="17">En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.</verse>
				<verse number="18">Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!</verse>
				<verse number="19">Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.</verse>
				<verse number="20">Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="21">Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden!</verse>
				<verse number="22">Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.</verse>
				<verse number="23">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!</verse>
				<verse number="24">En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.</verse>
				<verse number="25">Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.</verse>
				<verse number="26">(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)</verse>
				<verse number="27">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.</verse>
				<verse number="28">En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="29">In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.</verse>
				<verse number="30">Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.</verse>
				<verse number="31">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;</verse>
				<verse number="32">Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;</verse>
				<verse number="33">Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.</verse>
				<verse number="34">En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.</verse>
				<verse number="35">Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:</verse>
				<verse number="36">Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.</verse>
				<verse number="37">Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="38">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hanáneël af tot aan de Hoekpoort.</verse>
				<verse number="39">En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.</verse>
				<verse number="40">En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in het tiende jaar van Zedekía, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrézar.</verse>
				<verse number="2">(Het heir nu des konings van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremía was besloten in het voorhof der bewaring, dat in het huis des konings van Juda is.</verse>
				<verse number="3">Want Zedekía, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze innemen;</verse>
				<verse number="4">En Zedekía, de koning van Juda, zal van de hand der Chaldeeën niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand des konings van Babel, en zijn mond zal tot deszelfs mond spreken, en zijn ogen zullen deszelfs ogen zien;</verse>
				<verse number="5">En hij zal Zedekía naar Babel voeren, en aldaar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt de HEERE; ofschoon gijlieden tegen de Chaldeeën strijdt, gij zult toch geen geluk hebben.)</verse>
				<verse number="6">Jeremía dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:</verse>
				<verse number="7">Zie, Hanámeël, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want gij hebt het recht van lossing, om te kopen.</verse>
				<verse number="8">Alzo kwam Hanámeël, mijns ooms zoon, naar des HEEREN woord, tot mij, in het voorhof der bewaring, en zeide tot mij: Koop toch mijn veld, hetwelk is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want gij hebt het erfrecht, en gij hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik, dat het des HEEREN woord was.</verse>
				<verse number="9">Dies kocht ik van Hanámeël, mijns ooms zoon, het veld, dat bij Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkelen.</verse>
				<verse number="10">En ik onderschreef den brief en verzegelde dien, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had.</verse>
				<verse number="11">En ik nam den koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de inzettingen, en den open brief;</verse>
				<verse number="12">En ik gaf den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerija, den zoon van Machséja, voor de ogen van Hanámeël, mijns ooms zoon, en voor de ogen der getuigen die den koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof der bewaring zaten.</verse>
				<verse number="13">En ik beval Baruch voor hun ogen, zeggende:</verse>
				<verse number="14">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Neem deze brieven, dezen koopbrief, zo den verzegelden als dezen open brief, en doe ze in een aarden vat, opdat zij vele dagen mogen bestaan.</verse>
				<verse number="15">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Er zullen nog huizen, en velden, en wijngaarden in dit land gekocht worden.</verse>
				<verse number="16">Voorts, nadat ik den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Ach, Heere HEERE! Zie, Gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk.</verse>
				<verse number="18">Gij, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; Gij grote, Gij geweldige God, Wiens Naam is HEERE der heirscharen!</verse>
				<verse number="19">Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.</verse>
				<verse number="20">Gij, Die tekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland, tot op dezen dag, zo in Israël, als onder andere mensen, en hebt U een Naam gemaakt, als Hij is te dezen dage!</verse>
				<verse number="21">En hebt Uw volk Israël uit Egypteland uitgevoerd, door tekenen en door wonderen, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door grote verschrikking.</verse>
				<verse number="22">En hebt hun dit land gegeven, dat Gij hun vaderen gezworen hadt hun te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig;</verse>
				<verse number="23">Zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben Uwer stem niet gehoorzaamd, en in Uw wet niet gewandeld; zij hebben niets gedaan van alles, wat Gij hun geboden hadt te doen; dies hebt Gij hun al dit kwaad doen bejegenen.</verse>
				<verse number="24">Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en den honger en de pestilentie; en wat Gij gesproken hebt, is geschied, en zie, Gij ziet het.</verse>
				<verse number="25">Evenwel hebt Gij tot mij gezegd, Heere HEERE! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in der Chaldeeën hand gegeven is.</verse>
				<verse number="26">Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, zeggende:</verse>
				<verse number="27">Zie, Ik ben de HEERE, de God van alle vlees; zou Mij enig ding te wonderlijk zijn?</verse>
				<verse number="28">Daarom zegt de HEERE alzo: Zie, Ik geef deze stad in de hand der Chaldeeën, en in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en hij zal ze innemen.</verse>
				<verse number="29">En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op welker daken zij aan Baäl gerookt, en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om Mij te vertoornen.</verse>
				<verse number="30">Want de kinderen Israëls en de kinderen van Juda hebben van hun jeugd aan alleenlijk gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen; want de kinderen Israëls hebben Mij door het werk hunner handen alleenlijk vertoornd, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="31">Want tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid is Mij deze stad geweest, van den dag af, dat zij haar gebouwd hebben, tot op dezen dag toe; opdat Ik haar van Mijn aangezicht wegdeed;</verse>
				<verse number="32">Om al de boosheid der kinderen Israëls en der kinderen van Juda, die zij gedaan hebben om Mij te vertoornen, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesteren, en hun profeten, en de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem;</verse>
				<verse number="33">Die Mij den nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;</verse>
				<verse number="34">Maar zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.</verse>
				<verse number="35">En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, die in het dal des zoons van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochteren den Molech door het vuur te laten gaan; hetwelk Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij dezen gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen.</verse>
				<verse number="36">En nu, daarom zegt de HEERE, de God Israëls, alzo van deze stad, waar gij van zegt: Zij is gegeven in de hand des konings van Babel, door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie;</verse>
				<verse number="37">Ziet, Ik zal hen vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik hen zal verdreven hebben in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Ik zal hen tot deze plaats wederbrengen, en zal hen zeker doen wonen.</verse>
				<verse number="38">Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.</verse>
				<verse number="39">En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen.</verse>
				<verse number="40">En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.</verse>
				<verse number="41">En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dat land planten, met Mijn ganse hart en met Mijn ganse ziel.</verse>
				<verse number="42">Want zo zegt de HEERE: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, alzo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke.</verse>
				<verse number="43">En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in der Chaldeeën hand gegeven.</verse>
				<verse number="44">Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">Voorts geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot Jeremía, als hij nog in het voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE, Die het doet, de HEERE, Die dat formeert, opdat Hij het bevestige, HEERE is Zijn Naam;</verse>
				<verse number="3">Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.</verse>
				<verse number="4">Want zo zegt de HEERE, de God Israëls, van de huizen dezer stad, en van de huizen der koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:</verse>
				<verse number="5">Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeeën, maar het is om die te vullen met dode lichamen van mensen, die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid; en omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al hunlieder boosheid;</verse>
				<verse number="6">Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in het eerste.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebben.</verse>
				<verse number="9">En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen der aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al den vrede, dien Ik haar beschik.</verse>
				<verse number="10">Alzo zegt de HEERE: In deze plaats (waarvan gij zegt: Zij is woest, dat er geen mens en geen beest in is), in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, en geen inwoner, en geen beest in is, zal wederom gehoord worden,</verse>
				<verse number="11">De stem der vrolijkheid en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, de stem dergenen, die zeggen: Looft den HEERE der heirscharen, want de HEERE is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem dergenen, die lof aanbrengen ten huize des HEEREN; want Ik zal de gevangenis des lands wenden, als in het eerste, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="12">Zo zegt de HEERE der heirscharen: In deze plaats, die zo woest is, dat er geen mens, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in al derzelver steden, zullen wederom woningen zijn van herderen, die de kudden doen legeren.</verse>
				<verse number="13">In de steden van het gebergte, in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="14">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb.</verse>
				<verse number="15">In die dagen, en te dier tijd zal Ik David een SPRUIT der gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.</verse>
				<verse number="16">In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en Deze is, Die haar roepen zal: De HEERE, onze GERECHTIGHEID.</verse>
				<verse number="17">Want zo zegt de HEERE: Aan David zal niet worden afgesneden een Man, Die op den troon van het huis Israëls zitte.</verse>
				<verse number="18">Ook zal den Levietischen priesteren, van voor Mijn aangezicht, niet worden afgesneden een Man, Die brandoffer offere, en spijsoffer aansteke, en slachtoffer bereide al de dagen.</verse>
				<verse number="19">En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremía, zeggende:</verse>
				<verse number="20">Alzo zegt de HEERE: Indien gijlieden Mijn verbond van den dag; en Mijn verbond van den nacht kondt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd;</verse>
				<verse number="21">Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en met de Levieten, de priesteren, Mijn dienaren.</verse>
				<verse number="22">Gelijk het heir des hemels niet geteld, en het zand der zee niet gemeten kan worden, alzo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van Mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen.</verse>
				<verse number="23">Voorts geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Hebt gij niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die de HEERE verkoren had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.</verse>
				<verse number="25">Zo zegt de HEERE: Indien Mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb;</verse>
				<verse number="26">Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij hunner ontfermen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE (als Nebukadnézar, koning van Babel, en zijn ganse heir, en alle koninkrijken der aarde, die onder de heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ga henen en spreek tot Zedekía, den koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="3">En gij zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen des konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en gij zult te Babel komen.</verse>
				<verse number="4">Maar hoor des HEEREN woord, o Zedekía, koning van Juda! zo zegt de HEERE van u: Gij zult door het zwaard niet sterven.</verse>
				<verse number="5">Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die vóór u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="6">En de profeet Jeremía sprak al deze woorden tot Zedekía, den koning van Juda, te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="7">Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azéka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.</verse>
				<verse number="8">Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, nadat de koning Zedekía een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.</verse>
				<verse number="9">Dat een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, zijnde een Hebreeër of een Hebreeïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broeder, zou doen dienen.</verse>
				<verse number="10">Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;</verse>
				<verse number="11">Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.</verse>
				<verse number="12">Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:</verse>
				<verse number="14">Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreeër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.</verse>
				<verse number="15">Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.</verse>
				<verse number="16">Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hun lust; en gij hebt hen ten ondergebracht, om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.</verse>
				<verse number="17">Daarom zegt de HEERE alzo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijn broeder, en een iegelijk voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de HEERE, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde.</verse>
				<verse number="18">En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:</verse>
				<verse number="19">De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.</verse>
				<verse number="20">Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.</verse>
				<verse number="21">Zelfs Zedekía, den koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen.</verse>
				<verse number="22">Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de HEERE, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in de dagen van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Ga henen tot der Rechabieten huis, en spreek met hen, en breng hen in des HEEREN huis, in een der kameren, en geef hun wijn te drinken.</verse>
				<verse number="3">Toen nam ik Jaäzánja, den zoon van Jeremía, den zoon van Habazzinja, mitsgaders zijn broederen, en al zijn zonen, en het ganse huis der Rechabieten;</verse>
				<verse number="4">En bracht hen in des HEEREN huis, in de kamer der zonen van Hanan, den zoon van Jigdalia, den man Gods; welke is bij de kamer der oversten, die daar is boven de kamer van Maäséja, den zoon van Sallum, den dorpelbewaarder.</verse>
				<verse number="5">En ik zette den kinderen van het huis der Rechabieten koppen vol wijn en bekers voor; en ik zeide tot hen: Drinkt wijn.</verse>
				<verse number="6">Maar zij zeiden: Wij zullen geen wijn drinken; want Jónadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: Gijlieden zult geen wijn drinken, gij, noch uw kinderen, tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="7">Ook zult gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten, noch hebben; maar gij zult in tenten wonen al uw dagen; opdat gij veel dagen leeft in het land, alwaar gij als vreemdeling verkeert.</verse>
				<verse number="8">Zo hebben wij der stemme van Jónadab, den zoon van Rechab, onzen vader, gehoorzaamd in alles, wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen, en onze dochteren;</verse>
				<verse number="9">En dat wij geen huizen bouwen tot onze woning; ook hebben wij geen wijngaard, noch veld, noch zaad;</verse>
				<verse number="10">En wij hebben in tenten gewoond; alzo hebben wij gehoord en gedaan naar alles, wat ons onze vader Jónadab geboden heeft.</verse>
				<verse number="11">Maar het is geschied, als Nebukadrézar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij zeiden: Komt, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeeën, en vanwege het heir der Syriërs; alzo zijn wij te Jeruzalem gebleven.</verse>
				<verse number="12">Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ga henen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gijlieden geen tucht aannemen, dat gij hoort naar Mijn woorden? spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="14">De woorden van Jónadab, den zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op dezen dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar Mij niet gehoord.</verse>
				<verse number="15">En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult gij in het land blijven, dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord.</verse>
				<verse number="16">Dewijl dan de kinderen van Jónadab, den zoon van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort;</verse>
				<verse number="17">Daarom alzo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het kwaad, dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet gehoord hebben, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet hebben geantwoord.</verse>
				<verse number="18">Tot het huis nu der Rechabieten zeide Jeremía: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Omdat gijlieden het gebod van uw vader Jónadab zijt gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles, wat hij ulieden geboden heeft;</verse>
				<verse number="19">Daarom alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Er zal Jónadab, den zoon van Rechab, niet worden afgesneden een man, die voor Mijn aangezicht sta, al de dagen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremía geschiedde van den HEERE, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Neem u een rol des boeks, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van den dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josía aan, tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="3">Misschien zullen die van het huis van Juda horen al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en Ik hun ongerechtigheid en hun zonde vergeve.</verse>
				<verse number="4">Toen riep Jeremía Baruch, den zoon van Nerija; en Baruch schreef uit den mond van Jeremía alle woorden des HEEREN, die Hij tot hem gesproken had, op een rol des boeks.</verse>
				<verse number="5">En Jeremía gebood Baruch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in des HEEREN huis niet kunnen gaan.</verse>
				<verse number="6">Zo ga gij henen, en lees in de rol, in dewelke gij uit mijn mond geschreven hebt, de woorden des HEEREN, voor de oren des volks, in des HEEREN huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de oren van gans Juda, die uit hun steden komen.</verse>
				<verse number="7">Misschien zal hunlieder smeking voor des HEEREN aangezicht nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die de HEERE tegen dit volk heeft uitgesproken.</verse>
				<verse number="8">En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremía geboden had, lezende in dat boek de woorden des HEEREN, in het huis des HEEREN.</verse>
				<verse number="9">Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des HEEREN aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.</verse>
				<verse number="10">Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremía in des HEEREN huis, in de kamer van Gemárja, den zoon van Safan, den schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur der nieuwe poort van het huis des HEEREN, voor de oren des gansen volks.</verse>
				<verse number="11">Als nu Michája, de zoon van Gemárja, den zoon van Safan, al de woorden des HEEREN uit dat boek gehoord had;</verse>
				<verse number="12">Zo ging hij af ten huize des konings in de kamer des schrijvers; en ziet, aldaar zaten al de vorsten: Elísama, de schrijver, en Delája, de zoon van Semája, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemárja, de zoon van Safan, en Zedekía, de zoon van Hanánja, en al de vorsten.</verse>
				<verse number="13">En Michája maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de oren des volks.</verse>
				<verse number="14">Toen zonden al de vorsten Jehûdi, den zoon van Nethánja, den zoon van Selémja, den zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin gij voor de oren des volks gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Alzo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen.</verse>
				<verse number="15">En zij zeiden tot hem: Zit toch neder, en lees ze voor onze oren; en Baruch las voor hun oren.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als zij al de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de een tegen den ander; en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker zullen wij al deze woorden den koning bekend maken.</verse>
				<verse number="17">En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt gij al deze woorden uit zijn mond geschreven?</verse>
				<verse number="18">En Baruch zeide tot hen: Uit zijn mond las hij tot mij al deze woorden, en ik schreef ze met inkt in dit boek.</verse>
				<verse number="19">Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga henen, verberg u, gij en Jeremía; en niemand wete, waar gijlieden zijt.</verse>
				<verse number="20">Zij dan gingen in tot den koning in het voorhof; maar de rol legden zij weg in de kamer van Elísama, den schrijver; en zij verklaarden al die woorden voor de oren des konings.</verse>
				<verse number="21">Toen zond de koning Jehûdi, om de rol te halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elísama, den schrijver; en Jehûdi las ze voor de oren des konings, en voor de oren van al de vorsten, die omtrent den koning stonden.</verse>
				<verse number="22">(De koning nu zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op den haard aangestoken.)</verse>
				<verse number="23">En het geschiedde, als Jehûdi drie stukken, of vier gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze in het vuur, dat op den haard was, totdat de ganse rol verteerd was in het vuur, dat op den haard was.</verse>
				<verse number="24">En zij verschrikten niet, en scheurden hun klederen niet, de koning noch al zijn knechten, die al deze woorden gehoord hadden.</verse>
				<verse number="25">Hoewel ook Elnathan, en Delája, en Gemárja bij den koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zou verbranden; doch hij hoorde naar hen niet.</verse>
				<verse number="26">Daartoe gebood de koning aan Jeráhmeël, den zoon van Hammélech, en Zerája, den zoon van Azríël, en Sélemja, den zoon van Abdeël, om den schrijver Baruch en den profeet Jeremía te vangen. Maar de HEERE had hen verborgen.</verse>
				<verse number="27">Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, nadat de koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit den mond van Jeremía, verbrand had, zeggende:</verse>
				<verse number="28">Neem u weder een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol, die Jójakim, de koning van Juda, verbrand heeft.</verse>
				<verse number="29">En tot Jójakim, den koning van Juda, zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zekerlijk komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest daarin ophouden?</verse>
				<verse number="30">Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, den koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte, en des nachts in de vorst.</verse>
				<verse number="31">En Ik zal over hem, en over zijn zaad, en over zijn knechten hunlieder ongerechtigheid bezoeken; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hen gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord.</verse>
				<verse number="32">Jeremía dan nam een andere rol, en gaf ze aan den schrijver Baruch, den zoon van Nerija; die schreef daarop, uit den mond van Jeremía, al de woorden des boeks, dat Jójakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en tot dezelve werden nog veel dergelijke woorden toegedaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">En Zedekía, zoon van Josía, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jójakims zoon, welken Zedekía Nebukadrézar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda.</verse>
				<verse number="2">Maar hij hoorde niet, hij, noch zijn knechten, noch het volk des lands, naar de woorden des HEEREN, die Hij sprak door den dienst van den profeet Jeremía.</verse>
				<verse number="3">Nochtans zond de koning Zedekía Juchal, den zoon van Selémja, en Sefánja, den zoon van Maäséja, den priester, tot den profeet Jeremía, om te zeggen: Bid toch voor ons tot den HEERE, onzen God!</verse>
				<verse number="4">(Want Jeremía was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.</verse>
				<verse number="5">En Faraö's heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).</verse>
				<verse number="6">Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremía, zeggende:</verse>
				<verse number="7">Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Faraö's heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeren in zijn land, in Egypte;</verse>
				<verse number="8">En de Chaldeeën zullen wederkeren, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="9">Zo zegt de HEERE: Bedriegt uw zielen niet, zeggende: De Chaldeeën zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.</verse>
				<verse number="10">Want al sloegt gijlieden het ganse heir der Chaldeeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, een iegelijk in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="11">Voorts geschiedde het, als het heir der Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Faraö's heir;</verse>
				<verse number="12">Dat Jeremía uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land van Benjamin, om van daar te scheiden door het midden des volks.</verse>
				<verse number="13">Als hij in de poort van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, wiens naam was Jerija, de zoon van Selémja, den zoon van Hanánja; die greep den profeet Jeremía, zeggende: Gij wilt tot de Chaldeeën vallen!</verse>
				<verse number="14">En Jeremía zeide: Het is vals, ik wil niet tot de Chaldeeën vallen. Doch hij hoorde niet naar hem; maar Jerija greep Jeremía aan, en bracht hem tot de vorsten.</verse>
				<verse number="15">En de vorsten werden zeer toornig op Jeremía en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, ten huize van Jónathan, den schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt.</verse>
				<verse number="16">Als Jeremía in de plaats des kuils, en in de kotjes gekomen was, en Jeremía aldaar veel dagen gezeten had;</verse>
				<verse number="17">Zo zond de koning Zedekía henen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zeide: Is er ook een woord van den HEERE? En Jeremía zeide: Er is; en hij zeide: Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden.</verse>
				<verse number="18">Voorts zeide Jeremía tot den koning Zedekía: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in het gevangenhuis gesteld hebt?</verse>
				<verse number="19">Waar zijn nu ulieder profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen ulieden, noch tegen dit land komen.</verse>
				<verse number="20">Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen, en breng mij niet weder in het huis van Jónathan, den schrijver, opdat ik aldaar niet sterve.</verse>
				<verse number="21">Toen gaf de koning Zedekía bevel; en zij bestelden Jeremía in het voorhof der bewaring, en men gaf hem des daags een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Alzo bleef Jeremía in het voorhof der bewaring.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">Als Sefátja, de zoon van Matthan, en Gedália, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selémja, en Pashur, de zoon van Malchía, de woorden hoorden, die Jeremía tot al het volk sprak, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door den honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven.</verse>
				<verse number="3">Zo zegt de HEERE: Deze stad zal zekerlijk gegeven worden in de hand van het heir des konings van Babel, datzelve zal ze innemen;</verse>
				<verse number="4">Zo zeiden de vorsten tot den koning: Laat toch dezen man gedood worden; want aldus maakt hij de handen der krijgslieden, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen des gansen volks slap, alzulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt den vrede dezes volks niet, maar het kwaad.</verse>
				<verse number="5">En de koning Zedekía zeide: Ziet, hij is in uw hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen.</verse>
				<verse number="6">Toen namen zij Jeremía en wierpen hem in den kuil van Malchía, den zoon van Hammélech, die in het voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremía af met zelen; in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremía zonk in het slijk.</verse>
				<verse number="7">Als nu Ebed-mélech, de Moorman, een der kamerlingen, die toen in des konings huis was, hoorde, dat zij Jeremía in den kuil gedaan hadden (de koning nu zat in de poort van Benjamin);</verse>
				<verse number="8">Zo ging Ebed-mélech uit het huis des konings uit, en hij sprak tot den koning, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremía, dien zij in den kuil geworpen hebben; daar hij toch in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege den honger, dewijl geen brood meer in de stad is.</verse>
				<verse number="10">Toen gebood de koning den Moorman Ebed-mélech, zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uw hand, en haal den profeet Jeremía op uit den kuil, eer dat hij sterft.</verse>
				<verse number="11">Alzo nam Ebed-mélech de mannen onder zijn hand, en ging in des konings huis tot onder de schatkamer, en nam van daar enige oude verscheurde en oude versleten lompen; en hij liet ze met zelen af tot Jeremía in den kuil.</verse>
				<verse number="12">En Ebed-mélech, de Moorman, zeide tot Jeremía: Leg nu deze oude verscheurde en versleten lompen onder de oksels uwer armen, van onder aan de zelen. En Jeremía deed alzo.</verse>
				<verse number="13">En zij trokken Jeremía bij de zelen, en haalden hem op uit de kuil; en Jeremía bleef in het voorhof der bewaring.</verse>
				<verse number="14">Toen zond de koning Zedekía henen, en liet den profeet Jeremía tot zich halen, in den derden ingang, die aan des HEEREN huis was; en de koning zeide tot Jeremía: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij.</verse>
				<verse number="15">En Jeremía zeide tot Zedekia: Als ik het u verklaren zal, zult gij mij niet zekerlijk doden? En als ik u raad zal geven, gij zult toch naar mij niet horen.</verse>
				<verse number="16">Toen zwoer de koning Zedekía aan Jeremía in het verborgene, zeggende: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die ons deze ziel gemaakt heeft: Indien ik u zal doden, of indien ik u zal overgeven in de hand dezer mannen, die uw ziel zoeken!</verse>
				<verse number="17">Jeremía dan zeide tot Zedekía: Zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israëls: Indien gij gewilliglijk tot de vorsten des koning van Babel zult uitgaan, zo zal uw ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en gij zult leven, gij en uw huis.</verse>
				<verse number="18">Maar indien gij tot de vorsten des konings van Babel niet zult uitgaan, zo zal deze stad gegeven worden in de hand der Chaldeeën, en zij zullen ze met vuur verbranden; ook zult gij van hunlieder hand niet ontkomen.</verse>
				<verse number="19">En de koning Zedekía zeide tot Jeremía: Ik ben bevreesd voor de Joden, die tot de Chaldeeën gevallen zijn, dat zij mij misschien in derzelver hand overgeven, en zij den spot met mij drijven.</verse>
				<verse number="20">En Jeremía zeide: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stem des HEEREN, naar dewelke ik tot u spreek; zo zal het u welgaan, en uw ziel zal leven.</verse>
				<verse number="21">Maar indien gij weigert uit te gaan, zo is dit het woord, dat de HEERE mij heeft doen zien;</verse>
				<verse number="22">Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis des konings van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten des konings van Babel; en dezelve zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overmocht; uw voeten zijn in den modder gezonken; zij zijn achterwaarts gekeerd!</verse>
				<verse number="23">Zij zullen dan al uw vrouwen en al uw zonen tot de Chaldeeën uitvoeren; ook zult gij zelf van hun hand niet ontkomen; maar gij zult door de hand des konings van Babel gegrepen worden, en gij zult deze stad met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide Zedekía tot Jeremía: Dat niemand wete van deze woorden, zo zult gij niet sterven.</verse>
				<verse number="25">En als de vorsten zullen horen, dat ik met u gesproken heb, en tot u komen, en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt gij tot den koning gesproken? verheel het niet voor ons, zo zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning tot u gesproken?</verse>
				<verse number="26">Zo zult gij tot hen zeggen: Ik wierp mijn smeking voor des konings aangezicht neder, dat hij mij niet zou weder laten brengen in Jónathans huis, om aldaar te sterven.</verse>
				<verse number="27">Als dan al de vorsten tot Jeremía kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun, naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij lieten van hem af, omdat de zaak niet was gehoord.</verse>
				<verse number="28">En Jeremía bleef in het voorhof der bewaring tot op den dag, dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij was er nog, als Jeruzalem was ingenomen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">In het negende jaar van Zedekía, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrézar, de koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar.</verse>
				<verse number="2">In het elfde jaar van Zedekía, in de vierde maand, op den negenden der maand, werd de stad doorgebroken.</verse>
				<verse number="3">En alle vorsten des konings van Babel togen henen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sárezer Samgar-Nebu, Sársechim Rab-Sarîs, Nergal-Sárezer Rab-Mag, en al de overige vorsten des konings van Babel.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde, als Zedekía, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.</verse>
				<verse number="5">Doch het heir der Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekía in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadnézar, den koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.</verse>
				<verse number="6">En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekía te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda.</verse>
				<verse number="7">En hij verblindde de ogen van Zedekía, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.</verse>
				<verse number="8">En de Chaldeeën verbrandden het huis des konings en de huizen des volks met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af.</verse>
				<verse number="9">Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige des volks, die overgebleven waren, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel.</verse>
				<verse number="10">Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzáradan, de overste der trawanten, enigen overig in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.</verse>
				<verse number="11">Maar van Jeremía had Nebukadrézar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzáradan, den overste der trawanten, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzo met hem.</verse>
				<verse number="13">Zo zond Nebuzáradan, de overste der trawanten, mitsgaders Nebusazban Rab-Sarîs en Nergal-Sárezer Rab-Mag, en al de oversten des konings van Babel;</verse>
				<verse number="14">Zij zonden dan henen en namen Jeremía uit het voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, dat hij hem henen uitbracht naar huis; alzo bleef hij in het midden des volks.</verse>
				<verse number="15">Het woord des HEEREN was ook tot Jeremía geschied, als hij in het voorhof der bewaring besloten was, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Ga henen, en spreek tot Ebed-mélech, den Moorman, zeggende: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal Mijn woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen te dien dage voor uw aangezicht zijn.</verse>
				<verse number="17">Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de HEERE; en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen, voor welker aangezicht gij vreest.</verse>
				<verse number="18">Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">Het woord, dat van den HEERE geschied is tot Jeremía, nadat Nebuzáradan, de overste der trawanten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd.</verse>
				<verse number="2">Want de overste der trawanten liet Jeremía halen, en zeide tot hem: De HEERE, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want gijlieden hebt gezondigd tegen den HEERE, en Zijner stem niet gehoorzaamd; daarom is ulieden deze zaak geschied.</verse>
				<verse number="4">Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; indien het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar indien het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het ganse land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.</verse>
				<verse number="5">En dewijl hij nog niet zal wederkeren, zo keer gij tot Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, dien de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden des volks; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er henen. En de overste der trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan.</verse>
				<verse number="6">Alzo kwam Jeremía tot Gedália, den zoon van Ahíkam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden des volks, die in het land waren overgelaten.</verse>
				<verse number="7">Toen nu alle oversten der heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedália, den zoon van Ahíkam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderkens, en van de armsten des lands, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd;</verse>
				<verse number="8">Zo kwamen zij tot Gedália te Mizpa, namelijk, Ismaël, de zoon van Nethánja, en Jóhanan en Jónathan, de zonen van Karéah, en Serája, de zoon van Tanhûmeth, en de zonen van Efai, den Netofathiet, en Jezánja, de zoon eens Maächathiets, zij en hun mannen.</verse>
				<verse number="9">En Gedália, de zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vreest niet van de Chaldeeën te dienen; blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u welgaan.</verse>
				<verse number="10">En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht der Chaldeeën, die tot ons zullen komen; gijlieden dan verzamelt wijn, en zomervruchten, en olie, en doet ze in uw vaten, en woont in uw steden, die gij hebt ingenomen.</verse>
				<verse number="11">Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, over hen gesteld had;</verse>
				<verse number="12">Zo keerden al de Joden weder uit al de plaatsen, waarhenen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedália te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijns en zomervruchten.</verse>
				<verse number="13">Doch Jóhanan, de zoon van Karéah, en alle oversten der heiren, die in het veld waren, kwamen tot Gedália te Mizpa;</verse>
				<verse number="14">En zeiden tot hem: Weet gij wel, dat Baälis, de koning der kinderen Ammons, Ismaël, den zoon van Nethánja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedália, de zoon van Ahíkam, geloofde hen niet.</verse>
				<verse number="15">Jóhanan nochtans, de zoon van Karéah, sprak tot Gedália, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch henengaan, en Ismaël, den zoon van Nethánja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en gans Juda, die tot u vergaderd zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan?</verse>
				<verse number="16">Maar Gedália, de zoon van Ahíkam, zeide tot Jóhanan, den zoon van Karéah: Doe deze zaak niet, want gij spreekt vals van Ismaël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="41">
				<verse number="1">Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethánja, den zoon van Elísama, van koninklijken zade, en de oversten des konings, te weten tien mannen, met hem kwamen tot Gedália, den zoon van Ahíkam, te Mizpa; en zij aten aldaar brood te zamen, te Mizpa.</verse>
				<verse number="2">En Ismaël, de zoon van Nethánja, maakte zich op, mitsgaders de tien mannen, die met hem waren, en zij sloegen Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, met het zwaard; alzo doodde hij hem, dien de koning van Babel over het land gesteld had.</verse>
				<verse number="3">Ook sloeg Ismaël al de Joden, die met hem, namelijk met Gedália, te Mizpa waren, en de Chaldeeën, de krijgslieden, die aldaar gevonden werden.</verse>
				<verse number="4">Het geschiedde nu op den tweeden dag, nadat hij Gedália gedood had, en niemand het wist;</verse>
				<verse number="5">Zo kwamen er lieden van Sichem, van Silo, en van Samária, tachtig man, hebbende den baard afgeschoren, en de klederen gescheurd, en zichzelven gesneden; en spijsoffer en wierook waren in hun hand, om ten huize des HEEREN te brengen.</verse>
				<verse number="6">En Ismaël, de zoon van Nethánja, ging uit van Mizpa hun tegemoet, al gaande en wenende; en het geschiedde, als hij hen aantrof dat hij zeide: Komt tot Gedália, den zoon van Ahíkam!</verse>
				<verse number="7">Maar het geschiedde, als zij in het midden der stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethánja, hen keelde, en wierp hen in het midden des kuils, hij en de mannen, die met hem waren.</verse>
				<verse number="8">Doch onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honig. Zo liet hij af, en doodde ze niet in het midden hunner broederen.</verse>
				<verse number="9">De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen der mannen, die hij aan de zijde van Gedália geslagen had, henenwierp, is dezelfde, dien de koning Asa maakte vanwege Báësa, den koning Israëls; dezen vulde Ismaël, de zoon van Nethánja, met de verslagenen.</verse>
				<verse number="10">En Ismaël voerde het ganse overblijfsel des volks, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten des konings dochteren, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzáradan, de overste der trawanten, aan Gedália, den zoon van Ahíkam, bevolen had; Ismaël dan, den zoon van Nethánja, voerde ze gevankelijk weg, en toog henen, om over te gaan tot de kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="11">Toen nu Jóhanan, de zoon van Karéah, en al de oversten der heiren, die met hem waren, al het kwaad hoorden, dat Ismaël, de zoon van Nethánja, gedaan had;</verse>
				<verse number="12">Zo namen zij al de mannen, en togen henen, om met Ismaël, den zoon van Nethánja, te strijden; en zij vonden hem aan het grote water, dat bij Gíbeon is.</verse>
				<verse number="13">En het geschiedde, als al het volk, dat met Ismaël was, Jóhanan zag, den zoon van Karéah, en al de oversten der heiren, die met hem waren, zo werden zij verblijd.</verse>
				<verse number="14">En al het volk, dat Ismaël van Mizpa gevankelijk had weggevoerd, wendde zich om; en zij keerden zich en gingen over tot Jóhanan, den zoon van Karéah.</verse>
				<verse number="15">Doch Ismaël, de zoon van Nethánja, ontkwam van Jóhanans aangezicht, met acht mannen, en hij toog tot de kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="16">Toen nam Jóhanan, de zoon van Karéah, mitsgaders al de oversten der heiren, die met hem waren, het ganse overblijfsel des volks, dat hij wedergebracht had van Ismaël, den zoon van Nethánja, van Mizpa, (nadat hij Gedália, den zoon van Ahíkam, geslagen had) te weten de mannen, die krijgslieden waren, en de vrouwen, en kinderkens, en kamerlingen, die hij van Gíbeon had wedergebracht;</verse>
				<verse number="17">En zij togen henen, en sloegen zich neder te Geruth-Chimham, dat bij Bethlehem is, om voort te trekken, dat zij in Egypte kwamen.</verse>
				<verse number="18">Voor het aangezicht der Chaldeeën; want zij vreesden voor hunlieder aangezicht, omdat Ismaël, de zoon van Nethánja, Gedália, den zoon van Ahíkam, geslagen had, dien de koning van Babel over het land gesteld had.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="42">
				<verse number="1">Toen traden toe alle oversten der heiren, Jóhanan, de zoon van Karéah, en Jezánja, de zoon van Hosája, en al het volk, van den kleinste tot den grootste toe;</verse>
				<verse number="2">En zij zeiden tot den profeet Jeremía: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot den HEERE, uw God, voor dit ganse overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;</verse>
				<verse number="3">Dat ons de HEERE, uw God, bekend make den weg, dien wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen.</verse>
				<verse number="4">En de profeet Jeremía zeide tot hen: Ik heb het gehoord; ziet, ik zal tot den HEERE, uw God, bidden naar uw woorden; en het zal geschieden, het ganse woord, dat de HEERE u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet een woord onthouden.</verse>
				<verse number="5">Toen zeiden zij tot Jeremía: De HEERE zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord, met hetwelk u de HEERE, uw God, tot ons zal zenden, alzo zullen doen!</verse>
				<verse number="6">Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des HEEREN, onzes Gods, tot Welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; opdat het ons welga, wanneer wij der stem des HEEREN, onzes Gods, zullen gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="7">En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des HEEREN woord tot Jeremía geschiedde.</verse>
				<verse number="8">Toen riep hij Jóhanan, den zoon van Karéah, en alle oversten der heiren, die met hem waren, en al het volk, van den kleinste af tot den grootste toe;</verse>
				<verse number="9">En hij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls, tot Welken gij mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:</verse>
				<verse number="10">Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb berouw over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb.</verse>
				<verse number="11">Vreest niet voor het aangezicht des konings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de HEERE; want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijn hand te redden.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme, en u weder in uw land brenge.</verse>
				<verse number="13">Maar zo gijlieden zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zijt,</verse>
				<verse number="14">Zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geen krijg zullen zien, noch het geluid der bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven;</verse>
				<verse number="15">Nu dan, daarom hoort des HEEREN woord, gij overblijfsel van Juda! Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Indien gij ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult henen ingaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren;</verse>
				<verse number="16">Zo zal het geschieden, dat het zwaard, waar gij voor vreest, u aldaar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar gij voor zorgt, zal u aldaar in Egypte achter aankleven, en gij zult aldaar sterven.</verse>
				<verse number="17">Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen.</verse>
				<verse number="18">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzo zal Mijn grimmigheid over ulieden uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.</verse>
				<verse number="19">De HEERE heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda! Gaat niet in Egypte; weet zekerlijk, dat ik heden tegen u betuigd heb.</verse>
				<verse number="20">Gewisselijk, gij hebt uw zielen verleid; want gij hebt mij tot den HEERE, uw God, gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den HEERE, onzen God, en naar alles, wat de HEERE, onze God, zal zeggen, alzo maak het ons bekend, en wij zullen het doen.</verse>
				<verse number="21">Nu heb ik het u heden bekend gemaakt; maar gij hebt niet gehoord naar de stem des HEEREN, uws Gods, noch naar al hetgeen, met hetwelk Hij mij tot u gezonden heeft.</verse>
				<verse number="22">Zo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft henen te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="43">
				<verse number="1">En het geschiedde, als Jeremía geëindigd had tot het ganse volk te spreken al de woorden des HEEREN, huns Gods, met dewelke hem de HEERE, hun God, tot hen gezonden had, te weten al die woorden,</verse>
				<verse number="2">Zo sprak Azaría, de zoon van Hosája, en Jóhanan, de zoon van Karéah, en al de trotse mannen, zeggende tot Jeremía: Gij spreekt leugen; de HEERE, onze God, heeft u niet gezonden, om te zeggen: Gijlieden zult niet gaan in Egypte, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.</verse>
				<verse number="3">Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst u tegen ons op, opdat hij ons overgeve in de hand der Chaldeeën, dat zij ons doden en ons gevankelijk naar Babel wegvoeren.</verse>
				<verse number="4">Alzo gehoorzaamde Jóhanan, de zoon van Karéah, en al de oversten der heiren, en al het volk, der stem des HEEREN niet, om in het land van Juda te blijven.</verse>
				<verse number="5">Maar Jóhanan, de zoon van Karéah, en al de oversten der heiren namen het ganse overblijfsel van Juda, die van al de heidenen, waar zij waren henengedreven, wedergekeerd waren, om in het land van Juda te wonen;</verse>
				<verse number="6">De mannen, en de vrouwen, en de kinderkens, en des konings dochteren, en alle ziel, die Nebuzáradan, de overste der trawanten, bij Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, gelaten had, ook den profeet Jeremía, en Baruch, den zoon van Nerija;</verse>
				<verse number="7">En zij togen in Egypteland, want zij waren der stem des HEEREN niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.</verse>
				<verse number="8">Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía te Tachpanhes, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Neem grote stenen in uw hand, en verberg ze in de klei in den ticheloven, die bij de deur van Faraö's huis te Tachpanhes is, voor de ogen der Joodse mannen;</verse>
				<verse number="10">En zeg tot hen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal henenzenden, en Nebukadrézar, den koning van Babel, Mijn knecht, halen, en Ik zal zijn troon zetten boven op deze stenen, die Ik verborgen heb; en hij zal zijn schone tent daarover spannen.</verse>
				<verse number="11">En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal een vuur aansteken in de huizen der goden van Egypte, en hij zal ze verbranden, en gevankelijk wegvoeren; en hij zal Egypteland aantrekken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede.</verse>
				<verse number="13">En hij zal de opgerichte beelden van Beth-Sémes, hetwelk in Egypteland is, verbreken; en hij zal de huizen der goden van Egypte met vuur verbranden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="44">
				<verse number="1">Het woord, dat tot Jeremía geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid te deze dage, en niemand woont daarin;</verse>
				<verse number="3">Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, gij, noch uw vaders.</verse>
				<verse number="4">En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.</verse>
				<verse number="5">Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij anderen goden niet roken.</verse>
				<verse number="6">Daarom is Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.</verse>
				<verse number="7">En nu, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israëls: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat?</verse>
				<verse number="8">Tergende Mij door de werken uwer handen, rokende anderen goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat gij uzelven uitroeit, en opdat gij wordt tot een vloek, en tot een smaadheid onder alle volken der aarde?</verse>
				<verse number="9">Hebt gij vergeten de boosheden uwer vaderen, en de boosheden der koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem?</verse>
				<verse number="10">Zij zijn tot op dezen dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht uwer vaderen gegeven heb.</verse>
				<verse number="11">Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade, en om gans Juda uit te roeien.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot den grootste toe; door het zwaard en door den honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaadheid.</verse>
				<verse number="13">Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie;</verse>
				<verse number="14">Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weder te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weder te keren, om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeren, behalve die ontkomen zullen.</verse>
				<verse number="15">Toen antwoordden aan Jeremía al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, mitsgaders al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Aangaande het woord, dat gij tot ons in des HEEREN Naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen.</verse>
				<verse number="17">Maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rokende aan Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.</verse>
				<verse number="18">Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melécheth des hemels te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd.</verse>
				<verse number="19">Ook wanneer wij aan Melécheth des hemels roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?</verse>
				<verse number="20">Toen sprak Jeremía tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem zulks geantwoord hadden, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Het roken, dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en het volk des lands, heeft de HEERE daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen?</verse>
				<verse number="22">Zodat het de HEERE niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, vanwege de gruwelen, die gij deedt; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage;</verse>
				<verse number="23">Vanwege dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen den HEERE gezondigd hebt, en des HEEREN stem niet gehoorzaam zijt geweest, en in Zijn wet en in Zijn inzettingen, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.</verse>
				<verse number="24">Voorts zeide Jeremía tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland zijt!</verse>
				<verse number="25">Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.</verse>
				<verse number="26">Daarom hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij Mijn groten Naam, zegt de HEERE, zo Mijn Naam met den mond van enig man van Juda in gans Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zo waarachtig als de Heere HEERE leeft!</verse>
				<verse number="27">Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn.</verse>
				<verse number="28">Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het ganse overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.</verse>
				<verse number="29">En dit zal ulieden het teken zijn, spreekt de HEERE, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat gij weet, dat Mijn woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade;</verse>
				<verse number="30">Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal Faraö Hofra, den koning van Egypte, geven in de hand zijner vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekía, den koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="45">
				<verse number="1">Het woord, dat de profeet Jeremía gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Nerija, als hij die woorden uit den mond van Jeremía in een boek schreef, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Alzo zegt de HEERE, de God Israëls, van u, o Baruch!</verse>
				<verse number="3">Gij zegt: Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geen rust!</verse>
				<verse number="4">Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land.</verse>
				<verse number="5">En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de HEERE; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henentrekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="46">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremía geschied is tegen de heidenen.</verse>
				<verse number="2">Tegen Egypte; tegen het heir van Faraö Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="3">Rust het schild en de rondas toe, en nadert tot den strijd!</verse>
				<verse number="4">Spant de paarden aan en klimt op, gij ruiters! en stelt u met helmen; vaagt de spiesen, trekt de pantsiers aan!</verse>
				<verse number="5">Waarom zie Ik, dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen, en nemen de vlucht, en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="6">De snelle ontvliede niet, en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen.</verse>
				<verse number="7">Wie is deze, die optrekt als een stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren?</verse>
				<verse number="8">Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, en die daarin wonen, verderven.</verse>
				<verse number="9">Trekt op, gij paarden! en raast, gij wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteeërs, die het schild handelen, en de Lydiërs, die den boog handelen en spannen.</verse>
				<verse number="10">Maar deze dag is des Heeren, des HEEREN der heirscharen, een dag der wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heere, HEERE der heirscharen, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath.</verse>
				<verse number="11">Ga henen op naar Gilead, en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt gij de medicijnen, er is geen heling voor u.</verse>
				<verse number="12">De volken hebben uw schande gehoord, en het land is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestoten, held tegen held, zij zijn beiden te zamen gevallen.</verse>
				<verse number="13">Het woord, dat de HEERE tot den profeet Jeremía sprak, van de aankomst van Nebukadrézar, den koning van Babel, om Egypteland te slaan.</verse>
				<verse number="14">Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stel er u naar, en maak u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is.</verse>
				<verse number="15">Waarom zijn uw sterken weggeveegd? Zij stonden niet, omdat hen de HEERE voortdreef.</verse>
				<verse number="16">Hij maakte der struikelenden veel; ja, de een viel op den ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard.</verse>
				<verse number="17">Daar riepen zij: Faraö, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan.</verse>
				<verse number="18">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen!</verse>
				<verse number="19">Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij inwoneres, gij dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in wone.</verse>
				<verse number="20">Egypte is een zeer schone vaarze; de slachter komt, hij komt van het noorden.</verse>
				<verse number="21">Zelfs haar gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking.</verse>
				<verse number="22">Haar stem zal gaan als van een slang; want zij zullen met krijgsmacht daarhenen trekken, en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers.</verse>
				<verse number="23">Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt de HEERE, hoewel het niet is te onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan.</verse>
				<verse number="24">De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand des volks van het noorden.</verse>
				<verse number="25">De HEERE der heirscharen, de God Israëls, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Faraö, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Faraö, en over degenen, die op hem vertrouwen.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal hen geven in de hand dergenen, die hunlieder ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="27">Maar gij, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.</verse>
				<verse number="28">Gij dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt de HEERE; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, doch met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="47">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremía geschiedde, tegen de Filistijnen; eer dat Faraö Gaza sloeg.</verse>
				<verse number="2">Zo zegt de HEERE: Ziet, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid van hetzelve, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners des lands zullen huilen;</verse>
				<verse number="3">Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid der handen;</verse>
				<verse number="4">Vanwege den dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want de HEERE zal de Filistijnen, het overblijfsel des eilands van Kafthor, verstoren.</verse>
				<verse number="5">Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult gij uzelven insnijdingen maken?</verse>
				<verse number="6">O wee, gij zwaard des HEEREN! Hoe lang zult gij niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil!</verse>
				<verse number="7">Hoe zoudt gij stil houden? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="48">
				<verse number="1">Tegen Moab zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, alzo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjatháïm is beschaamd, zij is ingenomen; de stad des hogen vertreks is beschaamd en verschrikt.</verse>
				<verse number="2">Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan.</verse>
				<verse number="3">Er is een stem des gekrijts van Horonáïm; verstoring en een grote breuk!</verse>
				<verse number="4">Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen.</verse>
				<verse number="5">Want in den opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonáïm hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord.</verse>
				<verse number="6">Vlucht, redt ulieder ziel! en wordt als de heide in de woestijn;</verse>
				<verse number="7">Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult gij ook ingenomen worden; en Kamos zal henen uitgaan in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.</verse>
				<verse number="8">Want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet één stad ontkomen zal; en het dal zal verderven, en het effen veld verdelgd worden; want de HEERE heeft het gezegd.</verse>
				<verse number="9">Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand in dezelve wone.</verse>
				<verse number="10">Vervloekt zij, die des HEEREN werk bedriegelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt!</verse>
				<verse number="11">Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.</verse>
				<verse number="12">Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.</verse>
				<verse number="13">En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen.</verse>
				<verse number="14">Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde?</verse>
				<verse number="15">Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="16">Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zeer.</verse>
				<verse number="17">Beklaagt hem, gij allen, die rondom hem zijt, en allen, die zijn naam kent; zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken?</verse>
				<verse number="18">Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven.</verse>
				<verse number="19">Sta aan den weg, en zie toe, gij inwoneres van Aróër! Vraag den vluchtenden man en de ontkomene vrouw; zeg: Wat is er geschied?</verse>
				<verse number="20">Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt! verkondigt te Arnon, dat Moab verstoord is.</verse>
				<verse number="21">En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Méfaäth.</verse>
				<verse number="22">En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblatháïm,</verse>
				<verse number="23">En over Kirjatháïm, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,</verse>
				<verse number="24">En over Keriôth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.</verse>
				<verse number="25">Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="26">Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.</verse>
				<verse number="27">Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?</verse>
				<verse number="28">Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.</verse>
				<verse number="29">Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogheid.</verse>
				<verse number="30">Ik ken zijn verbolgenheid, spreekt de HEERE, maar niet alzo; zijn grendelen doen het zo niet.</verse>
				<verse number="31">Daarom zal ik over Moab huilen, ja, om gans Moab zal ik krijten; over de lieden van Kir-heres zal men zuchten.</verse>
				<verse number="32">Boven het geween van Jáëzer zal ik u bewenen, gij wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jáëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;</verse>
				<verse number="33">Zodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn.</verse>
				<verse number="34">Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleále toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonáïm, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.</verse>
				<verse number="35">En Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de HEERE, dien die op de hoogte offert, en die zijn goden rookt.</verse>
				<verse number="36">Daarom zal mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal mijn hart over de lieden van Kir-heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is.</verse>
				<verse number="37">Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak.</verse>
				<verse number="38">Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal misbaar; want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geen lust aan heeft, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="39">Hoe is hij verslagen! zij huilen; hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! Alzo zal Moab allen, die rondom hem zijn, tot belaching en tot een ontzetting worden.</verse>
				<verse number="40">Want zo zegt de HEERE: Ziet, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.</verse>
				<verse number="41">Elk een der steden is gewonnen, en elk een der vastigheden is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen, als het hart ener vrouw, die in nood is.</verse>
				<verse number="42">Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE.</verse>
				<verse number="43">De vreze, en de kuil, en de strik, over u, gij inwoner van Moab! spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="44">Die van de vreze ontvliedt, zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="45">Die voor des vijands macht vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en den schedel der kinderen van het gedruis verteerd.</verse>
				<verse number="46">Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.</verse>
				<verse number="47">Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe is Moabs oordeel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="49">
				<verse number="1">Tegen de kinderen Ammons zegt de HEERE alzo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in deszelfs steden?</verse>
				<verse number="2">Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik over Rabba der kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen horen, en zij zal tot een woesten hoop worden, en haar onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="3">Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, gij dochteren van Rabba, gordt zakken aan, drijft misbaar, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.</verse>
				<verse number="4">Wat roemt gij op uw dalen? Uw dal is weggevloten, gij afkerige dochter! die op haar schatten vertrouwt, zeggende: Wie zou tegen mij komen?</verse>
				<verse number="5">Ziet, Ik zal vreze over u brengen, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen, van allen, die rondom u zijn, en gijlieden zult, een iegelijk voor zich henen, uitgedreven worden, en niemand zal den omdolende vergaderen.</verse>
				<verse number="6">Maar daarna zal Ik de gevangenis der kinderen Ammons wenden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="7">Tegen Edom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?</verse>
				<verse number="8">Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, den tijd, dat Ik hem bezocht heb.</verse>
				<verse number="9">Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg ware?</verse>
				<verse number="10">Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgene plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broeders, en zijn naburen, en hij is er niet meer.</verse>
				<verse number="11">Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.</verse>
				<verse number="12">Want zo zegt de HEERE: Ziet, degenen, welker oordeel het niet is den beker te drinken, zullen ganselijk drinken; en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganselijk drinken.</verse>
				<verse number="13">Want Ik heb bij Mijzelven gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden.</verse>
				<verse number="14">Ik heb een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.</verse>
				<verse number="15">Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen.</verse>
				<verse number="16">Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, gij, die woont in de kloven der steenrotsen, die u houdt op de hoogte der heuvelen! Al zoudt gij uw nest zo hoog maken als de arend, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="17">Alzo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.</verse>
				<verse number="18">Gelijk de omkering van Sódom en Gomórra en haar naburen, zal het zijn, zegt de HEERE; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.</verse>
				<verse number="19">Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?</verse>
				<verse number="20">Daarom hoort des HEEREN raadslag, dien Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Indien hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten!</verse>
				<verse number="21">De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, van het gekrijt, welks geluid gehoord is bij de Schelfzee.</verse>
				<verse number="22">Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een arend, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal te dien dage wezen, als het hart ener vrouw, die in nood is.</verse>
				<verse number="23">Tegen Damaskus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.</verse>
				<verse number="24">Damaskus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen;</verse>
				<verse number="25">Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad Mijner vrolijkheid!</verse>
				<verse number="26">Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten; en al haar krijgslieden zullen te dien dage nedergehouwen worden, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="27">En Ik zal een vuur aansteken in den muur van Damaskus, en het zal Benhadads paleizen verteren.</verse>
				<verse number="28">Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrézar, de koning van Babel, sloeg, zegt de HEERE alzo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten.</verse>
				<verse number="29">Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kemelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom!</verse>
				<verse number="30">Vliedt, zwerft fluks henen weg, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Hazor! spreekt de HEERE; want Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen ulieden beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht.</verse>
				<verse number="31">Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt de HEERE; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen.</verse>
				<verse number="32">En hun kemelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="33">En Hazor zal worden tot een drakenwoning, een verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.</verse>
				<verse number="34">Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremía geschied is tegen Elam, in het begin des koninkrijks van Zedekía, den koning van Juda, zeggende:</verse>
				<verse number="35">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hunlieder geweld.</verse>
				<verse number="36">En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen.</verse>
				<verse number="37">En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht hunner vijanden, en voor het aangezicht dergenen, die hun ziel zoeken, en zal een kwaad over hen brengen, de hittigheid Mijns toorns, spreekt de HEERE; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.</verse>
				<verse number="38">En Ik zal Mijn troon in Elam stellen; en zal den koning en de vorsten van daar vernielen, spreekt de HEERE;</verse>
				<verse number="39">Maar het zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="50">
				<verse number="1">Het woord, dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeeën, door den dienst van den profeet Jeremía.</verse>
				<verse number="2">Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Meródach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd!</verse>
				<verse number="3">Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!</verse>
				<verse number="4">In dezelve dagen en ter zelver tijd, spreekt de HEERE, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij henengaan, en den HEERE, hun God, zoeken.</verse>
				<verse number="5">Zij zullen naar Sion vragen; op den weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en den HEERE toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten.</verse>
				<verse number="6">Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.</verse>
				<verse number="7">Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den HEERE, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen den HEERE, de Verwachting hunner vaderen.</verse>
				<verse number="8">Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit der Chaldeeën land; en weest als de bokken voor de kudde henen.</verse>
				<verse number="9">Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal ledig wederkeren.</verse>
				<verse number="10">En Chaldéa zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="11">Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde hebt opgesprongen, gij plunderaars Mijner erfenis! omdat gij geil geworden zijt als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden;</verse>
				<verse number="12">Zo is uw moeder zeer beschaamd; die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; ziet, zij is geworden de achterste der heidenen, een woestijn, dorheid en wildernis.</verse>
				<verse number="13">Vanwege de verbolgenheid des HEEREN zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.</verse>
				<verse number="14">Rust u tegen Babel rondom, gij allen, die den boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen den HEERE gezondigd.</verse>
				<verse number="15">Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is des HEEREN wraak, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft!</verse>
				<verse number="16">Roeit uit van Babel den zaaier, en dien, die de sikkel handelt in den oogsttijd; laat hen vanwege het verdrukkende zwaard, zich keren, een iegelijk tot zijn volk, en vlieden, een iegelijk naar zijn land.</verse>
				<verse number="17">Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld.</verse>
				<verse number="18">Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal bezoeking doen over den koning van Babel en over zijn land, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over den koning van Assur.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal Israël weder tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op den Karmel en op den Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden.</verse>
				<verse number="20">In die dagen en te dier tijd, spreekt de HEERE, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.</verse>
				<verse number="21">Tegen het land Meratháïm, trek tegen hetzelve op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt de HEERE, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.</verse>
				<verse number="22">Er is een krijgsgeschrei in het land, en een grote breuk.</verse>
				<verse number="23">Hoe is de hamer der ganse aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen.</verse>
				<verse number="24">Ik heb u een strik gesteld, dies zijt gij ook gevangen, o Babel! dat gij het niet wist; gij zijt gevonden, en ook gegrepen, omdat gij u tegen den HEERE in strijd gemengd hebt.</verse>
				<verse number="25">De HEERE heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten Zijner gramschap voortgebracht; want dat is een werk van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het land der Chaldeeën.</verse>
				<verse number="26">Komt aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben.</verse>
				<verse number="27">Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking!</verse>
				<verse number="28">Er is een stem der gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak des HEEREN, onzes Gods, de wraak Zijns tempels.</verse>
				<verse number="29">Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den HEERE, tegen den Heilige Israëls.</verse>
				<verse number="30">Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten, en al haar krijgslieden te dien dage uitgeroeid worden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="31">Ziet, Ik wil aan u, gij trotse! spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal.</verse>
				<verse number="32">Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren.</verse>
				<verse number="33">Zo zegt de HEERE der heirscharen: De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn te zamen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten.</verse>
				<verse number="34">Maar hun Verlosser is sterk, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; Hij zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere.</verse>
				<verse number="35">Het zwaard zal zijn over de Chaldeeën, spreekt de HEERE; en over de inwoners van Babel, en over haar vorsten, en over haar wijzen.</verse>
				<verse number="36">Het zwaard zal zijn over de leugenaars, dat zij zot worden; het zwaard zal zijn over haar helden, dat zij versagen;</verse>
				<verse number="37">Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagenen, en over den gansen gemengden hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot wijven worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden.</verse>
				<verse number="38">Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.</verse>
				<verse number="39">Daarom zo zullen de wilde dieren der woestijnen met de wilde dieren der eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="40">Gelijk God Sódom en Gomórra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt de HEERE, alzo zal niemand aldaar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren.</verse>
				<verse number="41">Ziet, daar komt een volk uit het noorden; en een grote natie, en geweldige koningen zullen van de zijden der aarde opgewekt worden.</verse>
				<verse number="42">Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel!</verse>
				<verse number="43">De koning van Babel heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.</verse>
				<verse number="44">Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?</verse>
				<verse number="45">Daarom hoort den raadslag des HEEREN, dien Hij over Babel heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over het land der Chaldeeën: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Zo hij de woning boven hen niet zal verwoesten!</verse>
				<verse number="46">De aarde is bevende geworden van het geluid der inneming van Babel, en het gekrijt is gehoord onder de volken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="51">
				<verse number="1">Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal een verdervenden wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan.</verse>
				<verse number="2">En Ik zal Babel wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij zullen ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn.</verse>
				<verse number="3">De schutter spanne zijn boog tegen dien, die spant, en tegen dien, die zich verheft in zijn pantsier; en verschoont haar jongelingen niet, verbant al haar heir;</verse>
				<verse number="4">Dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeeën, en de doorstokenen op haar straten.</verse>
				<verse number="5">Want Israël of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijn God, van den HEERE der heirscharen (hoewel hunlieder land vol van schuld is), van den Heilige Israëls.</verse>
				<verse number="6">Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd der wraak des HEEREN, Die haar de verdienste betaalt.</verse>
				<verse number="7">Babel was een gouden beker in de hand des HEEREN, die de ganse aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden.</verse>
				<verse number="8">Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.</verse>
				<verse number="9">Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat haar dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken.</verse>
				<verse number="10">De HEERE heeft onze gerechtigheden hervoor gebracht; komt en laat ons te Sion het werk des HEEREN, onzes Gods, vertellen!</verse>
				<verse number="11">Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de HEERE heeft den geest der koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN, de wraak Zijns tempels.</verse>
				<verse number="12">Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen; want gelijk de HEERE heeft voorgenomen, alzo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.</verse>
				<verse number="13">Gij, die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten! uw einde is gekomen, de maat uwer gierigheid.</verse>
				<verse number="14">De HEERE der heirscharen heeft gezworen bij Zijn ziel: Ofschoon Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkander een vreugdegeschrei over u toeroepen!</verse>
				<verse number="15">Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;</verse>
				<verse number="16">Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.</verse>
				<verse number="17">Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.</verse>
				<verse number="18">IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.</verse>
				<verse number="19">Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="20">Gij zijt Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven.</verse>
				<verse number="21">En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijn ruiter.</verse>
				<verse number="22">En door u zal Ik in stukken slaan den man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw.</verse>
				<verse number="23">En door u zal Ik in stukken slaan den herder en zijn kudde; en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en zijn juk ossen; en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden.</verse>
				<verse number="24">Maar Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldéa vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder ogen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="25">Ziet, Ik wil aan u, gij verdervende berg! spreekt de HEERE, gij, die de ganse aarde verderft, en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg des brands.</verse>
				<verse number="26">En zij zullen uit u geen steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fondamenten; want gij zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="27">Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!</verse>
				<verse number="28">Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het ganse land harer heerschappij.</verse>
				<verse number="29">Dan zal het land beven en pijn lijden; want elk een van des HEEREN gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij.</verse>
				<verse number="30">Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken.</verse>
				<verse number="31">De loper zal den loper tegemoet lopen, en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen;</verse>
				<verse number="32">En dat de veren ingenomen, en de rietpoelen met vuur verbrand zijn; en dat de krijgslieden verbaasd zijn.</verse>
				<verse number="33">Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen.</verse>
				<verse number="34">Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.</verse>
				<verse number="35">Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldéa! zegge Jeruzalem.</verse>
				<verse number="36">Daarom, zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.</verse>
				<verse number="37">En Babel zal worden tot steen hopen, een woning der draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.</verse>
				<verse number="38">Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen, briesen als leeuwenwelpen.</verse>
				<verse number="39">Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="40">Ik zal hen afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken.</verse>
				<verse number="41">Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem der ganse aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen!</verse>
				<verse number="42">Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt.</verse>
				<verse number="43">Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat.</verse>
				<verse number="44">En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.</verse>
				<verse number="45">Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijn ziel, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.</verse>
				<verse number="46">En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer.</verse>
				<verse number="47">Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel; en haar ganse land zal beschaamd worden, en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen.</verse>
				<verse number="48">En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="49">Gelijk Babel geweest is tot een val der verslagenen van Israël, alzo zullen te Babel de verslagenen des gansen lands vallen.</verse>
				<verse number="50">Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenkt des HEEREN van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen.</verse>
				<verse number="51">Gij moogt zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat uitlandsen over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn;</verse>
				<verse number="52">Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking doen zal over haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal kermen in haar ganse land.</verse>
				<verse number="53">Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="54">Er is een stem des gekrijts uit Babel, en een grote breuk uit het land der Chaldeeën.</verse>
				<verse number="55">Want de HEERE verstoort Babel, en zal de grootse stem uit haar doen vergaan; want hunlieder golven zullen bruisen als grote wateren; het geruis van hunlieder geluid zal zich verheffen.</verse>
				<verse number="56">Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hunlieder bogen zijn verbroken; want de HEERE, de God der vergelding, zal hun zekerlijk betalen.</verse>
				<verse number="57">En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="58">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Die brede muur van Babel zal ten enemale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat worden.</verse>
				<verse number="59">Het woord, dat de profeet Jeremía beval aan Serája, den zoon van Nerija, den zoon van Machséja, als hij van Zedekía, den koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar zijner regering; en Serája was een vreemdzaam vorst.</verse>
				<verse number="60">Jeremía nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een boek, te weten al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn.</verse>
				<verse number="61">En Jeremía zeide tot Serája: Als gij te Babel komt, zo zult gij zien en lezen al deze woorden;</verse>
				<verse number="62">En gij zult zeggen: O HEERE, Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden.</verse>
				<verse number="63">En het zal geschieden, als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath;</verse>
				<verse number="64">En zult zeggen: Alzo zal Babel zinken, en niet weder opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremía.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="52">
				<verse number="1">Zedekía was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamûtal, een dochter van Jeremía, van Libna.</verse>
				<verse number="2">En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jójakim gedaan had.</verse>
				<verse number="3">Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekía rebelleerde tegen den koning van Babel.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.</verse>
				<verse number="5">Alzo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekía.</verse>
				<verse number="6">In de vierde maand, op den negenden der maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had;</verse>
				<verse number="7">Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit des nachts, uit de stad, door den weg der poort tussen de twee muren, die aan des konings hof waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door den weg des vlakken velds.</verse>
				<verse number="8">Doch het heir der Chaldeeën jaagde den koning na, en zij achterhaalden Zedekía in de vlakke velden van Jericho; en al zijn heir werd van bij hem verstrooid.</verse>
				<verse number="9">Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem.</verse>
				<verse number="10">En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekía voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla.</verse>
				<verse number="11">En hij verblindde de ogen van Zedekía, en hij bond hem met twee koperen ketenen; alzo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot den dag zijns doods toe.</verse>
				<verse number="12">Daarna, in de vijfde maand, op den tienden der maand (dit jaar was het negentiende jaar van den koning Nebukadrézar, den koning van Babel), als Nebuzáradan, de overste der trawanten, die voor het aangezicht des konings van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was;</verse>
				<verse number="13">Zo verbrandde hij het huis des HEEREN en het huis des konings; mitsgaders alle huizen van Jeruzalem en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur.</verse>
				<verse number="14">En het ganse heir der Chaldeeën, dat met den overste der trawanten was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af.</verse>
				<verse number="15">Van de armsten nu des volks en het overige des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.</verse>
				<verse number="16">Maar van de armsten des lands liet Nebuzáradan, de overste der trawanten, enigen over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.</verse>
				<verse number="17">Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis des HEEREN waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis des HEEREN was; en zij voerden al het koper daarvan naar Babel.</verse>
				<verse number="18">Ook namen zij de potten en de schoffelen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en al de koperen vaten, waar men den dienst mede deed.</verse>
				<verse number="19">En de overste der trawanten nam weg de schalen, en de wierookvaten, en de sprengbekkens, en de potten, en de kandelaars, en de rookschalen, en de kroezen; wat geheel goud, en wat geheel zilver was.</verse>
				<verse number="20">De twee pilaren, de ene zee, en de twaalf koperen runderen, die in de plaats der stellingen waren, die de koning Sálomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper daarvan, te weten van al deze vaten, was zonder gewicht.</verse>
				<verse number="21">Aangaande de pilaren, achttien ellen was de hoogte eens pilaars, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingeren, en hij was hol.</verse>
				<verse number="22">En het kapiteel daarop was koper, en de hoogte des enen kapiteels was vijf ellen, en een net, en granaatappelen op het kapiteel rondom, alles koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met granaatappelen.</verse>
				<verse number="23">En de granaatappelen waren zes en negentig, gezet naar den wind; alle granaatappelen waren honderd, over het net rondom.</verse>
				<verse number="24">Ook nam de overste der trawanten Serája, den hoofdpriester, en Zefánja, den tweeden priester, en de drie dorpelbewaarders.</verse>
				<verse number="25">En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in het midden der stad gevonden werden.</verse>
				<verse number="26">Als Nebuzáradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot den koning van Babel naar Ribla.</verse>
				<verse number="27">En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.</verse>
				<verse number="28">Dit is het volk, dat Nebukadrézar gevankelijk heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden;</verse>
				<verse number="29">In het achttiende jaar van Nebukadrézar, voerde hij gevankelijk weg achthonderd twee en dertig zielen uit Jeruzalem;</verse>
				<verse number="30">In het drie en twintigste jaar van Nebukadrézar voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd.</verse>
				<verse number="31">Het geschiedde daarna, in het zeven en dertigste jaar der gevankelijke wegvoering van Jójachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den vijf en twintigsten der maand, dat Evilmeródach, de koning van Babel, in het eerste jaar zijns koninkrijks, het hoofd van Jójachin, den koning van Juda, verhief, en hem uit het gevangenhuis uitbracht.</verse>
				<verse number="32">En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren.</verse>
				<verse number="33">En hij veranderde de klederen zijner gevangenis; en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.</verse>
				<verse number="34">En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, tot op den dag zijns doods, al de dagen zijns levens.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="25">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden.</verse>
				<verse number="2">Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden.</verse>
				<verse number="3">Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten.</verse>
				<verse number="4">De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid.</verse>
				<verse number="5">Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders.</verse>
				<verse number="6">Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers.</verse>
				<verse number="7">Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij geen helper heeft; de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.</verse>
				<verse number="8">Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.</verse>
				<verse number="9">Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot.</verse>
				<verse number="10">De tegenpartijder heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden hadt, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden.</verse>
				<verse number="11">Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.</verse>
				<verse number="12">Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns.</verse>
				<verse number="13">Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.</verse>
				<verse number="14">Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de Heere heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.</verse>
				<verse number="15">Samech. De Heere heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heere heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, aangetreden.</verse>
				<verse number="16">Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de Trooster, Die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.</verse>
				<verse number="17">Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen.</verse>
				<verse number="18">De HEERE is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn in de gevangenis gegaan.</verse>
				<verse number="19">Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken.</verse>
				<verse number="20">Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.</verse>
				<verse number="21">Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.</verse>
				<verse number="22">Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israël van den hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns.</verse>
				<verse number="2">De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontheiligd.</verse>
				<verse number="3">Hij heeft, in ontsteking des toorns, den gehelen hoorn Israëls afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.</verse>
				<verse number="4">Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der ogen; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur.</verse>
				<verse number="5">De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israël verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft deszelfs vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.</verse>
				<verse number="6">Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen.</verse>
				<verse number="7">De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, Hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het huis des HEEREN een stem verheven als op den dag eens gezetten hoogtijds.</verse>
				<verse number="8">Cheth. De HEERE heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt.</verse>
				<verse number="9">Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van den HEERE.</verse>
				<verse number="10">De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.</verse>
				<verse number="11">Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk der dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken;</verse>
				<verse number="12">Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot hunner moeders.</verse>
				<verse number="13">Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen?</verse>
				<verse number="14">Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen.</verse>
				<verse number="15">Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?</verse>
				<verse number="16">Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.</verse>
				<verse number="17">De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd.</verse>
				<verse number="18">Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op!</verse>
				<verse number="19">Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.</verse>
				<verse number="20">Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderkens, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden?</verse>
				<verse number="21">De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.</verse>
				<verse number="22">Gij hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan den dag des toorns des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.</verse>
				<verse number="2">Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.</verse>
				<verse number="3">Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.</verse>
				<verse number="4">Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.</verse>
				<verse number="5">Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.</verse>
				<verse number="6">Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.</verse>
				<verse number="7">Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.</verse>
				<verse number="8">Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.</verse>
				<verse number="9">Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.</verse>
				<verse number="10">Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.</verse>
				<verse number="11">Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.</verse>
				<verse number="12">Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.</verse>
				<verse number="13">Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.</verse>
				<verse number="14">Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.</verse>
				<verse number="15">Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.</verse>
				<verse number="16">Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.</verse>
				<verse number="17">Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.</verse>
				<verse number="18">Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.</verse>
				<verse number="19">Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.</verse>
				<verse number="20">Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.</verse>
				<verse number="21">Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;</verse>
				<verse number="22">Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;</verse>
				<verse number="23">Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.</verse>
				<verse number="24">Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.</verse>
				<verse number="25">De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.</verse>
				<verse number="26">Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.</verse>
				<verse number="27">Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.</verse>
				<verse number="28">Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.</verse>
				<verse number="29">Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.</verse>
				<verse number="30">Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.</verse>
				<verse number="31">Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="32">Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.</verse>
				<verse number="33">Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte.</verse>
				<verse number="34">Dat men al de gevangenen der aarde onder zijn voeten verbrijzelt;</verse>
				<verse number="35">Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;</verse>
				<verse number="36">Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?</verse>
				<verse number="37">Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?</verse>
				<verse number="38">Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?</verse>
				<verse number="39">Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.</verse>
				<verse number="40">Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.</verse>
				<verse number="41">Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:</verse>
				<verse number="42">Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.</verse>
				<verse number="43">Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood. Gij hebt niet verschoond.</verse>
				<verse number="44">Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.</verse>
				<verse number="45">Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.</verse>
				<verse number="46">Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.</verse>
				<verse number="47">Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.</verse>
				<verse number="48">Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.</verse>
				<verse number="49">Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;</verse>
				<verse number="50">Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie.</verse>
				<verse number="51">Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.</verse>
				<verse number="52">Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.</verse>
				<verse number="53">Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.</verse>
				<verse number="54">De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!</verse>
				<verse number="55">HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.</verse>
				<verse number="56">Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.</verse>
				<verse number="57">Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!</verse>
				<verse number="58">Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.</verse>
				<verse number="59">HEERE! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.</verse>
				<verse number="60">Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.</verse>
				<verse number="61">HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;</verse>
				<verse number="62">De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.</verse>
				<verse number="63">Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.</verse>
				<verse number="64">HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.</verse>
				<verse number="65">Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!</verse>
				<verse number="66">Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen!</verse>
				<verse number="2">De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers!</verse>
				<verse number="3">Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hun welpen; maar de dochter mijns volks is als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.</verse>
				<verse number="4">De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt.</verse>
				<verse number="5">Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen den drek.</verse>
				<verse number="6">Vau. En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonden van Sódom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar.</verse>
				<verse number="7">Haar bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier.</verse>
				<verse number="8">Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.</verse>
				<verse number="9">De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger; want die vlieten daarhenen, als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten der velden zijn.</verse>
				<verse number="10">De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de verbreking der dochter mijns volks.</verse>
				<verse number="11">De HEERE heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft de hittigheid Zijns toorns uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, hetwelk haar fondamenten verteerd heeft.</verse>
				<verse number="12">De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners der wereld, dat de tegenpartijder en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan.</verse>
				<verse number="13">Mem. Het is vanwege de zonden harer profeten, en de misdaden harer priesteren, die in het midden van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben.</verse>
				<verse number="14">Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zodat men niet kon zijn, of men raakte hun klederen aan.</verse>
				<verse number="15">Samech. Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.</verse>
				<verse number="16">Pe. Des HEEREN aangezicht heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht der priesteren niet geëerd, zij hebben den ouden geen genade bewezen.</verse>
				<verse number="17">Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.</verse>
				<verse number="18">Zij hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen.</verse>
				<verse number="19">Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.</verse>
				<verse number="20">De adem onzer neuzen, de gezalfde des HEEREN, is gevangen in hun groeven; van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen!</verse>
				<verse number="21">Wees vrolijk, en verblijd u, gij dochter Edoms, die in het land Uz woont! doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden, en ontbloot worden.</verse>
				<verse number="22">Uw ongerechtigheid heeft een einde, o gij dochter Sions! Hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren; maar uw ongerechtigheid, o gij dochter Edoms! zal Hij bezoeken; Hij zal uw zonden ontdekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.</verse>
				<verse number="2">Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders.</verse>
				<verse number="3">Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.</verse>
				<verse number="4">Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.</verse>
				<verse number="5">Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.</verse>
				<verse number="6">Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyriër, om met brood verzadigd te worden.</verse>
				<verse number="7">Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.</verse>
				<verse number="8">Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.</verse>
				<verse number="9">Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.</verse>
				<verse number="10">Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.</verse>
				<verse number="11">Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.</verse>
				<verse number="12">De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geëerd geweest.</verse>
				<verse number="13">Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.</verse>
				<verse number="14">De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.</verse>
				<verse number="15">De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.</verse>
				<verse number="16">De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!</verse>
				<verse number="17">Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.</verse>
				<verse number="18">Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen.</verse>
				<verse number="19">Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="20">Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?</verse>
				<verse number="21">HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.</verse>
				<verse number="22">Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="26">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In het dertigste jaar, in de vierde maand, op den vijfden derzelve maand, als ik in het midden der weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten Gods zag.</verse>
				<verse number="2">Op den vijfden derzelve maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van den koning Jójachin),</verse>
				<verse number="3">Geschiedde het woord des HEEREN uitdrukkelijk tot Ezechiël, den zoon van Buzi, den priester, in het land der Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand des HEEREN was daar op hem.</verse>
				<verse number="4">Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.</verse>
				<verse number="5">En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;</verse>
				<verse number="6">En elkeen had vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen.</verse>
				<verse number="7">En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper.</verse>
				<verse number="8">En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen.</verse>
				<verse number="9">Hun vleugelen waren samengevoegd, de een aan den ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elkeen recht uit voor zijn aangezicht henen.</verse>
				<verse number="10">De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier eens arends aangezicht.</verse>
				<verse number="11">Ook waren hun aangezichten en hun vleugelen opwaarts verdeeld; elkeen had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen.</verse>
				<verse number="12">En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.</verse>
				<verse number="13">Aangaande de gelijkenis der dieren, hun gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; datzelve vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort.</verse>
				<verse number="14">De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht.</verse>
				<verse number="15">Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelve.</verse>
				<verse number="16">De gedaante der raderen en derzelver maaksel was als de verf van een turkoois; en die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad.</verse>
				<verse number="17">Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen.</verse>
				<verse number="18">En hun velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren vol ogen rondom aan die vier raderen.</verse>
				<verse number="19">Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven.</verse>
				<verse number="20">Waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de geest der dieren was in de raderen.</verse>
				<verse number="21">Als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de geest der dieren was in de raderen.</verse>
				<verse number="22">En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verf van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.</verse>
				<verse number="23">En onder dat uitspansel waren hun vleugelen rechtop, de een aan den ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze derwaarts bedekten.</verse>
				<verse number="24">En als zij gingen, hoorde ik een geruis hunner vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.</verse>
				<verse number="25">En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, hetwelk boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden.</verse>
				<verse number="26">En boven het uitspansel, hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.</verse>
				<verse number="27">En ik zag als de verf van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante Zijner lenden en opwaarts; en van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom.</verse>
				<verse number="28">Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.</verse>
				<verse number="2">Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Dien, Die tot mij sprak.</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op dezen zelven huidigen dag.</verse>
				<verse number="4">En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE!</verse>
				<verse number="5">En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een wederspannig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.</verse>
				<verse number="6">En gij, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.</verse>
				<verse number="7">Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn wederspannig.</verse>
				<verse number="8">Doch gij, mensenkind, hoor hetgeen Ik tot u spreek; wees gij niet wederspannig, gelijk dat wederspannig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef.</verse>
				<verse number="9">Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks.</verse>
				<verse number="10">En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Daarna zeide Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat gij vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis Israëls.</verse>
				<verse number="2">Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten.</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honig, vanwege de zoetigheid.</verse>
				<verse number="4">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga henen, kom tot het huis Israëls, en spreek tot hen met Mijn woorden.</verse>
				<verse number="5">Want gij zijt niet gezonden tot een volk, diep van spraak en zwaar van tong, maar tot het huis Israëls;</verse>
				<verse number="6">Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, welker woorden gij niet kunt verstaan; zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben?</verse>
				<verse number="7">Maar het huis Israëls wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het ganse huis Israëls is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij.</verse>
				<verse number="8">Ziet, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd.</verse>
				<verse number="9">Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een wederspannig huis zijn.</verse>
				<verse number="10">Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.</verse>
				<verse number="11">En ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.</verse>
				<verse number="12">Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid des HEEREN uit Zijn plaats!</verse>
				<verse number="13">En ik hoorde het geluid van der dieren vleugelen, die de een den ander raakten, en het geluid der raderen tegenover hen; en het geluid ener grote ruising.</verse>
				<verse number="14">Toen hief de Geest mij op, en nam mij weg, en ik ging henen, bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestes; maar de hand des HEEREN was sterk op mij.</verse>
				<verse number="15">En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-Abîb, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen.</verse>
				<verse number="16">Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.</verse>
				<verse number="18">Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.</verse>
				<verse number="19">Doch als gij den goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.</verse>
				<verse number="20">Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.</verse>
				<verse number="21">Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uw ziel bevrijd.</verse>
				<verse number="22">En de hand des HEEREN was daar op mij, en Hij zeide tot mij: Maak u op, ga uit in de vallei, en Ik zal daar met u spreken.</verse>
				<verse number="23">En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN stond aldaar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="24">Toen kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij, en Hij zeide tot mij: Ga, besluit u binnen in uw huis.</verse>
				<verse number="25">Want u aangaande, mensenkind, ziet, zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmede binden; daarom zult gij niet uitgaan in het midden van hen.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een wederspannig huis.</verse>
				<verse number="27">Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond opendoen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE, wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een wederspannig huis.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg dien voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.</verse>
				<verse number="3">Verder, neem gij u een ijzeren pan, en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israëls een teken.</verse>
				<verse number="4">Lig gij ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls, naar het getal der dagen, dat gij daarop zult liggen, zult gij hun ongerechtigheid dragen.</verse>
				<verse number="5">Want Ik heb u gegeven de jaren hunner ongerechtigheid, naar het getal der dagen, driehonderd en negentig dagen, dat gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult.</verse>
				<verse number="6">Als gij nu deze voleinden zult, lig ten anderen male neder op uw rechterzijde, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen; Ik heb u gegeven elken dag voor elk jaar.</verse>
				<verse number="7">Daarom zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn; en gij zult tegen haar profeteren.</verse>
				<verse number="8">En ziet, Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert van uw ene zijde tot uw andere zijde, totdat gij de dagen uwer belegering voleind hebt.</verse>
				<verse number="9">En neemt gij voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en gierst, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal der dagen, die gij op uw zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen, zult gij dat eten.</verse>
				<verse number="10">Uw spijze nu, die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags; van tijd tot tijd zult gij die eten.</verse>
				<verse number="11">Gij zult ook water naar zekere maat drinken, het zesde deel van een hin; van tijd tot tijd zult gij het drinken.</verse>
				<verse number="12">En gij zult een gerstekoek eten, en dien zult gij met drek van des mensen afgang bakken voor hun ogen.</verse>
				<verse number="13">En de HEERE zeide: Alzo zullen de kinderen Israëls hun brood onrein eten onder de heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide ik: Ach, Heere, HEERE, zie, mijn ziel is niet verontreinigd geweest; want ik heb, van mijn jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is, gegeten, en geen verfoeielijk vlees is in mijn mond gekomen.</verse>
				<verse number="15">En Hij zeide tot mij: Zie, Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek, zo zult gij uw brood daarmede bereiden.</verse>
				<verse number="16">Daarna zeide Hij tot mij: Gij mensenkind, zie, Ik breek den staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;</verse>
				<verse number="17">Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En gij, mensenkind, neem u een scherp mes, een scheermes der barbieren zult gij u nemen, hetwelk gij zult laten gaan over uw hoofd en over uw baard; daarna zult gij u een weegschaal nemen, en die haren delen.</verse>
				<verse number="2">Een derde deel zult gij in het midden der stad met vuur verbranden, naar dat de dagen der belegering vervuld worden; dan zult gij een derde deel nemen, slaande met een zwaard rondom hetzelve, en een derde deel zult gij in den wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.</verse>
				<verse number="3">Gij zult ook weinige in getal daarvan nemen, en in uw slippen binden.</verse>
				<verse number="4">En nog zult gij van die nemen, en die werpen in het midden des vuurs, en zult ze verbranden met vuur; daaruit zal voortkomen een vuur tegen het gehele huis van Israël.</verse>
				<verse number="5">Alzo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem, welke Ik in het midden der heidenen gezet heb, en landen rondom haar henen.</verse>
				<verse number="6">Doch zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid meer dan de heidenen, en Mijn inzettingen meer dan de landen, die rondom haar zijn; want zij hebben Mijn rechten verworpen, en in Mijn inzettingen hebben zij niet gewandeld.</verse>
				<verse number="7">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Dewijl gijlieden dies meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn inzettingen niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten der heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt;</verse>
				<verse number="8">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil aan u, ja Ik, want Ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van die heidenen.</verse>
				<verse number="9">En Ik zal onder u doen, hetgeen Ik niet gedaan heb, en desgelijks Ik voortaan niet doen zal, om al uwer gruwelen wil.</verse>
				<verse number="10">Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.</verse>
				<verse number="11">Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE (omdat gij Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet verschonen zal, en Ik ook niet zal sparen!</verse>
				<verse number="12">Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.</verse>
				<verse number="13">Alzo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.</verse>
				<verse number="14">Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de heidenen, die rondom u zijn, voor de ogen van al dengene, die voorbijgaat.</verse>
				<verse number="15">Zo zal de smaadheid en hoon een onderwijs en ontzetting den heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerichten in toorn, en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal; Ik, de HEERE, heb het gesproken!</verse>
				<verse number="16">Wanneer Ik de boze pijlen des hongers tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven; zo zal Ik den honger over u vermeerderen, en u den staf des broods breken.</verse>
				<verse number="17">Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, de HEERE, heb het gesproken!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelve;</verse>
				<verse number="3">En zeg: Gij bergen Israëls, hoort het woord des Heeren HEEREN! Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen: Ziet, Ik, Ik breng over u het zwaard, en Ik zal uw hoogten verderven.</verse>
				<verse number="4">Daartoe zullen uw altaren verwoest, en uw zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal uw verslagenen nedervellen voor het aangezicht uwer drekgoden.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal de dode lichamen der kinderen Israëls voor het aangezicht hunner drekgoden leggen, en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren strooien.</verse>
				<verse number="6">In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw drekgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgedelgd worden.</verse>
				<verse number="7">En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat gij weet, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="8">Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als gij enigen zult hebben, die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer gij in de landen zult verstrooid worden.</verse>
				<verse number="9">Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.</verse>
				<verse number="10">En zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben; Ik heb niet tevergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen.</verse>
				<verse number="11">Zo zegt de Heere HEERE: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen der boosheden van het huis Israëls; want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen.</verse>
				<verse number="12">Die verre af is, zal door de pest sterven, en die nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven; alzo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbrengen.</verse>
				<verse number="13">Dan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben, als hun verslagenen in het midden hunner drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hun drekgoden liefelijken reuk maakten.</verse>
				<verse number="14">Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath henen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Verder, gij mensenkind, zo zegt de Heere HEERE, van het land Israëls: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands.</verse>
				<verse number="3">Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.</verse>
				<verse number="4">En Mijn oog zal u niet verschonen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="5">Zo zegt de Heere HEERE: Een kwaad, een enig kwaad, ziet, is gekomen;</verse>
				<verse number="6">Een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is opgewaakt tegen u; ziet, het kwaad is gekomen!</verse>
				<verse number="7">De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands, de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en er is geen wederklank der bergen.</verse>
				<verse number="8">Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.</verse>
				<verse number="9">En Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben, Die slaat.</verse>
				<verse number="10">Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend.</verse>
				<verse number="11">Het geweld is opgerezen tot een roede der goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun gedruis, en geen klage zal over hen zijn.</verse>
				<verse number="12">De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blijde, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land.</verse>
				<verse number="13">Want de verkoper zal tot het verkochte niet wederkeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; overmits het gezicht, aangaande de gehele menigte van het land, niet zal terugkeren; en niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken.</verse>
				<verse number="14">Zij hebben met de trompet getrompet, en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de gehele menigte van het land.</verse>
				<verse number="15">Het zwaard is buiten, en de pest, en de honger van binnen; die op het veld is, zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal de honger en de pest verteren.</verse>
				<verse number="16">En hun ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven der dalen, kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="17">Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen henenvlieten als water.</verse>
				<verse number="18">Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.</verse>
				<verse number="19">Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des HEEREN; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot hunner ongerechtigheid zijn.</verse>
				<verse number="20">En Hij heeft de schoonheid Zijns sieraads ter overtreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden hunner gruwelen en hunner verfoeiselen gemaakt; daarom heb Ik dat hun tot onreinigheid gesteld.</verse>
				<verse number="21">En Ik zal het in de hand der vreemden overgeven ten roof, en den goddelozen der aarde ten buit, en zij zullen het ontheiligen.</verse>
				<verse number="22">Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen.</verse>
				<verse number="23">Maak een keten; want het land is vol van bloedgerichten, en de stad is vol van geweld.</verse>
				<verse number="24">Daarom zal Ik de kwaadste der heidenen doen komen, die hun huizen erfelijk bezitten zullen, en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden, en die hen heiligen, zullen ontheiligd worden.</verse>
				<verse number="25">De ondergang komt; en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn.</verse>
				<verse number="26">Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het gezicht van een profeet zoeken; maar de wet zal vergaan van den priester, en de raad van de oudsten.</verse>
				<verse number="27">De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk des lands zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op den vijfden der maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand des Heeren HEEREN daar over mij viel.</verse>
				<verse number="2">Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts was vuur; en van Zijn lenden en opwaarts, als de gedaante ener klaarheid, als de verf van Hasmal.</verse>
				<verse number="3">En Hij stak de gelijkenis ener hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt.</verse>
				<verse number="4">En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël was aldaar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.</verse>
				<verse number="5">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op naar den weg van het noorden; en ik hief mijn ogen op naar den weg van het noorden, en ziet, tegen het noorden aan de poort van het altaar was dit beeld der ijvering, in den ingang.</verse>
				<verse number="6">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ziet gij wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis Israëls hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Doch gij zult nog wederom grote gruwelen zien.</verse>
				<verse number="7">Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in den wand.</verse>
				<verse number="8">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en ziet, daar was een deur.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen.</verse>
				<verse number="10">Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeielijke beesten, en van alle drekgoden van het huis Israëls, geheel rondom aan den wand gemaald.</verse>
				<verse number="11">En zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israëls, met Jaäzánja, den zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk des reukwerks ging op.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis Israëls doen in de duisternis, een ieder in zijn gebeelde binnenkameren? want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.</verse>
				<verse number="13">En Hij zeide tot mij: Gij zult nog wederom grote gruwelen zien, die zij doen.</verse>
				<verse number="14">En Hij bracht mij tot de deur der poort van het huis des HEEREN, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, bewenende den Thammuz.</verse>
				<verse number="15">En Hij zeide tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Gij zult nog wederom grotere gruwelen zien dan deze.</verse>
				<verse number="16">En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis des HEEREN; en ziet, aan de deur van den tempel des HEEREN, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar den tempel des HEEREN, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon.</verse>
				<verse number="17">Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelen te doen, die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij te vertoornen; want zie, zij steken de wijnranken aan hun neus.</verse>
				<verse number="18">Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luider stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand.</verse>
				<verse number="2">En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.</verse>
				<verse number="3">En de heerlijkheid des Gods van Israël hief zich op van den cherub, waarop Hij was, tot den dorpel van het huis; en Hij riep tot den man, die met linnen bekleed was, die den schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.</verse>
				<verse number="5">Maar tot die anderen zeide Hij voor mijn oren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat, ulieder oog verschone niet, en spaart niet!</verse>
				<verse number="6">Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe; maar genaakt aan niemand, op denwelken het teken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren.</verse>
				<verse number="7">En Hij zeide tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen; gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad.</verse>
				<verse number="8">Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel van Israël verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?</verse>
				<verse number="9">Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is gans zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet.</verse>
				<verse number="10">Daarom ook, wat Mij aangaat, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.</verse>
				<verse number="11">En ziet, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lenden de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Daarna zag ik, en ziet, boven het uitspansel, hetwelk was over het hoofd der cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis eens troons; en Hij verscheen op dezelve.</verse>
				<verse number="2">En Hij sprak tot den man, bekleed met linnen, en Hij zeide: Ga in tot tussen de wielen, tot onder den cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen.</verse>
				<verse number="3">De cherubs nu stonden ter rechterzijde van het huis, als die man inging; en een wolk vervulde het binnenste voorhof.</verse>
				<verse number="4">Toen hief zich de heerlijkheid des HEEREN omhoog van boven den cherub, op den dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van den glans der heerlijkheid des HEEREN.</verse>
				<verse number="5">En het geruis van de vleugelen der cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem des almachtigen Gods, wanneer Hij spreekt.</verse>
				<verse number="6">Het geschiedde nu, als Hij den man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging en stond bij een rad.</verse>
				<verse number="7">Toen stak een cherub zijn hand uit van tussen de cherubs tot het vuur, hetwelk was tussen de cherubs, en nam daarvan, en gaf het in de vuisten desgenen, die met linnen bekleed was; die nam het, en ging uit.</verse>
				<verse number="8">Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens mensen hand onder hun vleugelen.</verse>
				<verse number="9">Toen zag ik, en ziet, vier raderen waren bij de cherubs; één rad was bij elken cherub; en de gedaante der raderen was als de verf van een turkoois-steen.</verse>
				<verse number="10">En aangaande hun gedaanten, die vier hadden enerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest één rad in het midden van een rad.</verse>
				<verse number="11">Als die gingen, zo gingen deze op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen; maar de plaats, waarheen het hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen.</verse>
				<verse number="12">Hun ganse lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.</verse>
				<verse number="13">Aangaande de raderen, elkeen derzelve werd voor mijn ogen genoemd Galgal.</verse>
				<verse number="14">En elkeen had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends.</verse>
				<verse number="15">En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had.</verse>
				<verse number="16">En als de cherubs gingen, zo gingen die raderen nevens dezelven; en als de cherubs hun vleugelen ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich diezelve raderen ook niet om van bij hen.</verse>
				<verse number="17">Als die stonden, stonden deze, en als die opgeheven werden, hieven zich deze ook op; want de geest der dieren was in hen.</verse>
				<verse number="18">Toen ging de heerlijkheid des HEEREN van boven den dorpel des huizes weg, en stond boven de cherubs.</verse>
				<verse number="19">En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het huis des HEEREN; en de heerlijkheid des Gods Israëls was van boven over hen.</verse>
				<verse number="20">Dit is het dier, dat ik zag onder den Gods Israëls bij de rivier Chebar; en ik bemerkte, dat het cherubs waren.</verse>
				<verse number="21">Elkeen had vier aangezichten, en elkeen had vier vleugelen; en de gelijkenis van mensenhanden was onder hun vleugelen.</verse>
				<verse number="22">En aangaande de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelven; zij gingen ieder recht uit voor zijn aangezicht henen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis des HEEREN, dewelke ziet oostwaarts; en ziet, aan de deur der poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzánja, den zoon van Azzur, en Pelátja, den zoon van Benája, vorsten des volks.</verse>
				<verse number="2">En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.</verse>
				<verse number="3">Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn.</verse>
				<verse number="4">Daarom profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind!</verse>
				<verse number="5">Zo viel dan de Geest des HEEREN op mij, en Hij zeide tot mij: Zeg: Zo zegt de HEERE: Alzo zegt gijlieden o huis Israëls! want Ik weet elkeen der dingen, die in uw geest opklimmen.</verse>
				<verse number="6">Gij hebt uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en gij hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld.</verse>
				<verse number="7">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Uw verslagenen, die gij in het midden derzelve nedergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar ulieden zal Ik uit het midden derzelve doen uitgaan.</verse>
				<verse number="8">Gijlieden hebt het zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="9">Ook zal Ik ulieden uit het midden derzelve doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand der vreemden; en Ik zal recht onder u doen.</verse>
				<verse number="10">Gij zult door het zwaard vallen; in de landpale Israëls zal Ik u richten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="11">Deze stad zal ulieden niet tot een pot zijn, en gij zult in het midden derzelve niet tot vlees zijn; in de landpale Israëls zal Ik u richten.</verse>
				<verse number="12">En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, omdat gij in Mijn inzettingen niet gewandeld, en Mijn rechten niet gedaan hebt, maar naar de rechten der heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt.</verse>
				<verse number="13">Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat Pelátja, de zoon van Benája, stierf. Toen viel ik neder op mijn aangezicht, en riep met luider stem; en zeide: Ach, Heere HEERE! zult Gij gans een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?</verse>
				<verse number="14">Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="15">Mensenkind, het zijn uw broederen, uw broederen, de mannen uwer maagschap, en het ganse huis Israëls, ja, dat ganse, tot welke de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maakt u verre af van den HEERE, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven.</verse>
				<verse number="16">Daarom zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn.</verse>
				<verse number="17">Daarom zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israëls geven.</verse>
				<verse number="18">En zij zullen daarhenen komen, en al deszelfs verfoeiselen en al deszelfs gruwelen van daar wegdoen.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven;</verse>
				<verse number="20">Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten bewaren, en dezelve doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.</verse>
				<verse number="21">Maar welker hart het hart hunner verfoeiselen en hunner gruwelen nawandelt, derzelver weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="22">Toen hieven de cherubs hun vleugelen op, en de raderen tegenover hen; en de heerlijkheid des Gods van Israël was over hen van boven.</verse>
				<verse number="23">En de heerlijkheid des HEEREN rees op van het midden der stad, en stond op den berg, die tegen het oosten der stad is.</verse>
				<verse number="24">Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door den Geest Gods in Chaldéa tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht, dat ik gezien had, voer van mij op.</verse>
				<verse number="25">En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de woorden des HEEREN, die Hij mij had doen zien.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.</verse>
				<verse number="3">Daarom gij, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en gij zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn.</verse>
				<verse number="4">Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.</verse>
				<verse number="5">Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.</verse>
				<verse number="6">Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israëls tot een wonderteken gegeven.</verse>
				<verse number="7">En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen.</verse>
				<verse number="8">En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Mensenkind, heeft niet het huis Israëls, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?</verse>
				<verse number="10">Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Deze last is tegen den vorst te Jeruzalem, en het ganse huis Israëls, dat in het midden van hen is.</verse>
				<verse number="11">Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.</verse>
				<verse number="12">En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op den schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.</verse>
				<verse number="13">Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.</verse>
				<verse number="14">En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.</verse>
				<verse number="15">Alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.</verse>
				<verse number="16">Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="17">Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Mensenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.</verse>
				<verse number="19">En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzo zegt de Heere HEERE, van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israëls: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen;</verse>
				<verse number="20">En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="21">Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="22">Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat gijlieden hebt in het land Israëls, zeggende: De dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?</verse>
				<verse number="23">Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht.</verse>
				<verse number="24">Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israëls.</verse>
				<verse number="25">Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="26">Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="27">Mensenkind, zie, die van het huis Israëls zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.</verse>
				<verse number="28">Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind, profeteer tegen de profeten Israëls, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort des HEEREN woord.</verse>
				<verse number="3">Zo zegt de Heere HEERE: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en hetgeen zij niet gezien hebben!</verse>
				<verse number="4">Uw profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen.</verse>
				<verse number="5">Gij zijt in de bressen niet opgetreden, noch hebt den muur toegemuurd voor het huis Israëls, om in den strijd te staan, ten dage des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De HEERE heeft gesproken, daar de HEERE hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.</verse>
				<verse number="7">Ziet gij niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De HEERE spreekt, daar Ik niet gesproken heb?</verse>
				<verse number="8">Daarom zo zegt de Heere HEERE: omdat gijlieden ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="9">En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israëls niet geschreven worden, en in het land Israëls niet komen; en gij zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.</verse>
				<verse number="10">Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de een een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen denzelven pleisteren met loze kalk.</verse>
				<verse number="11">Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.</verse>
				<verse number="12">Ziet, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is de pleistering, waarmede gij gepleisterd hebt?</verse>
				<verse number="13">Daarom alzo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal hem door een groten stormwind in Mijn grimmigheid splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn grimmigheid, om dien te verdoen.</verse>
				<verse number="14">Zo zal Ik den wand afbreken, dien gijlieden met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; alzo zal de stad vallen, en gij zult in het midden van haar omkomen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="15">Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen den wand voortbrengen, en tegen degenen, die hem pleisteren met loze kalk; en Ik zal tot ulieden zeggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden, zijn er niet;</verse>
				<verse number="16">Te weten de profeten Israëls, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een gezicht des vredes zien, waar geen vrede is, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="17">En gij, mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochteren uws volks, dewelke profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar;</verse>
				<verse number="18">En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen der armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle statuur, om de zielen te jagen! Zult gij de zielen Mijns volks jagen, en zult gij u de zielen in het leven behouden?</verse>
				<verse number="19">En zult gij Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken broods, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort?</verse>
				<verse number="20">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.</verse>
				<verse number="21">Daartoe zal Ik uw hoofddeksels scheuren, en Mijn volk uit uw hand redden, zodat zij niet meer in uw hand zullen zijn tot een jacht; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="22">Omdat gijlieden het hart des rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat gij de handen des goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn bozen weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;</verse>
				<verse number="23">Daarom zult gij niet meer ijdelheid zien, noch waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neder voor mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="2">Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?</verse>
				<verse number="4">Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israëls, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;</verse>
				<verse number="5">Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.</verse>
				<verse number="6">Daarom zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.</verse>
				<verse number="7">Want ieder man uit het huis Israëls, en uit den vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;</verse>
				<verse number="8">En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="9">Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.</verse>
				<verse number="10">En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;</verse>
				<verse number="11">Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="12">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;</verse>
				<verse number="14">Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="15">Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;</verse>
				<verse number="16">Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.</verse>
				<verse number="17">Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;</verse>
				<verse number="18">Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.</verse>
				<verse number="19">Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;</verse>
				<verse number="20">Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.</verse>
				<verse number="21">Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!</verse>
				<verse number="22">Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.</verse>
				<verse number="23">Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind, wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan dat onder het hout eens wouds is?</verse>
				<verse number="3">Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werks te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?</verse>
				<verse number="4">Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert beide zijn einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen tot een stuk werks?</verse>
				<verse number="5">Ziet, toen het geheel was, werd het tot geen stuk werks gemaakt; hoeveel te min als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werks gemaakt worden?</verse>
				<verse number="6">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Gelijk als het hout des wijnstoks is onder het hout des wouds, hetwelk Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, alzo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.</verse>
				<verse number="7">Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaarlijk overtreden hebben, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend,</verse>
				<verse number="3">En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.</verse>
				<verse number="4">En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.</verse>
				<verse number="5">Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.</verse>
				<verse number="6">Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!</verse>
				<verse number="7">Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.</verse>
				<verse number="8">Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.</verse>
				<verse number="9">Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.</verse>
				<verse number="10">Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde.</verse>
				<verse number="11">Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.</verse>
				<verse number="12">Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.</verse>
				<verse number="13">Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.</verse>
				<verse number="14">Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="15">Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.</verse>
				<verse number="16">En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.</verse>
				<verse number="17">Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd.</verse>
				<verse number="18">En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.</verse>
				<verse number="19">En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="20">Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen,</verse>
				<verse number="21">Dat gij Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan?</verse>
				<verse number="22">Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed.</verse>
				<verse number="23">Het is ook geschied na al uw boosheid, (wee, wee u, spreekt de Heere HEERE),</verse>
				<verse number="24">Dat gij u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.</verse>
				<verse number="25">Aan elk hoofd des wegs hebt gij uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.</verse>
				<verse number="26">Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.</verse>
				<verse number="27">Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in den lust dergenen, die u haten, der dochteren der Filistijnen, die vanwege uw schandelijken weg beschaamd waren.</verse>
				<verse number="28">Verder hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij ook niet verzadigd geworden.</verse>
				<verse number="29">Maar gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaän tot in Chaldéa; en daarmede ook zijt gij niet verzadigd geworden.</verse>
				<verse number="30">Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere HEERE) als gij al deze dingen doet, zijnde het werk van een heersende hoerachtige vrouw!</verse>
				<verse number="31">Als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende.</verse>
				<verse number="32">O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar Man de vreemden aan.</verse>
				<verse number="33">Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw boelen, en gij beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen.</verse>
				<verse number="34">Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden.</verse>
				<verse number="35">Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.</verse>
				<verse number="36">Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uwer gruwelen, en na het bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt;</verse>
				<verse number="37">Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen, die gij liefgehad hebt, met allen, die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw ganse naaktheid zien zullen.</verse>
				<verse number="38">Daartoe zal Ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed der grimmigheid en des ijvers.</verse>
				<verse number="39">En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw klederen u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.</verse>
				<verse number="40">Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.</verse>
				<verse number="41">Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.</verse>
				<verse number="42">Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen.</verse>
				<verse number="43">Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heere HEERE; en gij zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen.</verse>
				<verse number="44">Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter.</verse>
				<verse number="45">Gij zijt de dochter uwer moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en gij zijt de zuster uwer zusteren, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.</verse>
				<verse number="46">Uw grote zuster nu is Samaria, zij en haar dochteren, dewelke woont aan uw linkerhand; maar uw zuster, die kleiner is dan gij, die tegen uw rechterhand woont, is Sódom en haar dochteren.</verse>
				<verse number="47">Doch gij hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.</verse>
				<verse number="48">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sódom, uw zuster, zij met haar dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochteren!</verse>
				<verse number="49">Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sódom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.</verse>
				<verse number="50">En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.</verse>
				<verse number="51">Samaria ook heeft naar de helft uwer zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.</verse>
				<verse number="52">Draag gij dan ook uw schande, gij, die voor uw zusteren geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij; wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw zusters gerechtvaardigd hebt.</verse>
				<verse number="53">Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sódom en haar dochteren, en de gevangenen van Samaria en haar dochteren, dan zal Ik wederbrengen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar.</verse>
				<verse number="54">Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.</verse>
				<verse number="55">Als uw zusters, Sódom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat.</verse>
				<verse number="56">Ja, uw zuster Sódom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage uws groten hoogmoeds,</verse>
				<verse number="57">Aleer uw boosheid ontdekt was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrië, en van al degenen, die rondom datzelve waren, de dochteren der Filistijnen, die u verachten van rondom,</verse>
				<verse number="58">Hebt gij uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="59">Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal u ook doen, gelijk als gij gedaan hebt, die den eed veracht hebt, brekende het verbond.</verse>
				<verse number="60">Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.</verse>
				<verse number="61">Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusteren, die groter zijn dan gij, met degenen, die kleiner zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal u dezelve geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond.</verse>
				<verse number="62">Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben;</verse>
				<verse number="63">Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis Israëls,</verse>
				<verse number="3">En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.</verse>
				<verse number="4">Hij plukte den top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.</verse>
				<verse number="5">Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.</verse>
				<verse number="6">En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.</verse>
				<verse number="7">Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe.</verse>
				<verse number="8">Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.</verse>
				<verse number="9">Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren.</verse>
				<verse number="10">Ja ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.</verse>
				<verse number="11">Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.</verse>
				<verse number="13">Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen des lands heeft hij weggenomen;</verse>
				<verse number="14">Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.</verse>
				<verse number="15">Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?</verse>
				<verse number="16">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!</verse>
				<verse number="17">Ook zal Faraö, door een groot heir en door menigte van krijgs vergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.</verse>
				<verse number="18">Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.</verse>
				<verse number="19">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve!</verse>
				<verse number="20">En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.</verse>
				<verse number="21">Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en gijlieden zult weten, dat Ik, de HEERE, gesproken heb.</verse>
				<verse number="22">Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal;</verse>
				<verse number="23">Op den berg der hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.</verse>
				<verse number="24">Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verheven heb, den groenen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het land Israëls, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden?</verse>
				<verse number="3">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken!</verse>
				<verse number="4">Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel des vaders, alzo ook de ziel des zoons, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven.</verse>
				<verse number="5">Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid;</verse>
				<verse number="6">Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israëls; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;</verse>
				<verse number="7">En niemand verdrukt, den schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft, en den naakte met kleding bedekt;</verse>
				<verse number="8">Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen den een en den anderen oefent;</verse>
				<verse number="9">In Mijn inzettingen wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen; die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="10">Heeft hij nu een zoon gewonnen, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijn broeder doet een van deze dingen;</verse>
				<verse number="11">En die al die dingen niet doet; maar eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw zijns naasten;</verse>
				<verse number="12">Verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weder, en heft zijn ogen op tot de drekgoden, doet gruwel;</verse>
				<verse number="13">Geeft op woeker, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn!</verse>
				<verse number="14">Ziet nu, heeft hij een zoon gewonnen, die al de zonden zijn vaders, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet;</verse>
				<verse number="15">Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de drekgoden van het huis Israëls, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt;</verse>
				<verse number="16">En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood den hongerige geeft, en den naakte met kleding bedekt;</verse>
				<verse number="17">Zijn hand van den ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn inzettingen wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders; hij zal gewisselijk leven.</verse>
				<verse number="18">Zijn vader, dewijl hij met onderdrukking onderdrukt heeft, des broeders goed geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden zijner volken; ziet daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="19">Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven.</verse>
				<verse number="20">De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.</verse>
				<verse number="21">Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.</verse>
				<verse number="22">Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.</verse>
				<verse number="23">Zou Ik enigszins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve?</verse>
				<verse number="24">Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.</verse>
				<verse number="25">Nog zegt gijlieden: De weg des Heeren is niet recht; hoort nu, o huis Israëls! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?</verse>
				<verse number="26">Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft in dezelve, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven.</verse>
				<verse number="27">Maar als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid, die zal zijn ziel in het leven behouden;</verse>
				<verse number="28">Dewijl hij toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.</verse>
				<verse number="29">Evenwel zegt het huis Israëls: De weg des Heeren is niet recht. Zouden Mijn wegen, o huis Israëls, niet recht zijn? Zijn niet uw wegen onrecht?</verse>
				<verse number="30">Daarom zal Ik u richten, o huis Israëls! een ieder naar zijn wegen, spreekt de Heere HEERE, keert weder, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden.</verse>
				<verse number="31">Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?</verse>
				<verse number="32">Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israël,</verse>
				<verse number="2">En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen.</verse>
				<verse number="3">Zij toog nu één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.</verse>
				<verse number="4">Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.</verse>
				<verse number="5">Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, hetwelk zij tot een jongen leeuw stelde.</verse>
				<verse number="6">Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.</verse>
				<verse number="7">Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem zijner brulling.</verse>
				<verse number="8">Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen.</verse>
				<verse number="9">En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord wierde op de bergen Israëls.</verse>
				<verse number="10">Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.</verse>
				<verse number="11">En hij had sterke roeden tot scepteren der heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken.</verse>
				<verse number="12">Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd.</verse>
				<verse number="13">En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land.</verse>
				<verse number="14">Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede zijner ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op den tienden derzelver maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om den HEERE te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="2">Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Komt gij, om Mij te vragen? Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="4">Zoudt gij hun recht geven, zoudt gij hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend;</verse>
				<verse number="5">En zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs, en maakte Mijzelven hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="6">Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen.</verse>
				<verse number="7">En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner ogen weg; en verontreinigt ulieden niet met de drekgoden van Egypte; Ik, de HEERE, ben uw God.</verse>
				<verse number="8">Maar zij waren wederspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen zijner ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.</verse>
				<verse number="9">Doch Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen der heidenen, in welker midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor derzelver ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.</verse>
				<verse number="10">En Ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.</verse>
				<verse number="11">Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.</verse>
				<verse number="12">Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilige.</verse>
				<verse number="13">Maar het huis Israëls werd wederspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechten; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen.</verse>
				<verse number="14">Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor welker ogen Ik hen uitvoerde.</verse>
				<verse number="15">Evenwel hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen;</verse>
				<verse number="16">Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn inzettingen niet wandelden, en Mijn sabbatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun drekgoden na.</verse>
				<verse number="17">Doch Mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn.</verse>
				<verse number="18">Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun drekgoden.</verse>
				<verse number="19">Ik ben de HEERE, uw God, wandelt in Mijn inzettingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet dezelve.</verse>
				<verse number="20">En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een teken zijn tussen Mij en tussen ulieden, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, uw God ben.</verse>
				<verse number="21">Maar die kinderen waren ook wederspannig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn.</verse>
				<verse number="22">Doch Ik keerde Mijn hand af, en deed het om Mijns Naams wil, opdat hij voor de ogen der heidenen niet zou ontheiligd worden, voor welker ogen Ik hen uitgevoerd had.</verse>
				<verse number="23">Ik hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de heidenen, en hen verstrooien in de landen;</verse>
				<verse number="24">Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzettingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de drekgoden hunner vaderen waren.</verse>
				<verse number="25">Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, die niet goed waren, en rechten, waarbij zij niet leven zouden.</verse>
				<verse number="26">En Ik verontreinigde hen in hun giften, omdat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat Ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="27">Daarom, mensenkind, spreek tot het huis Israëls, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Hiermede nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben.</verse>
				<verse number="28">Als Ik hen in het land gebracht had, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven had, om hetzelve hun te geven, zo zagen zij naar allen hogen heuvel, en alle dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijken reuk, en daar offerden zij hun drankofferen.</verse>
				<verse number="29">En Ik zeide tot hen: Wat is die hoogte, waarhenen gij gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op dezen dag toe.</verse>
				<verse number="30">Daarom zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Zijt gij verontreinigd geworden in den weg uwer vaderen, en hoereert gij achter hun verfoeiselen?</verse>
				<verse number="31">Ja, met het offeren uwer gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw drekgoden tot op dezen dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israëls? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik van u gevraagd worde!</verse>
				<verse number="32">Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen.</verse>
				<verse number="33">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Zo Ik niet met een sterke hand, en uitgestrekten arm, en met een uitgegoten grimmigheid over u zal regeren!</verse>
				<verse number="34">Want Ik zal u uit de volken voeren, en u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door een uitgegoten grimmigheid.</verse>
				<verse number="35">Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar rechten, aangezicht aan aangezicht;</verse>
				<verse number="36">Gelijk als Ik gerecht heb met uw vaderen in de woestijn van Egypteland, alzo zal Ik met u rechten, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="37">En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds.</verse>
				<verse number="38">Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren; Ik zal hen uit het land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israëls niet weder komen, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="39">En gijlieden, o huis Israëls, alzo zegt de Heere HEERE: Gaat henen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, dewijl gijlieden naar Mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer Mijn heiligen Naam, met uw giften en met uw drekgoden.</verse>
				<verse number="40">Want op Mijn heiligen berg, op den hogen berg Israëls, spreekt de Heere HEERE, daar zal Mij het ganse huis Israëls in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefofferen eisen, en de eerstelingen uwer heffingen met al uw geheiligde dingen.</verse>
				<verse number="41">Ik zal een welgevallen aan ulieden nemen om den liefelijken reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit de landen, in dewelke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der heidenen.</verse>
				<verse number="42">En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik u in het landschap Israëls gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om hetzelve uw vaderen te geven.</verse>
				<verse number="43">Daar zult gij dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt.</verse>
				<verse number="44">Zo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik met u gedaan zal hebben, om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis Israëls, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="45">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="46">Mensenkind, zet uw aangezicht naar den weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden.</verse>
				<verse number="47">En zeg tot het zuiderwoud: Hoor des HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe.</verse>
				<verse number="48">En alle vlees zal zien, dat Ik, de HEERE, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden.</verse>
				<verse number="49">En ik zeide: Ach, Heere HEERE, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;</verse>
				<verse number="3">En zeg tot het land van Israël: Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien den rechtvaardige en den goddeloze.</verse>
				<verse number="4">Omdat Ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.</verse>
				<verse number="5">En alle vlees zal weten, dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal niet meer wederkeren.</verse>
				<verse number="6">Maar gij, mensenkind, zucht; zucht voor hun ogen met verbreking der lenden en met bitterheid.</verse>
				<verse number="7">En het zal geschieden, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij, dat gij zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieën als water henenvlieten; ziet, het komt, en het zal geschieden, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="8">Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de HEERE: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.</verse>
				<verse number="10">Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt.</verse>
				<verse number="11">En Hij heeft hetzelve te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om hetzelve in de hand des doodslagers te geven.</verse>
				<verse number="12">Schreeuw en huil, o mensenkind, want hetzelve zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.</verse>
				<verse number="13">Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="14">Daarom gij, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derden male, het is het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard der groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameren indringen zal.</verse>
				<verse number="15">Ik heb de punt des zwaards gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten.</verse>
				<verse number="16">Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is.</verse>
				<verse number="17">En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, de HEERE, heb het gesproken.</verse>
				<verse number="18">Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="19">Gij nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad.</verse>
				<verse number="20">Gij zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.</verse>
				<verse number="21">Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.</verse>
				<verse number="22">De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.</verse>
				<verse number="23">Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.</verse>
				<verse number="24">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.</verse>
				<verse number="25">En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;</verse>
				<verse number="26">Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.</verse>
				<verse number="27">Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Dien Ik dat geven zal.</verse>
				<verse number="28">En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;</verse>
				<verse number="29">Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="30">Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.</verse>
				<verse number="31">En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs.</verse>
				<verse number="32">Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal niet gedacht worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gij nu, mensenkind, zoudt gij der bloedstad recht geven? Zoudt gij ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.</verse>
				<verse number="3">En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zichzelve maakt, om zich te verontreinigen!</verse>
				<verse number="4">Door uw bloed, dat gij vergoten hebt, zijt gij schuldig geworden, en met uw drekgoden, die gij gemaakt hebt, hebt gij u verontreinigd, en hebt uw dagen doen naderen, en zijt tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u den heidenen overgegeven tot een smaad, en allen landen tot een spot.</verse>
				<verse number="5">Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust!</verse>
				<verse number="6">Ziet, de vorsten Israëls zijn in u geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed te vergieten.</verse>
				<verse number="7">Vader en moeder hebben zij in u licht geacht; met den vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u den wees en de weduwe verdrukt.</verse>
				<verse number="8">Mijn heilige dingen hebt gij veracht, en Mijn sabbatten hebt gij ontheiligd.</verse>
				<verse number="9">Achterklappers zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de bergen gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan.</verse>
				<verse number="10">Men heeft de schaamte des vaders in u ontdekt; die onrein was door afzondering, hebben zij in u verkracht.</verse>
				<verse number="11">Daartoe heeft de een gruwel gedaan met zijns naasten huisvrouw, en een ander heeft zijns zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zuster, zijns vaders dochter; verkracht.</verse>
				<verse number="12">Zij hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt gij genomen, en gij hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking; maar gij hebt Mijner vergeten, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="13">Ziet dan, Ik heb Mijn hand geslagen, om uw gierigheid, die gij bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn.</verse>
				<verse number="14">Zal uw hart bestaan? zullen uw handen sterk zijn, in de dagen, als Ik met u handelen zal? Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal u verstrooien onder de heidenen, en u verspreiden in de landen, en uw onreinigheid uit u verteren.</verse>
				<verse number="16">Zo zult gij in u ontheiligd zijn voor de ogen der heidenen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="17">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Mensenkind, die van het huis Israëls zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden des ovens; zilverschuim zijn zij geworden.</verse>
				<verse number="19">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gijlieden allen tot schuim geworden zijt, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen.</verse>
				<verse number="20">Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden eens ovens vergaderd wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; alzo zal Ik ulieden vergaderen in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid daar laten, en smelten.</verse>
				<verse number="21">Ja, Ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur Mijner verbolgenheid, dat gij in het midden van haar zult gesmolten worden.</verse>
				<verse number="22">Gelijk het zilver in het midden des ovens gesmolten wordt, alzo zult gijlieden in het midden van haar gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb.</verse>
				<verse number="23">Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Mensenkind, zeg tot haar: Gij zijt een land, dat niet gereinigd is, dat zijn plasregen niet heeft gehad ten dage der gramschap.</verse>
				<verse number="25">De verbintenis harer profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, den schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar.</verse>
				<verse number="26">Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd.</verse>
				<verse number="27">Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen.</verse>
				<verse number="28">Haar profeten nu pleisteren hen met loze kalk; ziende ijdelheid en hun leugen voorzeggende, zeggende: Alzo zegt de Heere HEERE! en de HEERE heeft niet gesproken.</verse>
				<verse number="29">Het volk des lands pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook onderdrukken zij den ellendige en nooddruftige, en den vreemdeling verdrukken zij zonder recht.</verse>
				<verse number="30">Ik zocht nu een man uit hen, die den muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.</verse>
				<verse number="31">Daarom heb Ik Mijn gramschap over hen uitgegoten; door het vuur Mijner verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochteren van één moeder.</verse>
				<verse number="3">Dezen hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast.</verse>
				<verse number="4">Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zuster; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochteren; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.</verse>
				<verse number="5">Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar boelen, op de Assyriërs, die nabij waren;</verse>
				<verse number="6">Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, altemaal gewenste jongelingen, ruiteren, rijdende op paarden.</verse>
				<verse number="7">Alzo dreef zij haar hoererijen met dezelve, die allen de keure der kinderen van Assur waren; en met allen, op dewelke zij verliefd was, met al derzelver drekgoden, verontreinigde zij zich.</verse>
				<verse number="8">Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.</verse>
				<verse number="9">Daarom gaf Ik haar in de hand van haar boelen over, in de hand der kinderen van Assur, op dewelke zij verliefd was.</verse>
				<verse number="10">Dezen ontdekten haar schaamte, haar zonen en haar dochteren namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg een naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had.</verse>
				<verse number="11">Als haar zuster, Oholiba, dit zag, zo verdierf zij haar minne nog meer dan zij, en haar hoererijen meer dan de hoererijen van haar zuster.</verse>
				<verse number="12">Zij werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, altemaal gewenste jongelingen.</verse>
				<verse number="13">Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden enerlei weg.</verse>
				<verse number="14">Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag, de beelden der Chaldeeën, geschilderd met menie,</verse>
				<verse number="15">Gegord met een gordel aan hun lenden, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis der kinderen van Babel, van Chaldéa, het land hunner geboorte;</verse>
				<verse number="16">Zo werd zij op dezelve verliefd met het opzien van haar ogen, en zij zond boden tot hen, naar Chaldéa.</verse>
				<verse number="17">De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger der minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken.</verse>
				<verse number="18">Alzo ontdekte zij haar hoererijen, en ontdekte haar schaamte; toen werd Mijn ziel van haar afgetrokken, gelijk als Mijn ziel was afgetrokken van haar zuster.</verse>
				<verse number="19">Doch zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte.</verse>
				<verse number="20">En zij werd verliefd meer dan derzelver bijwijven, welker vlees is als het vlees der ezelen, en welker vloed is als de vloed der paarden.</verse>
				<verse number="21">Alzo hebt gij weder opgehaald de schandelijke daad uwer jeugd, als die van Egypte uw tepelen betastten, vanwege de borsten uwer jeugd.</verse>
				<verse number="22">Daarom, o Oholiba! alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw boelen, van welke uw ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen.</verse>
				<verse number="23">De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde lieden, die allen te paard rijden.</verse>
				<verse number="24">Die zullen tegen u komen met karren, wagenen en wielen, en met een vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten.</verse>
				<verse number="25">En Ik zal Mijn ijver tegen u zetten, dat zij in grimmigheid met u zullen handelen; zij zullen uw neus en uw oren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochteren wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden.</verse>
				<verse number="26">Zij zullen u ook uw klederen uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen.</verse>
				<verse number="27">Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en gij zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken.</verse>
				<verse number="28">Want alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal u overgeven in de hand dergenen, die gij haat, in de hand dergenen, van dewelken uw ziel is afgetrokken.</verse>
				<verse number="29">Die zullen met u handelen uit haat, en al uw arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uw schandelijkheid en uw hoererijen.</verse>
				<verse number="30">Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat gij u met hun drekgoden verontreinigd hebt.</verse>
				<verse number="31">In den weg uwer zuster hebt gij gewandeld, daarom zal Ik haar beker in uw hand geven.</verse>
				<verse number="32">Alzo zegt de Heere HEERE: Gij zult den beker uwer zuster drinken, die diep en wijd is; gij zult tot belaching en spot worden; de beker houdt veel in.</verse>
				<verse number="33">Van dronkenschap en jammer zult gij vol worden; de beker van uw zuster Samaria is een beker der verwoesting en der eenzaamheid.</verse>
				<verse number="34">Gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijn scherven zult gij brijzelen, en uw borsten zult gij afrukken; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="35">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt gij ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.</verse>
				<verse number="36">En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zoudt gij Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelen.</verse>
				<verse number="37">Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar drekgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot spijze.</verse>
				<verse number="38">Nog hebben zij Mij dit gedaan; zij hebben Mijn heiligdom ten zelven dage verontreinigd, en Mijn sabbatten ontheiligd.</verse>
				<verse number="39">Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, alzo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.</verse>
				<verse number="40">Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot dewelken als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor dewelken gij u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierdet;</verse>
				<verse number="41">En gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk een tafel toegericht was, en op hetwelk gij Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt.</verse>
				<verse number="42">Als nu het geruis der menigte daarop stil was, zo zonden zij tot mannen uit de menigte der mensen, en daar werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn; die deden armringen aan haar handen, en een sierlijke kroon op haar hoofden.</verse>
				<verse number="43">Toen zeide Ik van deze, die van overspelerijen verouderd was: Nu zullen zij hoereren de hoererijen dezer hoer, en die ook.</verse>
				<verse number="44">En men ging tot haar in, gelijk men ingaat tot een vrouw, die een hoer is; alzo gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen.</verse>
				<verse number="45">Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht der overspeelsters, en naar het recht der bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen.</verse>
				<verse number="46">Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven.</verse>
				<verse number="47">En de vergadering zal ze met stenen stenigen, en dezelve met hun zwaarden nederhouwen; haar zonen en haar dochteren zullen zij doden, en haar huizen met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="48">Alzo zal Ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen.</verse>
				<verse number="49">Alzo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op den tienden der maand, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! schrijf u den naam van den dag op, even van dezen zelfden dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op dezen zelfden dag.</verse>
				<verse number="3">En gebruik een gelijkenis tot dat wederspannig huis, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin.</verse>
				<verse number="4">Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en den schouder, vul hem met de keur der beenderen.</verse>
				<verse number="5">Neem de keur van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel opzieden; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden.</verse>
				<verse number="6">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Wee der bloedstad, den pot, welks schuim in hem is, en van welken zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen.</verse>
				<verse number="7">Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelve met stof te bedekken.</verse>
				<verse number="8">Opdat Ik de grimmigheid doe opgaan om wraak te oefenen, heb Ik ook haar bloed op een gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt worde.</verse>
				<verse number="9">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Wee der bloedstad! Ik zal ook den brandstapel groot maken!</verse>
				<verse number="10">Draag veel houts toe, steek het vuur aan, verteer het vlees, en kruid het met specerijen, en laat de beenderen verbranden.</verse>
				<verse number="11">Stel hem daarna ledig op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.</verse>
				<verse number="12">Met ijdelheden heeft zij Mij moede gemaakt; nog is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moet in het vuur.</verse>
				<verse number="13">In uw onreinigheid is schandelijkheid, omdat Ik u gereinigd heb, en gij niet gereinigd zijt, zo zult gij van uw onreinigheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik Mijn grimmigheid op u zal hebben doen rusten.</verse>
				<verse number="14">Ik, de HEERE, heb het gesproken; het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet verschonen noch berouw hebben; naar uw wegen en naar uw handelingen zullen zij u richten, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="15">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Mensenkind! zie, Ik zal den lust uwer ogen van u wegnemen door een plage; nochtans zult gij niet rouwklagen, noch wenen, en uw tranen zullen niet voortkomen.</verse>
				<verse number="17">Houd stil van kermen, gij zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult gij niet bewinden, en zult der lieden brood niet eten.</verse>
				<verse number="18">Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond, en mijn huisvrouw stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond, gelijk mij geboden was.</verse>
				<verse number="19">En het volk zeide tot mij: Zult gij ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat gij aldus doet?</verse>
				<verse number="20">En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, de begeerte uwer ogen, en de verschoning uwer ziel; en uw zonen en uw dochteren, die gij verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen.</verse>
				<verse number="22">Dan zult gijlieden doen, gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult gij niet bewinden, en der lieden brood zult gij niet eten.</verse>
				<verse number="23">En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; gij zult niet rouwklagen, noch wenen, maar gij zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een iegelijk tegen zijn broeder zuchten.</verse>
				<verse number="24">Alzo zal ulieden Ezechiël tot een wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten, dat Ik de Heere HEERE ben.</verse>
				<verse number="25">En gij, mensenkind! zal het niet zijn, ten dage, als Ik van hen zal wegnemen hun sterkte, de vreugde huns sieraads, den lust hunner ogen en het verlangen hunner zielen, hun zonen en hun dochteren;</verse>
				<verse number="26">Dat ten zelfden dage een ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen?</verse>
				<verse number="27">Ten zelven dage zal uw mond bij dien, die ontkomen is, opengedaan worden, en gij zult spreken, en niet meer stom zijn; alzo zult gij hun tot een wonderteken zijn, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve;</verse>
				<verse number="3">En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort des Heeren HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land Israëls, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen;</verse>
				<verse number="4">Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal Rabba tot een kemelstal maken, en de kinderen Ammons tot een schaapskooi; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="6">Want alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij met de hand geklapt, en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land Israëls;</verse>
				<verse number="7">Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u den heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="8">Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Moab en Seïr zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen;</verse>
				<verse number="9">Daarom, ziet, Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn grenzen af zijn, het sieraad des lands, Beth-Jesimôth, Baäl-Meon, en tot Kiriatháïm toe;</verse>
				<verse number="10">Voor die van het oosten, met het land der kinderen Ammons, hetwelk Ik ter bezitting zal overgeven; opdat der kinderen Ammons onder de heidenen niet meer gedacht worde.</verse>
				<verse number="11">Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="12">Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben:</verse>
				<verse number="13">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook Mijn hand uitstrekken tegen Edom, en Ik zal mens en beest uit haar uitroeien; en zal haar tot een woestheid stellen van Theman af; en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal Mijn wraak doen aan Edom, door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid handelen; alzo zullen zij Mijn wraak gewaar worden, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="15">Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap;</verse>
				<verse number="16">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen.</verse>
				<verse number="17">En Ik zal grote wraak met grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn wraak aan hen gedaan zal hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">En het gebeurde in het elfde jaar, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest!</verse>
				<verse number="3">Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof Ik de zee met haar golven deed opkomen.</verse>
				<verse number="4">Die zullen de muren van Tyrus verderven, en haar torens afbreken; ja, Ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal haar tot een gladde steenrots maken.</verse>
				<verse number="5">Zij zal in het midden der zee zijn tot uitspreiding van netten; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE; en zij zal den heidenen ten roof worden.</verse>
				<verse number="6">En haar dochteren, die in het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="7">Want alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Nebukadrézar, den koning van Babel, den koning der koningen, van het noorden tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagenen, en met ruiteren, en krijgs vergaderingen, en veel volks.</verse>
				<verse number="8">Hij zal uw dochteren op het veld met het zwaard doden, en hij zal sterkten tegen u maken, en een wal tegen u opwerpen, en rondassen tegen u opheffen.</verse>
				<verse number="9">En hij zal muurbrekers tegen uw muren stellen, en uw torens met zijn zwaarden afbreken.</verse>
				<verse number="10">Vanwege de menigte zijner paarden zal u derzelver stof bedekken; uw muren zullen beven vanwege het gedruis der ruiteren, en wielen, en wagenen, als hij door uw poorten zal intrekken, gelijk door de ingangen ener doorgebrokene stad.</verse>
				<verse number="11">Hij zal met de hoeven zijner paarden al uw straten vertreden; uw volk zal hij met het zwaard doden, en elk een van de kolommen uwer sterkten zal ter aarde nederstorten.</verse>
				<verse number="12">En zij zullen uw vermogen roven, en uw koopmanswaren plunderen, en uw muren afbreken, en uw kostelijke huizen omwerpen; en uw stenen, en uw hout, en uw stof zullen zij in het midden der wateren werpen.</verse>
				<verse number="13">Zo zal Ik het gedeun uwer liederen doen ophouden, en het geklank uwer harpen zal niet meer gehoord worden.</verse>
				<verse number="14">Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; gij zult zijn tot uitspreiding der netten, gij zult niet meer gebouwd worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="15">Alzo zegt de Heere HEERE tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de dodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden?</verse>
				<verse number="16">En alle vorsten der zee zullen afdalen van hun tronen, en hun mantels van zich doen, en hun gestikte klederen uittrekken; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij nederzitten, en elk ogenblik sidderen, en over u ontzet zijn;</verse>
				<verse number="17">En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe zijt gij uit de zeeën vergaan, gij welbewoonde, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden!</verse>
				<verse number="18">Nu zullen de eilanden sidderen ten dage uws vals; ja, de eilanden, die in de zee zijn, zullen beroerd worden vanwege uw uitgang.</verse>
				<verse number="19">Want alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik u zal stellen tot een verwoeste stad, gelijk de steden, die niet bewoond worden; als Ik een afgrond over u zal doen opkomen, en de grote wateren u zullen overdekken,</verse>
				<verse number="20">Dan zal Ik u doen nederdalen met degenen die in den kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nederliggen in de onderste plaatsen der aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in den kuil nederdalen, opdat gij niet bewoond wordt; en Ik zal het sieraad herstellen in het land der levenden.</verse>
				<verse number="21">Maar u zal Ik tot een groten schrik stellen, en gij zult er niet meer zijn; als gij gezocht wordt, zo zult gij niet meer gevonden worden in eeuwigheid, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;</verse>
				<verse number="3">En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.</verse>
				<verse number="4">Uw landpalen zijn in het hart der zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.</verse>
				<verse number="5">Zij hebben al uw denningen uit dennebomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van den Libanon gehaald, om masten voor u te maken.</verse>
				<verse number="6">Zij hebben uw riemen uit eiken van Basan gemaakt; uw berderen hebben zij gemaakt van welbetreden elpenbeen, uit de eilanden der Chittieten.</verse>
				<verse number="7">Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elísa, was uw deksel.</verse>
				<verse number="8">De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers.</verse>
				<verse number="9">De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen der zee en hun zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.</verse>
				<verse number="10">Perzen, en Lydiërs, en Puteeërs waren in uw heir, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.</verse>
				<verse number="11">De kinderen van Arvad en uw heir waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen.</verse>
				<verse number="12">Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.</verse>
				<verse number="13">Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.</verse>
				<verse number="14">Uit het huis van Togárma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten.</verse>
				<verse number="15">De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel uwer hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weder tot een verering.</verse>
				<verse number="16">Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid uwer werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten.</verse>
				<verse number="17">Juda en het land Israëls waren uw kooplieden; met tarwe van Minnit en Pannag, en honig, en olie, en balsem, dreven zij onderlingen handel met u.</verse>
				<verse number="18">Damaskus dreef koophandel met u, om de veelheid uwer werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol.</verse>
				<verse number="19">Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlingen koophandel.</verse>
				<verse number="20">Dedan handelde met u met kostelijk gewand tot wagens.</verse>
				<verse number="21">Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.</verse>
				<verse number="22">De kooplieden van Scheba en Raëma waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.</verse>
				<verse number="23">Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u.</verse>
				<verse number="24">Die waren uw kooplieden met volkomen sieradiën, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone klederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uw koopmanschap.</verse>
				<verse number="25">De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege den onderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën.</verse>
				<verse number="26">Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeën.</verse>
				<verse number="27">Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlingen handel met u drijven, en al uw krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uw ganse gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeën, ten dage van uw val.</verse>
				<verse number="28">Van het geluid des geschreeuws uwer schippers zullen de voorsteden beven.</verse>
				<verse number="29">En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven.</verse>
				<verse number="30">En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as.</verse>
				<verse number="31">En zij zullen zich over u gans kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid der ziel, en bittere rouwklage.</verse>
				<verse number="32">En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?</verse>
				<verse number="33">Als uw marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt gij vele volken verzadigd; met de veelheid uwer goederen en uw onderlingen koophandel, hebt gij de koningen der aarde rijk gemaakt.</verse>
				<verse number="34">Ten tijde, dat gij uit de zeeën verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw ganse gemeente in het midden van u gevallen.</verse>
				<verse number="35">Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.</verse>
				<verse number="36">De handelaars onder de volken fluiten u aan; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.</verse>
				<verse number="3">Zie, gij zijt wijzer dan Daniël; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.</verse>
				<verse number="4">Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.</verse>
				<verse number="5">Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.</verse>
				<verse number="6">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;</verse>
				<verse number="7">Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.</verse>
				<verse number="8">Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeën.</verse>
				<verse number="9">Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?</verse>
				<verse number="10">Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="11">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!</verse>
				<verse number="13">Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardónixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.</verse>
				<verse number="14">Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.</verse>
				<verse number="15">Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.</verse>
				<verse number="16">Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!</verse>
				<verse number="17">Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.</verse>
				<verse number="18">Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.</verse>
				<verse number="19">Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="20">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,</verse>
				<verse number="22">En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.</verse>
				<verse number="23">Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed in haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="24">En het huis Israëls zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.</verse>
				<verse number="25">Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israëls zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.</verse>
				<verse number="26">En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="29">
				<verse number="1">In het tiende jaar, in de tiende maand, op den twaalfden der maand, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Faraö, den koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het ganse Egypte.</verse>
				<verse number="3">Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Faraö, koning van Egypte! dien groten zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.</verse>
				<verse number="4">Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en den vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al den vis uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen; gij zult niet verzameld noch vergaderd worden; aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb Ik u ter spijze gegeven.</verse>
				<verse number="6">En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik de HEERE ben, omdat zij den huize Israëls een rietstaf geweest zijn.</verse>
				<verse number="7">Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt gij gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werdt gij verbroken, en liet alle lenden op zichzelven staan.</verse>
				<verse number="8">Daarom zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het zwaard over u brengen, en Ik zal uit u mens en beest uitroeien.</verse>
				<verse number="9">En Egypteland zal worden tot een wildernis en woestheid, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben; omdat hij zegt: De rivier is mijn, en ik heb die gemaakt.</verse>
				<verse number="10">Daarom, zie, Ik wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van den toren van Syene af, tot aan de landpale van Morenland.</verse>
				<verse number="11">Geen mensenvoet zal door hetzelve doorgaan, en geen beestenvoet zal door hetzelve doorgaan, en het zal veertig jaren onbewoond zijn.</verse>
				<verse number="12">Want Ik zal Egypteland stellen tot een verwoesting in het midden der verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden der verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.</verse>
				<verse number="13">Maar zo zegt de Heere HEERE: Ten einde van veertig jaren zal Ik de Egyptenaars vergaderen uit de volken, waarhenen zij verstrooid zijn geworden.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal de gevangenis der Egyptenaren wenden, en hen wederbrengen in het land Pathros, in het land huns koophandels; en aldaar zullen zij een nederig koninkrijk zijn.</verse>
				<verse number="15">En het zal nederiger zijn dan de andere koninkrijken, en zich niet meer verheffen boven de heidenen; want Ik zal hen verminderen, dat zij niet zullen heersen over de heidenen.</verse>
				<verse number="16">En het zal den huize Israëls niet meer zijn tot een vertrouwen, dat der ongerechtigheid doet gedenken, wanneer zij naar henlieden omzien; maar zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.</verse>
				<verse number="17">Voorts gebeurde het in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op den eersten der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Mensenkind! Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft zijn heir een groten dienst doen dienen tegen Tyrus; alle hoofden zijn kaal geworden, en alle zijden zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn heir heeft loon gehad vanwege Tyrus, voor den dienst, dien hij tegen haar gediend heeft.</verse>
				<verse number="19">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Nebukadrézar, den koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal deszelfs menigte wegvoeren, en deszelfs buit buiten, en deszelfs roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn heir.</verse>
				<verse number="20">Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="21">Te dien dage zal Ik den hoorn van het huis Israëls doen uitspruiten, en u opening des monds geven in het midden van hen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="30">
				<verse number="1">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Huilt: Ach die dag!</verse>
				<verse number="3">Want de dag is nabij, ja, de dag des HEEREN is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn.</verse>
				<verse number="4">En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen derzelver menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.</verse>
				<verse number="5">Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land des verbonds zullen met hen vallen door het zwaard.</verse>
				<verse number="6">Zo zegt de HEERE: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hovaardij harer sterkte zal nederdalen; van den toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="7">En zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden.</verse>
				<verse number="8">En zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden.</verse>
				<verse number="9">Te dien dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in den dag van Egypte; want ziet, het komt aan!</verse>
				<verse number="10">Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel.</verse>
				<verse number="11">Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste der heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand der bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand der vreemden: Ik, de HEERE, heb het gesproken.</verse>
				<verse number="13">Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook de drekgoden verdoen, en de nietige afgoden doen ophouden uit Nof; en er zal geen vorst meer zijn uit Egypteland; en Ik zal een vreze in Egypteland stellen.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien.</verse>
				<verse number="16">En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.</verse>
				<verse number="17">De jongelingen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis.</verse>
				<verse number="18">En te Tachpánhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken, en de hovaardij harer sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.</verse>
				<verse number="19">Alzo zal Ik gerichten oefenen in Egypte; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="20">Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op den zevenden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="21">Mensenkind! Ik heb den arm van Faraö, den koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om dien te verbinden, om dien te sterken, dat hij het zwaard houde.</verse>
				<verse number="22">Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil aan Faraö, den koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, beide den sterken en den verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.</verse>
				<verse number="23">En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.</verse>
				<verse number="24">En Ik zal de armen des konings van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Faraö's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.</verse>
				<verse number="25">Ja, Ik zal de armen des konings van Babel sterken, maar Faraö's armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand des konings van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="31">
				<verse number="1">Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zeg tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?</verse>
				<verse number="3">Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.</verse>
				<verse number="4">De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.</verse>
				<verse number="5">Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.</verse>
				<verse number="6">Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.</verse>
				<verse number="7">Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.</verse>
				<verse number="8">De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.</verse>
				<verse number="9">Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.</verse>
				<verse number="10">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;</verse>
				<verse number="11">Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.</verse>
				<verse number="12">En vreemden, de tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.</verse>
				<verse number="13">Alle vogelen des hemels woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren des velds waren op zijn scheuten;</verse>
				<verse number="14">Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.</verse>
				<verse number="15">Zo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil den afgrond, en weerde de stromen van dien, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewonden.</verse>
				<verse number="16">Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde.</verse>
				<verse number="17">Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.</verse>
				<verse number="18">Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Faraö, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="32">
				<verse number="1">Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op den eersten der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! hef een klaaglied op over Faraö, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerdet het water met uw voeten, en vermodderdet hunlieder rivieren.</verse>
				<verse number="3">Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.</verse>
				<verse number="4">Dan zal Ik u laten op het land, Ik zal u henenwerpen op het open veld; en Ik zal al het gevogelte des hemels op u doen wonen, en het gedierte der ganse aarde van u verzadigen.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal uw vlees henengeven op de bergen, en de dalen met uw hoogheid vervullen.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal het land, waarin gij zwemt, van uw bloed drenken tot aan de bergen; en de stromen zullen van u vervuld worden.</verse>
				<verse number="7">En als Ik u zal uitblussen, zal Ik den hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.</verse>
				<verse number="8">Alle lichtende lichten aan den hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="9">Daartoe zal Ik het hart van vele volken verdrietig maken, als Ik uw verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die gij niet gekend hebt.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals.</verse>
				<verse number="11">Want zo zegt de Heere HEERE: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen.</verse>
				<verse number="12">Ik zal uw menigte vellen door de zwaarden der helden, die al te zamen de tirannigste der heidenen zijn; die zullen de hovaardij van Egypte verstoren, en haar ganse menigte zal verdelgd worden.</verse>
				<verse number="13">En Ik zal haar beesten verdoen van bij de grote wateren; en geen mensenvoet zal ze meer beroeren, en geen beestenklauwen zullen ze beroeren.</verse>
				<verse number="14">Dan zal Ik hunlieder wateren doen zinken, en Ik zal hunlieder rivieren doen gaan als olie, spreekt de Heere HEERE:</verse>
				<verse number="15">Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tot een verwoesting, en het land van zijn volheid zal woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen; alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="16">Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochteren der heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="17">Voorts gebeurde het in het twaalfde jaar, op den vijftienden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochteren der prachtige heidenen) in de onderste plaatsen der aarde, bij degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.</verse>
				<verse number="19">Boven wien zijt gij liefelijk! Daal neder, en leg u bij de onbesnedenen.</verse>
				<verse number="20">In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trekt haar henen met al haar menigte.</verse>
				<verse number="21">De machtigste der helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden der hel; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard;</verse>
				<verse number="22">Daar is Assur met haar gansen hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard;</verse>
				<verse number="23">Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.</verse>
				<verse number="24">Daar is Elam met haar ganse menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen der aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.</verse>
				<verse number="25">In het midden der verslagenen hebben zij haar een legerstede gesteld onder haar ganse menigte, rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald; hij is geleid in het midden der verslagenen.</verse>
				<verse number="26">Daar is Mesech, en Tubal, met haar ganse menigte; rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hun schrik gegeven hebben in het land der levenden.</verse>
				<verse number="27">Maar zij liggen niet met de helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die ter helle zijn nedergedaald met hun krijgswapenen, en welker zwaarden men gelegd heeft onder hun hoofden; welker ongerechtigheid nochtans op hun beenderen is, omdat der helden schrik in het land der levenden geweest is.</verse>
				<verse number="28">Gij ook zult verbroken worden in het midden der onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard.</verse>
				<verse number="29">Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die met hunlieder macht gelegd zijn bij de verslagenen van het zwaard; diezelve liggen met de onbesnedenen en met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.</verse>
				<verse number="30">Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniërs, die met de verslagenen zijn nedergedaald, beschaamd zijnde vanwege hun schrik, die uit hun macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.</verse>
				<verse number="31">Faraö zal henlieden zien, en zich troosten over zijn ganse menigte; de verslagenen van het zwaard, Faraö en zijn ganse heir, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="32">Want Ik heb ook Mijn schrik gegeven in het land der levenden; dies zal hij gelegd worden in het midden der onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Faraö en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="33">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;</verse>
				<verse number="3">En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;</verse>
				<verse number="4">En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.</verse>
				<verse number="5">Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.</verse>
				<verse number="6">Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.</verse>
				<verse number="7">Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.</verse>
				<verse number="8">Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.</verse>
				<verse number="9">Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.</verse>
				<verse number="10">Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israëls: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?</verse>
				<verse number="11">Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?</verse>
				<verse number="12">Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.</verse>
				<verse number="13">Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.</verse>
				<verse number="14">Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;</verse>
				<verse number="15">Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.</verse>
				<verse number="16">Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.</verse>
				<verse number="17">Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.</verse>
				<verse number="18">Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.</verse>
				<verse number="19">En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.</verse>
				<verse number="20">Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israëls!</verse>
				<verse number="21">En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.</verse>
				<verse number="22">Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.</verse>
				<verse number="23">Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="24">Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israëls spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.</verse>
				<verse number="25">Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?</verse>
				<verse number="26">Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?</verse>
				<verse number="27">Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!</verse>
				<verse number="28">Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israëls zullen woest zijn, dat er niemand overga.</verse>
				<verse number="29">Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.</verse>
				<verse number="30">En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.</verse>
				<verse number="31">En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.</verse>
				<verse number="32">En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wèl speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.</verse>
				<verse number="33">Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="34">
				<verse number="1">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere HEERE: Wee den herderen Israëls, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?</verse>
				<verse number="3">Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet.</verse>
				<verse number="4">De zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardigheid.</verse>
				<verse number="5">Alzo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte des velds tot spijze geworden, dewijl zij verstrooid waren.</verse>
				<verse number="6">Mijn schapen dolen op alle bergen en op allen hogen heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op den gansen aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt.</verse>
				<verse number="7">Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord!</verse>
				<verse number="8">Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet;</verse>
				<verse number="9">Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord!</verse>
				<verse number="10">Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn.</verse>
				<verse number="11">Want zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken.</verse>
				<verse number="12">Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid.</verse>
				<verse number="13">En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.</verse>
				<verse number="14">Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls.</verse>
				<verse number="15">Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="16">Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.</verse>
				<verse number="17">Want gij, o Mijn schapen! de Heere HEERE zegt alzo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.</verse>
				<verse number="18">Is het u te weinig, dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weide met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?</verse>
				<verse number="19">Mijn schapen dan, zullen zij afweiden, wat met uw voeten vertreden is, en drinken, wat met uw voeten vermodderd is?</verse>
				<verse number="20">Daarom zegt de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee.</verse>
				<verse number="21">Omdat gij al de zwakken met de zijde en met den schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt;</verse>
				<verse number="22">Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.</verse>
				<verse number="23">En Ik zal een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.</verse>
				<verse number="24">En Ik, de HEERE, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, de HEERE, heb het gesproken.</verse>
				<verse number="25">En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.</verse>
				<verse number="26">Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.</verse>
				<verse number="27">En het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen, die zich van hen deden dienen.</verse>
				<verse number="28">En zij zullen den heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte der aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke.</verse>
				<verse number="29">En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en den smaad der heidenen niet meer dragen.</verse>
				<verse number="30">Maar zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis Israëls, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="31">Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="35">
				<verse number="1">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr, en profeteer tegen hetzelve,</verse>
				<verse number="3">En zeg tot hetzelve: Alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een schrik.</verse>
				<verse number="4">Ik zal uw steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult een verwoesting worden, en zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="5">Omdat gij een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen Israëls doen wegvloeien door het geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;</verse>
				<verse number="6">Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE; Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, en het bloed zal u vervolgen; alzo gij het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal uit hetzelve uitroeien dien, die er doorgaat, en dien, die wederkeert.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen; uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen, in dezelve zullen de verslagenen van het zwaard liggen.</verse>
				<verse number="9">Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden zullen niet bewoond worden; alzo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="10">Omdat gij zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, ofschoon de HEERE daar ware;</verse>
				<verse number="11">Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw nijdigheid, die gij uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben.</verse>
				<verse number="12">En gij zult weten, dat Ik, de HEERE, al uw lasteringen gehoord heb, die gij tegen de bergen Israëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons ter spijze gegeven.</verse>
				<verse number="13">Alzo hebt gij u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord.</verse>
				<verse number="14">Alzo zegt de Heere HEERE: Gelijk het ganse land verblijd is, alzo zal Ik u de verwoesting aandoen.</verse>
				<verse number="15">Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis van het huis Israëls, omdat zij verwoest is, alzo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en gans Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="36">
				<verse number="1">En gij, mensenkind! profeteer tot de bergen Israëls, en zeg: Gij bergen Israëls! hoort des HEEREN woord.</verse>
				<verse number="2">Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!</verse>
				<verse number="3">Daarom profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, opdat gij voor het overblijfsel der heidenen ten erve zoudt zijn, en gij gebracht zijt op de klapachtige lip en in opspraak des volks;</verse>
				<verse number="4">Daarom, gij bergen Israëls! hoort het woord des Heeren HEEREN: Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen, die rondom zijn;</verse>
				<verse number="5">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen, en tegen het ganse Edom; die Mijn land zichzelven ten erve gegeven hebben met blijdschap des gansen harten, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!</verse>
				<verse number="6">Daarom profeteer van het land Israëls, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij den smaad der heidenen gedragen hebt;</verse>
				<verse number="7">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen!</verse>
				<verse number="8">Maar gij, o bergen Israëls! gij zult weder uw takken geven, en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, want zij naderen te komen.</verse>
				<verse number="9">Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden.</verse>
				<verse number="11">Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer beroven.</verse>
				<verse number="13">Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tot u zeggen: Gij zijt een land, dat mensen opeet, en gij zijt een land, dat uw volken berooft;</verse>
				<verse number="14">Daarom zult gij niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal maken, dat men den schimp der heidenen niet meer over u hore, en gij zult den smaad der natiën niet meer dragen; en gij zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="16">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="17">Mensenkind! het huis Israëls, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij datzelve met hun weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinigheid ener afgezonderde vrouw.</verse>
				<verse number="18">Daarom goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil, dat zij in het land vergoten hadden, en om hun drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden.</verse>
				<verse number="19">En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen.</verse>
				<verse number="20">Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan.</verse>
				<verse number="21">Maar Ik verschoonde hen om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israëls ontheiligde onder de heidenen, waarhenen zij gekomen waren.</verse>
				<verse number="22">Daarom zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls! maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt.</verse>
				<verse number="23">Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn.</verse>
				<verse number="24">Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.</verse>
				<verse number="25">Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.</verse>
				<verse number="27">En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.</verse>
				<verse number="28">En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.</verse>
				<verse number="29">En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen.</verse>
				<verse number="30">En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst des velds vermenigvuldigen; opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.</verse>
				<verse number="31">Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.</verse>
				<verse number="32">Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend! Schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls!</verse>
				<verse number="33">Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen, en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.</verse>
				<verse number="34">En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging.</verse>
				<verse number="35">En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden; en de eenzame, en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond.</verse>
				<verse number="36">Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant. Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.</verse>
				<verse number="37">Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen.</verse>
				<verse number="38">Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="37">
				<verse number="1">De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.</verse>
				<verse number="2">En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!</verse>
				<verse number="4">Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.</verse>
				<verse number="5">Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="7">Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.</verse>
				<verse number="8">En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.</verse>
				<verse number="9">En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.</verse>
				<verse number="10">En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.</verse>
				<verse number="12">Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israëls.</verse>
				<verse number="13">En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!</verse>
				<verse number="14">En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="15">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="16">Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zijn metgezellen.</verse>
				<verse number="17">Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot één worden in uw hand.</verse>
				<verse number="18">En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?</verse>
				<verse number="19">Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen Israëls, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen één worden in Mijn hand.</verse>
				<verse number="20">De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.</verse>
				<verse number="21">Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;</verse>
				<verse number="22">En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.</verse>
				<verse number="23">En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.</verse>
				<verse number="24">En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.</verse>
				<verse number="25">En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="26">En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="27">En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.</verse>
				<verse number="28">En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="38">
				<verse number="1">Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,</verse>
				<verse number="3">En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal!</verse>
				<verse number="4">En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw ganse heir, paarden en ruiteren, die altemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen;</verse>
				<verse number="5">Perzen, Moren en Puteeërs met hen, die altemaal schild en helm voeren;</verse>
				<verse number="6">Gomer en al zijn benden, en het huis van Togárma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.</verse>
				<verse number="7">Zijt bereid en maakt u gereed, gij en uw ganse vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees gij hun tot een wacht.</verse>
				<verse number="8">Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij altemaal zeker zullen wonen.</verse>
				<verse number="9">Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als een onstuimige verwoesting, gij zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; gij en al uw benden, en vele volken met u.</verse>
				<verse number="10">Alzo zegt de Heere HEERE: Te dien dage zal het ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken,</verse>
				<verse number="11">En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.</verse>
				<verse number="12">Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands.</verse>
				<verse number="13">Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij, om buit te buiten? hebt gij uw vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een groten buit te buiten?</verse>
				<verse number="14">Daarom profeteer, o mensenkind! en zeg tot Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult gij het, te dien dage, als Mijn volk Israël zeker woont, niet gewaar worden?</verse>
				<verse number="15">Gij zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, gij en vele volken met u; die altemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering, en een machtig heir;</verse>
				<verse number="16">En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.</verse>
				<verse number="17">Zo zegt de Heere HEERE: Zijt gij die, van welken Ik in verleden dagen gesproken heb, door den dienst Mijner knechten, de profeten Israëls, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?</verse>
				<verse number="18">Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog tegen het land Israëls zal aankomen, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen.</verse>
				<verse number="19">Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur Mijner verbolgenheid: Zo er niet, te dien dage, een groot beven zal zijn in het land Israëls!</verse>
				<verse number="20">Zodat van Mijn aangezicht beven zullen de vissen der zee, en het gevogelte des hemels, en het gedierte des velds, en al het kruipend gedierte, dat op het aardrijk kruipt, en alle mensen, die op den aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden, en de steile plaatsen zullen nedervallen, en alle muren zullen ter aarde nedervallen.</verse>
				<verse number="21">Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt de Heere HEERE; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broeder zijn.</verse>
				<verse number="22">En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.</verse>
				<verse number="23">Alzo zal Ik Mij groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="39">
				<verse number="1">Voorts, gij mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!</verse>
				<verse number="2">En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israëls.</verse>
				<verse number="3">Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.</verse>
				<verse number="4">Op de bergen Israëls zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven.</verse>
				<verse number="5">Op het open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.</verse>
				<verse number="8">Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.</verse>
				<verse number="9">En de inwoners der steden Israëls zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;</verse>
				<verse number="10">Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="11">En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israël zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.</verse>
				<verse number="12">Het huis Israëls nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.</verse>
				<verse number="13">Ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="14">Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.</verse>
				<verse number="15">En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.</verse>
				<verse number="16">Ook zo zal de naam der stad Hamóna zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.</verse>
				<verse number="17">Gij dan, mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte des velds: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.</verse>
				<verse number="18">Het vlees der helden zult gij eten, en het bloed van de vorsten der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altemaal gemesten van Basan zijn.</verse>
				<verse number="19">En gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.</verse>
				<verse number="20">En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rij paarden en wagen paarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="21">En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.</verse>
				<verse number="22">En die van het huis Israëls zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.</verse>
				<verse number="23">En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;</verse>
				<verse number="24">Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.</verse>
				<verse number="25">Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israëls, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;</verse>
				<verse number="26">Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.</verse>
				<verse number="27">Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;</verse>
				<verse number="28">Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.</verse>
				<verse number="29">En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="40">
				<verse number="1">In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN op mij, en Hij bracht mij derwaarts.</verse>
				<verse number="2">In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israëls, en Hij zette mij op een zeer hogen berg; en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het zuiden.</verse>
				<verse number="3">Als Hij mij daarhenen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.</verse>
				<verse number="4">En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israëls alles, wat gij ziet.</verse>
				<verse number="5">En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom henen, en in des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte des gebouws één riet, en de hoogte één riet.</verse>
				<verse number="6">Toen kwam hij tot de poort, welke zag den weg naar het oosten, en hij ging bij derzelver trappen op, en mat den dorpel der poort één riet de breedte, en den anderen dorpel één riet de breedte.</verse>
				<verse number="7">En elk kamertje één riet de lengte, en één riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, één riet.</verse>
				<verse number="8">Ook mat hij het voorhuis der poort van binnen, één riet.</verse>
				<verse number="9">Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.</verse>
				<verse number="10">En de kamertjes der poort, den weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten, van deze en van gene zijde, enerlei maat.</verse>
				<verse number="11">Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen.</verse>
				<verse number="12">En er was een ruim voor aan de kamertjes, van één el van deze, en een ruim van één el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van gene zijde.</verse>
				<verse number="13">Toen mat hij de poort van het dak van een kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.</verse>
				<verse number="14">Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot den post des voorhofs, rondom de poort henen.</verse>
				<verse number="15">En van het voorste deel der poort des ingangs, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen.</verse>
				<verse number="16">En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom henen; alzo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom henen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.</verse>
				<verse number="17">Voorts bracht hij mij in het buitenste voorhof, en ziet, er waren kameren, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom henen, dertig kameren waren er op het plaveisel.</verse>
				<verse number="18">Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten; dit was het benedenste plaveisel.</verse>
				<verse number="19">En hij mat de breedte, van het voorste deel der benedenste poort af, voor aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, oostwaarts en noordwaarts.</verse>
				<verse number="20">Aangaande de poort nu, die den weg naar het noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij mat derzelver lengte en derzelver breedte.</verse>
				<verse number="21">En haar kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde; en haar posten en haar voorhuizen waren naar de maat der eerste poort; vijftig ellen haar lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen.</verse>
				<verse number="22">En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat der poort, die den weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelve.</verse>
				<verse number="23">De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij mat van poort tot poort honderd ellen.</verse>
				<verse number="24">Daarna voerde hij mij den weg naar het zuiden; en ziet, er was een poort den weg naar het zuiden; en hij mat derzelver posten, en derzelver voorhuizen, naar deze maten.</verse>
				<verse number="25">En zij had vensteren, ook aan haar voorhuizen, rondom henen, gelijk deze vensteren; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.</verse>
				<verse number="26">En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelve; en zij had palmbomen, een van deze, en een van gene zijde aan haar posten.</verse>
				<verse number="27">Ook was er een poort in het binnenste voorhof, den weg naar het zuiden; en hij mat van poort tot poort, den weg naar het zuiden, honderd ellen.</verse>
				<verse number="28">Voorts bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en hij mat de zuiderpoort naar deze maten.</verse>
				<verse number="29">En haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensteren, ook in haar voorhuizen, rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.</verse>
				<verse number="30">En er waren voorhuizen rondom henen; de lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen.</verse>
				<verse number="31">En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen.</verse>
				<verse number="32">Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, den weg naar het oosten; en hij mat de poort, naar deze maten;</verse>
				<verse number="33">Ook haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensteren ook aan haar voorhuizen, rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.</verse>
				<verse number="34">En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.</verse>
				<verse number="35">Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij mat naar deze maten.</verse>
				<verse number="36">Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensteren rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.</verse>
				<verse number="37">En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.</verse>
				<verse number="38">Haar kameren nu en haar deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wies men het brandoffer.</verse>
				<verse number="39">En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.</verse>
				<verse number="40">Ook waren er aan de zijde van buiten des opgangs, aan de deur der noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis der poort was, twee tafelen.</verse>
				<verse number="41">Vier tafelen van deze, en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde der poort, acht tafelen, waarop men slachtte.</verse>
				<verse number="42">Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; op dezelve nu legde men het gereedschap henen, waarmede men het brandoffer en slachtoffer slachtte.</verse>
				<verse number="43">De haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt in het huis rondom henen; en op de tafelen was het offervlees.</verse>
				<verse number="44">En van buiten de binnenste poort waren de kameren der zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel derzelve was den weg naar het zuiden; een was er aan de zijde van de oostpoort, ziende den weg naar het noorden.</verse>
				<verse number="45">En hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het zuiden is, is voor de priesteren, die de wacht des huizes waarnemen.</verse>
				<verse number="46">Maar de kamer, welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesteren, die de wacht des altaars waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot den HEERE naderen, om Hem te dienen.</verse>
				<verse number="47">En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis.</verse>
				<verse number="48">Toen bracht hij mij tot het voorhuis des huizes, en hij mat elken post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze, en drie ellen van gene zijde.</verse>
				<verse number="49">De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, een van deze, en een van gene zijde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="41">
				<verse number="1">Voorts bracht hij mij tot den tempel; en hij mat de posten, zes ellen de breedte van deze, en zes ellen de breedte van gene zijde, de breedte der tent.</verse>
				<verse number="2">En de breedte der deur, tien ellen, en de zijden der deur, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; ook mat hij de lengte daarvan, veertig ellen, en de breedte twintig ellen.</verse>
				<verse number="3">Daarna ging hij in naar binnen, en mat den post der deur, twee ellen; en de deur zes ellen, en de breedte der deur zeven ellen.</verse>
				<verse number="4">Ook mat hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen voor aan den tempel; en hij zeide tot mij: Dit is de heiligheid der heiligheden.</verse>
				<verse number="5">En hij mat den wand des huizes zes ellen; en de breedte van elke zijkamer, vier ellen, rondom het huis henen rondom.</verse>
				<verse number="6">De zijkameren nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig malen, en zij kwamen in den wand, die aan het huis was, tot die zijkamers rondom henen, opdat zij vastgehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in den wand des huizes.</verse>
				<verse number="7">En het was voor de zijkameren opwaarts naar boven al wijder, en gaf zich rondom; want het huis was omsingeld opwaarts naar boven, rondom het huis henen; daarom was de breedte des huizes naar boven; en alzo ging het onderste op naar het bovenste door het middelste.</verse>
				<verse number="8">En ik zag de hoogte des huizes rondom henen. De fondamenten der zijkameren waren van een vol riet, zes ellen, de el tot den oksel toe genomen.</verse>
				<verse number="9">De breedte van den wand, die tot de zijkameren was naar buiten, was vijf ellen; en dat ledig gelaten was, was de plaats der zijkameren, die aan het huis waren.</verse>
				<verse number="10">En tussen de kameren was een breedte van twintig ellen, rondom het huis, rondom henen.</verse>
				<verse number="11">De deuren nu van de zijkameren waren naar het ledig gelatene toe, de ene deur den weg naar het noorden, en de andere deur naar het zuiden; en de breedte van de ledig gelatene plaats was vijf ellen rondom henen.</verse>
				<verse number="12">Voorts van het gebouw, dat voor aan de afgesneden plaats was in den hoek des wegs naar het westen, was de breedte zeventig ellen, en van den wand des gebouws was de breedte vijf ellen rondom henen, en de lengte daarvan negentig ellen.</verse>
				<verse number="13">Voorts mat hij het huis, de lengte honderd ellen; ook de afgesneden plaats en het gebouw, en de wanden daarvan, de lengte honderd ellen.</verse>
				<verse number="14">En de breedte van het voorste deel des huizes, en der afgesneden plaats tegen het oosten, honderd ellen.</verse>
				<verse number="15">Ook mat hij de lengte des gebouws voor aan de afgesneden plaats dat achter dezelve was, en derzelver galerijen van deze en van gene zijde, honderd ellen; met den binnensten tempel, en de voorhuizen des voorhofs.</verse>
				<verse number="16">De dorpelen, en de gesloten vensters en de galerijen rondom die drie, tegenover den dorpel, waren beschoten met hout rondom henen, en van de aarde tot aan de vensteren; de vensteren waren bedekt;</verse>
				<verse number="17">Tot hetgeen boven de deur was, en tot het binnenste en buitenste huis toe, en aan den gansen wand rondom henen in het binnenste en buitenste, al bij maten.</verse>
				<verse number="18">En het was gemaakt met cherubs en palmbomen; zodat er een palmboom was tussen cherub en cherub, en elke cherub had twee aangezichten;</verse>
				<verse number="19">Namelijk, eens mensen aangezicht tegen den palmboom van deze, en eens jongen leeuws aangezicht tegen den palmboom van gene zijde; gemaakt in het ganse huis rondom henen.</verse>
				<verse number="20">Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan den wand des tempels.</verse>
				<verse number="21">De posten des tempels waren vierkant; en aangaande het voorste deel des heiligdoms, de ene gedaante was als de andere gedaante.</verse>
				<verse number="22">De hoogte des houten altaars was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor des HEEREN aangezicht zal zijn.</verse>
				<verse number="23">De tempel nu en het heiligdom hadden beide twee deuren.</verse>
				<verse number="24">En er waren twee bladen aan de deuren; te weten twee bladen, die men omdraaien kon; twee aan de ene deur, en twee bladen aan de andere.</verse>
				<verse number="25">En aan dezelve, namelijk aan de deuren des tempels, waren cherubs en palmbomen gemaakt, gelijk als er aan de wanden gemaakt waren; en het hout aan het voorste deel van het voorhuis van buiten was dik.</verse>
				<verse number="26">En aan de gesloten vensteren waren ook palmbomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkameren van het huis, en aan de dikke planken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="42">
				<verse number="1">Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof; den weg naar den weg van het noorden; en hij bracht mij tot de kameren, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren:</verse>
				<verse number="2">Voor aan de lengte van de honderd ellen naar de deur van het noorden; en de breedte was vijftig ellen.</verse>
				<verse number="3">Tegenover de twintig ellen, die het binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel, dat het buitenste voorhof had, was galerij tegen galerij, in drie rijen.</verse>
				<verse number="4">En voor de kameren was een wandeling van tien ellen de breedte; naar binnen toe, en een weg van een el; en de deuren van dezelve waren tegen het noorden.</verse>
				<verse number="5">De bovenste kameren nu waren nauwer (omdat de galerijen hoger waren dan dezelve), dan de onderste en dan de middelste des gebouws.</verse>
				<verse number="6">Want zij waren wel van drie rijen, maar hadden geen pilaren gelijk de pilaren der voorhoven; daarom waren zij benauwder dan de onderste en dan de middelste van de aarde af.</verse>
				<verse number="7">De muur nu, die naar buiten tegenover de kameren was, den weg naar het buitenste voorhof, voor aan de kameren, de lengte van dien was vijftig ellen.</verse>
				<verse number="8">Want de lengte der kameren, die het buitenste voorhof had, was vijftig ellen; en ziet, voor aan den tempel waren honderd ellen.</verse>
				<verse number="9">Van onder deze kameren nu was de ingang van het oosten, als iemand tot dezelve ingaat, uit het buitenste voorhof.</verse>
				<verse number="10">Aan de breedte van den muur des voorhofs, den weg naar het oosten, voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren kameren.</verse>
				<verse number="11">En de weg voor dezelve henen was als de gedaante der kameren, die den weg naar het noorden waren, naar derzelver lengte, alzo naar derzelver breedte; en al haar uitgangen waren ook naar derzelver wijzen en naar derzelver deuren.</verse>
				<verse number="12">En gelijk de deuren der kameren, die den weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van den weg, den weg voor aan den rechten muur, den weg naar het oosten, als men daar ingaat.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide hij tot mij: De kameren van het noorden, en de kameren van het zuiden, die voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kameren, waarin de priesters, die tot den HEERE naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen henenleggen, en het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig.</verse>
				<verse number="14">Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weder uitgaan in het buitenste voorhof, maar aldaar hun klederen henenleggen, in dewelke zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere klederen aantrekken, en naderen tot hetgeen voor het volk is.</verse>
				<verse number="15">Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zo bracht hij mij uit, den weg naar de poort, die den weg naar het oosten zag, en hij mat ze rondom henen.</verse>
				<verse number="16">Hij mat de oostzijde met het meetriet; vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom.</verse>
				<verse number="17">Hij mat de noordzijde, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom.</verse>
				<verse number="18">De zuidzijde mat hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet.</verse>
				<verse number="19">Hij ging om naar de westzijde, en hij mat vijfhonderd rieten, met het meetriet.</verse>
				<verse number="20">Hij mat het aan de vier zijden; het had een muur rondom henen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het heilige en onheilige.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="43">
				<verse number="1">Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die den weg naar het oosten zag.</verse>
				<verse number="2">En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël kwam van den weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.</verse>
				<verse number="3">En alzo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="4">En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag.</verse>
				<verse number="5">En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld.</verse>
				<verse number="6">En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij staande.</verse>
				<verse number="7">En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten;</verse>
				<verse number="8">Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post nevens Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heiligen Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.</verse>
				<verse number="9">Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="10">Gij mensenkind; wijs den huize Israëls dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten.</verse>
				<verse number="11">En indien zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend den vorm van het huis, en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantiën, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantiën bewaren, en dezelve doen.</verse>
				<verse number="12">Dit is de wet van het huis: op de hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom henen, een heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.</verse>
				<verse number="13">En dit zijn de maten des altaars, naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug des altaars.</verse>
				<verse number="14">Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.</verse>
				<verse number="15">En de Harel vier ellen; en van den Ariël voorts opwaarts, de vier hoornen.</verse>
				<verse number="16">De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.</verse>
				<verse number="17">En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.</verse>
				<verse number="18">En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantiën des altaars, ten dage als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprengen.</verse>
				<verse number="19">En gij zult aan de Levietische priesteren, dewelke uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt de Heere HEERE), om Mij te dienen, geven een var, een jong rund, ten zondoffer.</verse>
				<verse number="20">En gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken der afzetsels, en aan den rand rondom; alzo zult gij het ontzondigen, en het verzoenen.</verse>
				<verse number="21">Daarna zult gij den var des zondoffers nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.</verse>
				<verse number="22">En op den tweeden dag zult gij een volkomen geitenbok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij dat ontzondigd hebben met den var.</verse>
				<verse number="23">Als gij een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult gij een var, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.</verse>
				<verse number="24">En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN; en de priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den HEERE.</verse>
				<verse number="25">Zeven dagen zult gij dagelijks een bok des zondoffers bereiden; ook zullen zij een var, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.</verse>
				<verse number="26">Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.</verse>
				<verse number="27">Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="44">
				<verse number="1">Toen deed hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten.</verse>
				<verse number="2">En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israëls, door dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.</verse>
				<verse number="3">De vorst, de vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan.</verse>
				<verse number="4">Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="5">En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle uitgangen des heiligdoms.</verse>
				<verse number="6">En zeg tot die wederspannigen, tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor ulieden, vanwege al uw gruwelen, o huis Israëls.</verse>
				<verse number="7">Dewijl gijlieden vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als gij Mijn brood, het vette en het bloed offerdet, en zij Mijn verbond verbraken, nevens al uw gruwelen.</verse>
				<verse number="8">En gijlieden hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar gij hebt uzelven enigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom.</verse>
				<verse number="9">Alzo zegt de Heere HEERE: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israëls is.</verse>
				<verse number="10">Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen;</verse>
				<verse number="11">Nochtans zullen zij in Mijn heiligdom bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen;</verse>
				<verse number="12">Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israëls tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.</verse>
				<verse number="13">En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben.</verse>
				<verse number="14">Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht des huizes, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.</verse>
				<verse number="15">Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen Israëls van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heere HEERE;</verse>
				<verse number="16">Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen, om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen.</verse>
				<verse number="17">En het zal geschieden, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen klederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts.</verse>
				<verse number="18">Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.</verse>
				<verse number="19">En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun klederen, in dewelke zij gediend hebben, uittrekken, en dezelve henenleggen in de heilige kameren; en zullen andere klederen aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hun klederen.</verse>
				<verse number="20">En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen; behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren.</verse>
				<verse number="21">Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.</verse>
				<verse number="22">Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van het zaad van het huis Israëls, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.</verse>
				<verse number="23">En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.</verse>
				<verse number="24">En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.</verse>
				<verse number="25">Ook zal geen van hen tot een doden mens ingaan, dat hij onrein worde; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broeder of om een zuster, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.</verse>
				<verse number="26">En na zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen.</verse>
				<verse number="27">En ten dage, als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="28">Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult gij hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting.</verse>
				<verse number="29">Het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het verbannene in Israël het hunne zijn.</verse>
				<verse number="30">En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen der priesteren zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten.</verse>
				<verse number="31">Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="45">
				<verse number="1">Als gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult gij een hefoffer den HEERE offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.</verse>
				<verse number="2">Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom.</verse>
				<verse number="3">Alzo zult gij meten van deze maat, de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; en daarin zal het heiligdom zijn met het heilige der heiligen.</verse>
				<verse number="4">Dat zal een heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesteren, die het heiligdom bedienen, die naderen om den HEERE te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom.</verse>
				<verse number="5">Voorts zullen de Levieten, die dienaars des huizes, ook de lengte hebben van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend, hunlieden tot een bezitting, voor twintig kameren.</verse>
				<verse number="6">En tot bezitting van de stad zult gij geven de breedte van vijf duizend en de lengte van vijf en twintig duizend, tegenover het heilig hefoffer; voor het ganse huis Israëls zal het zijn.</verse>
				<verse number="7">De vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, voor aan het heilig hefoffer, en voor aan de bezitting der stad; van den westerhoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der delen, van de westergrens tot de oostergrens toe.</verse>
				<verse number="8">Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israël; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, maar den huize Israëls het land laten, naar hun stammen.</verse>
				<verse number="9">Alzo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor u, gij vorsten Israëls! doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw uitstotingen op van Mijn volk, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="10">Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult gijlieden hebben.</verse>
				<verse number="11">Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar den homer.</verse>
				<verse number="12">En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen, en vijftien sikkelen, zal ulieden een pond zijn.</verse>
				<verse number="13">Dit is het hefoffer, dat gijlieden offeren zult: het zesde deel van een efa van een homer tarwe; ook zult gij het zesde deel van een efa geven van een homer gerst.</verse>
				<verse number="14">Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie; gij zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, hetwelk is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer.</verse>
				<verse number="15">Voorts een lam uit de kudde, uit de tweehonderd, uit het waterrijke land van Israël, tot spijsoffer, en tot brandoffer, en tot dankofferen om verzoening over hen te doen, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="16">Al het volk des lands zal in dit hefoffer zijn, voor den vorst in Israël.</verse>
				<verse number="17">En het zal den vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle gezette hoogtijden van het huis Israëls; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis Israëls.</verse>
				<verse number="18">Alzo zegt de Heere HEERE: In de eerste maand, op den eersten der maand, zult gij een volkomen var, een jong rund, nemen; en gij zult het heiligdom ontzondigen.</verse>
				<verse number="19">En de priester zal van het bloed des zondoffers nemen, en doen het aan de posten des huizes, en aan de vier hoeken van het afzetsel des altaars, en aan de posten der poorten van het binnenste voorhof.</verse>
				<verse number="20">Alzo zult gij ook doen op den zevenden in die maand; vanwege den afdwalende, en vanwege den slechte; alzo zult gijlieden het huis verzoenen.</verse>
				<verse number="21">In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal ulieden het pascha zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde broden zal men eten.</verse>
				<verse number="22">En de vorst zal op denzelven dag voor zichzelven, en voor al het volk des lands, bereiden een var des zondoffers.</verse>
				<verse number="23">En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer den HEERE bereiden, van zeven varren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks.</verse>
				<verse number="24">Ook zal hij een spijsoffer bereiden, een efa tot een var, en een efa tot een ram; en een hin olie tot een efa.</verse>
				<verse number="25">In de zevende maand, op den vijftienden dag der maand zal hij op het feest desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk het zondoffer, gelijk het brandoffer, en gelijk het spijsoffer, en gelijk de olie.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="46">
				<verse number="1">Alzo zegt de Heere HEERE: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op den sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op den dag van de nieuwe maan.</verse>
				<verse number="2">En de vorst zal ingaan door den weg van het voorhuis derzelve poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de priesters zullen zijn brandofferen en zijn dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond.</verse>
				<verse number="3">Ook zal het volk des lands aanbidden voor de deur derzelve poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="4">Het brandoffer nu, dat de vorst den HEERE zal offeren, zal op den sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram.</verse>
				<verse number="5">En het spijsoffer, een efa tot den ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer een gave zijner hand zijn; en olie, een hin tot een efa.</verse>
				<verse number="6">Maar op den dag van de nieuwe maan, een var, een jong rund, van de volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen zij zijn.</verse>
				<verse number="7">En ten spijsoffer zal hij bereiden een efa tot den var, en een efa tot den ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa.</verse>
				<verse number="8">En als de vorst ingaat, zal hij door den weg van het voorhuis der poort ingaan, en door deszelfs weg weder uitgaan.</verse>
				<verse number="9">Maar als het volk des lands voor het aangezicht des HEEREN komt, op de gezette hoogtijden, die door den weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door den weg van de zuiderpoort weder uitgaan; en die door den weg van de zuiderpoort ingaat, zal door den weg van de noorderpoort weder uitgaan; hij zal niet wederkeren door den weg der poort, door dewelke hij is ingegaan, maar recht voor zich henen uitgaan.</verse>
				<verse number="10">De vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij uitgaan, zullen zij samen uitgaan.</verse>
				<verse number="11">Voorts op de feesten, en op de gezette hoogtijden zal het spijsoffer zijn, een efa tot een var, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een gave zijner hand; en olie, een hin tot een efa.</verse>
				<verse number="12">En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankofferen tot een vrijwillig offer den HEERE, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijn dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op den sabbatdag; en als hij weder uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn.</verse>
				<verse number="13">Wijders zult gij een volkomen eenjarig lam dagelijks bereiden ten brandoffer den HEERE; alle morgens zult gij dat bereiden.</verse>
				<verse number="14">En gij zult ten spijsoffer daarop doen, alle morgens een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een spijsoffer den HEERE, tot eeuwige inzettingen, geduriglijk.</verse>
				<verse number="15">Zij zullen dan het lam, en het spijsoffer, en de olie alle morgens bereiden tot een gedurig brandoffer.</verse>
				<verse number="16">Alzo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst aan iemand van zijn zonen een geschenk zal geven van zijn erfenis, dat zullen zijn zonen hebben; het zal hun bezitting zijn in erfenis.</verse>
				<verse number="17">Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot den vorst wederkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben.</verse>
				<verse number="18">En de vorst zal niets nemen van de erfenis des volks, om hen van hun bezitting te beroven; van zijn bezitting zal hij zijn zonen erf nalaten; opdat niet Mijn volk, een iegelijk uit zijn erfenis, verstrooid worde.</verse>
				<verse number="19">Daarna bracht hij mij door den ingang, die aan de zijde der poort was, tot de heilige kameren, den priesteren toe behorende, die naar het noorden zagen, en ziet, aldaar was een plaats aan beide zijden, naar het westen.</verse>
				<verse number="20">En hij zeide tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het spijsoffer zullen bakken, opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen.</verse>
				<verse number="21">Toen bracht hij mij in het buitenste voorhof, en voerde mij om in de vier hoeken des voorhofs; en ziet, in elken hoek des voorhofs was een ander voorhofje.</verse>
				<verse number="22">In de vier hoeken des voorhofs waren voorhofjes met schoorstenen, van veertig ellen de lengte, en dertig de breedte; dezelve vier hoekhofjes hadden enerlei maat.</verse>
				<verse number="23">En er was rondom in dezelve een ringmuur, rondom deze vier; en er waren keukens gemaakt beneden aan de ringmuren rondom.</verse>
				<verse number="24">En hij zeide tot mij: Dit zijn de keukens, alwaar de dienaars des huizes het slachtoffer des volks zullen koken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="47">
				<verse number="1">Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars.</verse>
				<verse number="2">En hij bracht mij uit door den weg van de noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten, tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde.</verse>
				<verse number="3">Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen.</verse>
				<verse number="4">Toen mat hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lenden.</verse>
				<verse number="5">Voorts mat hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan.</verse>
				<verse number="6">En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weder tot aan den oever der beek.</verse>
				<verse number="7">Als ik wederkeerde, ziet, zo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galiléa, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.</verse>
				<verse number="9">Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.</verse>
				<verse number="10">Ook zal het geschieden, dat er vissers aan dezelve zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaïm toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.</verse>
				<verse number="11">Doch haar modderige plaatsen en haar moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.</verse>
				<verse number="12">Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren vlieten uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling.</verse>
				<verse number="13">Alzo zegt de Heere HEERE: Dit zal de landpale zijn, naar dewelke gij het land ten erve zult nemen, naar de twaalf stammen Israëls: Jozef twee snoeren.</verse>
				<verse number="14">En gij zult dat erven, de een zowel als de ander; over hetwelk Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaderen zou geven; en ditzelve land zal ulieden in erfenis vallen.</verse>
				<verse number="15">Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorderhoek, van de grote zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Zedad.</verse>
				<verse number="16">Hamath, Berótha, Sibráïm, dat tussen de landpale van Damaskus en tussen de landpale van Hamath is; Hazar Hattíchon, dat aan de landpale van Havran is.</verse>
				<verse number="17">Alzo zal de landpale van de zee af zijn, Hazar-Enon, de landpale van Damaskus, en het noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath; en dat zal de noorderhoek zijn.</verse>
				<verse number="18">Den oosterhoek nu zult gijlieden meten van tussen Havran, en van tussen Damaskus, en van tussen Gilead, en van tussen het land Israëls aan den Jordaan, van de landpale af tot de Oostzee toe; en dat zal de oosterhoek zijn.</verse>
				<verse number="19">En den zuiderhoek zuidwaarts van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de grote zee; en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn.</verse>
				<verse number="20">En den westerhoek, de grote zee, van de landpale af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn.</verse>
				<verse number="21">Ditzelve land nu zult gij ulieden uitdelen naar de stammen Israëls.</verse>
				<verse number="22">Maar het zal geschieden, dat gij hetzelve zult doen vallen in erfenis voor ulieden, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn, als een inboorling onder de kinderen Israëls; zij zullen met ulieden in erfenis vallen, in het midden der stammen Israëls.</verse>
				<verse number="23">Ook zal het geschieden, in den stam, bij welken de vreemdeling verkeert, aldaar zult gij hem zijn erfenis geven, spreekt de Heere HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="48">
				<verse number="1">Dit nu zijn de namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde des wegs van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-Enon, de landpale van Damaskus, noordwaarts aan de zijde van Hamath (ook zal hij den ooster- en westerhoek hebben), zal Dan één snoer hebben.</verse>
				<verse number="2">En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Aser één.</verse>
				<verse number="3">En aan de landpale van Aser, van den oosterhoek af tot den westerhoek toe, Nafthali één.</verse>
				<verse number="4">En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse één.</verse>
				<verse number="5">En aan de landpale van Manasse, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraïm één.</verse>
				<verse number="6">En aan de landpale van Efraïm, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Ruben één.</verse>
				<verse number="7">En aan de landpale van Ruben, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Juda één.</verse>
				<verse number="8">Aan de landpale nu van Juda, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, zal het hefoffer zijn, dat gijlieden zult offeren, vijf en twintig duizend meetrieten in breedte, en de lengte, als van een der andere delen, van den oosterhoek tot den westerhoek toe; en het heiligdom zal in het midden deszelven zijn.</verse>
				<verse number="9">Het hefoffer, dat gijlieden den HEERE zult offeren, zal wezen de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend.</verse>
				<verse number="10">En daarin zal het heilig hefoffer zijn voor de priesteren, noordwaarts de lengte van vijf en twintig duizend, en westwaarts de breedte van tien duizend, en oostwaarts de breedte van tien duizend, en zuidwaarts de lengte van vijf en twintig duizend; en het heiligdom des HEEREN zal in het midden deszelven zijn.</verse>
				<verse number="11">Het zal zijn voor de priesteren, die geheiligd zijn uit de kinderen van Zadok, die Mijn wacht hebben waargenomen; die niet gedwaald hebben, als de kinderen Israëls dwaalden; gelijk als de andere Levieten gedwaald hebben.</verse>
				<verse number="12">En het geofferde van het hefoffer des lands zal hunlieden een heiligheid der heiligheden zijn, aan de landpale der Levieten.</verse>
				<verse number="13">Voorts zullen de Levieten tegenover de landpale der priesteren hebben de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; de ganse lengte zal zijn vijf en twintig duizend, en de breedte tien duizend.</verse>
				<verse number="14">En zij zullen daarvan niet verkopen, noch de eerstelingen des lands verwisselen, noch overdragen; want het is een heiligheid den HEERE.</verse>
				<verse number="15">Maar de vijf duizend, dat is hetgeen overgelaten is in de breedte, voor aan de vijf en twintig duizend, dat zal onheilig zijn, voor de stad, tot bewoning en tot voorsteden; en de stad zal in het midden daarvan zijn.</verse>
				<verse number="16">En dit zullen haar maten zijn: de noorderhoek, vier duizend en vijfhonderd meetrieten; en de zuiderhoek vier duizend en vijfhonderd en van den oosterhoek vier duizend en vijfhonderd; en de westerhoek vier duizend en vijfhonderd.</verse>
				<verse number="17">De voorsteden nu der stad zullen zijn, noordwaarts tweehonderd en vijftig, en zuidwaarts tweehonderd en vijftig, en oostwaarts tweehonderd en vijftig, en westwaarts tweehonderd en vijftig.</verse>
				<verse number="18">En het overgelatene in de lengte, tegenover het heilig hefoffer, zal zijn tien duizend oostwaarts, en tien duizend westwaarts; en het zal tegenover het heilig hefoffer zijn; en de inkomst daarvan zal wezen tot onderhoud voor degenen, die de stad dienen.</verse>
				<verse number="19">En die de stad dienen, zullen haar dienen uit alle stammen Israëls.</verse>
				<verse number="20">Het ganse hefoffer zal zijn van vijf en twintig duizend meetrieten, met vijf en twintig duizend; vierkant zult gijlieden het heilig hefoffer offeren, met de bezitting der stad.</verse>
				<verse number="21">En het overgelatene zal voor den vorst zijn, van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers, en van de bezitting der stad, voor aan de vijf en twintig duizend meetrieten des hefoffers, tot aan de ooster- en westerlandpale, voor aan de vijf en twintig duizend aan de westerlandpale, tegenover de andere delen, dat zal voor den vorst zijn; en het heilig hefoffer, en het heiligdom des huizes, zal in het midden daarvan zijn.</verse>
				<verse number="22">Van de bezitting nu der Levieten, en van de bezitting der stad af, zijnde in het midden van hetgeen des vorsten zal zijn; wat tussen de landpale van Juda, en tussen de landpale van Benjamin is, zal des vorsten zijn.</verse>
				<verse number="23">Aangaande voorts het overige der stammen; van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Benjamin één snoer.</verse>
				<verse number="24">En aan de landpale van Benjamin, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Simeon één.</verse>
				<verse number="25">En aan de landpale van Simeon, van den oosterhoek tot de westerhoek toe, Issaschar één.</verse>
				<verse number="26">En aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot aan den westerhoek toe, Zebulon één.</verse>
				<verse number="27">En aan de landpale van Zebulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Gad één.</verse>
				<verse number="28">Aan de landpale nu van Gad, aan den zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de grote zee.</verse>
				<verse number="29">Dit is het land, dat gijlieden zult doen vallen in erfenis, voor de stammen Israëls, en dit zullen hun delen zijn, spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="30">Voorts zullen dit de uitgangen der stad zijn: van den noorderhoek, vier duizend en vijfhonderd maten.</verse>
				<verse number="31">En de poorten der stad zullen zijn naar de namen der stammen Israëls; drie poorten noordwaarts; een poort van Ruben, een poort van Juda, een poort van Levi.</verse>
				<verse number="32">En aan den oosterhoek, vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: namelijk, een poort van Jozef, een poort van Benjamin, een poort van Dan.</verse>
				<verse number="33">De zuiderhoek ook vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: een poort van Simeon, een poort van Issaschar, een poort van Zebulon.</verse>
				<verse number="34">De westerhoek, vier duizend en vijfhonderd; derzelver poorten drie: een poort van Gad, een poort van Aser, een poort van Nafthali.</verse>
				<verse number="35">Rondom achttien duizend; en de naam der stad zal van dien dag af zijn: DE HEERE IS ALDAAR.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="27">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In het derde jaar des koninkrijks van Jójakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.</verse>
				<verse number="2">En de Heere gaf Jójakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.</verse>
				<verse number="3">En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israëls, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;</verse>
				<verse number="4">Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeeën.</verse>
				<verse number="5">En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="6">Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja.</verse>
				<verse number="7">En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Béltsazar, en Hanánja Sadrach, en Mísaël Mesach, en Azárja Abéd-nego.</verse>
				<verse number="8">Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.</verse>
				<verse number="9">En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.</verse>
				<verse number="10">Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniël: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.</verse>
				<verse number="11">Toen zeide Daniël tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja:</verse>
				<verse number="12">Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.</verse>
				<verse number="13">En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult.</verse>
				<verse number="14">Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.</verse>
				<verse number="15">Ten einde nu der tien dagen, zag men dat hun gedaanten schoner waren en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten.</verse>
				<verse number="16">Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.</verse>
				<verse number="17">Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.</verse>
				<verse number="18">Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnézar,</verse>
				<verse number="19">En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="20">En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.</verse>
				<verse number="21">En Daniël bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnézar, droomde Nebukadnézar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.</verse>
				<verse number="2">Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.</verse>
				<verse number="3">En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten.</verse>
				<verse number="4">Toen spraken de Chaldeeën, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.</verse>
				<verse number="5">De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.</verse>
				<verse number="6">Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.</verse>
				<verse number="7">Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.</verse>
				<verse number="8">De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.</verse>
				<verse number="9">Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.</verse>
				<verse number="10">De Chaldeeën antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeeër.</verse>
				<verse number="11">Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.</verse>
				<verse number="12">Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.</verse>
				<verse number="13">Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijn metgezellen, om gedood te worden.</verse>
				<verse number="14">Toen bracht Daniël een raad en oordeel in, aan Arioch, den overste der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.</verse>
				<verse number="15">Hij antwoordde en zeide tot Arioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen.</verse>
				<verse number="16">En Daniël ging in, en verzocht van den koning, dat hij hem een bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen gave.</verse>
				<verse number="17">Toen ging Daniël naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hanánja, Mísaël, en Azárja te kennen;</verse>
				<verse number="18">Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniël en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.</verse>
				<verse number="19">Toen werd aan Daniël in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniël den God des hemels.</verse>
				<verse number="20">Daniël antwoordde en zeide: De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.</verse>
				<verse number="21">Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;</verse>
				<verse number="22">Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.</verse>
				<verse number="23">Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt.</verse>
				<verse number="24">Daarom ging Daniël in tot Arioch, dien de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor den koning, en ik zal den koning de uitlegging te kennen geven.</verse>
				<verse number="25">Toen bracht Arioch met haast Daniël in voor den koning, en hij sprak alzo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den koning de uitlegging zal bekend maken.</verse>
				<verse number="26">De koning antwoordde en zeide tot Daniël, wiens naam Béltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en zijn uitlegging?</verse>
				<verse number="27">Daniël antwoordde voor den koning, en zeide: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers den koning niet te kennen geven;</verse>
				<verse number="28">Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnézar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:</verse>
				<verse number="29">Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.</verse>
				<verse number="30">Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij zij boven alle levenden; maar daarom, opdat men den koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten.</verse>
				<verse number="31">Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.</verse>
				<verse number="32">Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;</verse>
				<verse number="33">Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.</verse>
				<verse number="34">Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.</verse>
				<verse number="35">Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.</verse>
				<verse number="36">Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor den koning zeggen.</verse>
				<verse number="37">Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;</verse>
				<verse number="38">En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.</verse>
				<verse number="39">En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.</verse>
				<verse number="40">En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.</verse>
				<verse number="41">En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;</verse>
				<verse number="42">En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.</verse>
				<verse number="43">En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.</verse>
				<verse number="44">Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.</verse>
				<verse number="45">Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.</verse>
				<verse number="46">Toen viel de koning Nebukadnézar op zijn aangezicht, en aanbad Daniël; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.</verse>
				<verse number="47">De koning antwoordde Daniël en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.</verse>
				<verse number="48">Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel.</verse>
				<verse number="49">Toen verzocht Daniël van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abéd-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniël bleef aan de poort des konings.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">De koning Nebukadnézar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.</verse>
				<verse number="2">En de koning Nebukadnézar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar had opgericht.</verse>
				<verse number="3">Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnézar had opgericht.</verse>
				<verse number="4">En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natiën, en tongen!</verse>
				<verse number="5">Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar heeft opgericht;</verse>
				<verse number="6">En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.</verse>
				<verse number="7">Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natiën, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar had opgericht.</verse>
				<verse number="8">Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden;</verse>
				<verse number="9">Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnézar: O koning! leef in der eeuwigheid!</verse>
				<verse number="10">Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;</verse>
				<verse number="11">En wie niet nederviel, en aanbad, die zou in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.</verse>
				<verse number="12">Er zijn Joodse mannen, die gij over de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abéd-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Nebukadnézar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abéd-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den koning gebracht.</verse>
				<verse number="14">Nebukadnézar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abéd-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?</verse>
				<verse number="15">Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?</verse>
				<verse number="16">Sadrach, Mesach en Abéd-nego antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnézar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden.</verse>
				<verse number="17">Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.</verse>
				<verse number="18">Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.</verse>
				<verse number="19">Toen werd Nebukadnézar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abéd-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet zou maken dan men dien pleegt heet te maken.</verse>
				<verse number="20">En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abéd-nego binden zouden, om te werpen in den oven des brandenden vuurs.</verse>
				<verse number="21">Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere klederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs.</verse>
				<verse number="22">Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abéd-nego opgeheven hadden, gedood.</verse>
				<verse number="23">Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abéd-nego, in het midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren,</verse>
				<verse number="24">Toen ontzette zich de koning Nebukadnézar, en hij stond op in der haast, antwoordde en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning!</verse>
				<verse number="25">Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.</verse>
				<verse number="26">Toen naderde Nebukadnézar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abéd-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach en Abéd-nego uit het midden des vuurs.</verse>
				<verse number="27">Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren des konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.</verse>
				<verse number="28">Nebukadnézar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abéd-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.</verse>
				<verse number="29">Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abéd-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan.</verse>
				<verse number="30">Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abéd-nego voorspoedig in het landschap van Babel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">De koning Nebukadnézar aan alle volken, natiën en tongen, die op den gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd!</verse>
				<verse number="2">Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.</verse>
				<verse number="3">Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="4">Ik, Nebukadnézar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende,</verse>
				<verse number="5">Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.</verse>
				<verse number="6">Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken.</verse>
				<verse number="7">Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen; maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend;</verse>
				<verse number="8">Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Béltsazar is, naar den naam mijns gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Béltsazar, gij overste der tovenaars! dewijl ik weet, dat de geest der heilige goden in u is, en geen verborgenheid u zwaar is, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik gezien heb, te weten zijn uitlegging.</verse>
				<verse number="10">De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.</verse>
				<verse number="11">De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde;</verse>
				<verse number="12">Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan denzelven voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.</verse>
				<verse number="13">Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel,</verse>
				<verse number="14">Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken;</verse>
				<verse number="15">Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde.</verse>
				<verse number="16">Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.</verse>
				<verse number="17">Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen.</verse>
				<verse number="18">Dezen droom heb ik, koning Nebukadnézar gezien; gij nu, Béltsazar! zeg de uitlegging van dien, dewijl als de wijzen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar gij kunt wel, dewijl de geest der heilige goden in u is.</verse>
				<verse number="19">Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Béltsazar is, bij een uur lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zeide: Béltsazar! laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Béltsazar antwoordde en zeide: Mijn heer! de droom wedervare uw hateren, en zijn uitlegging uw wederpartijders!</verse>
				<verse number="20">De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;</verse>
				<verse number="21">En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;</verse>
				<verse number="22">Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan den hemel, en uw heerschappij aan het einde des aardrijks.</verse>
				<verse number="23">Dat nu de koning een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af, en verderft hem; doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds, en in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;</verse>
				<verse number="24">Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijn heer, den koning, komen zal:</verse>
				<verse number="25">Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte des velds zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als den ossen, te smaken geven; en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze, wien Hij wil.</verse>
				<verse number="26">Dat er ook gezegd is, dat men den stam met de wortelen van dien boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben, dat de Hemel heerst.</verse>
				<verse number="27">Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.</verse>
				<verse number="28">Dit alles overkwam den koning Nebukadnézar.</verse>
				<verse number="29">Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,</verse>
				<verse number="30">Sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!</verse>
				<verse number="31">Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnézar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.</verse>
				<verse number="32">En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wien Hij wil.</verse>
				<verse number="33">Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnézar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijn nagelen als der vogelen.</verse>
				<verse number="34">Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnézar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;</verse>
				<verse number="35">En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?</verse>
				<verse number="36">Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijn majesteit en mijn glans weder op mij; en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd.</verse>
				<verse number="37">Nu prijs ik, Nebukadnézar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">De koning Bélsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.</verse>
				<verse number="2">Als Bélsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken.</verse>
				<verse number="3">Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.</verse>
				<verse number="4">Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.</verse>
				<verse number="5">Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef.</verse>
				<verse number="6">Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieën stieten tegen elkander aan.</verse>
				<verse number="7">Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.</verse>
				<verse number="8">Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken.</verse>
				<verse number="9">Toen verschrikte de koning Bélsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd.</verse>
				<verse number="10">Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.</verse>
				<verse number="11">Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is, want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnézar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeeën, en der waarzeggers, uw vader, o koning!</verse>
				<verse number="12">Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, dien de koning den naam van Béltsazar gaf; laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.</verse>
				<verse number="13">Toen werd Daniël voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en zeide tot Daniël: Zijt gij die Daniël, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?</verse>
				<verse number="14">Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.</verse>
				<verse number="15">Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.</verse>
				<verse number="16">Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.</verse>
				<verse number="17">Toen antwoordde Daniël, en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.</verse>
				<verse number="18">Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnézar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven;</verse>
				<verse number="19">En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij.</verse>
				<verse number="20">Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.</verse>
				<verse number="21">En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil.</verse>
				<verse number="22">En gij, Bélsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.</verse>
				<verse number="23">Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.</verse>
				<verse number="24">Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.</verse>
				<verse number="25">Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENÉ, MENÉ, TEKÉL, UPHARSIN.</verse>
				<verse number="26">Dit is de uitlegging dezer woorden: MENÉ; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind.</verse>
				<verse number="27">TEKÉL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.</verse>
				<verse number="28">PERÉS; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.</verse>
				<verse number="29">Toen beval Bélsazar, en zij bekleedden Daniël met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.</verse>
				<verse number="30">In dienzelfden nacht, werd Bélsazar, der Chaldeeën koning, gedood.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Daríus, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.</verse>
				<verse number="2">En het dacht Daríus goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;</verse>
				<verse number="3">En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniël de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelven zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed.</verse>
				<verse number="4">Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijker geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.</verse>
				<verse number="5">Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.</verse>
				<verse number="6">Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods.</verse>
				<verse number="7">Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Daríus, leef in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="8">Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.</verse>
				<verse number="9">Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.</verse>
				<verse number="10">Daarom tekende de koning Daríus dat schrift en gebod.</verse>
				<verse number="11">Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij vóór dezen gedaan had.</verse>
				<verse number="12">Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniël biddende en smekende voor zijn God.</verse>
				<verse number="13">Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag wederroepen worden.</verse>
				<verse number="14">Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniël, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.</verse>
				<verse number="15">Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.</verse>
				<verse number="16">Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.</verse>
				<verse number="17">Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniël: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!</verse>
				<verse number="18">En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden.</verse>
				<verse number="19">Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.</verse>
				<verse number="20">Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen.</verse>
				<verse number="21">Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?</verse>
				<verse number="22">Toen sprak Daniël tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!</verse>
				<verse number="23">Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.</verse>
				<verse number="24">Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniël uit den kuil trekken zou. Toen Daniël uit den kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd had.</verse>
				<verse number="25">Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.</verse>
				<verse number="26">Toen schreef de koning Daríus aan alle volken, natiën en tongen, die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!</verse>
				<verse number="27">Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.</verse>
				<verse number="28">Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; Die heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost.</verse>
				<verse number="29">Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Daríus, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">In het eerste jaar van Bélsazar, den koning van Babel, zag Daniël een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.</verse>
				<verse number="2">Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.</verse>
				<verse number="3">En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.</verse>
				<verse number="4">Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.</verse>
				<verse number="5">Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.</verse>
				<verse number="6">Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.</verse>
				<verse number="7">Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.</verse>
				<verse number="8">Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.</verse>
				<verse number="9">Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.</verse>
				<verse number="10">Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.</verse>
				<verse number="11">Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.</verse>
				<verse number="12">Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.</verse>
				<verse number="13">Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.</verse>
				<verse number="14">En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.</verse>
				<verse number="15">Mij, Daniël werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.</verse>
				<verse number="16">Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.</verse>
				<verse number="17">Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.</verse>
				<verse number="18">Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.</verse>
				<verse number="19">Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.</verse>
				<verse number="20">En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.</verse>
				<verse number="21">Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht,</verse>
				<verse number="22">Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.</verse>
				<verse number="23">Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen.</verse>
				<verse number="24">Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.</verse>
				<verse number="25">En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.</verse>
				<verse number="26">Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.</verse>
				<verse number="27">Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.</verse>
				<verse number="28">Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniël aangaat, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">In het derde jaar des koninkrijks van den koning Bélsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniël, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.</verse>
				<verse number="2">En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.</verse>
				<verse number="3">En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.</verse>
				<verse number="4">Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.</verse>
				<verse number="5">Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.</verse>
				<verse number="6">En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.</verse>
				<verse number="7">En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.</verse>
				<verse number="8">En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.</verse>
				<verse number="9">En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.</verse>
				<verse number="10">En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.</verse>
				<verse number="11">Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.</verse>
				<verse number="12">En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.</verse>
				<verse number="13">Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den Onbenoemde, Die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?</verse>
				<verse number="14">En Hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.</verse>
				<verse number="16">En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriël! geef dezen het gezicht te verstaan.</verse>
				<verse number="17">En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.</verse>
				<verse number="18">Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.</verse>
				<verse number="19">En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.</verse>
				<verse number="20">De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.</verse>
				<verse number="21">Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.</verse>
				<verse number="22">Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.</verse>
				<verse number="23">Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;</verse>
				<verse number="24">En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven;</verse>
				<verse number="25">En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.</verse>
				<verse number="26">Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.</verse>
				<verse number="27">Toen werd ik, Daniël, zwak, en was enige dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">In het eerste jaar van Daríus, den zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën;</verse>
				<verse number="2">In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremía geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.</verse>
				<verse number="3">En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.</verse>
				<verse number="4">Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.</verse>
				<verse number="5">Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.</verse>
				<verse number="6">En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.</verse>
				<verse number="7">Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hun overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben.</verse>
				<verse number="8">O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.</verse>
				<verse number="9">Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.</verse>
				<verse number="10">En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.</verse>
				<verse number="11">Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.</verse>
				<verse number="12">En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.</verse>
				<verse number="13">Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.</verse>
				<verse number="14">Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.</verse>
				<verse number="15">En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.</verse>
				<verse number="16">O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.</verse>
				<verse number="17">En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil.</verse>
				<verse number="18">Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.</verse>
				<verse number="19">O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.</verse>
				<verse number="20">Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;</verse>
				<verse number="21">Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.</verse>
				<verse number="22">En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.</verse>
				<verse number="23">In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.</verse>
				<verse number="24">Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.</verse>
				<verse number="25">Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.</verse>
				<verse number="26">En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.</verse>
				<verse number="27">En Hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft der week zal Hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">In het derde jaar van Kores, den koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Béltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.</verse>
				<verse number="2">In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken der dagen.</verse>
				<verse number="3">Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.</verse>
				<verse number="4">En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zo was ik aan den oever der grote rivier, welke is Hiddékel.</verse>
				<verse number="5">En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.</verse>
				<verse number="6">En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte.</verse>
				<verse number="7">En ik, Daniël, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; doch een grote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken.</verse>
				<verse number="8">Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.</verse>
				<verse number="9">En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.</verse>
				<verse number="10">En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieën, en de palmen mijner handen.</verse>
				<verse number="11">En Hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.</verse>
				<verse number="12">Toen zeide Hij tot mij: Vrees niet, Daniël! want van den eersten dag aan, dat gij uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelven te verootmoedigen, voor het aangezicht uws Gods, zijn uw woorden gehoord, en om uwer woorden wil ben Ik gekomen.</verse>
				<verse number="13">Doch de vorst des koninkrijks van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, een van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzië.</verse>
				<verse number="14">Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, hetgeen uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.</verse>
				<verse number="15">En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.</verse>
				<verse number="16">En ziet, Een, den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zeide tot Dien, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! om des gezichts wil keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoude.</verse>
				<verse number="17">En hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met dien mijn Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.</verse>
				<verse number="18">Toen raakte mij wederom aan Een, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij.</verse>
				<verse number="19">En Hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt.</verse>
				<verse number="20">Toen zeide Hij: Weet gij, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Doch nu zal Ik wederkeren om te strijden tegen den vorst der Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen.</verse>
				<verse number="21">Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michaël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Daríus, den Meder, om hem te versterken en te stijven.</verse>
				<verse number="2">En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met groten rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.</verse>
				<verse number="3">Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.</verse>
				<verse number="4">En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen, dan deze.</verse>
				<verse number="5">En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.</verse>
				<verse number="6">Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.</verse>
				<verse number="7">Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.</verse>
				<verse number="8">Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden.</verse>
				<verse number="9">Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken.</verse>
				<verse number="10">Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.</verse>
				<verse number="11">En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.</verse>
				<verse number="12">Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.</verse>
				<verse number="13">Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed.</verse>
				<verse number="14">Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.</verse>
				<verse number="15">En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.</verse>
				<verse number="16">Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.</verse>
				<verse number="17">En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn.</verse>
				<verse number="18">Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.</verse>
				<verse number="19">En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.</verse>
				<verse number="20">En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog.</verse>
				<verse number="21">Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.</verse>
				<verse number="22">En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst des verbonds.</verse>
				<verse number="23">En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden.</verse>
				<verse number="24">Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken, doch tot een zekeren tijd toe.</verse>
				<verse number="25">En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.</verse>
				<verse number="26">En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.</verse>
				<verse number="27">En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.</verse>
				<verse number="28">En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeren in zijn land.</verse>
				<verse number="29">Ter bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.</verse>
				<verse number="30">Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.</verse>
				<verse number="31">En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.</verse>
				<verse number="32">En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.</verse>
				<verse number="33">En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.</verse>
				<verse number="34">Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.</verse>
				<verse number="35">En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.</verse>
				<verse number="36">En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen god, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.</verse>
				<verse number="37">En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.</verse>
				<verse number="38">En hij zal den god Maüzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.</verse>
				<verse number="39">En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.</verse>
				<verse number="40">En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.</verse>
				<verse number="41">En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.</verse>
				<verse number="42">En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.</verse>
				<verse number="43">En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Líbye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.</verse>
				<verse number="44">Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.</verse>
				<verse number="45">En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.</verse>
				<verse number="2">En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.</verse>
				<verse number="3">De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.</verse>
				<verse number="4">En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.</verse>
				<verse number="5">En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.</verse>
				<verse number="6">En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?</verse>
				<verse number="7">En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.</verse>
				<verse number="8">Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?</verse>
				<verse number="9">En Hij zeide: Ga henen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.</verse>
				<verse number="10">Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.</verse>
				<verse number="11">En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.</verse>
				<verse number="12">Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.</verse>
				<verse number="13">Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="28">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.</verse>
				<verse number="2">Het begin van het woord des HEEREN door Hoséa. De HEERE dan zeide tot Hoséa: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.</verse>
				<verse number="3">Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; en zij ontving; en baarde hem een zoon.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.</verse>
				<verse number="5">En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.</verse>
				<verse number="6">En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-Rucháma; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.</verse>
				<verse number="7">Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.</verse>
				<verse number="8">Als zij nu Lo-Rucháma gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.</verse>
				<verse number="9">En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.</verse>
				<verse number="10">Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.</verse>
				<verse number="11">En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig Hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.</verse>
				<verse number="12">Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Rucháma.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.</verse>
				<verse number="2">Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;</verse>
				<verse number="3">En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.</verse>
				<verse number="4">Want hunlieder moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.</verse>
				<verse number="5">Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.</verse>
				<verse number="6">En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.</verse>
				<verse number="7">Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baäl gebruikt hebben.</verse>
				<verse number="8">Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.</verse>
				<verse number="9">En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.</verse>
				<verse number="11">En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baäls, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="13">Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland.</verse>
				<verse number="15">En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat gij Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl!</verse>
				<verse number="16">En Ik zal de namen der Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.</verse>
				<verse number="17">En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.</verse>
				<verse number="18">En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.</verse>
				<verse number="20">En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren.</verse>
				<verse number="21">En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.</verse>
				<verse number="22">En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Rucháma; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.</verse>
				<verse number="2">En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.</verse>
				<verse number="3">En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.</verse>
				<verse number="4">Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.</verse>
				<verse number="5">Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Hoort des HEEREN woord, gij kinderen Israëls! want de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is;</verse>
				<verse number="2">Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.</verse>
				<verse number="3">Daarom zal het land treuren, en een iegelijk, die daarin woont, kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja, ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden.</verse>
				<verse number="4">Doch niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met den priester twisten.</verse>
				<verse number="5">Daarom zult gij vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien.</verse>
				<verse number="6">Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.</verse>
				<verse number="7">Gelijk zij meerder geworden zijn, alzo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hunlieder eer in schande veranderen.</verse>
				<verse number="8">Zij eten de zonde Mijns volks, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="9">Daarom, gelijk het volk, alzo zal de priester zijn; en Ik zal zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden.</verse>
				<verse number="10">En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereren, maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten den HEERE in acht te nemen.</verse>
				<verse number="11">Hoererij, en wijn, en most neemt het hart weg.</verse>
				<verse number="12">Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest der hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren.</verse>
				<verse number="13">Op de hoogten der bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochteren, en uw bruiden bedrijven overspel.</verse>
				<verse number="14">Ik zal over uw dochteren geen bezoeking doen, omdat zij hoereren, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelven scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden.</verse>
				<verse number="15">Zo gij, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt gij toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zo waarachtig als de HEERE leeft.</verse>
				<verse number="16">Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen de HEERE weiden, als een lam in de ruimte.</verse>
				<verse number="17">Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen.</verse>
				<verse number="18">Hunlieder zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hun schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.</verse>
				<verse number="19">Een wind heeft hen gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offeranden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Hoort dit, gij priesters! en merkt op, gij huis Israëls! en neemt ter oren, gij huis des konings! want ulieden gaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.</verse>
				<verse number="2">En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.</verse>
				<verse number="3">Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen; dat gij, o Efraïm! nu hoereert, en Israël verontreinigd is.</verse>
				<verse number="4">Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest der hoererijen is in het midden van hen, en den HEERE kennen zij niet.</verse>
				<verse number="5">Dies zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.</verse>
				<verse number="6">Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om den HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen onttrokken.</verse>
				<verse number="7">Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen.</verse>
				<verse number="8">Blaast de bazuin te Gíbea, de trompet te Rama; roept luide te Beth-Aven; achter u, Benjamin!</verse>
				<verse number="9">Efraïm zal tot verwoesting worden, ten dage der straf; onder de stammen Israëls heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is.</verse>
				<verse number="10">De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten.</verse>
				<verse number="11">Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod.</verse>
				<verse number="12">Daarom zal Ik Efraïm zijn als een mot, en den huize van Juda als een verrotting.</verse>
				<verse number="13">Als Efraïm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.</verse>
				<verse number="14">Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.</verse>
				<verse number="15">Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.</verse>
				<verse number="2">Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.</verse>
				<verse number="3">Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.</verse>
				<verse number="4">Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! dewijl uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat.</verse>
				<verse number="5">Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de redenen Mijns monds; en uw oordelen zullen voortkomen aan het licht.</verse>
				<verse number="6">Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen.</verse>
				<verse number="7">Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld.</verse>
				<verse number="8">Gilead is een stad van werkers der ongerechtigheid; zij is betreden van bloed.</verse>
				<verse number="9">Gelijk de benden der straatschenders op iemand wachten, alzo is het gezelschap der priesteren; zij moorden op den weg naar Sichem, waarlijk, zij doen schandelijke daden.</verse>
				<verse number="10">Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis Israëls; aldaar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd.</verse>
				<verse number="11">Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen Mijns volks wederbracht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, mitsgaders de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende der straatschenders stroopt daar buiten.</verse>
				<verse number="2">En zij zeggen niet in hun hart, dat Ik al hunner boosheid gedachtig ben; nu omsingelen hen hun handelingen, zij zijn voor Mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="3">Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.</verse>
				<verse number="4">Zij bedrijven al te zamen overspel, zij zijn gelijk een bakoven, die heet gemaakt is van den bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij.</verse>
				<verse number="5">Het is de dag onzes konings; de vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijn hand voort met de spotters.</verse>
				<verse number="6">Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lagen; hunlieder bakker slaapt den gansen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur.</verse>
				<verse number="7">Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept.</verse>
				<verse number="8">Efraïm, die verwart zich met de volken; Efraïm is een koek, die niet is omgekeerd;</verse>
				<verse number="9">Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.</verse>
				<verse number="10">Dies zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; dewijl zij zich niet bekeren tot den HEERE, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.</verse>
				<verse number="11">Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur.</verse>
				<verse number="12">Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.</verse>
				<verse number="13">Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugenen tegen Mij.</verse>
				<verse number="14">Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij.</verse>
				<verse number="15">Ik heb hen wel getuchtigd, en hunlieder armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij.</verse>
				<verse number="16">Zij keren zich, maar niet tot den Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de gramschap hunner tong; dit is hunlieder bespotting in Egypteland.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">De bazuin aan uw mond; hij komt als een arend tegen het huis des HEEREN; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.</verse>
				<verse number="2">Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israël, kennen U.</verse>
				<verse number="3">Israël heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen.</verse>
				<verse number="4">Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="5">Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen?</verse>
				<verse number="6">Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.</verse>
				<verse number="7">Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.</verse>
				<verse number="8">Israël is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, gelijk een vat, waar men geen lust toe heeft.</verse>
				<verse number="9">Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraïm hebben boelen om hoerenloon gehuurd.</verse>
				<verse number="10">Dewijl zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege den last van den koning der vorsten.</verse>
				<verse number="11">Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.</verse>
				<verse number="12">Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds.</verse>
				<verse number="13">Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar de HEERE heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weder in Egypte keren.</verse>
				<verse number="14">Want Israël heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uw God af; gij hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren des korens.</verse>
				<verse number="2">De dors vloer en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en de most zal hun liegen.</verse>
				<verse number="3">Zij zullen in des HEEREN land niet blijven; maar Efraïm zal weder tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten.</verse>
				<verse number="4">Zij zullen den HEERE geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in des HEEREN huis niet komen.</verse>
				<verse number="5">Wat zult gijlieden dan doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag des HEEREN?</verse>
				<verse number="6">Want ziet, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.</verse>
				<verse number="7">De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.</verse>
				<verse number="8">De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods.</verse>
				<verse number="9">Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gíbea; Hij zal hunner ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.</verse>
				<verse number="10">Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baäl-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.</verse>
				<verse number="11">Aangaande Efraïm, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af.</verse>
				<verse number="12">Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn!</verse>
				<verse number="13">Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager.</verse>
				<verse number="14">Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.</verse>
				<verse number="15">Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen.</verse>
				<verse number="16">Efraïm is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.</verse>
				<verse number="17">Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.</verse>
				<verse number="2">Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.</verse>
				<verse number="3">Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?</verse>
				<verse number="4">Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.</verse>
				<verse number="5">De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn Chemárim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.</verse>
				<verse number="6">Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.</verse>
				<verse number="7">De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.</verse>
				<verse number="8">En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!</verse>
				<verse number="9">Sinds de dagen van Gíbea, hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gíbea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.</verse>
				<verse number="10">Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.</verse>
				<verse number="11">Dewijl Efraïm een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.</verse>
				<verse number="12">Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.</verse>
				<verse number="13">Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.</verse>
				<verse number="14">Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen.</verse>
				<verse number="15">Alzo heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israëls koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.</verse>
				<verse number="2">Maar gelijk zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden den Baäls, en rookten den gesnedenen beelden.</verse>
				<verse number="3">Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.</verse>
				<verse number="4">Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe.</verse>
				<verse number="5">Hij zal in Egypteland niet wederkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren.</verse>
				<verse number="6">En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendelen verteren, en opeten, vanwege hun beraadslagingen.</verse>
				<verse number="7">Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.</verse>
				<verse number="8">Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zebóïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.</verse>
				<verse number="9">Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.</verse>
				<verse number="10">Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.</verse>
				<verse number="11">Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis Israëls met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw.</verse>
				<verse number="2">Efraïm weidt zich met wind, en jaagt den oostenwind na; den gansen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.</verse>
				<verse number="3">Ook heeft de HEERE een twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden.</verse>
				<verse number="4">In moeders buik hield hij zijn broeder bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.</verse>
				<verse number="5">Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen den Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-El vond Hij hem, en aldaar sprak Hij met ons;</verse>
				<verse number="6">Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam.</verse>
				<verse number="7">Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uw God.</verse>
				<verse number="8">In des koopmans hand is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken;</verse>
				<verse number="9">Nog zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen; in al mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden, die zonde zij.</verse>
				<verse number="10">Maar Ik ben de HEERE, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen der samenkomst;</verse>
				<verse number="11">En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht vermenigvuldigen; en door den dienst der profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen.</verse>
				<verse number="12">Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steen hopen op de voren der velden.</verse>
				<verse number="13">Jakob vlood toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.</verse>
				<verse number="14">Maar de HEERE voerde Israël op uit Egypte door een profeet, en door een profeet werd hij gehoed.</verse>
				<verse number="15">Efraïm daarentegen heeft Hem zeer bitterlijk vertoornd; daarom zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijn smaad vergelden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan den Baäl en is gestorven.</verse>
				<verse number="2">En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.</verse>
				<verse number="3">Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat; als kaf van den dorsvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.</verse>
				<verse number="4">Ik ben toch de HEERE, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt gij geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.</verse>
				<verse number="5">Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land.</verse>
				<verse number="6">Daarna zijn zij, naardat hunlieder weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten.</verse>
				<verse number="7">Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op den weg.</verse>
				<verse number="8">Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; het wild gedierte des velds verscheurde hen.</verse>
				<verse number="9">Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uw hulp.</verse>
				<verse number="10">Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten?</verse>
				<verse number="11">Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid.</verse>
				<verse number="12">Efraïms ongerechtigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd.</verse>
				<verse number="13">Smarten ener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.</verse>
				<verse number="14">Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uw pestilentiën? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,</verse>
				<verse number="15">Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des HEEREN, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen en zijn fontein zal verdrogen; diezelve zal den schat van alle gewenste huisraad roven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden.</verse>
				<verse number="2">Bekeer u, o Israël! tot den HEERE, uw God, toe; want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="3">Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den HEERE; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.</verse>
				<verse number="4">Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.</verse>
				<verse number="5">Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.</verse>
				<verse number="6">Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.</verse>
				<verse number="7">Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon.</verse>
				<verse number="8">Zij zullen wederkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.</verse>
				<verse number="9">Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden.</verse>
				<verse number="10">Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="29">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joël, den zoon van Pethuël:</verse>
				<verse number="2">Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?</verse>
				<verse number="3">Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.</verse>
				<verse number="4">Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.</verse>
				<verse number="5">Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.</verse>
				<verse number="6">Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.</verse>
				<verse number="7">Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.</verse>
				<verse number="8">Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.</verse>
				<verse number="9">Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.</verse>
				<verse number="10">Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.</verse>
				<verse number="11">De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.</verse>
				<verse number="12">De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.</verse>
				<verse number="13">Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.</verse>
				<verse number="14">Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.</verse>
				<verse number="15">Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.</verse>
				<verse number="16">Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods?</verse>
				<verse number="17">De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.</verse>
				<verse number="18">O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.</verse>
				<verse number="19">Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.</verse>
				<verse number="20">Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.</verse>
				<verse number="2">Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.</verse>
				<verse number="3">Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.</verse>
				<verse number="4">De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.</verse>
				<verse number="5">Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.</verse>
				<verse number="6">Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.</verse>
				<verse number="7">Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een iegelijk in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.</verse>
				<verse number="8">Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.</verse>
				<verse number="9">Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.</verse>
				<verse number="10">De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.</verse>
				<verse number="11">En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?</verse>
				<verse number="12">Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.</verse>
				<verse number="13">En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.</verse>
				<verse number="14">Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE, uw God.</verse>
				<verse number="15">Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.</verse>
				<verse number="16">Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.</verse>
				<verse number="17">Laat de priesters, des HEEREN dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hunlieder God?</verse>
				<verse number="18">Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.</verse>
				<verse number="19">En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.</verse>
				<verse number="20">En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.</verse>
				<verse number="21">Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.</verse>
				<verse number="22">Vreest niet, gij beesten des velds! want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven.</verse>
				<verse number="23">En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.</verse>
				<verse number="24">En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.</verse>
				<verse number="25">Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.</verse>
				<verse number="26">En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des HEEREN, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="27">En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik de HEERE, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="28">En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;</verse>
				<verse number="29">Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.</verse>
				<verse number="30">En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.</verse>
				<verse number="31">De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.</verse>
				<verse number="32">En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;</verse>
				<verse number="2">Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;</verse>
				<verse number="3">En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.</verse>
				<verse number="4">En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.</verse>
				<verse number="5">Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodiën in uw tempels gebracht.</verse>
				<verse number="6">En gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hun landpale mocht brengen.</verse>
				<verse number="7">Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding wederbrengen op uw hoofd.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal uw zonen en uw dochteren verkopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want de HEERE heeft het gesproken.</verse>
				<verse number="9">Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.</verse>
				<verse number="10">Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.</verse>
				<verse number="11">Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)</verse>
				<verse number="12">De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Jósafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.</verse>
				<verse number="13">Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.</verse>
				<verse number="14">Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens.</verse>
				<verse number="15">De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.</verse>
				<verse number="16">En de HEERE zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israëls zijn.</verse>
				<verse number="17">En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.</verse>
				<verse number="18">En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.</verse>
				<verse number="19">Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben.</verse>
				<verse number="20">Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.</verse>
				<verse number="21">En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="30">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekóa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.</verse>
				<verse number="2">En hij zeide: De HEERE zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen der herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.</verse>
				<verse number="3">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Damaskus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst.</verse>
				<verse number="4">Daarom zal Ik een vuur in het huis van Házaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal den grendel van Damaskus verbreken, en zal uitroeien den inwoner van Bíkeat-Aven, en dien, die den scepter houdt, uit Beth-Eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="6">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren.</verse>
				<verse number="7">Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien, die den scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel der Filistijnen zal vergaan, zegt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="9">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond der broederen.</verse>
				<verse number="10">Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren.</verse>
				<verse number="11">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broederen met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwiglijk verscheurt, en hij zijn verbolgenheid altoos behoudt.</verse>
				<verse number="12">Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren.</verse>
				<verse number="13">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen der kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden.</verse>
				<verse number="14">Daarom zal Ik een vuur aansteken in den muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich ten dage des strijds, met een onweder ten dage des wervelwinds.</verse>
				<verse number="15">En hunlieder koning zal gaan in gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen des konings van Edom tot kalk verbrand heeft.</verse>
				<verse number="2">Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Keriôth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruis, met gejuich, met geluid der bazuin.</verse>
				<verse number="3">En Ik zal den rechter uit het midden van haar uitroeien; en al haar vorsten zal Ik met hem doden, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="4">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des HEEREN verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugenen hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld.</verse>
				<verse number="5">Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren.</verse>
				<verse number="6">Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld verkopen, en den nooddruftige om een paar schoenen.</verse>
				<verse number="7">Die er naar hijgen, dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den weg der zachtmoedigen verkeren; en de man en zijn vader gaan tot een jonge dochter om Mijn heiligen Naam te ontheiligen.</verse>
				<verse number="8">En zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klederen, en drinken den wijn der geboeten in het huis van hun goden.</verse>
				<verse number="9">Ik daarentegen heb den Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.</verse>
				<verse number="10">Ook heb Ik ulieden uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat.</verse>
				<verse number="11">En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongelingen tot nazireeërs; is dit niet alzo, gij kinderen Israëls? spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="12">Maar gijlieden hebt aan de nazireeërs wijn te drinken gegeven, en gij hebt den profeten geboden, zeggende: Gij zult niet profeteren.</verse>
				<verse number="13">Ziet, Ik zal uw plaatsen drukken, gelijk als een wagen drukt, die vol garven is.</verse>
				<verse number="14">Zodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden.</verse>
				<verse number="15">En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.</verse>
				<verse number="16">En de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt heenvlieden, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Hoort dit woord, dat de HEERE tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israël! namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken.</verse>
				<verse number="3">Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?</verse>
				<verse number="4">Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe?</verse>
				<verse number="5">Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen?</verse>
				<verse number="6">Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?</verse>
				<verse number="7">Gewisselijk, de Heere HEERE zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe.</verse>
				<verse number="8">De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?</verse>
				<verse number="9">Doet het horen in de paleizen te Asdod, en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt u op de bergen van Samaria, en ziet de grote beroerten in het midden van haar, en de verdrukten binnen in haar.</verse>
				<verse number="10">Want zij weten niet te doen, dat recht is, spreekt de HEERE; die in hun paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring.</verse>
				<verse number="11">Daarom, zo zegt de Heere HEERE: De vijand! en dat rondom het land! die zal uw sterkte van u nederstorten, en uw paleizen zullen uitgeplunderd worden.</verse>
				<verse number="12">Alzo zegt de HEERE: Gelijk als een herder twee schenkelen, of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzo zullen de kinderen Israëls gered worden, die daar zitten te Samaria, in den hoek van het bed, en op de sponde van de koets.</verse>
				<verse number="13">Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt de Heere HEERE, de God der heirscharen;</verse>
				<verse number="14">Dat Ik, ten dage als Ik Israëls overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Beth-El; en de hoornen des altaars zullen worden afgehouwen, en ter aarde vallen.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan; en de elpenbenen huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Hoort dit woord, gij koeien van Basan! gij, die op den berg van Samaria zijt, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; gij, die tot hunlieder heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken.</verse>
				<verse number="2">De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen.</verse>
				<verse number="3">En gij zult door de bressen uitgaan, een ieder voor zich henen; en gij zult, hetgeen in het paleis gebracht is, wegwerpen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="4">Komt te Beth-El, en overtreedt te Gilgal; maakt des overtredens veel, en brengt uw offers des morgens, uw tienden om de drie dagen!</verse>
				<verse number="5">En rookt van het gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want alzo hebt gij het gaarne, gij kinderen Israëls! spreekt de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="6">Daarom heb Ik ulieden ook reinheid der tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="7">Daartoe heb Ik ook den regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot den oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde.</verse>
				<verse number="8">En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="9">Ik heb ulieden geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid uwer hoven, en uwer wijngaarden, en uwer vijgebomen, en uwer olijfbomen at de rups op; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="10">Ik heb de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de wijze van Egypte; Ik heb uw jongelingen door het zwaard gedood, en uw paarden gevankelijk laten wegvoeren; en Ik heb den stank uwer heirlegeren zelfs in uw neus doen opgaan; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="11">Ik heb sommigen onder ulieden omgekeerd, gelijk God Sódom en Gomórra omkeerde, u, die waart als een vuurbrand, dat uit den brand gered is; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="12">Daarom zal Ik u alzo doen, o Israël! omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u, o Israël! om uw God te ontmoeten.</verse>
				<verse number="13">Want zie, Die de bergen formeert, en den wind schept, en den mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die den dageraad duisternis maakt, en op de hoogten der aarde treedt, HEERE, God der heirscharen, is Zijn Naam.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Hoort dit woord, dat Ik over ulieden ophef, een klaaglied, o huis Israëls!</verse>
				<verse number="2">De jonkvrouw Israëls is gevallen, zij zal niet weder opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht.</verse>
				<verse number="3">Want zo zegt de Heere HEERE: De stad, die uitgaat met duizend, zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd, zal tien overhouden, in het huis Israëls.</verse>
				<verse number="4">Want zo zegt de HEERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij, en leeft.</verse>
				<verse number="5">Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-séba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet.</verse>
				<verse number="6">Zoekt den HEERE, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-El;</verse>
				<verse number="7">Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.</verse>
				<verse number="8">Die het Zevengesternte en den Oríon maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="9">Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.</verse>
				<verse number="10">Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van dien, die oprechtelijk spreekt.</verse>
				<verse number="11">Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken.</verse>
				<verse number="12">Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.</verse>
				<verse number="13">Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.</verse>
				<verse number="14">Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de HEERE, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt.</verse>
				<verse number="15">Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal de HEERE, de God der heirscharen, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn.</verse>
				<verse number="16">Daarom, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de Heere: Op alle straten zal rouwklage zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen: Och! och! en zullen den akkerman roepen tot treuren, en rouwklage zal zijn bij degenen, die verstand van kermen hebben.</verse>
				<verse number="17">Ja, in alle wijngaarden zal rouwklage zijn; want Ik zal door het midden van u doorgaan; zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="18">Wee dien, die des HEEREN dag begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.</verse>
				<verse number="19">Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan den wand, en hem beet een slang.</verse>
				<verse number="20">Zal dan niet des HEEREN dag duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij?</verse>
				<verse number="21">Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbods dagen niet rieken.</verse>
				<verse number="22">Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.</verse>
				<verse number="23">Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uwer luiten spel niet horen.</verse>
				<verse number="24">Maar laat het oordeel zich daarhenen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek.</verse>
				<verse number="25">Hebt gij Mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toegebracht, o huis Israëls?</verse>
				<verse number="26">Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en den Kijûn, uw beelden, de ster uws gods, dien gij uzelf hadt gemaakt.</verse>
				<verse number="27">Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damaskus henen, zegt de HEERE, Wiens Naam is God der heirscharen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israëls komen.</verse>
				<verse number="2">Gaat over naar Kalné, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale?</verse>
				<verse number="3">Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt.</verse>
				<verse number="4">Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal.</verse>
				<verse number="5">Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David;</verse>
				<verse number="6">Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef.</verse>
				<verse number="7">Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.</verse>
				<verse number="8">De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heirscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.</verse>
				<verse number="9">En het zal geschieden, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen.</verse>
				<verse number="10">En de naaste vriend zal een iegelijk van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden.</verse>
				<verse number="11">Want ziet, de HEERE geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten.</verse>
				<verse number="12">Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.</verse>
				<verse number="13">Gij, die blijde zijt over een nietig ding; gij, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?</verse>
				<verse number="14">Want ziet, Ik zal over ulieden, o huis Israëls! een volk verwekken, spreekt de HEERE, de God der heirscharen; die zullen ulieden drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en ziet, het was het nagras, na des konings afmaaiingen.</verse>
				<verse number="2">En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!</verse>
				<verse number="3">Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE.</verse>
				<verse number="4">Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands.</verse>
				<verse number="5">Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!</verse>
				<verse number="6">Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere HEERE.</verse>
				<verse number="7">Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand.</verse>
				<verse number="8">En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.</verse>
				<verse number="9">Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israëls heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jeróbeams huis opstaan met het zwaard.</verse>
				<verse number="10">Toen zond Amázia, de priester te Beth-El, tot Jeróbeam, den koning van Israël, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.</verse>
				<verse number="11">Want alzo zegt Amos: Jeróbeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.</verse>
				<verse number="12">Daarna zeide Amázia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar.</verse>
				<verse number="13">Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koninkrijks.</verse>
				<verse number="14">Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amázia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.</verse>
				<verse number="15">Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israël.</verse>
				<verse number="16">Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak.</verse>
				<verse number="17">Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en uw dochteren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, een korf met zomervruchten.</verse>
				<verse number="2">En Hij zeide: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een korf met zomervruchten. Toen zeide de HEERE tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.</verse>
				<verse number="3">Maar de gezangen des tempels zullen te dien dage huilen, spreekt de Heere HEERE; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen.</verse>
				<verse number="4">Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands;</verse>
				<verse number="5">Zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij koren mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrotende, en verkeerdelijk handelende met bedriegelijke weegschalen;</verse>
				<verse number="6">Dat wij de armen voor geld mogen kopen, en den nooddruftige om een paar schoenen; dan zullen wij het kaf van het koren verkopen.</verse>
				<verse number="7">De HEERE heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten!</verse>
				<verse number="8">Zou het land hierover niet beroerd worden, en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als een rivier, en het zal heen en weder gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte.</verse>
				<verse number="9">En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere HEERE, dat Ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag.</verse>
				<verse number="11">Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.</verse>
				<verse number="12">En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.</verse>
				<verse number="13">Te dien dage zullen de schone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten;</verse>
				<verse number="14">Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw god van Dan leeft, en de weg van Ber-séba leeft! en zij zullen vallen, en niet weder opstaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Ik zag den Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; en vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.</verse>
				<verse number="2">Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.</verse>
				<verse number="3">En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in den grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.</verse>
				<verse number="4">En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.</verse>
				<verse number="5">Want de Heere HEERE der heirscharen is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte.</verse>
				<verse number="6">Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; HEERE is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="7">Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israëls? spreekt de HEERE. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir?</verse>
				<verse number="8">Ziet, de ogen des Heeren HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="9">Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israëls onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet één steentje zal er ter aarde vallen.</verse>
				<verse number="10">Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.</verse>
				<verse number="11">Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;</verse>
				<verse number="12">Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet.</verse>
				<verse number="13">Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat de ploeger den maaier, en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten.</verse>
				<verse number="15">En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="31">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.</verse>
				<verse number="2">Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.</verse>
				<verse number="3">De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?</verse>
				<verse number="4">Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="5">Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?</verse>
				<verse number="6">Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!</verse>
				<verse number="7">Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.</verse>
				<verse number="8">Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?</verse>
				<verse number="9">Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door den moord worde uitgeroeid.</verse>
				<verse number="10">Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="11">Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen.</verse>
				<verse number="12">Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid;</verse>
				<verse number="13">Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;</verse>
				<verse number="14">Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, ten dage der benauwdheid.</verse>
				<verse number="15">Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren.</verse>
				<verse number="16">Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren.</verse>
				<verse number="17">Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="18">En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken.</verse>
				<verse number="19">En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead.</verse>
				<verse number="20">En de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israëls, hetgeen der Kanaänieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, hetgeen in Sefárad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="21">En er zullen heilanden op den berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="32">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.</verse>
				<verse number="3">Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aan gezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="4">Maar de HEERE wierp een groten wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken.</verse>
				<verse number="5">Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het van dezelve te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen.</verse>
				<verse number="6">En de opperschipper naderde tot hem, en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan.</verse>
				<verse number="7">Voorts zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.</verse>
				<verse number="8">Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en van waar komt gij? Welk is uw land en van welk volk zijt gij?</verse>
				<verse number="9">En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreeër; en ik vreze den HEERE, den God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="10">Toen vreesden die mannen met grote vreze, en zeiden tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van des HEEREN aangezicht vlood; want hij had het hun te kennen gegeven.</verse>
				<verse number="11">Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.</verse>
				<verse number="12">En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil over komt.</verse>
				<verse number="13">Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.</verse>
				<verse number="14">Toen riepen zij tot den HEERE, en zeiden: Och HEERE! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, HEERE! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd.</verse>
				<verse number="15">En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid.</verse>
				<verse number="16">Dies vreesden de mannen den HEERE met grote vreze; en zij slachtten den HEERE slachtoffer, en beloofden geloften.</verse>
				<verse number="17">De HEERE nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis.</verse>
				<verse number="2">En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.</verse>
				<verse number="3">Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.</verse>
				<verse number="4">En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.</verse>
				<verse number="5">De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.</verse>
				<verse number="6">Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!</verse>
				<verse number="7">Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.</verse>
				<verse number="8">Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.</verse>
				<verse number="9">Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.</verse>
				<verse number="10">De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En het woord des HEEREN geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek.</verse>
				<verse number="3">Toen maakte zich Jona op, en ging naar Ninevé, naar het woord des HEEREN. Ninevé nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen.</verse>
				<verse number="4">En Jona begon in de stad te gaan, een dagreis; en hij predikte, en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd.</verse>
				<verse number="5">En de lieden van Ninevé geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.</verse>
				<verse number="6">Want dit woord geraakte tot den koning van Ninevé, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.</verse>
				<verse number="7">En hij liet uitroepen, en men sprak te Ninevé, uit bevel des konings en zijner groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken.</verse>
				<verse number="8">Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is.</verse>
				<verse number="9">Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen!</verse>
				<verse number="10">En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Dit verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak.</verse>
				<verse number="2">En hij bad tot den HEERE, en zeide: Och HEERE! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.</verse>
				<verse number="3">Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.</verse>
				<verse number="4">En de HEERE zeide: Is uw toorn billijk ontstoken?</verse>
				<verse number="5">Jona nu ging ter stad uit, en zette zich tegen het oosten der stad; en hij maakte zich aldaar een verdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zag, wat van de stad zou worden.</verse>
				<verse number="6">En God, de HEERE, beschikte een wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over den wonderboom met grote blijdschap.</verse>
				<verse number="7">Maar God beschikte een worm des anderen daags in het opgaan van den dageraad; die stak den wonderboom, dat hij verdorde.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijner ziel te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven.</verse>
				<verse number="9">Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over den wonderboom? En hij zeide: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe.</verse>
				<verse number="10">En de HEERE zeide: Gij verschoont den wonderboom, aan welken gij niet hebt gearbeid, noch dien groot gemaakt; die in een nacht werd, en in een nacht verging;</verse>
				<verse number="11">En Ik zou die grote stad Ninevé niet verschonen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="33">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Micha, den Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkía, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.</verse>
				<verse number="3">Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.</verse>
				<verse number="4">En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.</verse>
				<verse number="5">Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israëls; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?</verse>
				<verse number="6">Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fondamenten ontdekken.</verse>
				<verse number="7">En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.</verse>
				<verse number="8">Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuring als de jonge struisen.</verse>
				<verse number="9">Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.</verse>
				<verse number="10">Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.</verse>
				<verse number="11">Ga door, gij inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaänan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haëzel; Hij zal Zijn stand van ulieden nemen.</verse>
				<verse number="12">Want de inwoneres van Marôth is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="13">Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoners van Lachis! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israëls overtredingen gevonden.</verse>
				<verse number="14">Daarom geef geschenken aan Moréscheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen den koningen van Israël tot een leugen zijn.</verse>
				<verse number="15">Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Marésa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid Israëls.</verse>
				<verse number="16">Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is.</verse>
				<verse number="2">En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis.</verse>
				<verse number="3">Daarom, alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zult zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.</verse>
				<verse number="4">Te dien dage zal men een spreekwoord over ulieden opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers.</verse>
				<verse number="5">Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente des HEEREN.</verse>
				<verse number="6">Profeteert gijlieden niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden.</verse>
				<verse number="7">O gij, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest des HEEREN verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt?</verse>
				<verse number="8">Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.</verse>
				<verse number="9">De vrouwen Mijns volks verdrijft gij, elkeen uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderkens neemt gij Mijn sieraad in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="10">Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving.</verse>
				<verse number="11">Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks.</verse>
				<verse number="12">Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.</verse>
				<verse number="13">De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?</verse>
				<verse number="2">Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen.</verse>
				<verse number="3">Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.</verse>
				<verse number="4">Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.</verse>
				<verse number="5">Alzo zegt de HEERE, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg.</verse>
				<verse number="6">Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.</verse>
				<verse number="7">En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.</verse>
				<verse number="8">Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde.</verse>
				<verse number="9">Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;</verse>
				<verse number="10">Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.</verse>
				<verse number="11">Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op den HEERE, zeggende: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.</verse>
				<verse number="12">Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.</verse>
				<verse number="2">En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren.</verse>
				<verse number="4">Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des HEEREN der heirscharen heeft het gesproken.</verse>
				<verse number="5">Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.</verse>
				<verse number="6">Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoten was, tot een machtig volk; en de HEERE zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="8">En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochteren van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="9">Nu, waarom zoudt gij zo groot geschrei maken? Is er geen Koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen?</verse>
				<verse number="10">Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de HEERE verlossen uit de hand uwer vijanden.</verse>
				<verse number="11">Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion.</verse>
				<verse number="12">Maar zij weten de gedachten des HEEREN niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den dorsvloer.</verse>
				<verse number="13">Maak u op en dors, o dochter Sions! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder gewin den HEERE verbannen, en hun vermogen den Heere der ganse aarde.</verse>
				<verse number="14">Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen den rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="2">Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="3">En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.</verse>
				<verse number="4">En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.</verse>
				<verse number="5">Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.</verse>
				<verse number="6">En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.</verse>
				<verse number="7">Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.</verse>
				<verse number="8">Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="9">En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.</verse>
				<verse number="11">En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.</verse>
				<verse number="13">Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.</verse>
				<verse number="14">En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.</verse>
				<verse number="2">Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.</verse>
				<verse number="3">O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.</verse>
				<verse number="4">Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam.</verse>
				<verse number="5">Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bíleam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.</verse>
				<verse number="6">Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?</verse>
				<verse number="7">Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?</verse>
				<verse number="8">Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?</verse>
				<verse number="9">De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!</verse>
				<verse number="10">Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?</verse>
				<verse number="11">Zou Ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?</verse>
				<verse number="12">Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;</verse>
				<verse number="13">Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden.</verse>
				<verse number="14">Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.</verse>
				<verse number="15">Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.</verse>
				<verse number="16">Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.</verse>
				<verse number="2">De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.</verse>
				<verse number="3">Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.</verse>
				<verse number="4">De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen.</verse>
				<verse number="5">Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.</verse>
				<verse number="6">Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.</verse>
				<verse number="7">Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen.</verse>
				<verse number="8">Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.</verse>
				<verse number="9">Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.</verse>
				<verse number="10">En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.</verse>
				<verse number="11">Ten dage als Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan.</verse>
				<verse number="12">Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.</verse>
				<verse number="13">Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.</verse>
				<verse number="14">Gij dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.</verse>
				<verse number="15">Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.</verse>
				<verse number="16">De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.</verse>
				<verse number="17">Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, en zullen voor U vrezen.</verse>
				<verse number="18">Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.</verse>
				<verse number="19">Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.</verse>
				<verse number="20">Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="34">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De last van Ninevé. Het boek des gezichts van Nahum, den Elkosiet.</verse>
				<verse number="2">Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden.</verse>
				<verse number="3">De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.</verse>
				<verse number="4">Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.</verse>
				<verse number="5">De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.</verse>
				<verse number="6">Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.</verse>
				<verse number="7">De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.</verse>
				<verse number="8">En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen.</verse>
				<verse number="9">Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.</verse>
				<verse number="10">Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.</verse>
				<verse number="11">Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.</verse>
				<verse number="12">Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.</verse>
				<verse number="13">Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.</verse>
				<verse number="14">Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.</verse>
				<verse number="15">Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials- man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig den weg; sterk de lenden, versterk de kracht zeer.</verse>
				<verse number="2">Want de HEERE heeft de hovaardij Jakobs afgewend, gelijk de hovaardij Israëls; want de ledigmakers hebben ze ledig gemaakt, en zij hebben hun wijnranken verdorven.</verse>
				<verse number="3">De schilden zijner helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlakenvervig; de wagens zijn in het vuur der fakkelen, ten dage als hij zich bereidt; en de spiesen worden geschud.</verse>
				<verse number="4">De wagens razen door de wijken, zij lopen ginds en weder op de straten; hun gedaanten zijn als der fakkelen, zij lopen door elkander henen als de bliksemen.</verse>
				<verse number="5">Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.</verse>
				<verse number="6">De poorten der rivieren zullen geopend worden, en het paleis zal versmelten.</verse>
				<verse number="7">En Huzab zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heten voortgaan; en haar maagden zullen haar geleiden, als met een stem der duiven, trommelende op haar harten.</verse>
				<verse number="8">Ninevé is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, doch zij zullen vluchten. Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien.</verse>
				<verse number="9">Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde des voorraads, der heerlijkheid van allerlei gewenste vaten.</verse>
				<verse number="10">Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar hart versmelt, en de knieën schudden, en in al de lenden is smart, en hun aller aangezichten betrekken, als een pot.</verse>
				<verse number="11">Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.</verse>
				<verse number="12">De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.</verse>
				<verse number="13">Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal haar wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op.</verse>
				<verse number="2">Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.</verse>
				<verse number="3">De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;</verse>
				<verse number="4">Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.</verse>
				<verse number="5">Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.</verse>
				<verse number="7">En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Ninevé is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?</verse>
				<verse number="8">Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee.</verse>
				<verse number="9">Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp.</verse>
				<verse number="10">Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geëerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.</verse>
				<verse number="11">Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.</verse>
				<verse number="12">Al uw vastigheden zijn vijgenbomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil.</verse>
				<verse number="13">Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.</verse>
				<verse number="14">Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven.</verse>
				<verse number="15">Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeerder u als sprinkhanen.</verse>
				<verse number="16">Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen.</verse>
				<verse number="17">Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.</verse>
				<verse number="18">Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.</verse>
				<verse number="19">Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="35">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De last, welken Hábakuk, de profeet, gezien heeft.</verse>
				<verse number="2">HEERE! hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en Gij verlost niet!</verse>
				<verse number="3">Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.</verse>
				<verse number="4">Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.</verse>
				<verse number="5">Ziet onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden.</verse>
				<verse number="6">Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn.</verse>
				<verse number="7">Schrikkelijk en vreselijk is hetzelve; zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelven uit.</verse>
				<verse number="8">Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten.</verse>
				<verse number="9">Het zal geheellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.</verse>
				<verse number="10">En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.</verse>
				<verse number="11">Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn god.</verse>
				<verse number="12">Zijt Gij niet van ouds af de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o HEERE! tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest.</verse>
				<verse number="13">Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?</verse>
				<verse number="14">En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?</verse>
				<verse number="15">Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.</verse>
				<verse number="16">Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want door dezelve is zijn deel vet geworden, en zijn spijze smoutig.</verse>
				<verse number="17">Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.</verse>
				<verse number="2">Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.</verse>
				<verse number="3">Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.</verse>
				<verse number="4">Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.</verse>
				<verse number="5">En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.</verse>
				<verse number="6">Zouden dan niet al dezelve van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging der raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee dien, die vermeerdert hetgeen het zijne niet is (hoe lange!), en dien, die op zich laadt dik slijk.</verse>
				<verse number="7">Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?</verse>
				<verse number="8">Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed der mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve.</verse>
				<verse number="9">Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.</verse>
				<verse number="10">Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.</verse>
				<verse number="11">Want de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien.</verse>
				<verse number="12">Wee dien, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!</verse>
				<verse number="13">Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?</verse>
				<verse number="14">Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.</verse>
				<verse number="15">Wee dien, die zijn naaste te drinken geeft, gij, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hun naaktheden aanschouwt.</verse>
				<verse number="16">Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der rechterhand des HEEREN zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.</verse>
				<verse number="17">Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wil der mensen, en des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve.</verse>
				<verse number="18">Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?</verse>
				<verse number="19">Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.</verse>
				<verse number="20">Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Een gebed van Hábakuk, den profeet, op Sjigjónôth.</verse>
				<verse number="2">HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.</verse>
				<verse number="3">God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof.</verse>
				<verse number="4">En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen.</verse>
				<verse number="5">Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.</verse>
				<verse number="6">Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.</verse>
				<verse number="7">Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen des lands van Midian schudden.</verse>
				<verse number="8">Was de HEERE ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee, toen Gij op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.</verse>
				<verse number="9">De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd.</verse>
				<verse number="10">De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.</verse>
				<verse number="11">De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.</verse>
				<verse number="12">Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.</verse>
				<verse number="13">Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.</verse>
				<verse number="14">Gij doorboordet met Zijn staven het hoofd zijner dorplieden; zij hebben gestormd, om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij den ellendige in het verborgen zouden opeten.</verse>
				<verse number="15">Gij betradt met Uw paarden de zee; de geweldige wateren werden een hoop.</verse>
				<verse number="16">Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.</verse>
				<verse number="17">Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;</verse>
				<verse number="18">Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.</verse>
				<verse number="19">De HEERE Heere is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginôth.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="36">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefánja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedálja, den zoon van Amárja, den zoon van Hizkía; in de dagen van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda.</verse>
				<verse number="2">Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="3">Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="4">En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, en den naam der Chemárim met de priesters;</verse>
				<verse number="5">En die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den HEERE, en zweren bij Malcham;</verse>
				<verse number="6">En die terugkeren van achter den HEERE; en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet.</verse>
				<verse number="7">Zwijg voor het aangezicht des Heeren HEEREN; want de dag des HEEREN is nabij; want de HEERE heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd.</verse>
				<verse number="8">En het zal geschieden in den dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen des konings, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding.</verse>
				<verse number="9">Ook zal Ik ten zelven dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt; die het huis hunner heren vullen met geweld en bedrog.</verse>
				<verse number="10">En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, een stem des gekrijts zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.</verse>
				<verse number="11">Huilt, gij inwoners der laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.</verse>
				<verse number="12">En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.</verse>
				<verse number="13">Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.</verse>
				<verse number="14">De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen.</verse>
				<verse number="15">Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid;</verse>
				<verse number="16">Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken.</verse>
				<verse number="17">En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den HEERE gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek.</verse>
				<verse number="18">Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Doorzoekt u zelf nauw, ja, doorzoekt nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt!</verse>
				<verse number="2">Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des HEEREN toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des HEEREN over ulieden nog niet komt.</verse>
				<verse number="3">Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN.</verse>
				<verse number="4">Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in den middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.</verse>
				<verse number="5">Wee den inwoneren van de landstreek der zee, den volken der Cherétim! Het woord des HEEREN zal tegen ulieden zijn, gij Kanaän, der Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.</verse>
				<verse number="6">En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders, en betuiningen der kudden.</verse>
				<verse number="7">En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als de HEERE, hunlieder God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.</verse>
				<verse number="8">Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden der kinderen Ammons, waarmede zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale.</verse>
				<verse number="9">Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Moab zal zekerlijk zijn als Sódom, en de kinderen Ammons als Gomórra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten.</verse>
				<verse number="10">Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van den HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="11">Vreselijk zal de HEERE tegen hen wezen, want Hij zal al de goden der aarde doen uitteren; en een iegelijk uit zijn plaats zal Hem aanbidden, al de eilanden der heidenen.</verse>
				<verse number="12">Ook gij, Moren! zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn.</verse>
				<verse number="13">Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Ninevé stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn.</verse>
				<verse number="14">En in het midden van haar zullen den kudden legeren, al het gedierte der volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen vernachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in den dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.</verse>
				<verse number="15">Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Wee der ijselijke, en der bevlekte, der verdrukkende stad!</verse>
				<verse number="2">Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den HEERE; tot haar God nadert zij niet.</verse>
				<verse number="3">Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen.</verse>
				<verse number="4">Haar profeten zijn lichtvaardig, gans trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen der wet geweld aan.</verse>
				<verse number="5">De rechtvaardige HEERE is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; allen morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; doch de verkeerde weet van geen schaamte.</verse>
				<verse number="6">Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.</verse>
				<verse number="7">Ik zeide: Immers zult gij Mij vrezen, gij zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.</verse>
				<verse number="8">Daarom verwacht Mij, spreekt de HEERE, ten dage als Ik Mij opmake tot den roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen Mijn gramschap, de ganse hittigheid Mijns toorns uit te storten, want dit ganse land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.</verse>
				<verse number="9">Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen den Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder.</verse>
				<verse number="10">Van de zijden der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden brengen.</verse>
				<verse number="11">Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmede gij tegen Mij overtreden hebt; want alsdan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hovaardij, en gij zult u voortaan niet meer verheffen om Mijns heiligen bergs wil.</verse>
				<verse number="12">Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.</verse>
				<verse number="13">De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.</verse>
				<verse number="14">Zing vrolijk, gij dochter Sions, juich, Israël; wees blijde, en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems!</verse>
				<verse number="15">De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de HEERE, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien.</verse>
				<verse number="16">Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.</verse>
				<verse number="17">De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.</verse>
				<verse number="18">De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar.</verse>
				<verse number="19">Ziet, Ik zal te dien tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het ganse land, waar zij beschaamd zijn geweest.</verse>
				<verse number="20">Te dier tijd zal Ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal ulieden zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken der aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt de HEERE.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="37">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In het tweede jaar van den koning Daríus, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggaï, den profeet, tot Zerubbábel, den zoon van Sealthiël, den vorst van Juda, en tot Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.</verse>
				<verse number="3">En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggaï, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?</verse>
				<verse number="5">Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.</verse>
				<verse number="6">Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.</verse>
				<verse number="7">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.</verse>
				<verse number="8">Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="9">Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.</verse>
				<verse number="10">Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.</verse>
				<verse number="11">Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.</verse>
				<verse number="12">Toen hoorde Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jósua, de zoon van Józadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggaï, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.</verse>
				<verse number="13">Toen sprak Haggaï, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE verwekte den geest van Zerubbábel, den zoon van Sealthiël, den vorst van Juda, en den geest van Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Daríus.</verse>
				<verse number="2">In de zevende maand, op den een en twintigsten der maand, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggaï, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Spreek nu tot Zerubbábel, den zoon van Sealthiël, den vorst van Juda, en tot Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen?</verse>
				<verse number="5">Doch nu, wees sterk, gij Zerubbábel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Jósua, zoon van Józadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen;</verse>
				<verse number="6">Met het Woord, in Hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet!</verse>
				<verse number="7">Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog ééns, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.</verse>
				<verse number="8">Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="9">Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="10">De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="11">Op den vier en twintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggaï, zeggende:</verse>
				<verse number="12">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Vraag nu den priesters de wet, zeggende:</verse>
				<verse number="13">Ziet, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan den wijn, of aan de olie, of aan enige spijze, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Neen.</verse>
				<verse number="14">En Haggaï zeide: Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden.</verse>
				<verse number="15">Toen antwoordde Haggaï, en zeide: Alzo is dit volk, en alzo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE, en alzo is al het werk hunner handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein.</verse>
				<verse number="16">En nu, stelt er toch ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des HEEREN;</verse>
				<verse number="17">Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den koren hoop van twintig maten, zo waren er maar tien; komende tot den wijnbak, om vijftig maten van de pers te scheppen, zo waren er maar twintig.</verse>
				<verse number="18">Ik sloeg ulieden met brandkoren, met honigdauw en met hagel, al het werk uwer handen; en gij keerdet u niet tot Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="19">Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af, als het fondament aan den tempel des HEEREN is gelegd geworden, stelt er uw hart op.</verse>
				<verse number="20">Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom, en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag af zegenen.</verse>
				<verse number="21">Het woord des HEEREN nu geschiedde ten tweeden male tot Haggaï, op den vier en twintigsten der maand, zeggende:</verse>
				<verse number="22">Spreek tot Zerubbábel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen.</verse>
				<verse number="23">En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren, en verdelgen de vastigheid van de koninkrijken der heidenen; en Ik zal den wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen nederstorten, een iegelijk in des anderen zwaard.</verse>
				<verse number="24">Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbábel, gij zoon van Sealthiël, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="38">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In de achtste maand, in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, den zoon van Beréchja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:</verse>
				<verse number="2">De HEERE is zeer vertoornd geweest tegen uw vaderen.</verse>
				<verse number="3">Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Keert weder tot Mij, spreekt de HEERE der heirscharen, zo zal Ik weder tot ulieden keren, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="4">Weest niet als uw vaderen, tot dewelke de vorige profeten riepen, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Bekeert u toch van uw boze wegen, en uw boze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="5">Uw vaderen, waar zijn die? En de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven?</verse>
				<verse number="6">Nochtans Mijn woorden en Mijn inzettingen, die Ik Mijn knechten, den profeten, geboden had, hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden: Gelijk als de HEERE der heirscharen gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, alzo heeft Hij met ons gedaan.</verse>
				<verse number="7">Op den vier en twintigsten dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, den zoon van Beréchja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:</verse>
				<verse number="8">Ik zag des nachts, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden.</verse>
				<verse number="9">En Ik zeide: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zeide tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn.</verse>
				<verse number="10">Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zeide: Deze zijn het, die de HEERE uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen.</verse>
				<verse number="11">En zij antwoordden den Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het ganse land zit en het is stil.</verse>
				<verse number="12">Toen antwoordde de Engel des HEEREN, en zeide: HEERE der heirscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren?</verse>
				<verse number="13">En de HEERE antwoordde den Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden.</verse>
				<verse number="14">En de Engel, Die met mij sprak, zeide tot mij: Roep uit, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een groten ijver.</verse>
				<verse number="15">En Ik ben met een zeer groten toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen.</verse>
				<verse number="16">Daarom zegt de HEERE alzo: Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de HEERE der heirscharen, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.</verse>
				<verse number="17">Roep nog, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want de HEERE zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.</verse>
				<verse number="18">En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen.</verse>
				<verse number="19">En ik zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.</verse>
				<verse number="20">En de HEERE toonde mij vier smeden.</verse>
				<verse number="21">Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Wederom hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een Man, en in Zijn hand was een meetsnoer.</verse>
				<verse number="2">En ik zeide: Waar gaat Gij henen? En Hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal.</verse>
				<verse number="3">En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere engel ging uit, Hem tegemoet.</verse>
				<verse number="4">En Hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.</verse>
				<verse number="6">Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="7">Hui, Sion! ontkomt gij, die woont bij de dochter van Babel!</verse>
				<verse number="8">Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Na de heerlijkheid over u, heeft Hij Mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.</verse>
				<verse number="9">Want ziet, Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen. Alzo zult gijlieden weten, dat de HEERE der heirscharen Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="10">Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="11">En vele heidenen zullen te dien dage den HEERE toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten, dat de HEERE der heirscharen Mij tot u gezonden heeft.</verse>
				<verse number="12">Dan zal de HEERE Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.</verse>
				<verse number="13">Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des HEEREN! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Daarna toonde Hij mij Jósua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.</verse>
				<verse number="2">Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?</verse>
				<verse number="3">Jósua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.</verse>
				<verse number="4">Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.</verse>
				<verse number="5">Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.</verse>
				<verse number="6">Toen betuigde de Engel des HEEREN Jósua, zeggende:</verse>
				<verse number="7">Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.</verse>
				<verse number="8">Hoor nu toe, Jósua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.</verse>
				<verse number="9">Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Jósua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal Zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.</verse>
				<verse number="10">Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.</verse>
				<verse number="2">En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;</verse>
				<verse number="3">En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde.</verse>
				<verse number="4">En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen?</verse>
				<verse number="5">Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!</verse>
				<verse number="6">Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbábel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="7">Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbábel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!</verse>
				<verse number="8">Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="9">De handen van Zerubbábel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de HEERE der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft.</verse>
				<verse number="10">Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbábel; dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.</verse>
				<verse number="11">Verder antwoordde ik, en zeide tot Hem: Wat zijn die twee olijfbomen, ter rechterzijde des kandelaars, en aan zijn linkerzijde?</verse>
				<verse number="12">En andermaal antwoordende, zo zeide ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes der olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten?</verse>
				<verse number="13">En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!</verse>
				<verse number="14">Toen zeide Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der ganse aarde staan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, een vliegende rol.</verse>
				<verse number="2">En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een vliegende rol, welker lengte is van twintig ellen, en haar breedte van tien ellen.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="4">Ik breng dezen vloek voort, spreekt de HEERE der heirscharen, dat hij kome in het huis van den dief, en in het huis desgenen, die bij Mijn Naam valselijk zweert; en hij zal in het midden zijns huizes overnachten, en hij zal het verteren, met zijn houten en zijn stenen.</verse>
				<verse number="5">En de Engel, Die met mij sprak, ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit zij, dat er voortkomt.</verse>
				<verse number="6">En ik zeide: Wat is dat? En Hij zeide: Dit is een efa, die voortkomt. Verder zeide Hij: Dit is het oog over henlieden in het ganse land.</verse>
				<verse number="7">En ziet, een plaat van lood werd opgeheven, en er was een vrouw, zittende in het midden der efa.</verse>
				<verse number="8">En Hij zeide: Deze is de goddeloosheid; en Hij wierp ze in het midden van de efa; en Hij wierp het loden gewicht op den mond derzelve.</verse>
				<verse number="9">En ik hief mijn ogen op, en ik zag; en ziet, twee vrouwen kwamen voort, en wind was in haar vleugelen, en zij hadden vleugelen, als de vleugelen eens ooievaars; en zij voerden de efa tussen de aarde en tussen den hemel.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide ik tot den Engel, Die met mij sprak: Waarhenen brengen zij deze efa?</verse>
				<verse number="11">En Hij zeide tot mij: Om haar een huis te bouwen in het land Sínear; dat zij daar gevestigd en gesteld worde op haar grondvesting.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.</verse>
				<verse number="2">Aan den eersten wagen waren rode paarden; en aan den tweeden wagen waren zwarte paarden.</verse>
				<verse number="3">En aan den derden wagen witte paarden; en aan den vierden wagen hagelvlekkige paarden, die sterk waren.</verse>
				<verse number="4">En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere?</verse>
				<verse number="5">En de Engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier winden des hemels, uitgaande van daar zij stonden voor den Heere der ganse aarde.</verse>
				<verse number="6">Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland.</verse>
				<verse number="7">En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Gaat heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land.</verse>
				<verse number="8">En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.</verse>
				<verse number="9">En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="10">Neem van de gevankelijk weggevoerden van Cheldaï, van Tobía, en van Jedája, en kom gij te dien dage, en ga in ten huize van Josía, den zoon van Zefánja, dewelke uit Babel gekomen zijn;</verse>
				<verse number="11">Te weten, neem zilver en goud, en maak kronen; en zet ze op het hoofd van Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester.</verse>
				<verse number="12">En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens Naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen.</verse>
				<verse number="13">Ja, Hij zal den tempel des HEEREN bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal Priester zijn op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen die Beiden wezen.</verse>
				<verse number="14">En die kronen zullen wezen voor Chelem, en voor Tobía, en voor Jedája, en voor Chen, den zoon van Zefánja, tot een gedachtenis in den tempel des HEEREN.</verse>
				<verse number="15">En die verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen in den tempel des HEEREN, en gijlieden zult weten, dat de HEERE der heirscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij vlijtiglijk zult horen naar de stem des HEEREN, uws Gods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Het gebeurde nu in het vierde jaar van den koning Daríus, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Zacharía, op den vierden der negende maand, namelijk in Chisleu.</verse>
				<verse number="2">Toen men naar het huis van God gezonden had Sarézer, en Regem-Melech, en zijn mannen, om het aangezicht des HEEREN te smeken;</verse>
				<verse number="3">Zeggende tot de priesters, die in het huis des HEEREN der heirscharen waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik wenen in de vijfde maand, mij afzonderende, gelijk als ik gedaan heb nu zo vele jaren?</verse>
				<verse number="4">Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Spreek tot het ganse volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast?</verse>
				<verse number="6">Of als gij at, en als gij dronkt, waart gij het niet, die daar at, en gij, die daar dronkt?</verse>
				<verse number="7">Zijn het niet de woorden, welke de HEERE uitriep door den dienst der vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en haar steden rondom haar; en het zuiden en de laagte bewoond was?</verse>
				<verse number="8">Verder geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, zeggende:</verse>
				<verse number="9">Alzo sprak de HEERE der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander;</verse>
				<verse number="10">En verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad.</verse>
				<verse number="11">Maar zij weigerden op te merken, en togen hun schouder terug, en zij verzwaarden hun oren, opdat zij niet hoorden.</verse>
				<verse number="12">En zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden, die de HEERE der heirscharen zond in Zijn Geest, door den dienst der vorige profeten, waaruit ontstaan is een grote toorn van den HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="13">Daarom is het geschied, gelijk als Hij geroepen had, doch zij niet gehoord hebben, alzo riepen zij ook, maar Ik hoorde niet, zegt de HEERE der heirscharen;</verse>
				<verse number="14">Maar Ik heb hen weggestormd onder alle heidenen, welke zij niet kenden; en het land werd achter hen verwoest, zodat er niemand doorging, noch wederkeerde; want zij stelden het gewenste land tot een verwoesting.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb geijverd over Sion met een groten ijver; ja, met grote grimmigheid heb Ik over haar geijverd.</verse>
				<verse number="3">Alzo zegt de HEERE: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des HEEREN der heirscharen, een berg der heiligheid.</verse>
				<verse number="4">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen.</verse>
				<verse number="5">En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.</verse>
				<verse number="6">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="7">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land des opgangs, en uit het land des nedergangs der zon.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.</verse>
				<verse number="9">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Laat uw handen sterk zijn, gijlieden, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten, die geweest zijn ten dage, als de grond van het huis des HEEREN der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden.</verse>
				<verse number="10">Want vóór die dagen kwam des mensen loon te niet, en het loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede vanwege den vijand, want Ik zond alle mensen, een iegelijk tegen zijn naaste.</verse>
				<verse number="11">Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="12">Want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven.</verse>
				<verse number="13">En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda! en gij, o huis Israëls, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn.</verse>
				<verse number="14">Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen Mij uw vaderen grotelijks vertoornden, zegt de HEERE der heirscharen, en het heeft Mij niet berouwd;</verse>
				<verse number="15">Alzo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vreest niet!</verse>
				<verse number="16">Dit zijn de dingen, die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uw poorten.</verse>
				<verse number="17">En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de HEERE.</verse>
				<verse number="18">Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:</verse>
				<verse number="19">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief.</verse>
				<verse number="20">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog zal het geschieden, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen;</verse>
				<verse number="21">En de inwoners der ene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan, om te smeken het aangezicht des HEEREN, en om den HEERE der heirscharen te zoeken; ik zal ook henengaan.</verse>
				<verse number="22">Alzo zullen vele volken, en machtige heidenen komen, om den HEERE der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des HEEREN te smeken.</verse>
				<verse number="23">Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">De last van het woord des HEEREN over het land Chadrach en Damaskus, deszelfs rust; want de HEERE heeft een oog over den mens, gelijk over al de stammen Israëls.</verse>
				<verse number="2">En ook zal Hij Hamath met hetzelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is;</verse>
				<verse number="3">En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten;</verse>
				<verse number="4">Ziet, de Heere zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden.</verse>
				<verse number="5">Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.</verse>
				<verse number="6">En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien.</verse>
				<verse number="7">En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn verfoeiselen van tussen zijn tanden; alzo zal hij ook onzen God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.</verse>
				<verse number="8">En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het heirleger, vanwege den doorgaande, en vanwege den wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien.</verse>
				<verse number="9">Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.</verse>
				<verse number="10">En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.</verse>
				<verse number="11">U ook aangaande, o Sion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uw gebondenen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten.</verse>
				<verse number="12">Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;</verse>
				<verse number="13">Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraïm den boog zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland! en u gesteld zal hebben als het zwaard van een held.</verse>
				<verse number="14">En de HEERE zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.</verse>
				<verse number="15">De HEERE der heirscharen zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruis maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars.</verse>
				<verse number="16">En de HEERE, hun God, zal ze te dien dage behouden, als zijnde de kudde Zijns volks; want gekroonde stenen zullen in Zijn land, als een banier, opgericht worden.</verse>
				<verse number="17">Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen! Het koren zal de jongelingen, en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Begeert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens; de HEERE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.</verse>
				<verse number="2">Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij henengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.</verse>
				<verse number="3">Tegen de herders was Mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar de HEERE der heirscharen zal Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard Zijner majesteit in den strijd.</verse>
				<verse number="4">Van hetzelve zal de hoeksteen, van hetzelve zal de nagel, van hetzelve zal de strijdboog, te zamen zullen van hetzelve alle drijvers voortkomen.</verse>
				<verse number="5">En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de HEERE zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.</verse>
				<verse number="6">En Ik zal het huis van Juda versterken, en het huis van Jozef zal Ik behouden, en Ik zal hen weder inzetten; want Ik heb Mij hunner ontfermd, en zij zullen wezen, alsof Ik hen niet verstoten had; want Ik ben de HEERE, hun God, en Ik zal ze verhoren.</verse>
				<verse number="7">En zij zullen zijn als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verblijden, als van den wijn; en hun kinderen zullen het zien, en zich verblijden, hun hart zal zich verheugen in den HEERE.</verse>
				<verse number="8">Ik zal hen toesissen, en zal ze vergaderen, want Ik zal ze verlossen; en zij zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij te voren vermenigvuldigd waren.</verse>
				<verse number="9">En Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen Mijner gedenken in verre plaatsen; en zij zullen leven met hun kinderen, en wederkeren.</verse>
				<verse number="10">Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland, en Ik zal ze vergaderen uit Assyrië; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen.</verse>
				<verse number="11">En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten der rivier zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de scepter van Egypte zal wegwijken.</verse>
				<verse number="12">En Ik zal hen sterken in den HEERE, en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt de HEERE.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Doe uw deuren open, o Libanon! opdat het vuur uw cederen vertere.</verse>
				<verse number="2">Huilt, gij dennen! dewijl de cederen gevallen zijn, dewijl die heerlijke bomen verwoest zijn; huilt, gij eiken van Basan! dewijl het sterke woud nedergevallen is.</verse>
				<verse number="3">Er is een stem des gehuils der herderen, dewijl hun heerlijkheid verwoest is; een stem des gebruls der jonge leeuwen, dewijl de hoogmoed van de Jordaan verwoest is.</verse>
				<verse number="4">Alzo zegt de HEERE, mijn God: Weidt deze slachtschapen,</verse>
				<verse number="5">Welker bezitters hen doden, en houden het voor geen schuld; en een ieder dergenen, die ze verkopen, zegt: Geloofd zij de HEERE, dat ik rijk geworden ben; en niemand van degenen, die ze weiden, verschoont ze.</verse>
				<verse number="6">Zekerlijk, Ik zal niet meer de inwoners dezes lands verschonen, spreekt de HEERE; maar ziet, Ik zal de mensen overleveren, elkeen in de hand zijns naasten, en in de hand zijns konings, en zij zullen dit land te morzel slaan, en Ik zal ze uit hun hand niet verlossen.</verse>
				<verse number="7">Dies heb Ik deze slachtschapen geweid, dewijl zij ellendige schapen zijn; en Ik heb Mij genomen twee stokken, den een heb Ik genoemd LIEFELIJKHEID, en den anderen heb Ik genoemd SAMENBINDERS; en Ik heb die schapen geweid.</verse>
				<verse number="8">En Ik heb drie herders in één maand afgesneden; want Mijn ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hun ziel een walg van Mij.</verse>
				<verse number="9">En Ik zeide: Ik zal ulieden niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de een des anderen vlees verslinden.</verse>
				<verse number="10">En Ik nam Mijn stok LIEFELIJKHEID, en Ik verbrak denzelven, te niet doende Mijn verbond, hetwelk Ik met al deze volken gemaakt had.</verse>
				<verse number="11">Dus werd het te dien dage vernietigd, en alzo hebben de ellendigen onder de schapen, die op Mij wachtten, bekend, dat het des HEEREN woord was.</verse>
				<verse number="12">Want Ik had tot henlieden gezegd: Indien het goed is in uw ogen, brengt Mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben Mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.</verse>
				<verse number="13">Doch de HEERE zeide tot Mij: Werp ze henen voor den pottenbakker: een heerlijken prijs, dien Ik waard geacht ben geweest van hen! En Ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des HEEREN, voor den pottenbakker.</verse>
				<verse number="14">Toen verbrak Ik Mijn tweeden stok, SAMENBINDERS, te niet doende de broederschap tussen Juda en tussen Israël.</verse>
				<verse number="15">Verder zeide de HEERE tot Mij: Neem u nog eens dwazen herders gereedschap.</verse>
				<verse number="16">Want ziet, Ik zal een herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet helen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten, en derzelver klauwen zal hij verscheuren.</verse>
				<verse number="17">Wee den nietigen herder, den verlater der kudde! Het zwaard zal over zijn arm zijn, en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten enenmale verdorren, en zijn rechteroog zal ten enenmale donker worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">De last van het woord des HEEREN over Israël. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.</verse>
				<verse number="2">Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.</verse>
				<verse number="4">Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan.</verse>
				<verse number="5">Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in den HEERE der heirscharen, hun God.</verse>
				<verse number="6">Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechter- en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="7">En de HEERE zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe tegen Juda.</verse>
				<verse number="8">Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.</verse>
				<verse number="9">En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen.</verse>
				<verse number="10">Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.</verse>
				<verse number="11">Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrímmon, in het dal van Megíddon.</verse>
				<verse number="12">En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;</verse>
				<verse number="13">Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;</verse>
				<verse number="14">Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.</verse>
				<verse number="2">En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en den onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen.</verse>
				<verse number="3">En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valsheid gesproken hebt in den Naam des HEEREN; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert.</verse>
				<verse number="4">En het zal geschieden te dien dage, dat die profeten beschaamd zullen worden, een iegelijk vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen;</verse>
				<verse number="5">Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een man, die het land bouwt; want een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan.</verse>
				<verse number="6">En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.</verse>
				<verse number="7">Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.</verse>
				<verse number="8">En het zal geschieden in het ganse land, spreekt de HEERE, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven.</verse>
				<verse number="9">En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!</verse>
				<verse number="2">Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="3">En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.</verse>
				<verse number="4">En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.</verse>
				<verse number="5">Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!</verse>
				<verse number="6">En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis.</verse>
				<verse number="7">Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.</verse>
				<verse number="8">Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn.</verse>
				<verse number="9">En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.</verse>
				<verse number="10">Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hanáneël, tot aan des konings wijnbakken toe.</verse>
				<verse number="11">En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen.</verse>
				<verse number="12">En dit zal de plage zijn, waarmede de HEERE al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; en eens iegelijks tong zal in hun mond uitteren.</verse>
				<verse number="13">Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.</verse>
				<verse number="14">En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en klederen in grote menigte.</verse>
				<verse number="15">Alzo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is.</verse>
				<verse number="16">En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den HEERE der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten.</verse>
				<verse number="17">En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen wezen.</verse>
				<verse number="18">En indien het geslacht der Egyptenaren, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plage over hen zijn, met dewelke de HEERE die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.</verse>
				<verse number="19">Dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.</verse>
				<verse number="20">Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;</verse>
				<verse number="21">Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis des HEEREN der heirscharen, te dien dage.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="39">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De last van het woord des HEEREN tot Israël, door den dienst van Maleáchi.</verse>
				<verse number="2">Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de HEERE; nochtans heb Ik Jakob liefgehad,</verse>
				<verse number="3">En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en zijn erve voor de draken der woestijn.</verse>
				<verse number="4">Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; alzo zegt de HEERE der heirscharen: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale der goddeloosheid, en een volk, op hetwelk de HEERE vergramd is tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="5">En uw ogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: De HEERE zij groot gemaakt, van de landpale Israëls af!</verse>
				<verse number="6">Een zoon zal den vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? zegt de HEERE der heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar gij zegt: Waarmede verachten wij Uw Naam?</verse>
				<verse number="7">Gij brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmede verontreinigen wij U? Daarmede, dat gij zegt: Des HEEREN tafel is verachtelijk.</verse>
				<verse number="8">Want als gij wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als gij wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="9">Nu dan, smeekt toch het aangezicht van God, dat Hij ons genadig zij; zulks is van uw hand geschied, zal Hij uw aangezicht opnemen? zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="10">Wie is er ook onder u, die de deuren om niet toesluit? En gij steekt het vuur niet aan op Mijn altaar om niet. Ik heb geen lust aan u, zegt de HEERE der heirscharen, en het spijsoffer is Mij van uw hand niet aangenaam.</verse>
				<verse number="11">Maar van den opgang der zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="12">Maar gij ontheiligt dien, als gij zegt: Des HEEREN tafel is ontreinigd, en haar inkomen, haar spijs is verachtelijk.</verse>
				<verse number="13">Nog zegt gij: Ziet, wat een vermoeidheid! maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de HEERE der heirscharen; gij brengt ook hetgeen geroofd is, en dat kreupel en krank is; gij brengt ook spijsoffer; zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand? zegt de HEERE.</verse>
				<verse number="14">Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en den Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE der heirscharen, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En nu, gij priesters! tot u wordt dit gebod gezonden;</verse>
				<verse number="2">Indien gij het niet zult horen, en indien gij het niet zult ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE der heirscharen, zo zal Ik den vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook alrede elkeen derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt.</verse>
				<verse number="3">Ziet, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal drek op uw aangezichten strooien, den drek uwer feesten, zodat men u met denzelven wegnemen zal.</verse>
				<verse number="4">Dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="5">Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt.</verse>
				<verse number="6">De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="7">Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des HEEREN der heirscharen.</verse>
				<verse number="8">Maar gij zijt van den weg afgeweken, gij hebt er velen doen struikelen in de wet, gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="9">Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.</verse>
				<verse number="10">Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouwelooslijk de een tegen den ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen?</verse>
				<verse number="11">Juda handelt trouwelooslijk, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid des HEEREN, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd.</verse>
				<verse number="12">De HEERE zal den man, die zulks doet, uitroeien uit de hutten van Jakob, dien, die waakt, en dien, die antwoordt, en die den HEERE der heirscharen spijsoffer brengt.</verse>
				<verse number="13">Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des HEEREN bedekt met tranen, met wening en met zuchting; zodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil.</verse>
				<verse number="14">Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de HEERE een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uwer jeugd, met dewelke gij trouwelooslijk handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is.</verse>
				<verse number="15">Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? En waarom maar dien énen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd.</verse>
				<verse number="16">Want de HEERE, de God Israëls, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt de HEERE der heirscharen; daarom wacht u met uw geest, dat gij niet trouwelooslijk handelt.</verse>
				<verse number="17">Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="2">Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers.</verse>
				<verse number="3">En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den HEERE spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.</verse>
				<verse number="4">Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den HEERE zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.</verse>
				<verse number="5">En Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeren, en Mij niet vrezen, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="6">Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.</verse>
				<verse number="7">Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?</verse>
				<verse number="8">Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.</verse>
				<verse number="9">Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.</verse>
				<verse number="10">Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.</verse>
				<verse number="11">En Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="12">En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="13">Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?</verse>
				<verse number="14">Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des HEEREN der heirscharen?</verse>
				<verse number="15">En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den HEERE, en ontkomen.</verse>
				<verse number="16">Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.</verse>
				<verse number="17">En zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient.</verse>
				<verse number="18">Dan zult gijlieden wederom zien, het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, tussen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.</verse>
				<verse number="2">Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.</verse>
				<verse number="3">En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.</verse>
				<verse number="4">Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israël, der inzettingen en rechten.</verse>
				<verse number="5">Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elía, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal.</verse>
				<verse number="6">En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.</verse>
			</chapter>
		</book>
	</testament>
	<testament name="New">
		<book number="40">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den zoon van Abraham.</verse>
				<verse number="2">Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;</verse>
				<verse number="3">En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;</verse>
				<verse number="4">En Aram gewon Aminádab, en Aminádab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;</verse>
				<verse number="5">En Salmon gewon Boöz bij Rachab, en Boöz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;</verse>
				<verse number="6">En Jessai gewon David, den koning; en David, de koning, gewon Sálomon bij degene, die Uría's vrouw was geweest;</verse>
				<verse number="7">En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;</verse>
				<verse number="8">En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;</verse>
				<verse number="9">En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;</verse>
				<verse number="10">En Ezekías gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josías;</verse>
				<verse number="11">En Josías gewon Jechónias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.</verse>
				<verse number="12">En na de Babylonische overvoering gewon Jechónias Saláthiël, en Saláthiël gewon Zorobábel;</verse>
				<verse number="13">En Zorobábel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;</verse>
				<verse number="14">En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;</verse>
				<verse number="15">En Eliud gewon Eleázar, en Eleázar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;</verse>
				<verse number="16">En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.</verse>
				<verse number="17">Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten.</verse>
				<verse number="18">De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="19">Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten.</verse>
				<verse number="20">En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="21">En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.</verse>
				<verse number="22">En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:</verse>
				<verse number="23">Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Immánuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.</verse>
				<verse number="24">Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;</verse>
				<verse number="25">En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judéa, in de dagen van den koning Heródes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.</verse>
				<verse number="2">Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.</verse>
				<verse number="3">De koning Heródes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.</verse>
				<verse number="4">En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.</verse>
				<verse number="5">En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa gelegen; want alzo is geschreven door den profeet:</verse>
				<verse number="6">En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.</verse>
				<verse number="7">Toen heeft Heródes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;</verse>
				<verse number="8">En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.</verse>
				<verse number="9">En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was.</verse>
				<verse number="10">Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.</verse>
				<verse number="11">En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.</verse>
				<verse number="12">En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Heródes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.</verse>
				<verse number="13">Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Heródes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.</verse>
				<verse number="14">Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;</verse>
				<verse number="15">En was aldaar tot den dood van Heródes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.</verse>
				<verse number="16">Als Heródes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.</verse>
				<verse number="17">Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!</verse>
				<verse number="19">Toen Heródes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.</verse>
				<verse number="20">Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israëls; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.</verse>
				<verse number="21">Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israëls.</verse>
				<verse number="22">Maar als hij hoorde, dat Archeláüs in Judéa koning was, in de plaats van zijn vader Heródes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galiléa.</verse>
				<verse number="23">En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Názareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazaréner zal geheten worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judéa,</verse>
				<verse number="2">En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.</verse>
				<verse number="3">Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!</verse>
				<verse number="4">En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.</verse>
				<verse number="5">Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa, en het gehele land rondom de Jordaan;</verse>
				<verse number="6">En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.</verse>
				<verse number="7">Hij dan, ziende velen van de farizeeën en sadduceeën tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?</verse>
				<verse number="8">Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.</verse>
				<verse number="9">En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.</verse>
				<verse number="10">En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.</verse>
				<verse number="11">Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.</verse>
				<verse number="12">Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.</verse>
				<verse number="13">Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.</verse>
				<verse number="14">Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?</verse>
				<verse number="15">Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.</verse>
				<verse number="16">En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.</verse>
				<verse number="17">En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.</verse>
				<verse number="2">En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.</verse>
				<verse number="3">En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.</verse>
				<verse number="4">Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.</verse>
				<verse number="5">Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;</verse>
				<verse number="6">En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.</verse>
				<verse number="7">Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.</verse>
				<verse number="8">Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;</verse>
				<verse number="9">En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.</verse>
				<verse number="11">Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.</verse>
				<verse number="12">Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galiléa;</verse>
				<verse number="13">En Názareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapérnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;</verse>
				<verse number="14">Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:</verse>
				<verse number="15">Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galiléa der volken;</verse>
				<verse number="16">Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.</verse>
				<verse number="17">Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.</verse>
				<verse number="18">En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);</verse>
				<verse number="19">En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.</verse>
				<verse number="20">Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.</verse>
				<verse number="21">En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedéüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.</verse>
				<verse number="22">Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.</verse>
				<verse number="23">En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.</verse>
				<verse number="24">En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.</verse>
				<verse number="25">En vele scharen volgden Hem na, van Galiléa en van Dekápolis, en van Jeruzalem, en van Judéa, en van over de Jordaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.</verse>
				<verse number="2">En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.</verse>
				<verse number="4">Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.</verse>
				<verse number="5">Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.</verse>
				<verse number="6">Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.</verse>
				<verse number="7">Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.</verse>
				<verse number="8">Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.</verse>
				<verse number="9">Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.</verse>
				<verse number="10">Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.</verse>
				<verse number="11">Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.</verse>
				<verse number="12">Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn.</verse>
				<verse number="13">Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.</verse>
				<verse number="14">Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.</verse>
				<verse number="15">Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;</verse>
				<verse number="16">Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.</verse>
				<verse number="17">Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.</verse>
				<verse number="18">Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.</verse>
				<verse number="19">Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.</verse>
				<verse number="20">Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.</verse>
				<verse number="21">Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.</verse>
				<verse number="22">Doch Ik zeg u: Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.</verse>
				<verse number="23">Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;</verse>
				<verse number="24">Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.</verse>
				<verse number="25">Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.</verse>
				<verse number="26">Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.</verse>
				<verse number="27">Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.</verse>
				<verse number="28">Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.</verse>
				<verse number="29">Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.</verse>
				<verse number="30">En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.</verse>
				<verse number="31">Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.</verse>
				<verse number="32">Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.</verse>
				<verse number="33">Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.</verse>
				<verse number="34">Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;</verse>
				<verse number="35">Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;</verse>
				<verse number="36">Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;</verse>
				<verse number="37">Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.</verse>
				<verse number="38">Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.</verse>
				<verse number="39">Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;</verse>
				<verse number="40">En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;</verse>
				<verse number="41">En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.</verse>
				<verse number="42">Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.</verse>
				<verse number="43">Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.</verse>
				<verse number="44">Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;</verse>
				<verse number="45">Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.</verse>
				<verse number="46">Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?</verse>
				<verse number="47">En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?</verse>
				<verse number="48">Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="2">Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.</verse>
				<verse number="3">Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet;</verse>
				<verse number="4">Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.</verse>
				<verse number="5">En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.</verse>
				<verse number="6">Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bid uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.</verse>
				<verse number="7">En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.</verse>
				<verse number="8">Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.</verse>
				<verse number="9">Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.</verse>
				<verse number="10">Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.</verse>
				<verse number="11">Geef ons heden ons dagelijks brood.</verse>
				<verse number="12">En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.</verse>
				<verse number="13">En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.</verse>
				<verse number="14">Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.</verse>
				<verse number="15">Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.</verse>
				<verse number="16">En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.</verse>
				<verse number="17">Maar gij, als gij vast, zalf uw hoofd, en was uw aangezicht;</verse>
				<verse number="18">Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.</verse>
				<verse number="19">Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;</verse>
				<verse number="20">Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;</verse>
				<verse number="21">Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.</verse>
				<verse number="22">De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;</verse>
				<verse number="23">Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!</verse>
				<verse number="24">Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.</verse>
				<verse number="25">Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?</verse>
				<verse number="26">Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?</verse>
				<verse number="27">Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?</verse>
				<verse number="28">En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;</verse>
				<verse number="29">En Ik zeg u, dat ook Sálomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.</verse>
				<verse number="30">Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?</verse>
				<verse number="31">Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?</verse>
				<verse number="32">Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.</verse>
				<verse number="33">Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.</verse>
				<verse number="34">Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.</verse>
				<verse number="2">Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.</verse>
				<verse number="3">En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?</verse>
				<verse number="4">Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?</verse>
				<verse number="5">Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.</verse>
				<verse number="6">Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.</verse>
				<verse number="7">Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.</verse>
				<verse number="8">Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.</verse>
				<verse number="9">Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?</verse>
				<verse number="10">En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?</verse>
				<verse number="11">Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!</verse>
				<verse number="12">Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.</verse>
				<verse number="13">Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;</verse>
				<verse number="14">Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.</verse>
				<verse number="15">Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.</verse>
				<verse number="16">Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?</verse>
				<verse number="17">Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.</verse>
				<verse number="18">Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.</verse>
				<verse number="19">Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.</verse>
				<verse number="20">Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.</verse>
				<verse number="21">Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="22">Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?</verse>
				<verse number="23">En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!</verse>
				<verse number="24">Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;</verse>
				<verse number="25">En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.</verse>
				<verse number="26">En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;</verse>
				<verse number="27">En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.</verse>
				<verse number="28">En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;</verse>
				<verse number="29">Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de schriftgeleerden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd.</verse>
				<verse number="2">En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.</verse>
				<verse number="3">En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.</verse>
				<verse number="4">En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.</verse>
				<verse number="5">Als nu Jezus te Kapérnaüm ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,</verse>
				<verse number="6">En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.</verse>
				<verse number="7">En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.</verse>
				<verse number="8">En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.</verse>
				<verse number="9">Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.</verse>
				<verse number="10">Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden.</verse>
				<verse number="11">Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;</verse>
				<verse number="12">En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.</verse>
				<verse number="13">En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.</verse>
				<verse number="14">En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.</verse>
				<verse number="15">En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.</verse>
				<verse number="16">En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;</verse>
				<verse number="17">Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.</verse>
				<verse number="18">En Jezus, vele scharen ziende rondom Zich, beval aan de andere zijde over te varen.</verse>
				<verse number="19">En er kwam een zeker schriftgeleerde tot Hem, en zeide tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat.</verse>
				<verse number="20">En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.</verse>
				<verse number="21">En een ander uit Zijn discipelen zeide tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.</verse>
				<verse number="22">Doch Jezus zeide tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.</verse>
				<verse number="23">En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.</verse>
				<verse number="24">En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.</verse>
				<verse number="25">En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!</verse>
				<verse number="26">En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.</verse>
				<verse number="27">En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!</verse>
				<verse number="28">En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesénen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.</verse>
				<verse number="29">En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U te doen? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?</verse>
				<verse number="30">En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.</verse>
				<verse number="31">En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.</verse>
				<verse number="32">En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.</verse>
				<verse number="33">En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat den bezetenen geschied was.</verse>
				<verse number="34">En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.</verse>
				<verse number="2">En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.</verse>
				<verse number="3">En ziet, sommigen der schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.</verse>
				<verse number="4">En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?</verse>
				<verse number="5">Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?</verse>
				<verse number="6">Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.</verse>
				<verse number="7">En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.</verse>
				<verse number="8">De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.</verse>
				<verse number="9">En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Matthéüs; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.</verse>
				<verse number="10">En het geschiedde, als Hij in het huis van Matthéüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="11">En de farizeeën, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?</verse>
				<verse number="12">Maar Jezus, zulks horende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.</verse>
				<verse number="13">Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.</verse>
				<verse number="14">Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de farizeeën veel, en Uw discipelen vasten niet?</verse>
				<verse number="15">En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.</verse>
				<verse number="16">Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur.</verse>
				<verse number="17">Noch doet men nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo bersten de leder zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de leder zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe leder zakken, en beide te zamen worden behouden.</verse>
				<verse number="18">Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.</verse>
				<verse number="19">En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="20">(En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan;</verse>
				<verse number="21">Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.</verse>
				<verse number="22">En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)</verse>
				<verse number="23">En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,</verse>
				<verse number="24">Zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.</verse>
				<verse number="25">Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.</verse>
				<verse number="26">En dit gerucht ging uit door dat gehele land.</verse>
				<verse number="27">En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!</verse>
				<verse number="28">En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!</verse>
				<verse number="29">Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.</verse>
				<verse number="30">En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat het niemand wete.</verse>
				<verse number="31">Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.</verse>
				<verse number="32">Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.</verse>
				<verse number="33">En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israël gezien!</verse>
				<verse number="34">Maar de farizeeën zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.</verse>
				<verse number="35">En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.</verse>
				<verse number="36">En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.</verse>
				<verse number="37">Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;</verse>
				<verse number="38">Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen.</verse>
				<verse number="2">De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder;</verse>
				<verse number="3">Filippus en Bartholoméüs; Thomas en Matthéüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alféüs, en Lebbéüs, toegenaamd Thaddéüs;</verse>
				<verse number="4">Simon Kananítes, en Judas Iskáriot, die Hem ook verraden heeft.</verse>
				<verse number="5">Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen.</verse>
				<verse number="6">Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls.</verse>
				<verse number="7">En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.</verse>
				<verse number="8">Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.</verse>
				<verse number="9">Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels;</verse>
				<verse number="10">Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.</verse>
				<verse number="11">En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat.</verse>
				<verse number="12">En als gij in het huis gaat, zo groet hetzelve.</verse>
				<verse number="13">En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede over hetzelve, maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.</verse>
				<verse number="14">En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, schudt het stof uwer voeten af.</verse>
				<verse number="15">Voorwaar zeg Ik u: Het zal den lande van Sódom en Gomórra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad.</verse>
				<verse number="16">Ziet, Ik zende u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.</verse>
				<verse number="17">Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.</verse>
				<verse number="18">En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.</verse>
				<verse number="19">Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult.</verse>
				<verse number="20">Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.</verse>
				<verse number="21">En de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.</verse>
				<verse number="22">En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.</verse>
				<verse number="23">Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult uw reis door de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.</verse>
				<verse number="24">De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.</verse>
				<verse number="25">Het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!</verse>
				<verse number="26">Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden.</verse>
				<verse number="27">Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.</verse>
				<verse number="28">En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.</verse>
				<verse number="29">Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.</verse>
				<verse number="30">En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.</verse>
				<verse number="31">Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.</verse>
				<verse number="32">Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="33">Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="34">Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.</verse>
				<verse number="35">Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.</verse>
				<verse number="36">En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn.</verse>
				<verse number="37">Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.</verse>
				<verse number="38">En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.</verse>
				<verse number="39">Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.</verse>
				<verse number="40">Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="41">Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.</verse>
				<verse number="42">En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud waters, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En het is geschied, toen Jezus geëindigd had Zijn twaalf discipelen bevelen te geven, dat Hij van daar voortging, om te leren en te prediken in hun steden.</verse>
				<verse number="2">En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen;</verse>
				<verse number="3">En zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?</verse>
				<verse number="4">En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet:</verse>
				<verse number="5">De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.</verse>
				<verse number="6">En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.</verse>
				<verse number="7">Als nu dezen heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?</verse>
				<verse number="8">Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die zachte klederen dragen, zijn in der koningen huizen.</verse>
				<verse number="9">Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.</verse>
				<verse number="10">Want deze is het, van dewelken geschreven staat: Ziet, Ik zende Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.</verse>
				<verse number="11">Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij.</verse>
				<verse number="12">En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.</verse>
				<verse number="13">Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.</verse>
				<verse number="14">En zo gij het wilt aannemen, hij is Elías, die komen zou.</verse>
				<verse number="15">Wie oren heeft om te horen, die hore.</verse>
				<verse number="16">Doch waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen,</verse>
				<verse number="17">En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.</verse>
				<verse number="18">Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel.</verse>
				<verse number="19">De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen.</verse>
				<verse number="20">Toen begon Hij de steden, in dewelke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden.</verse>
				<verse number="21">Wee u, Chórazin! wee u Bethsáïda! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.</verse>
				<verse number="22">Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden.</verse>
				<verse number="23">En gij, Kapérnaüm! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sódom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn.</verse>
				<verse number="24">Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sódom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u.</verse>
				<verse number="25">In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.</verse>
				<verse number="26">Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U.</verse>
				<verse number="27">Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.</verse>
				<verse number="28">Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.</verse>
				<verse number="29">Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.</verse>
				<verse number="30">Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.</verse>
				<verse number="2">En de farizeeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.</verse>
				<verse number="3">Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?</verse>
				<verse number="4">Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.</verse>
				<verse number="5">Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?</verse>
				<verse number="6">En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.</verse>
				<verse number="7">Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.</verse>
				<verse number="8">Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.</verse>
				<verse number="9">En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.</verse>
				<verse number="10">En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).</verse>
				<verse number="11">En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?</verse>
				<verse number="12">Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.</verse>
				<verse number="14">En de farizeeën, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.</verse>
				<verse number="15">Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.</verse>
				<verse number="16">En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;</verse>
				<verse number="17">Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:</verse>
				<verse number="18">Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.</verse>
				<verse number="19">Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.</verse>
				<verse number="20">Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.</verse>
				<verse number="21">En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.</verse>
				<verse number="22">Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.</verse>
				<verse number="23">En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?</verse>
				<verse number="24">Maar de farizeeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, den overste der duivelen.</verse>
				<verse number="25">Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.</verse>
				<verse number="26">En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?</verse>
				<verse number="27">En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.</verse>
				<verse number="28">Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.</verse>
				<verse number="29">Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.</verse>
				<verse number="30">Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.</verse>
				<verse number="31">Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.</verse>
				<verse number="32">En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.</verse>
				<verse number="33">Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.</verse>
				<verse number="34">Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.</verse>
				<verse number="35">De goede mens brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.</verse>
				<verse number="36">Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.</verse>
				<verse number="37">Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.</verse>
				<verse number="38">Toen antwoordden sommigen der schriftgeleerden en farizeeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.</verse>
				<verse number="39">Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.</verse>
				<verse number="40">Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.</verse>
				<verse number="41">De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!</verse>
				<verse number="42">De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde, om te horen de wijsheid van Sálomo; en ziet, meer dan Sálomo is hier!</verse>
				<verse number="43">En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.</verse>
				<verse number="44">Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.</verse>
				<verse number="45">Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.</verse>
				<verse number="46">En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.</verse>
				<verse number="47">En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken.</verse>
				<verse number="48">Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?</verse>
				<verse number="49">En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.</verse>
				<verse number="50">Want zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En te dien dage Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee.</verse>
				<verse number="2">En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever.</verse>
				<verse number="3">En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.</verse>
				<verse number="4">En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.</verse>
				<verse number="5">En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.</verse>
				<verse number="6">Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord.</verse>
				<verse number="7">En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve.</verse>
				<verse number="8">En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertig voud.</verse>
				<verse number="9">Wie oren heeft om te horen, die hore.</verse>
				<verse number="10">En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?</verse>
				<verse number="11">En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.</verse>
				<verse number="12">Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.</verse>
				<verse number="13">Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.</verse>
				<verse number="14">En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.</verse>
				<verse number="15">Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.</verse>
				<verse number="16">Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.</verse>
				<verse number="17">Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.</verse>
				<verse number="18">Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.</verse>
				<verse number="19">Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is.</verse>
				<verse number="20">Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;</verse>
				<verse number="21">Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geërgerd.</verse>
				<verse number="22">En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.</verse>
				<verse number="23">Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de ander zestig-, en de ander dertig voud.</verse>
				<verse number="24">Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.</verse>
				<verse number="25">En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.</verse>
				<verse number="26">Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.</verse>
				<verse number="27">En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?</verse>
				<verse number="28">En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?</verse>
				<verse number="29">Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.</verse>
				<verse number="30">Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.</verse>
				<verse number="31">Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, hetwelk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;</verse>
				<verse number="32">Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken.</verse>
				<verse number="33">Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.</verse>
				<verse number="34">Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet.</verse>
				<verse number="35">Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld.</verse>
				<verse number="36">Toen nu Jezus de scharen van Zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers.</verse>
				<verse number="37">En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen;</verse>
				<verse number="38">En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des bozen;</verse>
				<verse number="39">En de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.</verse>
				<verse number="40">Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzo zal het ook zijn in de voleinding dezer wereld.</verse>
				<verse number="41">De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;</verse>
				<verse number="42">En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.</verse>
				<verse number="43">Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. Die oren heeft om te horen, die hore.</verse>
				<verse number="44">Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in den akker verborgen, welken een mens gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.</verse>
				<verse number="45">Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zoekt;</verse>
				<verse number="46">Dewelke, hebbende een parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.</verse>
				<verse number="47">Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt;</verse>
				<verse number="48">Hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.</verse>
				<verse number="49">Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;</verse>
				<verse number="50">En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.</verse>
				<verse number="51">En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!</verse>
				<verse number="52">En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.</verse>
				<verse number="53">En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij van daar.</verse>
				<verse number="54">En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?</verse>
				<verse number="55">Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?</verse>
				<verse number="56">En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt dan Dezen dit alles?</verse>
				<verse number="57">En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.</verse>
				<verse number="58">En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Te dierzelfder tijd hoorde Heródes, de viervorst, het gerucht van Jezus;</verse>
				<verse number="2">En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.</verse>
				<verse number="3">Want Heródes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Heródias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.</verse>
				<verse number="4">Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.</verse>
				<verse number="5">En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.</verse>
				<verse number="6">Maar als de dag der geboorte van Heródes gehouden werd, danste de dochter van Heródias in het midden van hen, en zij behaagde aan Heródes.</verse>
				<verse number="7">Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook eisen zou.</verse>
				<verse number="8">En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.</verse>
				<verse number="9">En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;</verse>
				<verse number="10">En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.</verse>
				<verse number="11">En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.</verse>
				<verse number="12">En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.</verse>
				<verse number="13">En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.</verse>
				<verse number="14">En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.</verse>
				<verse number="15">En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven spijs kopen.</verse>
				<verse number="16">Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan, geeft gij hun te eten.</verse>
				<verse number="17">Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.</verse>
				<verse number="18">En Hij zeide: Brengt Mij dezelve hier.</verse>
				<verse number="19">En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.</verse>
				<verse number="20">En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.</verse>
				<verse number="21">Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.</verse>
				<verse number="22">En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.</verse>
				<verse number="23">En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.</verse>
				<verse number="24">En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.</verse>
				<verse number="25">Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.</verse>
				<verse number="26">En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze.</verse>
				<verse number="27">Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.</verse>
				<verse number="28">En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.</verse>
				<verse number="29">En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.</verse>
				<verse number="30">Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!</verse>
				<verse number="31">En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?</verse>
				<verse number="32">En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.</verse>
				<verse number="33">Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!</verse>
				<verse number="34">En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennésaret.</verse>
				<verse number="35">En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;</verse>
				<verse number="36">En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Toen kwamen tot Jezus enige schriftgeleerden en farizeeën, die van Jeruzalem waren, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.</verse>
				<verse number="3">Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?</verse>
				<verse number="4">Want God heeft geboden, zeggende: Eer uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.</verse>
				<verse number="5">Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet.</verse>
				<verse number="6">En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.</verse>
				<verse number="7">Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:</verse>
				<verse number="8">Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;</verse>
				<verse number="9">Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.</verse>
				<verse number="10">En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.</verse>
				<verse number="11">Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.</verse>
				<verse number="12">Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de farizeeën deze rede horende, geërgerd zijn geweest?</verse>
				<verse number="13">Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.</verse>
				<verse number="14">Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.</verse>
				<verse number="15">En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.</verse>
				<verse number="16">Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?</verse>
				<verse number="17">Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in den buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?</verse>
				<verse number="18">Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.</verse>
				<verse number="19">Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.</verse>
				<verse number="20">Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.</verse>
				<verse number="21">En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.</verse>
				<verse number="22">En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.</verse>
				<verse number="23">Doch Hij antwoordde haar niet één woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.</verse>
				<verse number="24">Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israëls.</verse>
				<verse number="25">En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!</verse>
				<verse number="26">Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.</verse>
				<verse number="27">En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.</verse>
				<verse number="28">Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.</verse>
				<verse number="29">En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den berg, en zat daar neder.</verse>
				<verse number="30">En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelve.</verse>
				<verse number="31">Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israëls.</verse>
				<verse number="32">En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.</verse>
				<verse number="33">En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?</verse>
				<verse number="34">En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.</verse>
				<verse number="35">En Hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde.</verse>
				<verse number="36">En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare.</verse>
				<verse number="37">En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.</verse>
				<verse number="38">En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.</verse>
				<verse number="39">En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En de farizeeën en sadduceeën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit den hemel zou tonen.</verse>
				<verse number="2">Maar Hij antwoordde, en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood;</verse>
				<verse number="3">En des morgens: Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden?</verse>
				<verse number="4">Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.</verse>
				<verse number="5">En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mede te nemen.</verse>
				<verse number="6">En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der farizeeën en sadduceeën.</verse>
				<verse number="7">En zij overlegden bij zichzelven, zeggende: Het is omdat wij geen broden mede genomen hebben.</verse>
				<verse number="8">En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen! dat gij geen broden mede genomen hebt?</verse>
				<verse number="9">Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden der vijf duizend mannen; en hoevele korven gij opnaamt?</verse>
				<verse number="10">Noch aan de zeven broden der vier duizend mannen, en hoevele manden gij opnaamt?</verse>
				<verse number="11">Hoe verstaat gij niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdesem der farizeeën en sadduceeën?</verse>
				<verse number="12">Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdesem des broods, maar van de leer der farizeeën en sadduceeën.</verse>
				<verse number="13">Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesaréa Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?</verse>
				<verse number="14">En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremía of een van de profeten.</verse>
				<verse number="15">Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?</verse>
				<verse number="16">En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.</verse>
				<verse number="17">En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="18">En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.</verse>
				<verse number="20">Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus.</verse>
				<verse number="21">Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.</verse>
				<verse number="22">En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.</verse>
				<verse number="23">Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.</verse>
				<verse number="24">Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.</verse>
				<verse number="25">Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.</verse>
				<verse number="26">Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?</verse>
				<verse number="27">Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.</verse>
				<verse number="28">Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hogen berg alleen.</verse>
				<verse number="2">En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.</verse>
				<verse number="3">En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elías, met Hem samensprekende.</verse>
				<verse number="4">En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U één, en voor Mozes één, en één voor Elías.</verse>
				<verse number="5">Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!</verse>
				<verse number="6">En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.</verse>
				<verse number="7">En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet.</verse>
				<verse number="8">En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.</verse>
				<verse number="9">En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden.</verse>
				<verse number="10">En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de schriftgeleerden, dat Elías eerst moet komen?</verse>
				<verse number="11">Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Elías zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.</verse>
				<verse number="12">Maar Ik zeg u, dat Elías nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.</verse>
				<verse number="13">Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes den Doper gesproken had.</verse>
				<verse number="14">En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende:</verse>
				<verse number="15">Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.</verse>
				<verse number="16">En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.</verse>
				<verse number="17">En Jezus, antwoordende, zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.</verse>
				<verse number="18">En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.</verse>
				<verse number="19">Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?</verse>
				<verse number="20">En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.</verse>
				<verse number="21">Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten.</verse>
				<verse number="22">En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen;</verse>
				<verse number="23">En zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.</verse>
				<verse number="24">En als zij te Kapérnaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?</verse>
				<verse number="25">Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?</verse>
				<verse number="26">Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.</verse>
				<verse number="27">Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?</verse>
				<verse number="2">En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;</verse>
				<verse number="3">En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.</verse>
				<verse number="4">Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.</verse>
				<verse number="5">En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.</verse>
				<verse number="6">Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.</verse>
				<verse number="7">Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!</verse>
				<verse number="8">Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.</verse>
				<verse number="9">En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.</verse>
				<verse number="10">Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="11">Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.</verse>
				<verse number="12">Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?</verse>
				<verse number="13">En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.</verse>
				<verse number="14">Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.</verse>
				<verse number="15">Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.</verse>
				<verse number="16">Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta.</verse>
				<verse number="17">En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.</verse>
				<verse number="18">Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.</verse>
				<verse number="19">Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="20">Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.</verse>
				<verse number="21">Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?</verse>
				<verse number="22">Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.</verse>
				<verse number="23">Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.</verse>
				<verse number="24">Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.</verse>
				<verse number="25">En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.</verse>
				<verse number="26">De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.</verse>
				<verse number="27">En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.</verse>
				<verse number="28">Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.</verse>
				<verse number="29">Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.</verse>
				<verse number="30">Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.</verse>
				<verse number="31">Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.</verse>
				<verse number="32">Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;</verse>
				<verse number="33">Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?</verse>
				<verse number="34">En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.</verse>
				<verse number="35">Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat Hij vertrok van Galiléa, en kwam over de Jordaan, in de landpalen van Judéa.</verse>
				<verse number="2">En vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze aldaar.</verse>
				<verse number="3">En de farizeeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?</verse>
				<verse number="4">Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?</verse>
				<verse number="5">En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn;</verse>
				<verse number="6">Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.</verse>
				<verse number="7">Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?</verse>
				<verse number="8">Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van den beginne is het alzo niet geweest.</verse>
				<verse number="9">Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.</verse>
				<verse number="10">Zijn discipelen zeiden tot Hem: Indien de zaak des mensen met de vrouw alzo staat, zo is het niet oorbaar te trouwen.</verse>
				<verse number="11">Doch Hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar dien het gegeven is.</verse>
				<verse number="12">Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lijf alzo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelven gesneden hebben, om het Koninkrijk der hemelen. Die dit vatten kan, vatte het.</verse>
				<verse number="13">Toen werden kinderkens tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelve.</verse>
				<verse number="14">Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.</verse>
				<verse number="15">En als Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar.</verse>
				<verse number="16">En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?</verse>
				<verse number="17">En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.</verse>
				<verse number="18">Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;</verse>
				<verse number="19">Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.</verse>
				<verse number="20">De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?</verse>
				<verse number="21">Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.</verse>
				<verse number="22">Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.</verse>
				<verse number="23">En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.</verse>
				<verse number="24">En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="25">Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden?</verse>
				<verse number="26">En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.</verse>
				<verse number="27">Toen antwoordde Petrus, en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?</verse>
				<verse number="28">En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.</verse>
				<verse number="29">En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.</verse>
				<verse number="30">Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.</verse>
				<verse number="2">En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.</verse>
				<verse number="3">En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt.</verse>
				<verse number="4">En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.</verse>
				<verse number="5">Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.</verse>
				<verse number="6">En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehelen dag ledig?</verse>
				<verse number="7">Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.</verse>
				<verse number="8">Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.</verse>
				<verse number="9">En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.</verse>
				<verse number="10">En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning.</verse>
				<verse number="11">En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes,</verse>
				<verse number="12">Zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.</verse>
				<verse number="13">Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning?</verse>
				<verse number="14">Neem het uwe en ga heen. Ik wil dezen laatste ook geven, gelijk als u.</verse>
				<verse number="15">Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?</verse>
				<verse number="16">Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.</verse>
				<verse number="17">En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen:</verse>
				<verse number="18">Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;</verse>
				<verse number="19">En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.</verse>
				<verse number="20">Toen kwam de moeder der zonen van Zebedéüs tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem.</verse>
				<verse number="21">En Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linker hand in Uw Koninkrijk.</verse>
				<verse number="22">Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.</verse>
				<verse number="23">En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader.</verse>
				<verse number="24">En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.</verse>
				<verse number="25">En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zeide Hij: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen.</verse>
				<verse number="26">Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;</verse>
				<verse number="27">En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.</verse>
				<verse number="28">Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.</verse>
				<verse number="29">En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd.</verse>
				<verse number="30">En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.</verse>
				<verse number="31">En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!</verse>
				<verse number="32">En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?</verse>
				<verse number="33">Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.</verse>
				<verse number="34">En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fagé, aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:</verse>
				<verse number="2">Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij.</verse>
				<verse number="3">En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden.</verse>
				<verse number="4">Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.</verse>
				<verse number="6">En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,</verse>
				<verse number="7">Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop.</verse>
				<verse number="8">En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.</verse>
				<verse number="9">En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!</verse>
				<verse number="10">En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze?</verse>
				<verse number="11">En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Názareth in Galiléa.</verse>
				<verse number="12">En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten.</verse>
				<verse number="13">En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.</verse>
				<verse number="14">En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve.</verse>
				<verse number="15">Als nu de overpriesters en schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk;</verse>
				<verse number="16">En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?</verse>
				<verse number="17">En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanië, en overnachtte aldaar.</verse>
				<verse number="18">En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.</verse>
				<verse number="19">En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.</verse>
				<verse number="20">En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?</verse>
				<verse number="21">Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen, hetgeen den vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.</verse>
				<verse number="22">En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.</verse>
				<verse number="23">En als Hij in den tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven?</verse>
				<verse number="24">En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.</verse>
				<verse number="25">De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?</verse>
				<verse number="26">En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.</verse>
				<verse number="27">En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.</verse>
				<verse number="28">Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard.</verse>
				<verse number="29">Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.</verse>
				<verse number="30">En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.</verse>
				<verse number="31">Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="32">Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.</verse>
				<verse number="33">Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands.</verse>
				<verse number="34">Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.</verse>
				<verse number="35">En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd.</verse>
				<verse number="36">Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.</verse>
				<verse number="37">En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.</verse>
				<verse number="38">Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.</verse>
				<verse number="39">En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten den wijngaard, en doodden hem.</verse>
				<verse number="40">Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?</verse>
				<verse number="41">Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.</verse>
				<verse number="42">Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?</verse>
				<verse number="43">Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.</verse>
				<verse number="44">En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.</verse>
				<verse number="45">En als de overpriesters en farizeeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.</verse>
				<verse number="46">En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:</verse>
				<verse number="2">Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had;</verse>
				<verse number="3">En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.</verse>
				<verse number="4">Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.</verse>
				<verse number="5">Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.</verse>
				<verse number="6">En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.</verse>
				<verse number="7">Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.</verse>
				<verse number="8">Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig.</verse>
				<verse number="9">Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.</verse>
				<verse number="10">En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.</verse>
				<verse number="11">En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;</verse>
				<verse number="12">En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.</verse>
				<verse number="14">Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.</verse>
				<verse number="15">Toen gingen de farizeeën heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede.</verse>
				<verse number="16">En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan;</verse>
				<verse number="17">Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?</verse>
				<verse number="18">Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zeide:</verse>
				<verse number="19">Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij den schattingpenning. En zij brachten Hem een penning.</verse>
				<verse number="20">En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?</verse>
				<verse number="21">Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.</verse>
				<verse number="22">En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.</verse>
				<verse number="23">Te dienzelfden dage kwamen tot Hem de sadduceeën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,</verse>
				<verse number="24">Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijn broeder zaad verwekken.</verse>
				<verse number="25">Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.</verse>
				<verse number="26">Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevende toe.</verse>
				<verse number="27">Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven.</verse>
				<verse number="28">In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad?</verse>
				<verse number="29">Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.</verse>
				<verse number="30">Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel.</verse>
				<verse number="31">En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen, hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt:</verse>
				<verse number="32">Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs! God is niet een God der doden, maar der levenden.</verse>
				<verse number="33">En de scharen, dit horende, werden verslagen over Zijn leer.</verse>
				<verse number="34">En de farizeeën, gehoord hebbende, dat Hij den sadduceeën den mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd.</verse>
				<verse number="35">En een uit hen, zijnde een Wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende:</verse>
				<verse number="36">Meester! welk is het grote gebod in de wet?</verse>
				<verse number="37">En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.</verse>
				<verse number="38">Dit is het eerste en het grote gebod.</verse>
				<verse number="39">En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.</verse>
				<verse number="40">Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.</verse>
				<verse number="41">Als nu de farizeeën samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus,</verse>
				<verse number="42">En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.</verse>
				<verse number="43">Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heere? zeggende:</verse>
				<verse number="44">De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.</verse>
				<verse number="45">Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?</verse>
				<verse number="46">En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,</verse>
				<verse number="2">Zeggende: De schriftgeleerden en de farizeeën zijn gezeten op den stoel van Mozes;</verse>
				<verse number="3">Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.</verse>
				<verse number="4">Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.</verse>
				<verse number="5">En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot.</verse>
				<verse number="6">En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen;</verse>
				<verse number="7">Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi!</verse>
				<verse number="8">Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.</verse>
				<verse number="9">En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.</verse>
				<verse number="10">Noch zult gij meesters genoemd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus.</verse>
				<verse number="11">Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.</verse>
				<verse number="12">En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.</verse>
				<verse number="13">Maar wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.</verse>
				<verse number="14">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.</verse>
				<verse number="15">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.</verse>
				<verse number="16">Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig.</verse>
				<verse number="17">Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?</verse>
				<verse number="18">En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.</verse>
				<verse number="19">Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?</verse>
				<verse number="20">Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.</verse>
				<verse number="21">En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.</verse>
				<verse number="22">En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.</verse>
				<verse number="23">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.</verse>
				<verse number="24">Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.</verse>
				<verse number="25">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.</verse>
				<verse number="26">Gij blinde farizeeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.</verse>
				<verse number="27">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.</verse>
				<verse number="28">Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="29">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;</verse>
				<verse number="30">En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten.</verse>
				<verse number="31">Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.</verse>
				<verse number="32">Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!</verse>
				<verse number="33">Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?</verse>
				<verse number="34">Daarom ziet, Ik zende tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;</verse>
				<verse number="35">Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharía, den zoon van Barachía, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.</verse>
				<verse number="36">Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.</verse>
				<verse number="37">Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild.</verse>
				<verse number="38">Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.</verse>
				<verse number="39">Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.</verse>
				<verse number="2">En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.</verse>
				<verse number="3">En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?</verse>
				<verse number="4">En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.</verse>
				<verse number="5">Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.</verse>
				<verse number="6">En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.</verse>
				<verse number="7">Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.</verse>
				<verse number="8">Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.</verse>
				<verse number="9">Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.</verse>
				<verse number="10">En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.</verse>
				<verse number="11">En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.</verse>
				<verse number="12">En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.</verse>
				<verse number="13">Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.</verse>
				<verse number="14">En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.</verse>
				<verse number="15">Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)</verse>
				<verse number="16">Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen;</verse>
				<verse number="17">Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;</verse>
				<verse number="18">En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.</verse>
				<verse number="19">Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!</verse>
				<verse number="20">Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.</verse>
				<verse number="21">Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.</verse>
				<verse number="22">En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.</verse>
				<verse number="23">Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.</verse>
				<verse number="24">Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.</verse>
				<verse number="25">Ziet, Ik heb het u voorzegd!</verse>
				<verse number="26">Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.</verse>
				<verse number="27">Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.</verse>
				<verse number="28">Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.</verse>
				<verse number="29">En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.</verse>
				<verse number="30">En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.</verse>
				<verse number="31">En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.</verse>
				<verse number="32">En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.</verse>
				<verse number="33">Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.</verse>
				<verse number="34">Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.</verse>
				<verse number="35">De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.</verse>
				<verse number="36">Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.</verse>
				<verse number="37">En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.</verse>
				<verse number="38">Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;</verse>
				<verse number="39">En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.</verse>
				<verse number="40">Alsdan, zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.</verse>
				<verse number="41">Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.</verse>
				<verse number="42">Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.</verse>
				<verse number="43">Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.</verse>
				<verse number="44">Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.</verse>
				<verse number="45">Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd?</verse>
				<verse number="46">Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.</verse>
				<verse number="47">Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.</verse>
				<verse number="48">Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;</verse>
				<verse number="49">En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;</verse>
				<verse number="50">Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;</verse>
				<verse number="51">En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.</verse>
				<verse number="2">En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.</verse>
				<verse number="3">Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.</verse>
				<verse number="4">Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.</verse>
				<verse number="5">Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.</verse>
				<verse number="6">En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!</verse>
				<verse number="7">Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.</verse>
				<verse number="8">En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.</verse>
				<verse number="9">Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelven.</verse>
				<verse number="10">Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.</verse>
				<verse number="11">Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!</verse>
				<verse number="12">En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.</verse>
				<verse number="13">Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.</verse>
				<verse number="14">Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.</verse>
				<verse number="15">En den een gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.</verse>
				<verse number="16">Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.</verse>
				<verse number="17">Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.</verse>
				<verse number="18">Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.</verse>
				<verse number="19">En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.</verse>
				<verse number="20">En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.</verse>
				<verse number="21">En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.</verse>
				<verse number="22">En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.</verse>
				<verse number="23">Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.</verse>
				<verse number="24">Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer, ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;</verse>
				<verse number="25">En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.</verse>
				<verse number="26">Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.</verse>
				<verse number="27">Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.</verse>
				<verse number="28">Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.</verse>
				<verse number="29">Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.</verse>
				<verse number="30">En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.</verse>
				<verse number="31">En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.</verse>
				<verse number="32">En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.</verse>
				<verse number="33">En Hij zal de schapen tot Zijn rechter hand zetten, maar de bokken tot Zijn linker hand.</verse>
				<verse number="34">Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.</verse>
				<verse number="35">Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.</verse>
				<verse number="36">Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.</verse>
				<verse number="37">Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?</verse>
				<verse number="38">En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?</verse>
				<verse number="39">En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?</verse>
				<verse number="40">En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.</verse>
				<verse number="41">Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.</verse>
				<verse number="42">Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;</verse>
				<verse number="43">Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.</verse>
				<verse number="44">Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?</verse>
				<verse number="45">Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.</verse>
				<verse number="46">En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">En het is geschied, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zeide:</verse>
				<verse number="2">Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.</verse>
				<verse number="3">Toen vergaderden de overpriesters en de schriftgeleerden, en de ouderlingen des volks, in de zaal des hogepriesters, die genaamd was Kajafas;</verse>
				<verse number="4">En zij beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden.</verse>
				<verse number="5">Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.</verse>
				<verse number="6">Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon, den melaatse,</verse>
				<verse number="7">Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.</verse>
				<verse number="8">En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?</verse>
				<verse number="9">Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden.</verse>
				<verse number="10">Maar Jezus, zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.</verse>
				<verse number="11">Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.</verse>
				<verse number="12">Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.</verse>
				<verse number="13">Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.</verse>
				<verse number="14">Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskáriot, tot de overpriesters,</verse>
				<verse number="15">En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.</verse>
				<verse number="16">En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.</verse>
				<verse number="17">En op den eersten dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?</verse>
				<verse number="18">En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.</verse>
				<verse number="19">En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.</verse>
				<verse number="20">En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.</verse>
				<verse number="21">En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij zal verraden.</verse>
				<verse number="22">En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?</verse>
				<verse number="23">En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.</verse>
				<verse number="24">De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.</verse>
				<verse number="25">En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.</verse>
				<verse number="26">En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.</verse>
				<verse number="27">En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;</verse>
				<verse number="28">Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.</verse>
				<verse number="29">En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.</verse>
				<verse number="30">En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.</verse>
				<verse number="31">Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.</verse>
				<verse number="32">Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.</verse>
				<verse number="33">Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.</verse>
				<verse number="34">Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.</verse>
				<verse number="35">Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.</verse>
				<verse number="36">Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsémané, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.</verse>
				<verse number="37">En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedéüs, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.</verse>
				<verse number="38">Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.</verse>
				<verse number="39">En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.</verse>
				<verse number="40">En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?</verse>
				<verse number="41">Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.</verse>
				<verse number="42">Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!</verse>
				<verse number="43">En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.</verse>
				<verse number="44">En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.</verse>
				<verse number="45">Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.</verse>
				<verse number="46">Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.</verse>
				<verse number="47">En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.</verse>
				<verse number="48">En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.</verse>
				<verse number="49">En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.</verse>
				<verse number="50">Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.</verse>
				<verse number="51">En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.</verse>
				<verse number="52">Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.</verse>
				<verse number="53">Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?</verse>
				<verse number="54">Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?</verse>
				<verse number="55">Ter zelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;</verse>
				<verse number="56">Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.</verse>
				<verse number="57">Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.</verse>
				<verse number="58">En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.</verse>
				<verse number="59">En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.</verse>
				<verse number="60">En hoewel er vele valse getuigen toegekomen waren, zo vonden zij toch niet.</verse>
				<verse number="61">Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.</verse>
				<verse number="62">En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?</verse>
				<verse number="63">Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?</verse>
				<verse number="64">Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.</verse>
				<verse number="65">Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord.</verse>
				<verse number="66">Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.</verse>
				<verse number="67">Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.</verse>
				<verse number="68">En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?</verse>
				<verse number="69">En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, den Galileeër.</verse>
				<verse number="70">Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.</verse>
				<verse number="71">En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazaréner.</verse>
				<verse number="72">En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet.</verse>
				<verse number="73">En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.</verse>
				<verse number="74">Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.</verse>
				<verse number="75">En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.</verse>
				<verse number="2">En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.</verse>
				<verse number="3">Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,</verse>
				<verse number="4">Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.</verse>
				<verse number="5">En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.</verse>
				<verse number="6">En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.</verse>
				<verse number="7">En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.</verse>
				<verse number="8">Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.</verse>
				<verse number="9">Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israëls, Denwelken zij gewaardeerd hebben;</verse>
				<verse number="10">En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.</verse>
				<verse number="11">En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.</verse>
				<verse number="12">En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.</verse>
				<verse number="13">Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?</verse>
				<verse number="14">Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.</verse>
				<verse number="15">En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welken zij wilden.</verse>
				<verse number="16">En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas.</verse>
				<verse number="17">Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?</verse>
				<verse number="18">Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.</verse>
				<verse number="19">En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.</verse>
				<verse number="20">Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.</verse>
				<verse number="21">En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.</verse>
				<verse number="22">Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.</verse>
				<verse number="23">Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!</verse>
				<verse number="24">Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.</verse>
				<verse number="25">En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.</verse>
				<verse number="26">Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.</verse>
				<verse number="27">Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende.</verse>
				<verse number="28">En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;</verse>
				<verse number="29">En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!</verse>
				<verse number="30">En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.</verse>
				<verse number="31">En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.</verse>
				<verse number="32">En uitgaande, vonden zij een man van Cyréne, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.</verse>
				<verse number="33">En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,</verse>
				<verse number="34">Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.</verse>
				<verse number="35">Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.</verse>
				<verse number="36">En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.</verse>
				<verse number="37">En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.</verse>
				<verse number="38">Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker zijde.</verse>
				<verse number="39">En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden,</verse>
				<verse number="40">En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.</verse>
				<verse number="41">En desgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden, en ouderlingen, en farizeeën, Hem bespottende, zeiden:</verse>
				<verse number="42">Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.</verse>
				<verse number="43">Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.</verse>
				<verse number="44">En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.</verse>
				<verse number="45">En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.</verse>
				<verse number="46">En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!</verse>
				<verse number="47">En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elías.</verse>
				<verse number="48">En terstond een van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.</verse>
				<verse number="49">Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elías komt, om Hem te verlossen.</verse>
				<verse number="50">En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.</verse>
				<verse number="51">En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.</verse>
				<verse number="52">En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt;</verse>
				<verse number="53">En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.</verse>
				<verse number="54">En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon!</verse>
				<verse number="55">En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa, om Hem te dienen.</verse>
				<verse number="56">Onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedéüs.</verse>
				<verse number="57">En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.</verse>
				<verse number="58">Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden.</verse>
				<verse number="59">En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad.</verse>
				<verse number="60">En leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.</verse>
				<verse number="61">En aldaar was Maria Magdaléna, en de andere Maria, zittende tegenover het graf.</verse>
				<verse number="62">Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeeën tot Pilatus,</verse>
				<verse number="63">Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.</verse>
				<verse number="64">Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste.</verse>
				<verse number="65">En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat.</verse>
				<verse number="66">En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">En laat na den sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdaléna, en de andere Maria, om het graf te bezien.</verse>
				<verse number="2">En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven.</verse>
				<verse number="3">En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.</verse>
				<verse number="4">En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden.</verse>
				<verse number="5">Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.</verse>
				<verse number="6">Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.</verse>
				<verse number="7">En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galiléa, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd.</verse>
				<verse number="8">En haastelijk uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij henen, om hetzelve Zijn discipelen te boodschappen.</verse>
				<verse number="9">En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt Mijn broederen, dat zij heengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij Mij zien.</verse>
				<verse number="11">En als zij heengingen, ziet, enigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den overpriesters al de dingen, die geschied waren.</verse>
				<verse number="12">En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel gelds,</verse>
				<verse number="13">En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen.</verse>
				<verse number="14">En indien zulks komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt.</verse>
				<verse number="15">En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag.</verse>
				<verse number="16">En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, naar den berg, waar Jezus hen bescheiden had.</verse>
				<verse number="17">En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.</verse>
				<verse number="18">En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.</verse>
				<verse number="19">Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.</verse>
				<verse number="20">En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="41">
			<chapter number="1">
				<heading verse="1">Johannes de Doper bereidt de weg</heading>
				<verse number="1">Het begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="evangelie" anker="Evangelie">Evangelie is het Griekse woord voor goed nieuws. Markus beschrijft in dit verslag het goede nieuws van Jezus leven, sterven en opstanding.</kanttekening>
				<kanttekening verse="1" concept="christus" anker="Christus">Christus is Grieks voor gezalfde, in het Hebreeuws is dat Messias. Een gezalfde was iemand die door God apart gezet was als profeet, priester of koning. Jezus is apart gezet om alle drie te zijn.</kanttekening>
				<verse number="2">Zoals geschreven is in de profeten: Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U bereiden zal.</verse>
				<kanttekening verse="2" concept="profeet" anker="profeten">Een profeet is iemand die door God is aangesteld om namens Hem te spreken.</kanttekening>
				<kanttekening verse="2" concept="engel" anker="engel">Een engel is een boodschapper.</kanttekening>
				<verse number="3">De stem van een roepende in de woestijn: Bereid de weg van Jahweh, maak Zijn paden recht.</verse>
				<note verse="3">Grieks κυρίου — citaat uit Jesaja 40:3 waar Hebreeuws יהוה (YHWH) staat → Jahweh</note>
				<kanttekening verse="3" concept="Jahweh" anker="Jahweh">Jahweh is de naam van God, letterlijk vertaald als "Ik ben" (zie Exodus 3:14). In veel vertalingen weergegeven als HEERE.</kanttekening>
				<verse number="4">Johannes doopte in de woestijn en predikte de doop van bekering tot vergeving van zonden.</verse>
				<kanttekening verse="4" concept="doop" anker="doop">In de doop word het oude zondige leven in het water achtergelaten en komt de gelovige vernieuwd uit het water om Jezus als leerling te volgen door de kracht van de Heilige Geest.</kanttekening>
				<kanttekening verse="4" concept="bekering" anker="bekering">Bekering is je met verdriet van de zonde afkeren en je richten op Jezus om op Zijn manier te leren leven.</kanttekening>
				<kanttekening verse="4" concept="zonde" anker="zonden">Zonde is niet op Gods manier leven maar op je eigen manier.</kanttekening>
				<verse number="5">En heel het Joodse land ging naar hem toe, en die van Jeruzalem; en zij werden allemaal door hem gedoopt in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden.</verse>
				<verse number="6">En Johannes was gekleed met een kamelenvacht, en met een leren gordel om zijn middel, en at sprinkhanen en wilde honing.</verse>
				<verse number="7">En hij predikte en zei: Na mij komt Hij Die sterker is dan ik, van Wie ik niet waardig ben om neer te bukken en de riem van Zijn sandalen los te maken.</verse>
				<note verse="7">Grieks ὑποδημάτων = sandalen (niet schoenen)</note>
				<verse number="8">Ik heb u wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de Heilige Geest.</verse>
				<kanttekening verse="8" concept="heilige-geest" anker="Heilige Geest">De Heilige Geest is Gods goede en zuivere kracht die dringt tot liefde, gerechtigheid en leven. Hij is als de kracht van de zon, zoals Jezus is als de afstraling van de zon.</kanttekening>
				<heading verse="9">De doop van Jezus</heading>
				<verse number="9">En het gebeurde in die dagen dat Jezus kwam vanuit Nazareth in Galilea, en door Johannes gedoopt werd in de Jordaan.</verse>
				<verse number="10">En meteen, toen Hij uit het water omhoogkwam, zag Hij de hemelen opengaan en de Geest, als een duif, op Hem neerdalen.</verse>
				<verse number="11">En er klonk een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!</verse>
				<heading verse="12">De verzoeking in de woestijn</heading>
				<verse number="12">En meteen dreef de Geest Hem uit naar de woestijn.</verse>
				<verse number="13">En Hij was daar in de woestijn veertig dagen, verzocht door de satan; en was bij de wilde dieren; en de engelen dienden Hem.</verse>
				<kanttekening verse="13" concept="satan" anker="satan">Satan is Gods tegenstander en in alles ook Zijn tegenpool. Hij doet er alles aan om wat God gemaakt heeft te vernietigen door leugen, ziekte en uiteindelijk de dood.</kanttekening>
				<heading verse="14">Jezus begint te prediken in Galilea</heading>
				<verse number="14">En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea en predikte het Evangelie van het Koninkrijk van God,</verse>
				<kanttekening verse="14" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God">Gods Koninkrijk is de omgeving waar God en Zijn manier van leven heerst. Nu in de hemel en in ieder die van Jezus wil leren, straks ook op de vernieuwde aarde.</kanttekening>
				<verse number="15">en zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is dichtbij gekomen; bekeer u en geloof het Evangelie.</verse>
				<heading verse="16">De roeping van de eerste discipelen</heading>
				<verse number="16">En toen Hij langs de Galilese zee wandelde, zag Hij Simon en Andreas, zijn broer, die het net in de zee wierpen (want zij waren vissers);</verse>
				<verse number="17">En Jezus zei tegen hen: Volg Mij, en Ik zal maken dat u vissers van mensen zult worden.</verse>
				<verse number="18">En zij lieten meteen hun netten achter en volgden Hem.</verse>
				<verse number="19">En toen Hij vandaar een stukje verder ging, zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, die in het schip hun netten aan het herstellen waren.</verse>
				<verse number="20">En meteen riep Hij hen; en zij lieten hun vader Zebedeüs in het schip achter met de knechten, en volgden Hem.</verse>
				<note verse="20">Grieks μισθωτῶν = gehuurde arbeiders/dagloners — "knechten" is hier passender dan "huurlingen"</note>
				<heading verse="21">Onderwijs en genezing in Kapernaüm</heading>
				<verse number="21">En zij kwamen in Kapernaüm; en meteen op de sabbat ging Hij de synagoge binnen en onderwees.</verse>
				<kanttekening verse="21" concept="sabbat" anker="sabbat">Sabbat is het rustmoment wat God instelde nadat Hij de schepping na zes dagen had voltooid. En het is een herinnering aan het rustmoment wat nooit zal eindigen op de vernieuwde aarde die Jezus zal brengen.</kanttekening>
				<kanttekening verse="21" concept="synagoge" anker="synagoge">De synagoge was de plek waar Joden samenkwamen om te bidden en te luisteren naar wat God gesproken en geleerd had.</kanttekening>
				<verse number="22">En zij stonden versteld over Zijn onderwijs, want Hij onderwees hen als iemand die gezag heeft, en niet zoals de schriftgeleerden.</verse>
				<kanttekening verse="22" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden">Schriftgeleerden waren zij die wat God gesproken en geleerd had onderzochten en bestudeerden.</kanttekening>
				<verse number="23">En er was in hun synagoge een mens met een onreine geest, en hij riep uit:</verse>
				<kanttekening verse="23" concept="demonen" anker="onreine geest">Anders dan de Heilige Geest, is een onreine geest een kwaadaardige kracht die dringt tot zonde, onrecht en de dood.</kanttekening>
				<verse number="24">Ga weg! Wat hebben wij met U te maken, Jezus de Nazarener? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet Wie U bent: de Heilige van God.</verse>
				<note verse="24">Grieks ἀπολέσαι = vernietigen/te gronde richten (sterker dan "verderven")</note>
				<verse number="25">En Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg stil en ga uit van hem!</verse>
				<verse number="26">En de onreine geest deed hem stuiptrekken en met een luide stem roepend ging hij uit van hem.</verse>
				<note verse="26">Grieks σπαράξαν = hevig schudden/stuiptrekken — niet letterlijk "scheuren"</note>
				<verse number="27">En zij waren allemaal verbaasd, zodat zij onder elkaar vroegen: Wat is dit? Wat voor nieuwe leer is dit, dat Hij met gezag ook de onreine geesten gebiedt en zij Hem gehoorzamen!</verse>
				<verse number="28">En het nieuws over Hem verspreidde zich meteen in heel het omliggende land van Galilea.</verse>
				<heading verse="29">Genezingen bij Simon thuis</heading>
				<verse number="29">En meteen toen zij uit de synagoge kwamen, gingen zij naar het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.</verse>
				<verse number="30">En de schoonmoeder van Simon lag ziek met koorts; en meteen vertelden zij Hem over haar.</verse>
				<verse number="31">En Hij ging naar haar toe, pakte haar hand en richtte haar op; en meteen verliet de koorts haar, en zij diende hen.</verse>
				<verse number="32">Toen het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij allen die ziek en door demonen bezeten waren naar Hem toe.</verse>
				<note verse="32">Grieks δαιμονιζομένους = door demonen bezeten (δαιμόνιον ≠ διάβολος/duivel)</note>
				<verse number="33">En de hele stad was samengekomen bij de deur.</verse>
				<verse number="34">En Hij genas er velen die aan verschillende ziekten leden; en wierp vele demonen uit, en liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.</verse>
				<heading verse="35">Prediking door heel Galilea</heading>
				<verse number="35">En 's morgens vroeg, toen het nog diep in de nacht was, stond Hij op en ging naar een eenzame plaats, en bad daar.</verse>
				<verse number="36">En Simon en zij die bij hem waren, gingen Hem achterna.</verse>
				<verse number="37">En toen zij Hem gevonden hadden, zeiden zij tegen Hem: Iedereen zoekt U.</verse>
				<verse number="38">En Hij zei tegen hen: Laten wij naar de naburige dorpen gaan, zodat Ik ook daar kan prediken; want daarvoor ben Ik uitgegaan.</verse>
				<note verse="38">Grieks κωμοπόλεις = marktstadjes/dorpen — "vlekken" is verouderd</note>
				<verse number="39">En Hij predikte in hun synagogen door heel Galilea, en wierp de demonen uit.</verse>
				<heading verse="40">De reiniging van een melaatse</heading>
				<verse number="40">En een melaatse kwam naar Hem toe, smeekte Hem en viel voor Hem op de knieën en zei tegen Hem: Als U wilt, kunt U mij reinigen.</verse>
				<verse number="41">En Jezus, diep in Zijn binnenste met ontferming bewogen, strekte Zijn hand uit en raakte hem aan en zei tegen hem: Ik wil het, word gereinigd!</verse>
				<note verse="41">Grieks σπλαγχνισθείς = diep in zijn binnenste bewogen (letterlijk: vanuit de ingewanden)</note>
				<verse number="42">En toen Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid meteen van hem weg, en hij werd gereinigd.</verse>
				<verse number="43">En nadat Hij hem streng gewaarschuwd had, stuurde Hij hem meteen weg;</verse>
				<verse number="44">en zei tegen hem: Zie erop toe dat u niemand iets zegt; maar ga u aan de priester laten zien en offer voor uw reiniging wat Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.</verse>
				<verse number="45">Maar toen hij wegging, begon hij veel dingen te verkondigen en het woord te verspreiden, zodat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef; en zij kwamen van alle kanten naar Hem toe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<heading verse="1">De genezing van de verlamde</heading>
				<verse number="1">En na enkele dagen kwam Hij weer in Kapernaüm; en het werd gehoord dat Hij in huis was.</verse>
				<verse number="2">En meteen kwamen daar velen samen, zodat ook zelfs de ruimte bij de deur hen niet meer kon bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.</verse>
				<verse number="3">En er kwamen mensen naar Hem toe die een verlamde brachten, die door vier gedragen werd.</verse>
				<note verse="3">Grieks παραλυτικόν = verlamde (niet "geraakte" — dat is verouderd)</note>
				<verse number="4">En omdat zij vanwege de menigte niet bij Hem konden komen, braken zij het dak open waar Hij was; en toen zij een opening gemaakt hadden, lieten zij het draagbed neer waarop de verlamde lag.</verse>
				<verse number="5">En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.</verse>
				<kanttekening verse="5" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<verse number="6">En sommigen van de schriftgeleerden zaten daar en overdachten in hun harten:</verse>
				<kanttekening verse="6" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="7">Wat spreekt Deze zo godslasterlijk? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God?</verse>
				<kanttekening verse="7" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<verse number="8">En Jezus, Die meteen in Zijn geest doorzag dat zij zo bij zichzelf overdachten, zei tegen hen: Waarom overdenkt u deze dingen in uw harten?</verse>
				<verse number="9">Wat is makkelijker, tegen de verlamde te zeggen: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, neem uw draagbed op en loop?</verse>
				<kanttekening verse="9" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<verse number="10">Maar opdat u weet dat de Mensenzoon macht heeft om de zonden op de aarde te vergeven (zei Hij tegen de verlamde):</verse>
				<note verse="10">Grieks υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου = Mensenzoon (titel voor Jezus)</note>
				<kanttekening verse="10" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<verse number="11">Ik zeg u: Sta op, neem uw draagbed op en ga naar uw huis.</verse>
				<verse number="12">En meteen stond hij op, nam het draagbed op en ging naar buiten voor het oog van allen; zodat zij allemaal verbaasd waren en God verheerlijkten en zeiden: Zoiets hebben wij nog nooit gezien!</verse>
				<heading verse="13">De roeping van Levi</heading>
				<verse number="13">En Hij ging weer naar buiten, naar de zee; en de hele menigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen.</verse>
				<verse number="14">En toen Hij voorbijging, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, in het tolhuis zitten, en zei tegen hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.</verse>
				<verse number="15">En het gebeurde toen Hij in zijn huis aan tafel aanlag, dat ook vele tollenaars en zondaars met Jezus en Zijn discipelen aanlagen; want er waren er velen, en zij waren Hem gevolgd.</verse>
				<kanttekening verse="15" concept="tollenaars" anker="tollenaars">Tollenaars waren vaak Joden die voor de Romeinse bezetter belasting inden. Daarom werden ze door velen gezien als verraders.</kanttekening>
				<verse number="16">En toen de schriftgeleerden en de Farizeeën zagen dat Hij met de tollenaars en zondaars at, zeiden zij tegen Zijn discipelen: Waarom eet en drinkt Hij met de tollenaars en zondaars?</verse>
				<kanttekening verse="16" concept="farizeeen" anker="Farizeeën">Farizeeën geloofden in mondelinge overleveringen naast de geschreven Thora (Joodse wet) en hielden zich aan de striktste wetten. Ook geloofden zij, in tegenstelling tot de Sadduceeën in de opstanding, engelen en Gods voorzienigheid.</kanttekening>
				<kanttekening verse="16" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="16" concept="tollenaars" anker="tollenaars"/>
				<verse number="17">En toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.</verse>
				<note verse="17">Grieks ἰατρός = arts/dokter</note>
				<kanttekening verse="17" concept="bekering" anker="bekering"/>
				<kanttekening verse="17" concept="rechtvaardig" anker="rechtvaardigen">Een rechtvaardige is iemand die oprecht het goede doet.</kanttekening>
				<heading verse="18">De vraag over het vasten</heading>
				<verse number="18">En de discipelen van Johannes en van de Farizeeën vastten; en zij kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeeën, maar Uw discipelen vasten niet?</verse>
				<kanttekening verse="18" concept="farizeeen" anker="Farizeeën"/>
				<kanttekening verse="18" concept="vasten" anker="vasten">Vasten is het voor een dag of periode onthouden van eten en/of drinken om het gebed te onderstrepen en versterken.</kanttekening>
				<verse number="19">En Jezus zei tegen hen: Kunnen de bruiloftsgasten soms vasten terwijl de Bruidegom bij hen is? Zolang zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.</verse>
				<note verse="19">Grieks υἱοὶ τοῦ νυμφῶνος = bruiloftsgasten (lett. "zonen van de bruidskamer")</note>
				<verse number="20">Maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen zal worden weggenomen, en dan zullen zij vasten in die dagen.</verse>
				<verse number="21">En niemand naait een lap ongekrimpte stof op een oud kleed; anders trekt de nieuwe lap iets af van het oude kleed, en de scheur wordt erger.</verse>
				<note verse="21">Grieks ῥάκους ἀγνάφου = ongekrimpte/ongewassen stof</note>
				<verse number="22">En niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken; anders doet de nieuwe wijn de leren zakken barsten, en de wijn wordt uitgestort en de leren zakken gaan verloren; maar nieuwe wijn moet men in nieuwe leren zakken doen.</verse>
				<heading verse="23">De Heer over de sabbat</heading>
				<verse number="23">En het gebeurde dat Hij op een sabbat door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen al lopend aren te plukken.</verse>
				<kanttekening verse="23" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<verse number="24">En de Farizeeën zeiden tegen Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbat wat niet geoorloofd is?</verse>
				<kanttekening verse="24" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<kanttekening verse="24" concept="farizeeen" anker="Farizeeën"/>
				<verse number="25">En Hij zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen wat David gedaan heeft toen hij in nood was en honger had, hij en zij die bij hem waren?</verse>
				<verse number="26">Hoe hij het huis van God is binnengegaan in de tijd van Abjathar, de hogepriester, en de toonbroden heeft gegeten, die niemand mag eten dan alleen de priesters, en ze ook heeft gegeven aan hen die bij hem waren?</verse>
				<kanttekening verse="26" concept="toonbroden" anker="toonbroden">De toonbroden waren broden die in de tempel aan God geofferd werden en na zeven dagen door de priesters werd gegeten. Het was een voorafschaduwing van Jezus, het Levensbrood, die door Zijn offer Zijn leerlingen werkelijk in leven kan houden.</kanttekening>
				<verse number="27">En Hij zei tegen hen: De sabbat is gemaakt om de mens, niet de mens om de sabbat.</verse>
				<kanttekening verse="27" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<verse number="28">Dus is de Mensenzoon ook Heer over de sabbat.</verse>
				<note verse="28">Grieks κύριός — hier verwijzend naar Jezus als Heer (niet de Godsnaam YHWH)</note>
				<kanttekening verse="28" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<heading verse="1">De man met de verdorde hand</heading>
				<verse number="1">En Hij ging weer in de synagoge; en daar was een mens die een verdorde hand had.</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="synagoge" anker="synagoge"/>
				<verse number="2">En zij namen Hem waar, of Hij op de sabbat hem genezen zou, zodat zij Hem konden beschuldigen.</verse>
				<kanttekening verse="2" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<verse number="3">En Hij zei tegen de mens die de verdorde hand had: Sta op in het midden.</verse>
				<verse number="4">En Hij zei tegen hen: Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een mens te behouden of te doden? En zij zwegen stil.</verse>
				<kanttekening verse="4" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<verse number="5">En toen Hij hen met toorn rondom had aangekeken, en tegelijk bedroefd was over de verharding van hun hart, zei Hij tegen de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte die uit; en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere.</verse>
				<note verse="5">Grieks συλλυπούμενος = diep bedroefd, medelijdend — een sterk werkwoord dat diepe emotie uitdrukt</note>
				<verse number="6">En toen de Farizeeën naar buiten gegaan waren, hielden zij meteen samen met de Herodianen raad tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.</verse>
				<kanttekening verse="6" concept="farizeeen" anker="Farizeeën"/>
				<kanttekening verse="6" concept="herodianen" anker="herodianen">Herodianen waren een politiek stroming die pro-Rome was. Samen met de Farizeeën die tegen Rome waren, wilden beide groepen Jezus uitschakelen.</kanttekening>
				<heading verse="7">De menigte bij de zee</heading>
				<verse number="7">En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea en van Judea,</verse>
				<kanttekening verse="7" concept="discipelen" anker="discipelen">Discipelen zijn leerlingen die niet alleen theoretisch les krijgen maar hun meester ook in het dagelijkse leven volgen om zijn manier van leven in de praktijk te leren.</kanttekening>
				<verse number="8">En van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en zij van rond Tyrus en Sidon, een grote menigte, die gehoord had welke grote dingen Hij deed, kwamen naar Hem toe.</verse>
				<verse number="9">En Hij zei tegen Zijn discipelen dat een scheepje steeds bij Hem zou blijven, omwille van de menigte, zodat zij Hem niet zouden verdringen.</verse>
				<verse number="10">Want Hij had er velen genezen, zodat allen die kwalen hadden zich op Hem wierpen om Hem aan te raken.</verse>
				<note verse="10">Grieks μάστιγας = geselslagen, hier figuurlijk: kwalen/aandoeningen</note>
				<verse number="11">En de onreine geesten, wanneer zij Hem zagen, vielen voor Hem neer en riepen en zeiden: U bent de Zoon van God!</verse>
				<verse number="12">En Hij gebood hun streng dat zij Hem niet openbaar zouden maken.</verse>
				<heading verse="13">De aanstelling van de twaalf</heading>
				<verse number="13">En Hij klom op de berg en riep tot Zich wie Hij wilde; en zij kwamen naar Hem toe.</verse>
				<verse number="14">En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken;</verse>
				<note verse="14">Grieks καὶ ἀποστόλους ὠνόμασεν = en noemde hen apostelen — sommige handschriften vermelden dit, de SV laat het weg</note>
				<verse number="15">En om macht te hebben de ziekten te genezen en de demonen uit te werpen.</verse>
				<kanttekening verse="15" concept="demonen" anker="demonen"/>
				<verse number="16">En Simon gaf Hij de bijnaam Petrus;</verse>
				<verse number="17">En Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus; en gaf hun de bijnaam Boanerges, dat is: zonen van de donder;</verse>
				<verse number="18">En Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs, en Simon Kananites,</verse>
				<verse number="19">En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.</verse>
				<heading verse="20">Jezus en Beëlzebul</heading>
				<verse number="20">En zij kwamen in huis; en daar kwam weer een menigte samen, zodat zij zelfs geen brood konden eten.</verse>
				<verse number="21">En toen Zijn verwanten dit hoorden, gingen zij eropuit om Hem vast te grijpen; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.</verse>
				<note verse="21">Grieks οἱ παρ’ αὐτοῦ = de Zijnen, Zijn verwanten — niet "die Hem bestonden" (verouderd)</note>
				<verse number="22">En de schriftgeleerden die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de demonen werpt Hij de demonen uit.</verse>
				<kanttekening verse="22" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="22" concept="demonen" anker="demonen"/>
				<verse number="23">En toen Hij hen tot Zich geroepen had, zei Hij tegen hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitwerpen?</verse>
				<kanttekening verse="23" concept="gelijkenis" anker="gelijkenissen">Gelijkenissen zijn voorbeelden uit het dagelijkse leven die een geestelijke werkelijkheid verduidelijken.</kanttekening>
				<kanttekening verse="23" concept="satan" anker="satan"/>
				<verse number="24">En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, dan kan dat koninkrijk niet bestaan.</verse>
				<verse number="25">En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, dan kan dat huis niet bestaan.</verse>
				<verse number="26">En als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, dan kan hij niet bestaan, maar heeft hij een einde.</verse>
				<kanttekening verse="26" concept="satan" anker="satan"/>
				<verse number="27">Niemand kan het huis van een sterke binnengaan en zijn bezittingen roven, als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven.</verse>
				<note verse="27">Grieks σκεύη = bezittingen/goederen, niet "vaten"</note>
				<verse number="28">Werkelijk, Ik zeg u dat alle zonden de mensenkinderen vergeven zullen worden, en alle lasteringen waarmee zij zullen gelasterd hebben;</verse>
				<kanttekening verse="28" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<verse number="29">Maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig aan het eeuwig oordeel.</verse>
				<note verse="29">Grieks αἰωνίου ἁμαρτήματος = eeuwige zonde — sommige handschriften lezen κρίσεως (oordeel); de SV volgt de variant "oordeel"</note>
				<kanttekening verse="29" concept="heilige-geest" anker="Heilige Geest"/>
				<verse number="30">Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.</verse>
				<kanttekening verse="30" concept="demonen" anker="onreine geest"/>
				<heading verse="31">De ware familie van Jezus</heading>
				<verse number="31">Toen kwamen Zijn broers en Zijn moeder; en terwijl zij buiten stonden, stuurden zij iemand naar Hem toe om Hem te roepen.</verse>
				<verse number="32">En de menigte zat rondom Hem; en zij zeiden tegen Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers staan buiten en zoeken U.</verse>
				<verse number="33">En Hij antwoordde hun en zei: Wie is Mijn moeder, of Mijn broers?</verse>
				<verse number="34">En toen Hij had rondgekeken naar hen die om Hem heen zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broers.</verse>
				<verse number="35">Want wie de wil van God doet, die is Mijn broer en Mijn zuster en moeder.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<heading verse="1">De gelijkenis van de zaaier</heading>
				<verse number="1">En Hij begon weer te onderwijzen bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in het schip ging en op de zee ging zitten; en de hele menigte was op het land aan de zee.</verse>
				<verse number="2">En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zei in Zijn onderwijs tot hen:</verse>
				<kanttekening verse="2" concept="gelijkenis" anker="gelijkenissen"/>
				<verse number="3">Luister: zie, een zaaier ging uit om te zaaien.</verse>
				<verse number="4">En het gebeurde bij het zaaien dat het ene deel van het zaad langs de weg viel; en de vogels kwamen en aten het op.</verse>
				<verse number="5">En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het kwam meteen op, omdat het geen diepte van aarde had.</verse>
				<verse number="6">Maar toen de zon opkwam, werd het verschroeid, en omdat het geen wortel had, verdorde het.</verse>
				<verse number="7">En het andere viel in de doornen, en de doornen groeiden op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.</verse>
				<verse number="8">En het andere viel in de goede aarde en gaf vrucht die opkwam en groeide; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud.</verse>
				<verse number="9">En Hij zei tegen hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.</verse>
				<heading verse="10">Het doel van de gelijkenissen</heading>
				<verse number="10">En toen Hij alleen was, vroegen zij die bij Hem waren, samen met de twaalf, Hem naar de gelijkenis.</verse>
				<verse number="11">En Hij zei tegen hen: Het is u gegeven het geheimenis van het Koninkrijk van God te verstaan; maar voor hen die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;</verse>
				<note verse="11">Grieks μυστήριον = geheimenis/mysterie — "verborgenheid" is verouderd</note>
				<kanttekening verse="11" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<kanttekening verse="11" concept="gelijkenis" anker="gelijkenissen"/>
				<verse number="12">Opdat zij ziende zien en niet opmerken, en horende horen en niet begrijpen; opdat zij zich niet bekeren en hun de zonden vergeven worden.</verse>
				<kanttekening verse="12" concept="bekering" anker="bekeren"/>
				<kanttekening verse="12" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<verse number="13">En Hij zei tegen hen: Begrijpt u deze gelijkenis niet? En hoe zult u dan al de gelijkenissen begrijpen?</verse>
				<kanttekening verse="13" concept="gelijkenis" anker="gelijkenissen"/>
				<heading verse="14">Uitleg van de gelijkenis van de zaaier</heading>
				<verse number="14">De zaaier zaait het Woord.</verse>
				<verse number="15">En dit zijn zij die langs de weg bezaaid worden, waar het Woord gezaaid wordt; en wanneer zij het gehoord hebben, komt de satan meteen en neemt het Woord weg dat in hun harten gezaaid was.</verse>
				<kanttekening verse="15" concept="satan" anker="satan"/>
				<verse number="16">En evenzo zijn dit zij die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; wanneer zij het Woord gehoord hebben, ontvangen zij het meteen met vreugde;</verse>
				<verse number="17">En zij hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn er voor een tijd; wanneer daarna verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, worden zij meteen ten val gebracht.</verse>
				<note verse="17">Grieks σκανδαλίζονται = zij struikelen / vallen af — "geërgerd" is een verouderde weergave</note>
				<verse number="18">En dit zijn zij die in de doornen bezaaid worden, namelijk zij die het Woord horen;</verse>
				<verse number="19">Maar de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom, en de begeerten naar de andere dingen komen binnen en verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.</verse>
				<note verse="19">Grieks μέριμναι τοῦ αἰῶνος = zorgen van de wereld; ἀπάτη τοῦ πλούτου = bedrieglijkheid van de rijkdom</note>
				<verse number="20">En dit zijn zij die in de goede aarde bezaaid zijn, die het Woord horen en aannemen en vrucht dragen: het ene dertig-, het andere zestig-, en het andere honderdvoud.</verse>
				<heading verse="21">De lamp en de maat</heading>
				<verse number="21">En Hij zei tegen hen: Komt de lamp soms om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden?</verse>
				<note verse="21">Grieks λύχνος = olielamp (niet kaars); λυχνίαν = lampstandaard</note>
				<verse number="22">Want er is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen.</verse>
				<verse number="23">Als iemand oren heeft om te horen, die hore.</verse>
				<verse number="24">En Hij zei tegen hen: Let op wat u hoort. Met de maat waarmee u meet, zal u gemeten worden, en u die hoort, zal meer toegelegd worden.</verse>
				<verse number="25">Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, van hem zal genomen worden ook wat hij heeft.</verse>
				<heading verse="26">Het zaad dat onzichtbaar groeit</heading>
				<verse number="26">En Hij zei: Zo is het Koninkrijk van God, alsof een mens het zaad in de aarde wierp;</verse>
				<kanttekening verse="26" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<verse number="27">En hij ging slapen en stond op, nacht en dag; en het zaad sproot uit en groeide, zonder dat hij zelf wist hoe.</verse>
				<verse number="28">Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.</verse>
				<verse number="29">En wanneer de vrucht zich voordoet, zendt hij meteen de sikkel erin, omdat de oogst daar is.</verse>
				<heading verse="30">De gelijkenis van het mosterdzaad</heading>
				<verse number="30">En Hij zei: Waarmee zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of met welke gelijkenis zullen wij het vergelijken?</verse>
				<kanttekening verse="30" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<verse number="31">Het is als een mosterdzaad, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden die op de aarde zijn.</verse>
				<verse number="32">En wanneer het gezaaid is, komt het op en wordt het grootste van alle tuingewassen, en maakt grote takken, zodat de vogels van de hemel onder zijn schaduw kunnen nestelen.</verse>
				<verse number="33">En door veel van zulke gelijkenissen sprak Hij het Woord tot hen, naarmate zij het horen konden.</verse>
				<kanttekening verse="33" concept="gelijkenis" anker="gelijkenissen"/>
				<verse number="34">En zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen; maar in het bijzonder verklaarde Hij alles aan Zijn discipelen.</verse>
				<heading verse="35">Jezus stilt de storm</heading>
				<verse number="35">En op diezelfde dag, toen het avond geworden was, zei Hij tegen hen: Laat ons overvaren naar de andere zijde.</verse>
				<verse number="36">En zij lieten de menigte achter en namen Hem mee, zoals Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes bij Hem.</verse>
				<verse number="37">En er ontstond een grote windstorm, en de golven sloegen over in het schip, zodat het al vol werd.</verse>
				<verse number="38">En Hij was in het achterschip en sliep op een kussen; en zij wekten Hem en zeiden tegen Hem: Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?</verse>
				<verse number="39">En toen Hij wakker geworden was, bestrafte Hij de wind en zei tegen de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er kwam een grote stilte.</verse>
				<verse number="40">En Hij zei tegen hen: Waarom bent u zo vreesachtig? Hebt u geen geloof?</verse>
				<verse number="41">En zij vreesden met grote vrees, en zeiden tegen elkaar: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<heading verse="1">De bezetene van Gadara</heading>
				<verse number="1">En zij kwamen aan de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen.</verse>
				<note verse="1">Grieks Γερασηνῶν = Gerasenen — de SV leest "Gadarenen" (tekstuele variant)</note>
				<verse number="2">En toen Hij uit het schip gegaan was, kwam Hem meteen uit de graven een mens met een onreine geest tegemoet;</verse>
				<kanttekening verse="2" concept="demonen" anker="onreine geest"/>
				<verse number="3">Die zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, zelfs niet met ketenen.</verse>
				<verse number="4">Want hij was vaak met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren door hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was bij machte om hem te bedwingen.</verse>
				<verse number="5">En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, terwijl hij schreeuwde en zichzelf met stenen sloeg.</verse>
				<verse number="6">Toen hij Jezus van ver zag, liep hij naar Hem toe en boog voor Hem neer.</verse>
				<note verse="6">Grieks προσεκύνησεν = hij viel neer / boog zich neer — niet noodzakelijk "aanbidding" in de liturgische zin</note>
				<verse number="7">En met luide stem riep hij: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat U mij niet pijnigt!</verse>
				<verse number="8">(Want Hij zei tegen hem: Onreine geest, ga uit de mens!)</verse>
				<kanttekening verse="8" concept="demonen" anker="onreine geest"/>
				<verse number="9">En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde en zei: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen.</verse>
				<verse number="10">En hij smeekte Hem dringend dat Hij hen niet buiten het land zou wegzenden.</verse>
				<verse number="11">En daar bij de bergen was een grote kudde zwijnen die aan het grazen was.</verse>
				<verse number="12">En al de demonen smeekten Hem en zeiden: Zend ons in die zwijnen, zodat wij daarin mogen gaan.</verse>
				<kanttekening verse="12" concept="demonen" anker="demonen"/>
				<verse number="13">En Jezus stond het hun meteen toe. En de onreine geesten gingen uit en gingen in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (het waren er ongeveer tweeduizend) en verdronk in de zee.</verse>
				<verse number="14">En de zwijnenhoeders vluchtten en berichtten het in de stad en op het land. En zij gingen eropuit om te zien wat er geschied was.</verse>
				<verse number="15">En zij kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, namelijk hem die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd.</verse>
				<verse number="16">En zij die het gezien hadden, vertelden hun wat de bezetene geschied was, en ook over de zwijnen.</verse>
				<verse number="17">En zij begonnen Hem te smeken dat Hij uit hun gebied zou weggaan.</verse>
				<verse number="18">En toen Hij in het schip ging, smeekte de man die bezeten was geweest Hem, dat hij met Hem mocht zijn.</verse>
				<verse number="19">Maar Jezus stond hem dat niet toe, maar zei tegen hem: Ga naar uw huis, naar de uwen, en vertel hun welke grote dingen de Heer voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.</verse>
				<note verse="19">Grieks κύριος = Heer — hier verwijzend naar God/Jezus (niet YHWH)</note>
				<verse number="20">En hij ging weg en begon te verkondigen in Dekapolis welke grote dingen Jezus voor hem gedaan had; en allen verwonderden zich.</verse>
				<heading verse="21">De dochter van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw</heading>
				<verse number="21">En toen Jezus weer in het schip naar de andere zijde overgevaren was, verzamelde zich een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee.</verse>
				<verse number="22">En zie, er kwam een van de oversten van de synagoge, genaamd Jaïrus; en toen hij Hem zag, viel hij aan Zijn voeten,</verse>
				<kanttekening verse="22" concept="synagoge" anker="synagoge"/>
				<verse number="23">En smeekte Hem dringend en zei: Mijn dochtertje ligt op sterven; ik bid U, kom en leg de handen op haar, zodat zij behouden wordt en zal leven.</verse>
				<verse number="24">En Hij ging met hem; en een grote menigte volgde Hem en zij verdrongen Hem.</verse>
				<verse number="25">En een vrouw die twaalf jaar aan bloedvloeiing geleden had,</verse>
				<verse number="26">En veel geleden had van vele dokters, en al het hare daaraan ten koste gelegd had en geen baat gevonden had, maar bij wie het veeleer erger geworden was;</verse>
				<verse number="27">Toen zij van Jezus hoorde, kwam zij van achteren in de menigte en raakte Zijn kleed aan;</verse>
				<verse number="28">Want zij zei: Als ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.</verse>
				<verse number="29">En meteen droogde de bron van haar bloed op, en zij voelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was.</verse>
				<note verse="29">Grieks πηγή = bron — "fontein" is verouderd voor deze context</note>
				<verse number="30">En meteen merkte Jezus in Zichzelf dat er kracht van Hem was uitgegaan, en Hij keerde Zich om in de menigte en zei: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?</verse>
				<verse number="31">En Zijn discipelen zeiden tegen Hem: U ziet dat de menigte U verdringt, en U zegt: Wie heeft Mij aangeraakt?</verse>
				<verse number="32">En Hij keek rondom om haar te zien die dat gedaan had.</verse>
				<verse number="33">En de vrouw, vrezend en bevend, omdat zij wist wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neer en vertelde Hem de hele waarheid.</verse>
				<verse number="34">En Hij zei tegen haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.</verse>
				<verse number="35">Terwijl Hij nog sprak, kwamen er mensen van het huis van de overste van de synagoge en zeiden: Uw dochter is gestorven; waarom valt u de Meester nog lastig?</verse>
				<kanttekening verse="35" concept="synagoge" anker="synagoge"/>
				<verse number="36">En toen Jezus het woord hoorde dat gesproken werd, zei Hij tegen de overste van de synagoge: Vrees niet, geloof alleen.</verse>
				<kanttekening verse="36" concept="synagoge" anker="synagoge"/>
				<verse number="37">En Hij liet niemand toe Hem te volgen, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus;</verse>
				<verse number="38">En Hij kwam in het huis van de overste van de synagoge en zag de opschudding en hen die luid weenden en huilden.</verse>
				<kanttekening verse="38" concept="synagoge" anker="synagoge"/>
				<verse number="39">En toen Hij binnengegaan was, zei Hij tegen hen: Waarom maakt u ophef en weent u? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.</verse>
				<verse number="40">En zij lachten Hem uit; maar Hij dreef hen allen naar buiten, nam de vader en de moeder van het kind bij Zich, en hen die met Hem waren, en ging naar binnen waar het kind lag.</verse>
				<verse number="41">En Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: Talitha kumi! Dat is, vertaald: Meisje (Ik zeg u), sta op.</verse>
				<note verse="41">Grieks Ταλιθα κουμ = Aramees voor "meisje, sta op"</note>
				<verse number="42">En meteen stond het meisje op en liep rond, want het was twaalf jaar oud; en zij waren buiten zichzelf van grote verbazing.</verse>
				<verse number="43">En Hij gebood hun streng dat niemand dit zou weten; en Hij zei dat men haar te eten zou geven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<heading verse="1">Jezus verworpen in Nazareth</heading>
				<verse number="1">En Hij ging vandaar weg en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.</verse>
				<verse number="2">En toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: Vanwaar heeft Hij deze dingen? En wat voor wijsheid is dit die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?</verse>
				<kanttekening verse="2" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<kanttekening verse="2" concept="synagoge" anker="synagoge"/>
				<verse number="3">Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en van Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.</verse>
				<note verse="3">Grieks ἐσκανδαλίζοντο = zij namen aanstoot — "geërgerd worden aan" is verouderd</note>
				<verse number="4">En Jezus zei tegen hen: Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderland en onder zijn familieleden en in zijn huis.</verse>
				<note verse="4">Grieks συγγενεῦσιν = verwanten — "magen" is verouderd voor familieleden</note>
				<verse number="5">En Hij kon daar geen kracht doen, maar Hij legde weinige zieken de handen op en genas hen.</verse>
				<verse number="6">En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof en ging de dorpen in de omgeving rond, terwijl Hij onderwees.</verse>
				<heading verse="7">De uitzending van de twaalf</heading>
				<verse number="7">En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen uit te zenden, twee aan twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.</verse>
				<verse number="8">En Hij gebood hun dat zij niets zouden meenemen voor onderweg dan alleen een staf; geen reistas, geen brood, geen geld in de gordel;</verse>
				<note verse="8">Grieks πήραν = reistas — "male" is verouderd</note>
				<verse number="9">Maar dat zij sandalen zouden aanbinden en niet met twee onderkleden gekleed zijn.</verse>
				<verse number="10">En Hij zei tegen hen: Waar u ook in een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u vandaar vertrekt.</verse>
				<verse number="11">En wie u niet zullen ontvangen noch naar u luisteren, schud wanneer u vandaar vertrekt het stof af dat onder uw voeten is, hun tot een getuigenis. Werkelijk, Ik zeg u: het zal voor Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.</verse>
				<verse number="12">En toen zij uitgegaan waren, predikten zij dat men zich zou bekeren.</verse>
				<kanttekening verse="12" concept="bekering" anker="bekeren"/>
				<verse number="13">En zij wierpen vele demonen uit en zalfden vele zieken met olie en maakten hen gezond.</verse>
				<kanttekening verse="13" concept="demonen" anker="demonen"/>
				<heading verse="14">De dood van Johannes de Doper</heading>
				<verse number="14">En koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was bekend geworden) en zei: Johannes de Doper is uit de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.</verse>
				<verse number="15">Anderen zeiden: Hij is Elia; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een van de profeten.</verse>
				<kanttekening verse="15" concept="profeet" anker="profeten"/>
				<verse number="16">Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: Het is Johannes, die ik onthoofd heb; die is uit de doden opgewekt.</verse>
				<verse number="17">Want Herodes zelf had, nadat hij mannen uitgezonden had, Johannes gevangen genomen en hem in de gevangenis gebonden, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had.</verse>
				<verse number="18">Want Johannes zei tegen Herodes: Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.</verse>
				<verse number="19">En Herodias had het op hem gemunt en wilde hem doden, maar kon het niet;</verse>
				<verse number="20">Want Herodes vreesde Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en wanneer hij hem hoorde, raakte hij in grote verlegenheid, en hij hoorde hem graag.</verse>
				<note verse="20">Grieks ἠπόρει = was in verlegenheid — sommige handschriften lezen ἐποίει (deed veel dingen); de beste handschriften hebben "raakte in verlegenheid"</note>
				<verse number="21">En toen er een geschikte dag gekomen was, waarop Herodes op zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn voorname gasten, de legeroversten en de voornaamsten van Galilea;</verse>
				<verse number="22">En toen de dochter van Herodias binnenkwam en danste, en zij Herodes en hen die mee aanlagen behaagde, zei de koning tegen het meisje: Vraag mij wat u ook wilt, en ik zal het u geven.</verse>
				<verse number="23">En hij zwoer haar: Wat u ook van mij zult vragen, zal ik u geven, tot zelfs de helft van mijn koninkrijk!</verse>
				<verse number="24">En toen zij naar buiten gegaan was, zei zij tegen haar moeder: Wat zal ik vragen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper.</verse>
				<verse number="25">En zij ging meteen met haast naar de koning en vroeg: Ik wil dat u mij nu meteen op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.</verse>
				<verse number="26">En hoewel de koning zeer bedroefd werd, wilde hij haar vanwege de eden en hen die mee aanlagen het niet weigeren.</verse>
				<verse number="27">En de koning zond meteen een beul en gebood zijn hoofd te brengen. Deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis;</verse>
				<verse number="28">En bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder.</verse>
				<verse number="29">En toen zijn discipelen dit hoorden, kwamen zij en namen zijn lichaam weg en legden het in een graf.</verse>
				<heading verse="30">De maaltijd voor de vijfduizend</heading>
				<verse number="30">En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden als wat zij geleerd hadden.</verse>
				<verse number="31">En Hij zei tegen hen: Kom met Mij naar een eenzame plaats, alleen, en rust een weinig; want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.</verse>
				<verse number="32">En zij vertrokken per schip naar een eenzame plaats, alleen.</verse>
				<verse number="33">En de menigten zagen hen wegvaren, en velen herkenden Hem en liepen gezamenlijk te voet van alle steden daarheen, en kwamen hen voor en gingen samen naar Hem toe.</verse>
				<verse number="34">En toen Jezus uitging, zag Hij een grote menigte en werd diep in Zijn binnenste bewogen over hen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.</verse>
				<note verse="34">Grieks ἐσπλαγχνίσθη = diep in Zijn binnenste bewogen — σπλάγχνα verwijst naar de ingewanden als zetel van diepe emotie</note>
				<verse number="35">En toen het al laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat op de dag;</verse>
				<verse number="36">Stuur hen weg, zodat zij naar de omliggende gehuchten en dorpen gaan en brood voor zichzelf kunnen kopen, want zij hebben niets te eten.</verse>
				<verse number="37">Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tegen Hem: Moeten wij voor tweehonderd penningen brood gaan kopen en hun te eten geven?</verse>
				<verse number="38">En Hij zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Ga en kijk. En toen zij het nagezien hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.</verse>
				<verse number="39">En Hij gebood hun dat zij allen in groepen zouden gaan zitten op het groene gras.</verse>
				<note verse="39">Grieks συμπόσια συμπόσια = groep bij groep — "waardschappen" (tafelgezelschappen) is verouderd</note>
				<verse number="40">En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.</verse>
				<verse number="41">En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, keek Hij op naar de hemel, zegende en brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelen, zodat zij ze hun zouden voorleggen; en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.</verse>
				<verse number="42">En zij aten allen en werden verzadigd.</verse>
				<verse number="43">En zij namen twaalf volle korven met brokken op, en ook van de vissen.</verse>
				<verse number="44">En zij die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen.</verse>
				<heading verse="45">Jezus wandelt op de zee</heading>
				<verse number="45">En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen naar de overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hij de menigte zou wegsturen.</verse>
				<verse number="46">En nadat Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij de berg op om te bidden.</verse>
				<verse number="47">En toen het avond geworden was, was het schip midden op de zee, en Hij was alleen op het land.</verse>
				<verse number="48">En Hij zag dat zij zich erg inspanden om het schip vooruit te krijgen, want de wind was tegen hen; en omstreeks de vierde nachtwake kwam Hij naar hen toe, lopend over de zee, en wilde hen voorbijgaan.</verse>
				<verse number="49">En toen zij Hem over de zee zagen lopen, meenden zij dat het een spook was, en zij schreeuwden luid;</verse>
				<verse number="50">Want zij zagen Hem allen en schrokken hevig; en meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: Heb moed, Ik ben het; vrees niet.</verse>
				<verse number="51">En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen; en zij waren buitengewoon verbaasd en verwonderd.</verse>
				<verse number="52">Want zij hadden niet gelet op het wonder van de broden, want hun hart was verhard.</verse>
				<heading verse="53">Genezingen in Gennesareth</heading>
				<verse number="53">En toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth en legden daar aan.</verse>
				<note verse="53">Grieks προσωρμίσθησαν = zij legden aan — "havenden" is verouderd</note>
				<verse number="54">En toen zij uit het schip gegaan waren, herkenden zij Hem meteen.</verse>
				<verse number="55">En zij liepen het hele omliggende land door en begonnen de zieken op draagbedden rond te dragen naar de plaats waar zij hoorden dat Hij was.</verse>
				<note verse="55">Grieks κραβάττοις = draagbedden/matten — "beddekens" is misleidend in modern Nederlands</note>
				<verse number="56">En overal waar Hij kwam, in dorpen of steden of gehuchten, legden zij de zieken op de markten en smeekten Hem dat zij maar de zoom van Zijn kleed mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten, werden gezond.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<heading verse="1">De overlevering van de ouden</heading>
				<verse number="1">En bij Hem verzamelden zich de farizeëen en sommigen van de schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="farizeeen" anker="farizeëen"/>
				<kanttekening verse="1" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="2">En toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.</verse>
				<verse number="3">Want de farizeëen en al de Joden eten niet, tenzij zij eerst grondig de handen wassen, omdat zij vasthouden aan de overlevering van de ouden.</verse>
				<note verse="3">Grieks πυγμῇ = met de vuist / grondig — "dikmaals" (vaak) is een vrije SV-vertaling; het Grieks duidt op een grondige wasmethode</note>
				<kanttekening verse="3" concept="farizeeen" anker="farizeëen"/>
				<verse number="4">En wanneer zij van de markt komen, eten zij niet tenzij zij zich eerst gewassen hebben. En vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te onderhouden, zoals de wassingen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden.</verse>
				<verse number="5">Toen vroegen de farizeëen en de schriftgeleerden Hem: Waarom leven Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten zij het brood met ongewassen handen?</verse>
				<note verse="5">Grieks περιπατοῦσιν = wandelen / leven — "wandelen naar" = "leven volgens"</note>
				<kanttekening verse="5" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="5" concept="farizeeen" anker="farizeëen"/>
				<verse number="6">Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Terecht heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van Mij.</verse>
				<note verse="6">Grieks ὑποκριτῶν = huichelaars / toneelspelers — "geveinsden" is verouderd</note>
				<verse number="7">Maar tevergeefs eren zij Mij, door leringen te onderwijzen die geboden van mensen zijn;</verse>
				<verse number="8">Want terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u vast aan de instellingen van mensen, zoals de wassingen van kannen en drinkbekers; en vele andere dergelijke dingen doet u.</verse>
				<verse number="9">En Hij zei tegen hen: U stelt Gods gebod mooi terzijde om uw eigen instellingen te onderhouden.</verse>
				<verse number="10">Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.</verse>
				<verse number="11">Maar jullie zeggen: Als een mens tegen vader of moeder zegt: Het is korban (dat wil zeggen: een gave aan God), alles waarmee ik u van dienst had kunnen zijn;</verse>
				<verse number="12">dan staat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen;</verse>
				<verse number="13">En zo maakt u Gods woord krachteloos door uw overlevering die u hebt doorgegeven; en vele dergelijke dingen doet u.</verse>
				<heading verse="14">Wat een mens werkelijk ontreinigt</heading>
				<verse number="14">En nadat Hij de hele menigte bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Luister allen naar Mij en begrijp het.</verse>
				<verse number="15">Er is niets dat van buiten de mens in hem binnengaat, dat hem kan ontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens ontreinigen.</verse>
				<verse number="16">Als iemand oren heeft om te horen, die hore.</verse>
				<note verse="16">Dit vers ontbreekt in Nestle-Aland (NA28) — het komt niet voor in de oudste Griekse handschriften en is waarschijnlijk een latere toevoeging uit parallelle passages (Mk 4:9, 4:23). De SV volgt hier de Textus Receptus.</note>
				<verse number="17">En toen Hij weg van de menigte het huis binnengegaan was, vroegen Zijn discipelen Hem naar de gelijkenis.</verse>
				<verse number="18">En Hij zei tegen hen: Bent ook u zo onverstandig? Begrijpt u niet dat alles wat van buiten in de mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?</verse>
				<verse number="19">Want het gaat niet in zijn hart maar in de buik, en verlaat het lichaam weer — en zo verklaarde Hij alle voedsel rein.</verse>
				<note verse="19">Grieks ἀφεδρῶνα = latrine — "heimelijkheid" is een SV-eufemisme. De slotzin καθαρίζων πάντα τὰ βρώματα wordt doorgaans gelezen als Markus' commentaar: "zo verklaarde Hij alle voedsel rein"</note>
				<verse number="20">En Hij zei: Wat uitgaat uit de mens, dat ontreinigt de mens.</verse>
				<verse number="21">Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen voort kwade gedachten, overspel, hoererij, moord,</verse>
				<verse number="22">Diefstal, hebzucht, slechtheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid.</verse>
				<note verse="22">Grieks ὀφθαλμὸς πονηρός = boos oog — in Joods idioom een aanduiding voor afgunst of hebzucht</note>
				<verse number="23">Al deze slechte dingen komen voort van binnenuit en ontreinigen de mens.</verse>
				<heading verse="24">De Syrofenicische vrouw</heading>
				<verse number="24">En vandaar vertrok Hij naar het grensgebied van Tyrus en Sidon; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist, maar Hij kon toch niet verborgen blijven.</verse>
				<verse number="25">Want een vrouw van wie het dochtertje een onreine geest had, kwam toen zij van Hem gehoord had en viel neer aan Zijn voeten.</verse>
				<kanttekening verse="25" concept="demonen" anker="onreine geest"/>
				<verse number="26">Deze vrouw was een Griekse, van afkomst uit Syro-Fenicië; en zij smeekte Hem dat Hij de demon zou uitdrijven uit haar dochter.</verse>
				<verse number="27">Maar Jezus zei tegen haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet gepast dat men het brood van de kinderen neemt en het voor de hondjes werpt.</verse>
				<verse number="28">Maar zij antwoordde en zei tegen Hem: Ja, Heer, maar ook de hondjes eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen.</verse>
				<verse number="29">En Hij zei tegen haar: Om dit woord, ga heen; de demon is uit uw dochter uitgevaren.</verse>
				<verse number="30">En toen zij in haar huis kwam, vond zij dat de demon uitgevaren was, en haar dochter liggend op het bed.</verse>
				<heading verse="31">De genezing van een dove</heading>
				<verse number="31">En toen Hij weer weggegaan was uit het grensgebied van Tyrus en Sidon, kwam Hij bij de zee van Galilea, midden door het gebied van Dekapolis.</verse>
				<verse number="32">En zij brachten bij Hem een dove die moeilijk sprak, en smeekten Hem dat Hij de hand op hem zou leggen.</verse>
				<verse number="33">En nadat Hij hem apart van de menigte genomen had, stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en nadat Hij gespuugd had, raakte Hij zijn tong aan;</verse>
				<verse number="34">En Hij keek omhoog naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: Effatha! Dat is: word geopend!</verse>
				<note verse="34">Grieks Εφφαθα = Aramees voor "word geopend" — Markus geeft de oorspronkelijke woorden van Jezus in het Aramees</note>
				<verse number="35">En meteen werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los, en hij sprak goed.</verse>
				<verse number="36">En Hij gebood hun dat zij het niemand zouden zeggen; maar hoe meer Hij het hun gebood, des te meer verkondigden zij het.</verse>
				<verse number="37">En zij waren buitengewoon verbaasd en zeiden: Hij heeft alles goed gedaan; Hij maakt dat de doven horen en de stommen spreken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<heading verse="1">De maaltijd voor de vierduizend</heading>
				<verse number="1">In die dagen, toen er een zeer grote menigte was en zij niets te eten hadden, riep Jezus Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen:</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="2">Ik ben diep bewogen over de menigte, want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten.</verse>
				<note verse="2">Grieks Σπλαγχνίζομαι = Ik ben diep in Mijn binnenste bewogen — σπλάγχνα verwijst naar de ingewanden als zetel van diepe emotie</note>
				<verse number="3">En als Ik hen nuchter naar hun huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, want sommigen van hen komen van ver.</verse>
				<verse number="4">En Zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand deze mensen hier in de woestijn met brood kunnen verzadigen?</verse>
				<kanttekening verse="4" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="5">En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven.</verse>
				<verse number="6">En Hij gebood de menigte te gaan zitten op de grond; en Hij nam de zeven broden, en nadat Hij gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen om ze voor te leggen; en zij legden ze de menigte voor.</verse>
				<kanttekening verse="6" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="7">En zij hadden weinige visjes; en nadat Hij gezegend had, zei Hij dat zij ook die zouden voorleggen.</verse>
				<verse number="8">En zij aten en werden verzadigd; en zij namen het overschot van de brokken op: zeven manden.</verse>
				<verse number="9">Zij die gegeten hadden, waren ongeveer vierduizend; en Hij liet hen gaan.</verse>
				<verse number="10">En meteen ging Hij met Zijn discipelen in het schip en kwam in de streek van Dalmanutha.</verse>
				<kanttekening verse="10" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<heading verse="11">Het teken dat geweigerd wordt</heading>
				<verse number="11">En de farizeëen kwamen naar buiten en begonnen een woordenstrijd met Hem te voeren, terwijl zij van Hem een teken uit de hemel verlangden om Hem te verzoeken.</verse>
				<kanttekening verse="11" concept="farizeeen" anker="farizeëen"/>
				<verse number="12">En Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken? Werkelijk, Ik zeg u: er zal aan dit geslacht geen teken gegeven worden!</verse>
				<verse number="13">En Hij verliet hen, ging weer in het schip en voer weg naar de andere zijde.</verse>
				<heading verse="14">De zuurdesem van de Farizeeën</heading>
				<verse number="14">En Zijn discipelen hadden vergeten brood mee te nemen, en hadden niet meer dan één brood bij zich in het schip.</verse>
				<kanttekening verse="14" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="15">En Hij gebood hun en zei: Let op, pas op voor de zuurdesem van de farizeëen en voor de zuurdesem van Herodes.</verse>
				<kanttekening verse="15" concept="farizeeen" anker="farizeëen"/>
				<verse number="16">En zij overlegden onder elkaar en zeiden: Het is omdat wij geen brood hebben.</verse>
				<verse number="17">En toen Jezus dit merkte, zei Hij tegen hen: Wat overlegt u dat u geen brood hebt? Begrijpt u het nog niet en verstaat u het niet? Hebt u nog uw verharde hart?</verse>
				<verse number="18">U hebt ogen — ziet u niet? En u hebt oren — hoort u niet?</verse>
				<verse number="19">Herinnert u zich niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijfduizend, hoeveel volle korven met brokken u opnam? Zij zeiden tegen Hem: Twaalf.</verse>
				<verse number="20">En toen Ik de zeven brak onder de vierduizend, hoeveel volle manden met brokken nam u op? En zij zeiden: Zeven.</verse>
				<verse number="21">En Hij zei tegen hen: Hoe begrijpt u het niet?</verse>
				<heading verse="22">De genezing van de blinde te Bethsaïda</heading>
				<verse number="22">En Hij kwam in Bethsaïda; en zij brachten een blinde bij Hem en smeekten Hem dat Hij hem zou aanraken.</verse>
				<verse number="23">En nadat Hij de blinde bij de hand genomen had, leidde Hij hem buiten het dorp, en spuwde in zijn ogen, legde de handen op hem en vroeg hem of hij iets zag.</verse>
				<verse number="24">En toen hij opkeek, zei hij: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen rondlopen.</verse>
				<verse number="25">Daarna legde Hij de handen weer op zijn ogen en liet hem opkijken. En hij was hersteld en zag alles helder en duidelijk.</verse>
				<verse number="26">En Hij zond hem naar zijn huis en zei: Ga niet het dorp in en zeg het niemand in het dorp.</verse>
				<heading verse="27">De belijdenis van Petrus</heading>
				<verse number="27">En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de dorpen van Cesarea Filippi. En onderweg vroeg Hij Zijn discipelen en zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?</verse>
				<kanttekening verse="27" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="28">En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Een van de profeten.</verse>
				<kanttekening verse="28" concept="profeet" anker="profeten"/>
				<verse number="29">En Hij zei tegen hen: Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem: U bent de Christus.</verse>
				<kanttekening verse="29" concept="christus" anker="Christus"/>
				<verse number="30">En Hij gebood hun streng dat zij het niemand zouden zeggen over Hem.</verse>
				<heading verse="31">De eerste aankondiging van het lijden</heading>
				<verse number="31">En Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel moest lijden en verworpen worden door de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen weer opstaan.</verse>
				<kanttekening verse="31" concept="overpriesters" anker="overpriesters">De overpriesters waren Joden uit de priesterlijke stam van Aäron die niet alleen godsdienstige maar ook grote politieke invloed hadden via het Sanhedrin, de hoogste Joodse raad.</kanttekening>
				<kanttekening verse="31" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="32">En dit woord sprak Hij openlijk; en Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen;</verse>
				<verse number="33">Maar Hij keerde Zich om, en terwijl Hij Zijn discipelen aankeek, bestrafte Hij Petrus en zei: Ga weg, achter Mij, satan! Want u bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.</verse>
				<note verse="33">Grieks Σατανᾶ = satan/tegenstander — Jezus gebruikt dit als scherpe berisping, niet als identificatie met de duivel</note>
				<kanttekening verse="33" concept="satan" anker="satan"/>
				<kanttekening verse="33" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<heading verse="34">De voorwaarden voor het volgen van Jezus</heading>
				<verse number="34">En nadat Hij de menigte met Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Als iemand achter Mij aan wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij.</verse>
				<kanttekening verse="34" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="35">Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden.</verse>
				<kanttekening verse="35" concept="evangelie" anker="Evangelie"/>
				<verse number="36">Want wat zou het de mens baten als hij de hele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel?</verse>
				<kanttekening verse="36" concept="ziel" anker="ziel">De ziel de geestelijke essentie van wie je bent.</kanttekening>
				<verse number="37">Of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel?</verse>
				<kanttekening verse="37" concept="ziel" anker="ziel"/>
				<verse number="38">Want wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor die zal ook de Mensenzoon Zich schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.</verse>
				<kanttekening verse="38" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon">De uitdrukking "Mensenzoon" benadrukt Zijn menselijkheid, maar zet Hem ook apart van alle andere mensen omdat Hij in ongestoorde relatie met God als Zijn Vader leefde, in tegenstelling tot andere mensen. Het was voor de Joden een verwijzing naar de komende Messias (Daniel 7:13–14).</kanttekening>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En Hij zei tegen hen: Werkelijk, Ik zeg u dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood niet zullen smaken totdat zij gezien zullen hebben dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<heading verse="2">De verheerlijking op de berg</heading>
				<verse number="2">En na zes dagen nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes met Zich mee en bracht hen apart op een hoge berg, alleen; en Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.</verse>
				<verse number="3">En Zijn klederen werden blinkend, zeer wit, zo wit als geen bleker op aarde ze kan maken.</verse>
				<note verse="3">Grieks γναφεὺς = volder/bleker — iemand die stoffen bleekt en reinigt</note>
				<verse number="4">En aan hen verscheen Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus.</verse>
				<verse number="5">En Petrus antwoordde en zei tegen Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten wij drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.</verse>
				<note verse="5">Grieks σκηνάς = tenten/hutten — "tabernakelen" is verouderd; het gaat om eenvoudige loofhutten</note>
				<verse number="6">Want hij wist niet wat hij zei, want zij waren zeer bevreesd.</verse>
				<verse number="7">En er kwam een wolk die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk en zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!</verse>
				<verse number="8">En plotseling, toen zij rondkeken, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bij zich.</verse>
				<verse number="9">En toen zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun dat zij niemand zouden vertellen wat zij gezien hadden, dan wanneer de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.</verse>
				<kanttekening verse="9" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<verse number="10">En zij hielden dit woord bij zichzelf en vroegen zich onder elkaar af wat het betekende, uit de doden opstaan.</verse>
				<verse number="11">En zij vroegen Hem en zeiden: Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?</verse>
				<kanttekening verse="11" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="12">En Hij antwoordde en zei tegen hen: Elia zal wel eerst komen en alles herstellen; en wat staat er geschreven over de Mensenzoon? Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden.</verse>
				<kanttekening verse="12" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<verse number="13">Maar Ik zeg u dat ook Elia gekomen is, en zij hebben met hem gedaan alles wat zij wilden, zoals over hem geschreven is.</verse>
				<heading verse="14">De genezing van de maanzieke jongen</heading>
				<verse number="14">En toen Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote menigte rondom hen, en enige schriftgeleerden die met hen in een woordenstrijd verwikkeld waren.</verse>
				<kanttekening verse="14" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="14" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="15">En meteen toen de hele menigte Hem zag, stonden zij verbaasd, en zij liepen op Hem toe en begroetten Hem.</verse>
				<verse number="16">En Hij vroeg de schriftgeleerden: Waarover hebben jullie een woordenstrijd met hen?</verse>
				<kanttekening verse="16" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="17">En een uit de menigte antwoordde en zei: Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht, die een geest heeft waardoor hij niet kan spreken.</verse>
				<verse number="18">En waar de geest hem ook aangrijpt, scheurt hij hem, en hij schuimt en knarst met zijn tanden en verstijft; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitdrijven, maar zij konden het niet.</verse>
				<note verse="18">Grieks ξηραίνεται = hij verstijft/droogt uit — "verdort" beschrijft het verstijven van het lichaam</note>
				<kanttekening verse="18" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="19">En Hij antwoordde en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem bij Mij.</verse>
				<verse number="20">En zij brachten hem bij Hem; en toen hij Hem zag, deed de geest hem meteen stuiptrekken, en hij viel op de grond en wentelde zich terwijl hij schuimde.</verse>
				<verse number="21">En Hij vroeg zijn vader: Hoe lang is het al dat hem dit overkomt? En hij zei: Vanaf zijn kindertijd.</verse>
				<verse number="22">En vaak heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem te vernietigen; maar als U iets kunt, wees met ontferming over ons bewogen en help ons.</verse>
				<verse number="23">En Jezus zei tegen hem: Als u kunt geloven — alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.</verse>
				<note verse="23">Grieks Τὸ Εἰ δύνῃ = "Wat betreft het 'als U kunt'" — Jezus neemt de woorden van de vader over en keert de vraag om</note>
				<verse number="24">En meteen riep de vader van het kind onder tranen: Ik geloof, Heer! Kom mijn ongeloof te hulp.</verse>
				<verse number="25">En toen Jezus zag dat de menigte samen toeliep, bestrafte Hij de onreine geest en zei tegen hem: Stomme en dove geest, ik beveel u: ga uit van hem en kom niet meer in hem.</verse>
				<kanttekening verse="25" concept="demonen" anker="onreine geest"/>
				<verse number="26">En de geest schreeuwde, schudde hem hevig heen en weer en ging uit; en het kind werd als dood, zodat velen zeiden dat het gestorven was.</verse>
				<verse number="27">Maar Jezus pakte hem bij de hand, richtte hem op, en hij stond op.</verse>
				<verse number="28">En toen Hij in huis gegaan was, vroegen Zijn discipelen Hem zonder anderen erbij: Waarom konden wij hem niet uitdrijven?</verse>
				<kanttekening verse="28" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="29">En Hij zei tegen hen: Dit soort kan door niets uitgaan dan door gebed en vasten.</verse>
				<note verse="29">Grieks ἐν προσευχῇ = door gebed — "en vasten" ontbreekt in de oudste en beste Griekse handschriften; het is waarschijnlijk een latere toevoeging</note>
				<kanttekening verse="29" concept="vasten" anker="vasten"/>
				<heading verse="30">De tweede aankondiging van het lijden</heading>
				<verse number="30">En vandaar vertrokken zij en reisden door Galilea; en Hij wilde niet dat iemand het wist.</verse>
				<verse number="31">Want Hij onderwees Zijn discipelen en zei tegen hen: De Mensenzoon zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij op de derde dag weer opstaan.</verse>
				<kanttekening verse="31" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<kanttekening verse="31" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<verse number="32">Maar zij begrepen dat woord niet, en zij waren bang Hem ernaar te vragen.</verse>
				<heading verse="33">Wie is de belangrijkste</heading>
				<verse number="33">En Hij kwam in Kapernaüm, en toen Hij in het huis gekomen was, vroeg Hij hun: Waarover hadden jullie het onderling op de weg?</verse>
				<verse number="34">Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg met elkaar een woordenstrijd gehad over wie de belangrijkste zou zijn.</verse>
				<verse number="35">En toen Hij was gaan zitten, riep Hij de twaalf en zei tegen hen: Als iemand de eerste wil zijn, die moet de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.</verse>
				<verse number="36">En Hij nam een kind, zette het in hun midden, omarmde het en zei tegen hen:</verse>
				<verse number="37">Wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt niet Mij, maar Hem Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<heading verse="38">Wie niet tegen ons is</heading>
				<verse number="38">En Johannes antwoordde Hem en zei: Meester, wij hebben iemand gezien die de demonen uitdreef in Uw Naam, en die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.</verse>
				<kanttekening verse="38" concept="demonen" anker="demonen"/>
				<verse number="39">Maar Jezus zei: Verbied hem niet, want er is niemand die een kracht zal doen in Mijn Naam en kort daarna kwaad van Mij zal kunnen spreken.</verse>
				<verse number="40">Want wie niet tegen ons is, die is voor ons.</verse>
				<verse number="41">Want wie u een beker water te drinken zal geven in Mijn Naam, omdat u van Christus bent, werkelijk, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen.</verse>
				<kanttekening verse="41" concept="christus" anker="Christus"/>
				<heading verse="42">Waarschuwing tegen struikelblokken</heading>
				<verse number="42">En wie een van deze kleinen die in Mij geloven ten val brengt, het zou beter voor hem zijn dat er een molensteen om zijn hals gedaan werd en hij in de zee geworpen werd.</verse>
				<note verse="42">Grieks σκανδαλίσῃ = tot struikelen/zonde brengt — μύλος ὀνικός = een grote molensteen, gedraaid door een ezel</note>
				<verse number="43">En als uw hand u ten val brengt, hak haar af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan, dan met twee handen heen te gaan in de hel, in het onuitblusbare vuur;</verse>
				<kanttekening verse="43" concept="hel" anker="hel">De hel, anders dan het dodenrijk, is de  plek van oordeel en straf buiten Gods liefdevolle aanwezigheid.</kanttekening>
				<verse number="44">Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.</verse>
				<note verse="44">Dit vers ontbreekt in de oudste Griekse handschriften; het is waarschijnlijk een herhaling van vers 48, later door kopiïsten toegevoegd</note>
				<verse number="45">En als uw voet u ten val brengt, hak hem af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan, dan met twee voeten geworpen te worden in de hel, in het onuitblusbare vuur;</verse>
				<kanttekening verse="45" concept="hel" anker="hel"/>
				<verse number="46">Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.</verse>
				<note verse="46">Ook dit vers ontbreekt in de oudste Griekse handschriften; waarschijnlijk een latere toevoeging als herhaling van vers 48</note>
				<verse number="47">En als uw oog u ten val brengt, ruk het uit; het is beter voor u met één oog het Koninkrijk van God in te gaan, dan met twee ogen in het vuur van de hel geworpen te worden;</verse>
				<kanttekening verse="47" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<kanttekening verse="47" concept="hel" anker="hel"/>
				<verse number="48">Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.</verse>
				<verse number="49">Want ieder zal met vuur gezouten worden, en ieder offer zal met zout gezouten worden.</verse>
				<verse number="50">Het zout is goed; maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zult u het smakelijk maken? Heb zout in uzelf en bewaar vrede onder elkaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<heading verse="1">Over huwelijk en echtscheiding</heading>
				<verse number="1">En vandaar vertrok Hij naar het gebied van Judea, aan de overzijde van de Jordaan; en de menigten kwamen weer samen bij Hem, en zoals Hij gewend was, onderwees Hij hen weer.</verse>
				<verse number="2">En de farizeëen kwamen bij Hem en vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verlaten, om Hem te verzoeken.</verse>
				<kanttekening verse="2" concept="farizeeen" anker="farizeëen"/>
				<verse number="3">Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Wat heeft Mozes u geboden?</verse>
				<verse number="4">En zij zeiden: Mozes heeft toegestaan een scheidbrief te schrijven en haar te verlaten.</verse>
				<verse number="5">En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Vanwege de hardheid van uw hart heeft hij u dat gebod geschreven.</verse>
				<verse number="6">Maar van het begin van de schepping heeft God hen als man en vrouw gemaakt.</verse>
				<verse number="7">Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten;</verse>
				<verse number="8">En die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.</verse>
				<verse number="9">Wat dan God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.</verse>
				<verse number="10">En in het huis vroegen Zijn discipelen Hem weer over hetzelfde.</verse>
				<kanttekening verse="10" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="11">En Hij zei tegen hen: Wie zijn vrouw verlaat en een andere trouwt, die pleegt overspel tegen haar.</verse>
				<verse number="12">En als een vrouw haar man verlaat en met een ander trouwt, pleegt zij overspel.</verse>
				<heading verse="13">Jezus zegent de kinderen</heading>
				<verse number="13">En zij brachten kinderen bij Hem, zodat Hij ze zou aanraken; en de discipelen bestraften hen die ze bij Hem brachten.</verse>
				<kanttekening verse="13" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="14">Maar toen Jezus dat zag, werd Hij verontwaardigd en zei tegen hen: Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet, want voor zulken is het Koninkrijk van God.</verse>
				<note verse="14">Grieks ἠγανάκτησεν = Hij werd verontwaardigd — een sterk woord dat Jezus' diepe emotie aangeeft</note>
				<kanttekening verse="14" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<verse number="15">Werkelijk, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt zoals een kind, die zal het beslist niet binnengaan.</verse>
				<kanttekening verse="15" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<verse number="16">En Hij omarmde hen, legde de handen op hen en zegende hen.</verse>
				<heading verse="17">De rijke jongeling</heading>
				<verse number="17">En toen Hij op weg ging, kwam er iemand naar Hem toe rennen, viel voor Hem op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?</verse>
				<kanttekening verse="17" concept="eeuwig-leven" anker="eeuwige leven">Zoals de dood de beloning is op zonde, zo is eeuwig leven de beloning op een goed leven. Eeuwig leven is niet alleen, oneindig, maar ook een bovennatuurlijk gelukkig leven, in Gods liefdevolle aanwezigheid, de Bron van het leven.</kanttekening>
				<verse number="18">En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God.</verse>
				<verse number="19">U kent de geboden: U zult geen overspel plegen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis geven; u zult niemand tekortdoen; eer uw vader en uw moeder.</verse>
				<verse number="20">Maar hij antwoordde en zei tegen Hem: Meester, al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af.</verse>
				<verse number="21">En Jezus keek hem aan, had hem lief en zei tegen hem: Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom, neem het kruis op en volg Mij.</verse>
				<verse number="22">Maar hij werd bedroefd over dat woord en ging verdrietig weg, want hij had veel bezittingen.</verse>
				<verse number="23">En Jezus keek rond en zei tegen Zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen zij die rijkdom bezitten het Koninkrijk van God binnengaan!</verse>
				<kanttekening verse="23" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<kanttekening verse="23" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="24">En de discipelen waren verbaasd over Zijn woorden. Maar Jezus antwoordde weer en zei tegen hen: Kinderen, hoe moeilijk is het voor hen die op rijkdom vertrouwen om het Koninkrijk van God binnen te gaan!</verse>
				<kanttekening verse="24" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<kanttekening verse="24" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="25">Het is makkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.</verse>
				<kanttekening verse="25" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<verse number="26">En zij waren nog meer verbaasd en zeiden tegen elkaar: Wie kan dan gered worden?</verse>
				<verse number="27">Maar Jezus keek hen aan en zei: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.</verse>
				<verse number="28">En Petrus begon tegen Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.</verse>
				<verse number="29">En Jezus antwoordde en zei: Werkelijk, Ik zeg u: er is niemand die huis, of broers, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers verlaten heeft omwille van Mij en het Evangelie,</verse>
				<kanttekening verse="29" concept="evangelie" anker="Evangelie"/>
				<verse number="30">of hij ontvangt honderdvoudig, nu in deze tijd, huizen en broers en zusters en moeders en kinderen en akkers, met de vervolgingen, en in de komende eeuw het eeuwige leven.</verse>
				<kanttekening verse="30" concept="eeuwig-leven" anker="eeuwige leven"/>
				<verse number="31">Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.</verse>
				<heading verse="32">De derde aankondiging van het lijden</heading>
				<verse number="32">En zij waren onderweg naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen uit, en zij waren verbaasd, en zij die Hem volgden waren bevreesd. En Hij nam de twaalf weer bij Zich en begon hun te zeggen wat Hem zou overkomen:</verse>
				<verse number="33">Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren;</verse>
				<kanttekening verse="33" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<kanttekening verse="33" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<kanttekening verse="33" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="34">En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan.</verse>
				<heading verse="35">De vraag van Jakobus en Johannes</heading>
				<verse number="35">En Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen bij Hem en zeiden: Meester, wij willen graag dat U voor ons doet wat wij U vragen.</verse>
				<verse number="36">En Hij zei tegen hen: Wat wilt u dat Ik voor u doe?</verse>
				<verse number="37">En zij zeiden tegen Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechterhand en de ander aan Uw linkerhand, in Uw heerlijkheid.</verse>
				<verse number="38">Maar Jezus zei tegen hen: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, en met de doop gedoopt worden waarmee Ik gedoopt word?</verse>
				<kanttekening verse="38" concept="doop" anker="doop"/>
				<verse number="39">En zij zeiden tegen Hem: Wij kunnen het. Maar Jezus zei tegen hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u wel drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden;</verse>
				<kanttekening verse="39" concept="doop" anker="doop"/>
				<verse number="40">Maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand, dat staat niet aan Mij om te geven; maar het zal gegeven worden aan hen voor wie het bereid is.</verse>
				<verse number="41">En toen de andere tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.</verse>
				<verse number="42">Maar Jezus riep hen bij Zich en zei tegen hen: U weet dat zij die geacht worden leiders van de volken te zijn, heersen over hen, en dat hun machthebbers gezag over hen uitoefenen.</verse>
				<verse number="43">Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn.</verse>
				<verse number="44">En wie van u de eerste wil worden, die moet een dienaar zijn van allen.</verse>
				<verse number="45">Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn leven te geven als losprijs voor velen.</verse>
				<note verse="45">Grieks λύτρον = losprijs — ψυχήν kan "ziel" of "leven" betekenen; hier in de zin van Zijn leven als losprijs geven</note>
				<kanttekening verse="45" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<heading verse="46">De genezing van de blinde Bartimeüs</heading>
				<verse number="46">En zij kwamen in Jericho. En toen Hij met Zijn discipelen en een grote menigte uit Jericho vertrok, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, de blinde, langs de weg te bedelen.</verse>
				<kanttekening verse="46" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="47">En toen hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!</verse>
				<verse number="48">En velen bestraften hem, opdat hij zou zwijgen; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!</verse>
				<verse number="49">En Jezus bleef staan en zei dat men hem zou roepen; en zij riepen de blinde en zeiden tegen hem: Heb moed, sta op, Hij roept u.</verse>
				<verse number="50">En hij wierp zijn mantel af, sprong op en kwam bij Jezus.</verse>
				<verse number="51">En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En de blinde zei tegen Hem: Rabboni, dat ik weer kan zien!</verse>
				<verse number="52">En Jezus zei tegen hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En meteen kon hij weer zien en volgde Jezus op de weg.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<heading verse="1">De intocht in Jeruzalem</heading>
				<verse number="1">En toen zij Jeruzalem naderden, bij Bethfagé en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="2">En zei tegen hen: Ga naar het dorp dat tegenover u ligt; en meteen wanneer u er binnenkomt, zult u een veulen vinden dat vastgebonden is, waarop geen mens heeft gezeten; maak het los en breng het.</verse>
				<verse number="3">En als iemand tegen u zegt: Waarom doet u dat? zeg dan dat de Heer het nodig heeft; en hij zal het meteen hierheen sturen.</verse>
				<verse number="4">En zij gingen heen en vonden het veulen vastgebonden bij de deur, buiten aan de straat, en zij maakten het los.</verse>
				<note verse="4">Grieks ἀμφόδου = kruispunt/straat — "wegscheiding" is verouderd</note>
				<verse number="5">En sommigen van hen die daar stonden, zeiden tegen hen: Wat doet u? Waarom maakt u het veulen los?</verse>
				<verse number="6">Maar zij zeiden tegen hen zoals Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan.</verse>
				<verse number="7">En zij brachten het veulen bij Jezus en wierpen hun kleren erop; en Hij ging erop zitten.</verse>
				<verse number="8">En velen spreidden hun kleren op de weg, en anderen hakten takken van de bomen en spreidden die op de weg.</verse>
				<note verse="8">Grieks στιβάδας = takken/bladeren — "meien" (groene takken) is verouderd</note>
				<verse number="9">En zij die voorgingen en zij die volgden, riepen: Hosanna! Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heer!</verse>
				<kanttekening verse="9" concept="hosanna" anker="Hosanna">Hosanna, is net als Hallelujah een bekende Joodse uitroep die betekent: "Wij bidden U, verlos ons!" (Zie ook Psalm 118:25).</kanttekening>
				<verse number="10">Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemelen!</verse>
				<kanttekening verse="10" concept="hosanna" anker="Hosanna"/>
				<verse number="11">En Jezus kwam Jeruzalem binnen en ging de tempel in; en toen Hij alles bekeken had en het al avond was, ging Hij naar Bethanië met de twaalf.</verse>
				<kanttekening verse="11" concept="tempel" anker="tempel">De tempel was net als de hof van Eden en de tabernakel de plek waar God de mens wilde ontmoeten. Het was een afschaduwing van de hemel en een voorproefje van de manier waarop God de mensen door een offer zou redden zodat we weer in Zijn liefdevolle aanwezigheid kunnen leven.</kanttekening>
				<heading verse="12">De vervloeking van de vijgenboom</heading>
				<verse number="12">En de volgende dag, toen zij uit Bethanië vertrokken, kreeg Hij honger.</verse>
				<verse number="13">En toen Hij van ver een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij erheen om te zien of Hij er iets aan zou vinden; en toen Hij erbij gekomen was, vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd van de vijgen.</verse>
				<verse number="14">En Jezus antwoordde en zei tegen de boom: Laat niemand meer enige vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.</verse>
				<kanttekening verse="14" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<heading verse="15">De reiniging van de tempel</heading>
				<verse number="15">En zij kwamen in Jeruzalem; en toen Jezus de tempel was binnengegaan, begon Hij hen die in de tempel verkochten en kochten uit te drijven; en de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde Hij om;</verse>
				<note verse="15">Grieks κολλυβιστῶν = geldwisselaars — zij wisselden Romeins geld tegen tempelvaluta</note>
				<kanttekening verse="15" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="16">En Hij liet niet toe dat iemand ook maar een vat door de tempel droeg.</verse>
				<kanttekening verse="16" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="17">En Hij onderwees hen en zei: Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken? Maar u hebt het tot een rovershol gemaakt.</verse>
				<note verse="17">Grieks σπήλαιον λῃστῶν = rovershol — λῃστῶν = rovers/bandieten, niet "moordenaars"</note>
				<verse number="18">En de schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten hoe zij Hem zouden doden; want zij vreesden Hem, omdat de hele menigte verbaasd was over Zijn onderwijs.</verse>
				<kanttekening verse="18" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="18" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="19">En toen het laat geworden was, gingen zij de stad uit.</verse>
				<heading verse="20">De verdorde vijgenboom en het geloof</heading>
				<verse number="20">En toen zij 's morgens vroeg voorbijkwamen, zagen zij dat de vijgenboom verdord was, vanaf de wortels.</verse>
				<verse number="21">En Petrus herinnerde het zich en zei tegen Hem: Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.</verse>
				<verse number="22">En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God.</verse>
				<verse number="23">Want werkelijk, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt zal geschieden, het zal hem gebeuren, wat hij ook zegt.</verse>
				<verse number="24">Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend vraagt, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen.</verse>
				<verse number="25">En wanneer u staat om te bidden, vergeef als u iets hebt tegen iemand, zodat ook uw Vader Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.</verse>
				<verse number="26">Maar als u niet vergeeft, zal ook uw Vader Die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven.</verse>
				<note verse="26">Dit vers ontbreekt in de oudste Griekse handschriften; het is waarschijnlijk ontleend aan Matteüs 6:15</note>
				<heading verse="27">De vraag naar Jezus' bevoegdheid</heading>
				<verse number="27">En zij kwamen weer in Jeruzalem. En toen Hij in de tempel rondliep, kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen naar Hem toe.</verse>
				<kanttekening verse="27" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="27" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<kanttekening verse="27" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="28">En zij zeiden tegen Hem: Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?</verse>
				<verse number="29">Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één vraag stellen; antwoord Mij, en dan zal Ik u zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe:</verse>
				<verse number="30">De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoord Mij.</verse>
				<kanttekening verse="30" concept="doop" anker="doop"/>
				<verse number="31">En zij overlegden onder elkaar en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?</verse>
				<verse number="32">Maar als wij zeggen: Uit de mensen — dan vrezen wij het volk, want zij hielden het er allemaal voor dat Johannes werkelijk een profeet was.</verse>
				<verse number="33">En zij antwoordden en zeiden tegen Jezus: Wij weten het niet. En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<heading verse="1">De gelijkenis van de onrechtvaardige wijnbouwers</heading>
				<verse number="1">En Hij begon door gelijkenissen tegen hen te spreken: Een mens plantte een wijngaard en zette er een omheining omheen, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de wijnbouwers, en vertrok naar het buitenland.</verse>
				<note verse="1">Grieks φραγμόν = omheining (niet "tuin"); γεωργοῖς = pachters/landbouwers</note>
				<kanttekening verse="1" concept="gelijkenis" anker="gelijkenissen"/>
				<verse number="2">En toen het de tijd was, zond hij een knecht naar de wijnbouwers, om van de wijnbouwers een deel van de vrucht van de wijngaard te ontvangen.</verse>
				<verse number="3">Maar zij grepen hem, sloegen hem en stuurden hem met lege handen weg.</verse>
				<note verse="3">Grieks κενόν = met lege handen</note>
				<verse number="4">En weer zond hij een andere knecht naar hen; die verwondden zij aan het hoofd en stuurden hem smadelijk behandeld weg.</verse>
				<note verse="4">Grieks ἐκεφαλίωσαν = sloegen op het hoofd; ἠτίμασαν = oneerden/vernederden</note>
				<verse number="5">En weer zond hij een andere, en die doodden zij; en vele anderen: sommigen sloegen zij en sommigen doodden zij.</verse>
				<verse number="6">Toen hij nog een zoon had, die hem lief was, zond hij ook die als laatste naar hen toe en zei: Zij zullen toch mijn zoon ontzien.</verse>
				<verse number="7">Maar die wijnbouwers zeiden tegen elkaar: Dit is de erfgenaam; kom, laten wij hem doden, en de erfenis zal van ons zijn.</verse>
				<verse number="8">En zij grepen hem en doodden hem, en wierpen hem buiten de wijngaard.</verse>
				<verse number="9">Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen en de wijnbouwers ombrengen, en de wijngaard aan anderen geven.</verse>
				<note verse="9">Grieks ἀπολέσει = vernietigen/ombrengen (sterker dan "verderven")</note>
				<verse number="10">Hebt u ook deze Schrift niet gelezen: De steen die de bouwers verworpen hebben, die is tot een hoeksteen geworden;</verse>
				<note verse="10">Grieks κεφαλὴν γωνίας = hoeksteen (letterlijk: hoofd van de hoek)</note>
				<kanttekening verse="10" concept="schriften" anker="Schrift">De Schriften zijn het geschreven onderwijs en getuigenis wat God geinspireerd had en wat wij kennen als het eerste deel van de Bijbel.</kanttekening>
				<verse number="11">Dit is van Jahweh uitgegaan, en het is wonderlijk in onze ogen?</verse>
				<note verse="11">Citaat Psalm 118:22-23 — Hebreeuws יהוה (YHWH) → Jahweh</note>
				<kanttekening verse="11" concept="Jahweh" anker="Jahweh"/>
				<verse number="12">En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij vreesden de menigte; want zij begrepen dat Hij die gelijkenis over hen uitsprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.</verse>
				<heading verse="13">De belasting aan de keizer</heading>
				<verse number="13">En zij zonden naar Hem toe enigen van de Farizeeën en van de Herodianen, om Hem in Zijn woorden te vangen.</verse>
				<kanttekening verse="13" concept="farizeeen" anker="Farizeeën"/>
				<kanttekening verse="13" concept="zonde" anker="zonden"/>
				<kanttekening verse="13" concept="herodianen" anker="herodianen"/>
				<verse number="14">Die kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van mensen niet aan, maar U leert de weg van God in waarheid; is het geoorloofd de keizer belasting te geven, of niet? Moeten wij betalen, of niet betalen?</verse>
				<note verse="14">Grieks κῆνσον = census/belasting (Latijns leenwoord)</note>
				<verse number="15">En Hij, Die hun huichelarij kende, zei tegen hen: Waarom stelt u Mij op de proef? Breng Mij een denarius, zodat Ik die kan zien.</verse>
				<note verse="15">Grieks ὑπόκρισιν = huichelarij; δηνάριον = denarius (Romeinse munt)</note>
				<verse number="16">En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer.</verse>
				<verse number="17">En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.</verse>
				<heading verse="18">De vraag over de opstanding</heading>
				<verse number="18">En de sadduceëen kwamen naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en vroegen Hem:</verse>
				<kanttekening verse="18" concept="sadduceeen" anker="sadduceëen">Anders dan de farizeeën waren sadduceëen belangrijke Joodse leiders die alleen in de geschreven Torah geloofden en niet in engelen of de opstanding.</kanttekening>
				<verse number="19">Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat zijn broer diens vrouw zal nemen en voor zijn broer nageslacht verwekken.</verse>
				<note verse="19">Grieks σπέρμα = zaad/nageslacht</note>
				<verse number="20">Er waren nu zeven broers, en de eerste nam een vrouw, en toen hij stierf liet hij geen nageslacht na.</verse>
				<verse number="21">En de tweede nam haar en stierf, en ook hij liet geen nageslacht na; en de derde evenzo.</verse>
				<verse number="22">En alle zeven namen haar en lieten geen nageslacht na; als laatste van allen stierf ook de vrouw.</verse>
				<verse number="23">In de opstanding dan, wanneer zij zullen opstaan, van wie van hen zal zij de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar als vrouw gehad.</verse>
				<verse number="24">En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Dwaalt u niet juist hierom, dat u de Schriften niet kent, noch de kracht van God?</verse>
				<kanttekening verse="24" concept="schriften" anker="Schriften"/>
				<verse number="25">Want wanneer zij uit de doden zullen opstaan, trouwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven; maar zij zijn als engelen die in de hemelen zijn.</verse>
				<verse number="26">Maar wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God bij de doornstruik tot hem sprak: Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob?</verse>
				<note verse="26">Grieks βάτου = doornstruik (verwijzing naar Exodus 3)</note>
				<verse number="27">Hij is niet een God van de doden, maar een God van de levenden. U dwaalt dan zeer.</verse>
				<heading verse="28">Het grootste gebod</heading>
				<verse number="28">En een van de schriftgeleerden, die gehoord had dat zij een woordenstrijd hadden, en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden?</verse>
				<note verse="28">Grieks συζητούντων = met elkaar in discussie waren</note>
				<kanttekening verse="28" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="29">En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is: Hoor, Israël! Jahweh, onze God, Jahweh is één!</verse>
				<note verse="29">Citaat Deuteronomium 6:4 — Hebreeuws יהוה (YHWH) → Jahweh</note>
				<kanttekening verse="29" concept="Jahweh" anker="Jahweh"/>
				<verse number="30">En u zult Jahweh, uw God, liefhebben met heel uw hart, en met heel uw ziel, en met heel uw verstand, en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod.</verse>
				<note verse="30">Vervolg citaat Deuteronomium 6:5 — Hebreeuws יהוה (YHWH) → Jahweh</note>
				<kanttekening verse="30" concept="Jahweh" anker="Jahweh"/>
				<kanttekening verse="30" concept="ziel" anker="ziel"/>
				<verse number="31">En het tweede, hieraan gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.</verse>
				<verse number="32">En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Goed, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat er één God is, en er is geen ander dan Hij;</verse>
				<verse number="33">en Hem lief te hebben met heel het hart, en met heel het verstand, en met heel de ziel, en met heel de kracht; en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.</verse>
				<note verse="33">Grieks ὁλοκαυτωμάτων = brandoffers; θυσιῶν = slachtoffers</note>
				<kanttekening verse="33" concept="ziel" anker="ziel"/>
				<verse number="34">En Jezus, Die zag dat hij verstandig geantwoord had, zei tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.</verse>
				<note verse="34">Grieks νουνεχῶς = verstandig/wijs</note>
				<kanttekening verse="34" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<heading verse="35">De Christus, Zoon van David</heading>
				<verse number="35">En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwees in de tempel: Hoe zeggen de schriftgeleerden dat de Christus een Zoon van David is?</verse>
				<kanttekening verse="35" concept="christus" anker="Christus"/>
				<kanttekening verse="35" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="35" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="36">Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heer heeft gezegd tegen mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten gelegd heb.</verse>
				<note verse="36">Citaat Psalm 110:1 — eerste κύριος = Jahweh (Hebreeuws יהוה, YHWH), tweede κυρίῳ μου = mijn Heer (Hebreeuws אדני, Adonai)</note>
				<kanttekening verse="36" concept="heilige-geest" anker="Heilige Geest"/>
				<verse number="37">David zelf noemt Hem dan zijn Heer; hoe is Hij dan zijn Zoon? En de grote menigte hoorde Hem graag.</verse>
				<heading verse="38">Waarschuwing tegen de schriftgeleerden</heading>
				<verse number="38">En Hij zei tegen hen in Zijn onderwijs: Pas op voor de schriftgeleerden, die graag in lange gewaden willen rondlopen en begroet willen worden op de markten;</verse>
				<note verse="38">Grieks στολαῖς = lange gewaden (niet gewone kleding)</note>
				<kanttekening verse="38" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="39">en de voornaamste zitplaatsen willen hebben in de synagogen, en de beste aanligplaatsen bij de maaltijden;</verse>
				<note verse="39">Grieks πρωτοκαθεδρίας = voornaamste zetels; πρωτοκλισίας = ereplaatsen bij het aanliggen</note>
				<verse number="40">Zij die de huizen van de weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden uitspreken. Zij zullen een zwaarder oordeel ontvangen.</verse>
				<note verse="40">Grieks κατεσθίοντες = verslinden (sterker dan "opeten")</note>
				<heading verse="41">De weduwe die alles gaf</heading>
				<verse number="41">En Jezus ging tegenover de schatkist zitten en zag hoe de menigte geld wierp in de schatkist; en veel rijken wierpen er veel in.</verse>
				<note verse="41">Grieks γαζοφυλακίου = offerkist (kist in de tempel voor gaven)</note>
				<verse number="42">En er kwam een arme weduwe, die er twee kleine munten in wierp, dat is een quadrans.</verse>
				<note verse="42">Grieks λεπτά = lepta (kleinste koperen munten); κοδράντης = quadrans (kleinste Romeinse munt, ter waarde van twee lepta)</note>
				<verse number="43">En Jezus riep Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen: Werkelijk, Ik zeg u dat deze arme weduwe er meer in geworpen heeft dan iedereen die in de schatkist geworpen heeft.</verse>
				<kanttekening verse="43" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="44">Want zij hebben allemaal van hun overvloed erin geworpen; maar zij heeft van haar gebrek alles wat zij had erin geworpen, haar hele levensonderhoud.</verse>
				<note verse="44">Grieks βίον = levensonderhoud/bestaansmiddelen</note>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<heading verse="1">De aankondiging van de verwoesting van de tempel</heading>
				<verse number="1">En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat voor stenen en wat voor gebouwen!</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<kanttekening verse="1" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="2">En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de andere gelaten worden die niet afgebroken zal worden.</verse>
				<heading verse="3">Het begin van de weeën</heading>
				<verse number="3">En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus en Jakobus en Johannes en Andreas Hem afzonderlijk:</verse>
				<note verse="3">Grieks κατ΄ ἰδίαν = afzonderlijk/onder vier ogen</note>
				<kanttekening verse="3" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="4">Vertel ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken wanneer al deze dingen volbracht zullen worden?</verse>
				<note verse="4">Grieks συντελεῖσθαι = volbracht/tot een einde gebracht worden</note>
				<verse number="5">En Jezus begon tegen hen te zeggen: Pas op dat niemand u misleidt.</verse>
				<verse number="6">Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben het; en zij zullen velen misleiden.</verse>
				<note verse="6">Grieks Ἐγώ εἰμι = "Ik ben het" (niet "Ik ben de Christus" — de SV voegt "de Christus" toe)</note>
				<verse number="7">En wanneer u zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt; want dit moet geschieden, maar het is nog niet het einde.</verse>
				<verse number="8">Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn op verschillende plaatsen, en er zullen hongersnoden zijn. Dit is het begin van de weeën.</verse>
				<note verse="8">Grieks ὠδίνων = barensweeën/geboorteweeën; "beroerten" ontbreekt in de oudste Griekse handschriften</note>
				<verse number="9">Maar let op uzelf; want zij zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in synagogen zult u geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult u gesteld worden omwille van Mij, hun tot een getuigenis.</verse>
				<verse number="10">En het Evangelie moet eerst gepredikt worden aan alle volken.</verse>
				<kanttekening verse="10" concept="evangelie" anker="Evangelie"/>
				<verse number="11">Maar wanneer zij u wegleiden om u over te leveren, wees dan van tevoren niet bezorgd over wat u spreken zult, en bedenk het niet; maar wat u in dat uur gegeven zal worden, spreek dat; want u bent het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.</verse>
				<kanttekening verse="11" concept="heilige-geest" anker="Heilige Geest"/>
				<verse number="12">En de ene broer zal de andere broer overleveren tot de dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen doden.</verse>
				<verse number="13">En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam; maar wie volharden zal tot het einde, die zal gered worden.</verse>
				<note verse="13">Grieks σωθήσεται = gered/behouden worden</note>
				<heading verse="14">De grote verdrukking</heading>
				<verse number="14">Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting zult zien — waarvan door de profeet Daniël gesproken is — staan waar het niet behoort (wie het leest, laat hij het begrijpen! ) laten dan zij die in Judea zijn vluchten naar de bergen.</verse>
				<note verse="14">Grieks βδέλυγμα τῆς ἐρημώσεως = gruwel van de verwoesting (verwijzing naar Daniël 9:27, 11:31, 12:11)</note>
				<verse number="15">En wie op het dak is, moet niet naar beneden komen en niet binnengaan om iets uit zijn huis weg te nemen.</verse>
				<verse number="16">En wie op de akker is, moet niet terugkeren om zijn mantel te nemen.</verse>
				<note verse="16">Grieks ἱμάτιον = bovenkleed/mantel</note>
				<verse number="17">Wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!</verse>
				<verse number="18">Bid dat uw vlucht niet in de winter zal zijn.</verse>
				<verse number="19">Want die dagen zullen zo'n verdrukking brengen zoals er niet geweest is vanaf het begin van de schepping die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.</verse>
				<note verse="19">Grieks κτίσεως = schepping (niet "schepselen")</note>
				<verse number="20">En als de Heer de dagen niet verkort had, zou geen vlees behouden worden; maar omwille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitgekozen, heeft Hij de dagen verkort.</verse>
				<kanttekening verse="20" concept="Uitverkiezing" anker="uitverkorenen">Uitverkorenen zijn zei die, hoewel het terecht is dat alle mensen vanwege hun zonde veroordeeld worden, door God genadig uitgekozen zijn om gered te worden door het geloof in Jezus Christus.</kanttekening>
				<verse number="21">En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of: Zie, Hij is daar; geloof het niet.</verse>
				<kanttekening verse="21" concept="christus" anker="Christus"/>
				<verse number="22">Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zij zullen tekenen en wonderen doen om te misleiden, als het mogelijk was, ook de uitverkorenen.</verse>
				<kanttekening verse="22" concept="christus" anker="christussen"/>
				<kanttekening verse="22" concept="profeet" anker="profeten"/>
				<kanttekening verse="22" concept="Uitverkiezing" anker="uitverkorenen"/>
				<verse number="23">Maar u, let op; zie, Ik heb u alles voorzegd!</verse>
				<heading verse="24">De komst van de Mensenzoon</heading>
				<verse number="24">Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven.</verse>
				<verse number="25">En de sterren zullen uit de hemel vallen, en de krachten die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.</verse>
				<verse number="26">En dan zullen zij de Mensenzoon zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.</verse>
				<kanttekening verse="26" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<verse number="27">En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier windstreken, van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel.</verse>
				<kanttekening verse="27" concept="Uitverkiezing" anker="uitverkorenen"/>
				<heading verse="28">De les van de vijgenboom</heading>
				<verse number="28">En leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer dichtbij is.</verse>
				<verse number="29">Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het dichtbij is, voor de deur.</verse>
				<verse number="30">Werkelijk, Ik zeg u dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen geschied zullen zijn.</verse>
				<verse number="31">De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.</verse>
				<heading verse="32">De oproep tot waakzaamheid</heading>
				<verse number="32">Maar van die dag en dat uur weet niemand, ook de engelen niet die in de hemel zijn, ook de Zoon niet, maar alleen de Vader.</verse>
				<verse number="33">Let op, waak en bid; want u weet niet wanneer de tijd is.</verse>
				<verse number="34">Zoals een mens die naar het buitenland reisde, zijn huis verliet en zijn knechten het gezag toevertrouwde, ieder zijn eigen werk, en de deurwachter gebood dat hij zou waken;</verse>
				<note verse="34">Grieks ἐξουσίαν = volmacht/gezag</note>
				<verse number="35">waak dan, want u weet niet wanneer de heer van het huis komen zal: 's avonds laat, of te middernacht, of bij het hanengekraai, of in de vroege morgen;</verse>
				<verse number="36">opdat hij niet onverwacht komt en u slapend vindt.</verse>
				<verse number="37">En wat Ik tegen u zeg, dat zeg Ik tegen allen: Waak!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<heading verse="1">De zalving te Bethanië</heading>
				<verse number="1">En het Pascha en het feest van de ongezuurde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem met list konden grijpen en doden.</verse>
				<note verse="1">Grieks ἄζυμα = ongezuurd (niet "ongeheveld")</note>
				<kanttekening verse="1" concept="pascha" anker="Pascha">Het Pascha was het Joodse feest wat Joden herinnerde aan de manier waarop God hen bevrijdde uit slavernij in Egypte. God oordeelde de Egyptenaren en ging de huizen van de Israelieten die gemarkeerd waren met het bloed van een lammetje voorbij. Zo was het ook een afschaduwing van de Messias die als een Lam geslacht werd zodat God iedereen die in Hem gelooft voorbij zal gaan bij het laatste oordeel.</kanttekening>
				<kanttekening verse="1" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<kanttekening verse="1" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="2">Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, opdat er geen oproer onder het volk ontstaat.</verse>
				<verse number="3">En toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, terwijl Hij aan tafel aanlag, kwam een vrouw met een albasten fles met zalf van zuivere nardus, van grote waarde; en zij brak de albasten fles en goot die uit over Zijn hoofd.</verse>
				<note verse="3">Grieks πιστικῆς νάρδου = zuivere/echte nardus; πολυτελοῦς = van grote waarde</note>
				<verse number="4">En er waren sommigen die bij zichzelf zeer verontwaardigd waren en zeiden: Waarom is deze zalf verspild?</verse>
				<note verse="4">Grieks ἀπώλεια = verspilling</note>
				<verse number="5">Want deze zalf had voor meer dan driehonderd denariën verkocht kunnen worden en aan de armen gegeven; en zij vielen tegen haar uit.</verse>
				<note verse="5">Grieks δηναρίων = denariën (Romeinse munten)</note>
				<verse number="6">Maar Jezus zei: Laat haar met rust; waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.</verse>
				<verse number="7">Want de armen hebt u altijd bij u, en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; maar Mij hebt u niet altijd.</verse>
				<verse number="8">Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd als voorbereiding op de begrafenis.</verse>
				<verse number="9">Werkelijk, Ik zeg u: overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook ter herinnering aan haar gesproken worden van wat zij gedaan heeft.</verse>
				<kanttekening verse="9" concept="evangelie" anker="Evangelie"/>
				<heading verse="10">Het verraad van Judas</heading>
				<verse number="10">En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.</verse>
				<kanttekening verse="10" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="11">En toen zij dat hoorden, waren zij verblijd en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij Hem op een geschikt moment zou overleveren.</verse>
				<note verse="11">Grieks εὐκαίρως = op een geschikt moment</note>
				<heading verse="12">De voorbereiding van het Pascha</heading>
				<verse number="12">En op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en bereiden, zodat U het Pascha kunt eten?</verse>
				<kanttekening verse="12" concept="pascha" anker="Pascha"/>
				<kanttekening verse="12" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="13">En Hij zond twee van Zijn discipelen uit en zei tegen hen: Ga de stad in, en u zal een mens ontmoeten die een kruik water draagt; volg hem;</verse>
				<kanttekening verse="13" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="14">en waar hij ook binnengaat, zeg tegen de heer van het huis: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?</verse>
				<kanttekening verse="14" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<kanttekening verse="14" concept="pascha" anker="Pascha"/>
				<verse number="15">En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, ingericht en gereed; bereid het daar voor ons.</verse>
				<note verse="15">Grieks ἀνάγαιον = bovenzaal/bovenkamer</note>
				<verse number="16">En Zijn discipelen gingen weg en kwamen in de stad, en vonden het zoals Hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha.</verse>
				<kanttekening verse="16" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<kanttekening verse="16" concept="pascha" anker="Pascha"/>
				<verse number="17">En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf.</verse>
				<verse number="18">En terwijl zij aanlagen en aten, zei Jezus: Werkelijk, Ik zeg u dat een van u die met Mij eet, Mij zal verraden.</verse>
				<verse number="19">En zij begonnen bedroefd te worden en een voor een tegen Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?</verse>
				<verse number="20">Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.</verse>
				<verse number="21">De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar wee die mens door wie de Mensenzoon verraden wordt! Het zou beter voor hem geweest zijn als die mens niet geboren was.</verse>
				<kanttekening verse="21" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<heading verse="22">De instelling van het avondmaal</heading>
				<verse number="22">En terwijl zij aten, nam Jezus brood, en nadat Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.</verse>
				<verse number="23">En Hij nam de drinkbeker, en nadat Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen; en zij dronken er allemaal uit.</verse>
				<verse number="24">En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Verbond, dat voor velen vergoten wordt.</verse>
				<note verse="24">Grieks διαθήκης = verbond (niet "testament")</note>
				<kanttekening verse="24" concept="nieuw-verbond" anker="Nieuwe Verbond">Het Nieuwe Verbond was Gods beloofde nieuwe afspraak waarop Hij met de mensen om zou gaan. Onder het Oude Verbond, de wet, was het de afspraak: "Doe dit en je zult leven." Dit kon niemand in werkelijkheid en was enkel om te laten zien dat we iets beters nodig hadden. In dat Nieuwe Verbond was de afspraak: "Terwijl jouw bloed moet vloeien vanwege je zonde, zal het bloed van Jezus Christus, die niet gezondigd had, vloeien in jouw plaats zodat jij kunt leven."</kanttekening>
				<verse number="25">Werkelijk, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok, tot op die dag wanneer Ik die opnieuw zal drinken in het Koninkrijk van God.</verse>
				<kanttekening verse="25" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<heading verse="26">De voorzegging van Petrus' verloochening</heading>
				<verse number="26">En nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg.</verse>
				<verse number="27">En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allemaal over Mij ten val komen; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.</verse>
				<note verse="27">Citaat Zacharia 13:7 — Grieks σκανδαλισθήσεσθε = ten val komen/struikelen</note>
				<verse number="28">Maar nadat Ik opgestaan zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.</verse>
				<verse number="29">En Petrus zei tegen Hem: Al zullen ze ook allemaal ten val komen, ik zeker niet.</verse>
				<verse number="30">En Jezus zei tegen hem: Werkelijk, Ik zeg u dat u heden, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij drie keer zult verloochenen.</verse>
				<verse number="31">Maar hij zei nog nadrukkelijker: Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen. En evenzo zeiden zij ook allemaal.</verse>
				<heading verse="32">Jezus in Gethsemane</heading>
				<verse number="32">En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsemane was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten, totdat Ik gebeden heb.</verse>
				<kanttekening verse="32" concept="discipelen" anker="discipelen"/>
				<verse number="33">En Hij nam Petrus en Jakobus en Johannes met Zich mee, en Hij werd hevig geschokt en door angst overvallen;</verse>
				<note verse="33">Grieks ἐκθαμβεῖσθαι = hevig geschokt/ontsteld; ἀδημονεῖν = diep angstig/radeloos</note>
				<verse number="34">en zei tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.</verse>
				<kanttekening verse="34" concept="ziel" anker="ziel"/>
				<verse number="35">En toen Hij een stukje verder was gegaan, viel Hij op de grond en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.</verse>
				<verse number="36">En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn voor U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg; maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.</verse>
				<verse number="37">En Hij kwam en vond hen slapend, en zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Kon u niet één uur waken?</verse>
				<verse number="38">Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.</verse>
				<verse number="39">En weer ging Hij weg en bad, en sprak dezelfde woorden.</verse>
				<verse number="40">En toen Hij terugkwam, vond Hij hen weer slapend, want hun ogen waren zwaar; en zij wisten niet wat zij Hem zouden antwoorden.</verse>
				<verse number="41">En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.</verse>
				<kanttekening verse="41" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<verse number="42">Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.</verse>
				<heading verse="43">De gevangenneming van Jezus</heading>
				<verse number="43">En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, een van de twaalf, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gezonden door de overpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen.</verse>
				<kanttekening verse="43" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="43" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="44">En hij die Hem verried, had hun een afgesproken teken gegeven en gezegd: Wie ik kussen zal, Die is het; grijp Hem en leid Hem beveiligt weg.</verse>
				<note verse="44">Grieks σύσσημον = afgesproken teken; ἀσφαλῶς = veilig/zeker</note>
				<verse number="45">En toen hij gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi! En hij kuste Hem.</verse>
				<verse number="46">En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.</verse>
				<verse number="47">En een van hen die daarbij stonden, trok het zwaard, sloeg de knecht van de hogepriester en sloeg hem zijn oor af.</verse>
				<verse number="48">En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u uitgegaan met zwaarden en stokken, als tegen een rover, om Mij te grijpen?</verse>
				<note verse="48">Grieks λῃστήν = rover/misdadiger (niet "moordenaar")</note>
				<verse number="49">Dagelijks was Ik bij u in de tempel en onderwees, en u hebt Mij niet gegrepen; maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld zouden worden.</verse>
				<kanttekening verse="49" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<kanttekening verse="49" concept="schriften" anker="Schriften"/>
				<verse number="50">En zij lieten Hem allemaal achter en vluchtten.</verse>
				<verse number="51">En een zekere jongeman volgde Hem, met een linnen kleed om zijn naakte lichaam geslagen, en zij grepen hem.</verse>
				<note verse="51">Grieks σινδόνα = linnen kleed/doek</note>
				<verse number="52">En hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.</verse>
				<heading verse="53">Jezus voor de Hoge Raad</heading>
				<verse number="53">En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters en de ouderlingen en de schriftgeleerden samen.</verse>
				<kanttekening verse="53" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="53" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="54">En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen op de binnenplaats van de hogepriester, en hij zat bij de raadsdienaren en warmde zich bij het vuur.</verse>
				<note verse="54">Grieks αὐλήν = binnenplaats/voorhof (niet "zaal")</note>
				<verse number="55">En de overpriesters en de hele raad zochten een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te brengen, maar vonden die niet.</verse>
				<kanttekening verse="55" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="56">Want velen getuigden vals tegen Hem, maar de getuigenissen waren niet eenstemmig.</verse>
				<verse number="57">En sommigen stonden op en getuigden vals tegen Hem en zeiden:</verse>
				<verse number="58">Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een andere, zonder handen gemaakt, bouwen.</verse>
				<kanttekening verse="58" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="59">En ook zo was hun getuigenis niet eenstemmig.</verse>
				<verse number="60">En de hogepriester stond op in het midden en vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?</verse>
				<kanttekening verse="60" concept="hogepriester" anker="hogepriester"/>
				<verse number="61">Maar Hij zweeg stil en antwoordde niets. Opnieuw vroeg de hogepriester Hem en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?</verse>
				<note verse="61">Grieks τοῦ εὐλογητοῦ = de Gezegende — Joodse eerbiedige omschrijving voor God</note>
				<kanttekening verse="61" concept="christus" anker="Christus"/>
				<kanttekening verse="61" concept="hogepriester" anker="hogepriester"/>
				<verse number="62">En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel.</verse>
				<kanttekening verse="62" concept="mensenzoon" anker="Mensenzoon"/>
				<verse number="63">En de hogepriester scheurde zijn kleren en zei: Hebben wij nog getuigen nodig?</verse>
				<kanttekening verse="63" concept="hogepriester" anker="hogepriester"/>
				<verse number="64">U hebt de godslastering gehoord; wat oordeelt u? En zij allen veroordeelden Hem en achtten Hem de dood schuldig.</verse>
				<verse number="65">En sommigen begonnen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de raadsdienaren gaven Hem slagen in het gezicht.</verse>
				<note verse="65">Grieks ῥαπίσμασιν = slagen in het gezicht</note>
				<heading verse="66">De verloochening door Petrus</heading>
				<verse number="66">En toen Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester;</verse>
				<kanttekening verse="66" concept="hogepriester" anker="hogepriester"/>
				<verse number="67">en toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: Ook u was bij Jezus de Nazarener.</verse>
				<verse number="68">Maar hij ontkende het en zei: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en de haan kraaide.</verse>
				<note verse="68">Grieks προαύλιον = voorhof/portiek</note>
				<verse number="69">En het dienstmeisje zag hem opnieuw en begon te zeggen tegen hen die daarbij stonden: Hij is een van hen.</verse>
				<verse number="70">Maar hij ontkende het opnieuw. En kort daarna zeiden zij die daarbij stonden opnieuw tegen Petrus: U bent werkelijk een van hen, want u bent ook een Galileëer.</verse>
				<verse number="71">En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet van Wie u spreekt.</verse>
				<verse number="72">En de haan kraaide voor de tweede keer; en Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus tegen hem gezegd had: Voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En hij barstte uit in tranen.</verse>
				<note verse="72">Grieks ἐπιβαλών ἔκλαιεν — de betekenis van ἐπιβαλών is omstreden; mogelijk "hij barstte uit in tranen" of "hij bedekte zijn hoofd en weende"</note>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<heading verse="1">Jezus voor Pilatus</heading>
				<verse number="1">En meteen, 's morgens vroeg, hielden de overpriesters samen raad met de ouderlingen en schriftgeleerden en de hele raad, en toen zij Jezus gebonden hadden, brachten zij Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<kanttekening verse="1" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<verse number="2">En Pilatus vroeg Hem: Bent U de Koning van de Joden? En Hij antwoordde en zei tegen hem: U zegt het.</verse>
				<verse number="3">En de overpriesters beschuldigden Hem van veel zaken, maar Hij antwoordde niets.</verse>
				<kanttekening verse="3" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="4">En Pilatus vroeg Hem weer en zei: Antwoordt U niet? Zie, hoeveel zaken zij tegen U getuigen!</verse>
				<verse number="5">En Jezus antwoordde niet meer, zodat Pilatus zich verwonderde.</verse>
				<verse number="6">En op het feest liet hij hun een gevangene los, wie zij ook maar wilden.</verse>
				<verse number="7">En er was iemand, genaamd Barabbas, gevangengezet met de opstandelingen, die in de opstand iemand hadden vermoord.</verse>
				<verse number="8">En de menigte riep uit en begon te vragen dat hij deed zoals hij hun altijd gedaan had.</verse>
				<verse number="9">En Pilatus antwoordde hun en zei: Wilt u dat ik u de Koning van de Joden loslaat?</verse>
				<verse number="10">(Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.)</verse>
				<kanttekening verse="10" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="11">Maar de overpriesters hitsten de menigte op dat hij hun liever Barabbas zou loslaten.</verse>
				<note verse="11">Grieks ἀνέσεισαν = ophitsen, opzwepen — sterker dan “bewegen”</note>
				<kanttekening verse="11" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="12">En Pilatus antwoordde en zei weer tegen hen: Wat wilt u dan dat ik zal doen met Hem Die u de Koning van de Joden noemt?</verse>
				<verse number="13">En zij riepen weer: Kruisig Hem!</verse>
				<verse number="14">Maar Pilatus zei tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? En zij riepen des te meer: Kruisig Hem!</verse>
				<verse number="15">Pilatus nu, die de menigte tevreden wilde stellen, liet hun Barabbas los en gaf Jezus over, nadat hij Hem had laten geselen, om gekruisigd te worden.</verse>
				<heading verse="16">De bespotting door de soldaten</heading>
				<verse number="16">En de soldaten leidden Hem de zaal binnen, dat is het rechthuis, en riepen de hele legerafdeling samen;</verse>
				<note verse="16">Grieks στρατιῶται = soldaten; σπεῖραν = cohort/legerafdeling</note>
				<verse number="17">En zij deden Hem een purperen mantel aan, en nadat zij een doornenkroon gevlochten hadden, zetten zij Hem die op;</verse>
				<verse number="18">En zij begonnen Hem te begroeten en zeiden: Wees gegroet, Koning van de Joden!</verse>
				<verse number="19">En zij sloegen Zijn hoofd met een rietstok en bespogen Hem, en knielden neer en aanbaden Hem.</verse>
				<verse number="20">En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de purperen mantel af en deden Hem Zijn eigen kleren aan, en leidden Hem naar buiten om Hem te kruisigen.</verse>
				<heading verse="21">De kruisiging</heading>
				<verse number="21">En zij dwongen een zekere Simon van Cyrene, die voorbijkwam van het land, de vader van Alexander en Rufus, om Zijn kruis te dragen.</verse>
				<verse number="22">En zij brachten Hem naar de plaats Golgotha, wat vertaald betekent: Schedelplaats.</verse>
				<verse number="23">En zij gaven Hem met mirre gemengde wijn te drinken, maar Hij nam die niet.</verse>
				<verse number="24">En toen zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren door het lot erover te werpen, wat ieder zou krijgen.</verse>
				<verse number="25">En het was het derde uur toen zij Hem kruisigden.</verse>
				<verse number="26">En het opschrift van Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING VAN DE JODEN.</verse>
				<verse number="27">En zij kruisigden met Hem twee rovers, een aan Zijn rechterzijde en een aan Zijn linkerzijde.</verse>
				<note verse="27">Grieks λῃστάς = rovers/misdadigers — niet “moordenaars” (φονεῖς)</note>
				<verse number="28">En de Schrift is vervuld die zegt: En Hij is onder de misdadigers gerekend.</verse>
				<kanttekening verse="28" concept="schriften" anker="Schrift"/>
				<verse number="29">En zij die voorbijgingen, lasterden Hem, terwijl zij hun hoofd schudden, en zeiden: Ha! U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,</verse>
				<kanttekening verse="29" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="30">Red Uzelf en kom af van het kruis!</verse>
				<verse number="31">En evenzo ook de overpriesters, met de schriftgeleerden, zeiden tegen elkaar, terwijl zij spotten: Hij heeft anderen gered; Zichzelf kan Hij niet redden.</verse>
				<note verse="31">Grieks ἔσωσεν / σῶσαι = redden — niet “verlossen” (λυτρόω)</note>
				<kanttekening verse="31" concept="schriftgeleerden" anker="schriftgeleerden"/>
				<kanttekening verse="31" concept="overpriesters" anker="overpriesters"/>
				<verse number="32">Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, zodat wij het zien en geloven! Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem.</verse>
				<kanttekening verse="32" concept="christus" anker="Christus"/>
				<heading verse="33">De dood van Jezus</heading>
				<verse number="33">En toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over de hele aarde, tot het negende uur.</verse>
				<verse number="34">En op het negende uur riep Jezus met een luide stem: Eloï, Eloï, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?</verse>
				<verse number="35">En sommigen van hen die daarbij stonden en dit hoorden, zeiden: Zie, Hij roept Elia.</verse>
				<verse number="36">En iemand liep erheen, vulde een spons met zure wijn, stak die op een rietstok en gaf Hem te drinken, en zei: Wacht, laten we zien of Elia komt om Hem eraf te nemen.</verse>
				<note verse="36">Grieks ὄξους = zure wijn/azijn — “edik” is verouderd</note>
				<verse number="37">En Jezus riep met een luide stem en gaf de geest.</verse>
				<verse number="38">En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden.</verse>
				<kanttekening verse="38" concept="tempel" anker="tempel"/>
				<verse number="39">En de hoofdman over honderd, die tegenover Hem stond en zag dat Hij zo de geest had gegeven, zei: Werkelijk, deze Mens was de Zoon van God!</verse>
				<verse number="40">En er waren ook vrouwen die vanuit de verte toekeken, onder wie ook Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salome;</verse>
				<verse number="41">die Hem ook, toen Hij in Galilea was, waren gevolgd en Hem hadden gediend; en vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem waren meegekomen.</verse>
				<heading verse="42">De begrafenis van Jezus</heading>
				<verse number="42">En toen het nu avond was geworden, omdat het de Voorbereiding was, dat is de dag voor de sabbat,</verse>
				<kanttekening verse="42" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<verse number="43">kwam Jozef van Arimathea, een aanzienlijk raadslid, die ook zelf het Koninkrijk van God verwachtte; en hij waagde het om naar Pilatus te gaan en vroeg om het lichaam van Jezus.</verse>
				<note verse="43">Grieks εὐσχήμων = aanzienlijk, gerespecteerd — niet “eerlijk” in hedendaagse betekenis</note>
				<kanttekening verse="43" concept="koninkrijk-van-god" anker="Koninkrijk van God"/>
				<verse number="44">En Pilatus verwonderde zich dat Hij al gestorven was, en nadat hij de hoofdman over honderd bij zich geroepen had, vroeg hij hem of Hij al lang gestorven was.</verse>
				<verse number="45">En toen hij het van de hoofdman over honderd vernomen had, schonk hij Jozef het lichaam.</verse>
				<verse number="46">En hij kocht fijn linnen, en nadat hij Hem had afgenomen, wikkelde hij Hem in het fijne linnen en legde Hem in een graf dat uit een rots was uitgehouwen; en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.</verse>
				<verse number="47">En Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses zagen waar Hij gelegd werd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<heading verse="1">De opstanding van Jezus</heading>
				<verse number="1">En toen de sabbat voorbij was, hadden Maria Magdalena en Maria de moeder van Jakobus en Salome specerijen gekocht om Hem te komen zalven.</verse>
				<kanttekening verse="1" concept="sabbat" anker="sabbat"/>
				<verse number="2">En zeer vroeg op de eerste dag van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opging.</verse>
				<verse number="3">En zij zeiden tegen elkaar: Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?</verse>
				<verse number="4">(En toen zij opkeken, zagen zij dat de steen weggerold was), want hij was zeer groot.</verse>
				<verse number="5">En toen zij het graf waren ingegaan, zagen zij een jongeman zitten aan de rechterzijde, gekleed in een wit lang gewaad, en zij werden verbaasd.</verse>
				<verse number="6">Maar hij zei tegen hen: Wees niet verbaasd. U zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruisigd is. Hij is opgestaan! Hij is hier niet; zie de plaats waar zij Hem gelegd hadden.</verse>
				<verse number="7">Maar ga heen, zeg tegen Zijn discipelen en Petrus dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.</verse>
				<verse number="8">En zij gingen haastig naar buiten en vluchtten van het graf, want beving en ontzetting had hen bevangen; en zij zeiden tegen niemand iets, want zij waren bang.</verse>
				<heading verse="9">De verschijning aan Maria Magdalena</heading>
				<verse number="9">En toen Jezus was opgestaan, 's morgens vroeg op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen had uitgedreven.</verse>
				<note verse="9">Markus 16:9-20 (het «langere slot») is in Nestle-Aland (NA28) tussen dubbele haken geplaatst — het ontbreekt in de twee oudste Griekse handschriften (Codex Sinaiticus en Vaticanus). De meeste tekstcritici beschouwen het als een latere toevoeging, hoewel het al vroeg in de overlevering voorkomt. De SV volgt hier de Textus Receptus, die het als canoniek opneemt.</note>
				<verse number="10">Zij ging heen en berichtte het aan hen die met Hem geweest waren, die treurden en weenden.</verse>
				<verse number="11">En toen zij hoorden dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet.</verse>
				<verse number="12">En daarna is Hij in een andere gedaante geopenbaard aan twee van hen, toen zij wandelden en naar het veld gingen.</verse>
				<verse number="13">Dezen gingen ook heen en berichtten het aan de anderen, maar zij geloofden ook hen niet.</verse>
				<heading verse="14">De verschijning aan de elf en de zendingsopdracht</heading>
				<verse number="14">Daarna is Hij geopenbaard aan de elf, toen zij aan tafel zaten, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen die Hem gezien hadden nadat Hij was opgestaan, niet hadden geloofd.</verse>
				<verse number="15">En Hij zei tegen hen: Ga heen in de hele wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen.</verse>
				<note verse="15">Grieks κτίσει = schepping/al het geschapene — “creaturen” is verouderd</note>
				<kanttekening verse="15" concept="evangelie" anker="Evangelie"/>
				<verse number="16">Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal gered worden; maar wie niet zal geloofd hebben, zal veroordeeld worden.</verse>
				<note verse="16">Grieks σωθήσεται = gered worden; κατακριθήσεται = veroordeeld worden</note>
				<kanttekening verse="16" concept="doop" anker="gedoopt"/>
				<verse number="17">En aan hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in nieuwe talen zullen zij spreken;</verse>
				<kanttekening verse="17" concept="demonen" anker="demonen"/>
				<verse number="18">slangen zullen zij opnemen; en als zij iets dodelijks zullen drinken, zal het hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.</verse>
				<heading verse="19">De hemelvaart</heading>
				<verse number="19">De Heer dan, nadat Hij tegen hen gesproken had, is opgenomen in de hemel en is gezeten aan de rechterhand van God.</verse>
				<verse number="20">En zij gingen uit en predikten overal, en de Heer werkte mee en bevestigde het Woord door tekenen die daarop volgden. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="42">
			<chapter number="1">
				<heading verse="1">Opdracht aan Theofilus</heading>
				<verse number="1">Aangezien velen het ter hand hebben genomen om een verhaal op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben;</verse>
				<verse number="2">Zoals zij die van het begin af aan ooggetuigen en dienaren van het Woord geweest zijn, ze ons hebben overgeleverd;</verse>
				<verse number="3">Zo heeft het ook mij goed gedacht, nadat ik alles van voren af aan zorgvuldig onderzocht heb, het vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!</verse>
				<verse number="4">Opdat u de zekerheid mag kennen van de dingen waarvan u onderwezen bent.</verse>
				<note verse="4">Grieks κατηχήθης = onderwezen bent — hier gaat het om mondelinge onderwijzing in het geloof</note>
				<heading verse="5">De aankondiging van Johannes' geboorte</heading>
				<verse number="5">In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was er een zeker priester, met de naam Zacharias, van de afdeling van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam was Elizabet.</verse>
				<ref verse="5">1 Kron 24:10</ref>
				<verse number="6">En zij waren beiden rechtvaardig voor God en wandelden in al de geboden en bepalingen van de Heer, onberispelijk.</verse>
				<note verse="6">Grieks δικαιώμασιν = bepalingen/verordeningen — "rechten" is verouderd voor deze juridische/ceremoniële voorschriften</note>
				<verse number="7">En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden ver op hun dagen gekomen waren.</verse>
				<verse number="8">En het gebeurde, toen hij het priesterambt bediende voor God, toen zijn afdeling aan de beurt was,</verse>
				<verse number="9">dat het hem naar de gewoonte van de priesterlijke dienst door het lot was toegevallen om in te gaan in de tempel van de Heer om het reukoffer te brengen.</verse>
				<verse number="10">En heel de menigte van het volk was buiten aan het bidden op het uur van het reukoffer.</verse>
				<verse number="11">En hem verscheen een engel van de Heer, staande aan de rechterkant van het reukofferaltaar.</verse>
				<verse number="12">En toen Zacharias hem zag, werd hij ontsteld, en vrees overviel hem.</verse>
				<verse number="13">Maar de engel zei tegen hem: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en u zult hem de naam Johannes geven.</verse>
				<verse number="14">En u zal blijdschap en vreugde ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.</verse>
				<verse number="15">Want hij zal groot zijn voor de Heer; geen wijn en geen sterke drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, al van de moederschoot af.</verse>
				<ref verse="15">Num 6:3; Richt 13:4</ref>
				<verse number="16">En hij zal veel van de kinderen van Israël bekeren tot de Heer, hun God.</verse>
				<verse number="17">En hij zal voor Hem uitgaan, in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaderen te bekeren tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de wijsheid van de rechtvaardigen, om voor de Heer een toegerust volk te bereiden.</verse>
				<note verse="17">Grieks φρονήσει δικαίων = wijsheid/verstandigheid van de rechtvaardigen — "voorzichtigheid" is hier misleidend in modern Nederlands</note>
				<verse number="18">En Zacharias zei tegen de engel: Waaraan zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.</verse>
				<verse number="19">En de engel antwoordde en zei tegen hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen.</verse>
				<verse number="20">En zie, u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag dat deze dingen gebeurd zullen zijn, omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd.</verse>
				<verse number="21">En het volk stond te wachten op Zacharias, en zij waren verwonderd dat hij zo lang in de tempel bleef.</verse>
				<verse number="22">En toen hij naar buiten kwam, kon hij niet tegen hen spreken; en zij begrepen dat hij een visioen in de tempel had gezien. En hij wenkte hun toe en bleef stom.</verse>
				<note verse="22">Grieks ὀπτασίαν = visioen — "gezicht" in de SV betekent hier "visioen", niet het gelaat</note>
				<verse number="23">En het gebeurde, toen de dagen van zijn dienst vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.</verse>
				<verse number="24">En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, zwanger; en zij verborg zich vijf maanden en zei:</verse>
				<verse number="25">Zo heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen waarin Hij naar mij heeft omgezien, om mijn smaad onder de mensen weg te nemen.</verse>
				<heading verse="26">De aankondiging van Jezus' geboorte</heading>
				<verse number="26">En in de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;</verse>
				<verse number="27">Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man wiens naam Jozef was, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria.</verse>
				<verse number="28">En toen de engel bij haar binnengekomen was, zei hij: Wees gegroet, begenadigde! De Heer is met u; u bent gezegend onder de vrouwen.</verse>
				<note verse="28">Grieks κεχαριτωμένη = begenadigde — voltooid deelwoord van χαριτόω, "met genade begiftigen"</note>
				<verse number="29">En toen zij hem zag, werd zij zeer ontsteld over dit woord, en zij overlegde wat deze begroeting zou betekenen.</verse>
				<verse number="30">En de engel zei tegen haar: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden.</verse>
				<verse number="31">En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven.</verse>
				<ref verse="31">Jes 7:14; Mt 1:21</ref>
				<verse number="32">Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.</verse>
				<ref verse="32">2 Sam 7:12-16; Jes 9:6-7</ref>
				<verse number="33">En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.</verse>
				<ref verse="33">Dan 7:14</ref>
				<verse number="34">En Maria zei tegen de engel: Hoe zal dat gaan, nu ik geen man heb gekend?</verse>
				<verse number="35">En de engel antwoordde en zei tegen haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden.</verse>
				<ref verse="35">Mt 1:20</ref>
				<verse number="36">En zie, Elizabet, uw familielid, is ook zelf zwanger van een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is de zesde voor haar die onvruchtbaar genoemd werd.</verse>
				<verse number="37">Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.</verse>
				<ref verse="37">Gen 18:14</ref>
				<verse number="38">En Maria zei: Zie, de dienares van de Heer; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging van haar weg.</verse>
				<heading verse="39">Maria bezoekt Elizabet</heading>
				<verse number="39">En Maria stond op in die dagen en reisde met haast naar het bergland, naar een stad van Juda;</verse>
				<verse number="40">En zij kwam in het huis van Zacharias en begroette Elizabet.</verse>
				<verse number="41">En het gebeurde, toen Elizabet de begroeting van Maria hoorde, dat het kindje opsprong in haar buik; en Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest;</verse>
				<verse number="42">En zij riep uit met luide stem en zei: Gezegend bent u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw buik!</verse>
				<verse number="43">En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?</verse>
				<verse number="44">Want zie, toen het geluid van uw begroeting in mijn oren klonk, sprong het kindje van vreugde op in mijn buik.</verse>
				<verse number="45">En gelukkig is zij die geloofd heeft, want de dingen die haar van de Heer gezegd zijn, zullen volbracht worden.</verse>
				<note verse="45">Grieks μακαρία = gelukkig/zalig — μακάριος duidt op een diep geluk, door God geschonken</note>
				<heading verse="46">De lofzang van Maria</heading>
				<verse number="46">En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heer groot;</verse>
				<ref verse="46">1 Sam 2:1-10</ref>
				<verse number="47">En mijn geest verheugt zich in God, mijn Redder;</verse>
				<note verse="47">Grieks σωτῆρί = Redder — σωτήρ (sōtēr) = hij die redt/verlost; "Zaligmaker" is verouderd</note>
				<verse number="48">Omdat Hij de nederigheid van Zijn dienares heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij gelukkig prijzen.</verse>
				<note verse="48">Grieks μακαριοῦσίν = gelukkig prijzen — van μακαρίζω, "gelukkig noemen"</note>
				<verse number="49">Want grote dingen heeft Hij Die machtig is, aan mij gedaan, en heilig is Zijn Naam.</verse>
				<verse number="50">En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen die Hem vrezen.</verse>
				<verse number="51">Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft hoogmoedigen met de gedachten van hun hart verstrooid.</verse>
				<verse number="52">Hij heeft machtigen van de tronen neergehaald, en nederigen heeft Hij verhoogd.</verse>
				<verse number="53">Hongerigen heeft Hij met goede gaven vervuld, en rijken heeft Hij leeg weggezonden.</verse>
				<verse number="54">Hij heeft Israël, Zijn knecht, aangenomen, door aan Zijn barmhartigheid te denken,</verse>
				<verse number="55">Zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="56">En Maria bleef bij haar ongeveer drie maanden en keerde terug naar haar huis.</verse>
				<heading verse="57">De geboorte van Johannes</heading>
				<verse number="57">En de tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zou, en zij baarde een zoon.</verse>
				<verse number="58">En de omwonenden en haar familieleden hoorden dat de Heer Zijn barmhartigheid aan haar had grootgemaakt, en zij waren met haar verblijd.</verse>
				<note verse="58">Grieks συγγενεῖς = verwanten/familieleden — "magen" is verouderd voor bloedverwanten</note>
				<verse number="59">En het gebeurde op de achtste dag dat zij kwamen om het kindje te besnijden, en zij noemden het Zacharias, naar de naam van zijn vader.</verse>
				<verse number="60">En zijn moeder antwoordde en zei: Nee, maar hij zal Johannes heten.</verse>
				<verse number="61">En zij zeiden tegen haar: Er is niemand in uw familie die met die naam genoemd wordt.</verse>
				<note verse="61">Grieks συγγενείας = verwantschap — "maagschap" is verouderd voor familiekring</note>
				<verse number="62">En zij wenkten zijn vader hoe hij wilde dat hij genoemd zou worden.</verse>
				<verse number="63">En toen hij een schrijftafeltje gevraagd had, schreef hij: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.</verse>
				<verse number="64">En meteen werd zijn mond geopend en zijn tong losgemaakt; en hij sprak en loofde God.</verse>
				<verse number="65">En er kwam vrees over allen die rondom hen woonden; en in heel het bergland van Judea werd veel gesproken over al deze dingen.</verse>
				<verse number="66">En allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: Wat zal toch dit kindje worden? En de hand van de Heer was met hem.</verse>
				<heading verse="67">De lofzang van Zacharias</heading>
				<verse number="67">En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde en zei:</verse>
				<verse number="68">Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en het verlossing gebracht;</verse>
				<note verse="68">Grieks λύτρωσιν = verlossing — van λυτρόω (lutroō) = loskopen, bevrijden; behouden als "verlossing"</note>
				<verse number="69">En heeft een hoorn van redding voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht;</verse>
				<note verse="69">Grieks κέρας σωτηρίας = hoorn van redding — σωτηρία (sōtēria) = redding, behoud; "zaligheid" is verouderd</note>
				<verse number="70">Zoals Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die er van oudsher geweest zijn;</verse>
				<verse number="71">Namelijk redding van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten;</verse>
				<note verse="71">Grieks σωτηρίαν = redding — hier is σωτηρία de verlossing/redding uit de hand van vijanden</note>
				<verse number="72">Om barmhartigheid te doen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond;</verse>
				<verse number="73">En aan de eed die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven</verse>
				<verse number="74">Dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees,</verse>
				<verse number="75">In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven.</verse>
				<verse number="76">En u, kindje, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden; want u zult voor het aangezicht van de Heer uitgaan om Zijn wegen te bereiden,</verse>
				<ref verse="76">Jes 40:3; Mal 3:1</ref>
				<verse number="77">Om Zijn volk kennis van redding te geven, in de vergeving van hun zonden,</verse>
				<note verse="77">Grieks γνῶσιν σωτηρίας = kennis van redding — σωτηρία (sōtēria) = redding</note>
				<verse number="78">Door de diepe bewogenheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons heeft omgezien,</verse>
				<note verse="78">Grieks σπλάγχνα ἐλέους = diep innerlijk medelijden/ontferming — σπλάγχνα verwijst letterlijk naar de ingewanden als zetel van diepe emotie; ἀνατολή = Opgang, de Messias als het opgaande licht</note>
				<verse number="79">Om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, om onze voeten te richten op de weg van de vrede.</verse>
				<ref verse="79">Jes 9:1; Jes 42:7</ref>
				<verse number="80">En het kindje groeide op en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen tot de dag van zijn verschijnen voor Israël.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<heading verse="1">De geboorte van Jezus</heading>
				<verse number="1">En het gebeurde in die dagen dat er een bevel uitging van keizer Augustus dat heel de wereld ingeschreven zou worden.</verse>
				<note verse="1">Grieks ἀπογράφεσθαι = ingeschreven worden — het gaat om een volkstelling/registratie, niet een literaire beschrijving</note>
				<verse number="2">Deze eerste inschrijving vond plaats toen Cyrenius stadhouder over Syrië was.</verse>
				<verse number="3">En zij gingen allen op weg om ingeschreven te worden, ieder naar zijn eigen stad.</verse>
				<verse number="4">En ook Jozef ging op vanuit Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem genoemd wordt (omdat hij uit het huis en geslacht van David was),</verse>
				<ref verse="4">Mi 5:1</ref>
				<verse number="5">Om ingeschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was.</verse>
				<verse number="6">En het gebeurde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou.</verse>
				<verse number="7">En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wikkelde Hem in doeken, en legde Hem neer in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.</verse>
				<heading verse="8">De herders en de engelen</heading>
				<verse number="8">En er waren herders in diezelfde landstreek, die zich in het veld ophielden en de nachtwacht hielden over hun kudde.</verse>
				<verse number="9">En zie, een engel van de Heer stond bij hen, en de heerlijkheid van de Heer omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees.</verse>
				<verse number="10">En de engel zei tegen hen: Vrees niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk zijn zal;</verse>
				<verse number="11">Namelijk dat heden voor u geboren is de Redder, Die Christus, de Heer, is, in de stad van David.</verse>
				<note verse="11">Grieks σωτὴρ = Redder — σωτήρ (sōtēr) = hij die redt; "Zaligmaker" is verouderd</note>
				<verse number="12">En dit zal voor u het teken zijn: u zult het Kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in de kribbe.</verse>
				<verse number="13">En plotseling was er met de engel een menigte van de hemelse legermacht, die God prees en zei:</verse>
				<note verse="13">Grieks στρατιᾶς οὐρανίου = hemelse legermacht — "heirleger" is verouderd; het gaat om een engelenleger</note>
				<verse number="14">Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, onder de mensen die Hij goedgezind is.</verse>
				<verse number="15">En het gebeurde, toen de engelen van hen weggegaan waren naar de hemel, dat de herders tegen elkaar zeiden: Laten wij dan naar Bethlehem gaan en dit woord zien dat er gebeurd is, dat de Heer ons heeft verkondigd.</verse>
				<verse number="16">En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindje liggend in de kribbe.</verse>
				<verse number="17">En toen zij Het gezien hadden, maakten zij overal bekend het woord dat hun over dit Kindje gezegd was.</verse>
				<verse number="18">En allen die het hoorden, verwonderden zich over wat hun door de herders gezegd werd.</verse>
				<verse number="19">Maar Maria bewaarde al deze woorden en overwoog ze in haar hart.</verse>
				<verse number="20">En de herders keerden terug en verheerlijkten en prezen God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tegen hen gesproken was.</verse>
				<heading verse="21">Jezus in de tempel voorgesteld</heading>
				<verse number="21">En toen acht dagen vervuld waren, zodat men het Kindje besnijden zou, werd Zijn naam Jezus genoemd, zoals Hij door de engel genoemd was voordat Hij in de moederschoot ontvangen was.</verse>
				<ref verse="21">Gen 17:12; Lev 12:3; Lk 1:31</ref>
				<verse number="22">En toen de dagen van haar reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen,</verse>
				<ref verse="22">Lev 12:2-8</ref>
				<verse number="23">Zoals geschreven is in de wet van de Heer: Al wat mannelijk is dat de moederschoot opent, zal voor de Heer heilig genoemd worden;</verse>
				<ref verse="23">Ex 13:2,12</ref>
				<verse number="24">En om een offer te geven naar wat in de wet van de Heer gezegd is: een paar tortelduiven of twee jonge duiven.</verse>
				<note verse="24">Grieks θυσίαν = offer — "offerande" is verouderd</note>
				<heading verse="25">Simeon en Anna</heading>
				<verse number="25">En zie, er was een mens in Jeruzalem, wiens naam Simeon was; en deze mens was rechtvaardig en godvrezend, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de Heilige Geest was op hem.</verse>
				<verse number="26">En hem was door de Heilige Geest een Goddelijke openbaring gedaan dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Christus van de Heer zou zien.</verse>
				<verse number="27">En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het Kind Jezus binnenbrachten om naar de gewoonte van de wet met Hem te doen,</verse>
				<verse number="28">Nam hij Het in zijn armen, loofde God en zei:</verse>
				<verse number="29">Nu laat U, Heer, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord;</verse>
				<verse number="30">Want mijn ogen hebben Uw redding gezien,</verse>
				<note verse="30">Grieks σωτήριόν = redding/heil — "zaligheid" hier is σωτήριον, het reddende werk van God</note>
				<verse number="31">Die U bereid hebt voor het aangezicht van alle volken:</verse>
				<ref verse="31">Jes 52:10</ref>
				<verse number="32">Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.</verse>
				<ref verse="32">Jes 42:6; Jes 49:6</ref>
				<verse number="33">En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over wat van Hem gezegd werd.</verse>
				<verse number="34">En Simeon zegende hen en zei tegen Maria, Zijn moeder: Zie, Deze is bestemd tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken dat weersproken zal worden;</verse>
				<ref verse="34">Jes 8:14-15</ref>
				<verse number="35">En ook door uw eigen ziel zal een zwaard gaan, opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.</verse>
				<ref verse="35">Joh 19:25</ref>
				<verse number="36">En er was Anna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; zij was op zeer hoge leeftijd gekomen en had na haar maagdelijke staat zeven jaar met haar man geleefd.</verse>
				<verse number="37">En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet week uit de tempel en God diende met vasten en bidden, nacht en dag.</verse>
				<verse number="38">En zij kwam op datzelfde moment daarbij, beleed evenzo de Heer, en sprak over Hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.</verse>
				<note verse="38">Grieks λύτρωσιν = verlossing — van λυτρόω (lutroō) = loskopen, bevrijden; behouden als "verlossing"</note>
				<heading verse="39">De twaalfjarige Jezus in de tempel</heading>
				<verse number="39">En toen zij alles volbracht hadden wat naar de wet van de Heer te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.</verse>
				<verse number="40">En het Kind groeide op en werd gesterkt in de geest, en vervuld met wijsheid; en de genade van God was over Hem.</verse>
				<verse number="41">En Zijn ouders reisden elk jaar naar Jeruzalem, op het feest van het Pascha.</verse>
				<verse number="42">En toen Hij twaalf jaar oud geworden was en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van het feest,</verse>
				<verse number="43">En toen zij de dagen daar volbracht hadden en terugkeerden, bleef het Kind Jezus in Jeruzalem achter, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.</verse>
				<verse number="44">Maar in de veronderstelling dat Hij bij het reisgezelschap was, gingen zij een dagreis ver en zochten Hem onder de familieleden en onder de bekenden.</verse>
				<verse number="45">En toen zij Hem niet vonden, keerden zij terug naar Jeruzalem om Hem te zoeken.</verse>
				<verse number="46">En het gebeurde na drie dagen dat zij Hem vonden in de tempel, zittend te midden van de leraars, terwijl Hij naar hen luisterde en hen ondervroeg.</verse>
				<verse number="47">En allen die Hem hoorden, stonden versteld over Zijn verstand en Zijn antwoorden.</verse>
				<verse number="48">En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld; en Zijn moeder zei tegen Hem: Kind, waarom hebt U ons dit aangedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.</verse>
				<verse number="49">En Hij zei tegen hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik bezig moet zijn met de dingen van Mijn Vader?</verse>
				<verse number="50">En zij begrepen het woord niet dat Hij tegen hen sprak.</verse>
				<verse number="51">En Hij ging met hen mee en kwam in Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.</verse>
				<verse number="52">En Jezus nam toe in wijsheid en in gestalte, en in genade bij God en de mensen.</verse>
				<note verse="52">Grieks ἡλικίᾳ = gestalte/leeftijd — kan zowel lichamelijke groei als leeftijd betekenen</note>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<parallel verses="1-20">Mt 3:1-12; Mk 1:1-8</parallel>
				<parallel verses="21-22">Mt 3:13-17; Mk 1:9-11</parallel>
				<parallel verses="23-38">Mt 1:1-17</parallel>
				<heading verse="1">De prediking van Johannes de Doper</heading>
				<verse number="1">En in het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broeder, viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene,</verse>
				<verse number="2">Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, kwam het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.</verse>
				<verse number="3">En hij kwam in heel het omliggende land van de Jordaan en predikte de doop van bekering tot vergeving van zonden,</verse>
				<verse number="4">Zoals geschreven is in het boek van de woorden van de profeet Jesaja: De stem van een roepende in de woestijn: Bereid de weg van de Heer, maak Zijn paden recht!</verse>
				<ref verse="4">Jes 40:3-5</ref>
				<verse number="5">Elk dal zal gevuld worden, en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en de kromme wegen zullen recht worden, en de oneffen wegen effen.</verse>
				<verse number="6">En alle vlees zal de redding van God zien.</verse>
				<note verse="6">Grieks σωτήριον τοῦ θεοῦ = de redding van God — σωτήριον is het reddende werk van God; "zaligheid" is verouderd</note>
				<verse number="7">Hij zei dan tegen de menigten die uitkwamen om door hem gedoopt te worden: Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?</verse>
				<note verse="7">Grieks γεννήματα ἐχιδνῶν = broedsel van adders — een scherpe aanklacht tegen schijnheiligheid</note>
				<verse number="8">Breng dan vruchten voort die de bekering waardig zijn, en begin niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.</verse>
				<ref verse="8">Joh 8:33,39</ref>
				<verse number="9">En de bijl ligt ook al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.</verse>
				<ref verse="9">Mt 7:19</ref>
				<verse number="10">En de menigten vroegen hem: Wat zullen wij dan doen?</verse>
				<verse number="11">En hij antwoordde en zei tegen hen: Wie twee onderkleren heeft, dele mee aan hem die er geen heeft; en wie voedsel heeft, doe evenzo.</verse>
				<verse number="12">En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zij zeiden tegen hem: Meester, wat moeten wij doen?</verse>
				<verse number="13">En hij zei tegen hen: Eis niet meer dan wat u opgelegd is.</verse>
				<verse number="14">En ook de soldaten vroegen hem: En wij, wat moeten wij doen? En hij zei tegen hen: Doe niemand geweld aan, en pers niemand af met valse beschuldigingen, en wees tevreden met uw soldij.</verse>
				<note verse="14">Grieks ὀψωνίοις = soldij/bezoldiging — de soldaten moesten tevreden zijn met hun loon en niet plunderen</note>
				<heading verse="15">De aankondiging van de Messias</heading>
				<verse number="15">En toen het volk in verwachting was en allen in hun hart overlegden over Johannes, of hij misschien de Christus zou zijn,</verse>
				<verse number="16">Antwoordde Johannes aan allen en zei: Ik doop u wel met water, maar Hij komt Die sterker is dan ik, van Wie ik niet waardig ben de riem van Zijn sandalen los te maken; Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.</verse>
				<verse number="17">Zijn wan is in Zijn hand, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en de tarwe in Zijn schuur samenbrengen, maar het kaf zal Hij met onuitblusbaar vuur verbranden.</verse>
				<note verse="17">Grieks πτύον = wan/werpschop — werktuig om graan van kaf te scheiden door het in de lucht te werpen</note>
				<verse number="18">Hij dan wees hen ook met nog vele andere woorden terecht en verkondigde het volk het Evangelie.</verse>
				<note verse="18">Grieks παρακαλῶν = vermanend/bemoedigend — παρακαλέω kan zowel vermanen als bemoedigen betekenen</note>
				<heading verse="19">Johannes gevangengenomen</heading>
				<verse number="19">Maar toen Herodes, de viervorst, door hem bestraft werd vanwege Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus, en vanwege alle slechte dingen die Herodes deed,</verse>
				<verse number="20">Heeft hij ook dit nog boven alles daaraan toegevoegd, dat hij Johannes in de gevangenis opgesloten heeft.</verse>
				<heading verse="21">De doop van Jezus</heading>
				<verse number="21">En het gebeurde, toen al het volk gedoopt werd en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd;</verse>
				<verse number="22">En dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante, als een duif; en dat er een stem klonk uit de hemel: U bent Mijn geliefde Zoon, U ben ik goedgezind!</verse>
				<ref verse="22">Ps 2:7; Jes 42:1</ref>
				<heading verse="23">Het geslachtsregister van Jezus</heading>
				<verse number="23">En Hij, Jezus, was ongeveer dertig jaar toen Hij begon, en was (naar men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli,</verse>
				<verse number="24">De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef,</verse>
				<verse number="25">De zoon van Mattathias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Esli, de zoon van Naggai,</verse>
				<verse number="26">De zoon van Maath, de zoon van Mattathias, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda,</verse>
				<verse number="27">De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri,</verse>
				<verse number="28">De zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodam, de zoon van Er,</verse>
				<verse number="29">De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi,</verse>
				<verse number="30">De zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim,</verse>
				<verse number="31">De zoon van Meleas, de zoon van Maïnan, de zoon van Mattatha, de zoon van Nathan, de zoon van David,</verse>
				<verse number="32">De zoon van Jesse, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahasson,</verse>
				<verse number="33">De zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Fares, de zoon van Juda,</verse>
				<verse number="34">De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Thara, de zoon van Nachor,</verse>
				<verse number="35">De zoon van Saruch, de zoon van Ragau, de zoon van Falek, de zoon van Heber, de zoon van Sala,</verse>
				<verse number="36">De zoon van Kaïnan, de zoon van Arfaxad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech,</verse>
				<verse number="37">De zoon van Methusalach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalaleël, de zoon van Kaïnan,</verse>
				<verse number="38">De zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<parallel verses="1-13">Mt 4:1-11; Mk 1:12-13</parallel>
				<parallel verses="16-30">Mt 13:53-58; Mk 6:1-6</parallel>
				<parallel verses="31-37">Mk 1:21-28</parallel>
				<parallel verses="38-39">Mt 8:14-15; Mk 1:29-31</parallel>
				<parallel verses="40-41">Mt 8:16-17; Mk 1:32-34</parallel>
				<parallel verses="42-44">Mk 1:35-39</parallel>
				<heading verse="1">De verzoeking in de woestijn</heading>
				<verse number="1">En Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan, en werd door de Geest geleid in de woestijn;</verse>
				<verse number="2">En Hij werd veertig dagen verzocht door de duivel, en Hij at helemaal niets in die dagen, en toen deze geëindigd waren, kreeg Hij uiteindelijk honger.</verse>
				<verse number="3">En de duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg tegen deze steen dat hij brood wordt.</verse>
				<verse number="4">En Jezus antwoordde hem en zei: Er is geschreven dat de mens van brood alleen niet zal leven, maar bij elk woord van God.</verse>
				<ref verse="4">Deut 8:3</ref>
				<verse number="5">En toen de duivel Hem geleid had op een hoge berg, toonde hij Hem al de koninkrijken van de wereld, in een ogenblik.</verse>
				<verse number="6">En de duivel zei tegen Hem: Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven, want zij is mij overgegeven, en ik geef ze aan wie ik ook wil.</verse>
				<note verse="6">Grieks ἐξουσίαν = macht/autoriteit — de duivel claimt gezag over de koninkrijken; παραδέδοται = het is mij overgeleverd</note>
				<verse number="7">Als U dan mij zult aanbidden, zal het alles van U zijn.</verse>
				<verse number="8">En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: U zult de Heer, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.</verse>
				<ref verse="8">Deut 6:13</ref>
				<verse number="9">En hij leidde Hem naar Jeruzalem en stelde Hem op het hoogste punt van de tempel, en zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf van hier naar beneden.</verse>
				<note verse="9">Grieks πτερύγιον τοῦ ἱεροῦ = de punt/vleugel van de tempel — het hoogste punt van de tempelmuur</note>
				<verse number="10">Want er is geschreven dat Hij Zijn engelen over U bevel zal geven dat zij U bewaren zullen;</verse>
				<ref verse="10">Ps 91:11-12</ref>
				<verse number="11">En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat U Uw voet nooit aan een steen stoot.</verse>
				<verse number="12">En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Er is gezegd: U zult de Heer, uw God, niet verzoeken.</verse>
				<ref verse="12">Deut 6:16</ref>
				<verse number="13">En toen de duivel alle verzoeking volbracht had, week hij van Hem voor een tijd.</verse>
				<heading verse="14">Jezus in Nazareth verworpen</heading>
				<verse number="14">En Jezus keerde terug, door de kracht van de Geest, naar Galilea; en het gerucht over Hem ging uit door het hele omliggende land.</verse>
				<verse number="15">En Hij onderwees in hun synagogen en werd door allen geprezen.</verse>
				<verse number="16">En Hij kwam in Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de sabbatdag in de synagoge, en stond op om te lezen.</verse>
				<verse number="17">En Hem werd het boek van de profeet Jesaja gegeven; en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats waar geschreven was:</verse>
				<verse number="18">De Geest van de Heer is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om aan de armen het Evangelie te verkondigen, om hen te genezen die gebroken zijn van hart,</verse>
				<ref verse="18">Jes 61:1-2</ref>
				<verse number="19">Om aan de gevangenen loslating te prediken, en aan de blinden het zicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid, om te prediken het gewenste jaar van de Heer.</verse>
				<verse number="20">En toen Hij het boek dichtgedaan en aan de dienaar teruggegeven had, ging Hij zitten; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht.</verse>
				<note verse="20">Grieks ὑπηρέτῃ = dienaar/bediende — de synagogedienaar (chazan) die de boekrollen bewaarde</note>
				<verse number="21">En Hij begon tegen hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.</verse>
				<verse number="22">En zij gaven Hem allen getuigenis en verwonderden zich over de aangename woorden die uit Zijn mond voortkwamen, en zeiden: Is deze niet de zoon van Jozef?</verse>
				<note verse="22">Grieks λόγοις τῆς χάριτος = woorden van genade — de SV vertaalt dit als "aangename woorden"</note>
				<verse number="23">En Hij zei tegen hen: U zult zonder twijfel tegen Mij dit spreekwoord zeggen: Dokter, genees uzelf! Alles wat wij gehoord hebben dat in Kapernaüm gebeurd is, doe dat ook hier in Uw vaderland.</verse>
				<note verse="23">Grieks ἰατρέ = arts/dokter — "Medicijnmeester" is verouderd Nederlands voor dokter</note>
				<verse number="24">En Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u dat geen profeet gewenst is in zijn vaderland.</verse>
				<verse number="25">Maar Ik zeg u naar waarheid: Er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over het hele land.</verse>
				<ref verse="25">1 Kon 17:1,9</ref>
				<verse number="26">En tot geen van hen werd Elia gezonden, dan naar Sarepta in Sidon, tot een vrouw die weduwe was.</verse>
				<verse number="27">En er waren veel melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd dan Naäman, de Syriër.</verse>
				<ref verse="27">2 Kon 5:1-14</ref>
				<verse number="28">En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld toen zij dit hoorden.</verse>
				<verse number="29">En zij stonden op en wierpen Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op de top van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.</verse>
				<verse number="30">Maar Hij ging door het midden van hen heen en ging weg.</verse>
				<heading verse="31">Een onreine geest uitgedreven</heading>
				<verse number="31">En Hij ging naar Kapernaüm, een stad in Galilea, en onderwees hen op de sabbatdagen.</verse>
				<verse number="32">En zij stonden versteld over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.</verse>
				<note verse="32">Grieks ἐξεπλήσσοντο = stonden versteld/waren zeer verbaasd — "versloegen zich" is verouderd</note>
				<verse number="33">En in de synagoge was een mens die een geest van een onreine demon had, en hij riep uit met luide stem,</verse>
				<note verse="33">Grieks δαιμονίου ἀκαθάρτου = onreine demon — δαιμόνιον (demon) is niet hetzelfde als διάβολος (duivel)</note>
				<verse number="34">en zei: Laat ons, wat hebben wij met U te maken, Jezus van Nazareth? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige van God.</verse>
				<verse number="35">En Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg stil en ga van hem uit. En de demon wierp hem in het midden neer en voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen.</verse>
				<verse number="36">En er kwam verbazing over allen; en zij spraken tegen elkaar en zeiden: Wat voor woord is dit, dat Hij met macht en kracht de onreine geesten gebiedt en zij uitvaren?</verse>
				<verse number="37">En het gerucht over Hem ging uit in alle plaatsen van het omliggende land.</verse>
				<heading verse="38">De schoonmoeder van Petrus genezen</heading>
				<verse number="38">En Jezus stond op uit de synagoge en ging in het huis van Simon; en de schoonmoeder van Simon was met een hoge koorts bevangen, en zij vroegen Hem om hulp voor haar.</verse>
				<note verse="38">Grieks πενθερά = schoonmoeder; πυρετῷ μεγάλῳ = hoge koorts (letterlijk: grote koorts)</note>
				<verse number="39">En Hij stond over haar heen en bestrafte de koorts, en de koorts verliet haar; en zij stond onmiddellijk op en diende hen.</verse>
				<heading verse="40">Velen genezen bij zonsondergang</heading>
				<verse number="40">En toen de zon onderging, brachten allen die zieken hadden, met verschillende ziekten bevangen, hen tot Hem, en Hij legde ieder van hen de handen op en genas hen.</verse>
				<verse number="41">En er voeren ook demonen uit van velen, die riepen en zeiden: U bent de Christus, de Zoon van God! En Hij bestrafte hen en liet hen niet spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was.</verse>
				<heading verse="42">Jezus predikt in Galilea</heading>
				<verse number="42">En toen het dag werd, ging Hij naar buiten en trok naar een eenzame plaats; en de menigten zochten Hem en kwamen bij Hem, en hielden Hem tegen, opdat Hij niet van hen zou weggaan.</verse>
				<note verse="42">Grieks ἔρημον τόπον = eenzame/verlaten plaats — niet "woest" in de zin van onherbergzaam, maar een stille plek</note>
				<verse number="43">Maar Hij zei tegen hen: Ik moet ook aan andere steden het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen, want daartoe ben Ik uitgezonden.</verse>
				<verse number="44">En Hij predikte in de synagogen van Galilea.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<parallel verses="1-11">Mt 4:18-22; Mk 1:16-20; Joh 21:1-11</parallel>
				<parallel verses="12-16">Mt 8:2-4; Mk 1:40-45</parallel>
				<parallel verses="17-26">Mt 9:2-8; Mk 2:1-12</parallel>
				<parallel verses="27-32">Mt 9:9-13; Mk 2:14-17</parallel>
				<parallel verses="33-39">Mt 9:14-17; Mk 2:18-22</parallel>
				<heading verse="1">De wonderbare visvangst</heading>
				<verse number="1">En het gebeurde, toen de menigte op Hem aandrong om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.</verse>
				<verse number="2">En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggen, en de vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten.</verse>
				<verse number="3">En Hij ging in een van die schepen, dat van Simon was, en vroeg hem wat van het land af te steken; en toen Hij was gaan zitten, onderwees Hij de menigte vanuit het schip.</verse>
				<note verse="3">Grieks εδιδασκεν (edidasken) = onderwees — bij religieus onderwijzen: onderwijs i.p.v. leer</note>
				<verse number="4">En toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.</verse>
				<verse number="5">En Simon antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wij hebben de hele nacht gewerkt en niets gevangen; maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.</verse>
				<note verse="5">Grieks επιστατα (epistata) = Meester — Lukas gebruikt dit woord i.p.v. ραββι (rabbi)</note>
				<ref verse="5">Joh 21:3</ref>
				<verse number="6">En toen zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.</verse>
				<ref verse="6">Joh 21:6</ref>
				<verse number="7">En zij wenkten hun metgezellen die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen en vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken.</verse>
				<verse number="8">En toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer aan de knieën van Jezus en zei: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.</verse>
				<ref verse="8">Jes 6:5</ref>
				<verse number="9">Want verbijstering had hem bevangen, en allen die met hem waren, over de vangst van de vissen die zij gevangen hadden;</verse>
				<note verse="9">Grieks θαμβος (thambos) = verbijstering, diepe verbazing — sterker dan gewone verbazing</note>
				<verse number="10">En evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Vrees niet, van nu aan zult u mensen vangen.</verse>
				<note verse="10">Grieks ζωγρων (zοgrοn) = levend vangen — oorspronkelijk een militaire term; hier figuurlijk: mensen “vangen” voor het Koninkrijk</note>
				<ref verse="10">Mt 4:19; Mk 1:17</ref>
				<verse number="11">En toen zij de schepen aan land gebracht hadden, verlieten zij alles en volgden Hem.</verse>
				<ref verse="11">Mt 19:27; Mk 10:28</ref>
				<heading verse="12">Een melaatse gereinigd</heading>
				<verse number="12">En het gebeurde, toen Hij in een van die steden was, zie, er was een man vol melaatsheid; en toen hij Jezus zag, viel hij op zijn aangezicht en smeekte Hem en zei: Heer, als U wilt, U kunt mij reinigen.</verse>
				<verse number="13">En Hij strekte de hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd! En meteen ging de melaatsheid van hem.</verse>
				<verse number="14">En Hij gebood hem dat hij het niemand zou zeggen; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelf aan de priester, en offer voor uw reiniging, zoals Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.</verse>
				<ref verse="14">Lev 14:1-32</ref>
				<verse number="15">Maar het gerucht over Hem verspreidde zich des te meer; en vele menigten kwamen samen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.</verse>
				<ref verse="15">Mk 1:45</ref>
				<verse number="16">Maar Hij trok Zich terug in de woestijnen en bad daar.</verse>
				<ref verse="16">Mk 1:35</ref>
				<heading verse="17">De genezing van de verlamde</heading>
				<verse number="17">En het gebeurde op een van die dagen dat Hij onderwees, en er zaten farizeëen en wetgeleerden die uit alle dorpen van Galilea, Judea en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht van de Heer was er om hen te genezen.</verse>
				<note verse="17">Grieks νομοδιδασκαλοι (nomodidaskaloi) = wetgeleerden, leraren van de wet — komt alleen hier en in Hand 5:34 en 1 Tim 1:7 voor</note>
				<verse number="18">En zie, enige mannen brachten op een bed een mens die verlamd was, en zij probeerden hem binnen te brengen en voor Hem neer te leggen.</verse>
				<verse number="19">En omdat zij vanwege de menigte niet konden vinden waardoor zij hem naar binnen konden brengen, klommen zij op het dak en lieten hem door de dakpannen naar beneden met het draagbed, in het midden, voor Jezus.</verse>
				<note verse="19">Grieks κεραμων (keramοn) = dakpannen — verschilt van Mk 2:4 waar het dak opengebroken wordt; Lukas beschrijft een Grieks-Romeins dak met pannen</note>
				<verse number="20">En toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.</verse>
				<ref verse="20">Jes 43:25</ref>
				<verse number="21">En de schriftgeleerden en de farizeëen begonnen te overleggen en zeiden: Wie is Deze, Die godslastering spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen?</verse>
				<verse number="22">Maar Jezus, Die hun overwegingen kende, antwoordde en zei tegen hen: Wat overdenkt u in uw harten?</verse>
				<verse number="23">Wat is makkelijker te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?</verse>
				<verse number="24">Maar opdat u mag weten dat de Mensenzoon macht heeft op de aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw draagbed op en ga naar uw huis.</verse>
				<ref verse="24">Dan 7:13-14</ref>
				<verse number="25">En hij stond meteen voor hen op, nam op waarop hij gelegen had, en ging naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte.</verse>
				<verse number="26">En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God en werden vervuld met ontzag en zeiden: Wij hebben vandaag buitengewone dingen gezien.</verse>
				<note verse="26">Grieks παραδοξα (paradoxa) = paradoxale, ongelooflijke dingen — oorsprong van het woord “paradox”</note>
				<ref verse="26">Lk 7:16</ref>
				<heading verse="27">De roeping van Levi</heading>
				<verse number="27">En hierna ging Hij naar buiten en zag een tollenaar, genaamd Levi, zitten in het tolhuis, en zei tegen hem: Volg Mij.</verse>
				<verse number="28">En hij verliet alles, stond op en volgde Hem.</verse>
				<verse number="29">En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan in zijn huis; en er was een grote menigte van tollenaars en van anderen die met hen aanzaten.</verse>
				<ref verse="29">Lk 15:1-2</ref>
				<verse number="30">En hun schriftgeleerden en de farizeëen klaagden tegen Zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?</verse>
				<verse number="31">En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar wie ziek zijn.</verse>
				<verse number="32">Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering.</verse>
				<ref verse="32">1 Tim 1:15</ref>
				<heading verse="33">De vraag over het vasten</heading>
				<verse number="33">En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes vaak en doen zij gebeden, evenzo ook de discipelen van de farizeëen, maar de Uwe eten en drinken?</verse>
				<verse number="34">Maar Hij zei tegen hen: Kunt u de bruiloftsgasten, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?</verse>
				<note verse="34">Grieks υιους του νυμφωνος (huious tou numphοnos) = bruiloftsgasten (letterlijk: zonen van de bruidskamer)</note>
				<ref verse="34">Joh 3:29</ref>
				<verse number="35">Maar de dagen zullen komen wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn; dan zullen zij vasten in die dagen.</verse>
				<verse number="36">En Hij zei ook een gelijkenis tegen hen: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook het nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.</verse>
				<verse number="37">En niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zal de nieuwe wijn de leren zakken doen barsten, en de wijn zal uitgestort worden en de leren zakken zullen verloren gaan.</verse>
				<verse number="38">Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe leren zakken doen, en zij worden beide samen behouden.</verse>
				<verse number="39">En niemand die oude wijn drinkt, wil meteen nieuwe; want hij zegt: De oude is beter.</verse>
				<note verse="39">Dit vers is uniek voor Lukas — een waarschuwing dat het oude comfortabel voelt, maar het nieuwe (het evangelie) de voorkeur verdient</note>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<parallel verses="1-5">Mt 12:1-8; Mk 2:23-28</parallel>
				<parallel verses="6-11">Mt 12:9-14; Mk 3:1-6</parallel>
				<parallel verses="12-16">Mt 10:1-4; Mk 3:13-19</parallel>
				<parallel verses="20-26">Mt 5:1-12</parallel>
				<parallel verses="27-36">Mt 5:38-48</parallel>
				<parallel verses="37-42">Mt 7:1-5</parallel>
				<parallel verses="43-45">Mt 7:16-20; Mt 12:33-35</parallel>
				<parallel verses="47-49">Mt 7:24-27</parallel>
				<verse number="1">En het gebeurde op de tweede eerste sabbat dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren en aten ze, terwijl zij die met de handen wreven.</verse>
				<ref verse="1">Deut 23:25</ref>
				<verse number="2">En sommigen van de farizeëen zeiden tegen hen: Waarom doet u wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat?</verse>
				<verse number="3">En Jezus antwoordde hun en zei: Hebt u ook dat niet gelezen wat David deed toen hij honger had, en zij die met hem waren?</verse>
				<ref verse="3">1 Sam 21:6</ref>
				<verse number="4">hoe hij het huis van God is binnengegaan, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ze ook gegeven heeft aan hen die met hem waren, die niet geoorloofd zijn te eten dan alleen de priesters.</verse>
				<ref verse="4">Lev 24:5-9</ref>
				<verse number="5">En Hij zei tegen hen: De Mensenzoon is Heer ook over de sabbat.</verse>
				<verse number="6">En het gebeurde ook op een andere sabbat dat Hij in de synagoge ging en onderwees. En daar was een mens, en zijn rechterhand was verschrompeld.</verse>
				<note verse="6">Grieks ξηρα (xēra) = verdord, verschrompeld — de hand was verstijfd en onbruikbaar</note>
				<verse number="7">En de schriftgeleerden en de farizeëen hielden Hem in de gaten, of Hij op de sabbat zou genezen, zodat zij een beschuldiging tegen Hem konden vinden.</verse>
				<verse number="8">Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen de mens die de verschrompelde hand had: Sta op en ga in het midden staan. En hij stond op en ging staan.</verse>
				<verse number="9">Toen zei Jezus tegen hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbat, goed te doen of kwaad te doen, een mens te redden of te verderven?</verse>
				<note verse="9">Grieks σωσαι (sοsai) = redden — sterker dan “behouden”; απολεσαι = te gronde richten</note>
				<verse number="10">En nadat Hij hen allen rondom had aangezien, zei Hij tegen de mens: Strek uw hand uit. En hij deed zo, en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.</verse>
				<verse number="11">En zij werden vervuld met razernij en bespraken met elkaar wat zij Jezus zouden doen.</verse>
				<note verse="11">Grieks ανοιας (anoias) = waanzin, razernij — sterker dan “uitzinnigheid”</note>
				<verse number="12">En het gebeurde in die dagen dat Hij naar de berg ging om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God.</verse>
				<verse number="13">En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:</verse>
				<verse number="14">namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde, en Andreas zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholoméüs;</verse>
				<verse number="15">Matthéüs en Thomas, Jakobus de zoon van Alféüs, en Simon genaamd de Zeloot;</verse>
				<verse number="16">Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.</verse>
				<verse number="17">En toen Hij met hen was afgedaald, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de menigte van Zijn discipelen en een grote menigte van het volk uit heel Judea en Jeruzalem, en van de zeekant van Tyrus en Sidon;</verse>
				<ref verse="17">Mt 4:24-25</ref>
				<verse number="18">die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden; en die door onreine geesten gekweld waren, werden genezen.</verse>
				<verse number="19">En de hele menigte probeerde Hem voortdurend aan te raken, want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas hen allen.</verse>
				<ref verse="19">Mk 5:30</ref>
				<verse number="20">En Hij sloeg Zijn ogen op over Zijn discipelen en zei: Gelukkig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.</verse>
				<note verse="20">Grieks Μακαριοι (Makarioi) = gelukkig, gelukzalig — duidt op een diep, door God geschonken geluk; niet “zalig” in de verouderde zin</note>
				<verse number="21">Gelukkig bent u die nu hongert, want u zult verzadigd worden. Gelukkig bent u die nu huilt, want u zult lachen.</verse>
				<verse number="22">Gelukkig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitsluiten en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, omwille van de Mensenzoon.</verse>
				<verse number="23">Verblijd u op die dag en wees vrolijk, want, zie, uw loon is groot in de hemel; want hun vaders deden evenzo met de profeten.</verse>
				<verse number="24">Maar wee u, rijken, want u hebt uw troost al ontvangen.</verse>
				<note verse="24">Grieks απεχετε (apechete) = u hebt al ten volle ontvangen — technische term voor het ontvangen van betaling</note>
				<verse number="25">Wee u die verzadigd bent, want u zult hongeren. Wee u die nu lacht, want u zult treuren en huilen.</verse>
				<verse number="26">Wee u, wanneer alle mensen goed over u spreken, want hun vaders deden evenzo met de valse profeten.</verse>
				<verse number="27">Maar Ik zeg u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.</verse>
				<verse number="28">Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u kwaad doen.</verse>
				<ref verse="28">Rom 12:14</ref>
				<verse number="29">Bied hem die u op de wang slaat, ook de andere; en verhinder hem die u de mantel neemt, ook het onderkleed niet te nemen.</verse>
				<note verse="29">Grieks χιτωνα (chitοna) = onderkleed, tuniek — verschilt van ιματιον (himation) = bovenkleed/mantel</note>
				<ref verse="29">Mt 5:39-40</ref>
				<verse number="30">Maar geef aan ieder die van u vraagt; en eis van hem die het uwe neemt, niets terug.</verse>
				<verse number="31">En zoals u wilt dat de mensen u doen zullen, doe hun ook evenzo.</verse>
				<ref verse="31">Mt 7:12</ref>
				<verse number="32">En als u liefhebt die u liefhebben, wat voor dank hebt u? Want ook de zondaars hebben hen lief die hen liefhebben.</verse>
				<verse number="33">En als u goed doet aan hen die u goed doen, wat voor dank hebt u? Want ook de zondaars doen hetzelfde.</verse>
				<verse number="34">En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank hebt u? Want ook de zondaars lenen aan zondaars, om evenveel terug te ontvangen.</verse>
				<verse number="35">Maar heb uw vijanden lief, en doe goed, en leen, zonder iets terug te verwachten; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.</verse>
				<verse number="36">Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.</verse>
				<verse number="37">En oordeel niet, en u zult niet geoordeeld worden; verdoem niet, en u zult niet verdoemd worden; laat los, en u zult losgelaten worden.</verse>
				<ref verse="37">Mt 7:1-2Rom 2:1</ref>
				<verse number="38">Geef, en u zal gegeven worden: een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat waarmee u meet, zal u teruggemeten worden.</verse>
				<verse number="39">En Hij zei hun een gelijkenis: Kan een blinde een blinde leiden? Zullen zij niet beiden in de kuil vallen?</verse>
				<note verse="39">Grieks βοθυνον (bothynon) = kuil, groeve — niet “gracht”</note>
				<ref verse="39">Mt 15:14</ref>
				<verse number="40">De discipel staat niet boven zijn meester; maar iedere volmaakte discipel zal zijn als zijn meester.</verse>
				<ref verse="40">Mt 10:24-25Joh 13:16</ref>
				<verse number="41">En waarom ziet u de splinter die in het oog van uw broer is, maar merkt u de balk niet op die in uw eigen oog is?</verse>
				<ref verse="41">Mt 7:3</ref>
				<verse number="42">Of hoe kunt u tegen uw broer zeggen: Broer, laat toe dat ik de splinter die in uw oog is, eruit haal; terwijl u zelf de balk die in uw oog is, niet ziet? Huichelaar! Haal eerst de balk uit uw oog, en dan zult u scherp genoeg zien om de splinter die in het oog van uw broer is, eruit te halen.</verse>
				<note verse="42">Grieks υποκριτα (hypokrita) = huichelaar — niet “geveinsde”</note>
				<verse number="43">Want er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, en geen slechte boom die goede vrucht voortbrengt;</verse>
				<verse number="44">want iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend; want men plukt geen vijgen van doornen, en men oogst geen druiven van bramen.</verse>
				<verse number="45">De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; en de slechte mens brengt het slechte voort uit de slechte schat van zijn hart; want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond.</verse>
				<verse number="46">En waarom noemt u Mij Heer, Heer! en doet niet wat Ik zeg?</verse>
				<ref verse="46">Mt 7:21Mal 1:6</ref>
				<verse number="47">Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is.</verse>
				<verse number="48">Hij is als een mens die een huis bouwde, en groef en verdiepte, en het fundament op een rots legde; toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen, want het was op de rots gegrondvest.</verse>
				<ref verse="48">Mt 7:24-25</ref>
				<verse number="49">Maar wie ze gehoord en niet gedaan heeft, is als een mens die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; waartegen de waterstroom aansloeg, en het viel meteen, en de val van dat huis was groot.</verse>
				<ref verse="49">Mt 7:26-27</ref>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapérnaüm.</verse>
				<verse number="2">En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.</verse>
				<verse number="3">En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken.</verse>
				<verse number="4">Deze nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet;</verse>
				<verse number="5">Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd.</verse>
				<verse number="6">En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.</verse>
				<verse number="7">Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.</verse>
				<verse number="8">Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.</verse>
				<verse number="9">En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden.</verse>
				<verse number="10">En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare.</verse>
				<verse number="12">En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar.</verse>
				<verse number="13">En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.</verse>
				<verse number="14">En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!</verse>
				<verse number="15">En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.</verse>
				<verse number="16">En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht.</verse>
				<verse number="17">En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judéa, en in al het omliggende land.</verse>
				<verse number="18">En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen.</verse>
				<verse number="19">En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?</verse>
				<verse number="20">En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U afgezonden, zeggende: Zijt Gij, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?</verse>
				<verse number="21">En in dezelfde ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht.</verse>
				<verse number="22">En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt.</verse>
				<verse number="23">En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.</verse>
				<verse number="24">Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?</verse>
				<verse number="25">Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven.</verse>
				<verse number="26">Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.</verse>
				<verse number="27">Deze is het, van welken geschreven is: Ziet, Ik zende Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.</verse>
				<verse number="28">Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij.</verse>
				<verse number="29">En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God.</verse>
				<verse number="30">Maar de farizeeën en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.</verse>
				<verse number="31">En de Heere zeide: Bij wien zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk?</verse>
				<verse number="32">Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.</verse>
				<verse number="33">Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft den duivel.</verse>
				<verse number="34">De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren.</verse>
				<verse number="35">Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al Haar kinderen.</verse>
				<verse number="36">En een der farizeeën bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des farizeeërs huis, zat Hij aan.</verse>
				<verse number="37">En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des farizeeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf.</verse>
				<verse number="38">En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf.</verse>
				<verse number="39">En de farizeeër, die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: Deze, indien Hij een profeet ware, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.</verse>
				<verse number="40">En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het.</verse>
				<verse number="41">Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig;</verse>
				<verse number="42">En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben?</verse>
				<verse number="43">En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.</verse>
				<verse number="44">En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd.</verse>
				<verse number="45">Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen.</verse>
				<verse number="46">Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.</verse>
				<verse number="47">Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.</verse>
				<verse number="48">En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.</verse>
				<verse number="49">En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?</verse>
				<verse number="50">Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">En het geschiedde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalven waren met Hem;</verse>
				<verse number="2">En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdaléna, van welke zeven duivelen uitgegaan waren;</verse>
				<verse number="3">En Johanna, de huisvrouw van Chûsas, den rentmeester van Heródes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.</verse>
				<verse number="4">Als nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zeide Hij door gelijkenis:</verse>
				<verse number="5">Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.</verse>
				<verse number="6">En het andere viel op een steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had.</verse>
				<verse number="7">En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve.</verse>
				<verse number="8">En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore.</verse>
				<verse number="9">En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen?</verse>
				<verse number="10">En Hij zeide: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan.</verse>
				<verse number="11">Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods.</verse>
				<verse number="12">En die bij den weg bezaaid worden, zijn dezen, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden.</verse>
				<verse number="13">En die op de steenrots bezaaid worden, zijn dezen, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.</verse>
				<verse number="14">En dat in de doornen valt, zijn dezen, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht.</verse>
				<verse number="15">En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.</verse>
				<verse number="16">En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.</verse>
				<verse number="17">Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.</verse>
				<verse number="18">Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.</verse>
				<verse number="19">En Zijn moeder en Zijn broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare.</verse>
				<verse number="20">En Hem werd geboodschapt van enigen, die zeiden: Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, begerende U te zien.</verse>
				<verse number="21">Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die Gods Woord horen, en datzelve doen.</verse>
				<verse number="22">En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.</verse>
				<verse number="23">En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, en waren in nood.</verse>
				<verse number="24">En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.</verse>
				<verse number="25">En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?</verse>
				<verse number="26">En zij voeren voort naar het land der Gadarénen, hetwelk is tegenover Galiléa.</verse>
				<verse number="27">En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven.</verse>
				<verse number="28">En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en zeide met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt!</verse>
				<verse number="29">Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen.</verse>
				<verse number="30">En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren.</verse>
				<verse number="31">En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen.</verse>
				<verse number="32">En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe.</verse>
				<verse number="33">En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde.</verse>
				<verse number="34">En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land.</verse>
				<verse number="35">En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd.</verse>
				<verse number="36">En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden.</verse>
				<verse number="37">En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarénen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom.</verse>
				<verse number="38">En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende:</verse>
				<verse number="39">Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.</verse>
				<verse number="40">En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.</verse>
				<verse number="41">En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.</verse>
				<verse number="42">Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen.</verse>
				<verse number="43">En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden,</verse>
				<verse number="44">Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds.</verse>
				<verse number="45">En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft?</verse>
				<verse number="46">En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is.</verse>
				<verse number="47">De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was.</verse>
				<verse number="48">En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.</verse>
				<verse number="49">Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeielijk.</verse>
				<verse number="50">Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden.</verse>
				<verse number="51">En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.</verse>
				<verse number="52">En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt.</verse>
				<verse number="53">En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was.</verse>
				<verse number="54">Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!</verse>
				<verse number="55">En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zou.</verse>
				<verse number="56">En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.</verse>
				<verse number="2">En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben.</verse>
				<verse number="4">En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.</verse>
				<verse number="5">En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.</verse>
				<verse number="6">En zij, uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.</verse>
				<verse number="7">En Heródes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan;</verse>
				<verse number="8">En van sommigen, dat Elías verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan.</verse>
				<verse number="9">En Heródes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien.</verse>
				<verse number="10">En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Bethsáïda.</verse>
				<verse number="11">En de scharen, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.</verse>
				<verse number="12">En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.</verse>
				<verse number="13">Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;</verse>
				<verse number="14">Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.</verse>
				<verse number="15">En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten.</verse>
				<verse number="16">En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar den hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der schare voor te leggen.</verse>
				<verse number="17">En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.</verse>
				<verse number="18">En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben?</verse>
				<verse number="19">En zij, antwoordende, zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elías; en anderen: Dat enig profeet van de ouden opgestaan is.</verse>
				<verse number="20">En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij, dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide: De Christus Gods.</verse>
				<verse number="21">En Hij gebood hun scherpelijk en beval, dat zij dit niemand zeggen zouden;</verse>
				<verse number="22">Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden.</verse>
				<verse number="23">En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.</verse>
				<verse number="24">Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden.</verse>
				<verse number="25">Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelven verliezen, of schade zijns zelfs lijden?</verse>
				<verse number="26">Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid des Vaders, en der heilige engelen.</verse>
				<verse number="27">En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen dergenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien hebben.</verse>
				<verse number="28">En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij medenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op den berg, om te bidden.</verse>
				<verse number="29">En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende.</verse>
				<verse number="30">En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elías.</verse>
				<verse number="31">Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.</verse>
				<verse number="32">Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden.</verse>
				<verse number="33">En het geschiedde, als zij van Hem afscheidden, zo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elías een; niet wetende, wat hij zeide.</verse>
				<verse number="34">Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.</verse>
				<verse number="35">En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!</verse>
				<verse number="36">En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.</verse>
				<verse number="37">En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat Hem een grote schare in het gemoet kwam.</verse>
				<verse number="38">En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene.</verse>
				<verse number="39">En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.</verse>
				<verse number="40">En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.</verse>
				<verse number="41">En Jezus, antwoordende, zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, en ulieden verdragen? Breng uw zoon hier.</verse>
				<verse number="42">En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.</verse>
				<verse number="43">En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide Hij tot Zijn discipelen:</verse>
				<verse number="44">Legt gij deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in der mensen handen.</verse>
				<verse number="45">Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.</verse>
				<verse number="46">En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware.</verse>
				<verse number="47">Maar Jezus, ziende de overlegging hunner harten, nam een kindeken, en stelde dat bij Zich;</verse>
				<verse number="48">En zeide tot hen: Zo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn.</verse>
				<verse number="49">En Johannes antwoordde en zeide: Meester! wij hebben een gezien, die in Uw Naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt.</verse>
				<verse number="50">En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet; want wie tegen ons niet is, die is voor ons.</verse>
				<verse number="51">En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.</verse>
				<verse number="52">En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden.</verse>
				<verse number="53">En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="54">Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elías gedaan heeft?</verse>
				<verse number="55">Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt.</verse>
				<verse number="56">Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek.</verse>
				<verse number="57">En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.</verse>
				<verse number="58">En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.</verse>
				<verse number="59">En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave.</verse>
				<verse number="60">Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="61">En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn.</verse>
				<verse number="62">En Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou.</verse>
				<verse number="2">Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.</verse>
				<verse number="3">Gaat henen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven.</verse>
				<verse number="4">Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den weg.</verse>
				<verse number="5">En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize!</verse>
				<verse number="6">En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren.</verse>
				<verse number="7">En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.</verse>
				<verse number="8">En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt.</verse>
				<verse number="9">En geneest de kranken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.</verse>
				<verse number="10">Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt:</verse>
				<verse number="11">Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is.</verse>
				<verse number="12">En Ik zeg u, dat het dien van Sódom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.</verse>
				<verse number="13">Wee u, Chórazin, wee u, Bethsáïda, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.</verse>
				<verse number="14">Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan ulieden.</verse>
				<verse number="15">En gij, Kapérnaüm, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden.</verse>
				<verse number="16">Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="17">En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam.</verse>
				<verse number="18">En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen.</verse>
				<verse number="19">Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.</verse>
				<verse number="20">Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.</verse>
				<verse number="21">Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.</verse>
				<verse number="22">Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, Wie de Zoon is, dan de Vader; en Wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.</verse>
				<verse number="23">En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.</verse>
				<verse number="24">Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.</verse>
				<verse number="25">En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?</verse>
				<verse number="26">En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?</verse>
				<verse number="27">En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.</verse>
				<verse number="28">En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.</verse>
				<verse number="29">Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?</verse>
				<verse number="30">En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.</verse>
				<verse number="31">En bijgeval kwam een zeker priester dien weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.</verse>
				<verse number="32">En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.</verse>
				<verse number="33">Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.</verse>
				<verse number="34">En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.</verse>
				<verse number="35">En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.</verse>
				<verse number="36">Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?</verse>
				<verse number="37">En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.</verse>
				<verse number="38">En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.</verse>
				<verse number="39">En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.</verse>
				<verse number="40">Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.</verse>
				<verse number="41">En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen;</verse>
				<verse number="42">Maar één ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.</verse>
				<verse number="2">En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.</verse>
				<verse number="3">Geef ons elken dag ons dagelijks brood.</verse>
				<verse number="4">En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.</verse>
				<verse number="5">En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal ter middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden;</verse>
				<verse number="6">Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette;</verse>
				<verse number="7">En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven.</verse>
				<verse number="8">Ik zeg ulieden: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan, en hem geven zoveel als hij er behoeft.</verse>
				<verse number="9">En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.</verse>
				<verse number="10">Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.</verse>
				<verse number="11">En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?</verse>
				<verse number="12">Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?</verse>
				<verse number="13">Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?</verse>
				<verse number="14">En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.</verse>
				<verse number="15">Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen.</verse>
				<verse number="16">En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit den hemel.</verse>
				<verse number="17">Maar Hij, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.</verse>
				<verse number="18">Indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt, dat Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp.</verse>
				<verse number="19">En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uw zonen uit? Daarom zullen dezen uw rechters zijn.</verse>
				<verse number="20">Maar indien Ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.</verse>
				<verse number="21">Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.</verse>
				<verse number="22">Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.</verse>
				<verse number="23">Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.</verse>
				<verse number="24">Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.</verse>
				<verse number="25">En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd.</verse>
				<verse number="26">Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste.</verse>
				<verse number="27">En het geschiedde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen.</verse>
				<verse number="28">Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.</verse>
				<verse number="29">En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelve zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.</verse>
				<verse number="30">Want gelijk Jonas den Nínevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn dezen geslachte.</verse>
				<verse number="31">De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Sálomo; en ziet, meer dan Sálomo is hier.</verse>
				<verse number="32">De mannen van Nínevé, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!</verse>
				<verse number="33">En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.</verse>
				<verse number="34">De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.</verse>
				<verse number="35">Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij.</verse>
				<verse number="36">Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.</verse>
				<verse number="37">Als Hij nu dit sprak, bad Hem een zeker farizeeër, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan.</verse>
				<verse number="38">En de farizeeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich gewassen had.</verse>
				<verse number="39">En de Heere zeide tot hem: Nu gij farizeeën, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.</verse>
				<verse number="40">Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?</verse>
				<verse number="41">Doch geeft tot aalmoes, hetgeen daarin is; en ziet, alles is u rein.</verse>
				<verse number="42">Maar wee u, farizeeën, want gij vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.</verse>
				<verse number="43">Wee u, farizeeën, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.</verse>
				<verse number="44">Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, want gij zijt gelijk de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet.</verse>
				<verse number="45">En een van de wetgeleerden, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan.</verse>
				<verse number="46">Doch Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden! want gij belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelven raakt gij die lasten niet aan met een van uw vingeren.</verse>
				<verse number="47">Wee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uw vaders hebben dezelve gedood.</verse>
				<verse number="48">Zo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hun graven.</verse>
				<verse number="49">Waarom ook de Wijsheid Gods zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;</verse>
				<verse number="50">Opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af.</verse>
				<verse number="51">Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharía, die gedood is tussen het altaar en het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht!</verse>
				<verse number="52">Wee u, gij wetgeleerden, want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen; gijzelven zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij verhinderd.</verse>
				<verse number="53">En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de schriftgeleerden en farizeeën hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken;</verse>
				<verse number="54">Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Daarentussen als vele duizenden der schare bijeenvergaderd waren, zodat zij elkander vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Vooreerst wacht uzelven voor den zuurdesem der farizeeën, welke is geveinsdheid.</verse>
				<verse number="2">En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden.</verse>
				<verse number="3">Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.</verse>
				<verse number="4">En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen.</verse>
				<verse number="5">Maar Ik zal u tonen, Wien gij vrezen zult: vreest Dien, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Dien!</verse>
				<verse number="6">Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskens? En niet één van die is voor God vergeten.</verse>
				<verse number="7">Ja, ook de haren uws hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.</verse>
				<verse number="8">En Ik zeg u: Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods.</verse>
				<verse number="9">Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods.</verse>
				<verse number="10">En een iegelijk, die enig woord spreken zal tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden.</verse>
				<verse number="11">En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen, of wat gij spreken zult;</verse>
				<verse number="12">Want de Heilige Geest zal u in dezelve ure leren, hetgeen gij spreken moet.</verse>
				<verse number="13">En een uit de schare zeide tot Hem: Meester, zeg mijn broeder, dat hij met mij de erfenis dele.</verse>
				<verse number="14">Maar Hij zeide tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld?</verse>
				<verse number="15">En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen.</verse>
				<verse number="16">En Hij zeide tot hen een gelijkenis, en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen;</verse>
				<verse number="17">En hij overlegde bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen.</verse>
				<verse number="18">En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen;</verse>
				<verse number="19">En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.</verse>
				<verse number="20">Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?</verse>
				<verse number="21">Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.</verse>
				<verse number="22">En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.</verse>
				<verse number="23">Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding.</verse>
				<verse number="24">Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven?</verse>
				<verse number="25">Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?</verse>
				<verse number="26">Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd?</verse>
				<verse number="27">Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Sálomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze.</verse>
				<verse number="28">Indien nu God het gras dat heden op het veld is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, hoeveel meer u, gij kleingelovigen!</verse>
				<verse number="29">En gijlieden, vraagt niet, wat gij eten, of wat gij drinken zult; en weest niet wankelmoedig.</verse>
				<verse number="30">Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft.</verse>
				<verse number="31">Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.</verse>
				<verse number="32">Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.</verse>
				<verse number="33">Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft.</verse>
				<verse number="34">Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn.</verse>
				<verse number="35">Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende.</verse>
				<verse number="36">En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.</verse>
				<verse number="37">Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen.</verse>
				<verse number="38">En zo hij komt in de tweede nacht wake, en komt in de derde wake, en vindt hen alzo, zalig zijn dezelve dienstknechten.</verse>
				<verse number="39">Maar weet dit, dat, indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.</verse>
				<verse number="40">Gij dan, zijt ook bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.</verse>
				<verse number="41">En Petrus zeide tot Hem: Heere! zegt Gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?</verse>
				<verse number="42">En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?</verse>
				<verse number="43">Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende.</verse>
				<verse number="44">Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal.</verse>
				<verse number="45">Maar indien dezelve dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden;</verse>
				<verse number="46">Zo zal de heer deszelven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen.</verse>
				<verse number="47">En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.</verse>
				<verse number="48">Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geëist worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eisen.</verse>
				<verse number="49">Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, indien het alrede ontstoken is?</verse>
				<verse number="50">Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!</verse>
				<verse number="51">Meent gij, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.</verse>
				<verse number="52">Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie.</verse>
				<verse number="53">De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.</verse>
				<verse number="54">En Hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het westen, terstond zegt gijlieden: Er komt regen; en het geschiedt alzo.</verse>
				<verse number="55">En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt.</verse>
				<verse number="56">Gij geveinsden, het aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven; en hoe beproeft gij dezen tijd niet?</verse>
				<verse number="57">En waarom oordeelt gij ook van uzelven niet, hetgeen recht is?</verse>
				<verse number="58">Want als gij heengaat met uw wederpartij voor de overheid, zo doet naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.</verse>
				<verse number="59">Ik zeg u: Gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galiléërs, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had.</verse>
				<verse number="2">En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galiléërs zondaars zijn geweest boven al de Galiléërs, omdat zij zulks geleden hebben?</verse>
				<verse number="3">Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.</verse>
				<verse number="4">Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?</verse>
				<verse number="5">Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.</verse>
				<verse number="6">En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.</verse>
				<verse number="7">En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?</verse>
				<verse number="8">En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;</verse>
				<verse number="9">En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.</verse>
				<verse number="10">En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen.</verse>
				<verse number="11">En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.</verse>
				<verse number="12">En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid.</verse>
				<verse number="13">En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.</verse>
				<verse number="14">En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.</verse>
				<verse number="15">De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken?</verse>
				<verse number="16">En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats?</verse>
				<verse number="17">En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.</verse>
				<verse number="18">En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?</verse>
				<verse number="19">Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.</verse>
				<verse number="20">En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken?</verse>
				<verse number="21">Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.</verse>
				<verse number="22">En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="23">En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:</verse>
				<verse number="24">Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;</verse>
				<verse number="25">Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.</verse>
				<verse number="26">Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd.</verse>
				<verse number="27">En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!</verse>
				<verse number="28">Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.</verse>
				<verse number="29">En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="30">En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.</verse>
				<verse number="31">Te dienzelfden dage kwamen er enige farizeeën, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Heródes wil U doden.</verse>
				<verse number="32">En Hij zeide tot hen: Gaat heen, en zegt dien vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage worde Ik voleindigd.</verse>
				<verse number="33">Doch Ik moet heden, en morgen, en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem.</verse>
				<verse number="34">Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?</verse>
				<verse number="35">Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten der farizeeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.</verse>
				<verse number="2">En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.</verse>
				<verse number="3">En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en farizeeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?</verse>
				<verse number="4">Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.</verse>
				<verse number="5">En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?</verse>
				<verse number="6">En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.</verse>
				<verse number="7">En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:</verse>
				<verse number="8">Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;</verse>
				<verse number="9">En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.</verse>
				<verse number="10">Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.</verse>
				<verse number="11">Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.</verse>
				<verse number="12">En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.</verse>
				<verse number="13">Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden;</verse>
				<verse number="14">En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.</verse>
				<verse number="15">En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="16">Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.</verse>
				<verse number="17">En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.</verse>
				<verse number="18">En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.</verse>
				<verse number="19">En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.</verse>
				<verse number="20">En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.</verse>
				<verse number="21">En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.</verse>
				<verse number="22">En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.</verse>
				<verse number="23">En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;</verse>
				<verse number="24">Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.</verse>
				<verse number="25">En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zeide tot hen:</verse>
				<verse number="26">Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.</verse>
				<verse number="27">En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.</verse>
				<verse number="28">Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?</verse>
				<verse number="29">Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten,</verse>
				<verse number="30">Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.</verse>
				<verse number="31">Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?</verse>
				<verse number="32">Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl diegene nog verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.</verse>
				<verse number="33">Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.</verse>
				<verse number="34">Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?</verse>
				<verse number="35">Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.</verse>
				<verse number="2">En de farizeeën en de schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.</verse>
				<verse number="3">En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:</verse>
				<verse number="4">Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde?</verse>
				<verse number="5">En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.</verse>
				<verse number="6">En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.</verse>
				<verse number="7">Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.</verse>
				<verse number="8">Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij één penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt?</verse>
				<verse number="9">En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had.</verse>
				<verse number="10">Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.</verse>
				<verse number="11">En Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen.</verse>
				<verse number="12">En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.</verse>
				<verse number="13">En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.</verse>
				<verse number="14">En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek te lijden.</verse>
				<verse number="15">En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden.</verse>
				<verse number="16">En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien.</verse>
				<verse number="17">En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!</verse>
				<verse number="18">Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u;</verse>
				<verse number="19">En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.</verse>
				<verse number="20">En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem.</verse>
				<verse number="21">En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.</verse>
				<verse number="22">Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten;</verse>
				<verse number="23">En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="24">Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn.</verse>
				<verse number="25">En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei,</verse>
				<verse number="26">En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn.</verse>
				<verse number="27">En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.</verse>
				<verse number="28">Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem.</verse>
				<verse number="29">Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn.</verse>
				<verse number="30">Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.</verse>
				<verse number="31">En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe.</verse>
				<verse number="32">Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.</verse>
				<verse number="2">En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.</verse>
				<verse number="3">En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.</verse>
				<verse number="4">Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.</verse>
				<verse number="5">En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?</verse>
				<verse number="6">En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig.</verse>
				<verse number="7">Daarna zeide hij tot een anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig.</verse>
				<verse number="8">En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.</verse>
				<verse number="9">En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.</verse>
				<verse number="10">Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.</verse>
				<verse number="11">Zo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?</verse>
				<verse number="12">En zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?</verse>
				<verse number="13">Geen huisknecht kan twee heren dienen; want óf hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben, óf hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.</verse>
				<verse number="14">En al deze dingen hoorden ook de farizeeën, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem.</verse>
				<verse number="15">En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.</verse>
				<verse number="16">De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.</verse>
				<verse number="17">En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.</verse>
				<verse number="18">Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk, die de verlatene van den man trouwt, die doet ook overspel.</verse>
				<verse number="19">En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig.</verse>
				<verse number="20">En er was een zeker bedelaar, met name Lázarus, welke lag voor zijn poort vol zweren;</verse>
				<verse number="21">En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren.</verse>
				<verse number="22">En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham.</verse>
				<verse number="23">En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot.</verse>
				<verse number="24">En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lázarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam.</verse>
				<verse number="25">Maar Abraham zeide: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lázarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.</verse>
				<verse number="26">En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote klove gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.</verse>
				<verse number="27">En hij zeide: Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis;</verse>
				<verse number="28">Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.</verse>
				<verse number="29">Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen.</verse>
				<verse number="30">En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren.</verse>
				<verse number="31">Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al ware het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En Hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezen, dat er geen ergernissen komen; doch wee hem, door welken zij komen;</verse>
				<verse number="2">Het zoude hem nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij een van deze kleinen zou ergeren.</verse>
				<verse number="3">Wacht uzelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem.</verse>
				<verse number="4">En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven.</verse>
				<verse number="5">En de apostelen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof.</verse>
				<verse number="6">En de Heere zeide: Zo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="7">En wie van u heeft een dienstknecht ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan?</verse>
				<verse number="8">Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink gij daarna?</verse>
				<verse number="9">Dankt hij ook denzelven dienstknecht omdat hij gedaan heeft, hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen.</verse>
				<verse number="10">Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.</verse>
				<verse number="11">En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galiléa ging.</verse>
				<verse number="12">En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;</verse>
				<verse number="13">En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!</verse>
				<verse number="14">En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.</verse>
				<verse number="15">En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.</verse>
				<verse number="16">En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;</verse>
				<verse number="17">En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?</verse>
				<verse number="18">En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?</verse>
				<verse number="19">En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.</verse>
				<verse number="20">En gevraagd zijnde van de farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat.</verse>
				<verse number="21">En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.</verse>
				<verse number="22">En Hij zeide tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeren een der dagen van den Zoon des mensen te zien, en gij zult dien niet zien.</verse>
				<verse number="23">En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.</verse>
				<verse number="24">Want gelijk de bliksem, die van het ene einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.</verse>
				<verse number="25">Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht.</verse>
				<verse number="26">En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.</verse>
				<verse number="27">Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.</verse>
				<verse number="28">Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;</verse>
				<verse number="29">Maar op den dag, op welken Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen.</verse>
				<verse number="30">Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.</verse>
				<verse number="31">In dienzelven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die kere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is.</verse>
				<verse number="32">Gedenkt aan de vrouw van Lot.</verse>
				<verse number="33">Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.</verse>
				<verse number="34">Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.</verse>
				<verse number="35">Twee vrouwen zullen te zamen malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.</verse>
				<verse number="36">Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.</verse>
				<verse number="37">En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;</verse>
				<verse number="2">Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag.</verse>
				<verse number="3">En er was een zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij.</verse>
				<verse number="4">En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie;</verse>
				<verse number="5">Nochtans, omdat deze weduwe mij moeielijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.</verse>
				<verse number="6">En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt.</verse>
				<verse number="7">Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?</verse>
				<verse number="8">Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?</verse>
				<verse number="9">En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:</verse>
				<verse number="10">Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een farizeeër, en de ander een tollenaar.</verse>
				<verse number="11">De farizeeër, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.</verse>
				<verse number="12">Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.</verse>
				<verse number="13">En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!</verse>
				<verse number="14">Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.</verse>
				<verse number="15">En zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve.</verse>
				<verse number="16">Maar Jezus riep dezelve kinderkens tot Zich, en zeide: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="17">Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.</verse>
				<verse number="18">En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?</verse>
				<verse number="19">En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Eén, namelijk God.</verse>
				<verse number="20">Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.</verse>
				<verse number="21">En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan.</verse>
				<verse number="22">Doch Jezus, dit horende, zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.</verse>
				<verse number="23">Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk.</verse>
				<verse number="24">Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan!</verse>
				<verse number="25">Want het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.</verse>
				<verse number="26">En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?</verse>
				<verse number="27">En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.</verse>
				<verse number="28">En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.</verse>
				<verse number="29">En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk Gods;</verse>
				<verse number="30">Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.</verse>
				<verse number="31">En Hij nam de twaalven bij Zich, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.</verse>
				<verse number="32">Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.</verse>
				<verse number="33">En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.</verse>
				<verse number="34">En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.</verse>
				<verse number="35">En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.</verse>
				<verse number="36">En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware.</verse>
				<verse number="37">En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazaréner voorbijging.</verse>
				<verse number="38">En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!</verse>
				<verse number="39">En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner!</verse>
				<verse number="40">En Jezus, stil staande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,</verse>
				<verse number="41">Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.</verse>
				<verse number="42">En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.</verse>
				<verse number="43">En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.</verse>
				<verse number="2">En zie, er was een man, met name geheten Zachéüs; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;</verse>
				<verse number="3">En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.</verse>
				<verse number="4">En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.</verse>
				<verse number="5">En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zachéüs! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.</verse>
				<verse number="6">En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.</verse>
				<verse number="7">En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.</verse>
				<verse number="8">En Zachéüs stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.</verse>
				<verse number="9">En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.</verse>
				<verse number="10">Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.</verse>
				<verse number="11">En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.</verse>
				<verse number="12">Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.</verse>
				<verse number="13">En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome.</verse>
				<verse number="14">En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat een iegelijk met handelen gewonnen had.</verse>
				<verse number="16">En de eerste kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.</verse>
				<verse number="17">En hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden.</verse>
				<verse number="18">En de tweede kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.</verse>
				<verse number="19">En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden.</verse>
				<verse number="20">En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had;</verse>
				<verse number="21">Want ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt; gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid hebt.</verse>
				<verse number="22">Maar hij zeide tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb.</verse>
				<verse number="23">Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelve met woeker mogen eisen?</verse>
				<verse number="24">En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien, die de tien ponden heeft.</verse>
				<verse number="25">En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden.</verse>
				<verse number="26">Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van diegene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.</verse>
				<verse number="27">Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.</verse>
				<verse number="28">En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="29">En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fagé en Bethanië gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond,</verse>
				<verse number="30">Zeggende: Gaat henen in dat vlek, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en brengt het.</verse>
				<verse number="31">En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat? zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat de Heere het van node heeft.</verse>
				<verse number="32">En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had.</verse>
				<verse number="33">En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen?</verse>
				<verse number="34">En zij zeiden: De Heere heeft het van node.</verse>
				<verse number="35">En zij brachten hetzelve tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop.</verse>
				<verse number="36">En als Hij voort reisde, spreidden zij hun klederen onder Hem op den weg.</verse>
				<verse number="37">En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden;</verse>
				<verse number="38">Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!</verse>
				<verse number="39">En sommigen der farizeeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.</verse>
				<verse number="40">En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.</verse>
				<verse number="41">En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,</verse>
				<verse number="42">Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.</verse>
				<verse number="43">Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;</verse>
				<verse number="44">En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.</verse>
				<verse number="45">En gegaan zijnde in den tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten,</verse>
				<verse number="46">Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.</verse>
				<verse number="47">En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden.</verse>
				<verse number="48">En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,</verse>
				<verse number="2">En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?</verse>
				<verse number="3">En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:</verse>
				<verse number="4">De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?</verse>
				<verse number="5">En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?</verse>
				<verse number="6">En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.</verse>
				<verse number="7">En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.</verse>
				<verse number="8">En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.</verse>
				<verse number="9">En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buiten 's lands.</verse>
				<verse number="10">En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.</verse>
				<verse number="11">En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.</verse>
				<verse number="12">En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.</verse>
				<verse number="13">En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.</verse>
				<verse number="14">Maar als de landlieden hem zagen, overlegden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.</verse>
				<verse number="15">En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?</verse>
				<verse number="16">Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!</verse>
				<verse number="17">Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?</verse>
				<verse number="18">Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.</verse>
				<verse number="19">En de overpriesteren en de schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.</verse>
				<verse number="20">En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.</verse>
				<verse number="21">En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.</verse>
				<verse number="22">Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?</verse>
				<verse number="23">En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?</verse>
				<verse number="24">Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.</verse>
				<verse number="25">En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.</verse>
				<verse number="26">En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.</verse>
				<verse number="27">En tot Hem kwamen sommigen der sadduceeën, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,</verse>
				<verse number="28">Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.</verse>
				<verse number="29">Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.</verse>
				<verse number="30">En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.</verse>
				<verse number="31">En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.</verse>
				<verse number="32">En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.</verse>
				<verse number="33">In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.</verse>
				<verse number="34">En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;</verse>
				<verse number="35">Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;</verse>
				<verse number="36">Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.</verse>
				<verse number="37">En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs.</verse>
				<verse number="38">God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.</verse>
				<verse number="39">En sommigen der schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.</verse>
				<verse number="40">En zij durfden Hem niet meer iets vragen.</verse>
				<verse number="41">En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?</verse>
				<verse number="42">En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,</verse>
				<verse number="43">Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.</verse>
				<verse number="44">David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?</verse>
				<verse number="45">En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:</verse>
				<verse number="46">Wacht u van de schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;</verse>
				<verse number="47">Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; deze zullen zwaarder oordeel ontvangen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.</verse>
				<verse number="2">En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.</verse>
				<verse number="3">En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft in geworpen.</verse>
				<verse number="4">Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.</verse>
				<verse number="5">En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:</verse>
				<verse number="6">Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.</verse>
				<verse number="7">En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?</verse>
				<verse number="8">En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.</verse>
				<verse number="9">En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.</verse>
				<verse number="10">Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.</verse>
				<verse number="11">En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentiën; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.</verse>
				<verse number="12">Maar vóór dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.</verse>
				<verse number="13">En dit zal u overkomen tot een getuigenis.</verse>
				<verse number="14">Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;</verse>
				<verse number="15">Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.</verse>
				<verse number="16">En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.</verse>
				<verse number="17">En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil.</verse>
				<verse number="18">Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.</verse>
				<verse number="19">Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.</verse>
				<verse number="20">Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.</verse>
				<verse number="21">Alsdan die in Judéa zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.</verse>
				<verse number="22">Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.</verse>
				<verse number="23">Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.</verse>
				<verse number="24">En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.</verse>
				<verse number="25">En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;</verse>
				<verse number="26">En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.</verse>
				<verse number="27">En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.</verse>
				<verse number="28">Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.</verse>
				<verse number="29">En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.</verse>
				<verse number="30">Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.</verse>
				<verse number="31">Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.</verse>
				<verse number="32">Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.</verse>
				<verse number="33">De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.</verse>
				<verse number="34">En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.</verse>
				<verse number="35">Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.</verse>
				<verse number="36">Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.</verse>
				<verse number="37">Des daags nu was Hij lerende in den tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijf berg.</verse>
				<verse number="38">En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij.</verse>
				<verse number="2">En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.</verse>
				<verse number="3">En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskáriot, zijnde uit het getal der twaalven.</verse>
				<verse number="4">En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.</verse>
				<verse number="5">En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.</verse>
				<verse number="6">En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.</verse>
				<verse number="7">En de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.</verse>
				<verse number="8">En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.</verse>
				<verse number="9">En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?</verse>
				<verse number="10">En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.</verse>
				<verse number="11">En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?</verse>
				<verse number="12">En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.</verse>
				<verse number="13">En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.</verse>
				<verse number="14">En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.</verse>
				<verse number="15">En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;</verse>
				<verse number="16">Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="17">En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden.</verse>
				<verse number="18">Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.</verse>
				<verse number="19">En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.</verse>
				<verse number="20">Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.</verse>
				<verse number="21">Doch ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.</verse>
				<verse number="22">En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee dien mens, door welken Hij verraden wordt!</verse>
				<verse number="23">En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou.</verse>
				<verse number="24">En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.</verse>
				<verse number="25">En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.</verse>
				<verse number="26">Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient.</verse>
				<verse number="27">Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.</verse>
				<verse number="28">En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.</verse>
				<verse number="29">En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft;</verse>
				<verse number="30">Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.</verse>
				<verse number="31">En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;</verse>
				<verse number="32">Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.</verse>
				<verse number="33">En hij zeide tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.</verse>
				<verse number="34">Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.</verse>
				<verse number="35">En Hij zeide tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.</verse>
				<verse number="36">Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.</verse>
				<verse number="37">Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.</verse>
				<verse number="38">En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.</verse>
				<verse number="39">En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="40">En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.</verse>
				<verse number="41">En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,</verse>
				<verse number="42">Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.</verse>
				<verse number="43">En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte.</verse>
				<verse number="44">En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.</verse>
				<verse number="45">En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.</verse>
				<verse number="46">En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.</verse>
				<verse number="47">En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.</verse>
				<verse number="48">En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?</verse>
				<verse number="49">En die bij Hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?</verse>
				<verse number="50">En een uit hen sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn rechteroor af.</verse>
				<verse number="51">En Jezus, antwoordende, zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.</verse>
				<verse number="52">En Jezus zeide tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar?</verse>
				<verse number="53">Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis.</verse>
				<verse number="54">En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.</verse>
				<verse number="55">En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.</verse>
				<verse number="56">En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.</verse>
				<verse number="57">Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.</verse>
				<verse number="58">En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.</verse>
				<verse number="59">En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileeër.</verse>
				<verse number="60">Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.</verse>
				<verse number="61">En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.</verse>
				<verse number="62">En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.</verse>
				<verse number="63">En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.</verse>
				<verse number="64">En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?</verse>
				<verse number="65">En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.</verse>
				<verse number="66">En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,</verse>
				<verse number="67">Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;</verse>
				<verse number="68">En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;</verse>
				<verse number="69">Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.</verse>
				<verse number="70">En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.</verse>
				<verse number="71">En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wijzelven hebben het uit Zijn mond gehoord.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.</verse>
				<verse number="2">En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.</verse>
				<verse number="3">En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.</verse>
				<verse number="4">En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.</verse>
				<verse number="5">En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hier toe.</verse>
				<verse number="6">Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileeër was;</verse>
				<verse number="7">En verstaande, dat Hij uit het gebied van Heródes was, zond hij Hem heen tot Heródes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.</verse>
				<verse number="8">En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.</verse>
				<verse number="9">En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.</verse>
				<verse number="10">En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.</verse>
				<verse number="11">En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.</verse>
				<verse number="12">En op denzelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen den anderen.</verse>
				<verse number="13">En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:</verse>
				<verse number="14">Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;</verse>
				<verse number="15">Ja, ook Heródes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.</verse>
				<verse number="16">Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.</verse>
				<verse number="17">En hij moest hun op het feest een loslaten.</verse>
				<verse number="18">Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.</verse>
				<verse number="19">Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.</verse>
				<verse number="20">Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.</verse>
				<verse number="21">Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!</verse>
				<verse number="22">En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.</verse>
				<verse number="23">Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.</verse>
				<verse number="24">En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.</verse>
				<verse number="25">En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.</verse>
				<verse number="26">En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyréne, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.</verse>
				<verse number="27">En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.</verse>
				<verse number="28">En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.</verse>
				<verse number="29">Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.</verse>
				<verse number="30">Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons.</verse>
				<verse number="31">Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?</verse>
				<verse number="32">En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden.</verse>
				<verse number="33">En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedel plaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter-, en den ander ter linker zijde.</verse>
				<verse number="34">En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.</verse>
				<verse number="35">En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.</verse>
				<verse number="36">En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;</verse>
				<verse number="37">En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.</verse>
				<verse number="38">En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.</verse>
				<verse number="39">En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.</verse>
				<verse number="40">Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?</verse>
				<verse number="41">En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.</verse>
				<verse number="42">En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.</verse>
				<verse number="43">En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.</verse>
				<verse number="44">En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.</verse>
				<verse number="45">En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door.</verse>
				<verse number="46">En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.</verse>
				<verse number="47">Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.</verse>
				<verse number="48">En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.</verse>
				<verse number="49">En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan.</verse>
				<verse number="50">En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,</verse>
				<verse number="51">(Deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel) van Arimathéa, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte;</verse>
				<verse number="52">Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.</verse>
				<verse number="53">En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.</verse>
				<verse number="54">En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.</verse>
				<verse number="55">En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galiléa, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.</verse>
				<verse number="56">En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.</verse>
				<verse number="2">En zij vonden den steen afgewenteld van het graf.</verse>
				<verse number="3">En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.</verse>
				<verse number="4">En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen.</verse>
				<verse number="5">En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?</verse>
				<verse number="6">Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galiléa was,</verse>
				<verse number="7">Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.</verse>
				<verse number="8">En zij werden indachtig Zijner woorden.</verse>
				<verse number="9">En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.</verse>
				<verse number="10">En deze waren Maria Magdaléna, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.</verse>
				<verse number="11">En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet.</verse>
				<verse number="12">Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukkende, zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven van hetgeen geschied was.</verse>
				<verse number="13">En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;</verse>
				<verse number="14">En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren.</verse>
				<verse number="15">En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.</verse>
				<verse number="16">En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.</verse>
				<verse number="17">En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?</verse>
				<verse number="18">En de een, wiens naam was Kléopas, antwoordende, zeide tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn?</verse>
				<verse number="19">En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazaréner, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.</verse>
				<verse number="20">En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.</verse>
				<verse number="21">En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.</verse>
				<verse number="22">Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;</verse>
				<verse number="23">En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.</verse>
				<verse number="24">En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.</verse>
				<verse number="25">En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!</verse>
				<verse number="26">Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?</verse>
				<verse number="27">En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.</verse>
				<verse number="28">En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou.</verse>
				<verse number="29">En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.</verse>
				<verse number="30">En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.</verse>
				<verse number="31">En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.</verse>
				<verse number="32">En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?</verse>
				<verse number="33">En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;</verse>
				<verse number="34">Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.</verse>
				<verse number="35">En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.</verse>
				<verse number="36">En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!</verse>
				<verse number="37">En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.</verse>
				<verse number="38">En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?</verse>
				<verse number="39">Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.</verse>
				<verse number="40">En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.</verse>
				<verse number="41">En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?</verse>
				<verse number="42">En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.</verse>
				<verse number="43">En Hij nam het, en at het voor hun ogen.</verse>
				<verse number="44">En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.</verse>
				<verse number="45">Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.</verse>
				<verse number="46">En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage;</verse>
				<verse number="47">En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.</verse>
				<verse number="48">En gij zijt getuigen van deze dingen.</verse>
				<verse number="49">En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.</verse>
				<verse number="50">En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.</verse>
				<verse number="51">En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.</verse>
				<verse number="52">En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.</verse>
				<verse number="53">En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="43">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.</verse>
				<verse number="2">Dit was in den beginne bij God.</verse>
				<verse number="3">Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.</verse>
				<verse number="4">In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.</verse>
				<verse number="5">En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.</verse>
				<verse number="6">Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.</verse>
				<verse number="7">Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.</verse>
				<verse number="8">Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.</verse>
				<verse number="9">Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.</verse>
				<verse number="10">Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.</verse>
				<verse number="11">Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.</verse>
				<verse number="12">Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;</verse>
				<verse number="13">Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.</verse>
				<verse number="14">En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.</verse>
				<verse number="15">Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was eer dan ik.</verse>
				<verse number="16">En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.</verse>
				<verse number="17">Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.</verse>
				<verse number="18">Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.</verse>
				<verse number="19">En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?</verse>
				<verse number="20">En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.</verse>
				<verse number="21">En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elías? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de Profeet? En hij antwoordde: Neen.</verse>
				<verse number="22">Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?</verse>
				<verse number="23">Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.</verse>
				<verse number="24">En de afgezondenen waren uit de farizeeën;</verse>
				<verse number="25">En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elías, noch de Profeet?</verse>
				<verse number="26">Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;</verse>
				<verse number="27">Dezelve is het, Die na mij komt, Welke vóór mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.</verse>
				<verse number="28">Deze dingen zijn geschied in Bethábara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.</verse>
				<verse number="29">Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!</verse>
				<verse number="30">Deze is het, van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die vóór mij geworden is, want Hij was eer dan ik.</verse>
				<verse number="31">En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.</verse>
				<verse number="32">En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.</verse>
				<verse number="33">En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt.</verse>
				<verse number="34">En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.</verse>
				<verse number="35">Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.</verse>
				<verse number="36">En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!</verse>
				<verse number="37">En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.</verse>
				<verse number="38">En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen:</verse>
				<verse number="39">Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij?</verse>
				<verse number="40">Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.</verse>
				<verse number="41">Andréas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.</verse>
				<verse number="42">Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messías, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.</verse>
				<verse number="43">En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Céfas, hetwelk overgezet wordt Petrus.</verse>
				<verse number="44">Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galiléa, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.</verse>
				<verse number="45">Filippus nu was van Bethsáïda, uit de stad van Andréas en Petrus.</verse>
				<verse number="46">Filippus vond Nathánaël en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welke Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Názareth.</verse>
				<verse number="47">En Nathánaël zeide tot hem: Kan uit Názareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.</verse>
				<verse number="48">Jezus zag Nathánaël tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.</verse>
				<verse number="49">Nathánaël zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgenboom waart, zag Ik u.</verse>
				<verse number="50">Nathánaël antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls.</verse>
				<verse number="51">Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgeboom, zo gelooft gij; gij zult grotere dingen zien dan deze.</verse>
				<verse number="52">En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galiléa; en de moeder van Jezus was aldaar.</verse>
				<verse number="2">En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.</verse>
				<verse number="3">En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.</verse>
				<verse number="4">Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.</verse>
				<verse number="5">Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.</verse>
				<verse number="6">En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metréten.</verse>
				<verse number="7">Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.</verse>
				<verse number="8">En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.</verse>
				<verse number="9">Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.</verse>
				<verse number="10">En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.</verse>
				<verse number="11">Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galiléa, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.</verse>
				<verse number="12">Daarna ging Hij af naar Kapérnaüm, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn discipelen; en zij bleven aldaar niet vele dagen.</verse>
				<verse number="13">En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="14">En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.</verse>
				<verse number="15">En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om.</verse>
				<verse number="16">En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.</verse>
				<verse number="17">En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.</verse>
				<verse number="18">De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont Gij ons, dat Gij deze dingen doet?</verse>
				<verse number="19">Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.</verse>
				<verse number="20">De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?</verse>
				<verse number="21">Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams.</verse>
				<verse number="22">Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had.</verse>
				<verse number="23">En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.</verse>
				<verse number="24">Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,</verse>
				<verse number="25">En omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van den mens; want Hij Zelf wist, wat in den mens was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En er was een mens uit de farizeeën, wiens naam was Nicodémus, een overste der Joden;</verse>
				<verse number="2">Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.</verse>
				<verse number="3">Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.</verse>
				<verse number="4">Nicodémus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden?</verse>
				<verse number="5">Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.</verse>
				<verse number="6">Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.</verse>
				<verse number="7">Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.</verse>
				<verse number="8">De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.</verse>
				<verse number="9">Nicodémus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden?</verse>
				<verse number="10">Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israël, en weet gij deze dingen niet?</verse>
				<verse number="11">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan.</verse>
				<verse number="12">Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?</verse>
				<verse number="13">En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in den hemel is.</verse>
				<verse number="14">En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;</verse>
				<verse number="15">Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.</verse>
				<verse number="16">Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.</verse>
				<verse number="17">Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.</verse>
				<verse number="18">Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.</verse>
				<verse number="19">En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.</verse>
				<verse number="20">Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.</verse>
				<verse number="21">Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.</verse>
				<verse number="22">Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judéa, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte.</verse>
				<verse number="23">En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt.</verse>
				<verse number="24">Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.</verse>
				<verse number="25">Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging.</verse>
				<verse number="26">En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.</verse>
				<verse number="27">Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit den hemel niet gegeven zij.</verse>
				<verse number="28">Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik vóór Hem heen uitgezonden ben.</verse>
				<verse number="29">Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.</verse>
				<verse number="30">Hij moet wassen, maar ik minder worden.</verse>
				<verse number="31">Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.</verse>
				<verse number="32">En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.</verse>
				<verse number="33">Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is.</verse>
				<verse number="34">Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem den Geest niet met mate.</verse>
				<verse number="35">De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.</verse>
				<verse number="36">Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Als dan de Heere verstond, dat de farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes;</verse>
				<verse number="2">(Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen),</verse>
				<verse number="3">Zo verliet Hij Judéa, en ging wederom heen naar Galiléa.</verse>
				<verse number="4">En Hij moest door Samaria gaan.</verse>
				<verse number="5">Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.</verse>
				<verse number="6">En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.</verse>
				<verse number="7">Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.</verse>
				<verse number="8">(Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.)</verse>
				<verse number="9">Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.</verse>
				<verse number="10">Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.</verse>
				<verse number="11">De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?</verse>
				<verse number="12">Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?</verse>
				<verse number="13">Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten;</verse>
				<verse number="14">Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.</verse>
				<verse number="15">De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.</verse>
				<verse number="16">Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.</verse>
				<verse number="17">De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.</verse>
				<verse number="18">Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.</verse>
				<verse number="19">De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.</verse>
				<verse number="20">Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.</verse>
				<verse number="21">Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.</verse>
				<verse number="22">Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.</verse>
				<verse number="23">Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden.</verse>
				<verse number="24">God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.</verse>
				<verse number="25">De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.</verse>
				<verse number="26">Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.</verse>
				<verse number="27">En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met haar?</verse>
				<verse number="28">Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden:</verse>
				<verse number="29">Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?</verse>
				<verse number="30">Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.</verse>
				<verse number="31">En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.</verse>
				<verse number="32">Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.</verse>
				<verse number="33">Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?</verse>
				<verse number="34">Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.</verse>
				<verse number="35">Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.</verse>
				<verse number="36">En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.</verse>
				<verse number="37">Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.</verse>
				<verse number="38">Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.</verse>
				<verse number="39">En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.</verse>
				<verse number="40">Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen.</verse>
				<verse number="41">En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil;</verse>
				<verse number="42">En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wijzelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.</verse>
				<verse number="43">En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galiléa;</verse>
				<verse number="44">Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.</verse>
				<verse number="45">Als Hij dan in Galiléa kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.</verse>
				<verse number="46">Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galiléa, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapérnaüm.</verse>
				<verse number="47">Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.</verse>
				<verse number="48">Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.</verse>
				<verse number="49">De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.</verse>
				<verse number="50">Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.</verse>
				<verse number="51">En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!</verse>
				<verse number="52">Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.</verse>
				<verse number="53">De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.</verse>
				<verse number="54">Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judéa in Galiléa gekomen was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En er is te Jeruzalem aan de Schaaps poort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.</verse>
				<verse number="3">In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.</verse>
				<verse number="4">Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.</verse>
				<verse number="5">En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.</verse>
				<verse number="6">Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?</verse>
				<verse number="7">De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.</verse>
				<verse number="8">Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.</verse>
				<verse number="9">En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.</verse>
				<verse number="10">De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.</verse>
				<verse number="11">Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.</verse>
				<verse number="12">Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?</verse>
				<verse number="13">En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.</verse>
				<verse number="14">Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.</verse>
				<verse number="15">De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had.</verse>
				<verse number="16">En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op den sabbat deed.</verse>
				<verse number="17">En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.</verse>
				<verse number="18">Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende.</verse>
				<verse number="19">Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks.</verse>
				<verse number="20">Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert.</verse>
				<verse number="21">Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil.</verse>
				<verse number="22">Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven;</verse>
				<verse number="23">Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.</verse>
				<verse number="24">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.</verse>
				<verse number="25">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.</verse>
				<verse number="26">Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven;</verse>
				<verse number="27">En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is.</verse>
				<verse number="28">Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen;</verse>
				<verse number="29">En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.</verse>
				<verse number="30">Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="31">Indien Ik van Mijzelven getuig, Mijn getuigenis is niet waarachtig.</verse>
				<verse number="32">Er is een Ander, Die van Mij getuigt, en Ik weet, dat de getuigenis, welke Hij van Mij getuigt, waarachtig is.</verse>
				<verse number="33">Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven.</verse>
				<verse number="34">Doch Ik neem geen getuigenis van een mens; maar dit zeg Ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden.</verse>
				<verse number="35">Hij was een brandende en lichtende kaars; en gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen.</verse>
				<verse number="36">Maar Ik heb een getuigenis meerder, dan die van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft.</verse>
				<verse number="37">En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. Gij hebt noch Zijn stem ooit gehoord, noch Zijn gedaante gezien.</verse>
				<verse number="38">En Zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft Dien niet, Dien Hij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="39">Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.</verse>
				<verse number="40">En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.</verse>
				<verse number="41">Ik neem geen eer van mensen;</verse>
				<verse number="42">Maar Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt.</verse>
				<verse number="43">Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.</verse>
				<verse number="44">Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?</verse>
				<verse number="45">Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt.</verse>
				<verse number="46">Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven.</verse>
				<verse number="47">Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galiléa, welke is de zee van Tibérias.</verse>
				<verse number="2">En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken.</verse>
				<verse number="3">En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="4">En het pascha, het feest der Joden, was nabij.</verse>
				<verse number="5">Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen?</verse>
				<verse number="6">(Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.)</verse>
				<verse number="7">Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.</verse>
				<verse number="8">Een van Zijn discipelen, namelijk Andréas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem:</verse>
				<verse number="9">Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?</verse>
				<verse number="10">En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.</verse>
				<verse number="11">En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.</verse>
				<verse number="12">En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.</verse>
				<verse number="13">Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden.</verse>
				<verse number="14">De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.</verse>
				<verse number="15">Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen.</verse>
				<verse number="16">En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.</verse>
				<verse number="17">En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapérnaüm. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.</verse>
				<verse number="18">En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide.</verse>
				<verse number="19">En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.</verse>
				<verse number="20">Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd.</verse>
				<verse number="21">Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.</verse>
				<verse number="22">Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren;</verse>
				<verse number="23">(Doch er kwamen andere scheepjes van Tibérias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.)</verse>
				<verse number="24">Toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapérnaüm, zoekende Jezus.</verse>
				<verse number="25">En als zij Hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?</verse>
				<verse number="26">Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt.</verse>
				<verse number="27">Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld.</verse>
				<verse number="28">Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?</verse>
				<verse number="29">Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="30">Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet Gij dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt Gij?</verse>
				<verse number="31">Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten.</verse>
				<verse number="32">Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit den hemel.</verse>
				<verse number="33">Want het Brood Gods is Hij, Die uit den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft.</verse>
				<verse number="34">Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood.</verse>
				<verse number="35">En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.</verse>
				<verse number="36">Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.</verse>
				<verse number="37">Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.</verse>
				<verse number="38">Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="39">En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.</verse>
				<verse number="40">En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.</verse>
				<verse number="41">De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit den hemel nedergedaald is.</verse>
				<verse number="42">En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald?</verse>
				<verse number="43">Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.</verse>
				<verse number="44">Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.</verse>
				<verse number="45">Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.</verse>
				<verse number="46">Niet dat iemand den Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft den Vader gezien.</verse>
				<verse number="47">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.</verse>
				<verse number="48">Ik ben het Brood des levens.</verse>
				<verse number="49">Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven.</verse>
				<verse number="50">Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve.</verse>
				<verse number="51">Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.</verse>
				<verse number="52">De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven?</verse>
				<verse number="53">Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven.</verse>
				<verse number="54">Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.</verse>
				<verse number="55">Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.</verse>
				<verse number="56">Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.</verse>
				<verse number="57">Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij.</verse>
				<verse number="58">Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.</verse>
				<verse number="59">Deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapérnaüm.</verse>
				<verse number="60">Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen?</verse>
				<verse number="61">Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?</verse>
				<verse number="62">Wat zou het dan zijn, zo gij den Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?</verse>
				<verse number="63">De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.</verse>
				<verse number="64">Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.</verse>
				<verse number="65">En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.</verse>
				<verse number="66">Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.</verse>
				<verse number="67">Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?</verse>
				<verse number="68">Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.</verse>
				<verse number="69">En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.</verse>
				<verse number="70">Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En één uit u is een duivel.</verse>
				<verse number="71">En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskáriot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">En na dezen wandelde Jezus in Galiléa; want Hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.</verse>
				<verse number="2">En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij.</verse>
				<verse number="3">Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judéa, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet.</verse>
				<verse number="4">Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld.</verse>
				<verse number="5">Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.</verse>
				<verse number="6">Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.</verse>
				<verse number="7">De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn.</verse>
				<verse number="8">Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.</verse>
				<verse number="9">En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galiléa.</verse>
				<verse number="10">Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.</verse>
				<verse number="11">De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij?</verse>
				<verse number="12">En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare.</verse>
				<verse number="13">Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden.</verse>
				<verse number="14">Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde.</verse>
				<verse number="15">En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?</verse>
				<verse number="16">Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="17">Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek.</verse>
				<verse number="18">Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.</verse>
				<verse number="19">Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij Mij te doden?</verse>
				<verse number="20">De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel; wie zoekt U te doden?</verse>
				<verse number="21">Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en gij verwondert u allen.</verse>
				<verse number="22">Daarom heeft Mozes ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mens op den sabbat.</verse>
				<verse number="23">Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat?</verse>
				<verse number="24">Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.</verse>
				<verse number="25">Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Dien zij zoeken te doden?</verse>
				<verse number="26">En ziet, Hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat Deze waarlijk is de Christus?</verse>
				<verse number="27">Doch van Dezen weten wij, van waar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, van waar Hij is.</verse>
				<verse number="28">Jezus dan riep in den tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welken gijlieden niet kent.</verse>
				<verse number="29">Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.</verse>
				<verse number="30">Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.</verse>
				<verse number="31">En velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft?</verse>
				<verse number="32">De farizeeën hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de farizeeën en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden.</verse>
				<verse number="33">Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="34">Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.</verse>
				<verse number="35">De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?</verse>
				<verse number="36">Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen?</verse>
				<verse number="37">En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.</verse>
				<verse number="38">Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.</verse>
				<verse number="39">(En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)</verse>
				<verse number="40">Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.</verse>
				<verse number="41">Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galiléa komen?</verse>
				<verse number="42">Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?</verse>
				<verse number="43">Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil.</verse>
				<verse number="44">En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.</verse>
				<verse number="45">De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en farizeeën; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet gebracht?</verse>
				<verse number="46">De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.</verse>
				<verse number="47">De farizeeën dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid?</verse>
				<verse number="48">Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de farizeeën?</verse>
				<verse number="49">Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.</verse>
				<verse number="50">Nicodémus zeide tot hen, welke des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen:</verse>
				<verse number="51">Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?</verse>
				<verse number="52">Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galiléa? Onderzoek en zie, dat uit Galiléa geen profeet opgestaan is.</verse>
				<verse number="53">En een iegelijk ging heen naar zijn huis.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Maar Jezus ging naar den Olijfberg.</verse>
				<verse number="2">En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen.</verse>
				<verse number="3">En de schriftgeleerden en de farizeeën brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen.</verse>
				<verse number="4">En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande.</verse>
				<verse number="5">En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden; Gij dan, wat zegt Gij?</verse>
				<verse number="6">En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.</verse>
				<verse number="7">En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.</verse>
				<verse number="8">En wederom nederbukkende, schreef Hij in de aarde.</verse>
				<verse number="9">Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.</verse>
				<verse number="10">En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?</verse>
				<verse number="11">En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.</verse>
				<verse number="12">Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.</verse>
				<verse number="13">De farizeeën dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelven; Uw getuigenis is niet waarachtig.</verse>
				<verse number="14">Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Hoewel Ik van Mijzelven getuig, zo is nochtans Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet, van waar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar gijlieden weet niet, van waar Ik kom, en waar Ik heenga.</verse>
				<verse number="15">Gij oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand.</verse>
				<verse number="16">En indien Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="17">En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is.</verse>
				<verse number="18">Ik ben het, Die van Mijzelven getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.</verse>
				<verse number="19">Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch Mijn Vader; indien gij Mij kendet, zo zoudt gij ook Mijn Vader kennen.</verse>
				<verse number="20">Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in den tempel; en niemand greep Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.</verse>
				<verse number="21">Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonden zult gij sterven; waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen.</verse>
				<verse number="22">De Joden dan zeiden: Zal Hij ook Zichzelven doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen?</verse>
				<verse number="23">En Hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld.</verse>
				<verse number="24">Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven.</verse>
				<verse number="25">Zij zeiden dan tot Hem: Wie zijt Gij? En Jezus zeide tot hen: Wat Ik van den beginne ulieden ook zegge.</verse>
				<verse number="26">Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek Ik tot de wereld.</verse>
				<verse number="27">Zij verstonden niet, dat Hij hun van den Vader sprak.</verse>
				<verse number="28">Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelven niets doe; maar deze dingen spreek Ik, gelijk Mijn Vader Mij geleerd heeft.</verse>
				<verse number="29">En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is.</verse>
				<verse number="30">Als Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.</verse>
				<verse number="31">Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen;</verse>
				<verse number="32">En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.</verse>
				<verse number="33">Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: Gij zult vrij worden?</verse>
				<verse number="34">Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.</verse>
				<verse number="35">En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk.</verse>
				<verse number="36">Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.</verse>
				<verse number="37">Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats.</verse>
				<verse number="38">Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; gij doet dan ook, wat gij bij uw vader gezien hebt.</verse>
				<verse number="39">Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.</verse>
				<verse number="40">Maar nu zoekt gij Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.</verse>
				<verse number="41">Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God.</verse>
				<verse number="42">Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.</verse>
				<verse number="43">Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen.</verse>
				<verse number="44">Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.</verse>
				<verse number="45">Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet.</verse>
				<verse number="46">Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?</verse>
				<verse number="47">Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt.</verse>
				<verse number="48">De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt?</verse>
				<verse number="49">Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en gij onteert Mij.</verse>
				<verse number="50">Doch Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt.</verse>
				<verse number="51">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="52">De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat Gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt Gij: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid?</verse>
				<verse number="53">Zijt Gij meerder, dan onze vader Abraham, welke gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wien maakt Gij Uzelven?</verse>
				<verse number="54">Jezus antwoordde: Indien Ik Mijzelven eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, Welken gij zegt, dat uw God is.</verse>
				<verse number="55">En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord.</verse>
				<verse number="56">Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.</verse>
				<verse number="57">De Joden dan zeiden tot Hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt Gij Abraham gezien?</verse>
				<verse number="58">Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.</verse>
				<verse number="59">Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit den tempel, gaande door het midden van hen; en ging alzo voorbij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.</verse>
				<verse number="2">En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?</verse>
				<verse number="3">Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.</verse>
				<verse number="4">Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.</verse>
				<verse number="5">Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.</verse>
				<verse number="6">Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;</verse>
				<verse number="7">En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Silóam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.</verse>
				<verse number="8">De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?</verse>
				<verse number="9">Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.</verse>
				<verse number="10">Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?</verse>
				<verse number="11">Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Silóam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.</verse>
				<verse number="12">Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.</verse>
				<verse number="13">Zij brachten hem tot de farizeeën, hem namelijk, die te voren blind geweest was.</verse>
				<verse number="14">En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.</verse>
				<verse number="15">De farizeeën dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.</verse>
				<verse number="16">Sommigen dan uit de farizeeën zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.</verse>
				<verse number="17">Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.</verse>
				<verse number="18">De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was.</verse>
				<verse number="19">En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?</verse>
				<verse number="20">Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;</verse>
				<verse number="21">Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken.</verse>
				<verse number="22">Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden alrede te zamen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.</verse>
				<verse number="23">Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.</verse>
				<verse number="24">Zij dan riepen voor de tweede maal den mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.</verse>
				<verse number="25">Hij dan antwoordde en zeide: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.</verse>
				<verse number="26">En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?</verse>
				<verse number="27">Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom horen? Wilt gijlieden ook Zijn discipelen worden?</verse>
				<verse number="28">Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes.</verse>
				<verse number="29">Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Dezen weten wij niet, van waar Hij is.</verse>
				<verse number="30">De mens antwoordde, en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet, van waar Hij is, en nochtans heeft Hij mijn ogen geopend.</verse>
				<verse number="31">En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort Hij.</verse>
				<verse number="32">Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft.</verse>
				<verse number="33">Indien Deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen.</verse>
				<verse number="34">Zij antwoordden, en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.</verse>
				<verse number="35">Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide Hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon van God?</verse>
				<verse number="36">Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven?</verse>
				<verse number="37">En Jezus zeide tot hem: En gij hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Dezelve is het.</verse>
				<verse number="38">En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.</verse>
				<verse number="39">En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.</verse>
				<verse number="40">En dit hoorden enigen uit de farizeeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?</verse>
				<verse number="41">Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu gij zegt: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.</verse>
				<verse number="2">Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.</verse>
				<verse number="3">Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.</verse>
				<verse number="4">En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijn stem kennen.</verse>
				<verse number="5">Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem des vreemden niet kennen.</verse>
				<verse number="6">Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.</verse>
				<verse number="7">Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.</verse>
				<verse number="8">Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.</verse>
				<verse number="9">Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.</verse>
				<verse number="10">De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.</verse>
				<verse number="11">Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.</verse>
				<verse number="12">Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.</verse>
				<verse number="13">En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen.</verse>
				<verse number="14">Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.</verse>
				<verse number="15">Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.</verse>
				<verse number="16">Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder.</verse>
				<verse number="17">Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme.</verse>
				<verse number="18">Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.</verse>
				<verse number="19">Er werd dan wederom tweedracht onder de Joden, om dezer woorden wil.</verse>
				<verse number="20">En velen van hen zeiden: Hij heeft den duivel, en is uitzinnig; wat hoort gij Hem?</verse>
				<verse number="21">Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden ogen openen?</verse>
				<verse number="22">En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.</verse>
				<verse number="23">En Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof van Sálomo.</verse>
				<verse number="24">De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.</verse>
				<verse number="25">Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in den Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.</verse>
				<verse number="26">Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.</verse>
				<verse number="27">Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.</verse>
				<verse number="28">En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.</verse>
				<verse number="29">Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.</verse>
				<verse number="30">Ik en de Vader zijn één.</verse>
				<verse number="31">De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen.</verse>
				<verse number="32">Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij?</verse>
				<verse number="33">De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over gods lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt.</verse>
				<verse number="34">Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden?</verse>
				<verse number="35">Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden;</verse>
				<verse number="36">Zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?</verse>
				<verse number="37">Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet;</verse>
				<verse number="38">Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem.</verse>
				<verse number="39">Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.</verse>
				<verse number="40">En Hij ging wederom over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar.</verse>
				<verse number="41">En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Dezen zeide, was waar.</verse>
				<verse number="42">En velen geloofden aldaar in Hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En er was een zeker man krank, genaamd Lázarus, van Bethanië, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.</verse>
				<verse number="2">(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lázarus krank was.)</verse>
				<verse number="3">Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.</verse>
				<verse number="4">En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.</verse>
				<verse number="5">Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lázarus lief.</verse>
				<verse number="6">Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.</verse>
				<verse number="7">Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judéa gaan.</verse>
				<verse number="8">De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?</verse>
				<verse number="9">Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;</verse>
				<verse number="10">Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.</verse>
				<verse number="11">Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lázarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.</verse>
				<verse number="12">Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.</verse>
				<verse number="13">Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.</verse>
				<verse number="14">Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lázarus is gestorven.</verse>
				<verse number="15">En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.</verse>
				<verse number="16">Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.</verse>
				<verse number="17">Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.</verse>
				<verse number="18">(Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van daar.)</verse>
				<verse number="19">En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.</verse>
				<verse number="20">Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.</verse>
				<verse number="21">Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;</verse>
				<verse number="22">Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.</verse>
				<verse number="23">Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.</verse>
				<verse number="24">Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.</verse>
				<verse number="25">Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;</verse>
				<verse number="26">En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?</verse>
				<verse number="27">Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.</verse>
				<verse number="28">En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.</verse>
				<verse number="29">Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.</verse>
				<verse number="30">(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)</verse>
				<verse number="31">De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.</verse>
				<verse number="32">Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.</verse>
				<verse number="33">Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;</verse>
				<verse number="34">En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.</verse>
				<verse number="35">Jezus weende.</verse>
				<verse number="36">De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!</verse>
				<verse number="37">En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?</verse>
				<verse number="38">Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.</verse>
				<verse number="39">Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.</verse>
				<verse number="40">Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?</verse>
				<verse number="41">Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.</verse>
				<verse number="42">Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.</verse>
				<verse number="43">En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lázarus, kom uit!</verse>
				<verse number="44">En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.</verse>
				<verse number="45">Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.</verse>
				<verse number="46">Maar sommigen van hen gingen tot de farizeeën, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had.</verse>
				<verse number="47">De overpriesters dan en de farizeeën vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.</verse>
				<verse number="48">Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.</verse>
				<verse number="49">En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;</verse>
				<verse number="50">En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.</verse>
				<verse number="51">En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;</verse>
				<verse number="52">En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één zou vergaderen.</verse>
				<verse number="53">Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.</verse>
				<verse number="54">Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="55">En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.</verse>
				<verse number="56">Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?</verse>
				<verse number="57">De overpriesters nu en de farizeeën hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanië, daar Lázarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.</verse>
				<verse number="2">Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lázarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.</verse>
				<verse number="3">Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.</verse>
				<verse number="4">Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskáriot, die Hem verraden zou:</verse>
				<verse number="5">Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven?</verse>
				<verse number="6">En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.</verse>
				<verse number="7">Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis.</verse>
				<verse number="8">Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.</verse>
				<verse number="9">Een grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lázarus zouden zien, dien Hij uit de doden opgewekt had.</verse>
				<verse number="10">En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lázarus doden zouden.</verse>
				<verse number="11">Want velen van de Joden gingen heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus.</verse>
				<verse number="12">Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,</verse>
				<verse number="13">Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israëls!</verse>
				<verse number="14">En Jezus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is:</verse>
				<verse number="15">Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.</verse>
				<verse number="16">Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.</verse>
				<verse number="17">De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lázarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had.</verse>
				<verse number="18">Daarom ging ook de schare Hem tegemoet, overmits zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had.</verse>
				<verse number="19">De farizeeën dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na.</verse>
				<verse number="20">En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden;</verse>
				<verse number="21">Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsáïda in Galiléa was, en baden hem, zeggende: Heere, wij wilden Jezus wel zien.</verse>
				<verse number="22">Filippus kwam en zeide het Andréas; en Andréas en Filippus wederom zeiden het Jezus.</verse>
				<verse number="23">Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.</verse>
				<verse number="24">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.</verse>
				<verse number="25">Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.</verse>
				<verse number="26">Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.</verse>
				<verse number="27">Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.</verse>
				<verse number="28">Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.</verse>
				<verse number="29">De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.</verse>
				<verse number="30">Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.</verse>
				<verse number="31">Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.</verse>
				<verse number="32">En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.</verse>
				<verse number="33">(En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.)</verse>
				<verse number="34">De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?</verse>
				<verse number="35">Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.</verse>
				<verse number="36">Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.</verse>
				<verse number="37">En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;</verse>
				<verse number="38">Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?</verse>
				<verse number="39">Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:</verse>
				<verse number="40">Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.</verse>
				<verse number="41">Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.</verse>
				<verse number="42">Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der farizeeën wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.</verse>
				<verse number="43">Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.</verse>
				<verse number="44">En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="45">En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="46">Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.</verse>
				<verse number="47">En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.</verse>
				<verse number="48">Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.</verse>
				<verse number="49">Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.</verse>
				<verse number="50">En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.</verse>
				<verse number="2">En als het avondmaal gedaan was, (toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskáriot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou),</verse>
				<verse number="3">Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging,</verse>
				<verse number="4">Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven.</verse>
				<verse number="5">Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.</verse>
				<verse number="6">Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen?</verse>
				<verse number="7">Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.</verse>
				<verse number="8">Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij.</verse>
				<verse number="9">Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.</verse>
				<verse number="10">Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.</verse>
				<verse number="11">Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein.</verse>
				<verse number="12">Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?</verse>
				<verse number="13">Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het.</verse>
				<verse number="14">Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen.</verse>
				<verse number="15">Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.</verse>
				<verse number="16">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.</verse>
				<verse number="17">Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.</verse>
				<verse number="18">Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.</verse>
				<verse number="19">Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt, dat Ik het ben.</verse>
				<verse number="20">Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="21">Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.</verse>
				<verse number="22">De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide.</verse>
				<verse number="23">En een van Zijn discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad.</verse>
				<verse number="24">Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide.</verse>
				<verse number="25">En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het?</verse>
				<verse number="26">Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskáriot.</verse>
				<verse number="27">En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk.</verse>
				<verse number="28">En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide.</verse>
				<verse number="29">Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou.</verse>
				<verse number="30">Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht.</verse>
				<verse number="31">Als hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.</verse>
				<verse number="32">Indien God in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelven, en Hij zal Hem terstond verheerlijken.</verse>
				<verse number="33">Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook.</verse>
				<verse number="34">Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.</verse>
				<verse number="35">Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.</verse>
				<verse number="36">Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen; maar gij zult Mij namaals volgen.</verse>
				<verse number="37">Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten.</verse>
				<verse number="38">Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.</verse>
				<verse number="2">In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.</verse>
				<verse number="3">En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.</verse>
				<verse number="4">En waar Ik heenga, weet gij, en den weg weet gij.</verse>
				<verse number="5">Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten?</verse>
				<verse number="6">Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.</verse>
				<verse number="7">Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.</verse>
				<verse number="8">Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.</verse>
				<verse number="9">Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?</verse>
				<verse number="10">Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken.</verse>
				<verse number="11">Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.</verse>
				<verse number="12">Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.</verse>
				<verse number="13">En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.</verse>
				<verse number="14">Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.</verse>
				<verse number="15">Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.</verse>
				<verse number="16">En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;</verse>
				<verse number="17">Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.</verse>
				<verse number="18">Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u.</verse>
				<verse number="19">Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven.</verse>
				<verse number="20">In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.</verse>
				<verse number="21">Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.</verse>
				<verse number="22">Judas, niet de Iskáriot, zeide tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?</verse>
				<verse number="23">Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.</verse>
				<verse number="24">Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="25">Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.</verse>
				<verse number="26">Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.</verse>
				<verse number="27">Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.</verse>
				<verse number="28">Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weder tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.</verse>
				<verse number="29">En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschied is; opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.</verse>
				<verse number="30">Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.</verse>
				<verse number="31">Maar opdat de wereld wete, dat Ik den Vader liefheb, en alzo doe, gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laat ons van hier gaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.</verse>
				<verse number="2">Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.</verse>
				<verse number="3">Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.</verse>
				<verse number="4">Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.</verse>
				<verse number="5">Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.</verse>
				<verse number="6">Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.</verse>
				<verse number="7">Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.</verse>
				<verse number="8">Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.</verse>
				<verse number="9">Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.</verse>
				<verse number="10">Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.</verse>
				<verse number="11">Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.</verse>
				<verse number="12">Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb.</verse>
				<verse number="13">Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.</verse>
				<verse number="14">Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.</verse>
				<verse number="15">Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.</verse>
				<verse number="16">Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.</verse>
				<verse number="17">Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.</verse>
				<verse number="18">Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.</verse>
				<verse number="19">Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.</verse>
				<verse number="20">Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.</verse>
				<verse number="21">Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft.</verse>
				<verse number="22">Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.</verse>
				<verse number="23">Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader.</verse>
				<verse number="24">Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat.</verse>
				<verse number="25">Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.</verse>
				<verse number="26">Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.</verse>
				<verse number="27">En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt.</verse>
				<verse number="2">Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen.</verse>
				<verse number="3">En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben, noch Mij.</verse>
				<verse number="4">Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer de ure zal gekomen zijn, gij dezelve moogt gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; doch deze dingen heb Ik u van het begin niet gezegd, omdat Ik bij ulieden was.</verse>
				<verse number="5">En nu ga Ik heen tot Dengene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij henen?</verse>
				<verse number="6">Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft de droefheid uw hart vervuld.</verse>
				<verse number="7">Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.</verse>
				<verse number="8">En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:</verse>
				<verse number="9">Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;</verse>
				<verse number="10">En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien;</verse>
				<verse number="11">En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.</verse>
				<verse number="12">Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen.</verse>
				<verse number="13">Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.</verse>
				<verse number="14">Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.</verse>
				<verse number="15">Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.</verse>
				<verse number="16">Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien, want Ik ga heen tot den Vader.</verse>
				<verse number="17">Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot den Vader?</verse>
				<verse number="18">Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.</verse>
				<verse number="19">Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat Ik gezegd heb: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien, en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien?</verse>
				<verse number="20">Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.</verse>
				<verse number="21">Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.</verse>
				<verse number="22">En gij dan hebt nu wel droefheid; maar Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.</verse>
				<verse number="23">En in dien dag zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.</verse>
				<verse number="24">Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.</verse>
				<verse number="25">Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen.</verse>
				<verse number="26">In dien dag zult gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal;</verse>
				<verse number="27">Want de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan.</verse>
				<verse number="28">Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader.</verse>
				<verse number="29">Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, en zegt geen gelijkenis.</verse>
				<verse number="30">Nu weten wij, dat Gij alle dingen weet, en Gij hebt niet van node, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt.</verse>
				<verse number="31">Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu?</verse>
				<verse number="32">Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.</verse>
				<verse number="33">Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.</verse>
				<verse number="2">Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.</verse>
				<verse number="3">En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.</verse>
				<verse number="4">Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;</verse>
				<verse number="5">En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.</verse>
				<verse number="6">Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.</verse>
				<verse number="7">Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is.</verse>
				<verse number="8">Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.</verse>
				<verse number="9">Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.</verse>
				<verse number="10">En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.</verse>
				<verse number="11">En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.</verse>
				<verse number="12">Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.</verse>
				<verse number="13">Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.</verse>
				<verse number="14">Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.</verse>
				<verse number="15">Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.</verse>
				<verse number="16">Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.</verse>
				<verse number="17">Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.</verse>
				<verse number="18">Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.</verse>
				<verse number="19">En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.</verse>
				<verse number="20">En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.</verse>
				<verse number="21">Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.</verse>
				<verse number="22">En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij één zijn;</verse>
				<verse number="23">Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.</verse>
				<verse number="24">Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld.</verse>
				<verse number="25">Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.</verse>
				<verse number="26">22En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="2">En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="3">Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en farizeeën, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.</verse>
				<verse number="4">Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?</verse>
				<verse number="5">Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazaréner. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.</verse>
				<verse number="6">Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.</verse>
				<verse number="7">Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazaréner.</verse>
				<verse number="8">Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.</verse>
				<verse number="9">Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.</verse>
				<verse number="10">Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.</verse>
				<verse number="11">Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?</verse>
				<verse number="12">De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;</verse>
				<verse number="13">En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was.</verse>
				<verse number="14">Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat één Mens voor het volk stierve.</verse>
				<verse number="15">En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal.</verse>
				<verse number="16">En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.</verse>
				<verse number="17">De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.</verse>
				<verse number="18">En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.</verse>
				<verse number="19">De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.</verse>
				<verse number="20">Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.</verse>
				<verse number="21">Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.</verse>
				<verse number="22">En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?</verse>
				<verse number="23">Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?</verse>
				<verse number="24">(Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.)</verse>
				<verse number="25">En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.</verse>
				<verse number="26">Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?</verse>
				<verse number="27">Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.</verse>
				<verse number="28">Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.</verse>
				<verse number="29">Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens?</verse>
				<verse number="30">Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.</verse>
				<verse number="31">Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.</verse>
				<verse number="32">Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.</verse>
				<verse number="33">Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?</verse>
				<verse number="34">Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd?</verse>
				<verse number="35">Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?</verse>
				<verse number="36">Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.</verse>
				<verse number="37">Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.</verse>
				<verse number="38">Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.</verse>
				<verse number="39">Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha één loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?</verse>
				<verse number="40">Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet Dezen, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem.</verse>
				<verse number="2">En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;</verse>
				<verse number="3">En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.</verse>
				<verse number="4">Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Ziet, ik breng Hem tot ulieden uit, opdat gij wetet, dat ik in Hem geen schuld vinde.</verse>
				<verse number="5">Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Ziet, de Mens!</verse>
				<verse number="6">Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld.</verse>
				<verse number="7">De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.</verse>
				<verse number="8">Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd;</verse>
				<verse number="9">En ging wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt Gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.</verse>
				<verse number="10">Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?</verse>
				<verse number="11">Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groter zonde.</verse>
				<verse number="12">Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.</verse>
				<verse number="13">Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrótos, en in het Hebreeuws Gábbatha.</verse>
				<verse number="14">En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!</verse>
				<verse number="15">Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan den keizer.</verse>
				<verse number="16">Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus, en leidden Hem weg.</verse>
				<verse number="17">En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;</verse>
				<verse number="18">Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.</verse>
				<verse number="19">En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARÉNER, DE KONING DER JODEN.</verse>
				<verse number="20">Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn.</verse>
				<verse number="21">De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.</verse>
				<verse number="22">Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.</verse>
				<verse number="23">De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.</verse>
				<verse number="24">Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.</verse>
				<verse number="25">En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klópas, en Maria Magdaléna.</verse>
				<verse number="26">Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.</verse>
				<verse number="27">Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.</verse>
				<verse number="28">Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.</verse>
				<verse number="29">Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.</verse>
				<verse number="30">Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.</verse>
				<verse number="31">De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden.</verse>
				<verse number="32">De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten, en des anderen, die met Hem gekruist was;</verse>
				<verse number="33">Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet.</verse>
				<verse number="34">Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.</verse>
				<verse number="35">En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt.</verse>
				<verse number="36">Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.</verse>
				<verse number="37">En wederom zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Welken zij gestoken hebben.</verse>
				<verse number="38">En daarna Jozef van Arimathéa (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.</verse>
				<verse number="39">En Nicodémus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë; omtrent honderd ponden gewichts.</verse>
				<verse number="40">Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.</verse>
				<verse number="41">En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.</verse>
				<verse number="42">Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">En op den eersten dag der week ging Maria Magdaléna vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen.</verse>
				<verse number="2">Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben.</verse>
				<verse number="3">Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf.</verse>
				<verse number="4">En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf.</verse>
				<verse number="5">En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen; nochtans ging hij er niet in.</verse>
				<verse number="6">Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen.</verse>
				<verse number="7">En den zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold.</verse>
				<verse number="8">Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde.</verse>
				<verse number="9">Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.</verse>
				<verse number="10">De discipelen dan gingen wederom naar huis.</verse>
				<verse number="11">En Maria stond buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf;</verse>
				<verse number="12">En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd, en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.</verse>
				<verse number="13">En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.</verse>
				<verse number="14">En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was.</verse>
				<verse number="15">Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.</verse>
				<verse number="16">Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester.</verse>
				<verse number="17">Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.</verse>
				<verse number="18">Maria Magdaléna ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.</verse>
				<verse number="19">Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!</verse>
				<verse number="20">En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.</verse>
				<verse number="21">Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden.</verse>
				<verse number="22">En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="23">Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.</verse>
				<verse number="24">En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.</verse>
				<verse number="25">De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.</verse>
				<verse number="26">En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!</verse>
				<verse number="27">Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.</verse>
				<verse number="28">En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!</verse>
				<verse number="29">Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.</verse>
				<verse number="30">Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;</verse>
				<verse number="31">Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tibérias. En Hij openbaarde Zich aldus:</verse>
				<verse number="2">Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathánaël, die van Kana in Galiléa was, en de zonen van Zebedéüs, en twee anderen van Zijn discipelen.</verse>
				<verse number="3">Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.</verse>
				<verse number="4">En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.</verse>
				<verse number="5">Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.</verse>
				<verse number="6">En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.</verse>
				<verse number="7">De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee.</verse>
				<verse number="8">En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.</verse>
				<verse number="9">Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.</verse>
				<verse number="10">Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissen, die gij nu gevangen hebt.</verse>
				<verse number="11">Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet.</verse>
				<verse number="12">Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.</verse>
				<verse number="13">Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.</verse>
				<verse number="14">Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.</verse>
				<verse number="15">Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.</verse>
				<verse number="16">Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen.</verse>
				<verse number="17">Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.</verse>
				<verse number="18">Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt.</verse>
				<verse number="19">En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.</verse>
				<verse number="20">En Petrus, zich omkerende, zag den discipel volgen, welken Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie is het, die U verraden zal?</verse>
				<verse number="21">Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze?</verse>
				<verse number="22">Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.</verse>
				<verse number="23">Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan?</verse>
				<verse number="24">Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is.</verse>
				<verse number="25">En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder geschreven wierden, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="44">
			<chapter number="1">
				<heading verse="1">De belofte van de Heilige Geest</heading>
				<verse number="1">Het eerste boek heb ik geschreven, o Theofilus, over alles wat Jezus begonnen is zowel te doen als te onderwijzen,</verse>
				<note verse="1">Grieks λογον (logon) = boek, verslag — Lukas verwijst naar zijn evangelie; διδασκειν (didaskein) = onderwijzen</note>
				<ref verse="1">Lk 1:1-4</ref>
				<verse number="2">tot op de dag waarop Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen die Hij uitgekozen had, bevelen had gegeven.</verse>
				<ref verse="2">Mk 16:19; Lk 24:49-51</ref>
				<verse number="3">Aan hen heeft Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelf levend vertoond met vele overtuigende bewijzen, en Hij is veertig dagen lang door hen gezien, terwijl Hij sprak over de dingen die het Koninkrijk van God aangaan.</verse>
				<note verse="3">Grieks τεκμηριοις (tekmēriois) = onweerlegbare, overtuigende bewijzen — sterker dan “kentekenen”</note>
				<ref verse="3">1 Kor 15:5-7</ref>
				<verse number="4">En toen Hij met hen samen was, beval Hij hun dat zij niet uit Jeruzalem zouden weggaan, maar de belofte van de Vader zouden verwachten, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt.</verse>
				<note verse="4">Grieks συναλιζομενος (synalizomenos) = samen zijn, samen eten — de exacte betekenis is omstreden</note>
				<ref verse="4">Lk 24:49; Joh 14:16-17</ref>
				<verse number="5">Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.</verse>
				<ref verse="5">Mt 3:11; Lk 3:16; Hand 2:1-4; Hand 11:16</ref>
				<verse number="6">Zij dan die samengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Heer, zult U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël herstellen?</verse>
				<note verse="6">Grieks αποκαθιστανεις (apokathistaneis) = herstellen in oorspronkelijke staat — een politiek geladen vraag</note>
				<ref verse="6">Lk 24:21; Dan 7:27</ref>
				<verse number="7">En Hij zei tegen hen: Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;</verse>
				<note verse="7">Grieks χρονους η καιρους (chronous ē kairous) = tijden of gelegenheden — chronos = tijdsduur, kairos = beslissend moment</note>
				<ref verse="7">Mt 24:36; 1 Thess 5:1</ref>
				<verse number="8">Maar u zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.</verse>
				<note verse="8">Grieks μαρτυρες (martyres) = getuigen — oorsprong van het woord “martelaar”</note>
				<ref verse="8">Hand 2:1-4; Lk 24:48-49; Jes 43:10; Mt 28:19</ref>
				<heading verse="9">De hemelvaart van Jezus</heading>
				<verse number="9">En toen Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen terwijl zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.</verse>
				<ref verse="9">Mk 16:19; Lk 24:51</ref>
				<verse number="10">En terwijl zij hun ogen naar de hemel gericht hielden toen Hij heenvoer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;</verse>
				<ref verse="10">Lk 24:4</ref>
				<verse number="11">Die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u en kijkt op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.</verse>
				<ref verse="11">Mt 24:30; Dan 7:13; Openb 1:7; 1 Thess 4:16-17</ref>
				<heading verse="12">De apostelen bijeen in Jeruzalem</heading>
				<verse number="12">Toen keerden zij terug naar Jeruzalem, van de berg die de Olijfberg genoemd wordt, die dichtbij Jeruzalem ligt, op een sabbatsreis afstand.</verse>
				<ref verse="12">Lk 24:52</ref>
				<verse number="13">En toen zij binnengekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal waar zij verbleven: Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot, en Judas, de broer van Jakobus.</verse>
				<ref verse="13">Mt 10:2-4; Mk 3:16-19; Lk 6:14-16</ref>
				<verse number="14">Dezen allen bleven eensgezind volharden in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.</verse>
				<note verse="14">Nestle-Aland leest alleen τη προσευχη (het gebed); de TR voegt και τη δεησει (en het smeken) toe</note>
				<ref verse="14">Hand 2:1; Lk 23:49</ref>
				<heading verse="15">De verkiezing van Matthias</heading>
				<verse number="15">En in die dagen stond Petrus op te midden van de discipelen en sprak (er was een menigte bijeen van ongeveer honderdtwintig personen):</verse>
				<note verse="15">Nestle-Aland leest αδελφων (broeders) i.p.v. μαθητων (discipelen) — de SV volgt de TR-lezing</note>
				<ref verse="15">Hand 2:14</ref>
				<verse number="16">Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, die de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft over Judas, die de gids geweest is van hen die Jezus gevangennamen;</verse>
				<note verse="16">Grieks οδηγου (hodēgou) = gids, wegwijzer — niet “leidsman” in de zin van leider</note>
				<ref verse="16">Ps 41:10; Lk 22:47; Joh 13:18</ref>
				<verse number="17">Want hij was onder ons gerekend en had het deel van deze bediening verkregen.</verse>
				<ref verse="17">Lk 6:16; Joh 6:70-71</ref>
				<verse number="18">Deze dan heeft een akker verworven met het loon van de ongerechtigheid, en voorover gevallen is hij midden opengebarsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.</verse>
				<note verse="18">Grieks πρηνης (prēnēs) = voorover, op het gezicht — niet “voorwaarts”; vergelijk Mt 27:5 waar een ander verhaal staat over Judas’ dood</note>
				<ref verse="18">Mt 27:3-8</ref>
				<verse number="19">En het is bekend geworden bij allen die in Jeruzalem wonen, zodat die akker in hun eigen taal Akeldama genoemd wordt, dat is: Bloedakker.</verse>
				<note verse="19">Grieks Ἁκελδαμαχ (Hakeldamach) = Aramees voor “akker van bloed”</note>
				<ref verse="19">Mt 27:8</ref>
				<verse number="20">Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen: Laat zijn woonplaats woest worden, en laat er niemand zijn die daarin woont. En: Laat een ander zijn opzienerschap nemen.</verse>
				<note verse="20">Grieks επισκοπην (episkopēn) = opzienerschap, ambt van opzicht — citaten uit Ps 69:26 en Ps 109:8</note>
				<ref verse="20">Ps 69:26; Ps 109:8</ref>
				<verse number="21">Het is dan nodig dat van de mannen die met ons omgegaan zijn de hele tijd dat de Heer Jezus onder ons in- en uitging,</verse>
				<ref verse="21">Joh 15:27</ref>
				<verse number="22">vanaf de doop van Johannes tot de dag waarop Hij van ons opgenomen is, één van hen met ons getuige wordt van Zijn opstanding.</verse>
				<ref verse="22">Hand 10:37-41</ref>
				<verse number="23">En zij stelden er twee voor: Jozef, genaamd Barsabbas, die ook Justus werd genoemd, en Matthias.</verse>
				<ref verse="23">Hand 15:22</ref>
				<verse number="24">En zij baden en zeiden: U, Heer, Kenner van de harten van allen, wijs van deze twee degene aan die U uitgekozen hebt,</verse>
				<note verse="24">Grieks καρδιογνωστα (kardiognōsta) = Kenner van harten — komt alleen hier en in Hand 15:8 voor in het NT</note>
				<ref verse="24">1 Sam 16:7; Jer 17:10; Openb 2:23</ref>
				<verse number="25">om de plaats te ontvangen in deze bediening en dit apostelschap, waarvan Judas afgeweken is om naar zijn eigen plaats te gaan.</verse>
				<ref verse="25">Mt 27:3-5</ref>
				<verse number="26">En zij wierpen hun loten, en het lot viel op Matthias, en hij werd met algemene instemming aan de elf apostelen toegevoegd.</verse>
				<note verse="26">Grieks συγκατεψηφισθη (synkatepsēphisthē) = meegeteld worden, bijgevoegd door stemming — niet “met gemene toestemming gekozen”</note>
				<ref verse="26">Spr 16:33</ref>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<heading verse="1">De uitstorting van de Heilige Geest</heading>
				<verse number="1">En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen bijeen.</verse>
				<ref verse="1">Hand 1:14; Lev 23:15-16</ref>
				<verse number="2">En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een krachtige windvlaag, en het vervulde het hele huis waar zij zaten.</verse>
				<note verse="2">Grieks ἄφνω = plotseling — "haastelijk" is verouderd; πνοῆς βιαίας = krachtige windvlaag</note>
				<verse number="3">En aan hen werden verdeelde tongen gezien, als van vuur, en het zat op ieder van hen.</verse>
				<verse number="4">En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.</verse>
				<note verse="4">Grieks ἀποφθέγγεσθαι = luid en plechtig uitspreken — een bijzonder werkwoord dat geïnspireerde uitspraak aanduidt</note>
				<ref verse="4">Hand 1:5; Mk 16:17</ref>
				<verse number="5">En er waren Joden die in Jeruzalem woonden, godvrezende mannen uit elk volk onder de hemel.</verse>
				<verse number="6">En toen dit geluid geklonken had, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.</verse>
				<note verse="6">Grieks συνεχύθη = in verwarring gebracht — "beroerd" is verouderd in deze betekenis</note>
				<verse number="7">En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zeiden tegen elkaar: Zie, zijn niet allen die daar spreken, Galileërs?</verse>
				<verse number="8">En hoe horen wij hen, ieder in onze eigen taal waarin wij geboren zijn?</verse>
				<verse number="9">Parthen, en Meden, en Elamieten, en de inwoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, Pontus en Azië,</verse>
				<verse number="10">Frygië en Pamfylië, Egypte en de delen van Libië dat bij Cyrene ligt, en de Romeinen die hier verblijven, zowel Joden als Jodengenoten,</verse>
				<verse number="11">Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken.</verse>
				<verse number="12">En zij waren allen buiten zichzelf en in verlegenheid, en zeiden de een tegen de ander: Wat wil dit toch zijn?</verse>
				<note verse="12">Grieks διηπόρουν = in verlegenheid zijn, niet weten wat te denken — "twijfelmoedig" is verouderd</note>
				<verse number="13">Maar anderen zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.</verse>
				<note verse="13">Grieks γλεύκους = nieuwe/zoete wijn — een gegiste, maar zoet smakende wijn</note>
				<heading verse="14">De toespraak van Petrus</heading>
				<verse number="14">Maar Petrus stond op met de elf en verhief zijn stem en sprak tegen hen: Joodse mannen, en u allen die in Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en neem mijn woorden ter ore.</verse>
				<verse number="15">Want dezen zijn niet dronken, zoals u vermoedt; want het is pas het derde uur van de dag.</verse>
				<verse number="16">Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël:</verse>
				<ref verse="16">Joël 2:28-32</ref>
				<verse number="17">En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen visioenen zien, en uw ouderen zullen dromen dromen.</verse>
				<note verse="17">Grieks ὁράσεις = visioenen — "gezichten" in de SV is verouderd voor "visioen"</note>
				<verse number="18">En ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.</verse>
				<verse number="19">En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookdamp.</verse>
				<verse number="20">De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat de grote en glorierijke dag van de Heer komt.</verse>
				<note verse="20">Grieks ἐπιφανῆ = luisterrijk, glorieus — "doorluchtige" is verouderd; citaat uit Joël 2:31 waar het Hebreeuws יהוה (YHWH) heeft</note>
				<verse number="21">En het zal zijn dat ieder die de Naam van de Heer zal aanroepen, gered zal worden.</verse>
				<note verse="21">Grieks σωθήσεται = gered worden — "zalig worden" is verouderd (zie hertaalregels); citaat Joël 2:32</note>
				<ref verse="21">Joël 2:32; Rom 10:13</ref>
				<verse number="22">Israëlietische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man door God aan u bewezen door krachten en wonderen en tekenen, die God door Hem gedaan heeft in uw midden, zoals u ook zelf weet;</verse>
				<note verse="22">Grieks ἀποδεδειγμένον = aangewezen, bewezen — "betoond" is verouderd</note>
				<ref verse="22">Joh 3:2; Hand 10:38</ref>
				<verse number="23">Hem, Die door de vastgestelde raad en voorkennis van God overgegeven is, hebt u genomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis genageld en gedood;</verse>
				<ref verse="23">Hand 4:28; 1 Petr 1:20</ref>
				<verse number="24">Die God opgewekt heeft, nadat Hij de weeën van de dood had ontbonden, omdat het niet mogelijk was dat Hij door de dood vastgehouden zou worden.</verse>
				<note verse="24">Grieks ὠδῖνας = weeën, barensnood — een metafoor van geboorte, sterker dan "smarten"; de dood kon Christus niet vasthouden</note>
				<ref verse="24">Hand 3:15; 13:30</ref>
				<verse number="25">Want David zegt over Hem: Ik zag de Heer altijd voor mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou.</verse>
				<ref verse="25">Ps 16:8-11</ref>
				<verse number="26">Daarom is mijn hart verblijd en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hoop;</verse>
				<verse number="27">Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten, en U zult Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.</verse>
				<note verse="27">Grieks ᾅδην = Hades, het dodenrijk — niet "hel" (Gehenna); διαφθοράν = ontbinding, verval van het lichaam — "verderving" is verouderd</note>
				<verse number="28">U hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; U zult mij vervullen met vreugde in Uw aanwezigheid.</verse>
				<note verse="28">Grieks εὐφροσύνης = vreugde, blijdschap — "verheuging" is verouderd</note>
				<verse number="29">Mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tegen u te spreken over de patriarch David, dat hij zowel gestorven als begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.</verse>
				<verse number="30">Omdat hij dan een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had, dat Hij uit de vrucht van zijn lendenen, wat het vlees betreft, de Christus zou verwekken om Hem op zijn troon te zetten;</verse>
				<note verse="30">Nestle-Aland laat "zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou" weg — de SV volgt de langere TR-lezing; Grieks ὀσφύος = lendenen</note>
				<ref verse="30">2 Sam 7:12; Ps 132:11</ref>
				<verse number="31">heeft hij, dit voorziende, gesproken over de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in het dodenrijk, en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.</verse>
				<ref verse="31">Ps 16:10</ref>
				<verse number="32">Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.</verse>
				<verse number="33">Hij dan, verhoogd aan de rechterhand van God, en de belofte van de Heilige Geest ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort.</verse>
				<verse number="34">Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heer heeft gezegd tegen mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand,</verse>
				<note verse="34">Citaat Ps 110:1 — eerste κύριος = Jahweh (Hebreeuws יהוה), tweede κυρίῳ μου = mijn Heer (Hebreeuws אדני, Adonai)</note>
				<ref verse="34">Ps 110:1</ref>
				<verse number="35">totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten.</verse>
				<verse number="36">Laat dan het hele huis van Israël zeker weten dat God Hem tot Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.</verse>
				<ref verse="36">Hand 5:31; Fil 2:9-11</ref>
				<heading verse="37">De eerste bekeerlingen</heading>
				<verse number="37">En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt, en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?</verse>
				<note verse="37">Grieks κατενύγησαν = doorboord, diep getroffen in het hart — sterker dan "verslagen"</note>
				<verse number="38">En Petrus zei tegen hen: Bekeer u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.</verse>
				<ref verse="38">Lk 24:47; Hand 3:19</ref>
				<verse number="39">Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen, en voor allen die ver weg zijn, zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zal.</verse>
				<ref verse="39">Jes 57:19; Ef 2:13</ref>
				<verse number="40">En met veel meer andere woorden getuigde hij en vermaande hen en zei: Laat u redden van dit verdorven geslacht!</verse>
				<note verse="40">Grieks Σώθητε = word gered — "wordt behouden" is verouderd; σκολιᾶς = verdorven, krom — sterker dan "verkeerd"</note>
				<verse number="41">Zij dan die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen aan hen toegevoegd.</verse>
				<heading verse="42">Het leven van de eerste gemeente</heading>
				<verse number="42">En zij volhardden in het onderwijs van de apostelen, en in de gemeenschap, en in het breken van het brood, en in de gebeden.</verse>
				<ref verse="42">Hand 20:7</ref>
				<verse number="43">En er kwam vrees over elke ziel; en vele wonderen en tekenen gebeurden door de apostelen.</verse>
				<verse number="44">En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk;</verse>
				<ref verse="44">Hand 4:32-35</ref>
				<verse number="45">En zij verkochten hun bezittingen en goederen, en verdeelden die aan allen, naardat ieder nodig had.</verse>
				<note verse="45">Grieks ὑπάρξεις = bezittingen — "have" is verouderd</note>
				<verse number="46">En zij waren dagelijks eensgezind in de tempel, en braken van huis tot huis brood, en aten samen met vreugde en oprechtheid van hart,</verse>
				<note verse="46">Grieks ἀγαλλιάσει = vreugde, jubel; ἀφελότητι = eenvoud, oprechtheid — "verheuging" en "eenvoudigheid" zijn verouderd</note>
				<verse number="47">en prezen God, en hadden genade bij het hele volk. En de Heer voegde dagelijks aan de gemeente toe die gered werden.</verse>
				<note verse="47">Grieks σῳζομένους = die gered werden (tegenwoordige tijd, voortdurend proces) — "zalig worden" is verouderd</note>
				<ref verse="47">Hand 5:14; 11:24</ref>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<heading verse="1">De genezing van de kreupele</heading>
				<verse number="1">Petrus nu en Johannes gingen samen op naar de tempel, omstreeks het uur van het gebed, namelijk het negende uur;</verse>
				<verse number="2">En een zekere man, die kreupel was van zijn moeders schoot af, werd gedragen; men zette hem dagelijks bij de poort van de tempel, genaamd de Schone, om een liefdegave te vragen aan degenen die de tempel binnengingen;</verse>
				<note verse="2">Grieks χωλός (chōlos) = kreupel, mank; ἐκ κοιλίας μητρός = van zijn moeders schoot af, d.w.z. vanaf de geboorte; Ὡραίαν = de Schone (poort) — waarschijnlijk de Nikanorpor aan de oostzijde van de tempel</note>
				<ref verse="2">Hand 14:8</ref>
				<verse number="3">Toen hij Petrus en Johannes zag, die de tempel zouden binnengaan, vroeg hij om een liefdegave te mogen ontvangen.</verse>
				<verse number="4">En Petrus keek hem indringend aan, samen met Johannes, en zei: Kijk naar ons.</verse>
				<note verse="4">Grieks ἀτενίσας (atenisas) = strak/scherp aankijken — een indringend, vastberaden kijken</note>
				<verse number="5">En hij keek hen aandachtig aan, in de verwachting dat hij iets van hen zou ontvangen.</verse>
				<verse number="6">En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u; in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en loop!</verse>
				<verse number="7">En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en meteen werden zijn voeten en enkels stevig.</verse>
				<note verse="7">Grieks ἐστερεώθησαν (estereōthēsan) = werden stevig, werden sterk; βάσεις καὶ σφυδρά = voeten en enkels</note>
				<verse number="8">En hij sprong op, stond en liep, en ging met hen de tempel in, terwijl hij liep en sprong en God loofde.</verse>
				<verse number="9">En heel het volk zag hem lopen en God loven.</verse>
				<verse number="10">En zij herkenden hem als degene die om een liefdegave had gezeten bij de Schone poort van de tempel; en zij werden vervuld met verbazing en ontzetting over wat hem overkomen was.</verse>
				<note verse="10">Grieks θάμβους καὶ ἐκστάσεως = verbazing en ontzetting — ἔκστασις duidt op een overweldigende, buitenzintuiglijke ervaring van verwondering</note>
				<heading verse="11">De toespraak van Petrus in de zuilengang</heading>
				<verse number="11">En toen de kreupele man, die genezen was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep heel het volk samen naar hen toe in de zuilengang die Salomo's zuilengang genoemd wordt, vol verbazing.</verse>
				<note verse="11">Grieks στοᾷ Σολομῶντος = de zuilengang van Salomo — een overdekte zuilenhal aan de oostzijde van de tempelberg (vgl. Joh 10:23)</note>
				<ref verse="11">Joh 10:23; Hand 5:12</ref>
				<verse number="12">En toen Petrus dat zag, sprak hij tegen het volk: Israëlietische mannen, waarom verwondert u zich hierover, of waarom kijkt u zo strak naar ons, alsof wij door onze eigen kracht of godsvrees deze man hadden doen lopen?</verse>
				<note verse="12">Grieks εὐσεβείᾳ (eusebeia) = godsvrucht, vroomheid — "godzaligheid" is verouderd</note>
				<verse number="13">De God van Abraham, en Izak, en Jakob, de God van onze vaderen, heeft Zijn Knecht Jezus verheerlijkt, Die u overgeleverd hebt en verloochend hebt ten overstaan van Pilatus, toen hij oordeelde dat men Hem zou loslaten.</verse>
				<note verse="13">Grieks παῖδα (paida) = knecht, dienaar — verwijst naar de Knecht van JHWH uit Jesaja 42-53 (Hebreeuws עבד eved); de SV vertaalt "Kind" maar de context wijst op de Lijdende Knecht; κατὰ πρόσωπον = ten overstaan van</note>
				<ref verse="13">Ex 3:6, 15; Jes 52:13; Hand 2:23</ref>
				<verse number="14">Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt gevraagd dat u een man die een moordenaar was, zou geschonken worden;</verse>
				<note verse="14">Grieks φονέα (phonea) = moordenaar — "doodslager" is verouderd</note>
				<ref verse="14">Lk 23:18-25</ref>
				<verse number="15">En de Vorst van het leven hebt u gedood, Die God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.</verse>
				<note verse="15">Grieks ἀρχηγόν τῆς ζωῆς (archēgon tēs zōēs) = de Vorst/Leidsman/Grondlegger van het leven — ἀρχηγός duidt zowel op leiderschap als op oorsprong; Jezus is de bron en het begin van het leven</note>
				<ref verse="15">Hand 2:24, 32; 1 Kor 15:15; Hebr 2:10; 12:2</ref>
				<verse number="16">En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze man gesterkt, die u ziet en kent; en het geloof dat door Hem is, heeft hem dit volkomen herstel gegeven, in tegenwoordigheid van u allen.</verse>
				<note verse="16">Grieks ὁλοκληρίαν (holoklērian) = volkomen herstel, volmaakte gezondheid — letterlijk "heelheid in al zijn delen"</note>
				<verse number="17">En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid gedaan hebt, evenals ook uw leiders.</verse>
				<note verse="17">Grieks κατὰ ἄγνοιαν (kata agnoian) = uit onwetendheid — Petrus verzacht de aanklacht (vgl. Lk 23:34)</note>
				<ref verse="17">Lk 23:34; 1 Tim 1:13</ref>
				<verse number="18">Maar God heeft zo vervuld wat Hij door de mond van al Zijn profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.</verse>
				<ref verse="18">Jes 53:1-12; Lk 24:25-27, 44</ref>
				<verse number="19">Kom dan tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist mogen worden; zodat er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heer,</verse>
				<note verse="19">Grieks μετανοήσατε (metanoēsate) = kom tot inkeer, bekeer u in denken — sterker dan "betert u"; ἀναψύξεως (anapsyxeōs) = verkwikking, verfrissing — een zeldzaam woord (NT hapax) dat verlichting en verademing uitdrukt</note>
				<ref verse="19">Hand 2:38; Jes 44:22</ref>
				<verse number="20">en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren voor u bestemd is;</verse>
				<note verse="20">Grieks προκεχειρισμένον (prokecheirismenon) = tevoren aangesteld, bestemd — niet "gepredikt" (dat is κηρύσσω); Jezus is de door God tevoren bestemde Christus</note>
				<verse number="21">Die de hemel moet ontvangen tot de tijden van het herstel van alle dingen, waarover God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van oudsher.</verse>
				<note verse="21">Grieks ἀποκαταστάσεως πάντων (apokatastaseōs pantōn) = het herstel van alle dingen — een belangrijk eschatologisch begrip: de uiteindelijke vernieuwing van de schepping bij Christus' wederkomst</note>
				<ref verse="21">Mt 17:11; Rom 8:19-21; Openb 21:1-5</ref>
				<verse number="22">Want Mozes heeft tegen de vaderen gezegd: De Heer, uw God, zal voor u een Profeet verwekken uit uw broeders, zoals mij; naar Hem zult u luisteren in alles wat Hij tegen u spreken zal.</verse>
				<note verse="22">Citaat uit Deut 18:15, 18-19 — de beloofde Profeet als Mozes, door Petrus toegepast op Jezus Christus</note>
				<ref verse="22">Deut 18:15, 18-19; Hand 7:37</ref>
				<verse number="23">En het zal zijn dat elke ziel die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.</verse>
				<note verse="23">Grieks ἐξολεθρευθήσεται (exolethreuthēsetai) = volkomen uitgeroeid worden — een zeer sterk woord dat totale vernietiging aanduidt</note>
				<ref verse="23">Deut 18:19</ref>
				<verse number="24">En ook alle profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, hebben ook deze dagen tevoren verkondigd.</verse>
				<verse number="25">U bent kinderen van de profeten en van het verbond dat God met onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tegen Abraham zei: En in uw nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.</verse>
				<note verse="25">Grieks σπέρματι (spermati) = nageslacht, zaad — "zaad" is verouderd in deze context (vgl. Rom 1:3); citaat uit Gen 22:18 / Gen 12:3; διαθήκης = verbond</note>
				<ref verse="25">Gen 12:3; 22:18; Gal 3:8, 16</ref>
				<verse number="26">God heeft, nadat Hij Zijn Knecht Jezus had doen opstaan, Hem eerst naar u gezonden, om u te zegenen doordat Hij ieder van u afkeert van uw slechte daden.</verse>
				<note verse="26">Grieks παῖδα (paida) = Knecht, dienaar (zie v13); ἀναστήσας kan hier zowel "doen opstaan" (uit de dood) als "verwekt" (als profeet) betekenen; πονηριῶν = slechte daden, boosheden</note>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<heading verse="1">Petrus en Johannes voor de Raad</heading>
				<verse number="1">En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen de priesters, en de hoofdman van de tempel, en de Sadduceeën op hen af;</verse>
				<note verse="1">Grieks στρατηγός τοῦ ἱεροῦ (stratēgos tou hierou) = hoofdman/bevelhebber van de tempel — de op één na hoogste functionaris na de hogepriester, verantwoordelijk voor de tempelwacht</note>
				<verse number="2">Zeer ontstemd, omdat zij het volk onderwezen, en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden.</verse>
				<note verse="2">Grieks διαπονέομαι (diaponeomoi) = zeer ontstemd zijn, geërgerd zijn — sterker dan alleen "ontevreden"; καταγγέλλω (katangellō) = verkondigen, bekendmaken</note>
				<ref verse="2">Hand 23:8; 1 Kor 15:12</ref>
				<verse number="3">En zij sloegen de handen aan hen, en zetten hen in bewaring tot de volgende dag; want het was al avond.</verse>
				<verse number="4">En velen van hen die het woord gehoord hadden, geloofden; en het aantal mannen werd ongeveer vijfduizend.</verse>
				<note verse="4">Grieks ἀνήρ (anēr) = man — het getal van vijfduizend betreft alleen de mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend</note>
				<ref verse="4">Hand 2:41</ref>
				<verse number="5">En het gebeurde de volgende dag, dat hun leiders en ouderlingen en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeenkwamen;</verse>
				<note verse="5">Grieks ἄρχοντες (archontes) = leiders, oversten — leden van het Sanhedrin; "oversten" vervangen door "leiders"</note>
				<verse number="6">En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en allen die van het hogepriesterlijk geslacht waren.</verse>
				<verse number="7">En toen zij hen in het midden hadden geplaatst, vroegen zij: Door welke kracht, of door welke naam hebt u dit gedaan?</verse>
				<verse number="8">Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tegen hen: Leiders van het volk en ouderlingen van Israël!</verse>
				<ref verse="8">Luk 12:11-12; 21:15</ref>
				<verse number="9">Als wij vandaag ondervraagd worden over de weldaad aan een ziek mens bewezen, waardoor hij genezen is;</verse>
				<note verse="9">Grieks ἀνακρίνω (anakrinō) = ondervragen, onderzoeken — juridische term voor een gerechtelijk verhoor; εὐεργεσία (euergesia) = weldaad, goede daad</note>
				<verse number="10">Laat het dan u allen bekend zijn, en heel het volk van Israël, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruisigd hebt, Die God uit de doden heeft opgewekt, dat door Hem deze hier gezond voor u staat.</verse>
				<note verse="10">Grieks ὑγιής (hygiēs) = gezond, heel — het woord waarvan ons "hygiëne" afkomt</note>
				<ref verse="10">Hand 3:6,16; Fil 2:9-11</ref>
				<verse number="11">Deze is de Steen, Die door u, de bouwers, veracht is, Die tot een hoeksteen geworden is.</verse>
				<note verse="11">Grieks κεφαλὴ γωνίας (kephalē gōnias) = hoofd van de hoek, hoeksteen — citaat uit Ps 118:22; de steen die de bouwers verwierpen werd de belangrijkste steen</note>
				<ref verse="11">Ps 118:22; Mat 21:42; 1 Petr 2:7</ref>
				<verse number="12">En de redding is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, waardoor wij gered moeten worden.</verse>
				<note verse="12">Grieks σωτηρία (sōtēria) = behoudenis, redding, heil — "zaligheid" vervangen door "behoudenis" als nauwkeuriger voor de volle verlossing; δεῖ (dei) = het is nodig, men moet — goddelijke noodzaak</note>
				<ref verse="12">Joh 14:6; 1 Tim 2:5</ref>
				<verse number="13">Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen, en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen dat zij met Jezus geweest waren.</verse>
				<note verse="13">Grieks παρρησία (parrēsia) = vrijmoedigheid, openhartigheid — de moed om vrijuit te spreken; ἀγράμματοι (agrammatoi) = ongeletterd, zonder formele opleiding — niet "dom" maar zonder rabbijnse scholing; ἰδιῶται (idiōtai) = gewone mensen, leken</note>
				<ref verse="13">Mat 4:18-22; Joh 7:15</ref>
				<verse number="14">En daar zij de mens bij hen zagen staan die genezen was, hadden zij er niets tegen in te brengen.</verse>
				<verse number="15">En nadat zij hun bevolen hadden buiten de Raad te gaan, overlegden zij met elkaar,</verse>
				<verse number="16">En zeiden: Wat zullen wij met deze mensen doen? Want dat er een duidelijk teken door hen verricht is, is bekend aan allen die in Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet ontkennen.</verse>
				<note verse="16">Grieks γνωστὸν σημεῖον (gnōston sēmeion) = een duidelijk/bekend teken — niet te ontkennen wonderteken</note>
				<verse number="17">Maar laten wij, opdat het niet nog verder onder het volk verspreid wordt, hen streng dreigen dat zij tot geen mens meer in deze Naam spreken.</verse>
				<note verse="17">Grieks ἀπειλή (apeilē) = dreiging, bedreiging — de Raad kiest voor intimidatie omdat zij het wonder niet kunnen ontkennen</note>
				<verse number="18">En nadat zij hen geroepen hadden, geboden zij hun dat zij in het geheel niet zouden spreken, noch onderwijzen, in de Naam van Jezus.</verse>
				<verse number="19">Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tegen hen: Oordeel zelf of het recht is voor God, naar u meer te luisteren dan naar God.</verse>
				<note verse="19">Grieks κρίνατε (krinate) = oordeel — imperativus: Petrus legt de verantwoordelijkheid bij het Sanhedrin zelf; δίκαιον (dikaion) = recht, rechtvaardig</note>
				<ref verse="19">Hand 5:29</ref>
				<verse number="20">Want wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben.</verse>
				<verse number="21">Maar zij bedreigden hen nog meer, en lieten hen gaan, omdat zij niets vonden om hen te straffen, vanwege het volk; want allen verheerlijkten God over wat er gebeurd was.</verse>
				<verse number="22">Want de mens aan wie dit teken van genezing verricht was, was meer dan veertig jaar oud.</verse>
				<heading verse="23">Het gebed van de gemeente</heading>
				<verse number="23">En nadat zij losgelaten waren, gingen zij naar de hunnen, en berichtten alles wat de overpriesters en de ouderlingen tegen hen gezegd hadden.</verse>
				<verse number="24">En toen zij dat gehoord hadden, verhieven zij eensgezind hun stem tot God en zeiden: Heer! U bent de God Die de hemel en de aarde en de zee gemaakt heeft, en alles wat daarin is;</verse>
				<note verse="24">Grieks δεσπότης (despotēs) = Heer, Meester, Soeverein — sterker dan κύριος; benadrukt Gods absolute heerschappij als Schepper</note>
				<ref verse="24">Ex 20:11; Ps 146:6; Openb 14:7</ref>
				<verse number="25">Die bij monde van David, Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenvolken, en bedenken de volken lege dingen?</verse>
				<note verse="25">Grieks ἔθνη (ethnē) = heidenvolken, naties — citaat uit Ps 2:1-2; "heidenen" vervangen door "heidenvolken" voor duidelijkheid</note>
				<ref verse="25">Ps 2:1-2</ref>
				<verse number="26">De koningen van de aarde hebben zich opgesteld, en de leiders zijn bijeengekomen tegen de Heer en tegen Zijn Gezalfde.</verse>
				<verse number="27">Want in waarheid zijn tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, bijeengekomen: Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenvolken en de volken van Israël;</verse>
				<note verse="27">Grieks παῖς (pais) = kind, knecht, dienaar — titel voor Jezus als de Dienaar van God; verwijst naar de lijdende Knecht uit Jesaja</note>
				<ref verse="27">Luk 23:1-12; Hand 3:13</ref>
				<verse number="28">Om alles te doen wat Uw hand en Uw raadsbesluit van tevoren bepaald had dat geschieden zou.</verse>
				<note verse="28">Grieks βουλή (boulē) = raadsbesluit, plan — Gods soevereine besluit dat van tevoren vastgesteld was; "raad" vervangen door "raadsbesluit" voor duidelijkheid</note>
				<ref verse="28">Hand 2:23; Ef 1:11</ref>
				<verse number="29">En nu dan, Heer, zie op hun bedreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;</verse>
				<verse number="30">Doordat U Uw hand uitstrekt tot genezing, en tekenen en wonderen geschieden door de Naam van Uw heilig Kind Jezus.</verse>
				<verse number="31">En toen zij gebeden hadden, werd de plaats waar zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.</verse>
				<note verse="31">Grieks ἐσαλεύθη (esaleuthē) = werd bewogen, geschud — aoristus passief; een fysiek teken van Gods antwoord op het gebed</note>
				<ref verse="31">Hand 2:2-4; 16:26</ref>
				<heading verse="32">De gemeenschap van goederen</heading>
				<verse number="32">En de menigte van hen die geloofden, was één van hart en één van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat zijn eigendom was, maar alle dingen hadden ze gemeenschappelijk.</verse>
				<note verse="32">Grieks καρδία καὶ ψυχὴ μία (kardia kai psychē mia) = één hart en één ziel — uitdrukking voor volkomen eenheid; κοινά (koina) = gemeenschappelijk — vrijwillig delen, geen gedwongen communisme</note>
				<ref verse="32">Hand 2:44-45</ref>
				<verse number="33">En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus; en er was grote genade over hen allen.</verse>
				<verse number="34">Want er was ook niemand onder hen die gebrek had; want allen die eigenaars waren van landerijen of huizen, verkochten die, en brachten de opbrengst van het verkochte, en legden die aan de voeten van de apostelen.</verse>
				<note verse="34">Grieks κτήτωρ (ktētōr) = eigenaar, bezitter — het verkopen was vrijwillig (vgl. Hand 5:4); τιμή (timē) = prijs, waarde, opbrengst</note>
				<ref verse="34">Hand 2:45; Deut 15:4</ref>
				<verse number="35">En aan ieder werd uitgedeeld naar wat hij nodig had.</verse>
				<verse number="36">En Joses, die door de apostelen Barnabas genoemd werd (wat vertaald is: zoon van vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,</verse>
				<note verse="36">Grieks υἱὸς παρακλήσεως (huios paraklēseōs) = zoon van vertroosting/bemoediging — παράκλησις kan zowel vertroosting als bemoediging betekenen</note>
				<ref verse="36">Hand 11:22-26; 13:1-3</ref>
				<verse number="37">Daar hij een akker had, verkocht hij die, en bracht het geld en legde het aan de voeten van de apostelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have;</verse>
				<verse number="2">En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.</verse>
				<verse number="3">En Petrus zeide: Ananías, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands?</verse>
				<verse number="4">Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.</verse>
				<verse number="5">En Ananías, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.</verse>
				<verse number="6">En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.</verse>
				<verse number="7">En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was;</verse>
				<verse number="8">En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.</verse>
				<verse number="9">En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.</verse>
				<verse number="10">En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.</verse>
				<verse number="11">En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.</verse>
				<verse number="12">En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Sálomo.</verse>
				<verse number="13">En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.</verse>
				<verse number="14">En er werden meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;</verse>
				<verse number="15">Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.</verse>
				<verse number="16">En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.</verse>
				<verse number="17">En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte der sadduceeën), en werden vervuld met nijdigheid;</verse>
				<verse number="18">En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemene gevangenis.</verse>
				<verse number="19">Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide:</verse>
				<verse number="20">Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.</verse>
				<verse number="21">Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den raad te zamen, en al de oudsten der kinderen Israëls, en zonden naar den kerker, om hen te halen.</verse>
				<verse number="22">Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden wederom, en boodschapten dit,</verse>
				<verse number="23">Zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.</verse>
				<verse number="24">Toen nu de hoge priester en de hoofdman des tempels, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.</verse>
				<verse number="25">En er kwam een, en boodschapte hun, zeggende: Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel, en leren het volk.</verse>
				<verse number="26">Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd wierden).</verse>
				<verse number="27">En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor den raad; en de hogepriester vraagde hun, en zeide:</verse>
				<verse number="28">Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen.</verse>
				<verse number="29">Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.</verse>
				<verse number="30">De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.</verse>
				<verse number="31">Deze heeft God door Zijn rechter hand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.</verse>
				<verse number="32">En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="33">Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden.</verse>
				<verse number="34">Maar een zeker farizeeër stond op in den raad, met name Gamáliël, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.</verse>
				<verse number="35">En hij zeide tot hen: Gij Israëlietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen.</verse>
				<verse number="36">Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.</verse>
				<verse number="37">Na hem stond op Judas de Galileeër, in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.</verse>
				<verse number="38">En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.</verse>
				<verse number="39">Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.</verse>
				<verse number="40">En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelve, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in den Naam van Jezus; en lieten hen gaan.</verse>
				<verse number="41">Zij dan gingen heen van het aangezicht des raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, om Zijns Naams wil smaadheid te lijden.</verse>
				<verse number="42">En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden.</verse>
				<verse number="2">En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen.</verse>
				<verse number="3">Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.</verse>
				<verse number="4">Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening des Woords.</verse>
				<verse number="5">En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkoren Stéfanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Próchorus, en Nicánor, en Timon, en Pármenas, en Nicoláüs, een Jodengenoot van Antiochíë;</verse>
				<verse number="6">Welken zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op.</verse>
				<verse number="7">En het Woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der priesteren werd den gelove gehoorzaam.</verse>
				<verse number="8">En Stéfanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.</verse>
				<verse number="9">En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, en der Cyrenéërs, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilícië en Azië waren, en twistten met Stéfanus.</verse>
				<verse number="10">En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.</verse>
				<verse number="11">Toen maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.</verse>
				<verse number="12">En zij beroerden het volk, en de ouderlingen en de schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor den raad;</verse>
				<verse number="13">En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.</verse>
				<verse number="14">Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazaréner, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.</verse>
				<verse number="15">En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?</verse>
				<verse number="2">En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in Mesopotámië, eer hij woonde in Charran;</verse>
				<verse number="3">En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.</verse>
				<verse number="4">Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.</verse>
				<verse number="5">En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem hetzelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.</verse>
				<verse number="6">En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren.</verse>
				<verse number="7">En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.</verse>
				<verse number="8">En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen.</verse>
				<verse number="9">En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,</verse>
				<verse number="10">En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Faraö, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.</verse>
				<verse number="11">En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.</verse>
				<verse number="12">Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.</verse>
				<verse number="13">En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Faraö openbaar.</verse>
				<verse number="14">En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.</verse>
				<verse number="15">En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.</verse>
				<verse number="16">En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.</verse>
				<verse number="17">Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;</verse>
				<verse number="18">Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.</verse>
				<verse number="19">Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.</verse>
				<verse number="20">In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.</verse>
				<verse number="21">En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Faraö op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.</verse>
				<verse number="22">En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.</verse>
				<verse number="23">Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken.</verse>
				<verse number="24">En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.</verse>
				<verse number="25">En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.</verse>
				<verse number="26">En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?</verse>
				<verse number="27">En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?</verse>
				<verse number="28">Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?</verse>
				<verse number="29">En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.</verse>
				<verse number="30">En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.</verse>
				<verse number="31">Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,</verse>
				<verse number="32">Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.</verse>
				<verse number="33">En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.</verse>
				<verse number="34">Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.</verse>
				<verse number="35">Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.</verse>
				<verse number="36">Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode Zee, en in de woestijn, veertig jaren.</verse>
				<verse number="37">Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.</verse>
				<verse number="38">Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.</verse>
				<verse number="39">Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte;</verse>
				<verse number="40">Zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.</verse>
				<verse number="41">En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.</verse>
				<verse number="42">En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls?</verse>
				<verse number="43">Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.</verse>
				<verse number="44">De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had.</verse>
				<verse number="45">Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;</verse>
				<verse number="46">Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.</verse>
				<verse number="47">En Sálomo bouwde Hem een huis.</verse>
				<verse number="48">Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:</verse>
				<verse number="49">De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner ruste?</verse>
				<verse number="50">Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?</verse>
				<verse number="51">Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.</verse>
				<verse number="52">Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.</verse>
				<verse number="53">Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!</verse>
				<verse number="54">Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.</verse>
				<verse number="55">Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechter hand Gods.</verse>
				<verse number="56">En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.</verse>
				<verse number="57">Maar zij, roepende met grote stemme, stopten hun oren, en vielen eendrachtelijk op hem aan;</verse>
				<verse number="58">En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.</verse>
				<verse number="59">En zij stenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest.</verse>
				<verse number="60">En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judéa en Samaria, behalve de apostelen.</verse>
				<verse number="2">En enige godvruchtige mannen droegen Stéfanus te zamen ten grave, en maakten groten rouw over hem.</verse>
				<verse number="3">En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis.</verse>
				<verse number="4">Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.</verse>
				<verse number="5">En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.</verse>
				<verse number="6">En de scharen hielden zich eendrachtelijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed.</verse>
				<verse number="7">Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met grote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen.</verse>
				<verse number="8">En er werd grote blijdschap in die stad.</verse>
				<verse number="9">En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zichzelven, dat hij wat groots was.</verse>
				<verse number="10">Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods.</verse>
				<verse number="11">En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had.</verse>
				<verse number="12">Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen.</verse>
				<verse number="13">En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich.</verse>
				<verse number="14">Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes;</verse>
				<verse number="15">Dewelken, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.</verse>
				<verse number="16">(Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.)</verse>
				<verse number="17">Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="18">En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan,</verse>
				<verse number="19">Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange.</verse>
				<verse number="20">Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!</verse>
				<verse number="21">Gij hebt geen deel noch lot in dit woord: want uw hart is niet recht voor God.</verse>
				<verse number="22">Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.</verse>
				<verse number="23">Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="24">Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.</verse>
				<verse number="25">Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.</verse>
				<verse number="26">En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.</verse>
				<verse number="27">En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;</verse>
				<verse number="28">En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.</verse>
				<verse number="29">En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen.</verse>
				<verse number="30">En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?</verse>
				<verse number="31">En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.</verse>
				<verse number="32">En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.</verse>
				<verse number="33">In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.</verse>
				<verse number="34">En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?</verse>
				<verse number="35">En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.</verse>
				<verse number="36">En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?</verse>
				<verse number="37">En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.</verse>
				<verse number="38">En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.</verse>
				<verse number="39">En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.</verse>
				<verse number="40">Maar Filippus werd gevonden, te Azôte; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesaréa kwam.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,</verse>
				<verse number="2">En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="3">En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;</verse>
				<verse number="4">En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?</verse>
				<verse number="5">En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.</verse>
				<verse number="6">En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.</verse>
				<verse number="7">En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.</verse>
				<verse number="8">En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.</verse>
				<verse number="9">En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.</verse>
				<verse number="10">En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananías; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananías! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!</verse>
				<verse number="11">En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.</verse>
				<verse number="12">En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananías, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.</verse>
				<verse number="13">En Ananías antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;</verse>
				<verse number="14">En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.</verse>
				<verse number="15">Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="16">Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.</verse>
				<verse number="17">En Ananías ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.</verse>
				<verse number="18">En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.</verse>
				<verse number="19">En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.</verse>
				<verse number="20">En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.</verse>
				<verse number="21">En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters?</verse>
				<verse number="22">Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.</verse>
				<verse number="23">En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden.</verse>
				<verse number="24">Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten.</verse>
				<verse number="25">Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.</verse>
				<verse number="26">Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.</verse>
				<verse number="27">Maar Bárnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in den Naam van Jezus.</verse>
				<verse number="28">En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;</verse>
				<verse number="29">En vrijmoediglijk sprekende in den Naam van den Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden.</verse>
				<verse number="30">Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesaréa, en zonden hem af naar Tarsen.</verse>
				<verse number="31">De Gemeenten dan, door geheel Judéa, en Galiléa, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.</verse>
				<verse number="32">En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden.</verse>
				<verse number="33">En aldaar vond hij een zeker mens, met name Enéas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.</verse>
				<verse number="34">En Petrus zeide tot hem: Enéas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.</verse>
				<verse number="35">En zij zagen hem allen, die te Lydda en Saróna woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere.</verse>
				<verse number="36">En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabítha, hetwelk overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed.</verse>
				<verse number="37">En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.</verse>
				<verse number="38">En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen.</verse>
				<verse number="39">En Petrus stond op, en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.</verse>
				<verse number="40">Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad; en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabítha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde.</verse>
				<verse number="41">En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen.</verse>
				<verse number="42">En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere.</verse>
				<verse number="43">En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekeren Simon, een lederbereider.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En er was een zeker man te Cesaréa, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse;</verse>
				<verse number="2">Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.</verse>
				<verse number="3">Deze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius!</verse>
				<verse number="4">En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.</verse>
				<verse number="5">En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus.</verse>
				<verse number="6">Deze ligt te huis bij een Simon, lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat gij doen moet.</verse>
				<verse number="7">En als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godzaligen krijgsknecht van degenen, die gedurig bij hem waren;</verse>
				<verse number="8">En als hij hun alles verhaald had, zond hij hen naar Joppe.</verse>
				<verse number="9">En des anderen daags, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure.</verse>
				<verse number="10">En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen.</verse>
				<verse number="11">En hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;</verse>
				<verse number="12">In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.</verse>
				<verse number="13">En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet.</verse>
				<verse number="14">Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.</verse>
				<verse number="15">En een stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.</verse>
				<verse number="16">En dit geschiedde tot drie maal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel.</verse>
				<verse number="17">En alzo Petrus in zichzelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort.</verse>
				<verse number="18">En iemand geroepen hebbende, vraagden zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag.</verse>
				<verse number="19">En als Petrus over dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;</verse>
				<verse number="20">Daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden.</verse>
				<verse number="21">En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Ziet, ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak, waarom gij hier zijt?</verse>
				<verse number="22">En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heiligen engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen.</verse>
				<verse number="23">Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen heen, en sommigen der broederen, die van Joppe waren, gingen met hem.</verse>
				<verse number="24">En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden.</verse>
				<verse number="25">En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij.</verse>
				<verse number="26">Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.</verse>
				<verse number="27">En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.</verse>
				<verse number="28">En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.</verse>
				<verse number="29">Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden.</verse>
				<verse number="30">En Cornelius zeide: Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis.</verse>
				<verse number="31">En ziet, een man stond voor mij, in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uw aalmoezen zijn voor God gedacht geworden.</verse>
				<verse number="32">Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, den lederbereider, aan de zee, welke, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal.</verse>
				<verse number="33">Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is.</verse>
				<verse number="34">En Petrus, den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is;</verse>
				<verse number="35">Maar in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.</verse>
				<verse number="36">Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israëls, verkondigende vrede door Jezus Christus; Deze is een Heere van allen.</verse>
				<verse number="37">Gijlieden weet de zaak, die geschied is door geheel Judéa, beginnende van Galiléa, na den doop, welken Johannes gepredikt heeft;</verse>
				<verse number="38">Belangende Jezus van Názareth, hoe God Hem gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem.</verse>
				<verse number="39">En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft, beide in het Joodse land en te Jeruzalem; Welken zij gedood hebben, Hem hangende aan het hout.</verse>
				<verse number="40">Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden;</verse>
				<verse number="41">Niet al den volke, maar den getuigen, die van God te voren verkoren waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.</verse>
				<verse number="42">En heeft ons geboden den volke te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.</verse>
				<verse number="43">Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam.</verse>
				<verse number="44">Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.</verse>
				<verse number="45">En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen er met Petrus waren gekomen, ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd.</verse>
				<verse number="46">Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus:</verse>
				<verse number="47">Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?</verse>
				<verse number="48">En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">De apostelen nu, en de broeders, die in Judéa waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden.</verse>
				<verse number="2">En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren,</verse>
				<verse number="3">Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.</verse>
				<verse number="4">Maar Petrus, beginnende, verhaalde het hun vervolgens, zeggende:</verse>
				<verse number="5">Ik was in de stad Joppe, biddende; en zag in een vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nedergelaten uit den hemel, en het kwam tot bij mij;</verse>
				<verse number="6">Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.</verse>
				<verse number="7">En ik hoorde een stem, die tot mij zeide: Sta op, Petrus, slacht en eet.</verse>
				<verse number="8">Maar ik zeide: Geenszins, Heere, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mijn mond ingegaan.</verse>
				<verse number="9">Doch de stem antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.</verse>
				<verse number="10">En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel.</verse>
				<verse number="11">En ziet, ter zelfder ure stonden er drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Cesaréa tot mij afgezonden waren.</verse>
				<verse number="12">En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan.</verse>
				<verse number="13">En hij heeft ons verhaald, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus;</verse>
				<verse number="14">Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis.</verse>
				<verse number="15">En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.</verse>
				<verse number="16">En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="17">Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft, als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?</verse>
				<verse number="18">En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!</verse>
				<verse number="19">Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stéfanus geschied was, gingen het land door tot Fenícië toe, en Cyprus, en Antiochíë, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden.</verse>
				<verse number="20">En er waren enige Cyprische en Cyrenéïsche mannen uit hen, welken te Antiochíë gekomen zijnde, spraken tot de Grieksen, verkondigende den Heere Jezus.</verse>
				<verse number="21">En de hand des Heeren was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot den Heere.</verse>
				<verse number="22">En het gerucht van hen kwam tot de oren der Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Bárnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochíë toe.</verse>
				<verse number="23">Dewelke, daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven.</verse>
				<verse number="24">Want hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs; en er werd een grote schare den Heere toegevoegd.</verse>
				<verse number="25">En Bárnabas ging uit naar Tarsen, om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem te Antiochíë.</verse>
				<verse number="26">En het is geschied, dat zij een geheel jaar samen vergaderden in de Gemeente, en een grote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochíë Christenen genaamd werden.</verse>
				<verse number="27">En in dezelfde dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochíë.</verse>
				<verse number="28">En een uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door den Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder den keizer Claudius.</verse>
				<verse number="29">En naardat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen, die in Judéa woonden.</verse>
				<verse number="30">Hetwelk zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Bárnabas en Saulus.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Heródes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.</verse>
				<verse number="2">En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard.</verse>
				<verse number="3">En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde broden);</verse>
				<verse number="4">Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paas feest hem voorbrengen voor het volk.</verse>
				<verse number="5">Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.</verse>
				<verse number="6">Toen hem nu Heródes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis.</verse>
				<verse number="7">En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijn ketenen vielen af van de handen.</verse>
				<verse number="8">En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.</verse>
				<verse number="9">En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.</verse>
				<verse number="10">En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.</verse>
				<verse number="11">En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Heródes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.</verse>
				<verse number="12">En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren.</verse>
				<verse number="13">En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhodé.</verse>
				<verse number="14">En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoort stond.</verse>
				<verse number="15">En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.</verse>
				<verse number="16">Maar Petrus bleef kloppende; en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich.</verse>
				<verse number="17">En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats.</verse>
				<verse number="18">En als het dag was geworden, was er geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch aan Petrus mocht geschied zijn.</verse>
				<verse number="19">En als Heródes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Cesaréa, en hield zich aldaar.</verse>
				<verse number="20">En Heródes had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die des konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des konings land.</verse>
				<verse number="21">En op een gezetten dag, Heródes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen.</verse>
				<verse number="22">En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen!</verse>
				<verse number="23">En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.</verse>
				<verse number="24">En het Woord Gods wies, en vermenigvuldigde.</verse>
				<verse number="25">Bárnabas nu en Saulus keerden wederom van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En er waren te Antiochíë, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Símeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met Heródes den viervorst opgevoed was, en Saulus.</verse>
				<verse number="2">En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Bárnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.</verse>
				<verse number="3">Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.</verse>
				<verse number="4">Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucíë, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.</verse>
				<verse number="5">En gekomen zijnde te Sálamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.</verse>
				<verse number="6">En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekeren tovenaar, een valsen profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus;</verse>
				<verse number="7">Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Bárnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.</verse>
				<verse number="8">Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.</verse>
				<verse number="9">Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:</verse>
				<verse number="10">O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren?</verse>
				<verse number="11">En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.</verse>
				<verse number="12">Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.</verse>
				<verse number="13">En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="14">En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.</verse>
				<verse number="15">En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.</verse>
				<verse number="16">En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israëlietische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.</verse>
				<verse number="17">De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid.</verse>
				<verse number="18">En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.</verse>
				<verse number="19">En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.</verse>
				<verse number="20">En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuël, den profeet.</verse>
				<verse number="21">En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.</verse>
				<verse number="22">En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.</verse>
				<verse number="23">Van het zaad dezes heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus;</verse>
				<verse number="24">Als Johannes eerst al den volke Israëls voor Zijn aankomst, gepredikt had den doop der bekering.</verse>
				<verse number="25">Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wien meent gijlieden, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.</verse>
				<verse number="26">Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.</verse>
				<verse number="27">Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbat dag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;</verse>
				<verse number="28">En geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden.</verse>
				<verse number="29">En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.</verse>
				<verse number="30">Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;</verse>
				<verse number="31">Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.</verse>
				<verse number="32">En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.</verse>
				<verse number="33">Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.</verse>
				<verse number="34">En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;</verse>
				<verse number="35">Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.</verse>
				<verse number="36">Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;</verse>
				<verse number="37">Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.</verse>
				<verse number="38">Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;</verse>
				<verse number="39">En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.</verse>
				<verse number="40">Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome, hetgeen gezegd is in de profeten:</verse>
				<verse number="41">Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.</verse>
				<verse number="42">En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.</verse>
				<verse number="43">En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.</verse>
				<verse number="44">En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.</verse>
				<verse number="45">Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.</verse>
				<verse number="46">Maar Paulus en Bárnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.</verse>
				<verse number="47">Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.</verse>
				<verse number="48">Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.</verse>
				<verse number="49">En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.</verse>
				<verse number="50">Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en wierpen ze uit hun landpalen.</verse>
				<verse number="51">Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikónium.</verse>
				<verse number="52">En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">En het geschiedde te Ikónium, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, en alzo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde.</verse>
				<verse number="2">Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders.</verse>
				<verse number="3">Zij verkeerden dan aldaar een langen tijd, vrijmoediglijk sprekende in den Heere, Die getuigenis gaf aan het Woord Zijner genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen.</verse>
				<verse number="4">En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen.</verse>
				<verse number="5">En als er een oploop geschiedde, beiden van heidenen en van Joden, met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen, en hen te stenigen,</verse>
				<verse number="6">Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lycaónië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land;</verse>
				<verse number="7">En verkondigden aldaar het Evangelie.</verse>
				<verse number="8">En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.</verse>
				<verse number="9">Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende, en ziende, dat hij geloof had om gezond te worden,</verse>
				<verse number="10">Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten! En hij sprong op en wandelde.</verse>
				<verse number="11">En de scharen, ziende, hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaónisch: De goden zijn den mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen.</verse>
				<verse number="12">En zij noemden Bárnabas Júpiter, en Paulus Mercúrius, omdat hij het woord voerde.</verse>
				<verse number="13">En de priester van Júpiter, die voor hun stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.</verse>
				<verse number="14">Maar de apostelen Bárnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun klederen, en sprongen onder de schare, roepende,</verse>
				<verse number="15">En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is;</verse>
				<verse number="16">Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen;</verse>
				<verse number="17">Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid.</verse>
				<verse number="18">En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden.</verse>
				<verse number="19">Maar daarover kwamen Joden van Antiochíë en Ikónium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was.</verse>
				<verse number="20">Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Bárnabas uit naar Derbe.</verse>
				<verse number="21">En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre, en Ikónium, en Antiochíë;</verse>
				<verse number="22">Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="23">En als zij in elke Gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden.</verse>
				<verse number="24">En Pisídië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië.</verse>
				<verse number="25">En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attálië.</verse>
				<verse number="26">En van daar scheepten zij af naar Antiochíë, van waar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden.</verse>
				<verse number="27">En daar gekomen zijnde, en de Gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij, wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geloofs geopend had.</verse>
				<verse number="28">En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En sommigen, die afgekomen waren van Judéa, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.</verse>
				<verse number="2">Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Bárnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Bárnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.</verse>
				<verse number="3">Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenícië en Samaria, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan.</verse>
				<verse number="4">En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had.</verse>
				<verse number="5">Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der farizeeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.</verse>
				<verse number="6">En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten.</verse>
				<verse number="7">En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.</verse>
				<verse number="8">En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;</verse>
				<verse number="9">En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.</verse>
				<verse number="10">Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?</verse>
				<verse number="11">Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.</verse>
				<verse number="12">En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Bárnabas en Paulus verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.</verse>
				<verse number="13">En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.</verse>
				<verse number="14">Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.</verse>
				<verse number="15">En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:</verse>
				<verse number="16">Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten,</verse>
				<verse number="17">Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.</verse>
				<verse number="18">Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.</verse>
				<verse number="19">Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere;</verse>
				<verse number="20">Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.</verse>
				<verse number="21">Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.</verse>
				<verse number="22">Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de gehele Gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Bárnabas te zenden naar Antiochíë: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Bársabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders.</verse>
				<verse number="23">En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochíë, en Syrië, en Cilícië zijn, zaligheid.</verse>
				<verse number="24">Nademaal wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dat niet bevolen hadden;</verse>
				<verse number="25">Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Bárnabas en Paulus.</verse>
				<verse number="26">Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="27">Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen.</verse>
				<verse number="28">Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:</verse>
				<verse number="29">Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel.</verse>
				<verse number="30">Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochíë; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.</verse>
				<verse number="31">En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting.</verse>
				<verse number="32">Judas nu en Silas, die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen.</verse>
				<verse number="33">En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen.</verse>
				<verse number="34">Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.</verse>
				<verse number="35">En Paulus en Bárnabas onthielden zich te Antiochíë, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren.</verse>
				<verse number="36">En na enige dagen zeide Paulus tot Bárnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.</verse>
				<verse number="37">En Bárnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden medenemen.</verse>
				<verse number="38">Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.</verse>
				<verse number="39">Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Bárnabas Markus medenam, en naar Cyprus afscheepte;</verse>
				<verse number="40">Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde.</verse>
				<verse number="41">En hij doorreisde Syrië en Cilícië, versterkende de Gemeenten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, met name Timótheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Grieksen vader;</verse>
				<verse number="2">Welken goeden getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Ikónium.</verse>
				<verse number="3">Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wil, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.</verse>
				<verse number="4">En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden.</verse>
				<verse number="5">De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal.</verse>
				<verse number="6">En als zij Frygië, en het land van Galátië doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken.</verse>
				<verse number="7">En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe.</verse>
				<verse number="8">En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Tróas.</verse>
				<verse number="9">En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: er was een Macedónisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedónië, en help ons.</verse>
				<verse number="10">Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedónië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen.</verse>
				<verse number="11">Van Tróas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothráce, en den volgende dag naar Neápolis.</verse>
				<verse number="12">En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedónië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.</verse>
				<verse number="13">En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren.</verse>
				<verse number="14">En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatíra, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.</verse>
				<verse number="15">En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons.</verse>
				<verse number="16">En het geschiedde, als wij tot het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haar heren groot gewin toebracht met waarzeggen.</verse>
				<verse number="17">Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen.</verse>
				<verse number="18">En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelfder ure.</verse>
				<verse number="19">Als nu de heren van dezelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten.</verse>
				<verse number="20">En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.</verse>
				<verse number="21">En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn.</verse>
				<verse number="22">En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de klederen afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen.</verse>
				<verse number="23">En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou.</verse>
				<verse number="24">Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in den stok.</verse>
				<verse number="25">En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.</verse>
				<verse number="26">En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fondamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.</verse>
				<verse number="27">En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelven omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvloden waren.</verse>
				<verse number="28">Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.</verse>
				<verse number="29">En als hij licht geëist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten;</verse>
				<verse number="30">En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?</verse>
				<verse number="31">En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.</verse>
				<verse number="32">En zij spraken tot hem het Woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.</verse>
				<verse number="33">En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.</verse>
				<verse number="34">En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.</verse>
				<verse number="35">En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die mensen los.</verse>
				<verse number="36">En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit, en reist heen in vrede.</verse>
				<verse number="37">Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo; maar dat zij zelven komen, en ons uitleiden.</verse>
				<verse number="38">En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat zij Romeinen waren.</verse>
				<verse number="39">En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.</verse>
				<verse number="40">En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit de stad.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En door Amfípolis en Apollónia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessaloníca, alwaar een synagoge der Joden was.</verse>
				<verse number="2">En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,</verse>
				<verse number="3">Dezelve openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Dien ik, zeide hij, ulieden verkondige.</verse>
				<verse number="4">En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.</verse>
				<verse number="5">Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.</verse>
				<verse number="6">En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten der stad, roepende: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;</verse>
				<verse number="7">Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle dezen doen tegen de geboden des keizers, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk Jezus.</verse>
				<verse number="8">En zij beroerden de schare, en de oversten der stad, die dit hoorden.</verse>
				<verse number="9">Doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan.</verse>
				<verse number="10">En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden;</verse>
				<verse number="11">En dezen waren edeler, dan die te Thessaloníca waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.</verse>
				<verse number="12">Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige.</verse>
				<verse number="13">Maar als de Joden van Thessaloníca verstonden, dat het Woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.</verse>
				<verse number="14">Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timótheüs bleven aldaar.</verse>
				<verse number="15">En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timótheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.</verse>
				<verse number="16">En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was.</verse>
				<verse number="17">Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt allen dag met degenen, die hem voorkwamen.</verse>
				<verse number="18">En sommigen van de Epikuréïsche en Stóïsche wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.</verse>
				<verse number="19">En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genaamd Areópagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar gij van spreekt?</verse>
				<verse number="20">Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil.</verse>
				<verse number="21">(Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.)</verse>
				<verse number="22">En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areópagus, zeide: Gij mannen van Athene! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.</verse>
				<verse number="23">Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.</verse>
				<verse number="24">De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;</verse>
				<verse number="25">En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven, en den adem, en alle dingen geeft;</verse>
				<verse number="26">En heeft uit één bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning;</verse>
				<verse number="27">Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.</verse>
				<verse number="28">Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.</verse>
				<verse number="29">Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.</verse>
				<verse number="30">God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.</verse>
				<verse number="31">Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.</verse>
				<verse number="32">Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen.</verse>
				<verse number="33">En alzo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan.</verse>
				<verse number="34">Doch sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder welke was ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, met name Dámaris, en anderen met dezelve.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe;</verse>
				<verse number="2">En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;</verse>
				<verse number="3">En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk.</verse>
				<verse number="4">En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.</verse>
				<verse number="5">En als Silas en Timótheüs van Macedónië afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden, dat Jezus is de Christus.</verse>
				<verse number="6">Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.</verse>
				<verse number="7">En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.</verse>
				<verse number="8">En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.</verse>
				<verse number="9">En de Heere zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.</verse>
				<verse number="10">Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad.</verse>
				<verse number="11">En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods.</verse>
				<verse number="12">Maar als Gallio stadhouder van Acháje was, stonden de Joden eendrachtelijk tegen Paulus op, en brachten hem voor den rechterstoel,</verse>
				<verse number="13">Zeggende: Deze raadt den mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet.</verse>
				<verse number="14">En als Paulus zijn mond zou opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan ware, o Joden, zo zou ik met reden ulieden verdragen;</verse>
				<verse number="15">Maar indien er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.</verse>
				<verse number="16">En hij dreef hen weg van den rechterstoel.</verse>
				<verse number="17">Maar al de Grieken namen Sósthenes, den overste der synagoge, en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.</verse>
				<verse number="18">En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreeën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.</verse>
				<verse number="19">En hij kwam te Éfeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden.</verse>
				<verse number="20">En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet.</verse>
				<verse number="21">Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil. En hij voer weg van Éfeze.</verse>
				<verse number="22">En als hij te Cesaréa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochíë.</verse>
				<verse number="23">En als hij aldaar enigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galátië en Frygië, versterkende al de discipelen.</verse>
				<verse number="24">En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Éfeze, machtig zijnde in de Schriften.</verse>
				<verse number="25">Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van Johannes.</verse>
				<verse number="26">En deze begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem den weg Gods bescheidenlijker uit.</verse>
				<verse number="27">En als hij wilde naar Acháje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; welke, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade.</verse>
				<verse number="28">Want hij overtuigde de Joden met groten ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen des lands doorreisd hebbende, te Éfeze kwam; en enige discipelen aldaar vindende,</verse>
				<verse number="2">Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.</verse>
				<verse number="3">En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes.</verse>
				<verse number="4">Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus;</verse>
				<verse number="5">En die hem hoorden werden gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.</verse>
				<verse number="6">En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.</verse>
				<verse number="7">En alle dezen waren omtrent twaalf mannen.</verse>
				<verse number="8">En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoediglijk, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods.</verse>
				<verse number="9">Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg des Heeren voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus.</verse>
				<verse number="10">En dit geschiedde twee jaren lang, alzo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van den Heere Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken.</verse>
				<verse number="11">En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;</verse>
				<verse number="12">Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.</verse>
				<verse number="13">En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden den Naam van den Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt!</verse>
				<verse number="14">Dezen nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden.</verse>
				<verse number="15">Maar de boze geest, antwoordende, zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?</verse>
				<verse number="16">En de mens, in welken de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden.</verse>
				<verse number="17">En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Éfeze woonden; en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt.</verse>
				<verse number="18">En velen dergenen, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden.</verse>
				<verse number="19">Velen ook dergenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen.</verse>
				<verse number="20">Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.</verse>
				<verse number="21">En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in den Geest, Macedónië en Acháje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.</verse>
				<verse number="22">En als hij naar Macedónië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timótheüs en Erástus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië.</verse>
				<verse number="23">Maar op dienzelfden tijd ontstond er geen kleine beroerte, vanwege den weg des Heeren.</verse>
				<verse number="24">Want een, met name Demétrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diána maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe;</verse>
				<verse number="25">Welke hij samenvergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet, dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben;</verse>
				<verse number="26">En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Éfeze, maar ook bijna van geheel Azië, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden.</verse>
				<verse number="27">En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de grote godin Diána als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit zal ten ondergaan, aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst.</verse>
				<verse number="28">Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diána der Éfezeren!</verse>
				<verse number="29">En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedóniërs, metgezellen van Paulus op de reis.</verse>
				<verse number="30">En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe.</verse>
				<verse number="31">En sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zou begeven.</verse>
				<verse number="32">Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want de vergadering was verward en het meerder deel wist niet, om wat oorzaak zij samengekomen waren.</verse>
				<verse number="33">En zij deden Alexander uit de schare voortkomen, alzo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.</verse>
				<verse number="34">Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er een stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diána der Éfezeren!</verse>
				<verse number="35">En als de stads schrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Éfeze! wat mens is er toch, die niet weet, dat de stad der Éfezeren de kerkbewaarster zij van de grote godin Diána, en van het beeld, dat uit den hemel gevallen is?</verse>
				<verse number="36">Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk dat gij stil zijt, en niets onbedachts doet.</verse>
				<verse number="37">Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren.</verse>
				<verse number="38">Indien dan nu Demétrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkander verklagen.</verse>
				<verse number="39">En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een wettelijke vergadering beslecht worden.</verse>
				<verse number="40">Want wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den dag van heden, alzo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedónië te reizen.</verse>
				<verse number="2">En als hij die delen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland.</verse>
				<verse number="3">En als hij aldaar drie maanden overgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden, als hij naar Syrië zoude varen, zo werd hij van zin weder te keren door Macedónië.</verse>
				<verse number="4">En hem vergezelschapte tot in Azië Sópater van Beréa; en van de Thessalonicenzen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timótheüs en van die van Azië Tychikus en Trófimus.</verse>
				<verse number="5">Dezen, vooraf heengegaan zijnde, wachtten ons te Tróas.</verse>
				<verse number="6">Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen der ongehevelde broden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Tróas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden.</verse>
				<verse number="7">En op den eersten dag der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht.</verse>
				<verse number="8">En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren.</verse>
				<verse number="9">En een zeker jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepen slaap overvallen zijnde, alzo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen.</verse>
				<verse number="10">Doch Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zeide hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.</verse>
				<verse number="11">En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot den dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij alzo.</verse>
				<verse number="12">En zij brachten den knecht levende, en waren bovenmate vertroost.</verse>
				<verse number="13">Maar wij, vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzo bevolen, en hij zelf zou te voet gaan.</verse>
				<verse number="14">En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mityléne.</verse>
				<verse number="15">En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij den volgenden dag tegen Chíos over, en des anderen daags legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en den dag daaraan kwamen wij te Miléte.</verse>
				<verse number="16">Want Paulus had voorgenomen Éfeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk ware) op den pinksterdag te Jeruzalem te zijn.</verse>
				<verse number="17">Maar hij zond van Miléte naar Éfeze, en hij ontbood de ouderlingen der Gemeente.</verse>
				<verse number="18">En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af, dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben;</verse>
				<verse number="19">Dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden;</verse>
				<verse number="20">Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;</verse>
				<verse number="21">Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="22">En nu ziet, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal;</verse>
				<verse number="23">Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn.</verse>
				<verse number="24">Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik, van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.</verse>
				<verse number="25">En nu ziet, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult.</verse>
				<verse number="26">Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.</verse>
				<verse number="27">Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.</verse>
				<verse number="28">Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.</verse>
				<verse number="29">Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.</verse>
				<verse number="30">En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.</verse>
				<verse number="31">Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.</verse>
				<verse number="32">En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.</verse>
				<verse number="33">Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd.</verse>
				<verse number="34">En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben.</verse>
				<verse number="35">Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.</verse>
				<verse number="36">En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.</verse>
				<verse number="37">En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem;</verse>
				<verse number="38">Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En als het geschiedde, dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zo liepen wij rechtuit en kwamen te Kôs, en den dag daaraan te Rhodus, en van daar te Pátara.</verse>
				<verse number="2">En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenícië overvoer, gingen wij er in en voeren af.</verse>
				<verse number="3">En als wij Cyprus in het gezicht gekregen, en dat aan de linker hand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen.</verse>
				<verse number="4">En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="5">Toen het nu geschiedde, dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden.</verse>
				<verse number="6">En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zijlieden keerden wederom, elk naar het zijne.</verse>
				<verse number="7">Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemáïs, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen.</verse>
				<verse number="8">En des anderen daags, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesaréa; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.</verse>
				<verse number="9">Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden.</verse>
				<verse number="10">En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judéa, met name Agabus;</verse>
				<verse number="11">En hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.</verse>
				<verse number="12">Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="13">Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus.</verse>
				<verse number="14">En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede.</verse>
				<verse number="15">En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="16">En met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesaréa, leidende met zich een zekeren Mnason, van Cyprus, een ouden discipel, bij dewelken wij zouden te huis liggen.</verse>
				<verse number="17">En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk.</verse>
				<verse number="18">En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen.</verse>
				<verse number="19">En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.</verse>
				<verse number="20">En zij, dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars van de wet.</verse>
				<verse number="21">En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen.</verse>
				<verse number="22">Wat is er dan te doen? Het is gans nodig, dat de menigte samenkome; want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt.</verse>
				<verse number="23">Doe dan hetgeen wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.</verse>
				<verse number="24">Neem dezen tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat gij alzo wandelt, dat gij ook zelve de wet onderhoudt.</verse>
				<verse number="25">Doch van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.</verse>
				<verse number="26">Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was.</verse>
				<verse number="27">Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in den tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem,</verse>
				<verse number="28">Roepende: Gij Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.</verse>
				<verse number="29">Want zij hadden te voren Trófimus, den Éfeziër, met hem in de stad gezien, welken zij meenden, dat Paulus in den tempel gebracht had.</verse>
				<verse number="30">En de gehele stad kwam in roer en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten den tempel; en terstond werden de deuren gesloten.</verse>
				<verse number="31">En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.</verse>
				<verse number="32">Welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, den oversten en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan.</verse>
				<verse number="33">Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.</verse>
				<verse number="34">En onder de schare riep de ene dit, de andere wat anders. Doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.</verse>
				<verse number="35">En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd vanwege het geweld der schare.</verse>
				<verse number="36">Want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem!</verse>
				<verse number="37">En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieks?</verse>
				<verse number="38">Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?</verse>
				<verse number="39">Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilícië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.</verse>
				<verse number="40">En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende:</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">Mannen broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.</verse>
				<verse number="2">(Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:)</verse>
				<verse number="3">Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilícië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamáliël onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt;</verse>
				<verse number="4">Die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen.</verse>
				<verse number="5">Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad der ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.</verse>
				<verse number="6">Maar het geschiedde mij, als ik reisde, en Damaskus genaakte, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen.</verse>
				<verse number="7">En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?</verse>
				<verse number="8">En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazaréner, Welken gij vervolgt.</verse>
				<verse number="9">En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem Desgenen, Die tot mij sprak, hoorden zij niet.</verse>
				<verse number="10">En ik zeide: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op, en ga heen naar Damaskus; en aldaar zal met u gesproken worden, van al hetgeen u geordineerd is te doen.</verse>
				<verse number="11">En als ik vanwege de heerlijkheid deszelven lichts niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam te Damaskus.</verse>
				<verse number="12">En een zekere Ananías, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden,</verse>
				<verse number="13">Kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende! En ter zelfder ure werd ik ziende op hem.</verse>
				<verse number="14">En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.</verse>
				<verse number="15">Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.</verse>
				<verse number="16">En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren.</verse>
				<verse number="17">En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was, en in den tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was;</verse>
				<verse number="18">En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u, en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.</verse>
				<verse number="19">En ik zeide: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden;</verse>
				<verse number="20">En toen het bloed van Stéfanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden.</verse>
				<verse number="21">En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.</verse>
				<verse number="22">Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.</verse>
				<verse number="23">En als zij riepen, en de klederen van zich smeten, en stof in de lucht wierpen,</verse>
				<verse number="24">Zo beval de overste, dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zeide, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij alzo over hem riepen.</verse>
				<verse number="25">En alzo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeinsen mens, en dien onveroordeeld, te geselen?</verse>
				<verse number="26">Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en boodschapte het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein.</verse>
				<verse number="27">En de overste kwam toe, en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.</verse>
				<verse number="28">En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som gelds verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren.</verse>
				<verse number="29">Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.</verse>
				<verse number="30">En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="23">
				<verse number="1">En Paulus, de ogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag.</verse>
				<verse number="2">Maar de hogepriester Ananías beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan.</verse>
				<verse number="3">Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan?</verse>
				<verse number="4">En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods?</verse>
				<verse number="5">En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.</verse>
				<verse number="6">En Paulus wetende dat het ene deel was van de sadduceeën, en het andere van de farizeeën, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een farizeeër, eens farizeeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.</verse>
				<verse number="7">En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de farizeeën en de sadduceeën, en de menigte werd verdeeld.</verse>
				<verse number="8">Want de sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de farizeeën belijden het beide.</verse>
				<verse number="9">En er geschiedde een groot geroep; en de schriftgeleerden van de zijde der farizeeën stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.</verse>
				<verse number="10">En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.</verse>
				<verse number="11">En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen.</verse>
				<verse number="12">En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.</verse>
				<verse number="13">En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden;</verse>
				<verse number="14">Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.</verse>
				<verse number="15">Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.</verse>
				<verse number="16">En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.</verse>
				<verse number="17">En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.</verse>
				<verse number="18">Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.</verse>
				<verse number="19">De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?</verse>
				<verse number="20">En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.</verse>
				<verse number="21">Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.</verse>
				<verse number="22">De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.</verse>
				<verse number="23">En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts;</verse>
				<verse number="24">En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix.</verse>
				<verse number="25">En hij schreef een brief, hebbende dezen inhoud:</verse>
				<verse number="26">Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis.</verse>
				<verse number="27">Alzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is.</verse>
				<verse number="28">En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad;</verse>
				<verse number="29">Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of banden waardig is.</verse>
				<verse number="30">En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.</verse>
				<verse number="31">De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem des nachts tot Antípatris.</verse>
				<verse number="32">En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats.</verse>
				<verse number="33">Dewelken als zij te Cesaréa gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.</verse>
				<verse number="34">En de stadhouder, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilícië was,</verse>
				<verse number="35">Zeide hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Heródes zou bewaard worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="24">
				<verse number="1">En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananías af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus.</verse>
				<verse number="2">En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Dat wij groten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan.</verse>
				<verse number="4">Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uw bescheidenheid, kortelijk hoort.</verse>
				<verse number="5">Want wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de ganse wereld, en een oppersten voorstander van de sekte der Nazarénen.</verse>
				<verse number="6">Die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen, welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen.</verse>
				<verse number="7">Maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht;</verse>
				<verse number="8">Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van dewelken gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen, waarvan wij hem beschuldigen.</verse>
				<verse number="9">En ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen alzo waren.</verse>
				<verse number="10">Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zijt, zo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed.</verse>
				<verse number="11">Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem;</verse>
				<verse number="12">En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch in de stad;</verse>
				<verse number="13">En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen.</verse>
				<verse number="14">Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;</verse>
				<verse number="15">Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen.</verse>
				<verse number="16">En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.</verse>
				<verse number="17">Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden.</verse>
				<verse number="18">Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den tempel, niet met volk, noch met beroerte, enige Joden uit Azië;</verse>
				<verse number="19">Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.</verse>
				<verse number="20">Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor den raad stond;</verse>
				<verse number="21">Dan van dit enig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld!</verse>
				<verse number="22">Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken.</verse>
				<verse number="23">En hij beval den hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen.</verse>
				<verse number="24">En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus.</verse>
				<verse number="25">En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.</verse>
				<verse number="26">En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem.</verse>
				<verse number="27">Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="25">
				<verse number="1">Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesaréa op naar Jeruzalem.</verse>
				<verse number="2">En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,</verse>
				<verse number="3">Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.</verse>
				<verse number="4">Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesaréa bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.</verse>
				<verse number="5">Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.</verse>
				<verse number="6">En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.</verse>
				<verse number="7">En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;</verse>
				<verse number="8">Dewijl hij, verantwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.</verse>
				<verse number="9">Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?</verse>
				<verse number="10">En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.</verse>
				<verse number="11">Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.</verse>
				<verse number="12">Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.</verse>
				<verse number="13">En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Berníce te Cesaréa, om Festus te begroeten.</verse>
				<verse number="14">En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;</verse>
				<verse number="15">Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;</verse>
				<verse number="16">Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.</verse>
				<verse number="17">Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;</verse>
				<verse number="18">Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde;</verse>
				<verse number="19">Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.</verse>
				<verse number="20">En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.</verse>
				<verse number="21">En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.</verse>
				<verse number="22">En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.</verse>
				<verse number="23">Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Berníce, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.</verse>
				<verse number="24">En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.</verse>
				<verse number="25">Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.</verse>
				<verse number="26">Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.</verse>
				<verse number="27">Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="26">
				<verse number="1">En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:</verse>
				<verse number="2">Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;</verse>
				<verse number="3">Allermeest, dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort.</verse>
				<verse number="4">Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;</verse>
				<verse number="5">Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een farizeeër geleefd heb.</verse>
				<verse number="6">En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;</verse>
				<verse number="7">Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.</verse>
				<verse number="8">Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?</verse>
				<verse number="9">Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Názareth vele wederpartijdige dingen moest doen.</verse>
				<verse number="10">Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.</verse>
				<verse number="11">En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden.</verse>
				<verse number="12">Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had,</verse>
				<verse number="13">Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.</verse>
				<verse number="14">En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.</verse>
				<verse number="15">En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.</verse>
				<verse number="16">Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;</verse>
				<verse number="17">Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende;</verse>
				<verse number="18">Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.</verse>
				<verse number="19">Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;</verse>
				<verse number="20">Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judéa, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.</verse>
				<verse number="21">Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.</verse>
				<verse number="22">Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude;</verse>
				<verse number="23">Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.</verse>
				<verse number="24">En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij!</verse>
				<verse number="25">Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand;</verse>
				<verse number="26">Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied.</verse>
				<verse number="27">Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.</verse>
				<verse number="28">En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.</verse>
				<verse number="29">En Paulus zeide: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.</verse>
				<verse number="30">En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Berníce, en die met hen gezeten waren;</verse>
				<verse number="31">En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig.</verse>
				<verse number="32">En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="27">
				<verse number="1">En als het besloten was, dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met name Július van de keizerlijke bende.</verse>
				<verse number="2">En in een Adramytténisch schip gegaan zijnde, alzo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedóniër van Thessaloníca, was met ons.</verse>
				<verse number="3">En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Július, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden.</verse>
				<verse number="4">En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren.</verse>
				<verse number="5">En de zee, die langs Cilícië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycië.</verse>
				<verse number="6">En de hoofdman, aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan.</verse>
				<verse number="7">En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, overmits het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta heen, tegenover Salmóne.</verse>
				<verse number="8">En hetzelve nauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij in een zekere plaats genaamd Schonehavens, waar de stad Laséa nabij was.</verse>
				<verse number="9">En als veel tijd verlopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus,</verse>
				<verse number="10">En zeide tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart zal geschieden met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.</verse>
				<verse number="11">Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd werd.</verse>
				<verse number="12">En alzo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerder deel geraden ook van daar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten.</verse>
				<verse number="13">En alzo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Kreta henen.</verse>
				<verse number="14">Maar niet lang daarna, sloeg tegen hetzelve een stormwind, genaamd Euroklydon.</verse>
				<verse number="15">En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon tegen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen.</verse>
				<verse number="16">En lopende onder een zeker eilandje, genaamd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden.</verse>
				<verse number="17">Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en alzo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven alzo henen.</verse>
				<verse number="18">En alzo wij van het onweder geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgende dag een uitworp;</verse>
				<verse number="19">En den derden dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit.</verse>
				<verse number="20">En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zo werd ons voort alle hoop van behouden te worden benomen.</verse>
				<verse number="21">En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben;</verse>
				<verse number="22">Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.</verse>
				<verse number="23">Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ook ik dien,</verse>
				<verse number="24">Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.</verse>
				<verse number="25">Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is.</verse>
				<verse number="26">Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen.</verse>
				<verse number="27">Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde.</verse>
				<verse number="28">En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen;</verse>
				<verse number="29">En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd.</verse>
				<verse number="30">Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,</verse>
				<verse number="31">Zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden.</verse>
				<verse number="32">Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot, en lieten haar vallen.</verse>
				<verse number="33">En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden spijze nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen.</verse>
				<verse number="34">Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.</verse>
				<verse number="35">En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.</verse>
				<verse number="36">En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze.</verse>
				<verse number="37">Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen.</verse>
				<verse number="38">En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee.</verse>
				<verse number="39">En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekeren inham, die een oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten.</verse>
				<verse number="40">En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.</verse>
				<verse number="41">Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.</verse>
				<verse number="42">De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zoude ontvlieden.</verse>
				<verse number="43">Maar de hoofdman, willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te land komen;</verse>
				<verse number="44">En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="28">
				<verse number="1">En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat het eiland Melíte heette.</verse>
				<verse number="2">En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen, die overkwam, en om de koude.</verse>
				<verse number="3">En als Paulus een hoop rijzen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand.</verse>
				<verse number="4">En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mens is gewisselijk een doodslager, welken de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is.</verse>
				<verse number="5">Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads.</verse>
				<verse number="6">En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een god was.</verse>
				<verse number="7">En hier, omtrent dezelfde plaats, had de voornaamste van het eiland, met name Publius, zijn landhoeven, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk herbergde.</verse>
				<verse number="8">En het geschiedde, dat de vader van Publius, met koortsen en den roden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.</verse>
				<verse number="9">Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen, die krankheden hadden in het eiland, en werden genezen.</verse>
				<verse number="10">Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van node was.</verse>
				<verse number="11">En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrië, dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een teken, Kastor en Pollux.</verse>
				<verse number="12">En als wij te Syrakûse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen;</verse>
				<verse number="13">Van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en alzo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Putéoli;</verse>
				<verse number="14">Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en alzo gingen wij naar Rome.</verse>
				<verse number="15">En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de Drie Tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed.</verse>
				<verse number="16">En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht, die hem bewaarde.</verse>
				<verse number="17">En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen, die de voornaamsten der Joden waren. En als zij samengekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;</verse>
				<verse number="18">Dewelken, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was.</verse>
				<verse number="19">Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen; doch niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen.</verse>
				<verse number="20">Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen.</verse>
				<verse number="21">Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen; noch iemand van de broeders, hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.</verse>
				<verse number="22">Maar wij begeren wel van u te horen, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.</verse>
				<verse number="23">En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.</verse>
				<verse number="24">En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.</verse>
				<verse number="25">En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit éne woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,</verse>
				<verse number="26">Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.</verse>
				<verse number="27">Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.</verse>
				<verse number="28">Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.</verse>
				<verse number="29">En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbenden onder elkander.</verse>
				<verse number="30">En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;</verse>
				<verse number="31">Predikende het Koninkrijk Gods, en lerende van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="45">
			<chapter number="1">
				<heading verse="1">Groet aan de gemeente van Rome</heading>
				<verse number="1">Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,</verse>
				<verse number="2">(Dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften)</verse>
				<verse number="3">Over Zijn Zoon (Die geworden is uit het nageslacht van David, naar het vlees,</verse>
				<note verse="3">Grieks σπέρματος = nageslacht/nakomelingen — “zaad” is in deze context verouderd</note>
				<verse number="4">Die krachtig bewezen is de Zoon van God te zijn, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden), namelijk Jezus Christus, onze Heer:</verse>
				<verse number="5">(Door Wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben, tot gehoorzaamheid van het geloof onder alle heidenen, voor Zijn Naam;</verse>
				<verse number="6">Onder wie ook u bent, geroepenen van Jezus Christus!)</verse>
				<verse number="7">Aan allen die in Rome zijn, geliefden van God en geroepen heiligen: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.</verse>
				<heading verse="8">Paulus' verlangen de Romeinen te bezoeken</heading>
				<verse number="8">Allereerst dank ik mijn God door Jezus Christus voor u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de hele wereld.</verse>
				<verse number="9">Want God is mijn Getuige, Die ik dien in mijn geest in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder ophouden aan u denk,</verse>
				<verse number="10">terwijl ik altijd in mijn gebeden bid of mij mogelijk ooit door de wil van God de gelegenheid gegeven wordt om naar u toe te komen.</verse>
				<verse number="11">Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave zou meedelen, zodat u versterkt zou worden;</verse>
				<verse number="12">Dat wil zeggen, om samen bemoedigd te worden onder u, door het onderlinge geloof, zowel dat van u als dat van mij.</verse>
				<note verse="12">Grieks συμπαρακληθῆναι = samen bemoedigd worden — sterker dan alleen “vertroost”</note>
				<verse number="13">Maar ik wil niet dat het u onbekend is, broeders, dat ik vaak voorgenomen heb naar u te komen (en tot nu toe verhinderd ben geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen.</verse>
				<verse number="14">Zowel bij Grieken als bij barbaren, zowel bij wijzen als bij onwijzen sta ik in de schuld.</verse>
				<verse number="15">Zo is er wat mij betreft bereidwilligheid om ook aan u die in Rome bent het Evangelie te verkondigen.</verse>
				<note verse="15">Grieks πρόθυμον = bereidwillig, gretig — “volvaardig” is verouderd</note>
				<heading verse="16">De kracht van het Evangelie</heading>
				<verse number="16">Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot redding voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood en ook voor de Griek.</verse>
				<note verse="16">Grieks σωτηρίαν = redding, behoud — niet “zaligheid” (zie hertaalregels)</note>
				<verse number="17">Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard, uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.</verse>
				<heading verse="18">Gods toorn over de goddeloosheid</heading>
				<verse number="18">Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken.</verse>
				<note verse="18">Grieks κατεχόντων = onderdrukken, tegenhouden — “ten onder houden” is verouderd</note>
				<verse number="19">Omdat wat van God kenbaar is, onder hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.</verse>
				<verse number="20">Want Zijn onzichtbare dingen worden sinds de schepping van de wereld uit de schepselen begrepen en doorzien, namelijk zowel Zijn eeuwige kracht als Zijn goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.</verse>
				<verse number="21">Omdat zij, hoewel zij God kenden, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar nutteloos zijn geworden in hun overwegingen, en hun onverstandig hart is verduisterd;</verse>
				<verse number="22">Terwijl zij beweerden wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden;</verse>
				<verse number="23">en hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een vergankelijk mens, en van vogels, en van viervoetige en kruipende dieren.</verse>
				<heading verse="24">Overgegeven aan schandelijke hartstochten</heading>
				<verse number="24">Daarom heeft God hen ook overgegeven aan de begeerten van hun harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;</verse>
				<verse number="25">zij die de waarheid van God veranderd hebben in de leugen, en het schepsel vereerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="26">Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke hartstochten; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijke gebruik veranderd in het gebruik tegen de natuur;</verse>
				<note verse="26">Grieks πάθη ἀτιμίας = schandelijke hartstochten — “oneerlijke bewegingen” is verouderd</note>
				<verse number="27">En evenzo ook de mannen: zij hebben het natuurlijke gebruik van de vrouw nagelaten en zijn ontbrand in hun lust voor elkaar, mannen die met mannen schandelijkheid bedreven en de vergelding van hun dwaling, die daarbij paste, in zichzelf ontvingen.</verse>
				<verse number="28">En omdat zij het niet goeddachten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verdorven denken, om dingen te doen die niet gepast zijn;</verse>
				<note verse="28">Grieks ἀδόκιμον νοῦν = verwerpelijk/verdorven denken — woordspel met οὐκ ἐδοκίμασαν (niet goeddachten)</note>
				<verse number="29">vervuld met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, hebzucht, slechtheid; vol afgunst, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;</verse>
				<verse number="30">influisteraars, kwaadsprekers, haters van God, overmoedigen, hoogmoedigen, verwaanden, bedenkers van kwade dingen, ongehoorzaam aan hun ouders;</verse>
				<note verse="30">Grieks ψιθυριστάς = fluisteraars; καταλάλους = kwaadsprekers; ὑβριστάς = overmoedigen; ἀλαζόνας = opscheppers/verwaanden</note>
				<verse number="31">onverstandigen, trouwelozen, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig;</verse>
				<verse number="32">Zij die, hoewel zij het recht van God kennen (namelijk dat degenen die zulke dingen doen, de dood waardig zijn), niet alleen deze dingen doen, maar ook instemmen met hen die ze doen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<heading verse="1">Het rechtvaardig oordeel van God</heading>
				<verse number="1">Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent, die anderen oordeelt; want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelf; want u die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.</verse>
				<verse number="2">En wij weten dat het oordeel van God naar waarheid is, over degenen die zulke dingen doen.</verse>
				<verse number="3">En denkt u dit, o mens, die degenen oordeelt die zulke dingen doen, en ze zelf doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten?</verse>
				<verse number="4">Of veracht u de rijkdom van Zijn goedheid, en verdraagzaamheid, en geduld, niet wetende dat de goedheid van God u tot bekering leidt?</verse>
				<note verse="4">Grieks χρηστότητος = goedheid, vriendelijkheid — "goedertierenheid" is verouderd; μακροθυμίας = geduld — "lankmoedigheid" is verouderd</note>
				<verse number="5">Maar door uw hardheid en onbekeerlijk hart hoopt u voor uzelf toorn op als een schat, op de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God.</verse>
				<note verse="5">Grieks θησαυρίζεις = ophoopt als een schat — de zondaar "spaart" toorn op; δικαιοκρισίας = rechtvaardig oordeel (samengesteld woord, uniek in het NT)</note>
				<ref verse="5">Spr 1:18; Jak 5:3</ref>
				<verse number="6">Die ieder vergelden zal naar zijn werken;</verse>
				<ref verse="6">Ps 62:13; Spr 24:12; Mt 16:27; Openb 22:12</ref>
				<verse number="7">aan hen die met volharding in goeddoen heerlijkheid, en eer, en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven;</verse>
				<note verse="7">Grieks ἀφθαρσίαν = onvergankelijkheid — "onverderfelijkheid" is verouderd</note>
				<verse number="8">maar aan hen die uit eigenbelang de waarheid ongehoorzaam, maar de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, toorn en woede;</verse>
				<note verse="8">Grieks ἐριθείας = eigenbelang, zelfzucht — "twistgierig" mist de nuance; θυμός = gramschap, woede — "verbolgenheid" is verouderd</note>
				<verse number="9">Verdrukking en benauwdheid over elke ziel van een mens die het kwade werkt, eerst over de Jood, en ook over de Griek;</verse>
				<verse number="10">Maar heerlijkheid, en eer, en vrede voor ieder die het goede werkt, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.</verse>
				<verse number="11">Want er is geen partijdigheid bij God.</verse>
				<note verse="11">Grieks προσωπολημψία = letterlijk "aanzien van gezicht" = partijdigheid — "aanneming des persoons" is verouderd</note>
				<ref verse="11">Deut 10:17; 2 Kron 19:7; Hand 10:34; Ef 6:9</ref>
				<heading verse="12">De wet en het geweten</heading>
				<verse number="12">Want allen die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;</verse>
				<verse number="13">(Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden;</verse>
				<ref verse="13">Jak 1:22-25</ref>
				<verse number="14">Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die van de wet zijn, zijn zij, die de wet niet hebben, zichzelf een wet;</verse>
				<verse number="15">zij die het werk van de wet tonen, geschreven in hun harten, terwijl hun geweten mede getuigt en de gedachten elkaar onderling beschuldigen of ook verdedigen).</verse>
				<verse number="16">Op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.</verse>
				<ref verse="16">Hand 17:31; 1 Kor 4:5</ref>
				<heading verse="17">De Jood en de wet</heading>
				<verse number="17">Zie, u wordt een Jood genoemd en rust op de wet, en roemt op God,</verse>
				<note verse="17">TR leest Ἴδε (Zie); Nestle-Aland leest Εἰ δὲ (Maar als) — de SV volgt hier de TR-lezing</note>
				<verse number="18">en u kent Zijn wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, omdat u onderwezen bent uit de wet;</verse>
				<verse number="19">en u vertrouwt dat u een gids bent van de blinden, een licht van hen die in duisternis zijn;</verse>
				<note verse="19">Grieks ὁδηγὸν = gids, wegwijzer — "leidsman" is verouderd</note>
				<verse number="20">een opvoeder van de onwijzen en een leermeester van de onwetenden, die de vorm van de kennis en van de waarheid in de wet heeft.</verse>
				<note verse="20">Grieks παιδευτὴν = opvoeder, tuchtmeester — "onderrichter" is verouderd; μόρφωσιν = vorm, gestalte — "gedaante" is verouderd</note>
				<verse number="21">U dan, die een ander onderwijst, onderwijst u uzelf niet? U die predikt dat men niet stelen zal, steelt u?</verse>
				<verse number="22">U die zegt dat men geen overspel zal doen, doet u overspel? U die van de afgoden een gruwel hebt, berooft u het heilige?</verse>
				<note verse="22">Grieks ἱεροσυλεῖς = tempelroof plegen — verwijst naar het plunderen van heidense tempels voor persoonlijk gewin</note>
				<verse number="23">U die op de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet?</verse>
				<verse number="24">Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, zoals geschreven is.</verse>
				<ref verse="24">Jes 52:5; Ez 36:20-22</ref>
				<heading verse="25">De ware besnijdenis</heading>
				<verse number="25">Want de besnijdenis is wel nuttig, als u de wet doet; maar als u een overtreder van de wet bent, dan is uw besnijdenis voorhuid geworden.</verse>
				<verse number="26">Als dan de onbesnedene de eisen van de wet bewaart, zal dan zijn onbesnedenheid niet als besnijdenis gerekend worden?</verse>
				<note verse="26">Grieks δικαιώματα = eisen, verordeningen — "rechten" mist hier de nuance; ἀκροβυστία = onbesnedenheid — "voorhuid" is te letterlijk in deze context</note>
				<verse number="27">En zal de van nature onbesnedene, als hij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder van de wet bent?</verse>
				<verse number="28">Want niet hij die het uiterlijk is, is een Jood; en niet wat uiterlijk in het vlees is, is besnijdenis;</verse>
				<verse number="29">Maar hij die het innerlijk is, is een Jood; en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de ware besnijdenis; van wie de lof niet uit de mensen komt, maar uit God.</verse>
				<note verse="29">Woordspel — Ἰουδαῖος (Jood) is verwant aan Ἰούδα (Juda), wat "lofprijzing" betekent (Gen 29:35); περιτομὴ καρδίας = besnijdenis van het hart — een OT-concept</note>
				<ref verse="29">Deut 10:16; 30:6; Jer 4:4; Fil 3:3; Kol 2:11</ref>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<heading verse="1">Het voorrecht van de Jood</heading>
				<verse number="1">Wat is dan het voordeel van de Jood? Of wat is het nut van de besnijdenis?</verse>
				<verse number="2">Veel, in alle opzichten; want dit is wel het eerste, dat hun de woorden van God zijn toevertrouwd.</verse>
				<note verse="2">Grieks λόγια (logia) = woorden, uitspraken — verwijst naar de goddelijke uitspraken/beloften in het OT</note>
				<ref verse="2">Deut 4:7-8; Ps 147:19-20</ref>
				<verse number="3">Want wat dan? Al zijn sommigen ontrouw geweest, zal hun ontrouw de trouw van God tenietdoen?</verse>
				<note verse="3">Grieks ἀπιστία (apistia) = ongeloof, ontrouw; πίστις τοῦ θεοῦ = de trouw van God — hier niet "geloof" maar Gods betrouwbaarheid</note>
				<verse number="4">Volstrekt niet! Maar laat God waarachtig zijn, en ieder mens leugenachtig; zoals geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint wanneer U oordeelt.</verse>
				<note verse="4">Grieks μὴ γένοιτο = volstrekt niet! Laat het niet zo zijn! — Paulus' krachtigste ontkenningsformule (14x in zijn brieven). Citaat uit Ps 51:6 (LXX)</note>
				<ref verse="4">Ps 51:6; Ps 116:11; Joh 3:33</ref>
				<verse number="5">Als nu onze ongerechtigheid de gerechtigheid van God bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek op menselijke wijze.)</verse>
				<note verse="5">Grieks κατὰ ἄνθρωπον λέγω = ik spreek op menselijke wijze — Paulus distantieert zich van het argument</note>
				<verse number="6">Volstrekt niet! Want hoe zal God anders de wereld oordelen?</verse>
				<ref verse="6">Gen 18:25</ref>
				<verse number="7">Want als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik dan ook nog als een zondaar geoordeeld?</verse>
				<verse number="8">En zeggen wij niet liever (zoals wij gelasterd worden, en zoals sommigen zeggen dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit komt? Hun veroordeling is rechtvaardig.</verse>
				<note verse="8">Grieks κρίμα = oordeel, veroordeling — "verdoemenis" is te sterk; ἔνδικον = rechtvaardig, terecht</note>
				<heading verse="9">Allen onder de zonde</heading>
				<verse number="9">Wat dan? Zijn wij beter? Beslist niet; want wij hebben eerder beschuldigd dat zowel Joden als Grieken allen onder de zonde zijn;</verse>
				<note verse="9">Grieks προεχόμεθα = zijn wij beter af?; πάντως = geheel en al, beslist — "ganselijk" is verouderd</note>
				<ref verse="9">Rom 1:18-2:29</ref>
				<verse number="10">Zoals geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één;</verse>
				<note verse="10">Citaat uit Ps 14:1-3 / Ps 53:2-4 — Paulus combineert hier meerdere OT-citaten (v10-18) tot één aanklacht</note>
				<ref verse="10">Ps 14:1-3; Ps 53:2-4; Pred 7:20</ref>
				<verse number="11">Er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt.</verse>
				<note verse="11">Grieks συνίων (syniōn) = die begrijpt, die inzicht heeft — "verstandig" kan hier behouden blijven</note>
				<verse number="12">Allen zijn zij afgeweken, samen zijn zij nutteloos geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot één toe.</verse>
				<note verse="12">Grieks ἠχρεώθησαν (ēchreōthēsan) = nutteloos/onbruikbaar geworden — "onnut" is verouderd</note>
				<ref verse="12">Ps 14:1-3</ref>
				<verse number="13">Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; addergif is onder hun lippen.</verse>
				<note verse="13">Citaat uit Ps 5:10 en Ps 140:4. Grieks ἰὸς ἀσπίδων = gif van adders</note>
				<ref verse="13">Ps 5:10; Ps 140:4</ref>
				<verse number="14">Van wie de mond vol is van vervloeking en bitterheid;</verse>
				<ref verse="14">Ps 10:7</ref>
				<verse number="15">Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;</verse>
				<ref verse="15">Spr 1:16; Jes 59:7-8</ref>
				<verse number="16">Vernieling en ellende is in hun wegen;</verse>
				<note verse="16">Grieks ταλαιπωρία = ellende, rampspoed</note>
				<verse number="17">En de weg van de vrede hebben zij niet gekend.</verse>
				<ref verse="17">Jes 59:8</ref>
				<verse number="18">Er is geen vrees voor God voor hun ogen.</verse>
				<note verse="18">Grieks φόβος θεοῦ = ontzag voor God — "vreze" is verouderd</note>
				<ref verse="18">Ps 36:2</ref>
				<heading verse="19">Gerechtvaardigd door het geloof</heading>
				<verse number="19">Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld onder het oordeel staat van God.</verse>
				<note verse="19">Grieks ὑπόδικος (hypodikos) = schuldig, strafbaar, verantwoordelijk — "verdoemelijk" is te sterk en verouderd; φραγῇ = gestopt, tot zwijgen gebracht</note>
				<verse number="20">Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.</verse>
				<note verse="20">Grieks σάρξ (sarx) = vlees, d.w.z. geen mens — "vlees" als synecdoche voor "mens" is nog steeds begrijpelijk en Bijbels. Citaat uit Ps 143:2</note>
				<ref verse="20">Ps 143:2; Gal 2:16</ref>
				<verse number="21">Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, met getuigenis van de wet en de profeten:</verse>
				<note verse="21">Grieks δικαιοσύνη θεοῦ = rechtvaardigheid van God — centraal begrip in Romeinen; μαρτυρουμένη = betuigd, bevestigd door getuigenis</note>
				<ref verse="21">Rom 1:17; Joh 5:46; Hand 10:43</ref>
				<verse number="22">Namelijk de rechtvaardigheid van God door de trouw van Jezus Christus, tot allen die geloven; want er is geen onderscheid.</verse>
				<note verse="22">Grieks πίστεως Ἰησοῦ Χριστοῦ — kan zowel "geloof in Jezus Christus" (objectieve genitief) als "de trouw van Jezus Christus" (subjectieve genitief) betekenen. TR leest "tot allen en over allen"; NA laat "en over allen" weg</note>
				<verse number="23">Want zij hebben allen gezondigd en missen de heerlijkheid van God;</verse>
				<note verse="23">Grieks ὑστεροῦνται (hysterountai) = tekortkomen, missen — "derven" is verouderd; δόξα τοῦ θεοῦ = de heerlijkheid/glorie van God</note>
				<ref verse="23">Rom 5:12; 1 Joh 1:8-10</ref>
				<verse number="24">En worden zonder betaling gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is;</verse>
				<note verse="24">Grieks δωρεάν (dōrean) = om niet, als geschenk, gratis; ἀπολυτρώσεως = verlossing, loskoping — beeld van een losprijs die betaald wordt voor een slaaf</note>
				<ref verse="24">Rom 5:1; Ef 1:7; 2:8; Kol 1:14</ref>
				<verse number="25">Die God openlijk aangewezen heeft als verzoening, door het geloof, in Zijn bloed, tot een bewijs van Zijn rechtvaardigheid, door het voorbijgaan van de zonden die eerder begaan zijn, onder de verdraagzaamheid van God;</verse>
				<note verse="25">Grieks ἱλαστήριον (hilastērion) = verzoendeksel, zoenoffer — verwijst naar het כפרת (kapporet), het gouden deksel op de ark des verbonds waar op Grote Verzoendag bloed werd gesprenkeld (Lev 16:14-15). Grieks πάρεσιν (paresin) = voorbijgaan, ongestraft laten — NIET hetzelfde als ἄφεσιν (vergeving); het gaat om het tijdelijk laten passeren van zonden vóór het kruis. Grieks ἔνδειξιν = bewijs, tonen</note>
				<ref verse="25">Lev 16:14-15; Hebr 9:5; 1 Joh 2:2; 4:10</ref>
				<verse number="26">Tot een bewijs van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig is, en rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is.</verse>
				<note verse="26">Grieks ἐν τῷ νῦν καιρῷ = in de tegenwoordige tijd; δικαιοῦντα τὸν ἐκ πίστεως Ἰησοῦ = en rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is</note>
				<heading verse="27">Het roemen uitgesloten</heading>
				<verse number="27">Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.</verse>
				<note verse="27">Grieks καύχησις (kauchēsis) = het roemen, de trots — Paulus gebruikt dit woord vaak in Romeinen en Korinthiërs</note>
				<ref verse="27">Rom 2:17, 23; 1 Kor 1:29-31; Ef 2:9</ref>
				<verse number="28">Wij stellen dan vast dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet.</verse>
				<note verse="28">Grieks λογιζόμεθα (logizometha) = wij concluderen, wij oordelen — "besluiten" kan verwarrend zijn; dit is een logische conclusie, niet een besluit</note>
				<ref verse="28">Gal 2:16; Ef 2:8-9</ref>
				<verse number="29">Is God een God van de Joden alleen? En is Hij het niet ook van de heidenen? Ja, ook van de heidenen;</verse>
				<ref verse="29">Rom 10:12; Gal 3:28-29</ref>
				<verse number="30">Aangezien Hij één God is, Die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof, en de onbesnedenen door het geloof.</verse>
				<note verse="30">Grieks ἀκροβυστίαν (akrobystian) = onbesnedenheid — "voorhuid" is te letterlijk in deze context, het verwijst naar de onbesneden heidenen</note>
				<ref verse="30">Deut 6:4; Gal 3:8, 20</ref>
				<verse number="31">Doen wij dan de wet teniet door het geloof? Volstrekt niet! Maar wij bevestigen de wet.</verse>
				<note verse="31">Grieks καταργοῦμεν = tenietdoen, buiten werking stellen; ἱστάνομεν = bevestigen, overeind houden</note>
				<ref verse="31">Mt 5:17</ref>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<heading verse="1">Abraham gerechtvaardigd door geloof</heading>
				<verse number="1">Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?</verse>
				<note verse="1">Grieks προπάτορα (propatora) = voorvader, stamvader — specifieker dan alleen "vader"</note>
				<verse number="2">Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.</verse>
				<verse number="3">Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.</verse>
				<note verse="3">Grieks λογίζομαι (logizomai) = toerekenen, aanrekenen — een boekhoudterm die centraal staat in dit hoofdstuk (11× gebruikt)</note>
				<ref verse="3">Gen 15:6; Gal 3:6; Jak 2:23</ref>
				<verse number="4">Wie werkt, wordt het loon niet toegerekend als genade, maar als verplichting.</verse>
				<note verse="4">Grieks ὀφείλημα (opheilēma) = verplichting, iets verschuldigd — niet "schuld" in de zin van zonde, maar als iets dat men verplicht is te betalen</note>
				<verse number="5">Maar wie niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.</verse>
				<verse number="6">Zoals ook David de mens gelukkig prijst aan wie God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken:</verse>
				<note verse="6">Grieks μακαρισμός (makarismos) = gelukspraak, gelukzaligspreking — verwant aan μακάριος (gelukkig); "zalig spreken" is verouderd</note>
				<verse number="7">Gelukkig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie de zonden bedekt zijn;</verse>
				<ref verse="7">Ps 32:1-2</ref>
				<verse number="8">Gelukkig is de man aan wie de Heer de zonden niet toerekent.</verse>
				<heading verse="9">Geloof voorafgaand aan de besnijdenis</heading>
				<verse number="9">Is deze gelukspraak dan alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.</verse>
				<verse number="10">Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was, of toen hij onbesneden was? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.</verse>
				<verse number="11">En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven terwijl zij onbesneden zijn, zodat ook hun de rechtvaardigheid toegerekend wordt;</verse>
				<note verse="11">Grieks σφραγίς (sphragis) = zegel — teken van echtheid en bevestiging; de besnijdenis bevestigde wat God al had toegerekend vóór de besnijdenis</note>
				<ref verse="11">Gen 17:11</ref>
				<verse number="12">En een vader van de besnijdenis, namelijk hen die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat hij had toen hij nog onbesneden was.</verse>
				<heading verse="13">De belofte door het geloof</heading>
				<verse number="13">Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn nageslacht geschied, namelijk dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof.</verse>
				<note verse="13">Grieks σπέρμα (sperma) = zaad, nageslacht — "zaad" is letterlijk maar "nageslacht" verduidelijkt de betekenis</note>
				<ref verse="13">Gen 17:4-6; Gal 3:29</ref>
				<verse number="14">Want als degenen die uit de wet zijn erfgenamen zijn, dan is het geloof zinloos geworden en de belofte krachteloos gemaakt.</verse>
				<note verse="14">Grieks κενόω (kenoō) = leegmaken, zinloos maken; καταργέω (katargeō) = buiten werking stellen, krachteloos maken</note>
				<verse number="15">Want de wet brengt toorn teweeg; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.</verse>
				<note verse="15">Grieks κατεργάζομαι (katergazomai) = teweegbrengen, bewerken — de wet veroorzaakt bewustzijn van zonde en daarmee toorn</note>
				<verse number="16">Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade is; zodat de belofte vaststaat voor heel het nageslacht, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen;</verse>
				<verse number="17">(Zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren;</verse>
				<note verse="17">Grieks ζῳοποιέω (zōopoieō) = levend maken — God roept in het bestaan wat niet bestaat; dit slaat zowel op Izaks geboorte als op de opstanding</note>
				<ref verse="17">Gen 17:5; Jes 48:13</ref>
				<heading verse="18">Het geloof van Abraham</heading>
				<verse number="18">Hij heeft tegen alle hoop in op hoop geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.</verse>
				<ref verse="18">Gen 15:5</ref>
				<verse number="19">En niet verzwakt in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangezien, dat reeds afgestorven was — daar hij ongeveer honderd jaar oud was — noch de afgestorvenheid van de moederschoot van Sara.</verse>
				<note verse="19">Grieks νεκρόω (nekroō) = doden, dood maken — over Abrahams lichaam op ~100-jarige leeftijd; νέκρωσις (nekrōsis) = afgestorvenheid, doodheid — van de moederschoot van Sara</note>
				<verse number="20">En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt in het geloof, en gaf God de eer;</verse>
				<note verse="20">Grieks ἐνδυναμόω (endynamoō) = innerlijk kracht geven, sterken — passief: kracht ontvangen door het geloof</note>
				<verse number="21">En was er ten volle van overtuigd dat wat Hij beloofd had, Hij ook machtig was te doen.</verse>
				<note verse="21">Grieks πληροφορέω (plērophoreō) = ten volle overtuigen, volkomen zeker zijn</note>
				<verse number="22">Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid toegerekend.</verse>
				<verse number="23">Het is echter niet alleen om hem geschreven dat het hem toegerekend is;</verse>
				<verse number="24">Maar ook om ons, aan wie het zal toegerekend worden, namelijk hen die geloven in Hem Die Jezus, onze Heer, uit de doden heeft opgewekt;</verse>
				<verse number="25">Hij Die overgeleverd is om onze overtredingen, en opgewekt om onze rechtvaardiging.</verse>
				<note verse="25">Grieks παράπτωμα (paraptōma) = overtreding, misstap — letterlijk "vallen naast"; δικαίωσις (dikaiōsis) = rechtvaardiging — het actieve proces van rechtvaardig verklaren, niet het verouderde "rechtvaardigmaking"</note>
				<ref verse="25">Jes 53:4-5; 1 Kor 15:17</ref>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<heading verse="1">Vrede bij God door het geloof</heading>
				<verse number="1">Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;</verse>
				<note verse="1">Grieks δικαιωθέντες (dikaiōthentes) = gerechtvaardigd zijnde — aoristus passief participium; εἰρήνη (eirēnē) = vrede — niet alleen een innerlijk gevoel, maar een objectieve staat van verzoening met God</note>
				<ref verse="1">Rom 3:28; Ef 2:14; Kol 1:20</ref>
				<verse number="2">Door Wie wij ook de toegang hebben door het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God.</verse>
				<note verse="2">Grieks προσαγωγή (prosagōgē) = toegang, toeleiding — een hoofse term voor het voorgeleid worden bij een koning; "toeleiding" is verouderd, "toegang" is helderder</note>
				<ref verse="2">Ef 2:18; 3:12; 1 Petr 3:18</ref>
				<verse number="3">En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt;</verse>
				<note verse="3">Grieks θλῖψις (thlipsis) = verdrukking, nood; ὑπομονή (hypomonē) = volharding, standvastigheid — niet passief "lijdzaamheid" maar actief uithouden; κατεργάζεται (katergazetai) = teweegbrengen, bewerken</note>
				<ref verse="3">Jak 1:2-3; 1 Petr 1:6-7</ref>
				<verse number="4">En de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop;</verse>
				<note verse="4">Grieks δοκιμή (dokimē) = beproefdheid, beproefde karakter — het resultaat van beproeving, niet de test zelf; "bevinding" is verouderd</note>
				<verse number="5">En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.</verse>
				<note verse="5">Grieks ἐκκέχυται (ekkechytai) = uitgestort — perfectum passief, de liefde is uitgestort en blijft uitgestort</note>
				<ref verse="5">Rom 8:16; 2 Kor 1:22; Gal 4:6</ref>
				<heading verse="6">Gods liefde in Christus</heading>
				<verse number="6">Want Christus, toen wij nog krachteloos waren, is op de bestemde tijd voor de goddelozen gestorven.</verse>
				<note verse="6">Grieks κατὰ καιρόν (kata kairon) = op de bestemde tijd, op het juiste moment — niet willekeurig maar door God bepaald; "te Zijner tijd" vervangen door "op de bestemde tijd"</note>
				<ref verse="6">Gal 4:4; 1 Tim 1:15; 1 Petr 3:18</ref>
				<verse number="7">Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor de goede zal mogelijk iemand ook durven sterven.</verse>
				<note verse="7">Grieks τολμᾷ (tolma) = durven, wagen — "bestaan te sterven" is verouderd, "durven sterven" is helderder</note>
				<verse number="8">Maar God bevestigt Zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.</verse>
				<note verse="8">Grieks συνίστησιν (synistēsin) = bevestigen, bewijzen, tonen — God demonstreert Zijn liefde; "jegens" vervangen door "voor"</note>
				<ref verse="8">Joh 3:16; 1 Joh 4:10</ref>
				<verse number="9">Veel meer dan, nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn.</verse>
				<verse number="10">Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu verzoend, behouden worden door Zijn leven.</verse>
				<note verse="10">Grieks εἰ γάρ (ei gar) = want als — a fortiori redenering: als het meerdere (verzoening als vijanden) waar is, hoeveel te meer het mindere (behoud als verzoenden)</note>
				<ref verse="10">Rom 8:32; 2 Kor 5:18; Kol 1:21-22</ref>
				<verse number="11">En niet alleen dit, maar wij roemen ook in God, door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.</verse>
				<note verse="11">Grieks καταλλαγή (katallagē) = verzoening — het herstel van de relatie tussen God en mens; "gekregen" vervangen door "ontvangen"</note>
				<heading verse="12">Adam en Christus</heading>
				<verse number="12">Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.</verse>
				<note verse="12">Grieks ἐφ᾽ ᾧ (eph' hō) = omdat, op grond van het feit dat — omstreden passage; "in welken" is onduidelijk, "omdat" verduidelijkt de causale relatie</note>
				<ref verse="12">Gen 3:6; 1 Kor 15:21-22</ref>
				<verse number="13">Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is.</verse>
				<verse number="14">Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden op dezelfde wijze als de overtreding van Adam, die een voorbeeld is van Hem Die komen zou.</verse>
				<note verse="14">Grieks τύπος (typos) = beeld, voorbeeld, voorafbeelding — Adam als type van Christus; "gelijkheid" vervangen door "dezelfde wijze"</note>
				<ref verse="14">Gen 2:17; 1 Kor 15:45</ref>
				<verse number="15">Maar het is met de genadegave niet zoals met de misdaad, want als door de misdaad van één velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade van God, en de gave door de genade van de ene mens Jezus Christus, overvloedig geweest voor velen.</verse>
				<note verse="15">Grieks χάρισμα (charisma) = genadegave, genadegift — van χάρις (charis) = genade; παράπτωμα (paraptōma) = misdaad, overtreding, misstap</note>
				<verse number="16">En het is met de gave niet zoals het was door de ene die gezondigd heeft; want het oordeel is uit één misdaad tot veroordeling, maar de genadegave is uit vele misdaden tot rechtvaardiging.</verse>
				<note verse="16">Grieks κρίμα (krima) = oordeel; κατάκριμα (katakrima) = veroordeling — "verdoemenis" is te zwaar geladen en verouderd; δικαίωμα (dikaiōma) = rechtvaardiging, rechtvaardige daad</note>
				<verse number="17">Want als door de misdaad van de ene de dood geheerst heeft door die ene, hoeveel te meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door die Ene, namelijk Jezus Christus.</verse>
				<note verse="17">Grieks περισσεία (perisseia) = overvloed, overmatige hoeveelheid — de genade overtreft de zonde niet slechts, maar is overvloedig meer</note>
				<ref verse="17">1 Kor 15:22; Openb 5:17</ref>
				<verse number="18">Zo dan, zoals door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot veroordeling, zo komt ook door één rechtvaardige daad de genade over alle mensen tot rechtvaardiging van het leven.</verse>
				<note verse="18">Grieks δικαίωμα (dikaiōma) = rechtvaardige daad — hier verwijzend naar Christus' gehoorzaamheid; δικαίωσις ζωῆς (dikaiōsis zōēs) = rechtvaardiging van het leven — rechtvaardiging die tot leven leidt</note>
				<verse number="19">Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens velen tot zondaars gesteld zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene velen tot rechtvaardigen gesteld worden.</verse>
				<ref verse="19">Jes 53:11; Fil 2:8; Heb 5:8-9</ref>
				<verse number="20">Maar de wet is er bovendien bij gekomen, zodat de misdaad toenam; en waar de zonde toenam, daar is de genade veel meer overvloedig geworden;</verse>
				<note verse="20">Grieks παρεισέρχομαι (pareiserchomai) = er bij binnenkomen, er tussen komen — de wet is er als het ware "bij ingeslopen"; πλεονάζω (pleonazō) = toenemen, meer worden; ὑπερπερισσεύω (hyperperisseuō) = overvloedig meer zijn — met het prefix ὑπερ- (hyper) dat de enorme mate aangeeft</note>
				<ref verse="20">Rom 3:20; 7:8; Gal 3:19</ref>
				<verse number="21">Opdat, zoals de zonde geheerst heeft tot de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.</verse>
				<ref verse="21">Rom 6:23; 1 Joh 5:11-12</ref>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<heading verse="1">Gestorven aan de zonde met Christus</heading>
				<verse number="1">Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?</verse>
				<note verse="1">Grieks ἐπιμένω (epimenō) = blijven bij, volharden in — opzettelijk blijven in de zonde; πλεονάζω (pleonazō) = toenemen, vermeerderen</note>
				<verse number="2">Volstrekt niet! Wij die aan de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog daarin leven?</verse>
				<note verse="2">Grieks μὴ γένοιτο (mē genoito) = volstrekt niet, dat zij verre — de sterkste ontkenning in het Grieks; "dat zij verre" is verouderd</note>
				<ref verse="2">1 Petr 2:24; Kol 3:3</ref>
				<verse number="3">Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?</verse>
				<note verse="3">Grieks βαπτίζω (baptizō) = dopen, onderdompelen — de doop als eenwording met Christus' dood</note>
				<ref verse="3">Gal 3:27; Kol 2:12</ref>
				<verse number="4">Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.</verse>
				<note verse="4">Grieks καινότης (kainotēs) = nieuwheid, vernieuwing — van καινός (kainos) = nieuw in kwaliteit (niet νέος = nieuw in tijd)</note>
				<ref verse="4">Kol 2:12; 3:1; Ef 4:22-24</ref>
				<verse number="5">Want als wij met Hem samengegroeid zijn in gelijkvormigheid aan Zijn dood, dan zullen wij het zeker ook zijn aan Zijn opstanding.</verse>
				<note verse="5">Grieks σύμφυτοι (symphytoi) = samengegroeid, verenigd — letterlijk: samen geplant; duidt op organische verbondenheid met Christus</note>
				<ref verse="5">Fil 3:10-11; Openb 20:6</ref>
				<verse number="6">Dit wetend, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden, zodat wij niet meer de zonde dienen.</verse>
				<note verse="6">Grieks καταργέω (katargeō) = tenietdoen, buiten werking stellen; σῶμα τῆς ἁμαρτίας (sōma tēs hamartias) = lichaam van de zonde — het lichaam als instrument van de zonde; δουλεύω (douleuō) = dienen als slaaf</note>
				<ref verse="6">Gal 2:20; 5:24; Ef 4:22</ref>
				<verse number="7">Want wie gestorven is, is vrijgesproken van de zonde.</verse>
				<note verse="7">Grieks δεδικαίωται (dedikaiōtai) = is gerechtvaardigd, is vrijgesproken — perfectum passief van δικαιόω; hier juridisch: vrijspraak van de macht van de zonde door de dood</note>
				<ref verse="7">1 Petr 4:1</ref>
				<verse number="8">Als wij nu met Christus gestorven zijn, dan geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven;</verse>
				<verse number="9">Wetend dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.</verse>
				<note verse="9">Grieks κυριεύω (kyrieuō) = heersen, heer zijn over — van κύριος (kyrios) = heer; de dood is niet meer heer over de opgestane Christus</note>
				<ref verse="9">Openb 1:18; Heb 7:16</ref>
				<verse number="10">Want wat Hij gestorven is, dat is Hij aan de zonde eenmaal gestorven; en wat Hij leeft, dat leeft Hij voor God.</verse>
				<verse number="11">Zo moet ook u uzelf rekenen dood te zijn voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heer.</verse>
				<note verse="11">Grieks λογίζεσθε (logizesthe) = reken, houd ervoor — imperativus: een bewuste daad van het geloof, niet slechts een gevoel</note>
				<ref verse="11">2 Kor 5:15; Gal 2:19</ref>
				<heading verse="12">Leven in de dienst van God</heading>
				<verse number="12">Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, om aan zijn begeerten te gehoorzamen.</verse>
				<verse number="13">En stel uw leden niet ter beschikking van de zonde als wapens van ongerechtigheid; maar stel uzelf ter beschikking van God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn, en stel uw leden ter beschikking van God als wapens van gerechtigheid.</verse>
				<note verse="13">Grieks παρίστημι (paristēmi) = ter beschikking stellen, aanbieden, presenteren — "begeven" is verouderd; ὅπλα (hopla) = werktuigen, wapens — kan zowel gereedschappen als wapens betekenen</note>
				<ref verse="13">Rom 12:1; 1 Kor 6:15</ref>
				<verse number="14">Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade.</verse>
				<note verse="14">Grieks κυριεύσει (kyrieusei) = zal heersen — toekomstige tijd als belofte: de zonde zal niet langer heer zijn over de gelovige</note>
				<ref verse="14">Rom 7:4; Gal 5:18</ref>
				<heading verse="15">Slaven van de gerechtigheid</heading>
				<verse number="15">Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet zijn maar onder de genade? Volstrekt niet!</verse>
				<verse number="16">Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaven ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaven bent van hem die u gehoorzaamt: hetzij van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?</verse>
				<note verse="16">Grieks παρίστημι (paristēmi) = ter beschikking stellen — herhaling van vers 13; het beeld van slavernij: aan wie je je overgeeft, die dien je</note>
				<ref verse="16">Joh 8:34; 2 Petr 2:19</ref>
				<verse number="17">Maar God zij dank dat u wel slaven van de zonde geweest bent, maar van harte gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.</verse>
				<note verse="17">Grieks τύπος διδαχῆς (typos didachēs) = voorbeeld/vorm van de leer — het patroon van het evangelie waaraan zij zich hebben onderworpen</note>
				<ref verse="17">2 Tim 1:13; Rom 16:17</ref>
				<verse number="18">En vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.</verse>
				<ref verse="18">Joh 8:32; 1 Kor 7:22</ref>
				<verse number="19">Ik spreek op menselijke wijze, vanwege de zwakheid van uw vlees; want zoals u uw leden ter beschikking gesteld hebt van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, stel zo nu uw leden ter beschikking van de gerechtigheid tot heiliging.</verse>
				<note verse="19">Grieks ἀνθρώπινον (anthrōpinon) = menselijk, op menselijke wijze — Paulus past zijn beeldspraak aan vanwege hun beperkt begrip; ἀνομία (anomia) = wetteloosheid — letterlijk: zonder wet; ἁγιασμός (hagiasmos) = heiliging — het proces van heilig worden</note>
				<heading verse="20">Het loon van zonde en de gave van God</heading>
				<verse number="20">Want toen u slaven van de zonde was, was u vrij van de gerechtigheid.</verse>
				<verse number="21">Wat voor vrucht had u dan toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood.</verse>
				<verse number="22">Maar nu, vrijgemaakt van de zonde en dienstbaar gemaakt aan God, hebt u uw vrucht tot heiliging, en het einde het eeuwige leven.</verse>
				<note verse="22">Grieks ἁγιασμός (hagiasmos) = heiliging — de vrucht van het dienen van God is heiliging die uitmondt in eeuwig leven</note>
				<ref verse="22">1 Petr 1:9; Gal 6:8</ref>
				<verse number="23">Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is het eeuwige leven, in Christus Jezus, onze Heer.</verse>
				<note verse="23">Grieks ὀψώνια (opsōnia) = loon, soldij — oorspronkelijk het rantsoen/de soldij van soldaten; χάρισμα (charisma) = genadegave — contrast: de zonde betaalt loon (dood), God geeft een gave (leven)</note>
				<ref verse="23">Gen 2:17; Rom 5:15-17; 1 Joh 5:11</ref>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Of weet u niet, broeders — want ik spreek tot hen die de wet kennen — dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?</verse>
				<note verse="1">Grieks κυριεύω (kyrieuō) = heersen, heer zijn over — dezelfde term als in Rom 6:9,14; de wet heerst over de levende mens</note>
				<verse number="2">Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden zolang hij leeft; maar als de man gestorven is, is zij ontslagen van de wet van de man.</verse>
				<note verse="2">Grieks ὕπανδρος (hypandros) = onder een man, gehuwd — letterlijk: onder het gezag van een man; κατήργηται (katērgētai) = ontslagen, vrijgemaakt — perfectum passief van καταργέω</note>
				<ref verse="2">1 Kor 7:39</ref>
				<verse number="3">Daarom dan, als zij van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden; maar als de man gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij van een andere man wordt.</verse>
				<note verse="3">Grieks μοιχαλίς (moichalis) = overspelige vrouw — van μοιχεύω (moicheuō) = overspel plegen; "overspelersse" is verouderd</note>
				<verse number="4">Zo bent ook u, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u van een Ander zou worden, namelijk van Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij voor God vrucht zouden dragen.</verse>
				<note verse="4">Grieks ἐθανατώθητε (ethanatōthēte) = u bent gedood — passief: niet wij hebben onszelf gedood, maar wij zijn gedood door Christus' dood; καρποφορέω (karpophoreō) = vrucht dragen</note>
				<ref verse="4">Gal 2:19Gal 5:22-23Ef 2:15-16</ref>
				<verse number="5">Want toen wij in het vlees waren, werkten de hartstochten van de zonden, die door de wet gewekt werden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen.</verse>
				<note verse="5">Grieks πάθημα (pathēma) = hartstocht, lijden — hier de zondige hartstochten; ἐνεργέω (energeō) = werken, actief zijn — de hartstochten waren actief werkzaam in de leden</note>
				<ref verse="5">Rom 6:21Gal 5:19-21</ref>
				<verse number="6">Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, gestorven aan dat waaraan wij gebonden waren, zodat wij dienen in nieuwheid van de Geest, en niet in oudheid van de letter.</verse>
				<note verse="6">Grieks καινότης πνεύματος (kainotēs pneumatos) = nieuwheid van de Geest; παλαιότης γράμματος (palaiotēs grammatos) = oudheid van de letter — contrast tussen het nieuwe leven door de Geest en het oude bestaan onder de letter van de wet</note>
				<ref verse="6">Rom 6:42 Kor 3:6</ref>
				<verse number="7">Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Maar ik heb de zonde niet gekend dan door de wet; want ook de begeerte had ik niet gekend, als de wet niet gezegd had: U zult niet begeren.</verse>
				<note verse="7">Grieks ἐπιθυμία (epithymia) = begeerte, verlangen — kan neutraal zijn maar hier de zondige begeerte; οὐκ ἐπιθυμήσεις (ouk epithymēseis) = u zult niet begeren — citaat uit het tiende gebod</note>
				<ref verse="7">Rom 3:20Ex 20:17Deut 5:21</ref>
				<verse number="8">Maar de zonde heeft door het gebod de gelegenheid aangegrepen en in mij allerlei begeerte gewekt; want zonder de wet is de zonde dood.</verse>
				<note verse="8">Grieks ἀφορμή (aphormē) = aanleiding, uitgangspunt, aanknopingspunt — militaire term: een uitvalsbasis; de zonde gebruikt het gebod als uitvalsbasis</note>
				<ref verse="8">Rom 5:20Jak 1:14-15</ref>
				<verse number="9">En vroeger leefde ik zonder de wet; maar toen het gebod kwam, leefde de zonde op, en ik stierf.</verse>
				<verse number="10">En het gebod dat tot leven was, dat bleek mij tot de dood te zijn.</verse>
				<verse number="11">Want de zonde heeft door het gebod de gelegenheid aangegrepen, en heeft mij verleid en daardoor gedood.</verse>
				<note verse="11">Grieks ἐξαπατάω (exapataō) = verleiden, misleiden — met prefix ἐξ- dat de intensiteit versterkt; echo van de verleiding van Eva in Gen 3</note>
				<ref verse="11">Gen 3:132 Kor 11:3</ref>
				<verse number="12">Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.</verse>
				<ref verse="12">Ps 19:8-91 Tim 1:8</ref>
				<verse number="13">Is dan het goede mij tot de dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde, opdat zij als zonde openbaar zou worden, heeft door het goede mij de dood bewerkt; opdat de zonde buitengewoon zondig zou worden door het gebod.</verse>
				<note verse="13">Grieks καθ᾽ ὑπερβολήν (kath' hyperbolēn) = buitengewoon, bovenmate — de zonde wordt in haar ware karakter onthuld door het gebod</note>
				<verse number="14">Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.</verse>
				<note verse="14">Grieks σαρκικός/σάρκινος (sarkikos/sarkinos) = vleselijk, van vlees — niet slechts "beïnvloed door vlees" maar "bestaande uit vlees"; πεπραμένος (pepramenos) = verkocht — perfectum passief: als slaaf verkocht onder de zonde</note>
				<ref verse="14">Ps 51:7Joh 3:6</ref>
				<verse number="15">Want wat ik doe, dat begrijp ik niet; want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.</verse>
				<note verse="15">Grieks κατεργάζομαι (katergazomai) = uitwerken, tot stand brengen; γινώσκω (ginōskō) = kennen, begrijpen — Paulus begrijpt zijn eigen handelen niet; de innerlijke tweespalt</note>
				<verse number="16">En als ik doe wat ik niet wil, dan stem ik de wet toe dat zij goed is.</verse>
				<verse number="17">Nu doe ik het dan niet meer, maar de zonde die in mij woont.</verse>
				<verse number="18">Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont; want het willen is er wel bij mij, maar het goede doen, dat vind ik niet.</verse>
				<note verse="18">Grieks παράκειται (parakeitai) = erbij liggen, voorhanden zijn — het willen is er wel, maar het vermogen om het goede te doen ontbreekt</note>
				<verse number="19">Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.</verse>
				<verse number="20">Als ik nu doe wat ik niet wil, dan doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont.</verse>
				<verse number="21">Ik ontdek dus deze wet in mij: als ik het goede wil doen, is het kwade bij mij voorhanden.</verse>
				<verse number="22">Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God.</verse>
				<note verse="22">Grieks ἔσω ἄνθρωπος (esō anthrōpos) = innerlijke mens — de vernieuwde mens die in Gods wet een vermaak vindt; συνήδομαι (synēdomai) = medeverheugen, vermaak scheppen in</note>
				<ref verse="22">Ps 1:2Ps 119:16</ref>
				<verse number="23">Maar ik zie een andere wet in mijn leden, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand, en mij krijgsgevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.</verse>
				<note verse="23">Grieks ἀντιστρατεύομαι (antistrateuomai) = strijd voeren tegen — militaire term: een tegenoffensief voeren; αἰχμαλωτίζω (aichmalōtizō) = krijgsgevangene maken — als oorlogsbuit meevoeren</note>
				<ref verse="23">Gal 5:171 Petr 2:11</ref>
				<verse number="24">Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?</verse>
				<note verse="24">Grieks ταλαίπωρος (talaipōros) = ellendig, beklagenswaardig — een diepe uitroep van wanhoop; ῥύομαι (rhyomai) = verlossen, redden, bevrijden — actief uit gevaar trekken</note>
				<ref verse="24">Rom 8:21 Kor 15:57</ref>
				<verse number="25">Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heer. Zo dien ik dan zelf wel met het verstand de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde.</verse>
				<note verse="25">Grieks νοῦς (nous) = verstand, gemoed, gezindheid — het vernieuwde denkvermogen dat Gods wet erkent; σάρξ (sarx) = vlees — de nog niet verloste menselijke natuur</note>
				<ref verse="25">Rom 8:1-21 Kor 15:57</ref>
				<verse number="26">Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<heading verse="1">Geen veroordeling in Christus</heading>
				<verse number="1">Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.</verse>
				<note verse="1">Tekstvariant: de woorden 'die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest' staan in de Textus Receptus (en de SV), maar ontbreken aan het slot van vers 1 in de vroegste handschriften (Nestle-Aland) — daar lopen ze parallel aan vers 4. Grieks κατάκριμα (katakrima) = veroordeling, vonnis (niet 'verdoemenis')</note>
				<ref verse="1">Joh 3:18Rom 5:1Gal 5:16</ref>
				<verse number="2">Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.</verse>
				<note verse="2">Grieks ἠλευθέρωσέν (ēleutherōsen) = heeft vrijgemaakt, bevrijd; de TR/SV leest 'mij' (με), de oudste handschriften 'u' (σε); 'wet van de Geest' tegenover 'wet van de zonde' — niet de Mozaicwet maar een heersend beginsel</note>
				<ref verse="2">Joh 8:362 Kor 3:17Rom 7:24</ref>
				<verse number="3">Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees verzwakt was, heeft God gedaan: door Zijn eigen Zoon te zenden in de gedaante van zondig vlees en als offer voor de zonde, heeft Hij de zonde in het vlees veroordeeld,</verse>
				<note verse="3">Grieks ὁμοίωμα (homoiōma) = gelijkenis, gedaante — de Zoon kwam in echt menselijk vlees, maar zonder zonde; περὶ ἁμαρτίας (peri hamartias) = 'voor de zonde', in de Griekse vertaling van het OT de vaste uitdrukking voor het zondoffer</note>
				<ref verse="3">Gal 4:42 Kor 5:21Heb 10:1</ref>
				<verse number="4">opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.</verse>
				<note verse="4">Grieks δικαίωμα (dikaiōma) = de rechtvaardige eis, rechtseis van de wet — wat de wet terecht vraagt, wordt in de gelovige vervuld</note>
				<ref verse="4">Rom 13:8Gal 5:25</ref>
				<heading verse="5">Leven naar het vlees of naar de Geest</heading>
				<verse number="5">Want zij die naar het vlees zijn, richten zich op wat van het vlees is; maar zij die naar de Geest zijn, op wat van de Geest is.</verse>
				<verse number="6">Want de denkrichting van het vlees is de dood, maar de denkrichting van de Geest is leven en vrede.</verse>
				<note verse="6">Grieks φρόνημα (phronēma) = gezindheid, denkrichting, waar het hart op gericht is — bepalend voor leven of dood</note>
				<ref verse="6">Rom 6:21Gal 6:8</ref>
				<verse number="7">Want de denkrichting van het vlees is vijandschap tegen God: zij onderwerpt zich niet aan de wet van God, want zij kan dat ook niet.</verse>
				<ref verse="7">Jak 4:41 Kor 2:14</ref>
				<verse number="8">En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.</verse>
				<verse number="9">Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, tenminste als de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, dan behoort hij Hem niet toe.</verse>
				<note verse="9">Grieks εἴπερ (eiper) = tenminste als, voor zover werkelijk; οἰκεῖ (oikei) = inwoont, thuis is — de Geest woont blijvend in de gelovige</note>
				<ref verse="9">1 Kor 3:16Gal 4:6</ref>
				<verse number="10">En als Christus in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.</verse>
				<verse number="11">En als de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in u woont.</verse>
				<ref verse="11">Rom 6:41 Kor 6:142 Kor 4:14</ref>
				<heading verse="12">Kinderen en erfgenamen van God</heading>
				<verse number="12">Daarom dan, broeders, zijn wij wel verschuldigd,  maar niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.</verse>
				<verse number="13">Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven; maar als u door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven.</verse>
				<ref verse="13">Gal 6:8Kol 3:5</ref>
				<verse number="14">Want allen die door de Geest van God geleid worden, zij zijn zonen van God.</verse>
				<note verse="14">Grieks υἱοί (huioi) = zonen — wie door de Geest geleid wordt, deelt in de volle status van het kindschap (vgl. υἱοθεσία in vers 15,23 en het erfrecht in vers 17)</note>
				<ref verse="14">Gal 5:18Joh 1:12</ref>
				<verse number="15">Want u hebt geen geest van slavernij ontvangen, die u opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van de aanneming tot zonen ontvangen, door wie wij roepen: Abba, Vader!</verse>
				<note verse="15">Grieks υἱοθεσία (huiothesia) = aanneming tot kind, adoptie — een juridische term: de aangenomene krijgt de volle rechten van een zoon; Αββα (Abba) = Aramees, vertrouwelijke aanspraak 'vader' (vgl. Mk 14:36)</note>
				<ref verse="15">2 Tim 1:7Gal 4:5Mk 14:36</ref>
				<verse number="16">De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.</verse>
				<ref verse="16">2 Kor 1:221 Joh 3:1</ref>
				<verse number="17">En als wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, tenminste als wij met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.</verse>
				<ref verse="17">Hand 26:182 Tim 2:121 Petr 4:13</ref>
				<heading verse="18">Lijden en toekomstige heerlijkheid</heading>
				<verse number="18">Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.</verse>
				<note verse="18">Grieks λογίζομαι (logizomai) = ik reken, ben ervan overtuigd; οὐκ ἄξια ... πρός = weegt niet op tegen — het lijden valt in het niet bij de komende heerlijkheid</note>
				<ref verse="18">2 Kor 4:171 Petr 1:5</ref>
				<verse number="19">Want de schepping ziet met reikhalzend verlangen uit naar de openbaring van de zonen van God.</verse>
				<note verse="19">Grieks ἀποκαραδοκία (apokaradokia) = reikhalzend, gespannen verwachten (letterlijk: met uitgestrekte hals uitzien); κτίσις (ktisis) = de schepping, het geschapene (niet 'schepsel')</note>
				<ref verse="19">2 Petr 3:131 Joh 3:2</ref>
				<verse number="20">Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door Hem die haar onderworpen heeft, in de hoop</verse>
				<note verse="20">Grieks ματαιότης (mataiotēs) = vergankelijkheid, zinloosheid, vruchteloosheid — de schepping deelt in de gevolgen van de zondeval (vgl. Gen 3:17-19), niet uit eigen keuze</note>
				<ref verse="20">Gen 3:17Pred 1:2</ref>
				<verse number="21">dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij van het verderf, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.</verse>
				<ref verse="21">2 Petr 3:13Openb 21:1</ref>
				<verse number="22">Want wij weten dat heel de schepping tot nu toe gezamenlijk zucht en in barensnood verkeert.</verse>
				<ref verse="22">Jer 12:4Mk 13:8</ref>
				<verse number="23">En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zuchten in onszelf, terwijl wij de aanneming tot zonen verwachten: de verlossing van ons lichaam.</verse>
				<note verse="23">Grieks ἀπαρχή (aparchē) = eersteling, eerste oogst — de Geest als voorschot op de volle verlossing; ἀπολύτρωσις (apolytrōsis) = verlossing, loskoping — hier van het lichaam in de opstanding</note>
				<ref verse="23">2 Kor 5:2Ef 1:14Lk 21:28</ref>
				<verse number="24">Want in de hoop zijn wij gered. Maar hoop die men ziet, is geen hoop; want wie hoopt nog op wat hij ziet?</verse>
				<ref verse="24">2 Kor 5:7Heb 11:1</ref>
				<verse number="25">Maar als wij hopen op wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding.</verse>
				<heading verse="26">De Geest helpt ons bidden</heading>
				<verse number="26">En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij naar behoren bidden moeten, maar de Geest Zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.</verse>
				<note verse="26">Grieks συναντιλαμβάνεται (synantilambanetai) = mee de last helpen dragen, te hulp komen; στεναγμοῖς ἀλαλήτοις (stenagmois alalētois) = met verzuchtingen die niet in woorden zijn uit te drukken</note>
				<ref verse="26">Mt 20:22Zach 12:10Ef 6:18</ref>
				<verse number="27">En Hij die de harten doorzoekt, weet wat de gezindheid van de Geest is, omdat Hij naar Gods wil voor de heiligen pleit.</verse>
				<note verse="27">Grieks ἐραυνῶν τὰς καρδίας (eraunōn tas kardias) = Hij die de harten doorzoekt — een naam voor God (vgl. 1 Kron 28:9); ἐντυγχάνει (entynchanei) = pleit, bemiddelt namens</note>
				<ref verse="27">1 Kron 28:9Ps 7:10</ref>
				<heading verse="28">Gods voornemen tot heerlijkheid</heading>
				<verse number="28">En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die naar Zijn voornemen geroepen zijn.</verse>
				<note verse="28">Grieks συνεργεῖ (synergei) = werkt mee, werkt samen ten goede; πρόθεσις (prothesis) = voornemen, vooropgezet plan — Gods soevereine bedoeling</note>
				<ref verse="28">Rom 9:11Ef 1:112 Tim 1:9</ref>
				<verse number="29">Want hen die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.</verse>
				<note verse="29">Grieks προέγνω (proegnō) = tevoren gekend; προώρισεν (proōrisen) = tevoren bestemd, bepaald; σύμμορφος (symmorphos) = gelijkvormig — bestemd om op de Zoon te lijken, die de Eerstgeborene (πρωτότοκος) is</note>
				<ref verse="29">Kol 1:18Ef 1:5Heb 1:6</ref>
				<verse number="30">En hen die Hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen; en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.</verse>
				<ref verse="30">Joh 6:391 Kor 6:11</ref>
				<heading verse="31">Meer dan overwinnaars</heading>
				<verse number="31">Wat zullen wij dan over deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?</verse>
				<ref verse="31">Num 14:9Ps 118:6Heb 13:6</ref>
				<verse number="32">Hij die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, hoe zal Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken?</verse>
				<ref verse="32">Joh 3:16Gen 22:12Rom 5:8</ref>
				<verse number="33">Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het die rechtvaardigt.</verse>
				<note verse="33">Grieks ἐκλεκτῶν (eklektōn) = uitverkorenen; θεὸς ὁ δικαιῶν = God is het die rechtvaardigt — een rechtbankbeeld: de Rechter Zelf spreekt vrij</note>
				<ref verse="33">Jes 50:8Openb 12:10</ref>
				<verse number="34">Wie is het die veroordeelt? Christus is het die gestorven is; ja, meer nog, die ook is opgewekt, die ook aan de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit.</verse>
				<note verse="34">Grieks ἐντυγχάνει ὑπὲρ ἡμῶν = pleit voor ons — Christus als voorspraak aan Gods rechterhand (vgl. Heb 7:25; 1 Joh 2:1)</note>
				<ref verse="34">Heb 7:25Mk 16:191 Joh 2:1</ref>
				<verse number="35">Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?</verse>
				<ref verse="35">1 Kor 4:112 Kor 11:23</ref>
				<verse number="36">Zoals geschreven staat: Om U worden wij de hele dag gedood; wij worden beschouwd als schapen die geslacht worden.</verse>
				<note verse="36">Citaat uit Psalm 44:23 — het lijden van Gods volk is van alle tijden; πρόβατα σφαγῆς (probata sphagēs) = schapen voor de slacht</note>
				<ref verse="36">Ps 44:231 Kor 15:30</ref>
				<verse number="37">Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad.</verse>
				<note verse="37">Grieks ὑπερνικῶμεν (hypernikōmen) = wij overwinnen verre, zijn meer dan overwinnaars — niet op eigen kracht, maar door Hem die ons heeft liefgehad</note>
				<ref verse="37">1 Kor 15:571 Joh 4:4</ref>
				<verse number="38">Want ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch overheden noch machten, tegenwoordige noch toekomstige dingen,</verse>
				<ref verse="38">Ef 1:211 Petr 3:22</ref>
				<verse number="39">hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer.</verse>
				<ref verse="39">Joh 10:28Ef 3:18</ref>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest),</verse>
				<verse number="2">Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is.</verse>
				<verse number="3">Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees;</verse>
				<verse number="4">Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen;</verse>
				<verse number="5">Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="6">Doch ik zeg dit niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.</verse>
				<verse number="7">Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaäk zal u het zaad genoemd worden.</verse>
				<verse number="8">Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.</verse>
				<verse number="9">Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben.</verse>
				<verse number="10">En niet alleenlijk deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit een bevrucht was, namelijk Izaäk, onzen vader.</verse>
				<verse number="11">Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;</verse>
				<verse number="12">Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.</verse>
				<verse number="13">Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.</verse>
				<verse number="14">Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.</verse>
				<verse number="15">Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.</verse>
				<verse number="16">Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.</verse>
				<verse number="17">Want de Schrift zegt tot Faraö: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.</verse>
				<verse number="18">Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.</verse>
				<verse number="19">Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan?</verse>
				<verse number="20">Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?</verse>
				<verse number="21">Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het éne vat ter ere, en het andere ter onere?</verse>
				<verse number="22">En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid;</verse>
				<verse number="23">En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?</verse>
				<verse number="24">Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.</verse>
				<verse number="25">Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.</verse>
				<verse number="26">En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.</verse>
				<verse number="27">En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.</verse>
				<verse number="28">Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.</verse>
				<verse number="29">En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Sebaôth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sódom geworden, en Gomórra gelijk gemaakt geweest.</verse>
				<verse number="30">Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.</verse>
				<verse number="31">Maar Israël, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.</verse>
				<verse number="32">Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots;</verse>
				<verse number="33">Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.</verse>
				<verse number="2">Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.</verse>
				<verse number="3">Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.</verse>
				<verse number="4">Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.</verse>
				<verse number="5">Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.</verse>
				<verse number="6">Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen.</verse>
				<verse number="7">Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen.</verse>
				<verse number="8">Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.</verse>
				<verse number="9">Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.</verse>
				<verse number="10">Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.</verse>
				<verse number="11">Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.</verse>
				<verse number="12">Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want éénzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.</verse>
				<verse number="13">Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.</verse>
				<verse number="14">Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?</verse>
				<verse number="15">En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!</verse>
				<verse number="16">Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?</verse>
				<verse number="17">Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.</verse>
				<verse number="18">Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.</verse>
				<verse number="19">Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.</verse>
				<verse number="20">En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.</verse>
				<verse number="21">Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.</verse>
				<verse number="2">God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elía, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:</verse>
				<verse number="3">Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.</verse>
				<verse number="4">Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.</verse>
				<verse number="5">Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.</verse>
				<verse number="6">En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.</verse>
				<verse number="7">Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.</verse>
				<verse number="8">(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.</verse>
				<verse number="9">En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.</verse>
				<verse number="10">Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.</verse>
				<verse number="11">Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.</verse>
				<verse number="12">En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!</verse>
				<verse number="13">Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;</verse>
				<verse number="14">Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht.</verse>
				<verse number="15">Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?</verse>
				<verse number="16">En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.</verse>
				<verse number="17">En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,</verse>
				<verse number="18">Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.</verse>
				<verse number="19">Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.</verse>
				<verse number="20">Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.</verse>
				<verse number="21">Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.</verse>
				<verse number="22">Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.</verse>
				<verse number="23">Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.</verse>
				<verse number="24">Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden?</verse>
				<verse number="25">Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.</verse>
				<verse number="26">En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.</verse>
				<verse number="27">En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.</verse>
				<verse number="28">Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;</verse>
				<verse number="29">Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.</verse>
				<verse number="30">Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;</verse>
				<verse number="31">Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.</verse>
				<verse number="32">Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.</verse>
				<verse number="33">O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!</verse>
				<verse number="34">Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?</verse>
				<verse number="35">Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?</verse>
				<verse number="36">Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.</verse>
				<verse number="2">En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.</verse>
				<verse number="3">Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft.</verse>
				<verse number="4">Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben;</verse>
				<verse number="5">Alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.</verse>
				<verse number="6">Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is,</verse>
				<verse number="7">Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;</verse>
				<verse number="8">Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.</verse>
				<verse number="9">De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.</verse>
				<verse number="10">Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een den ander voorgaande.</verse>
				<verse number="11">Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.</verse>
				<verse number="12">Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.</verse>
				<verse number="13">Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid.</verse>
				<verse number="14">Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.</verse>
				<verse number="15">Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.</verse>
				<verse number="16">Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.</verse>
				<verse number="17">Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.</verse>
				<verse number="18">Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.</verse>
				<verse number="19">Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.</verse>
				<verse number="20">Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.</verse>
				<verse number="21">Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.</verse>
				<verse number="2">Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.</verse>
				<verse number="3">Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;</verse>
				<verse number="4">Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.</verse>
				<verse number="5">Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil.</verse>
				<verse number="6">Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde.</verse>
				<verse number="7">Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, dien gij de eer schuldig zijt.</verse>
				<verse number="8">Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.</verse>
				<verse number="9">Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.</verse>
				<verse number="10">De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet.</verse>
				<verse number="11">En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben.</verse>
				<verse number="12">De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.</verse>
				<verse number="13">Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;</verse>
				<verse number="14">Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.</verse>
				<verse number="2">De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.</verse>
				<verse number="3">Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.</verse>
				<verse number="4">Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.</verse>
				<verse number="5">De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.</verse>
				<verse number="6">Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.</verse>
				<verse number="7">Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.</verse>
				<verse number="8">Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.</verse>
				<verse number="9">Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.</verse>
				<verse number="10">Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.</verse>
				<verse number="11">Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.</verse>
				<verse number="12">Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.</verse>
				<verse number="13">Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.</verse>
				<verse number="14">Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein.</verse>
				<verse number="15">Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.</verse>
				<verse number="16">Dat dan uw goed niet gelasterd worde.</verse>
				<verse number="17">Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="18">Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.</verse>
				<verse number="19">Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.</verse>
				<verse number="20">Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet.</verse>
				<verse number="21">Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is.</verse>
				<verse number="22">Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.</verse>
				<verse number="23">Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.</verse>
				<verse number="2">Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.</verse>
				<verse number="3">Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.</verse>
				<verse number="4">Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.</verse>
				<verse number="5">Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus;</verse>
				<verse number="6">Opdat gij eendrachtelijk, met één mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="7">Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.</verse>
				<verse number="8">En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen;</verse>
				<verse number="9">En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.</verse>
				<verse number="10">En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk!</verse>
				<verse number="11">En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!</verse>
				<verse number="12">En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de Wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.</verse>
				<verse number="13">De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.</verse>
				<verse number="14">Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen.</verse>
				<verse number="15">Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is;</verse>
				<verse number="16">Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="17">Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan.</verse>
				<verse number="18">Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken;</verse>
				<verse number="19">Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb.</verse>
				<verse number="20">En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen;</verse>
				<verse number="21">Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.</verse>
				<verse number="22">Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen.</verse>
				<verse number="23">Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,</verse>
				<verse number="24">Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn.</verse>
				<verse number="25">Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.</verse>
				<verse number="26">Want het heeft dien van Macedónië en Acháje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.</verse>
				<verse number="27">Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.</verse>
				<verse number="28">Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.</verse>
				<verse number="29">En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal.</verse>
				<verse number="30">En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;</verse>
				<verse number="31">Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judéa, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;</verse>
				<verse number="32">Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden.</verse>
				<verse number="33">En de God des vredes zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En ik beveel u Febé, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreeën is;</verse>
				<verse number="2">Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven.</verse>
				<verse number="3">Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;</verse>
				<verse number="4">Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen.</verse>
				<verse number="5">Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epénetus, mijn beminde, die de eersteling is van Acháje in Christus.</verse>
				<verse number="6">Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft.</verse>
				<verse number="7">Groet Androníkus en Júnias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn.</verse>
				<verse number="8">Groet Amplias, mijn beminde in den Heere.</verse>
				<verse number="9">Groet Urbánus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde.</verse>
				<verse number="10">Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het huisgezin van Aristobúlus zijn.</verse>
				<verse number="11">Groet Heródion, die van mijn maagschap is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in den Heere zijn.</verse>
				<verse number="12">Groet Tryféna en Tryfósa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heere.</verse>
				<verse number="13">Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijn moeder en de mijne.</verse>
				<verse number="14">Groet Asynkritus, Flégon, Hermas, Pátrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn.</verse>
				<verse number="15">Groet Filólogus en Júlia, Néréüs en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn.</verse>
				<verse number="16">Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden.</verse>
				<verse number="17">En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.</verse>
				<verse number="18">Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen.</verse>
				<verse number="19">Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade.</verse>
				<verse number="20">En de God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.</verse>
				<verse number="21">U groeten, Timótheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socípater, mijn bloedverwanten.</verse>
				<verse number="22">Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere.</verse>
				<verse number="23">U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erástus, de rentmeester der stad, en de broeder Quartus.</verse>
				<verse number="24">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.</verse>
				<verse number="25">Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest;</verse>
				<verse number="26">Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt;</verse>
				<verse number="27">Den zelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="46">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sósthenes, de broeder,</verse>
				<verse number="2">Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere:</verse>
				<verse number="3">Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="4">Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;</verse>
				<verse number="5">Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;</verse>
				<verse number="6">Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;</verse>
				<verse number="7">Alzo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="8">Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="9">God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.</verse>
				<verse number="10">Maar ik bid u, broeders, door den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfden zin, en in een zelfde gevoelen.</verse>
				<verse number="11">Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloë zijn, dat er twisten onder u zijn.</verse>
				<verse number="12">En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Céfas; en ik van Christus.</verse>
				<verse number="13">Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus naam gedoopt?</verse>
				<verse number="14">Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;</verse>
				<verse number="15">Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.</verse>
				<verse number="16">Doch ik heb ook het huisgezin van Stéfanus gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.</verse>
				<verse number="17">Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.</verse>
				<verse number="18">Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;</verse>
				<verse number="19">Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.</verse>
				<verse number="20">Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?</verse>
				<verse number="21">Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven;</verse>
				<verse number="22">Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;</verse>
				<verse number="23">Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;</verse>
				<verse number="24">Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.</verse>
				<verse number="25">Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.</verse>
				<verse number="26">Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.</verse>
				<verse number="27">Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;</verse>
				<verse number="28">En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;</verse>
				<verse number="29">Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.</verse>
				<verse number="30">Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;</verse>
				<verse number="31">Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.</verse>
				<verse number="2">Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.</verse>
				<verse number="3">En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.</verse>
				<verse number="4">En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht;</verse>
				<verse number="5">Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.</verse>
				<verse number="6">En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;</verse>
				<verse number="7">Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;</verse>
				<verse number="8">Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.</verse>
				<verse number="9">Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.</verse>
				<verse number="10">Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.</verse>
				<verse number="11">Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.</verse>
				<verse number="12">Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;</verse>
				<verse number="13">Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.</verse>
				<verse number="14">Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.</verse>
				<verse number="15">Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.</verse>
				<verse number="16">Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.</verse>
				<verse number="2">Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet.</verse>
				<verse number="3">Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?</verse>
				<verse number="4">Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?</verse>
				<verse number="5">Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welke gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?</verse>
				<verse number="6">Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.</verse>
				<verse number="7">Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft.</verse>
				<verse number="8">En die plant, en die nat maakt, zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.</verse>
				<verse number="9">Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.</verse>
				<verse number="10">Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.</verse>
				<verse number="11">Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.</verse>
				<verse number="12">En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen;</verse>
				<verse number="13">Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.</verse>
				<verse number="14">Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.</verse>
				<verse number="15">Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.</verse>
				<verse number="16">Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?</verse>
				<verse number="17">Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.</verse>
				<verse number="18">Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.</verse>
				<verse number="19">Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;</verse>
				<verse number="20">En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.</verse>
				<verse number="21">Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe.</verse>
				<verse number="22">Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.</verse>
				<verse number="23">Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Alzo houde ons een ieder mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods.</verse>
				<verse number="2">En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.</verse>
				<verse number="3">Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.</verse>
				<verse number="4">Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.</verse>
				<verse number="5">Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en als dan zal een iegelijk lof hebben van God.</verse>
				<verse number="6">En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis gepast, om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander.</verse>
				<verse number="7">Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?</verse>
				<verse number="8">Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten!</verse>
				<verse number="9">Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen.</verse>
				<verse number="10">Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten.</verse>
				<verse number="11">Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats;</verse>
				<verse number="12">En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;</verse>
				<verse number="13">Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe.</verse>
				<verse number="14">Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik u.</verse>
				<verse number="15">Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt gij toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.</verse>
				<verse number="16">Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers.</verse>
				<verse number="17">Daarom heb ik Timótheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle Gemeenten leer.</verse>
				<verse number="18">Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zou.</verse>
				<verse number="19">Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht.</verse>
				<verse number="20">Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.</verse>
				<verse number="21">Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft.</verse>
				<verse number="2">En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?</verse>
				<verse number="3">Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,</verse>
				<verse number="4">In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,</verse>
				<verse number="5">Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.</verse>
				<verse number="6">Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?</verse>
				<verse number="7">Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.</verse>
				<verse number="8">Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.</verse>
				<verse number="9">Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;</verse>
				<verse number="10">Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.</verse>
				<verse number="11">Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.</verse>
				<verse number="12">Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?</verse>
				<verse number="13">Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen boze uit ulieden weg.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?</verse>
				<verse number="2">Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken?</verse>
				<verse number="3">Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?</verse>
				<verse number="4">Zo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn.</verse>
				<verse number="5">Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?</verse>
				<verse number="6">Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen.</verse>
				<verse number="7">Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?</verse>
				<verse number="8">Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.</verse>
				<verse number="9">Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?</verse>
				<verse number="10">Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.</verse>
				<verse number="11">En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.</verse>
				<verse number="12">Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.</verse>
				<verse number="13">De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam.</verse>
				<verse number="14">En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.</verse>
				<verse number="15">Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre.</verse>
				<verse number="16">Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees wezen.</verse>
				<verse number="17">Maar die den Heere aanhangt, is één geest met Hem.</verse>
				<verse number="18">Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.</verse>
				<verse number="19">Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?</verse>
				<verse number="20">Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Aangaande nu de dingen, waarvan gij mij geschreven hebt; het is een mens goed geen vrouw aan te raken.</verse>
				<verse number="2">Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haar eigen man hebben.</verse>
				<verse number="3">De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en desgelijks ook de vrouw aan den man.</verse>
				<verse number="4">De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.</verse>
				<verse number="5">Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.</verse>
				<verse number="6">Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.</verse>
				<verse number="7">Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzo.</verse>
				<verse number="8">Doch ik zeg den ongetrouwden, en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven, gelijk als ik.</verse>
				<verse number="9">Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.</verse>
				<verse number="10">Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.</verse>
				<verse number="11">En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.</verse>
				<verse number="12">Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate;</verse>
				<verse number="13">En een vrouw, die een ongelovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.</verse>
				<verse number="14">Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.</verse>
				<verse number="15">Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.</verse>
				<verse number="16">Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?</verse>
				<verse number="17">Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten.</verse>
				<verse number="18">Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden.</verse>
				<verse number="19">De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.</verse>
				<verse number="20">Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is.</verse>
				<verse number="21">Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.</verse>
				<verse number="22">Want die in den Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.</verse>
				<verse number="23">Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen.</verse>
				<verse number="24">Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God.</verse>
				<verse number="25">Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb, om getrouw te zijn.</verse>
				<verse number="26">Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mens goed is alzo te zijn.</verse>
				<verse number="27">Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw.</verse>
				<verse number="28">Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden.</verse>
				<verse number="29">Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;</verse>
				<verse number="30">En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;</verse>
				<verse number="31">En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.</verse>
				<verse number="32">En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen;</verse>
				<verse number="33">Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen.</verse>
				<verse number="34">Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.</verse>
				<verse number="35">En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wel voegt, en bekwaam is, om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden.</verse>
				<verse number="36">Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.</verse>
				<verse number="37">Doch die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel.</verse>
				<verse number="38">Alzo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter.</verse>
				<verse number="39">Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, dien zij wil, alleenlijk in den Heere.</verse>
				<verse number="40">Maar zij is gelukkiger, indien zij alzo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.</verse>
				<verse number="2">En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.</verse>
				<verse number="3">Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend.</verse>
				<verse number="4">Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één.</verse>
				<verse number="5">Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn),</verse>
				<verse number="6">Nochtans hebben wij maar één God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.</verse>
				<verse number="7">Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.</verse>
				<verse number="8">De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.</verse>
				<verse number="9">Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot worde dengenen, die zwak zijn.</verse>
				<verse number="10">Want zo iemand u, die de kennis hebt, ziet in der afgoden tempel aanzitten, zal het geweten deszelven, die zwak is, niet gestijfd worden, om te eten de dingen, die den afgoden geofferd zijn?</verse>
				<verse number="11">En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is?</verse>
				<verse number="12">Doch gijlieden, alzo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus.</verse>
				<verse number="13">Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onzen Heere, gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere?</verse>
				<verse number="2">Zo ik anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns apostelschaps zijt gijlieden in den Heere.</verse>
				<verse number="3">Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze.</verse>
				<verse number="4">Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken?</verse>
				<verse number="5">Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en Céfas?</verse>
				<verse number="6">Of hebben alleen ik en Bárnabas geen macht van niet te werken?</verse>
				<verse number="7">Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk der kudde?</verse>
				<verse number="8">Spreek ik dit naar den mens, of zegt ook de wet hetzelfde niet?</verse>
				<verse number="9">Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?</verse>
				<verse number="10">Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; overmits die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.</verse>
				<verse number="11">Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien?</verse>
				<verse number="12">Indien anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.</verse>
				<verse number="13">Weet gij niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?</verse>
				<verse number="14">Alzo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.</verse>
				<verse number="15">Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het alzo aan mij geschieden zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijn roem zou ijdel maken.</verse>
				<verse number="16">Want indien ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!</verse>
				<verse number="17">Want indien ik dat gewillig doe, zo heb ik loon, maar indien onwillig, de uitdeling is mij evenwel toebetrouwd.</verse>
				<verse number="18">Wat loon heb ik dan? Namelijk dat ik, het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijn macht in het Evangelie niet te misbruiken.</verse>
				<verse number="19">Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen.</verse>
				<verse number="20">En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.</verse>
				<verse number="21">Degenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (Gode nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou.</verse>
				<verse number="22">Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enigen behouden zou.</verse>
				<verse number="23">En dit doe ik om des Evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zou worden.</verse>
				<verse number="24">Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij dien moogt verkrijgen.</verse>
				<verse number="25">En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.</verse>
				<verse number="26">Ik loop dan alzo, niet als op het onzekere; ik kamp alzo, niet als de lucht slaande;</verse>
				<verse number="27">Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;</verse>
				<verse number="2">En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;</verse>
				<verse number="3">En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;</verse>
				<verse number="4">En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.</verse>
				<verse number="5">Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.</verse>
				<verse number="6">En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.</verse>
				<verse number="7">En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.</verse>
				<verse number="8">En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op één dag drie en twintig duizend.</verse>
				<verse number="9">En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.</verse>
				<verse number="10">En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.</verse>
				<verse number="11">En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.</verse>
				<verse number="12">Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.</verse>
				<verse number="13">Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.</verse>
				<verse number="14">Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.</verse>
				<verse number="15">Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.</verse>
				<verse number="16">De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?</verse>
				<verse number="17">Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.</verse>
				<verse number="18">Ziet Israël, dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?</verse>
				<verse number="19">Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?</verse>
				<verse number="20">Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.</verse>
				<verse number="21">Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.</verse>
				<verse number="22">Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?</verse>
				<verse number="23">Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.</verse>
				<verse number="24">Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.</verse>
				<verse number="25">Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;</verse>
				<verse number="26">Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.</verse>
				<verse number="27">En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.</verse>
				<verse number="28">Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.</verse>
				<verse number="29">Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?</verse>
				<verse number="30">En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?</verse>
				<verse number="31">Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.</verse>
				<verse number="32">Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.</verse>
				<verse number="33">Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.</verse>
				<verse number="2">En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.</verse>
				<verse number="3">Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.</verse>
				<verse number="4">Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;</verse>
				<verse number="5">Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.</verse>
				<verse number="6">Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.</verse>
				<verse number="7">Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.</verse>
				<verse number="8">Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.</verse>
				<verse number="9">Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.</verse>
				<verse number="10">Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.</verse>
				<verse number="11">Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.</verse>
				<verse number="12">Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.</verse>
				<verse number="13">Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?</verse>
				<verse number="14">Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?</verse>
				<verse number="15">Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?</verse>
				<verse number="16">Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.</verse>
				<verse number="17">Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.</verse>
				<verse number="18">Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;</verse>
				<verse number="19">Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.</verse>
				<verse number="20">Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.</verse>
				<verse number="21">Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.</verse>
				<verse number="22">Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.</verse>
				<verse number="23">Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;</verse>
				<verse number="24">En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.</verse>
				<verse number="25">Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.</verse>
				<verse number="26">Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.</verse>
				<verse number="27">Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.</verse>
				<verse number="28">Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.</verse>
				<verse number="29">Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.</verse>
				<verse number="30">Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.</verse>
				<verse number="31">Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.</verse>
				<verse number="32">Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.</verse>
				<verse number="33">Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.</verse>
				<verse number="34">Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt.</verse>
				<verse number="2">Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt.</verse>
				<verse number="3">Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.</verse>
				<verse number="4">En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest;</verse>
				<verse number="5">En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;</verse>
				<verse number="6">En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.</verse>
				<verse number="7">Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.</verse>
				<verse number="8">Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest;</verse>
				<verse number="9">En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest.</verse>
				<verse number="10">En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen.</verse>
				<verse number="11">Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.</verse>
				<verse number="12">Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit éne lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.</verse>
				<verse number="13">Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.</verse>
				<verse number="14">Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden.</verse>
				<verse number="15">Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?</verse>
				<verse number="16">En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam?</verse>
				<verse number="17">Ware het gehele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het gehele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn?</verse>
				<verse number="18">Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.</verse>
				<verse number="19">Waren zij alle maar één lid, waar zou het lichaam zijn?</verse>
				<verse number="20">Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar één lichaam.</verse>
				<verse number="21">En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.</verse>
				<verse number="22">Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig.</verse>
				<verse number="23">En die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering.</verse>
				<verse number="24">Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam alzo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft;</verse>
				<verse number="25">Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.</verse>
				<verse number="26">En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.</verse>
				<verse number="27">En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.</verse>
				<verse number="28">En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.</verse>
				<verse number="29">Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?</verse>
				<verse number="30">Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?</verse>
				<verse number="31">Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.</verse>
				<verse number="2">En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.</verse>
				<verse number="3">En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.</verse>
				<verse number="4">De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;</verse>
				<verse number="5">Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;</verse>
				<verse number="6">Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;</verse>
				<verse number="7">Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.</verse>
				<verse number="8">De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.</verse>
				<verse number="9">Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;</verse>
				<verse number="10">Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.</verse>
				<verse number="11">Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.</verse>
				<verse number="12">Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.</verse>
				<verse number="13">En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren.</verse>
				<verse number="2">Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden.</verse>
				<verse number="3">Maar die profeteert, spreekt den mensen stichting, en vermaning en vertroosting.</verse>
				<verse number="4">Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert die sticht de Gemeente.</verse>
				<verse number="5">En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij profeteert; want die profeteert, is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting moge ontvangen.</verse>
				<verse number="6">En nu, broeders, indien ik tot u kwam, en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in lering?</verse>
				<verse number="7">Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden, hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt?</verse>
				<verse number="8">Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?</verse>
				<verse number="9">Alzo ook gijlieden, indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt.</verse>
				<verse number="10">Er zijn, naar het voorvalt, zo vele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem.</verse>
				<verse number="11">Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.</verse>
				<verse number="12">Alzo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der Gemeente.</verse>
				<verse number="13">Daarom, die in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen.</verse>
				<verse number="14">Want indien ik in een vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is vruchteloos.</verse>
				<verse number="15">Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.</verse>
				<verse number="16">Anderszins, indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet, wat gij zegt?</verse>
				<verse number="17">Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht.</verse>
				<verse number="18">Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan gij allen;</verse>
				<verse number="19">Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal.</verse>
				<verse number="20">Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.</verse>
				<verse number="21">In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere.</verse>
				<verse number="22">Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die geloven.</verse>
				<verse number="23">Indien dan de gehele Gemeente bijeenvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen, dat gij uitzinnig waart?</verse>
				<verse number="24">Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld.</verse>
				<verse number="25">En alzo worden de verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzo, vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is.</verse>
				<verse number="26">Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting;</verse>
				<verse number="27">En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat één het uitlegge.</verse>
				<verse number="28">Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.</verse>
				<verse number="29">En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.</verse>
				<verse number="30">Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.</verse>
				<verse number="31">Want gij kunt allen, de een na den ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.</verse>
				<verse number="32">En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.</verse>
				<verse number="33">Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.</verse>
				<verse number="34">Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.</verse>
				<verse number="35">En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.</verse>
				<verse number="36">Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?</verse>
				<verse number="37">Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.</verse>
				<verse number="38">Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.</verse>
				<verse number="39">Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.</verse>
				<verse number="40">Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;</verse>
				<verse number="2">Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.</verse>
				<verse number="3">Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;</verse>
				<verse number="4">En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;</verse>
				<verse number="5">En dat Hij is van Céfas gezien, daarna van de twaalven.</verse>
				<verse number="6">Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.</verse>
				<verse number="7">Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.</verse>
				<verse number="8">En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.</verse>
				<verse number="9">Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.</verse>
				<verse number="10">Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.</verse>
				<verse number="11">Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.</verse>
				<verse number="12">Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?</verse>
				<verse number="13">En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.</verse>
				<verse number="14">En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.</verse>
				<verse number="15">En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.</verse>
				<verse number="16">Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.</verse>
				<verse number="17">En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.</verse>
				<verse number="18">Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.</verse>
				<verse number="19">Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.</verse>
				<verse number="20">Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.</verse>
				<verse number="21">Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.</verse>
				<verse number="22">Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.</verse>
				<verse number="23">Maar een iegelijk in zijn orde: de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.</verse>
				<verse number="24">Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.</verse>
				<verse number="25">Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.</verse>
				<verse number="26">De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.</verse>
				<verse number="27">Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.</verse>
				<verse number="28">En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.</verse>
				<verse number="29">Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?</verse>
				<verse number="30">Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?</verse>
				<verse number="31">Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.</verse>
				<verse number="32">Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Éfeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.</verse>
				<verse number="33">Dwaalt niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden.</verse>
				<verse number="34">Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.</verse>
				<verse number="35">Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?</verse>
				<verse number="36">Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;</verse>
				<verse number="37">En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen.</verse>
				<verse number="38">Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.</verse>
				<verse number="39">Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.</verse>
				<verse number="40">En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.</verse>
				<verse number="41">Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.</verse>
				<verse number="42">Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;</verse>
				<verse number="43">Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.</verse>
				<verse number="44">Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.</verse>
				<verse number="45">Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.</verse>
				<verse number="46">Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.</verse>
				<verse number="47">De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den Hemel.</verse>
				<verse number="48">Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.</verse>
				<verse number="49">En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen.</verse>
				<verse number="50">Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.</verse>
				<verse number="51">Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;</verse>
				<verse number="52">In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.</verse>
				<verse number="53">Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.</verse>
				<verse number="54">En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.</verse>
				<verse number="55">Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?</verse>
				<verse number="56">De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.</verse>
				<verse number="57">Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="58">Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galátië verordend heb, doet ook gij alzo.</verse>
				<verse number="2">Op elken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.</verse>
				<verse number="3">En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen.</verse>
				<verse number="4">En indien het der moeite waardig mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen.</verse>
				<verse number="5">Doch ik zal tot u komen, wanneer ik Macedónië zal doorgegaan zijn (want ik zal door Macedónië gaan);</verse>
				<verse number="6">En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden, waar ik zal henenreizen.</verse>
				<verse number="7">Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.</verse>
				<verse number="8">Maar ik zal te Éfeze blijven tot den pinkster dag.</verse>
				<verse number="9">Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.</verse>
				<verse number="10">Zo nu Timótheüs komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren, gelijk als ik.</verse>
				<verse number="11">Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.</verse>
				<verse number="12">En wat aangaat Apollos, den broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broederen tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.</verse>
				<verse number="13">Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.</verse>
				<verse number="14">Dat al uw dingen in de liefde geschieden.</verse>
				<verse number="15">En ik bid u, broeders, gij kent het huis van Stéfanas, dat het is de eersteling van Acháje, en dat zij zichzelven den heiligen ten dienst hebben geschikt;</verse>
				<verse number="16">Dat gij ook u aan de zodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk, die medewerkt en arbeidt.</verse>
				<verse number="17">En ik verblijde mij over de aankomst van Stéfanas, en Fortunátus, en Acháïkus, want dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak;</verse>
				<verse number="18">Want zij hebben mijn geest verkwikt, en ook den uwen. Erkent dan de zodanigen.</verse>
				<verse number="19">U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die te hunnen huize is.</verse>
				<verse number="20">U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.</verse>
				<verse number="21">De groetenis met mijn hand van Paulus.</verse>
				<verse number="22">Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!</verse>
				<verse number="23">De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.</verse>
				<verse number="24">Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="47">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de gemeente van God die te Korinthe is, met al de heiligen die in heel Achaje zijn:</verse>
				<note verse="1">Grieks ἐκκλησία (ekklēsia) = gemeente, vergadering van geroepenen</note>
				<ref verse="1">1 Kor 1:1-2</ref>
				<verse number="2">Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.</verse>
				<verse number="3">Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God van alle vertroosting;</verse>
				<note verse="3">Grieks οἰκτιρμός (oiktirmos) = barmhartigheid, mededogen — innerlijk meevoelen; παράκλησις (paraklēsis) = vertroosting, bemoediging — kernwoord van dit hoofdstuk (10× in v. 3-7)</note>
				<ref verse="3">Ef 1:31 Petr 1:3</ref>
				<verse number="4">Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij hen die in allerlei verdrukking zijn, zouden kunnen vertroosten door de vertroosting waarmee wij zelf door God vertroost worden.</verse>
				<verse number="5">Want zoals het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig.</verse>
				<verse number="6">Of wij nu verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en redding, die bewerkt wordt in de volharding van hetzelfde lijden dat ook wij lijden; of wij vertroost worden, het is tot uw vertroosting en redding;</verse>
				<note verse="6">Grieks σωτηρία (sōtēria) = redding, behoud (niet: zaligheid); ὑπομονή (hypomonē) = volharding, standvastigheid (niet: lijdzaamheid)</note>
				<ref verse="6">2 Tim 2:10</ref>
				<verse number="7">En onze hoop voor u is vast, omdat wij weten dat, zoals u deelt in het lijden, u ook zo deelt in de vertroosting.</verse>
				<verse number="8">Want wij willen niet, broers, dat u onwetend bent over onze verdrukking die ons in Azië is overkomen, dat wij buitengewoon zwaar belast werden, boven ons vermogen, zodat wij zelfs aan het leven wanhoopten.</verse>
				<note verse="8">Grieks καθ᾽ ὑπερβολήν (kath' hyperbolēn) = buitengewoon, bovenmate; ἐξαπορέω (exaporeō) = ten einde raad zijn, wanhopen — met prefix ἐξ- dat de uiterste graad aangeeft</note>
				<ref verse="8">Hand 19:231 Kor 15:32</ref>
				<verse number="9">Ja, wij hadden zelf in onszelf het vonnis van de dood, opdat wij niet op onszelf zouden vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt;</verse>
				<note verse="9">Grieks ἀπόκριμα (apokrima) = vonnis, rechterlijk oordeel — alleen hier in het NT; ἐγείρω (egeirō) = opwekken</note>
				<ref verse="9">Rom 4:17</ref>
				<verse number="10">Die ons uit zo'n groot doodsgevaar verlost heeft en ook nu verlost; op Wie wij hopen dat Hij ons ook nog verlossen zal.</verse>
				<note verse="10">Grieks ῥύομαι (rhyomai) = verlossen, redden — actief uit gevaar trekken; driemaal gebruikt (verleden, heden, toekomst)</note>
				<ref verse="10">2 Tim 4:18</ref>
				<verse number="11">Terwijl ook jullie meehelpen door het gebed voor ons, opdat er door velen dankzegging voor ons wordt gedaan voor de genadegave die ons door veel mensen is geschonken.</verse>
				<note verse="11">Grieks χάρισμα (charisma) = genadegave — hier de genade van Gods verlossing; συνυπουργέω (synypourgeō) = meehelpen, samenwerken — door het gebed</note>
				<ref verse="11">Rom 15:30Fil 1:19</ref>
				<verse number="12">Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoud en oprechtheid van God, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade van God, in de wereld geleefd hebben, en vooral bij u.</verse>
				<note verse="12">Grieks ἁπλότης (haplotēs) = eenvoud, oprechtheid; εἰλικρίνεια (eilikrineia) = zuiverheid, oprechtheid — letterlijk: beoordeeld in het zonlicht; ἀναστρέφω (anastrephō) = wandelen, leven</note>
				<ref verse="12">1 Kor 2:4,132 Kor 2:17</ref>
				<verse number="13">Want wij schrijven u geen andere dingen dan wat u leest en ook erkent; en ik hoop dat u het ook tot het einde toe erkennen zult;</verse>
				<note verse="13">Grieks ἀναγινώσκω (anaginōskō) = lezen; ἐπιγινώσκω (epiginōskō) = erkennen, ten volle kennen — woordspeling in het Grieks tussen lezen en erkennen</note>
				<verse number="14">Zoals u ons ook ten dele erkend hebt, dat wij uw roem zijn, zoals ook u de onze bent, in de dag van de Heer Jezus.</verse>
				<ref verse="14">Fil 2:161 Thess 2:19</ref>
				<verse number="15">En in dit vertrouwen wilde ik eerder naar u toe komen, opdat u een tweede genade zou hebben;</verse>
				<note verse="15">Grieks πεποίθησις (pepoithēsis) = vertrouwen, zekerheid; δευτέρα χάρις (deutera charis) = tweede genade — een tweede zegen door Paulus' bezoek</note>
				<verse number="16">en via u naar Macedonië gaan, en weer van Macedonië naar u toe komen, en door u naar Judea op weg geholpen worden.</verse>
				<note verse="16">Grieks προπέμπω (propempō) = op weg helpen, uitzenden — met praktische hulp voor de reis</note>
				<verse number="17">Toen ik dit dan voornam, heb ik toen lichtzinnig gehandeld? Of neem ik het naar het vlees voor wat ik voorneem, zodat het bij mij zou zijn: ja, ja, en nee, nee?</verse>
				<note verse="17">Grieks ἐλαφρία (elaphria) = lichtzinnigheid, wispelturigheid — Paulus verdedigt zich tegen het verwijt van onbetrouwbaarheid</note>
				<verse number="18">Maar God is getrouw, dat ons woord dat tot u gericht is, niet ja en nee geweest is.</verse>
				<verse number="19">Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is verkondigd, namelijk door mij en Silvanus en Timotheüs, was niet ja en nee, maar is in Hem ja geweest.</verse>
				<note verse="19">Grieks κηρύσσω (kēryssō) = verkondigen, prediken — het publiek uitroepen van het evangelie</note>
				<verse number="20">Want zoveel beloften van God als er zijn, in Hem zijn zij ja, en in Hem zijn zij amen, God tot heerlijkheid door ons.</verse>
				<ref verse="20">Op 3:14</ref>
				<verse number="21">Maar Hij Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God;</verse>
				<note verse="21">Grieks βεβαιόω (bebaioō) = bevestigen, versterken; χρίω (chriō) = zalven — verwant aan Χριστός (Christus = Gezalfde); God bevestigt en zalft gelovigen in eenheid met Christus</note>
				<ref verse="21">1 Joh 2:20,27</ref>
				<verse number="22">Die ons ook heeft verzegeld en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven.</verse>
				<note verse="22">Grieks σφραγίζω (sphragizō) = verzegelen — teken van eigendom en bescherming; ἀρραβών (arrabōn) = onderpand, aanbetaling — garantie van de volle erfenis die komt</note>
				<ref verse="22">Ef 1:13-14Ef 4:30</ref>
				<verse number="23">Maar ik roep God aan als Getuige over mijn ziel, dat ik om u te sparen nog niet naar Korinthe ben gekomen.</verse>
				<ref verse="23">Rom 1:9Fil 1:8</ref>
				<verse number="24">Niet dat wij heersen over uw geloof, maar wij zijn medewerkers aan uw blijdschap; want u staat door het geloof.</verse>
				<note verse="24">Grieks κυριεύω (kyrieuō) = heersen over, de baas zijn over — Paulus' apostolisch gezag is niet heerschappij over het geloof; συνεργός (synergos) = medewerker</note>
				<ref verse="24">1 Petr 5:3</ref>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zou.</verse>
				<verse number="2">Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die van mij bedroefd is geworden?</verse>
				<verse number="3">En ditzelfde heb ik u geschreven, opdat ik, daar komende, niet zou droefheid hebben van degenen, van welke ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is.</verse>
				<verse number="4">Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb.</verse>
				<verse number="5">Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten dele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen.</verse>
				<verse number="6">Den zodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is.</verse>
				<verse number="7">Alzo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden.</verse>
				<verse number="8">Daarom bid ik u, dat gij de liefde aan hem bevestigt.</verse>
				<verse number="9">Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uw beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt.</verse>
				<verse number="10">Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijge;</verse>
				<verse number="11">Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.</verse>
				<verse number="12">Voorts, als ik te Tróas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in den Heere, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond;</verse>
				<verse number="13">Maar, afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedónië.</verse>
				<verse number="14">En Gode zij dank, Die ons allen tijd doet triomferen in Christus, en den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen.</verse>
				<verse number="15">Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan;</verse>
				<verse number="16">Dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?</verse>
				<verse number="17">Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?</verse>
				<verse number="2">Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;</verse>
				<verse number="3">Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten.</verse>
				<verse number="4">En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.</verse>
				<verse number="5">Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;</verse>
				<verse number="6">Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.</verse>
				<verse number="7">En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden,</verse>
				<verse number="8">Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?</verse>
				<verse number="9">Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.</verse>
				<verse number="10">Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.</verse>
				<verse number="11">Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.</verse>
				<verse number="12">Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;</verse>
				<verse number="13">En doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.</verse>
				<verse number="14">Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.</verse>
				<verse number="15">Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.</verse>
				<verse number="16">Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.</verse>
				<verse number="17">De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.</verse>
				<verse number="18">En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;</verse>
				<verse number="2">Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.</verse>
				<verse number="3">Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;</verse>
				<verse number="4">In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.</verse>
				<verse number="5">Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil.</verse>
				<verse number="6">Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="7">Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;</verse>
				<verse number="8">Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;</verse>
				<verse number="9">Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;</verse>
				<verse number="10">Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.</verse>
				<verse number="11">Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.</verse>
				<verse number="12">Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.</verse>
				<verse number="13">Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;</verse>
				<verse number="14">Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.</verse>
				<verse number="15">Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.</verse>
				<verse number="16">Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.</verse>
				<verse number="17">Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;</verse>
				<verse number="18">Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.</verse>
				<verse number="2">Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden.</verse>
				<verse number="3">Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.</verse>
				<verse number="4">Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.</verse>
				<verse number="5">Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.</verse>
				<verse number="6">Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere;</verse>
				<verse number="7">(Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)</verse>
				<verse number="8">Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen.</verse>
				<verse number="9">Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn.</verse>
				<verse number="10">Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.</verse>
				<verse number="11">Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.</verse>
				<verse number="12">Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart.</verse>
				<verse number="13">Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden.</verse>
				<verse number="14">Want de liefde van Christus dringt ons;</verse>
				<verse number="15">Als die dit oordelen, dat, indien Eén voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.</verse>
				<verse number="16">Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.</verse>
				<verse number="17">Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.</verse>
				<verse number="18">En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft.</verse>
				<verse number="19">Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.</verse>
				<verse number="20">Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.</verse>
				<verse number="21">Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.</verse>
				<verse number="2">Want Hij zegt: In den aangenamen tijd heb Ik U verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik U geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid!</verse>
				<verse number="3">Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde.</verse>
				<verse number="4">Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,</verse>
				<verse number="5">In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten,</verse>
				<verse number="6">In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde,</verse>
				<verse number="7">In het Woord der waarheid, in de kracht van God, door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter- en aan de linker zijde;</verse>
				<verse number="8">Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtigen;</verse>
				<verse number="9">Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood;</verse>
				<verse number="10">Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.</verse>
				<verse number="11">Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs, ons hart is uitgebreid.</verse>
				<verse number="12">Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uw ingewanden.</verse>
				<verse number="13">Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt gij ook uitgebreid.</verse>
				<verse number="14">Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?</verse>
				<verse number="15">En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige?</verse>
				<verse number="16">Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn.</verse>
				<verse number="17">Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.</verse>
				<verse number="18">En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods.</verse>
				<verse number="2">Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht.</verse>
				<verse number="3">Ik zeg dit niet tot uw veroordeling; want ik heb te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt, om samen te sterven en samen te leven.</verse>
				<verse number="4">Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.</verse>
				<verse number="5">Want ook, als wij in Macedónië gekomen zijn, zo heeft ons vlees geen rust gehad; maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees.</verse>
				<verse number="6">Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus.</verse>
				<verse number="7">En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; alzo dat ik te meer verblijd ben geweest.</verse>
				<verse number="8">Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie, dat dezelve zendbrief, hoewel voor een kleinen tijd, u bedroefd heeft.</verse>
				<verse number="9">Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekering; want gij zijt bedroefd geweest naar God, zodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt.</verse>
				<verse number="10">Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.</verse>
				<verse number="11">Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewrocht? Ja, verantwoording, ja, onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt gij uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak.</verse>
				<verse number="12">Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil, die onrecht gedaan had, noch om diens wil, die onrecht gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de tegenwoordigheid Gods.</verse>
				<verse number="13">Daarom zijn wij vertroost geworden over uw vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden.</verse>
				<verse number="14">Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzo is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden.</verse>
				<verse number="15">En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij uw aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreze en beven hebt ontvangen.</verse>
				<verse number="16">Ik verblijde mij dan, dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedónië gegeven is.</verse>
				<verse number="2">Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid.</verse>
				<verse number="3">Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest;</verse>
				<verse number="4">Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt.</verse>
				<verse number="5">En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God.</verse>
				<verse number="6">Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou.</verse>
				<verse number="7">Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.</verse>
				<verse number="8">Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende.</verse>
				<verse number="9">Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.</verse>
				<verse number="10">En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen.</verse>
				<verse number="11">Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt.</verse>
				<verse number="12">Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.</verse>
				<verse number="13">Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking;</verse>
				<verse number="14">Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde.</verse>
				<verse number="15">Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig.</verse>
				<verse number="16">Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft;</verse>
				<verse number="17">Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.</verse>
				<verse number="18">En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten;</verse>
				<verse number="19">En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds;</verse>
				<verse number="20">Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend;</verse>
				<verse number="21">Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.</verse>
				<verse number="22">Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden.</verse>
				<verse number="23">Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus.</verse>
				<verse number="24">Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aangezicht der Gemeenten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.</verse>
				<verse number="2">Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedóniërs, dat Acháje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt.</verse>
				<verse number="3">Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn;</verse>
				<verse number="4">En dat niet mogelijk, zo de Macedóniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in dezen vasten grond der roeming.</verse>
				<verse number="5">Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen, en niet als een vrekheid.</verse>
				<verse number="6">En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.</verse>
				<verse number="7">Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.</verse>
				<verse number="8">En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.</verse>
				<verse number="9">Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="10">Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;</verse>
				<verse number="11">Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God.</verse>
				<verse number="12">Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;</verse>
				<verse number="13">Dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen;</verse>
				<verse number="14">En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u.</verse>
				<verse number="15">Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Voorts ik Paulus zelf bid u, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u;</verse>
				<verse number="2">Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde, niet stout moge zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten, alsof wij naar het vlees wandelden.</verse>
				<verse number="3">Want wandelende in het vlees, voeren wij den krijg niet naar het vlees;</verse>
				<verse number="4">Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten;</verse>
				<verse number="5">Dewijl wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;</verse>
				<verse number="6">En gereed hebben, hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.</verse>
				<verse number="7">Ziet gij aan wat voor ogen is? Indien iemand bij zichzelven betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs hij van Christus is, alzo ook wij van Christus zijn.</verse>
				<verse number="8">Want indien ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping zo zal ik niet beschaamd worden;</verse>
				<verse number="9">Opdat ik niet zou schijnen, alsof ik u door de brieven wilde verschrikken.</verse>
				<verse number="10">Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak, en de rede is verachtelijk.</verse>
				<verse number="11">Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn, wij ook zodanigen zijn inderdaad, als wij tegenwoordig zijn.</verse>
				<verse number="12">Want wij durven onszelven niet rekenen of vergelijken met sommigen, die zichzelven prijzen; maar deze verstaan niet, dat zij zichzelven met zichzelven meten, en zichzelven met zichzelven vergelijken.</verse>
				<verse number="13">Doch wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat des regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen.</verse>
				<verse number="14">Want wij strekken onszelven niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus;</verse>
				<verse number="15">Niet roemende buiten de maat in anderer lieden arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel;</verse>
				<verse number="16">Om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen, die op gene zijde van u gelegen zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen alrede bereid is.</verse>
				<verse number="17">Doch wie roemt, die roeme in den Heere.</verse>
				<verse number="18">Want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Och, of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij!</verse>
				<verse number="2">Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.</verse>
				<verse number="3">Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.</verse>
				<verse number="4">Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht.</verse>
				<verse number="5">Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.</verse>
				<verse number="6">En indien ik ook slecht ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden.</verse>
				<verse number="7">Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb?</verse>
				<verse number="8">Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen.</verse>
				<verse number="9">Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedónië kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzo houden.</verse>
				<verse number="10">De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Acháje aan mij niet zal verhinderd worden.</verse>
				<verse number="11">Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het!</verse>
				<verse number="12">Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.</verse>
				<verse number="13">Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.</verse>
				<verse number="14">En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.</verse>
				<verse number="15">Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.</verse>
				<verse number="16">Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen.</verse>
				<verse number="17">Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond der roeming.</verse>
				<verse number="18">Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.</verse>
				<verse number="19">Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.</verse>
				<verse number="20">Want gij verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.</verse>
				<verse number="21">Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.</verse>
				<verse number="22">Zijn zij Hebreeën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.</verse>
				<verse number="23">Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doods gevaar menigmaal.</verse>
				<verse number="24">Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen.</verse>
				<verse number="25">Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.</verse>
				<verse number="26">In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders;</verse>
				<verse number="27">In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.</verse>
				<verse number="28">Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.</verse>
				<verse number="29">Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt geërgerd, dat ik niet brande?</verse>
				<verse number="30">Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.</verse>
				<verse number="31">De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.</verse>
				<verse number="32">De stadhouder van den koning Arétas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;</verse>
				<verse number="33">En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.</verse>
				<verse number="2">Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel;</verse>
				<verse number="3">En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het),</verse>
				<verse number="4">Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.</verse>
				<verse number="5">Van den zodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden.</verse>
				<verse number="6">Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.</verse>
				<verse number="7">En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.</verse>
				<verse number="8">Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.</verse>
				<verse number="9">En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.</verse>
				<verse number="10">Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.</verse>
				<verse number="11">Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben.</verse>
				<verse number="12">De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten.</verse>
				<verse number="13">Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ikzelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.</verse>
				<verse number="14">Ziet, ik ben ten derden male gereed, om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen.</verse>
				<verse number="15">En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, u overvloediger beminnende, weiniger bemind worde.</verse>
				<verse number="16">Doch het zij zo, ik heb u niet bezwaard; maar alzo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen.</verse>
				<verse number="17">Heb ik door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht?</verse>
				<verse number="18">Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen?</verse>
				<verse number="19">Meent gij wederom, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting.</verse>
				<verse number="20">Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden zodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zodanig als gij niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten;</verse>
				<verse number="21">Opdat wederom, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid, en hoererij, en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.</verse>
				<verse number="2">Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezende aan degenen, die te voren gezondigd hebben, en aan al de anderen, dat, zo ik wederom kom, ik hen niet zal sparen;</verse>
				<verse number="3">Dewijl gij zoekt een proeve van Christus, Die in mij spreekt, Welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u.</verse>
				<verse number="4">Want hoewel Hij gekruist is door zwakheid, zo leeft Hij nochtans door de kracht Gods. Want ook wij zijn zwak in Hem, maar zullen met Hem leven door de kracht Gods in u.</verse>
				<verse number="5">Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.</verse>
				<verse number="6">Doch ik hoop, dat gij zult verstaan, dat wij niet verwerpelijk zijn.</verse>
				<verse number="7">En ik wens van God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn.</verse>
				<verse number="8">Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid.</verse>
				<verse number="9">Want wij verblijden ons, wanneer wij zwak zijn, en gij sterk zijt. En wij wensen ook dit, namelijk uw volmaking.</verse>
				<verse number="10">Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de macht, die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping.</verse>
				<verse number="11">Voorts, broeders, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.</verse>
				<verse number="12">Groet elkander met een heiligen kus. U groeten al de heiligen.</verse>
				<verse number="13">De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="48">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een apostel, (geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft),</verse>
				<verse number="2">En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galátië:</verse>
				<verse number="3">Genade zij u en vrede van God den Vader, en onzen Heere Jezus Christus;</verse>
				<verse number="4">Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader;</verse>
				<verse number="5">Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="6">Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie;</verse>
				<verse number="7">Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.</verse>
				<verse number="8">Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.</verse>
				<verse number="9">Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.</verse>
				<verse number="10">Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.</verse>
				<verse number="11">Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens.</verse>
				<verse number="12">Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="13">Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte;</verse>
				<verse number="14">En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen.</verse>
				<verse number="15">Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,</verse>
				<verse number="16">Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;</verse>
				<verse number="17">En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die vóór mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar Damaskus.</verse>
				<verse number="18">Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.</verse>
				<verse number="19">En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.</verse>
				<verse number="20">Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!</verse>
				<verse number="21">Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilícië.</verse>
				<verse number="22">En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judéa, die in Christus zijn.</verse>
				<verse number="23">Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte.</verse>
				<verse number="24">En zij verheerlijkten God in mij.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Bárnabas, ook Titus medegenomen hebbende.</verse>
				<verse number="2">En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.</verse>
				<verse number="3">Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.</verse>
				<verse number="4">En dat om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen.</verse>
				<verse number="5">Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven.</verse>
				<verse number="6">En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt den persoon des mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht.</verse>
				<verse number="7">Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;</verse>
				<verse number="8">(Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen);</verse>
				<verse number="9">En als Jakobus, en Céfas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Bárnabas de rechter hand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;</verse>
				<verse number="10">Alleenlijk, dat wij den armen zouden gedenken; hetwelk zelf ik ook benaarstigd heb te doen.</verse>
				<verse number="11">En toen Petrus te Antiochíë gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was.</verse>
				<verse number="12">Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren.</verse>
				<verse number="13">En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Bárnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing.</verse>
				<verse number="14">Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?</verse>
				<verse number="15">Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen;</verse>
				<verse number="16">Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.</verse>
				<verse number="17">Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre.</verse>
				<verse number="18">Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder.</verse>
				<verse number="19">Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.</verse>
				<verse number="20">Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.</verse>
				<verse number="21">Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?</verse>
				<verse number="2">Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?</verse>
				<verse number="3">Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?</verse>
				<verse number="4">Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs!</verse>
				<verse number="5">Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?</verse>
				<verse number="6">Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;</verse>
				<verse number="7">Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.</verse>
				<verse number="8">En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.</verse>
				<verse number="9">Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham.</verse>
				<verse number="10">Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.</verse>
				<verse number="11">En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.</verse>
				<verse number="12">Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.</verse>
				<verse number="13">Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.</verse>
				<verse number="14">Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof.</verse>
				<verse number="15">Broeders, ik spreek naar den mens: zelfs eens mensen verbond, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe.</verse>
				<verse number="16">Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw zade; hetwelk is Christus.</verse>
				<verse number="17">En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.</verse>
				<verse number="18">Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.</verse>
				<verse number="19">Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des Middelaars.</verse>
				<verse number="20">En de Middelaar is niet Middelaar van één, maar God is één.</verse>
				<verse number="21">Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.</verse>
				<verse number="22">Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.</verse>
				<verse number="23">Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden.</verse>
				<verse number="24">Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.</verse>
				<verse number="25">Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.</verse>
				<verse number="26">Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="27">Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.</verse>
				<verse number="28">Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="29">En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;</verse>
				<verse number="2">Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.</verse>
				<verse number="3">Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.</verse>
				<verse number="4">Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;</verse>
				<verse number="5">Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.</verse>
				<verse number="6">En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!</verse>
				<verse number="7">Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.</verse>
				<verse number="8">Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;</verse>
				<verse number="9">En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?</verse>
				<verse number="10">Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.</verse>
				<verse number="11">Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.</verse>
				<verse number="12">Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.</verse>
				<verse number="13">En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;</verse>
				<verse number="14">En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.</verse>
				<verse number="15">Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.</verse>
				<verse number="16">Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?</verse>
				<verse number="17">Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.</verse>
				<verse number="18">Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben;</verse>
				<verse number="19">Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.</verse>
				<verse number="20">Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.</verse>
				<verse number="21">Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?</verse>
				<verse number="22">Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.</verse>
				<verse number="23">Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;</verse>
				<verse number="24">Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar;</verse>
				<verse number="25">Want dit, namelijk Agar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.</verse>
				<verse number="26">Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.</verse>
				<verse number="27">Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft.</verse>
				<verse number="28">Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.</verse>
				<verse number="29">Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.</verse>
				<verse number="30">Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.</verse>
				<verse number="31">Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.</verse>
				<verse number="2">Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.</verse>
				<verse number="3">En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.</verse>
				<verse number="4">Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.</verse>
				<verse number="5">Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid.</verse>
				<verse number="6">Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.</verse>
				<verse number="7">Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn?</verse>
				<verse number="8">Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept.</verse>
				<verse number="9">Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg.</verse>
				<verse number="10">Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.</verse>
				<verse number="11">Maar ik, broeders! Indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des kruises vernietigd.</verse>
				<verse number="12">Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken!</verse>
				<verse number="13">Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.</verse>
				<verse number="14">Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.</verse>
				<verse number="15">Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.</verse>
				<verse number="16">En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.</verse>
				<verse number="17">Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.</verse>
				<verse number="18">Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.</verse>
				<verse number="19">De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,</verse>
				<verse number="20">Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,</verse>
				<verse number="21">Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.</verse>
				<verse number="22">Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.</verse>
				<verse number="23">Tegen de zodanigen is de wet niet.</verse>
				<verse number="24">Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.</verse>
				<verse number="25">Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.</verse>
				<verse number="26">Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.</verse>
				<verse number="2">Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.</verse>
				<verse number="3">Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.</verse>
				<verse number="4">Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.</verse>
				<verse number="5">Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.</verse>
				<verse number="6">En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.</verse>
				<verse number="7">Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.</verse>
				<verse number="8">Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.</verse>
				<verse number="9">Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.</verse>
				<verse number="10">Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.</verse>
				<verse number="11">Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.</verse>
				<verse number="12">Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.</verse>
				<verse number="13">Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.</verse>
				<verse number="14">Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.</verse>
				<verse number="15">Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.</verse>
				<verse number="16">En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.</verse>
				<verse number="17">Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.</verse>
				<verse number="18">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="49">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, aan de heiligen, die te Éfeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:</verse>
				<verse number="2">Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="3">Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.</verse>
				<verse number="4">Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;</verse>
				<verse number="5">Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.</verse>
				<verse number="6">Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde;</verse>
				<verse number="7">In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade,</verse>
				<verse number="8">Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid;</verse>
				<verse number="9">Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven.</verse>
				<verse number="10">Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is;</verse>
				<verse number="11">In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;</verse>
				<verse number="12">Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben.</verse>
				<verse number="13">In Welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;</verse>
				<verse number="14">Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.</verse>
				<verse number="15">Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in den Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen,</verse>
				<verse number="16">Houde niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijn gebeden;</verse>
				<verse number="17">Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;</verse>
				<verse number="18">Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;</verse>
				<verse number="19">En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht,</verse>
				<verse number="20">Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel;</verse>
				<verse number="21">Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;</verse>
				<verse number="22">En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;</verse>
				<verse number="23">Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;</verse>
				<verse number="2">In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid;</verse>
				<verse number="3">Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;</verse>
				<verse number="4">Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,</verse>
				<verse number="5">Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)</verse>
				<verse number="6">En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;</verse>
				<verse number="7">Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="8">Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;</verse>
				<verse number="9">Niet uit de werken, opdat niemand roeme.</verse>
				<verse number="10">Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.</verse>
				<verse number="11">Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt;</verse>
				<verse number="12">Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.</verse>
				<verse number="13">Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.</verse>
				<verse number="14">Want Hij is onze Vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,</verse>
				<verse number="15">Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende;</verse>
				<verse number="16">En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.</verse>
				<verse number="17">En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren.</verse>
				<verse number="18">Want door Hem hebben wij beiden den toegang door één Geest tot den Vader.</verse>
				<verse number="19">Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;</verse>
				<verse number="20">Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;</verse>
				<verse number="21">Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere;</verse>
				<verse number="22">Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt.</verse>
				<verse number="2">Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u;</verse>
				<verse number="3">Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb;</verse>
				<verse number="4">Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),</verse>
				<verse number="5">Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest;</verse>
				<verse number="6">Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;</verse>
				<verse number="7">Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht.</verse>
				<verse number="8">Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus,</verse>
				<verse number="9">En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;</verse>
				<verse number="10">Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;</verse>
				<verse number="11">Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere;</verse>
				<verse number="12">In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.</verse>
				<verse number="13">Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid.</verse>
				<verse number="14">Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus,</verse>
				<verse number="15">Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt,</verse>
				<verse number="16">Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens;</verse>
				<verse number="17">Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt;</verse>
				<verse number="18">Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij,</verse>
				<verse number="19">En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.</verse>
				<verse number="20">Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt,</verse>
				<verse number="21">Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt;</verse>
				<verse number="2">Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde;</verse>
				<verse number="3">U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.</verse>
				<verse number="4">Eén lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping;</verse>
				<verse number="5">Eén Heere, één geloof, één doop,</verse>
				<verse number="6">Eén God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.</verse>
				<verse number="7">Maar aan elkeen van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus.</verse>
				<verse number="8">Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven.</verse>
				<verse number="9">Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde?</verse>
				<verse number="10">Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.</verse>
				<verse number="11">En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;</verse>
				<verse number="12">Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus;</verse>
				<verse number="13">Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus;</verse>
				<verse number="14">Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;</verse>
				<verse number="15">Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;</verse>
				<verse number="16">Uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel in zijn maat, den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.</verse>
				<verse number="17">Ik zeg dan dit, en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds.</verse>
				<verse number="18">Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;</verse>
				<verse number="19">Welke, ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven.</verse>
				<verse number="20">Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd;</verse>
				<verse number="21">Indien gij naar Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is;</verse>
				<verse number="22">Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;</verse>
				<verse number="23">En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,</verse>
				<verse number="24">En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.</verse>
				<verse number="25">Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden.</verse>
				<verse number="26">Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;</verse>
				<verse number="27">En geeft den duivel geen plaats.</verse>
				<verse number="28">Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft.</verse>
				<verse number="29">Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen.</verse>
				<verse number="30">En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.</verse>
				<verse number="31">Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;</verse>
				<verse number="32">Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;</verse>
				<verse number="2">En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.</verse>
				<verse number="3">Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,</verse>
				<verse number="4">Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.</verse>
				<verse number="5">Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.</verse>
				<verse number="6">Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.</verse>
				<verse number="7">Zo zijt dan hun medegenoten niet.</verse>
				<verse number="8">Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.</verse>
				<verse number="9">(Want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid),</verse>
				<verse number="10">Beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.</verse>
				<verse number="11">En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.</verse>
				<verse number="12">Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen.</verse>
				<verse number="13">Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht.</verse>
				<verse number="14">Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.</verse>
				<verse number="15">Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.</verse>
				<verse number="16">Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.</verse>
				<verse number="17">Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.</verse>
				<verse number="18">En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;</verse>
				<verse number="19">Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart;</verse>
				<verse number="20">Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus;</verse>
				<verse number="21">Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.</verse>
				<verse number="22">Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere;</verse>
				<verse number="23">Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.</verse>
				<verse number="24">Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles.</verse>
				<verse number="25">Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;</verse>
				<verse number="26">Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord;</verse>
				<verse number="27">Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.</verse>
				<verse number="28">Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.</verse>
				<verse number="29">Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de Gemeente.</verse>
				<verse number="30">Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.</verse>
				<verse number="31">Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot één vlees wezen.</verse>
				<verse number="32">Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente.</verse>
				<verse number="33">Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw, alzo lief als zichzelven; en de vrouw zie, dat zij den man vreze.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.</verse>
				<verse number="2">Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),</verse>
				<verse number="3">Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.</verse>
				<verse number="4">En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.</verse>
				<verse number="5">Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus;</verse>
				<verse number="6">Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte;</verse>
				<verse number="7">Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen;</verse>
				<verse number="8">Wetende, dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.</verse>
				<verse number="9">En gij heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming des persoons bij Hem is.</verse>
				<verse number="10">Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.</verse>
				<verse number="11">Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.</verse>
				<verse number="12">Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.</verse>
				<verse number="13">Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.</verse>
				<verse number="14">Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;</verse>
				<verse number="15">En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;</verse>
				<verse number="16">Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.</verse>
				<verse number="17">En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.</verse>
				<verse number="18">Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;</verse>
				<verse number="19">En voor mij, opdat mij het woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;</verse>
				<verse number="20">Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.</verse>
				<verse number="21">En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken;</verse>
				<verse number="22">Denwelken ik tot datzelfde einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uw harten zou vertroosten.</verse>
				<verse number="23">Vrede zij den broederen, en liefde met geloof, van God den Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="24">De genade zij met al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="50">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus en Timótheüs, dienstknechten van Jezus Christus, al den heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen:</verse>
				<verse number="2">Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="3">Ik dank mijn God, zo dikwijls als ik uwer gedenk.</verse>
				<verse number="4">(Te allen tijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende)</verse>
				<verse number="5">Over uw gemeenschap aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe;</verse>
				<verse number="6">Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus;</verse>
				<verse number="7">Gelijk het bij mij recht is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houde, dat gij, beide in mijn banden, en in mijn verantwoording en bevestiging van het Evangelie, gij allen, zeg ik, mijner genade mede deelachtig zijt.</verse>
				<verse number="8">Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="9">En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen;</verse>
				<verse number="10">Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus;</verse>
				<verse number="11">Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.</verse>
				<verse number="12">En ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is;</verse>
				<verse number="13">Alzo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het ganse rechthuis, en aan alle anderen;</verse>
				<verse number="14">En dat het meerder deel der broederen in den Heere, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken.</verse>
				<verse number="15">Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid.</verse>
				<verse number="16">Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, menende aan mijn banden verdrukking toe te brengen;</verse>
				<verse number="17">Doch dezen uit liefde, dewijl zij weten, dat ik tot verantwoording van het Evangelie gezet ben.</verse>
				<verse number="18">Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden.</verse>
				<verse number="19">Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid gedijen zal, door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="20">Volgens mijn ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen zaak zal beschaamd worden; maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk te allen tijd, alzo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood.</verse>
				<verse number="21">Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.</verse>
				<verse number="22">Maar of te leven in het vlees, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet.</verse>
				<verse number="23">Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.</verse>
				<verse number="24">Maar in het vlees te blijven, is nodiger om uwentwil.</verse>
				<verse number="25">En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap des geloofs;</verse>
				<verse number="26">Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijn tegenwoordigheid wederom bij u.</verse>
				<verse number="27">Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in één geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies;</verse>
				<verse number="28">En dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God.</verse>
				<verse number="29">Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;</verse>
				<verse number="30">Denzelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt, en nu in mij hoort.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;</verse>
				<verse number="2">Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde.</verse>
				<verse number="3">Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.</verse>
				<verse number="4">Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.</verse>
				<verse number="5">Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;</verse>
				<verse number="6">Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn;</verse>
				<verse number="7">Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;</verse>
				<verse number="8">En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.</verse>
				<verse number="9">Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;</verse>
				<verse number="10">Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.</verse>
				<verse number="11">En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.</verse>
				<verse number="12">Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven;</verse>
				<verse number="13">Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.</verse>
				<verse number="14">Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken;</verse>
				<verse number="15">Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld;</verse>
				<verse number="16">Voorhoudende het Woord des levens, mij tot een roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gearbeid.</verse>
				<verse number="17">Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen.</verse>
				<verse number="18">En om datzelfde verblijdt gij u ook, en verblijdt ook ulieden met mij.</verse>
				<verse number="19">En ik hoop in den Heere Jezus Timótheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed moge zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben.</verse>
				<verse number="20">Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, dewelke oprechtelijk uw zaken zal bezorgen.</verse>
				<verse number="21">Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is.</verse>
				<verse number="22">En gij weet zijn beproeving, dat hij, als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het Evangelie.</verse>
				<verse number="23">Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden, zo haast als ik in mijn zaken zal voorzien hebben;</verse>
				<verse number="24">Doch ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal.</verse>
				<verse number="25">Maar ik heb nodig geacht tot u te zenden Epafrodítus, mijn broeder, en medearbeider en medestrijder, en uw afgezondene, en bedienaar mijner nooddruft;</verse>
				<verse number="26">Dewijl hij zeer begerig was naar u allen, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt, dat hij krank was.</verse>
				<verse number="27">En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd; en niet alleen zijner, maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben.</verse>
				<verse number="28">Zo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij, hem ziende, wederom u zoudt verblijden, en ik te min zou droevig zijn.</verse>
				<verse number="29">Ontvangt hem dan in den Heere, met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde.</verse>
				<verse number="30">Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zou.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Voorts, mijn broeders, verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker.</verse>
				<verse number="2">Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.</verse>
				<verse number="3">Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.</verse>
				<verse number="4">Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer.</verse>
				<verse number="5">Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër;</verse>
				<verse number="6">Naar den ijver een vervolger der Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk.</verse>
				<verse number="7">Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht.</verse>
				<verse number="8">Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.</verse>
				<verse number="9">En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;</verse>
				<verse number="10">Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;</verse>
				<verse number="11">Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.</verse>
				<verse number="12">Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.</verse>
				<verse number="13">Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb.</verse>
				<verse number="14">Maar één ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="15">Zovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren.</verse>
				<verse number="16">Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.</verse>
				<verse number="17">Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.</verse>
				<verse number="18">Want velen wandelen anders; van dewelken ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn;</verse>
				<verse number="19">Welker einde is het verderf, welker god is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelken aardse dingen bedenken.</verse>
				<verse number="20">Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;</verse>
				<verse number="21">Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat alzo in den Heere, geliefden!</verse>
				<verse number="2">Ik vermaan Euodía, en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere.</verse>
				<verse number="3">En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees dezen vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens.</verse>
				<verse number="4">Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u.</verse>
				<verse number="5">Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heere is nabij.</verse>
				<verse number="6">Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God;</verse>
				<verse number="7">En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="8">Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;</verse>
				<verse number="9">Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.</verse>
				<verse number="10">En ik ben grotelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad.</verse>
				<verse number="11">Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben.</verse>
				<verse number="12">En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.</verse>
				<verse number="13">Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.</verse>
				<verse number="14">Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijn verdrukking gemeenschap gehad hebt.</verse>
				<verse number="15">En ook gij, Filippenzen, weet, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedónië vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen.</verse>
				<verse number="16">Want ook in Thessaloníca hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft.</verse>
				<verse number="17">Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening.</verse>
				<verse number="18">Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafrodítus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk.</verse>
				<verse number="19">Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus.</verse>
				<verse number="20">Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="21">Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn.</verse>
				<verse number="22">Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des keizers zijn.</verse>
				<verse number="23">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="51">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Timótheüs, de broeder,</verse>
				<verse number="2">Den heiligen en gelovigen broederen in Christus, die te Kolosse zijn: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="3">Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende;</verse>
				<verse number="4">Alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die gij hebt tot alle heiligen.</verse>
				<verse number="5">Om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt, door het Woord der waarheid, namelijk des Evangelies;</verse>
				<verse number="6">Hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid bekend hebt.</verse>
				<verse number="7">Gelijk gij ook geleerd hebt van Épafras, onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u;</verse>
				<verse number="8">Die ons ook verklaard heeft uw liefde in den Geest.</verse>
				<verse number="9">Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;</verse>
				<verse number="10">Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God;</verse>
				<verse number="11">Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap;</verse>
				<verse number="12">Dankende den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht;</verse>
				<verse number="13">Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;</verse>
				<verse number="14">In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden;</verse>
				<verse number="15">Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller creaturen.</verse>
				<verse number="16">Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;</verse>
				<verse number="17">En Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;</verse>
				<verse number="18">En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.</verse>
				<verse number="19">Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou;</verse>
				<verse number="20">En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.</verse>
				<verse number="21">En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend,</verse>
				<verse number="22">In het lichaam Zijns vleses, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen;</verse>
				<verse number="23">Indien gij maar blijft in het geloof, gefondeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies, dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder al de creature, die onder den hemel is; van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden ben;</verse>
				<verse number="24">Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de Gemeente;</verse>
				<verse number="25">Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods;</verse>
				<verse number="26">Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen;</verse>
				<verse number="27">Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid;</verse>
				<verse number="28">Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus;</verse>
				<verse number="29">Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicéa zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien;</verse>
				<verse number="2">Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;</verse>
				<verse number="3">In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.</verse>
				<verse number="4">En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben.</verse>
				<verse number="5">Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus.</verse>
				<verse number="6">Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;</verse>
				<verse number="7">Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging.</verse>
				<verse number="8">Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;</verse>
				<verse number="9">Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;</verse>
				<verse number="10">En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;</verse>
				<verse number="11">In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;</verse>
				<verse number="12">Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.</verse>
				<verse number="13">En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;</verse>
				<verse number="14">Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;</verse>
				<verse number="15">En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.</verse>
				<verse number="16">Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;</verse>
				<verse number="17">Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.</verse>
				<verse number="18">Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;</verse>
				<verse number="19">En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom.</verse>
				<verse number="20">Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?</verse>
				<verse number="21">Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.</verse>
				<verse number="22">Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen;</verse>
				<verse number="23">Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.</verse>
				<verse number="2">Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.</verse>
				<verse number="3">Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.</verse>
				<verse number="4">Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.</verse>
				<verse number="5">Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.</verse>
				<verse number="6">Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid;</verse>
				<verse number="7">In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.</verse>
				<verse number="8">Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond.</verse>
				<verse number="9">Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken,</verse>
				<verse number="10">En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;</verse>
				<verse number="11">Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.</verse>
				<verse number="12">Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;</verse>
				<verse number="13">Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.</verse>
				<verse number="14">En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.</verse>
				<verse number="15">En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam; en weest dankbaar.</verse>
				<verse number="16">Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.</verse>
				<verse number="17">En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem.</verse>
				<verse number="18">Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.</verse>
				<verse number="19">Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.</verse>
				<verse number="20">Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehagelijk.</verse>
				<verse number="21">Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.</verse>
				<verse number="22">Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God.</verse>
				<verse number="23">En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen;</verse>
				<verse number="24">Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus.</verse>
				<verse number="25">Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Gij heren, doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetende, dat ook gij een Heere hebt in de hemelen.</verse>
				<verse number="2">Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging;</verse>
				<verse number="3">Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben;</verse>
				<verse number="4">Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken.</verse>
				<verse number="5">Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende.</verse>
				<verse number="6">Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden.</verse>
				<verse number="7">Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in den Heere;</verse>
				<verse number="8">Denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken wete, en uw harten vertrooste;</verse>
				<verse number="9">Met Onésimus, den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is.</verse>
				<verse number="10">U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Bárnabas, aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;</verse>
				<verse number="11">En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn.</verse>
				<verse number="12">U groet Épafras, die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus, te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God.</verse>
				<verse number="13">Want ik geef hem getuigenis, dat hij groten ijver heeft over u en degenen, die in Laodicéa zijn, en degenen, die in Hierápolis zijn.</verse>
				<verse number="14">U groet Lukas, de medicijnmeester, de geliefde, en Démas.</verse>
				<verse number="15">Groet de broeders, die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is.</verse>
				<verse number="16">En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente der Laodicenzen gelezen worde, en dat ook gij dien leest, die uit Laodicéa geschreven is.</verse>
				<verse number="17">En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervult.</verse>
				<verse number="18">De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="52">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, en Silvánus, en Timótheüs, aan de Gemeente der Thessalonicenzen, welke is in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="2">Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;</verse>
				<verse number="3">Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;</verse>
				<verse number="4">Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;</verse>
				<verse number="5">Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.</verse>
				<verse number="6">En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;</verse>
				<verse number="7">Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedónië en Acháje.</verse>
				<verse number="8">Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedónië en Acháje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken.</verse>
				<verse number="9">Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;</verse>
				<verse number="10">En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Want gij weet zelven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest;</verse>
				<verse number="2">Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijds.</verse>
				<verse number="3">Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog;</verse>
				<verse number="4">Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, alzo spreken wij, niet als mensen behagende, maar Gode, Die onze harten beproeft.</verse>
				<verse number="5">Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is Getuige!</verse>
				<verse number="6">Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus' apostelen;</verse>
				<verse number="7">Maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster haar kinderen koestert;</verse>
				<verse number="8">Alzo wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededelen niet alleen het Evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart.</verse>
				<verse number="9">Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.</verse>
				<verse number="10">Gij zijt getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn.</verse>
				<verse number="11">Gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,</verse>
				<verse number="12">En betuigden, dat gij zoudt wandelen, waardiglijk Gode, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.</verse>
				<verse number="13">Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.</verse>
				<verse number="14">Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judéa zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;</verse>
				<verse number="15">Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn;</verse>
				<verse number="16">En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.</verse>
				<verse number="17">Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd, om uw aangezicht te zien, met grote begeerte.</verse>
				<verse number="18">Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satanas heeft ons belet.</verse>
				<verse number="19">Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst?</verse>
				<verse number="20">Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Daarom, deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne willen te Athene alleen gelaten worden;</verse>
				<verse number="2">En hebben gezonden Timótheüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof;</verse>
				<verse number="3">Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want gij weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.</verse>
				<verse number="4">Want ook, toen wij bij u waren, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het.</verse>
				<verse number="5">Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden, om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zou wezen.</verse>
				<verse number="6">Maar als Timótheüs nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden;</verse>
				<verse number="7">Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof;</verse>
				<verse number="8">Want nu leven wij, indien gij vast staat in den Heere.</verse>
				<verse number="9">Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God?</verse>
				<verse number="10">Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt.</verse>
				<verse number="11">Doch onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u.</verse>
				<verse number="12">En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u;</verse>
				<verse number="13">Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt.</verse>
				<verse number="2">Want gij weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus.</verse>
				<verse number="3">Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij;</verse>
				<verse number="4">Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer;</verse>
				<verse number="5">Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.</verse>
				<verse number="6">Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.</verse>
				<verse number="7">Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking.</verse>
				<verse number="8">Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heiligen Geest in ons heeft gegeven.</verse>
				<verse number="9">Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van node, dat ik u schrijve; want gij zelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.</verse>
				<verse number="10">Want gij doet ook hetzelfde aan al de broederen, die in geheel Macedónië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt;</verse>
				<verse number="11">En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;</verse>
				<verse number="12">Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.</verse>
				<verse number="13">Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.</verse>
				<verse number="14">Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem.</verse>
				<verse number="15">Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.</verse>
				<verse number="16">Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;</verse>
				<verse number="17">Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.</verse>
				<verse number="18">Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.</verse>
				<verse number="2">Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.</verse>
				<verse number="3">Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;</verse>
				<verse number="4">Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.</verse>
				<verse number="5">Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.</verse>
				<verse number="6">Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.</verse>
				<verse number="7">Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;</verse>
				<verse number="8">Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.</verse>
				<verse number="9">Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;</verse>
				<verse number="10">Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.</verse>
				<verse number="11">Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet.</verse>
				<verse number="12">En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in den Heere, en u vermanen;</verse>
				<verse number="13">En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.</verse>
				<verse number="14">En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen.</verse>
				<verse number="15">Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.</verse>
				<verse number="16">Verblijdt u te allen tijd.</verse>
				<verse number="17">Bidt zonder ophouden.</verse>
				<verse number="18">Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.</verse>
				<verse number="19">Blust den Geest niet uit.</verse>
				<verse number="20">Veracht de profetieën niet.</verse>
				<verse number="21">Beproeft alle dingen; behoudt het goede.</verse>
				<verse number="22">Onthoudt u van allen schijn des kwaads.</verse>
				<verse number="23">En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="24">Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.</verse>
				<verse number="25">Broeders, bidt voor ons.</verse>
				<verse number="26">Groet al de broeders met een heiligen kus.</verse>
				<verse number="27">Ik bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde.</verse>
				<verse number="28">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="53">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, en Silvánus, en Timótheüs, aan de Gemeente der Thessalonicenzen, welke is in God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus:</verse>
				<verse number="2">Genade zij u, en vrede, van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="3">Wij moeten God te allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen jegens elkander overvloedig wordt;</verse>
				<verse number="4">Alzo dat wij zelven van u roemen in de Gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt;</verse>
				<verse number="5">Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods, voor hetwelk gij ook lijdt;</verse>
				<verse number="6">Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken;</verse>
				<verse number="7">En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht;</verse>
				<verse number="8">Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="9">Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte,</verse>
				<verse number="10">Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.</verse>
				<verse number="11">Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen Zijner goedigheid, en het werk des geloofs met kracht.</verse>
				<verse number="12">Opdat de Naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,</verse>
				<verse number="2">Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.</verse>
				<verse number="3">Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;</verse>
				<verse number="4">Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.</verse>
				<verse number="5">Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?</verse>
				<verse number="6">En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.</verse>
				<verse number="7">Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.</verse>
				<verse number="8">En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;</verse>
				<verse number="9">Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen;</verse>
				<verse number="10">En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.</verse>
				<verse number="11">En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;</verse>
				<verse number="12">Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="13">Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid;</verse>
				<verse number="14">Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="15">Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.</verse>
				<verse number="16">En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,</verse>
				<verse number="17">Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;</verse>
				<verse number="2">En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.</verse>
				<verse number="3">Maar de Heere is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van den boze.</verse>
				<verse number="4">En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij, hetgeen wij u bevelen, ook doet, en doen zult.</verse>
				<verse number="5">Doch de Heere richte uw harten tot de liefde van God, en tot de lijdzaamheid van Christus.</verse>
				<verse number="6">En wij bevelen u, broeders, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.</verse>
				<verse number="7">Want gijzelven weet, hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u;</verse>
				<verse number="8">En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;</verse>
				<verse number="9">Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.</verse>
				<verse number="10">Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.</verse>
				<verse number="11">Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.</verse>
				<verse number="12">Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten.</verse>
				<verse number="13">En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen.</verse>
				<verse number="14">Maar indien iemand ons woord, door dezen brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent dien; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;</verse>
				<verse number="15">En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder.</verse>
				<verse number="16">De Heere nu des vredes Zelf geve u vrede te allen tijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen.</verse>
				<verse number="17">De groetenis met mijn hand, van Paulus; hetwelk is een teken in iederen zendbrief; alzo schrijf ik.</verse>
				<verse number="18">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="54">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, Die onze Hope is,</verse>
				<verse number="2">Aan Timótheüs, mijn oprechten zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.</verse>
				<verse number="3">Gelijk ik u vermaand heb, dat gij te Éfeze zoudt blijven, als ik naar Macedónië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren;</verse>
				<verse number="4">Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is.</verse>
				<verse number="5">Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.</verse>
				<verse number="6">Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking;</verse>
				<verse number="7">Willende leraars der wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.</verse>
				<verse number="8">Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt;</verse>
				<verse number="9">En hij dit weet, dat den rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onrechtvaardigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers,</verse>
				<verse number="10">Den hoereerders, dien, die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is;</verse>
				<verse number="11">Naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is.</verse>
				<verse number="12">En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende;</verse>
				<verse number="13">Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.</verse>
				<verse number="14">Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="15">Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.</verse>
				<verse number="16">Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven.</verse>
				<verse number="17">Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="18">Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timótheüs, dat gij naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt;</verse>
				<verse number="19">Houdende het geloof, en een goed geweten, hetwelk sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben;</verse>
				<verse number="20">Onder welken is Hymenéüs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;</verse>
				<verse number="2">Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.</verse>
				<verse number="3">Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker;</verse>
				<verse number="4">Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.</verse>
				<verse number="5">Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;</verse>
				<verse number="6">Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd;</verse>
				<verse number="7">Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar der heidenen, in geloof en waarheid.</verse>
				<verse number="8">Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.</verse>
				<verse number="9">Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding;</verse>
				<verse number="10">Maar (hetwelk de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken.</verse>
				<verse number="11">Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid.</verse>
				<verse number="12">Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.</verse>
				<verse number="13">Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.</verse>
				<verse number="14">En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.</verse>
				<verse number="15">Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.</verse>
				<verse number="2">Een opziener dan moet onberispelijk zijn, éner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leren;</verse>
				<verse number="3">Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig.</verse>
				<verse number="4">Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid;</verse>
				<verse number="5">(Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente Gods zorg dragen?)</verse>
				<verse number="6">Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle.</verse>
				<verse number="7">En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in den strik des duivels.</verse>
				<verse number="8">De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijns begeven, geen vuil-gewinzoekers;</verse>
				<verse number="9">Houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten.</verse>
				<verse number="10">En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn.</verse>
				<verse number="11">De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarster, wakker, getrouw in alles.</verse>
				<verse number="12">Dat de diakenen éner vrouwe mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren.</verse>
				<verse number="13">Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelven een goeden opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus.</verse>
				<verse number="14">Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen;</verse>
				<verse number="15">Maar zo ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.</verse>
				<verse number="16">En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,</verse>
				<verse number="2">Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;</verse>
				<verse number="3">Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.</verse>
				<verse number="4">Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;</verse>
				<verse number="5">Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.</verse>
				<verse number="6">Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt.</verse>
				<verse number="7">Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid.</verse>
				<verse number="8">Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.</verse>
				<verse number="9">Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig.</verse>
				<verse number="10">Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, Die een Behouder is aller mensen, maar allermeest der gelovigen.</verse>
				<verse number="11">Beveel deze dingen, en leer ze.</verse>
				<verse number="12">Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid.</verse>
				<verse number="13">Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kome.</verse>
				<verse number="14">Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.</verse>
				<verse number="15">Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles.</verse>
				<verse number="16">Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders;</verse>
				<verse number="2">De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid.</verse>
				<verse number="3">Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn.</verse>
				<verse number="4">Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en den voorouderen wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God.</verse>
				<verse number="5">Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.</verse>
				<verse number="6">Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.</verse>
				<verse number="7">En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn.</verse>
				<verse number="8">Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.</verse>
				<verse number="9">Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke ééns mans vrouw geweest zij;</verse>
				<verse number="10">Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij gaarne heeft geherbergd, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, zo zij den verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij alle goed werk nagetracht heeft.</verse>
				<verse number="11">Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zo willen zij huwelijken;</verse>
				<verse number="12">Hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan.</verse>
				<verse number="13">En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, hetgeen niet betaamt.</verse>
				<verse number="14">Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven.</verse>
				<verse number="15">Want enigen hebben zich alrede afgewend achter den satan.</verse>
				<verse number="16">Zo enig gelovig man, of gelovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de Gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge.</verse>
				<verse number="17">Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.</verse>
				<verse number="18">Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult gij niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waardig.</verse>
				<verse number="19">Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen.</verse>
				<verse number="20">Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.</verse>
				<verse number="21">Ik betuig voor God, en den Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.</verse>
				<verse number="22">Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.</verse>
				<verse number="23">Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.</verse>
				<verse number="24">Van sommige mensen zijn de zonden te voren openbaar, en gaan voor tot hun veroordeling; en in sommigen ook volgen zij na.</verse>
				<verse number="25">Desgelijks ook de goede werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">De dienstknechten, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waardig achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde.</verse>
				<verse number="2">En die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zij broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, als die deze weldaad mede deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen.</verse>
				<verse number="3">Indien iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is,</verse>
				<verse number="4">Die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.</verse>
				<verse number="5">Verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken.</verse>
				<verse number="6">Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.</verse>
				<verse number="7">Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen.</verse>
				<verse number="8">Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.</verse>
				<verse number="9">Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.</verse>
				<verse number="10">Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.</verse>
				<verse number="11">Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid.</verse>
				<verse number="12">Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.</verse>
				<verse number="13">Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,</verse>
				<verse number="14">Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus;</verse>
				<verse number="15">Welke te zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren;</verse>
				<verse number="16">Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.</verse>
				<verse number="17">Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;</verse>
				<verse number="18">Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;</verse>
				<verse number="19">Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.</verse>
				<verse number="20">O Timótheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen der valselijk genaamde wetenschap;</verse>
				<verse number="21">Dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="55">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is,</verse>
				<verse number="2">Aan Timótheüs, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.</verse>
				<verse number="3">Ik dank God, Wien ik diene van mijn voorouderen aan in een rein geweten, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag;</verse>
				<verse number="4">Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld worden;</verse>
				<verse number="5">Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs, en in uw moeder Euníce; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.</verse>
				<verse number="6">Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen.</verse>
				<verse number="7">Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid.</verse>
				<verse number="8">Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods;</verse>
				<verse number="9">Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór de tijden der eeuwen;</verse>
				<verse number="10">Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie;</verse>
				<verse number="11">Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar der heidenen;</verse>
				<verse number="12">Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.</verse>
				<verse number="13">Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.</verse>
				<verse number="14">Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons woont.</verse>
				<verse number="15">Gij weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelke is Fygellus en Hermógenes.</verse>
				<verse number="16">De Heere geve den huize van Onesíforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.</verse>
				<verse number="17">Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft mij gevonden.</verse>
				<verse number="18">De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere, in dien dag; en hoeveel hij mij te Éfeze gediend heeft, weet gij zeer wel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is;</verse>
				<verse number="2">En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.</verse>
				<verse number="3">Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="4">Niemand, die in den krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge behagen, die hem tot den krijg aangenomen heeft.</verse>
				<verse number="5">En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.</verse>
				<verse number="6">De landman, als hij arbeidt, moet alzo eerst de vruchten genieten.</verse>
				<verse number="7">Merk, hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen.</verse>
				<verse number="8">Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie;</verse>
				<verse number="9">Om hetwelk ik verdrukkingen lijde tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord Gods is niet gebonden.</verse>
				<verse number="10">Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.</verse>
				<verse number="11">Dit is een getrouw woord; want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven;</verse>
				<verse number="12">Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;</verse>
				<verse number="13">Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.</verse>
				<verse number="14">Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is, dan tot verkering der toehoorders.</verse>
				<verse number="15">Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.</verse>
				<verse number="16">Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen.</verse>
				<verse number="17">En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus;</verse>
				<verse number="18">Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding alrede geschied is, en verkeren sommiger geloof.</verse>
				<verse number="19">Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="20">Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere.</verse>
				<verse number="21">Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.</verse>
				<verse number="22">Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die den Heere aanroepen uit een rein hart.</verse>
				<verse number="23">En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen.</verse>
				<verse number="24">En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;</verse>
				<verse number="25">Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid;</verse>
				<verse number="26">En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijn wil.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.</verse>
				<verse number="2">Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.</verse>
				<verse number="3">Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden,</verse>
				<verse number="4">Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;</verse>
				<verse number="5">Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze.</verse>
				<verse number="6">Want van dezen zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden;</verse>
				<verse number="7">Vrouwkens, die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.</verse>
				<verse number="8">Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook dezen de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.</verse>
				<verse number="9">Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is.</verse>
				<verse number="10">Maar gij hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid.</verse>
				<verse number="11">Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochíë, in Ikónium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost.</verse>
				<verse number="12">En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.</verse>
				<verse number="13">Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.</verse>
				<verse number="14">Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt;</verse>
				<verse number="15">En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.</verse>
				<verse number="16">Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;</verse>
				<verse number="17">Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:</verse>
				<verse number="2">Predik het Woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.</verse>
				<verse number="3">Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;</verse>
				<verse number="4">En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.</verse>
				<verse number="5">Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.</verse>
				<verse number="6">Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.</verse>
				<verse number="7">Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;</verse>
				<verse number="8">Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.</verse>
				<verse number="9">Benaarstig u haastelijk tot mij te komen.</verse>
				<verse number="10">Want Démas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessaloníca gereisd; Krescens naar Galátië, Titus naar Dalmátië.</verse>
				<verse number="11">Lukas is alleen met mij. Neem Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.</verse>
				<verse number="12">Maar Tychikus heb ik naar Éfeze gezonden.</verse>
				<verse number="13">Breng den reismantel mede, dien ik te Tróas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten.</verse>
				<verse number="14">Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken.</verse>
				<verse number="15">Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan.</verse>
				<verse number="16">In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.</verse>
				<verse number="17">Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen. En ik ben uit den muil des leeuws verlost.</verse>
				<verse number="18">En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="19">Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesíforus.</verse>
				<verse number="20">Erastus is te Korinthe gebleven; en Trófimus heb ik te Miléte krank gelaten.</verse>
				<verse number="21">Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubúlus, en Púdens, en Línus, en Klaudia, en al de broeders.</verse>
				<verse number="22">De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met ulieden. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="56">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een dienstknecht Gods, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is;</verse>
				<verse number="2">In de hoop des eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te Zijner tijd;</verse>
				<verse number="3">Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechten zoon, naar het gemeen geloof:</verse>
				<verse number="4">Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker.</verse>
				<verse number="5">Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:</verse>
				<verse number="6">Indien iemand onberispelijk is, éner vrouwe man, gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn.</verse>
				<verse number="7">Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker;</verse>
				<verse number="8">Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuis;</verse>
				<verse number="9">Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.</verse>
				<verse number="10">Want er zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn;</verse>
				<verse number="11">Welken men moet den mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.</verse>
				<verse number="12">Een uit hen, zijnde hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretenzen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken.</verse>
				<verse number="13">Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.</verse>
				<verse number="14">En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden der mensen, die hen van de waarheid afkeren.</verse>
				<verse number="15">Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.</verse>
				<verse number="16">Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.</verse>
				<verse number="2">Dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid.</verse>
				<verse number="3">De oude vrouwen insgelijks, dat zij in haar dracht zijn, gelijk den heiligen betaamt, dat zij geen lasteressen zijn, zich niet tot veel wijns begevende, maar leraressen zijn van het goede;</verse>
				<verse number="4">Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben;</verse>
				<verse number="5">Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.</verse>
				<verse number="6">Vermaan den jongen mannen insgelijks, dat zij matig zijn.</verse>
				<verse number="7">Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid;</verse>
				<verse number="8">Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen.</verse>
				<verse number="9">Vermaan den dienstknechten, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende;</verse>
				<verse number="10">Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren.</verse>
				<verse number="11">Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.</verse>
				<verse number="12">En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;</verse>
				<verse number="13">Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;</verse>
				<verse number="14">Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.</verse>
				<verse number="15">Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn;</verse>
				<verse number="2">Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.</verse>
				<verse number="3">Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.</verse>
				<verse number="4">Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,</verse>
				<verse number="5">Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;</verse>
				<verse number="6">Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;</verse>
				<verse number="7">Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.</verse>
				<verse number="8">Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den mensen.</verse>
				<verse number="9">Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.</verse>
				<verse number="10">Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;</verse>
				<verse number="11">Wetende, dat de zodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld.</verse>
				<verse number="12">Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikópolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren.</verse>
				<verse number="13">Geleid Zenas, den wetgeleerde, en Apollos zorgvuldiglijk, opdat hun niets ontbreke.</verse>
				<verse number="14">En dat ook de onzen leren, goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.</verse>
				<verse number="15">Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="57">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timótheüs, de broeder, aan Filémon, den geliefde, en onzen medearbeider,</verse>
				<verse number="2">En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onzen medestrijder, en aan de Gemeente, die te uwen huize is:</verse>
				<verse number="3">Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="4">Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden;</verse>
				<verse number="5">Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen;</verse>
				<verse number="6">Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus.</verse>
				<verse number="7">Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!</verse>
				<verse number="8">Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is;</verse>
				<verse number="9">Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="10">Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onésimus;</verse>
				<verse number="11">Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb.</verse>
				<verse number="12">Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan;</verse>
				<verse number="13">Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden des Evangelies.</verse>
				<verse number="14">Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid.</verse>
				<verse number="15">Want veellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben.</verse>
				<verse number="16">Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere.</verse>
				<verse number="17">Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij.</verse>
				<verse number="18">En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe.</verse>
				<verse number="19">Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt.</verse>
				<verse number="20">Ja, broeder, laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijn ingewanden in den Heere.</verse>
				<verse number="21">Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg.</verse>
				<verse number="22">En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken worden.</verse>
				<verse number="23">U groeten Épafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,</verse>
				<verse number="24">Markus, Aristarchus, Démas, Lukas, mijn medearbeiders.</verse>
				<verse number="25">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="58">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;</verse>
				<verse number="2">Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft;</verse>
				<verse number="3">Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;</verse>
				<verse number="4">Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft.</verse>
				<verse number="5">Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd? En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?</verse>
				<verse number="6">En als Hij wederom den Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.</verse>
				<verse number="7">En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs.</verse>
				<verse number="8">Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de scepter Uws koninkrijks is een rechte scepter.</verse>
				<verse number="9">Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uw medegenoten.</verse>
				<verse number="10">En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;</verse>
				<verse number="11">Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;</verse>
				<verse number="12">En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.</verse>
				<verse number="13">En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?</verse>
				<verse number="14">Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.</verse>
				<verse number="2">Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;</verse>
				<verse number="3">Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;</verse>
				<verse number="4">God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil.</verse>
				<verse number="5">Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.</verse>
				<verse number="6">Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt!</verse>
				<verse number="7">Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;</verse>
				<verse number="8">Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;</verse>
				<verse number="9">Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.</verse>
				<verse number="10">Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.</verse>
				<verse number="11">Want én Hij, Die heiligt, én zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.</verse>
				<verse number="12">Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen.</verse>
				<verse number="13">En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.</verse>
				<verse number="14">Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;</verse>
				<verse number="15">En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.</verse>
				<verse number="16">Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.</verse>
				<verse number="17">Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.</verse>
				<verse number="18">Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus;</verse>
				<verse number="2">Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was.</verse>
				<verse number="3">Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis.</verse>
				<verse number="4">Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles gebouwd heeft, is God.</verse>
				<verse number="5">En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging der dingen, die daarna gesproken zouden worden;</verse>
				<verse number="6">Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en den roem der hoop tot het einde toe vast behouden.</verse>
				<verse number="7">Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort,</verse>
				<verse number="8">Zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn;</verse>
				<verse number="9">Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.</verse>
				<verse number="10">Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.</verse>
				<verse number="11">Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!</verse>
				<verse number="12">Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van den levenden God;</verse>
				<verse number="13">Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.</verse>
				<verse number="14">Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden;</verse>
				<verse number="15">Terwijl er gezegd wordt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, gelijk in de verbittering geschied is.</verse>
				<verse number="16">Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, doch niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.</verse>
				<verse number="17">Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn?</verse>
				<verse number="18">En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?</verse>
				<verse number="19">En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.</verse>
				<verse number="2">Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.</verse>
				<verse number="3">Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.</verse>
				<verse number="4">Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijn werken gerust.</verse>
				<verse number="5">En in deze plaats wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!</verse>
				<verse number="6">Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, wien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,</verse>
				<verse number="7">Zo bepaalt Hij wederom een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.</verse>
				<verse number="8">Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.</verse>
				<verse number="9">Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.</verse>
				<verse number="10">Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.</verse>
				<verse number="11">Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.</verse>
				<verse number="12">Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.</verse>
				<verse number="13">En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.</verse>
				<verse number="14">Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.</verse>
				<verse number="15">Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.</verse>
				<verse number="16">Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden;</verse>
				<verse number="2">Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is;</verse>
				<verse number="3">En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.</verse>
				<verse number="4">En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aäron.</verse>
				<verse number="5">Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.</verse>
				<verse number="6">Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.</verse>
				<verse number="7">Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.</verse>
				<verse number="8">Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden.</verse>
				<verse number="9">En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden;</verse>
				<verse number="10">En is van God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizédek.</verse>
				<verse number="11">Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt.</verse>
				<verse number="12">Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben, en niet vaste spijze.</verse>
				<verse number="13">Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind.</verse>
				<verse number="14">Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,</verse>
				<verse number="2">Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel.</verse>
				<verse number="3">En dit zullen wij ook doen, indien het God toelaat.</verse>
				<verse number="4">Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,</verse>
				<verse number="5">En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw,</verse>
				<verse number="6">En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.</verse>
				<verse number="7">Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;</verse>
				<verse number="8">Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.</verse>
				<verse number="9">Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.</verse>
				<verse number="10">Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.</verse>
				<verse number="11">Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe;</verse>
				<verse number="12">Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.</verse>
				<verse number="13">Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,</verse>
				<verse number="14">Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.</verse>
				<verse number="15">En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.</verse>
				<verse number="16">Want de mensen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken;</verse>
				<verse number="17">Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;</verse>
				<verse number="18">Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;</verse>
				<verse number="19">Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel;</verse>
				<verse number="20">Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizédek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">Want deze Melchizédek was koning van Salem, een priester des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende;</verse>
				<verse number="2">Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes;</verse>
				<verse number="3">Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit den buit.</verse>
				<verse number="5">En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn.</verse>
				<verse number="6">Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij gezegend.</verse>
				<verse number="7">Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.</verse>
				<verse number="8">En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar aldaar neemt ze die, van welken getuigd wordt, dat hij leeft.</verse>
				<verse number="9">En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;</verse>
				<verse number="10">Want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizédek tegemoet ging.</verse>
				<verse number="11">Indien dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander Priester naar de ordening van Melchizédek zou opstaan, en Die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?</verse>
				<verse number="12">Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.</verse>
				<verse number="13">Want Hij, op Wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft.</verse>
				<verse number="14">Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.</verse>
				<verse number="15">En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizédek een ander Priester opstaat:</verse>
				<verse number="16">Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens.</verse>
				<verse number="17">Want Hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek.</verse>
				<verse number="18">Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil;</verse>
				<verse number="19">Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.</verse>
				<verse number="20">En voor zoveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden;</verse>
				<verse number="21">Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek).</verse>
				<verse number="22">Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.</verse>
				<verse number="23">En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;</verse>
				<verse number="24">Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.</verse>
				<verse number="25">Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.</verse>
				<verse number="26">Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;</verse>
				<verse number="27">Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.</verse>
				<verse number="28">Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen:</verse>
				<verse number="2">Een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mens.</verse>
				<verse number="3">Want een iegelijk hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren.</verse>
				<verse number="4">Want indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren;</verse>
				<verse number="5">Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is.</verse>
				<verse number="6">En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.</verse>
				<verse number="7">Want indien dat eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest.</verse>
				<verse number="8">Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten;</verse>
				<verse number="9">Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.</verse>
				<verse number="10">Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.</verse>
				<verse number="11">En zij zullen niet leren, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.</verse>
				<verse number="12">Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.</verse>
				<verse number="13">Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de gods dienst, en het wereldlijk heiligdom.</verse>
				<verse number="2">Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige;</verse>
				<verse number="3">Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige der heiligen;</verse>
				<verse number="4">Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds.</verse>
				<verse number="5">En boven over deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.</verse>
				<verse number="6">Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel, te allen tijde, om de gods diensten te volbrengen;</verse>
				<verse number="7">Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden.</verse>
				<verse number="8">Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had;</verse>
				<verse number="9">Welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die den dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten;</verse>
				<verse number="10">Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering opgelegd.</verse>
				<verse number="11">Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,</verse>
				<verse number="12">Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.</verse>
				<verse number="13">Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleses;</verse>
				<verse number="14">Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levenden God te dienen?</verse>
				<verse number="15">En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.</verse>
				<verse number="16">Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome;</verse>
				<verse number="17">Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.</verse>
				<verse number="18">Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.</verse>
				<verse number="19">Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf, en al het volk,</verse>
				<verse number="20">Zeggende: Dit is het bloed des testaments, hetwelk God aan ulieden heeft geboden.</verse>
				<verse number="21">En hij besprengde desgelijks ook den tabernakel, en al de vaten van den dienst met het bloed.</verse>
				<verse number="22">En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.</verse>
				<verse number="23">Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze.</verse>
				<verse number="24">Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;</verse>
				<verse number="25">Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;</verse>
				<verse number="26">(Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offerande.</verse>
				<verse number="27">En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;</verse>
				<verse number="28">Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.</verse>
				<verse number="2">Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;</verse>
				<verse number="3">Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden.</verse>
				<verse number="4">Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.</verse>
				<verse number="5">Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;</verse>
				<verse number="6">Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.</verse>
				<verse number="7">Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!</verse>
				<verse number="8">Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);</verse>
				<verse number="9">Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.</verse>
				<verse number="10">In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied.</verse>
				<verse number="11">En een iegelijk priester stond wel allen dag dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;</verse>
				<verse number="12">Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods;</verse>
				<verse number="13">Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.</verse>
				<verse number="14">Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.</verse>
				<verse number="15">En de Heilige Geest getuigt het ons ook;</verse>
				<verse number="16">Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;</verse>
				<verse number="17">En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.</verse>
				<verse number="18">Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.</verse>
				<verse number="19">Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,</verse>
				<verse number="20">Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;</verse>
				<verse number="21">En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;</verse>
				<verse number="22">Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.</verse>
				<verse number="23">Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);</verse>
				<verse number="24">En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;</verse>
				<verse number="25">En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.</verse>
				<verse number="26">Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;</verse>
				<verse number="27">Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden.</verse>
				<verse number="28">Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;</verse>
				<verse number="29">Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?</verse>
				<verse number="30">Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen.</verse>
				<verse number="31">Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.</verse>
				<verse number="32">Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen.</verse>
				<verse number="33">Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo behandeld werden.</verse>
				<verse number="34">Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.</verse>
				<verse number="35">Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.</verse>
				<verse number="36">Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;</verse>
				<verse number="37">Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.</verse>
				<verse number="38">Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.</verse>
				<verse number="39">Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.</verse>
				<verse number="2">Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen.</verse>
				<verse number="3">Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden.</verse>
				<verse number="4">Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.</verse>
				<verse number="5">Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.</verse>
				<verse number="6">Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.</verse>
				<verse number="7">Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.</verse>
				<verse number="8">Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.</verse>
				<verse number="9">Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte.</verse>
				<verse number="10">Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.</verse>
				<verse number="11">Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.</verse>
				<verse number="12">Daarom zijn ook van één, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is, hetwelk ontallijk is.</verse>
				<verse number="13">Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.</verse>
				<verse number="14">Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.</verse>
				<verse number="15">En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren;</verse>
				<verse number="16">Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.</verse>
				<verse number="17">Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd,</verse>
				<verse number="18">(Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;</verse>
				<verse number="19">Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.</verse>
				<verse number="20">Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.</verse>
				<verse number="21">Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.</verse>
				<verse number="22">Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der kinderen Israëls, en heeft bevel gegeven van zijn gebeenten.</verse>
				<verse number="23">Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.</verse>
				<verse number="24">Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Faraö's dochter genoemd te worden;</verse>
				<verse number="25">Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;</verse>
				<verse number="26">Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.</verse>
				<verse number="27">Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke.</verse>
				<verse number="28">Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou.</verse>
				<verse number="29">Door het geloof zijn zij de Rode Zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.</verse>
				<verse number="30">Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest.</verse>
				<verse number="31">Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen.</verse>
				<verse number="32">En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gídeon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;</verse>
				<verse number="33">Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt;</verse>
				<verse number="34">De kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht;</verse>
				<verse number="35">De vrouwen hebben hare doden uit de opstanding weder gekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.</verse>
				<verse number="36">En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis;</verse>
				<verse number="37">Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;</verse>
				<verse number="38">(Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde.</verse>
				<verse number="39">En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;</verse>
				<verse number="40">Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;</verse>
				<verse number="2">Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.</verse>
				<verse number="3">Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.</verse>
				<verse number="4">Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde;</verse>
				<verse number="5">En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;</verse>
				<verse number="6">Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt.</verse>
				<verse number="7">Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)</verse>
				<verse number="8">Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.</verse>
				<verse number="9">Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?</verse>
				<verse number="10">Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.</verse>
				<verse number="11">En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.</verse>
				<verse number="12">Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieën;</verse>
				<verse number="13">En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.</verse>
				<verse number="14">Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;</verse>
				<verse number="15">Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.</verse>
				<verse number="16">Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.</verse>
				<verse number="17">Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.</verse>
				<verse number="18">Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder,</verse>
				<verse number="19">En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.</verse>
				<verse number="20">(Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden.</verse>
				<verse number="21">En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).</verse>
				<verse number="22">Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;</verse>
				<verse number="23">Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;</verse>
				<verse number="24">En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.</verse>
				<verse number="25">Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is;</verse>
				<verse number="26">Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel.</verse>
				<verse number="27">En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn.</verse>
				<verse number="28">Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.</verse>
				<verse number="29">Want onze God is een verterend vuur.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">Dat de broederlijke liefde blijve.</verse>
				<verse number="2">Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.</verse>
				<verse number="3">Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart.</verse>
				<verse number="4">Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.</verse>
				<verse number="5">Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.</verse>
				<verse number="6">Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.</verse>
				<verse number="7">Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.</verse>
				<verse number="8">Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="9">Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben.</verse>
				<verse number="10">Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen.</verse>
				<verse number="11">Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.</verse>
				<verse number="12">Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.</verse>
				<verse number="13">Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.</verse>
				<verse number="14">Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.</verse>
				<verse number="15">Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.</verse>
				<verse number="16">En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.</verse>
				<verse number="17">Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.</verse>
				<verse number="18">Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen.</verse>
				<verse number="19">En ik bid u te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden.</verse>
				<verse number="20">De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus,</verse>
				<verse number="21">Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="22">Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in het kort geschreven.</verse>
				<verse number="23">Weet, dat de broeder Timótheüs losgelaten is, met welken (zo hij haast komt) ik u zal zien.</verse>
				<verse number="24">Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italië zijn.</verse>
				<verse number="25">De genade zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="59">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.</verse>
				<verse number="2">Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt;</verse>
				<verse number="3">Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.</verse>
				<verse number="4">Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.</verse>
				<verse number="5">En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.</verse>
				<verse number="6">Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op- en nedergeworpen wordt.</verse>
				<verse number="7">Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van den Heere.</verse>
				<verse number="8">Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.</verse>
				<verse number="9">Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.</verse>
				<verse number="10">En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.</verse>
				<verse number="11">Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.</verse>
				<verse number="12">Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.</verse>
				<verse number="13">Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.</verse>
				<verse number="14">Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.</verse>
				<verse number="15">Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.</verse>
				<verse number="16">Dwaalt niet, mijn geliefde broeders!</verse>
				<verse number="17">Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.</verse>
				<verse number="18">Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen.</verse>
				<verse number="19">Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;</verse>
				<verse number="20">Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.</verse>
				<verse number="21">Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.</verse>
				<verse number="22">En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.</verse>
				<verse number="23">Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;</verse>
				<verse number="24">Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.</verse>
				<verse number="25">Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.</verse>
				<verse number="26">Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.</verse>
				<verse number="27">De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aannemingen des persoons.</verse>
				<verse number="2">Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;</verse>
				<verse number="3">En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;</verse>
				<verse number="4">Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?</verse>
				<verse number="5">Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?</verse>
				<verse number="6">Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?</verse>
				<verse number="7">Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?</verse>
				<verse number="8">Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;</verse>
				<verse number="9">Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.</verse>
				<verse number="10">Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.</verse>
				<verse number="11">Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.</verse>
				<verse number="12">Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.</verse>
				<verse number="13">Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.</verse>
				<verse number="14">Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?</verse>
				<verse number="15">Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;</verse>
				<verse number="16">En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?</verse>
				<verse number="17">Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.</verse>
				<verse number="18">Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.</verse>
				<verse number="19">Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.</verse>
				<verse number="20">Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?</verse>
				<verse number="21">Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?</verse>
				<verse number="22">Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?</verse>
				<verse number="23">En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.</verse>
				<verse number="24">Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?</verse>
				<verse number="25">En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?</verse>
				<verse number="26">Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.</verse>
				<verse number="2">Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.</verse>
				<verse number="3">Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;</verse>
				<verse number="4">Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.</verse>
				<verse number="5">Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.</verse>
				<verse number="6">De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.</verse>
				<verse number="7">Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.</verse>
				<verse number="8">Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.</verse>
				<verse number="9">Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.</verse>
				<verse number="10">Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.</verse>
				<verse number="11">Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?</verse>
				<verse number="12">Kan ook, mijn broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen.</verse>
				<verse number="13">Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.</verse>
				<verse number="14">Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.</verse>
				<verse number="15">Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.</verse>
				<verse number="16">Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.</verse>
				<verse number="17">Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.</verse>
				<verse number="18">En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?</verse>
				<verse number="2">Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.</verse>
				<verse number="3">Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.</verse>
				<verse number="4">Overspelers en overspeelsters, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.</verse>
				<verse number="5">Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?</verse>
				<verse number="6">Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.</verse>
				<verse number="7">Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.</verse>
				<verse number="8">Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!</verse>
				<verse number="9">Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.</verse>
				<verse number="10">Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.</verse>
				<verse number="11">Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.</verse>
				<verse number="12">Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?</verse>
				<verse number="13">Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.</verse>
				<verse number="14">Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.</verse>
				<verse number="15">In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.</verse>
				<verse number="16">Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.</verse>
				<verse number="17">Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.</verse>
				<verse number="2">Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden;</verse>
				<verse number="3">Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.</verse>
				<verse number="4">Ziet, het loon der werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van den Heere Sebaôth.</verse>
				<verse number="5">Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting.</verse>
				<verse number="6">Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet.</verse>
				<verse number="7">Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.</verse>
				<verse number="8">Weest gij ook lankmoedig, versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt.</verse>
				<verse number="9">Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur.</verse>
				<verse number="10">Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens, en der lankmoedigheid de profeten, die in den Naam des Heeren gesproken hebben.</verse>
				<verse number="11">Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.</verse>
				<verse number="12">Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.</verse>
				<verse number="13">Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge.</verse>
				<verse number="14">Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.</verse>
				<verse number="15">En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden.</verse>
				<verse number="16">Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.</verse>
				<verse number="17">Elías was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.</verse>
				<verse number="18">En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort.</verse>
				<verse number="19">Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert,</verse>
				<verse number="20">Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="60">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galátië, Kappadócië, Azië en Bithynië,</verse>
				<verse number="2">Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.</verse>
				<verse number="3">Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.</verse>
				<verse number="4">Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.</verse>
				<verse number="5">Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.</verse>
				<verse number="6">In Welken gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;</verse>
				<verse number="7">Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;</verse>
				<verse number="8">Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;</verse>
				<verse number="9">Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.</verse>
				<verse number="10">Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;</verse>
				<verse number="11">Onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.</verse>
				<verse number="12">Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.</verse>
				<verse number="13">Daarom opschortende de lenden uws verstands, en nuchteren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="14">Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren;</verse>
				<verse number="15">Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel;</verse>
				<verse number="16">Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.</verse>
				<verse number="17">En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning;</verse>
				<verse number="18">Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;</verse>
				<verse number="19">Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;</verse>
				<verse number="20">Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,</verse>
				<verse number="21">Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.</verse>
				<verse number="22">Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart;</verse>
				<verse number="23">Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.</verse>
				<verse number="24">Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;</verse>
				<verse number="25">Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;</verse>
				<verse number="2">En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen;</verse>
				<verse number="3">Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is.</verse>
				<verse number="4">Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;</verse>
				<verse number="5">Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.</verse>
				<verse number="6">Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.</verse>
				<verse number="7">U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;</verse>
				<verse number="8">Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.</verse>
				<verse number="9">Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;</verse>
				<verse number="10">Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.</verse>
				<verse number="11">Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;</verse>
				<verse number="12">En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.</verse>
				<verse number="13">Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;</verse>
				<verse number="14">Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.</verse>
				<verse number="15">Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;</verse>
				<verse number="16">Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.</verse>
				<verse number="17">Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.</verse>
				<verse number="18">Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.</verse>
				<verse number="19">Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.</verse>
				<verse number="20">Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.</verse>
				<verse number="21">Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;</verse>
				<verse number="22">Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;</verse>
				<verse number="23">Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;</verse>
				<verse number="24">Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.</verse>
				<verse number="25">Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden;</verse>
				<verse number="2">Als zij zullen ingezien hebben uw kuisen wandel in vreze.</verse>
				<verse number="3">Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken;</verse>
				<verse number="4">Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.</verse>
				<verse number="5">Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig;</verse>
				<verse number="6">Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking.</verse>
				<verse number="7">Gij mannen, insgelijks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, eer gevende, als die ook mede-erfgenamen der genade des levens met haar zijt; opdat uw gebeden niet verhinderd worden.</verse>
				<verse number="8">En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;</verse>
				<verse number="9">Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.</verse>
				<verse number="10">Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;</verse>
				<verse number="11">Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.</verse>
				<verse number="12">Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.</verse>
				<verse number="13">En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?</verse>
				<verse number="14">Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreze van hen, en wordt niet ontroerd;</verse>
				<verse number="15">Maar heiligt God, den Heere, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.</verse>
				<verse number="16">En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel in Christus lasteren.</verse>
				<verse number="17">Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.</verse>
				<verse number="18">Want Christus heeft ook ééns voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest;</verse>
				<verse number="19">In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft,</verse>
				<verse number="20">Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.</verse>
				<verse number="21">Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;</verse>
				<verse number="22">Welke is aan de rechter hand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Dewijl dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde;</verse>
				<verse number="2">Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.</verse>
				<verse number="3">Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;</verse>
				<verse number="4">Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;</verse>
				<verse number="5">Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden.</verse>
				<verse number="6">Want daartoe is ook den doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mens in het vlees, maar leven zouden naar God in den geest.</verse>
				<verse number="7">En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.</verse>
				<verse number="8">Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.</verse>
				<verse number="9">Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureren.</verse>
				<verse number="10">Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers der menigerlei genade Gods.</verse>
				<verse number="11">Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="12">Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame;</verse>
				<verse number="13">Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u; opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.</verse>
				<verse number="14">Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.</verse>
				<verse number="15">Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit;</verse>
				<verse number="16">Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele.</verse>
				<verse number="17">Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?</verse>
				<verse number="18">En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?</verse>
				<verse number="19">Zo dan ook die lijden naar den wil van God, dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling, en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid, die geopenbaard zal worden:</verse>
				<verse number="2">Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed;</verse>
				<verse number="3">Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.</verse>
				<verse number="4">En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.</verse>
				<verse number="5">Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.</verse>
				<verse number="6">Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.</verse>
				<verse number="7">Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.</verse>
				<verse number="8">Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden;</verse>
				<verse number="9">Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.</verse>
				<verse number="10">De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.</verse>
				<verse number="11">Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="12">Door Silvánus, die u een getrouw broeder is, zo ik acht, heb ik met weinige woorden geschreven, vermanende en betuigende, dat deze is de waarachtige genade Gods, in welke gij staat.</verse>
				<verse number="13">U groet de mede-uitverkorene Gemeente, die in Bábylon is, en Markus, mijn zoon.</verse>
				<verse number="14">Groet elkander met een kus der liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="61">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus:</verse>
				<verse number="2">Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere;</verse>
				<verse number="3">Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;</verse>
				<verse number="4">Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.</verse>
				<verse number="5">En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,</verse>
				<verse number="6">En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid,</verse>
				<verse number="7">En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen.</verse>
				<verse number="8">Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus.</verse>
				<verse number="9">Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.</verse>
				<verse number="10">Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.</verse>
				<verse number="11">Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.</verse>
				<verse number="12">Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet, en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt.</verse>
				<verse number="13">En ik acht het recht te zijn, zolang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning;</verse>
				<verse number="14">Alzo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard.</verse>
				<verse number="15">Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gij na mijn uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben.</verse>
				<verse number="16">Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.</verse>
				<verse number="17">Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.</verse>
				<verse number="18">En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op den heiligen berg waren.</verse>
				<verse number="19">En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.</verse>
				<verse number="20">Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging;</verse>
				<verse number="21">Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;</verse>
				<verse number="2">En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden.</verse>
				<verse number="3">En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.</verse>
				<verse number="4">Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;</verse>
				<verse number="5">En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;</verse>
				<verse number="6">En de steden van Sódoma en Gomórra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven;</verse>
				<verse number="7">En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft;</verse>
				<verse number="8">(Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken);</verse>
				<verse number="9">Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden;</verse>
				<verse number="10">Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren;</verse>
				<verse number="11">Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heere voortbrengen.</verse>
				<verse number="12">Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden;</verse>
				<verse number="13">En zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;</verse>
				<verse number="14">Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking;</verse>
				<verse number="15">Die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Balaäm, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft;</verse>
				<verse number="16">Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.</verse>
				<verse number="17">Deze zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.</verse>
				<verse number="18">Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden des vleses en door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen;</verse>
				<verse number="19">Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.</verse>
				<verse number="20">Want indien zij, nadat zij door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.</verse>
				<verse number="21">Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was.</verse>
				<verse number="22">Maar hun is overkomen, hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwekke;</verse>
				<verse number="2">Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn;</verse>
				<verse number="3">Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,</verse>
				<verse number="4">En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.</verse>
				<verse number="5">Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;</verse>
				<verse number="6">Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.</verse>
				<verse number="7">Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.</verse>
				<verse number="8">Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.</verse>
				<verse number="9">De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.</verse>
				<verse number="10">Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.</verse>
				<verse number="11">Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!</verse>
				<verse number="12">Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.</verse>
				<verse number="13">Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.</verse>
				<verse number="14">Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;</verse>
				<verse number="15">En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft;</verse>
				<verse number="16">Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.</verse>
				<verse number="17">Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid;</verse>
				<verse number="18">Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="62">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;</verse>
				<verse number="2">(Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.)</verse>
				<verse number="3">Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.</verse>
				<verse number="4">En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij.</verse>
				<verse number="5">En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.</verse>
				<verse number="6">Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.</verse>
				<verse number="7">Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.</verse>
				<verse number="8">Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet.</verse>
				<verse number="9">Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="10">Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;</verse>
				<verse number="2">En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.</verse>
				<verse number="3">En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.</verse>
				<verse number="4">Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;</verse>
				<verse number="5">Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.</verse>
				<verse number="6">Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.</verse>
				<verse number="7">Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.</verse>
				<verse number="8">Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu.</verse>
				<verse number="9">Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe.</verse>
				<verse number="10">Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.</verse>
				<verse number="11">Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.</verse>
				<verse number="12">Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.</verse>
				<verse number="13">Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.</verse>
				<verse number="14">Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.</verse>
				<verse number="15">Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.</verse>
				<verse number="16">Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.</verse>
				<verse number="17">En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.</verse>
				<verse number="18">Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.</verse>
				<verse number="19">Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.</verse>
				<verse number="20">Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.</verse>
				<verse number="21">Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.</verse>
				<verse number="22">Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.</verse>
				<verse number="23">Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.</verse>
				<verse number="24">Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven.</verse>
				<verse number="25">En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.</verse>
				<verse number="26">Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden.</verse>
				<verse number="27">En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.</verse>
				<verse number="28">En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.</verse>
				<verse number="29">Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.</verse>
				<verse number="2">Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.</verse>
				<verse number="3">En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.</verse>
				<verse number="4">Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.</verse>
				<verse number="5">En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.</verse>
				<verse number="6">Een iegelijk, die in Hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.</verse>
				<verse number="7">Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.</verse>
				<verse number="8">Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.</verse>
				<verse number="9">Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.</verse>
				<verse number="10">Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft.</verse>
				<verse number="11">Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.</verse>
				<verse number="12">Niet gelijk Kaïn, die uit den boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.</verse>
				<verse number="13">Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat.</verse>
				<verse number="14">Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.</verse>
				<verse number="15">Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.</verse>
				<verse number="16">Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.</verse>
				<verse number="17">Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?</verse>
				<verse number="18">Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.</verse>
				<verse number="19">En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.</verse>
				<verse number="20">Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.</verse>
				<verse number="21">Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;</verse>
				<verse number="22">En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.</verse>
				<verse number="23">En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.</verse>
				<verse number="24">En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.</verse>
				<verse number="2">Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;</verse>
				<verse number="3">En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld.</verse>
				<verse number="4">Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is.</verse>
				<verse number="5">Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen.</verse>
				<verse number="6">Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der dwaling.</verse>
				<verse number="7">Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God;</verse>
				<verse number="8">Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde.</verse>
				<verse number="9">Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.</verse>
				<verse number="10">Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.</verse>
				<verse number="11">Geliefden, indien God ons alzo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.</verse>
				<verse number="12">Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt.</verse>
				<verse number="13">Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.</verse>
				<verse number="14">En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.</verse>
				<verse number="15">Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.</verse>
				<verse number="16">En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.</verse>
				<verse number="17">Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.</verse>
				<verse number="18">Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.</verse>
				<verse number="19">Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.</verse>
				<verse number="20">Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?</verse>
				<verse number="21">En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.</verse>
				<verse number="2">Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.</verse>
				<verse number="3">Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.</verse>
				<verse number="4">Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.</verse>
				<verse number="5">Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?</verse>
				<verse number="6">Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.</verse>
				<verse number="7">Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één.</verse>
				<verse number="8">En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één.</verse>
				<verse number="9">Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft.</verse>
				<verse number="10">Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.</verse>
				<verse number="11">En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.</verse>
				<verse number="12">Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.</verse>
				<verse number="13">Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.</verse>
				<verse number="14">En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.</verse>
				<verse number="15">En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.</verse>
				<verse number="16">Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.</verse>
				<verse number="17">Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood.</verse>
				<verse number="18">Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.</verse>
				<verse number="19">Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.</verse>
				<verse number="20">Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.</verse>
				<verse number="21">Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="63">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De ouderling aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben;</verse>
				<verse number="2">Om der waarheid wil, die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid:</verse>
				<verse number="3">Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader, en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.</verse>
				<verse number="4">Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader.</verse>
				<verse number="5">En nu bid ik u, uitverkoren vrouwe, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben.</verse>
				<verse number="6">En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen.</verse>
				<verse number="7">Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist.</verse>
				<verse number="8">Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.</verse>
				<verse number="9">Een iegelijk, die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon.</verse>
				<verse number="10">Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.</verse>
				<verse number="11">Want die tot hem zegt: Zijt gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken.</verse>
				<verse number="12">Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn.</verse>
				<verse number="13">U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="64">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb.</verse>
				<verse number="2">Geliefde, voor alle dingen wens ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart.</verse>
				<verse number="3">Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt.</verse>
				<verse number="4">Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.</verse>
				<verse number="5">Geliefde, gij doet trouwelijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen,</verse>
				<verse number="6">Die getuigd hebben van uw liefde, in de tegenwoordigheid der Gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij weldoen.</verse>
				<verse number="7">Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.</verse>
				<verse number="8">Wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid.</verse>
				<verse number="9">Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diótrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.</verse>
				<verse number="10">Daarom, indien ik kom, zo zal ik in gedachtenis brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente.</verse>
				<verse number="11">Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.</verse>
				<verse number="12">Aan Demétrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen ook, en gij weet, dat onze getuigenis waarachtig is.</verse>
				<verse number="13">Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;</verse>
				<verse number="14">Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken.</verse>
				<verse number="15">Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="65">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:</verse>
				<verse number="2">Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.</verse>
				<verse number="3">Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.</verse>
				<verse number="4">Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.</verse>
				<verse number="5">Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.</verse>
				<verse number="6">En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.</verse>
				<verse number="7">Gelijk Sódoma en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.</verse>
				<verse number="8">Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.</verse>
				<verse number="9">Maar Michaël, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!</verse>
				<verse number="10">Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.</verse>
				<verse number="11">Wee hun, want zij zijn den weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.</verse>
				<verse number="12">Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;</verse>
				<verse number="13">Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.</verse>
				<verse number="14">En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;</verse>
				<verse number="15">Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.</verse>
				<verse number="16">Deze zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.</verse>
				<verse number="17">Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;</verse>
				<verse number="18">Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.</verse>
				<verse number="19">Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.</verse>
				<verse number="20">Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;</verse>
				<verse number="21">Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.</verse>
				<verse number="22">En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende;</verse>
				<verse number="23">Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is.</verse>
				<verse number="24">Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,</verse>
				<verse number="25">Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
		<book number="66">
			<chapter number="1">
				<verse number="1">De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;</verse>
				<verse number="2">Dewelke het Woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft.</verse>
				<verse number="3">Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.</verse>
				<verse number="4">Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn;</verse>
				<verse number="5">En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.</verse>
				<verse number="6">En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="7">Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.</verse>
				<verse number="8">Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.</verse>
				<verse number="9">Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.</verse>
				<verse number="10">En ik was in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,</verse>
				<verse number="11">Zeggende: Ik ben de Alfa en de Oméga, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Éfeze, en naar Smyrna, en naar Pérgamus, en naar Thyatíra, en naar Sardis, en naar Filadelfía, en naar Laodicéa.</verse>
				<verse number="12">En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren;</verse>
				<verse number="13">En in het midden van de zeven kandelaren Eén, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;</verse>
				<verse number="14">En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;</verse>
				<verse number="15">En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.</verse>
				<verse number="16">En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.</verse>
				<verse number="17">En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;</verse>
				<verse number="18">En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.</verse>
				<verse number="19">Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen:</verse>
				<verse number="20">De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechter hand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="2">
				<verse number="1">Schrijf aan den engel der Gemeente van Éfeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter hand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt:</verse>
				<verse number="2">Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;</verse>
				<verse number="3">En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden.</verse>
				<verse number="4">Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.</verse>
				<verse number="5">Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.</verse>
				<verse number="6">Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nikolaïeten haat, welke Ik ook haat.</verse>
				<verse number="7">Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.</verse>
				<verse number="8">En schrijf aan den engel der Gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en weder levend is geworden:</verse>
				<verse number="9">Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.</verse>
				<verse number="10">Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.</verse>
				<verse number="11">Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden.</verse>
				<verse number="12">En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pérgamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:</verse>
				<verse number="13">Ik weet uw werken, en waar gij woont; namelijk daar de troon des satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont.</verse>
				<verse number="14">Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.</verse>
				<verse number="15">Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.</verse>
				<verse number="16">Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.</verse>
				<verse number="17">Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.</verse>
				<verse number="18">En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatíra: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk:</verse>
				<verse number="19">Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.</verse>
				<verse number="20">Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.</verse>
				<verse number="21">En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.</verse>
				<verse number="22">Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.</verse>
				<verse number="23">En haar kinderen zal Ik door den dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken.</verse>
				<verse number="24">Doch Ik zeg ulieden, en tot de anderen, die te Thyatíra zijn, zovelen, als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen last opleggen;</verse>
				<verse number="25">Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.</verse>
				<verse number="26">En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen;</verse>
				<verse number="27">En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.</verse>
				<verse number="28">En Ik zal hem de morgenster geven.</verse>
				<verse number="29">Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="3">
				<verse number="1">En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.</verse>
				<verse number="2">Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.</verse>
				<verse number="3">Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.</verse>
				<verse number="4">Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.</verse>
				<verse number="5">Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.</verse>
				<verse number="6">Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.</verse>
				<verse number="7">En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfía is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:</verse>
				<verse number="8">Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn Woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.</verse>
				<verse number="9">Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.</verse>
				<verse number="10">Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.</verse>
				<verse number="11">Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.</verse>
				<verse number="12">Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.</verse>
				<verse number="13">Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.</verse>
				<verse number="14">En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicenzen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods:</verse>
				<verse number="15">Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet!</verse>
				<verse number="16">Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.</verse>
				<verse number="17">Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.</verse>
				<verse number="18">Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.</verse>
				<verse number="19">Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.</verse>
				<verse number="20">Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.</verse>
				<verse number="21">Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.</verse>
				<verse number="22">Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="4">
				<verse number="1">Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.</verse>
				<verse number="2">En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.</verse>
				<verse number="3">En Die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien der steen Smaragd gelijk.</verse>
				<verse number="4">En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden.</verse>
				<verse number="5">En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven geesten Gods.</verse>
				<verse number="6">En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.</verse>
				<verse number="7">En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk.</verse>
				<verse number="8">En de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.</verse>
				<verse number="9">En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op den troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft;</verse>
				<verse number="10">Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor den troon, zeggende:</verse>
				<verse number="11">Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="5">
				<verse number="1">En ik zag in de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.</verse>
				<verse number="2">En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?</verse>
				<verse number="3">En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.</verse>
				<verse number="4">En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.</verse>
				<verse number="5">En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.</verse>
				<verse number="6">En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.</verse>
				<verse number="7">En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat.</verse>
				<verse number="8">En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen.</verse>
				<verse number="9">En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;</verse>
				<verse number="10">En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.</verse>
				<verse number="11">En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;</verse>
				<verse number="12">Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.</verse>
				<verse number="13">En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.</verse>
				<verse number="14">En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder, en aanbaden Dengene, Die leeft in alle eeuwigheid.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="6">
				<verse number="1">En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie!</verse>
				<verse number="2">En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!</verse>
				<verse number="3">En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!</verse>
				<verse number="4">En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.</verse>
				<verse number="5">En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand.</verse>
				<verse number="6">En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet.</verse>
				<verse number="7">En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!</verse>
				<verse number="8">En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde.</verse>
				<verse number="9">En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.</verse>
				<verse number="10">En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?</verse>
				<verse number="11">En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.</verse>
				<verse number="12">En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.</verse>
				<verse number="13">En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.</verse>
				<verse number="14">En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.</verse>
				<verse number="15">En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;</verse>
				<verse number="16">En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams.</verse>
				<verse number="17">Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?</verse>
			</chapter>
			<chapter number="7">
				<verse number="1">En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom.</verse>
				<verse number="2">En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welke macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,</verse>
				<verse number="3">Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.</verse>
				<verse number="4">En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="5">Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;</verse>
				<verse number="6">Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;</verse>
				<verse number="7">Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;</verse>
				<verse number="8">Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld.</verse>
				<verse number="9">Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen.</verse>
				<verse number="10">En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam.</verse>
				<verse number="11">En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God,</verse>
				<verse number="12">Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.</verse>
				<verse number="13">En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?</verse>
				<verse number="14">En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.</verse>
				<verse number="15">Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.</verse>
				<verse number="16">Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.</verse>
				<verse number="17">Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="8">
				<verse number="1">En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.</verse>
				<verse number="2">En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.</verse>
				<verse number="3">En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor den troon is.</verse>
				<verse number="4">En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God.</verse>
				<verse number="5">En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.</verse>
				<verse number="6">En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.</verse>
				<verse number="7">En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.</verse>
				<verse number="8">En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel der zee is bloed geworden.</verse>
				<verse number="9">En het derde deel der schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel der schepen is vergaan.</verse>
				<verse number="10">En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen der wateren.</verse>
				<verse number="11">En de naam der ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden.</verse>
				<verse number="12">En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel derzelve zou verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zou lichten; en van den nacht desgelijks.</verse>
				<verse number="13">En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen der bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="9">
				<verse number="1">En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.</verse>
				<verse number="2">En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.</verse>
				<verse number="3">En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.</verse>
				<verse number="4">En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.</verse>
				<verse number="5">En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.</verse>
				<verse number="6">En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.</verse>
				<verse number="7">En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen.</verse>
				<verse number="8">En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.</verse>
				<verse number="9">En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruis hunner vleugelen was als een gedruis der wagens, wanneer vele paarden naar den strijd lopen.</verse>
				<verse number="10">En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.</verse>
				<verse number="11">En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abáddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.</verse>
				<verse number="12">Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeën na dezen.</verse>
				<verse number="13">En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was,</verse>
				<verse number="14">Zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, den Eufraat.</verse>
				<verse number="15">En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden.</verse>
				<verse number="16">En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal.</verse>
				<verse number="17">En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer,</verse>
				<verse number="18">Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.</verse>
				<verse number="19">Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.</verse>
				<verse number="20">En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;</verse>
				<verse number="21">En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="10">
				<verse number="1">En ik zag een anderen sterken engel, afkomende van den hemel, die bekleed was met een wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur.</verse>
				<verse number="2">En hij had in zijn hand een boeksken, dat geopend was; en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde.</verse>
				<verse number="3">En hij riep met een grote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hun stemmen.</verse>
				<verse number="4">En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.</verse>
				<verse number="5">En de engel, dien ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar den hemel;</verse>
				<verse number="6">En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;</verse>
				<verse number="7">Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft.</verse>
				<verse number="8">En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: Ga henen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat.</verse>
				<verse number="9">En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.</verse>
				<verse number="10">En ik nam dat boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.</verse>
				<verse number="11">En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="11">
				<verse number="1">En mij werd een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden.</verse>
				<verse number="2">En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.</verse>
				<verse number="3">En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.</verse>
				<verse number="4">Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan.</verse>
				<verse number="5">En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.</verse>
				<verse number="6">Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen.</verse>
				<verse number="7">En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.</verse>
				<verse number="8">En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sódoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.</verse>
				<verse number="9">En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natiën, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden.</verse>
				<verse number="10">En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.</verse>
				<verse number="11">En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden.</verse>
				<verse number="12">En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen.</verse>
				<verse number="13">En in diezelfde ure geschiedde een grote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van mensen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven.</verse>
				<verse number="14">Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast.</verse>
				<verse number="15">En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.</verse>
				<verse number="16">En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God,</verse>
				<verse number="17">Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;</verse>
				<verse number="18">En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienstknechten, den profeten, en den heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, den kleinen en den groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven.</verse>
				<verse number="19">En de tempel Gods in de hemel is geopend geworden, en de ark Zijns verbonds is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="12">
				<verse number="1">En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren;</verse>
				<verse number="2">En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren.</verse>
				<verse number="3">En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden.</verse>
				<verse number="4">En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben.</verse>
				<verse number="5">En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.</verse>
				<verse number="6">En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.</verse>
				<verse number="7">En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.</verse>
				<verse number="8">En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.</verse>
				<verse number="9">En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.</verse>
				<verse number="10">En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het Koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.</verse>
				<verse number="11">En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.</verse>
				<verse number="12">Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.</verse>
				<verse number="13">En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.</verse>
				<verse number="14">En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.</verse>
				<verse number="15">En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.</verse>
				<verse number="16">En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.</verse>
				<verse number="17">En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.</verse>
				<verse number="18">En ik stond op het zand der zee.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="13">
				<verse number="1">En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering.</verse>
				<verse number="2">En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.</verse>
				<verse number="3">En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.</verse>
				<verse number="4">En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?</verse>
				<verse number="5">En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.</verse>
				<verse number="6">En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.</verse>
				<verse number="7">En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.</verse>
				<verse number="8">En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.</verse>
				<verse number="9">Indien iemand oren heeft, die hore.</verse>
				<verse number="10">Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.</verse>
				<verse number="11">En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak.</verse>
				<verse number="12">En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was.</verse>
				<verse number="13">En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.</verse>
				<verse number="14">En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve toe doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken.</verse>
				<verse number="15">En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.</verse>
				<verse number="16">En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;</verse>
				<verse number="17">En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.</verse>
				<verse number="18">Hier is de wijsheid: Die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="14">
				<verse number="1">En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.</verse>
				<verse number="2">En ik hoorde een stem uit den hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een groten donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers;</verse>
				<verse number="3">En zij zongen als een nieuw gezang voor den troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.</verse>
				<verse number="4">Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; dezen zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen Gode en het Lam.</verse>
				<verse number="5">En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God.</verse>
				<verse number="6">En ik zag een anderen engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen dengenen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk;</verse>
				<verse number="7">Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.</verse>
				<verse number="8">En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt.</verse>
				<verse number="9">En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,</verse>
				<verse number="10">Die zal ook drinken uit den wijn des toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is, in den drinkbeker Zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.</verse>
				<verse number="11">En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt.</verse>
				<verse number="12">Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.</verse>
				<verse number="13">En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.</verse>
				<verse number="14">En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel.</verse>
				<verse number="15">En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de ure om te maaien is nu gekomen, dewijl de oogst der aarde rijp is geworden.</verse>
				<verse number="16">En Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.</verse>
				<verse number="17">En een andere engel kwam uit den tempel, die in den hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel.</verse>
				<verse number="18">En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van den wijngaard der aarde, want zijn druiven zijn rijp.</verse>
				<verse number="19">En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van den wijngaard der aarde, en wierp ze in den groten wijnpersbak des toorns Gods.</verse>
				<verse number="20">En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen der paarden, duizend zeshonderd stadiën ver.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="15">
				<verse number="1">En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in den hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geëindigd.</verse>
				<verse number="2">En ik zag als een glazen zee, met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteken, en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods;</verse>
				<verse number="3">En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!</verse>
				<verse number="4">Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden.</verse>
				<verse number="5">En na dezen zag ik, en ziet, de tempel des tabernakels der getuigenis in den hemel werd geopend.</verse>
				<verse number="6">En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit den tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels.</verse>
				<verse number="7">En een van de vier dieren gaf den zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods, Die in alle eeuwigheid leeft.</verse>
				<verse number="8">En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit Zijn kracht; en niemand kon in den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd waren.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="16">
				<verse number="1">En ik hoorde een grote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.</verse>
				<verse number="2">En de eerste ging henen, en goot zijn fiool uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden.</verse>
				<verse number="3">En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.</verse>
				<verse number="4">En de derde engel goot zijn fiool uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.</verse>
				<verse number="5">En ik hoorde den engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt;</verse>
				<verse number="6">Dewijl zij het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.</verse>
				<verse number="7">En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.</verse>
				<verse number="8">En de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.</verse>
				<verse number="9">En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven.</verse>
				<verse number="10">En de vijfde engel goot zijn fiool uit op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;</verse>
				<verse number="11">En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.</verse>
				<verse number="12">En de zesde engel goot zijn fiool uit op de grote rivier, den Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen.</verse>
				<verse number="13">En ik zag uit den mond des draaks, en uit den mond van het beest, en uit den mond des valsen profeets, drie onreine geesten gaan, den vorsen gelijk;</verse>
				<verse number="14">Want het zijn geesten der duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen der aarde en der gehele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtigen Gods.</verse>
				<verse number="15">Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.</verse>
				<verse number="16">En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armagéddon.</verse>
				<verse number="17">En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied!</verse>
				<verse number="18">En er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot.</verse>
				<verse number="19">En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap.</verse>
				<verse number="20">En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.</verse>
				<verse number="21">En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plage des hagels; want deszelfs plage was zeer groot.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="17">
				<verse number="1">En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren;</verse>
				<verse number="2">Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.</verse>
				<verse number="3">En hij bracht mij weg in een woestijn, in den geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlakenrood beest, dat vol was van namen der gods lastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.</verse>
				<verse number="4">En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij.</verse>
				<verse number="5">En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.</verse>
				<verse number="6">En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.</verse>
				<verse number="7">En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.</verse>
				<verse number="8">Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.</verse>
				<verse number="9">Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.</verse>
				<verse number="10">En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.</verse>
				<verse number="11">En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.</verse>
				<verse number="12">En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op één ure met het beest.</verse>
				<verse number="13">Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.</verse>
				<verse number="14">Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.</verse>
				<verse number="15">En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen.</verse>
				<verse number="16">En de tien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.</verse>
				<verse number="17">Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.</verse>
				<verse number="18">En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="18">
				<verse number="1">En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.</verse>
				<verse number="2">En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;</verse>
				<verse number="3">Dewijl uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde.</verse>
				<verse number="4">En ik hoorde een andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.</verse>
				<verse number="5">Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden.</verse>
				<verse number="6">Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.</verse>
				<verse number="7">Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.</verse>
				<verse number="8">Daarom zullen haar plagen op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.</verse>
				<verse number="9">En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haar brands zullen zien;</verse>
				<verse number="10">Van verre staande uit vreze van haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in één ure gekomen.</verse>
				<verse number="11">En de kooplieden der aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt;</verse>
				<verse number="12">Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen;</verse>
				<verse number="13">En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der mensen.</verse>
				<verse number="14">En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en gij zult hetzelve niet meer vinden.</verse>
				<verse number="15">De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreze van haar pijniging, wenende en rouw makende;</verse>
				<verse number="16">En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in één ure is zo grote rijkdom verwoest.</verse>
				<verse number="17">En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre;</verse>
				<verse number="18">En riepen, ziende den rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?</verse>
				<verse number="19">En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in één ure verwoest geworden.</verse>
				<verse number="20">Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.</verse>
				<verse number="21">En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.</verse>
				<verse number="22">En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden.</verse>
				<verse number="23">En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten der aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest.</verse>
				<verse number="24">En in dezelve is gevonden het bloed der profeten en der heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="19">
				<verse number="1">En na dezen hoorde ik als een grote stem ener grote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij den Heere, onzen God.</verse>
				<verse number="2">Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; dewijl Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed Zijner dienaren van haar hand gewroken heeft.</verse>
				<verse number="3">En zij zeiden ten tweeden maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.</verse>
				<verse number="4">En de vier en twintig ouderlingen, en de vier dieren vielen neder, en aanbaden God, Die op den troon zat, zeggende: Amen, Halleluja!</verse>
				<verse number="5">En een stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij al Zijn dienstknechten, en gij, die Hem vreest, beiden klein en groot!</verse>
				<verse number="6">En ik hoorde als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.</verse>
				<verse number="7">Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.</verse>
				<verse number="8">En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.</verse>
				<verse number="9">En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zeide tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods.</verse>
				<verse number="10">En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie, dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie.</verse>
				<verse number="11">En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.</verse>
				<verse number="12">En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hijzelf.</verse>
				<verse number="13">En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.</verse>
				<verse number="14">En de heirlegers in den hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad.</verse>
				<verse number="15">En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods.</verse>
				<verse number="16">En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren.</verse>
				<verse number="17">En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal des groten Gods;</verse>
				<verse number="18">Opdat gij eet het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en groten.</verse>
				<verse number="19">En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirleger.</verse>
				<verse number="20">En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt.</verse>
				<verse number="21">En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vlees.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="20">
				<verse number="1">En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;</verse>
				<verse number="2">En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;</verse>
				<verse number="3">En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.</verse>
				<verse number="4">En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.</verse>
				<verse number="5">Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.</verse>
				<verse number="6">Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.</verse>
				<verse number="7">En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.</verse>
				<verse number="8">En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.</verse>
				<verse number="9">En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.</verse>
				<verse number="10">En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.</verse>
				<verse number="11">En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.</verse>
				<verse number="12">En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is: en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.</verse>
				<verse number="13">En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.</verse>
				<verse number="14">En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.</verse>
				<verse number="15">En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="21">
				<verse number="1">En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.</verse>
				<verse number="2">En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.</verse>
				<verse number="3">En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.</verse>
				<verse number="4">En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.</verse>
				<verse number="5">En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.</verse>
				<verse number="6">En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.</verse>
				<verse number="7">Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.</verse>
				<verse number="8">Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.</verse>
				<verse number="9">En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.</verse>
				<verse number="10">En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God.</verse>
				<verse number="11">En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal.</verse>
				<verse number="12">En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls.</verse>
				<verse number="13">Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten.</verse>
				<verse number="14">En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams.</verse>
				<verse number="15">En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur.</verse>
				<verse number="16">En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk.</verse>
				<verse number="17">En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was.</verse>
				<verse number="18">En het gebouw van haar muur was Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.</verse>
				<verse number="19">En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcédon, het vierde Smaragd.</verse>
				<verse number="20">Het vijfde Sardónix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst.</verse>
				<verse number="21">En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat der stad was zuiver goud; gelijk doorluchtig glas.</verse>
				<verse number="22">En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.</verse>
				<verse number="23">En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.</verse>
				<verse number="24">En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.</verse>
				<verse number="25">En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn.</verse>
				<verse number="26">En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen.</verse>
				<verse number="27">En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.</verse>
			</chapter>
			<chapter number="22">
				<verse number="1">En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams.</verse>
				<verse number="2">In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.</verse>
				<verse number="3">En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen;</verse>
				<verse number="4">En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.</verse>
				<verse number="5">En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.</verse>
				<verse number="6">En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen haast moet geschieden.</verse>
				<verse number="7">Ziet, Ik kom haastelijk; zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.</verse>
				<verse number="8">En ik, Johannes, ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om aan te bidden voor de voeten des engels, die mij deze dingen toonde.</verse>
				<verse number="9">En hij zeide tot mij: Zie, dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, der profeten, en dergenen, die de woorden dezes boeks bewaren; aanbid God.</verse>
				<verse number="10">En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij.</verse>
				<verse number="11">Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.</verse>
				<verse number="12">En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.</verse>
				<verse number="13">Ik ben de Alfa, en de Oméga, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.</verse>
				<verse number="14">Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.</verse>
				<verse number="15">Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.</verse>
				<verse number="16">Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.</verse>
				<verse number="17">En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.</verse>
				<verse number="18">Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.</verse>
				<verse number="19">En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.</verse>
				<verse number="20">Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!</verse>
				<verse number="21">De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.</verse>
			</chapter>
		</book>
	</testament>
</bible>